Recensie van Opsnuiven - Emma Crebolder

Een snuffelstage

Emma Crebolder
Opsnuiven
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2018
ISBN 9789046823453
€ 19,99
59 blz.

Piet Vroon, ooit hoogleraar in de psychologie, schreef over de invloed van geur op het menselijk handelen. Ons gedrag werd volgens hem op grond van wetenschappelijk onderzoek onbewust bepaald door geuren die we niet eens ruiken. Bij het lezen van de bundel Opsnuiven, moest ik denken aan de hooggeleerde, want alle verzen gaan over geur en roepen bij de lezer geursensaties op in allerlei gradaties. Gedichten met observaties, maar bovenal met geurervaringen in alle mogelijke perioden in het leven en plaatsen.

De uitgave ziet er bijzonder fraai uit met op de omslag twee merkwaardige voorwerpen die hoornen snuifflesjes blijken te zijn. Op alle oneven pagina’s staan de gedichten. De even pagina’s zijn steeds grijs met een kronkelende stippellijn. Naarmate de lezer vordert in de bundel wordt dat steeds meer lijnenspel. Midden in de bundel is de bladzij flink belijnd en naar het einde toen wordt dat steeds minder om te eindigen zoals het de bundel begon. Voor mijn gevoel staat die stippellijn symbool voor geur. In het dagelijks leven neem je een geur vaak eerst vaag waar en wordt die steeds sterker en later zwakt dat af of merk je het niet eens meer. Zoals je de geur van je eigen huis niet meer ruikt, behalve als je terugkomt van vakantie.

Op de rechterbladzijden staan vijfentwintig tienregelige gedichten. Crebolder lijkt een voorkeur voor het getal tien te hebben, want in een andere bundel trof ik hetzelfde aantal regels aan. Eindrijm ontbreekt consequent. Wel wordt veelvuldig gebruik gemaakt van alliteratie en assonantie, zij het niet overmatig:  ‘(…. ) Zijn uitwerpsel rook / naar ingedikt gras, was nog nat. / Een pad. Hij zocht het waterspoor / als eens de salamanders. /’; ‘Eerst door de vallei van rode / aarde waar de ezels maïsstoppels / vermalen. Daar (…)’. Datzelfde zie je in het volgende gedicht:

Van binnen en van buiten werd
de ark met aardpek bestreken.
Nog borrelden gassen toen
wij in biezen dreven. De reuk
was er van voortijd, van vloeiend
en brandbaar ontginnen.

Later stond op het erf
een kuip met pikzwart pek.
Het hout van de schuur moest
geteerd, op drijven voorbereid.

In dit vers twee strofes; de witregel markeert een overgang in tijd. In de eerste strofe verwijzingen naar Genesis, Noach die zijn ark bouwt en om waterdichtheid te garanderen de naden tussen de huidplanken insmeert met pek en Mozes die in de Nijl ronddobbert in een biezenmandje dat op dezelfde wijze het water buiten houdt.
Om hout te conserveren werd vroeger meestal teer, ook wel pek genoemd, gebruikt. De dichteres verbindt de verhalen uit de Bijbel met waarneming van de vertrouwde geur van de schuur uit haar jeugd. Het is wel humoristisch, want de schuur hoeft natuurlijk niet te drijven, maar moet wel bestand zijn tegen de tand des tijds. Jammer dat in de laatste regel ‘worden’ ontbreekt.

Ruiken is vooraf aan geluid
en witte schemer diep in
onze hersenstam gedreven.
Soms ontwaken de geuren
van meconium en biest die
de boreling omvingen. Odeur
ontwaren van darmpek en
moedervocht is woordeloze
taal ontginnen die
uitweg zoekt in poëzie.

Ditmaal geen verdeling, maar tien aaneengesloten regels. Een verwijzing naar de hersenstam waar het geurgeheugen zich bevindt. De geur van meconium, de eerste ontlasting van een baby, ook wel aardpek genoemd en biest, de eerste moedermelk. De herinneringen moet de dichteres onder woorden brengen. Hier zit de moeilijkheid, want geuren laten zich moeilijk in woorden vangen. Voor waarnemingen van andere zintuigen zijn volop woorden, maar bij geuren ontbreken ze. Een schone taak voor een dichter, want hij zal de grenzen van de taal moeten opzoeken en het onmogelijke onder woorden brengen.

Opsnuiven is een evenwichtig opgebouwde bundel met toegankelijke poëzie die oude tijden laat herleven. Eigenlijk komen alle romantische motieven voor: het verleden, verre vreemde oorden, de natuur, nostalgie. Ik betrapte me erop dat ik me meer bewust geworden ben van de geuren om me heen, een sensatie die ik toch een beetje verwaarloosde. Een compliment voor de dichteres als je door woorden iemand aan het ruiken kan krijgen.

***
Emma Crebolder (1942) publiceerde in literaire tijdschriften als De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Van Hollands Maandblad is zij sinds 1994 vaste medewerker. Eerder verschenen onder andere de bundels: Zwerftaal (1995), Toegift (2006), Vergeten (2010), Vallen (2012) en Verzoenen (2014).

Recensie van verzoenen - Emma Crebolder

Dichterbij geraken met 'ver'

Emma Crebolder
verzoenen
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046817476
€ 19,95
64 blz.

Emma Crebolder is een gever. Een dichteres die ervaringen deelt, en die, wat zij aan rijkdom en schoonheid uit het leven peurt voor haar lezers neerlegt: kijk maar wat je ermee doet.
Wat zij geeft heeft zij voor ons onderzocht. Taalonderzoek klinkt zo koel, zo technisch, dat je haar werk ermee tekort doet; wellicht kun je het beter taal-expedities noemen. Ze ontdekte onvermoede elementen, en wat zij ontdekte leidde tot dusdanig rijke constructies, dat je vergeet dat taal aan de basis ligt.
Op basis van het voorvoegsel ‘ver’ doet zij allerlei levensgebieden aan, zoals in
‘verlieven’:

Sommige ouderen
laten zich vangen
door het verlieven. Anderen
ontkomen en omarmen verlies.
Zij worden liever en koppelen zich
aanminnig los. Zien hoe een kus
als een hommel doelgericht
een zweeftour over hagen maakt
tot tegen hun raam. Bots maar terug,
aanhalige, zoek verderop een wang.

Wanneer je op een zo heldere, niet mis te verstane manier, zo’n rijkdom aan indrukken en ervaringen kunt oproepen, en met zoveel warmte en mededogen, dan ben je volgens mij een groot dichter.
Niet door modetrends aangeraakt, niet zelfgenoegzaam, maar met volle aandacht, een concentratie die zich via ieder woord meedeelt.
Dat zij soms erg grappig is mag blijken uit ‘verletterd’:

Hoe zij zijn verletterd, de vrouwen
van het leesgenootschap. Hoe
zij zich verruimden door stijlbreuk
en inversie. Hoe zij inzicht als
een geheime weldaad ervoeren.
Zij leerden zichzelf kennen als
de werking van hun eigen flamoes.

Een keurbende die het boek
beschouwt, uitpluist en zelfvergeten
het volgende alweer openvouwt.

Badinerend? Hmm – Ik denk dat het meer is dan dat. Het gedicht stelt niet alleen een leesgroepje voor, maar heeft het ook over de literatuur zelf. De manier waarop we lezen, wat het met ons doet, en waar we naar verlangen. Literatuur brengt ons tot inbeelding van niet beleefde ervaringen. Literatuur verruimt ons inzicht in het bestaan. (Hoe zij inzicht als/ een geheime weldaad ervoeren.) Het kan ons uit verstarringen lokken, (met inversie bijvoorbeeld, wanneer in een zin de gewone volgorde, onderwerp – persoonsvorm omgekeerd wordt), literatuur kan ons confronteren met de basisbestanddelen van ons bestaan, (zij leerden zichzelf kennen als/de werking van hun eigen flamoes), en ons tezelfdertijd het gevoel geven van onaantastbare macht. We laten ons door de literatuur inpalmen, betoveren; in de ban van een tekst geven we ons eraan over, maar wij bepalen zelf voor hoe lang. Honger! Een blik op de klok, en wij kunnen het boek dichtslaan.
Een keurbende die leven vervangt door lezen. Dat is nogal wat.
Toch vind ik dit geen hard, veroordelend gedicht. Voor mij is het mooiste ervan gelegen in dat ene woordje zelfvergeten. Dat is de kern. Daar ligt ook het mededogen. De dames leren zichzelf kennen als de werking van hun eigen flamoes, maar zelfvergeten. Het leven geleerd als vroeger op school met biologie de werking van je geslachtsorgaan, terwijl je de reactie daarop van je eigen lichaam negeerde.

Ik had het over de humor, het grappige van ‘verletterd’. Wellicht is plezier een beter woord. Geen uitbundig plezier, maar verinnerlijkt. Het gedicht ‘ver’ begint zo:

Nog zonder zwemmers stormt
het zeegeweld mij toe. (…)

Een bijna komisch beeld van: – ja, van wat? Wat ik vooral denk te zien is het plezier van Emma Crebolder. Dat is wat zij op mij overdraagt.
En in de volgende strofe zet zij zich tot slot opnieuw aan het toveren:

Ik zie mijzelf al naar het water lopen,
mijn kleren uittrekken en neerleggen
op het rode badlaken eer ik het ver
langs de vloedlijn heb gespreid.

Ook hier weer kijken we in het hoofd van de dichteres. Al eer zij het rode badlaken, ver van de plaats waar zij nu is, heeft gespreid, ziet zij zichzelf naar de zee lopen, zich van haar kleding ontdoen en het neerleggen, opgevouwen waarschijnlijk, anders zou die haar aandacht niet hebben gevraagd.

In de bundel zelf begint elk gedicht met op de linkerpagina een ‘ver’, bijvoorbeeld ver (horizontaal) vluchtigen (verticaal; met een verloop naar zeer zacht grijs), en op de rechterpagina het gedicht.
Toen ik wilde weten of er systeem zat in al die `ver’s’, kon ik daar in de inhoudsopgave niets van terug vinden.
De dichteres lijkt daarmee aan te duiden dat niet zozeer het onderzoek naar al die ‘ver’s’ ertoe doet, maar vooral het resultaat. Niet de taal is de hoofdzaak, maar wat je met die taal kunt doen, wat je ermee oproept, en wat je er bij de lezer mee wilt raken.

verankeren

Tijdens het gedreven vervoegen,
versmelten en verankeren van taal
dreigt afdwalen van het doelwit.
Het omsingelen van het ongevormde
vraagt een onbeschreven tactiek zoals
voor het vangen van prooi in duister.

Rond middernacht liep ik wat verloren
tot aan de bosrand. Plots lichtten
vuurvliegjes flonkerend op en
kwam het firmament omlaag.

Ik weet niet hoe het de lezer verging, maar bij mij sloeg dit gedicht in. Hoe is het mogelijk om zonder omschrijving een zo sterk beeld op te roepen. Dat is toch een soort magie? Sommige dichters hebben dat. Alsof zij in hun woorden wonen. Hun woorden zijn zozeer een deel van hen, dat, wat zij ook verwoorden hun werkelijkheid weergeeft. Zoiets krijgt een would-be dichter niet voor elkaar, van zijn leven niet. Crebolder is een natuurtalent. Dat wil niet zeggen dat zij het vak niet heeft moeten leren, dat zij niet haar eigen stem heeft moeten ontdekken. Zonder heel veel oefening ontwikkel je niet zo’n compacte, afgeronde stijl.

‘verzoenen’ heet dit laatste deel van het drieluik waarvan eerder de bundels ‘vergeten’ en ‘vallen’ verschenen. In de optie van een drieluik zit de behoefte aan afronding, de wens om zaken achter zich te laten, met een nieuwe lei te kunnen beginnen, misschien wel het verlangen naar avontuur.
Maar wat heeft een dichteres als Crebolder weinig avontuur nodig om sterke indrukken op te doen. En hoe weinig woorden om een zo sterke indruk achter te laten dat het is alsof je het als lezer zelf hebt ervaren, zelfs wanneer je er zelfs nooit aan hebt gedacht. Misschien is de titel van de bundel nog het meest van toepassing op dit gedicht:

verdoopt 

Door aanhuwen werd ik verdoopt
zoals mijn moeder en haar moeder
andermans naam gingen dragen.

Ik leef met de naam, lig erop, hang
hem over mijn schouders, verleid
hem zich thuis te voelen. Rolde na
voortdurend haken hem bollend heen
en terug. Voor het andere deel
van mij nam ik hem aan en nu siert
hij als tatoeage bundels in de kast.

Zo gaat dat. Bundels in de boekenkast waar je naam op staat, als een tatoeage, iets waarmee je je siert, iets waarmee je je identificeert, maar ook iets onnatuurlijks, iets kunstmatigs. Bundels die zijn als een soort huid, een bescherming die je omhult en bijeenhoudt, die mensen dwingt je daarmee te identificeren: je bent dichter. Je bent: een naam. Je hebt een naam, maar die raakt je wezen niet. Je hebt je naam gekregen, geleend, ermee gespeeld misschien, geprobeerd hem aan te passen aan de manier waarop je jezelf ziet –
In het Bijbelse scheppingverhaal is het niet God die de dingen namen geeft, maar Adam. God heeft de mens naar Zijn natuur geschapen, de mens schept cultuur. Het dichterschap van Crebolder lijkt een verzoening te zijn met die cultuur. Met het feit dat cultuur noodzakelijk is om tot kennis van jezelf te komen.

***
Emma Crebolder (1942) studeerde Duitse taal- en letterkunde en Afrikaanse talen. Zij is vaste medewerker van Hollands Maandblad en publiceerde ook in De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Ze heeft zestien dichtbundels op haar naam staan, waarvan Vallen de laatste was.

Recensie van Vallen - Emma Crebolder

Valide gedichten

Emma Crebolder
Vallen
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2012
ISBN 9789046812211
€ 17,50
64 blz.

Emma Crebolder ging voor haar bundel Vallen uit van een vast concept. Op de rechter pagina’s staan de vijfentwintig gedichten, alle in dezelfde vorm: vijf tweeregelige strofen, waarbij steeds de tweede en vierde inspringen.

De regelval ontduiken door van links
naar rechts op te schuiven. In de achter-

hoede met twee jonge regels
angstvallig dekking zoeken.

Vooruit. Pal staan bij de kantlijn.
terug aan het front stel ik

de strofe in slagorde op.
Ik probeer door het eigen

kordon heen te breken, met
een finale valpartij tot slot.

Op de zwarte linker pagina’s ‘glijden’ in wisselende formaties, vanaf steeds verschillende posities en nooit allemaal tegelijk de afzonderlijke letters van v-a-l-l-e-n van de bladzijden. Het lijkt misschien niet meer dan een aardigheidje dat de bundel meteen twee keer zo dik maakt als hij is, maar dat met zoveel nadruk zichtbaar wordt gemaakt hoe het woord ‘vallen’ valt, is niet zonder reden. Crebolder gebruikt in haar gedichten namelijk maar liefst 75 ‘valwoorden’ (gemiddeld drie per gedicht dus), als je tenminste woorden als ‘beviel’ en ‘vielen’ meetelt en er ook ‘vellen’ (= doen vallen) en chute en geparachuteerd toe rekent, evenals de ‘optische’ val in ‘vale’ en ‘lavallière’.

Het rapen van valappels.
Het volgen van overvliegende

ganzen. De valling
van de dijk vol klaproos.

Dit is het valluik.
En de chute komt nu.

Het aansnoeren van kogels.
Het wild over de schouder.

Het vellen van bomen.
De ongenadige valtijd.

Als je eenmaal op die woorden gespitst bent, dreigt het gevaar dat ze al te zeer gaan domineren en je geneigd bent alleen maar alle ‘val’ te verzamelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor een gedicht als het bovenstaande, waarin je je best moet doen om niet die zes valwoorden, maar de die woorden overstijgende inhoud centraal te stellen. Het is een valkuil die Crebolder kennelijk bewust voor lief neemt.

Je had je kunnen voorstellen dat Crebolder nog een stap verder gegaan was en deze vorm van taalspel gebruikt had om een doorlopend, min of meer samenhangend verhaal te vertellen. Dat doet ze niet, de gedichten staan los van elkaar en kennen een veelheid aan onderwerpen, waarbij het voor de lezer een aardige sport is om te achterhalen van welk woord ze uitging om een betekenisveld te creëren. Was dat in het volgende ‘beviel’, ‘valgordijn’, of ‘valwild’?

Onze overgrootmoeder stierf
toen ze voor het eerst beviel.

De landerijen waren omsloten
door water en rietpluimen.

De min nam plaats achter
het valgordijn en de schuifdeur.

De wielen van het rijtuig hadden
iets wolligs geraakt. Het valwild

bleek een kleine knuffelvos,
niet veel ouder dan het bakerkind.

De verre familieherinnering die hier wordt verteld, is gemakkelijk te relateren aan het gedicht over de Hedwigepolder elders in de bundel: ‘Uit schorren gestoken kleigrond/ wil niet voetstoots buitengaats.’ Het is voor Crebolder, die in de buurt geboren is, bekend terrein.
In haar beste gedichten slaagt Crebolder erin een bepaald geheim intact te laten. Waar dat niet gebeurt, zij alleen maar beschrijft, kun je hoogstens spreken van vaardig maakwerk, zoals in het gelegenheidsgedicht dat zij schreef voor de Nederlandse, later tot Belg genaturaliseerde componist, pianist en romanschrijver Carl Smulders (Maastricht 1863 – Luik 1934). (Alle in het gedicht gegeven informatie is hier gemakkelijk terug te vinden.)

Hoor hoe zijn vingers vallen
na het doorsnijden van de pezen.

Luister hoe het timbre wordt omgebogen
door zijn vinding van de pédale expressive

De valaanslag van zijn pen
baart vier romans in het Frans.

Het vader-zoonconflict echoot
in de groeven van zijn Cantilène.

Je had een vrouw, geen kind. Ik heb
een gedicht voor jou geschreven.

In het gedicht waarin zij haar eigen vallen (geschept door een auto, gevallen met de fiets) memoreert, stelt zij: ‘Tussen valincidenten kabbelden/ de jaren als een mak interval’. Voortdurend is er de suggestie dat al dat vallen vooruitloopt op die laatste, definitieve val die het einde zal zijn.
In een recent radio-interview maakte zij duidelijk dat na het eerdere Vergeten de bundel Vallen het tweede deel is van een cyclus die zal eindigen met een bundel over verdwijnen of vervluchtigen. Ik kijk er naar uit, mits Crebolder belooft ook daarna nog gewoon te zullen doorschrijven. Ik heb zelden een bundel gelezen die mijn aanvankelijke scepsis zo snel in enthousiasme kon doen verkeren.

****
Emma Crebolder-van der Velde, geboren in 1942 te Sint-Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen, thans woonachtig in Maastricht, studeerde eerst Duitse taal- en letterkunde en vervolgens Afrikaanse talen en Bantoeïstiek, hoofdvak Swahili. Zij is sinds 1994 vaste medewerker van Hollands Maandblad en publiceerde ook in De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Crebolder was de eerste officiële stadsdichter binnen het Nederlandse taalgebied, en wel voor Venlo in 1993. Haar stadsgedichten werden gebundeld in Weerkaatst in de stroom (Prometheus, 2003). Verder verschenen o.a. Zwerftaal (Bert Bakker,1995), Toegift (IJzer, 2006) en Vergeten (Nieuw Amsterdam 2010).