Recensie van Nieuwe tekeningen en gedichten - Hugo Claus

Tien jaar na zijn sterfdag, de verrassing die Claus heet. Een eerbetoon.

Hugo Claus
Nieuwe tekeningen en gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106205
€ 24,99
229 blz.

Over de dichter en schrijver Hugo Claus (Brugge 1929 – Antwerpen 2008) is veel geschreven, zowel over de mens als zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre; hij publiceerde talrijke dichtbundels, meer dan 20 romans, toneelstukken, essays. novellen, filmscenario’s, libretti en vertaalde onder meer Under Milk Wood van Dylan Thomas.
Minder bekend is dat hij ook wat de beeldende kunst betreft actief was en met name de tekeningen die hij maakte zijn van een ontwapenende charme.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis in februari 2003 gaf de schilder-dichter Jan Vanriet  hem, om de verveling te verdrijven, een dummy cadeau in de veronderstelling dat dit zijn vriend zou aanzetten tot het schrijven van poëzie.
Na twee weken gaf de herstelde Claus hem de dummy terug.
Jan Vanriet was met stomheid geslagen; er stond geen enkel gedicht in!
Wel 108 tekeningen.

Jaren later vertelde Suzanne Holtzer, die de redacteur van Claus was geweest, aan Jan Vanriet dat zij van plan was een bloemlezing over diens werk samen te stellen ter gelegenheid zijn tiende sterfdag. Hierop stelde Jan Vanriet haar de dummy ter beschikking. Zij was er verrukt over en ging op zoek naar bijpassende dichtregels. Zo ontstond dit boekwerk.

Beetje gewaagd. Mijn ervaring is dat in een bundel waarin zowel beeld als poëzie zijn opgenomen deze elkaar niet altijd versterken. Integendeel, zij staan vaak de interpretatie van de lezer-kijker in de weg; het beeld stuurt het geschrevene en omgekeerd en remt daarmee de verbeelding .
In kinderboeken kan het doorgaans wel omdat hier (ook) sprake is van een leerproces en wanneer tekst en beeld door dezelfde kunstenaar zijn gecreëerd en samengesteld, zoals bij Joke van Leeuwen het geval is, is de kans van slagen groter, maar niet zelden doen ook dan beide kunstuitingen elkaar tekort.

Wat deze uitgave betreft zou een boek met de tekeningen zonder dichtregels zeker de moeite waard zijn geweest, en, zij het wat minder (de tekst werd aangepast aan de tekeningen en niet andersom) kan dit worden  gezegd over een bundel met alleen de poëzie.
Maar wat Suzanne Holtzer met kennis en grote zorg heeft bijeengebracht verrijkt zowel het een als het ander. Een geslaagde symbiose.
(Wel jammer dat ik me in deze bespreking moet beperken tot de dichtregels en niet ter illustratie twee aansluitende pagina’s kan tonen met op de rechter een tekening en op de linker het daarbij passende gedicht ).

In de bloemlezing springen zoals gebruikelijk allereerst de tekeningen in het oog. Ze geven een gevarieerd  beeld van wat Claus voor ogen had: de mens tonen in al zijn schoon- en lelijkheid, zijn aardsheid, zijn grappige geilheid en zijn kinderlijke fantasie. Dit alles overgoten met humor.

In de gedichten en fragmenten daarvan valt het kinderlijk en schaamteloze plezier op dat Claus schept in het te pas en te onpas rijmen. Uit ‘APOLLINAIRE REVISITED’: Hier sta ik dan / een zinnig man (…) Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop / Ik in de uitverkoop / van wanhoop (…)’ en uit ‘XVIII MOEDER DOET BOODSCHAPPEN’ : ‘(…) Op mijn klompen, met ontwrichte rug, / met kapotte ingewanden / blijf ik stappen naar de hel. // Mijn zoontje hoopt op een mirakel: / een fiets met banden en een bel.’
En hier dan nog een deel uit ‘Rijmen voor een reiziger in Antwerpen’ :

Wat hinnikt er nog zo laat in de straat?
Het fantoom van een paard,
een blanke nachtmerrie.
Ik ben het die draaf
en kletter en galop
gevleugeld in mijn hansop.

Een versje eigenlijk, zoals er meerdere in de bundel staan, en kijk, hiernaast zou de bijbehorende tekening moeten staan om er optimaal van te genieten.

Zoals gezegd maakte Claus de tekeningen in slechts twee weken en de spontaniteit en het ogenschijnlijk speels gemak waarmee ze aan het papier zijn toevertrouwd, doet vermoeden dat de zieke zich geen zorgen maakte in het hospitaal. Het zijn ongekunstelde schetsen die zonder kritische stops tussen hart en hoofd naar de hand zijn gegaan.
De dichtregels stralen dezelfde onbezorgdheid uit. Geen geserreerde poëzie waarbij ieder woord is gewogen maar met de kraan wijd open laat Claus de woorden stromen met een taalgevoel dat geen grenzen kent. Alleen iemand die de materie volkomen beheerst kan zich een dergelijke manier van schrijven veroorloven.
De kunst ervan is dat wat bij de lezer in eerste instantie als onachtzaam en slordig kan overkomen zoveel heeft te zeggen; sterker, het schijnbaar achteloos formuleren heeft een relativerend effect en maakt, hoe gek het ook klinkt, de inhoud sterker.
Twee voorbeelden:

Toen ik naar haar lachte
sloeg zij mij. Alsjeblieft. Pats in mijn gezicht. Dank je wel.

Nu heb je liefdesslagen, genaamd prohana
het liefst met de handpalm op de billen
(niet met de knokkels, dat vindt de Meester barbaars)
waarop het slachtoffer verplicht is te antwoorden
met de liefdeskreet stît,
een heftig gesis tussen bijna dichte tanden.
Sommige meisjes roepen dan om hun moeder,
dat mag ook, volgens de Meester.

Uit: ‘Stît’

Hij zegt: ‘Ik wou,
.                ik wou als het zou kunnen,
.                misschien toch,
.                eigenlijk, tenminste, heel even,
.                nee, vergeet het, ik ben er niet,
.                niet geweest.’-

Zij staat in de kamer, knijpt haar dijen samen,
(want moet plassen)
Haar stem is hees alsof zij naar hem verlangt,
(want moet niezen)
Haar blik verwacht hem en helemaal,
(want moet slapen).

Uit: ‘Een soort afscheid’

Graag zou ik als criticus ook iets minder positiefs willen opmerken, maar, afgezien van het helaas ontbreken van een leeslint, lukt me dat niet; behalve de tekeningen en de poëzie verdient de verzorging van deze uitgave ook nog eens een pluim: mooi dik papier, en godlof geen ronkende promotieteksten op de omslag.

Een heerlijk boek.