Recensie van Habitus - Radna Fabias

Een poëtische dijkdoorbraak

Radna Fabias
Habitus
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523806
€ 19,99
120 blz.

Het lezen van het debuut van Radna Fabias (1984) is een overweldigende ervaring. Het zijn geen gedichten die je vrijblijvend tot je kunt nemen. Het zijn buitengewoon persoonlijke en tegelijkertijd politieke gedichten, die je dwingen tot stellingname. Op de achterkant wordt Habitus als volgt aangeprezen: “In deze bij vlagen donkere, wezenlijk (maar verre van vreugdeloos) feministische en onverschrokken existentialistische bundel vraagt een vrouw zich af wat ‘thuis’ is.” Een stevige kenschets. Ik vroeg me af of ik in het huidige tijdsgewricht als witte man wel de aangewezen persoon ben om deze bundel te recenseren. Maar de meeste Meander-recensenten zijn witte mannen en de bundel is op mijn bureau beland, dus ik zal mijn best doen.

Na het zes pagina’s lange openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ volgt ‘openingsscène’, dat zich evenals het laatste gedicht uit de eerste afdeling, ‘slotscène’, op een vliegveld afspeelt. Mogelijk bezoekt de ik voor een kort verblijf het tropisch eiland, mogelijk Curaçao, waar zij geboren is. In ‘is, is als’ lezen we: ‘de teruggekeerde migrant is als / de teruggekeerde migrant is is / de hete lucht het bezwijken onder de hitte / is het bezwijken’. De gedichten van de eerste afdeling worden afgewisseld met kritisch hilarische scènes uit een reisgids: ‘rode mensen en zij die daarbij horen willen / worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende / negers’ (dit woord staat in de bundel telkens cursief gedrukt). Met ‘rode mensen’ worden waarschijnlijk witte mensen aangeduid, die in de tropenzon snel verbranden. Deze benaming komt terug in de laatste woorden van het slotgedicht: ‘niemand zag het, maar ik stapte uit mijn huid en ik was naakt en ik was pezen spieren / aders / ik was rood’. Veelzeggend is in dit verband de titel van de eerste afdeling van de bundel: ‘uitzicht met kokosnoot’. De term kokosnoot wordt ook wel gebruikt om zwarte mensen aan te duiden die zich in sterke mate aangepast hebben aan de witte norm: donker van buiten, wit van binnen.

De voorkant van de bundel is intrigerend. Een glanzend zwarte kaft, met vier cirkelvormige gaten van verschillende grootte. En als vijfde, kleinste cirkel het logo van de Arbeiderspers. Door de gaten schemert het matte zwart van het schutblad. Het is verleidelijk om hierbij aan zwarte gaten te denken. Halverwege de bundel blijkt dat ook de dichter deze associatie niet uit de weg gaat:

de zwartheid van het gat

zwarte gaten zijn raar
zwarte gaten zijn de wonderlijkste
objecten in het heelal

(…)

het gat is een gebied in de ruimte
het gat is zwart
het gat is heilloos ineengestorte materie
zwart
zwaar van zwaartekracht
het gat is vaak omringd door schijven materiaal
de schijven draaien in een kolk om het zwarte gat en worden godsgruwelijk heet

Zo kort na het overlijden van Stephen Hawking komt dit gedicht zeer actueel over. Binnen de context van de bundel valt er echter veel voor te zeggen het ook als een metafoor op te vatten. Er zijn veel gedichten in Habitus die zeer expliciet over het zwart zijn gaan:

inspectie bij aankomst

 grofweg 1 meter 70 als het meetinstrument de haren omlaag duwt
veerkrachtig haar (fijn, krullend, her en der stug, veranderlijk, dorstig)
voorhoofd: onnadrukkelijk
wenkbrauwen: zwart – iets doorlopend –
wimpers: niet geteld, ze zijn er, ze zijn donker
ogen: groot, donkerbruin, nadrukkelijk aanwezig zo ook
neus: nadrukkelijk etnisch
lippen: pruilen nauwelijks, mondhoeken met enige regelmaat omhoog
(…)

In dit gedicht wordt de dichter in haar hoedanigheid van zwarte vrouw als een object aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. En als lezer worden we gedwongen mee te kijken. Het gedicht staat in ‘rib’, de tweede afdeling van de bundel. Er worden stevige vragen opgeworpen: ‘of liefde reductie is / hoe klein een vrouw kan worden’. Het ‘(over)grootmoederlijk advies’ uit het gelijknamige gedicht liegt er ook niet om: ‘laat je nooit in met negers die hun dreadlocks in geknoopte vrouwenpanty’s op hun hoofd dragen / – dat is een metafoor – / laat je nooit in met negers die onnadenkend compulsief naar hun piemel grijpen / – ook dat is een metafoor – / vertrouw niemand die de kleur heeft van pure chocolade / – ze blijven voor altijd aan je dijen hangen –‘.

De derde afdeling heet ‘aantoonbaar geleverde inspanning’. Het is een term die ontleend is aan de inburgeringsplicht. ‘U kunt ontheffing krijgen als u genoeg hebt gedaan om in te burgeren. Dat heet aantoonbaar geleverde inspanning.’ (www.inburgeren.nl) De aanpassing van de ik aan het in meerdere opzichten koude Nederland is onderwerp van deze afdeling, zij het niet van alle gedichten. ’25 scènes waarin ik het geval niet had’ gaat eerder over het zoeken naar liefde, en grijpt in de titel terug op het gedicht ‘wat we over het geval kunnen melden’. Het gedicht is lang, is schrijnend en misschien autobiografisch interessant, maar kan me mede door het gebrek aan klank en ritme op den duur niet echt boeien. Dat geldt ook voor het vijf pagina lange titelgedicht:

aantoonbaar geleverde inspanning

(…)

de ballotant kan fietsen zonder zijwielen
weet hoe kleding aan te passen aan weersomstandigheden
kan zonder jas naar buiten als het 15 graden is
gebruikt de heupen minder bij het dansen

de ballotant bezoekt de juiste etablissementen
heeft geleerd een uur over een kop koffie te doen in ruil voor gratis wifi
verdient nu voldoende voor een macbook
weet welke sticker de juiste is om op de gloeiende appel te plakken
heeft een gepast kapsel gevonden
verbergt haar brandmerken

(…)

Het neologisme ‘ballotant’ is elegant uit het Frans geleend, maar kan niet voorkomen dat het gedicht op den duur verzandt in prekerige en weinig originele aanklachten: ‘we heten de ballotant welkom // de wind / de kranten mét culturele bijlage / de roltrappen / de horecaconcepten / de tweede kamer / jonge mannen met snorren / jonge mannen in leggings (…) het glazen plafond / het polderen / de verheerlijking van maakbaarheid’ enz. enz. Natuurlijk, de opsomming is een goed bruikbare stijlfiguur, maar wat mij betreft onvoldoende om het gedicht overeind te houden. Of misschien begint op p.106 (!) van deze bundel de moeheid toe te slaan. Beperking is niet de sterkste kant van deze debutant.

De titel Habitus plaatst me ook na lezing van de gehele bundel voor vraagtekens. De klassieke toon van de titel past totaal niet bij het taalgebruik van de meeste gedichten. En dan: wat betekent het eigenlijk? Op de achterkant wordt de vraag centraal gesteld “wat ‘thuis’ is”. Dat doet denken aan habitat: leefgebied, natuurlijke verblijfplaats. Habitus betekent echter verschijningsvorm. Moeten we op zoek gaan naar de verschillende verschijningsvormen van de ik / de dichter / Radna Fabias in de verschillende afdelingen? In ‘uitzicht met kokosnoot’ is de omgeving Curaçao, waar de dichter vandaan komt, maar zich niet meer volledig thuis voelt. De titel ‘rib’ verwijst naar het scheppingsverhaal: in de tweede afdeling staat het vrouw-zijn centraal. En ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ tenslotte lijkt zich in Nederland af te spelen, waar de ik op een andere manier haar best moet doen om te aarden. Met een beetje goede wil zou je kunnen zeggen, dat ik zich als een kameleon aan de verschillende omgevingen aanpast, en dat de gedichten de verschillende verschijningsvormen belichten, waar de ik natuurlijk nooit volledig mee samenvalt. Of is de ik toch op zoek naar waar ze zich het meest thuis voelt, waar ze thuis hoort: haar habitat? Hoe dan ook, Habitus maakt ons deelgenoot van deze zoektocht in ruim honderd pagina’s opzwepende, verhalende, provocerende en lyrische taal. Daarmee neemt deze bundel een opvallende plaats in het huidige poëzielandschap in, waar een eindeloze stoet van gedichten traag door oneindig laagland gaat, en men zich meer opwindt over een binnenrijm dan over de inhoud.

***
Lees ook het interview met Radna Fabias in de Volkskrant