Recensie van Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen - Xavier Roelens

Volkspoëzie of kunstpoëzie?

Xavier Roelens
Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025452285
€ 21,99
120 blz.

Inleiding
Xavier Roelens (1976) toont zich in zijn nieuwste, inmiddels 3e gedichtenbundel allereerst een intercommunicatief dichter. Hij streeft naar een interactieve samenwerking met zijn lezers. Zijn lezers zijn onbekende volwassenen, wie hij vraagt hun prilste jeugdherinneringen met hem te delen. Roelens smeedt vervolgens in zijn smidse het ruwe materiaal tot eigentijdse tekstvormen. Daarbij geeft hij zijn leveranciers de mogelijkheid tot terugkoppeling die hij dan weer verwerkt.

Roelens is ook een menselijk dichter. Hij brengt zijn medewerkers – voor de totstandkoming  van zijn nieuwe bundel zijn dat er 365 – hulde: hij vermeldt hun voornaam op de titelpagina. Dit collectief is de auteur van de bundel; de dichter zelf wordt  slechts onderaan op de achterkant van de bundel genoemd. Roelens noemt zijn werk dan ook open-sourceliteratuur. Niet het ego maar het collectief staat centraal; zelf ziet hij zich als een literaire gids die mensen op weg helpt naar poëzie.

Daarnaast is Roelens creatief, want hoe realiseer je een dergelijk ideaal? Het interviewen van 365 mensen kost veel tijd. En ook dichters moeten eten.  Als je er dan in slaagt het Vlaams Fonds voor de Letteren te enthousiasmeren voor jouw project: de schepping van – zoals Roelens dat noemt – democratische poëzie, getuigt dat van vindingrijkheid. Als het Fonds vervolgens een werksubsidie beschikbaar stelt, ontbreekt het Roelens eveneens niet aan innemende overtuigingskracht.

De opbouw van de bundel
In de bundel staan volgens de informatie op de achterzijde 77 gedichten. Deze gedichten zijn geconstrueerd uit het materiaal dat 365 mensen door middel van interviews de dichter hebben aangereikt. Voor de gedichten is dus gemiddeld uit bijna vijf levende bronnen geput. Onvervalste groepspoëzie dus! Al bladerend en lezend blijkt echter dat de aanduiding gedichtenbundel de lading niet dekt. De bundel bestaat namelijk uit relatief weinig gedichten weergegeven in cursief of romein, uit enkele getoonzette liedjes en veel prozastukjes. Er is eerder sprake van een tekstbundel dan gedichtenbundel.

Verder valt op dat de teksten geen titel dragen. Ze hebben wel als verwijzing een jaartal of een twee- of meerjarige periode. De eerste tekst in de bundel refereert aan de tijdsspanne 2004 / 2002, dan worden enkele jaren overgeslagen en vervolgens begint de telling terug te lopen van 1999 naar 1911. Ongetwijfeld verwijzen de jaartallen naar de eerste herinneringen van  Roelens’ doelgroep. Er is in ieder geval sprake van een chronologische spreiding van herinneringsmomenten uit de vorige eeuw en er zijn – gezien de opsomming van voornamen op de voor- en achterkant van de bundel – zowel mannen als vrouwen geïnterviewd. Opvallend daarbij is dat er geen islamitische namen tussen zitten, hetgeen je wel van een grensverleggende dichter als Roelens zou verwachten.

Het ontbreken van titels heeft als gevolg dat er geen inhoudsopgave in de bundel is. Het maakt het lezen er niet gemakkelijker op. Titels heten de kortste en kernachtigste aanduidingen te zijn van een tekstinhoud. Blijkbaar wil Roelens de lezer geen richting opsturen. Wat wel een welkome aanvulling op de teksten is, zijn de jaartallen die erboven staan. Zij geven een kleine eeuw geschiedenis weer van de prilste herinneringen van mensen. Interessant daarbij zijn de verwachtingen die bij de lezer worden opgeroepen. Zijn deze herinneringen universeel? Of zijn ze meer tijd- of milieugebonden? Zijn ze oppervlakkig en materieel van aard? Herkent de lezer zichzelf in de herinneringen? Kortom, het maakt hem nieuwsgierig naar de inhoud.

De vorm van de teksten als literaire expressie
De gedichten in de bundel vallen qua vormgeving in de categorie (post)modernisme. Ze zijn in hun verschijningsvorm rebellerend tegen de traditionele vormgeving. Rationele analyse alleen schiet te kort. De mens is in de visie van de modernisten namelijk meer dan louter ratio. Hij is ook irrationeel en juist daardoor ontstaat ruis in de interactie omdat deze verstoord wordt door het medium taal dat bij uitstek zijn betekenis ontleent aan redekundige synthese en zorgvuldige interpunctie. Van dergelijke leibanden zijn hedendaagse dichters avers. Een voorbeeld daarvan is te vinden op p. 47, jaartal 1974.

een kaartendek als
soundtrack bij ons
vliegen spreiden we als
zilvermeeuwen onze
ontgoochelingen uit
een tuinstoel komt op
adem bij
het raam nu jij opkijkt naar een
vensterbank vol
beukennoten paarse kanten
zakjes en iets simpels als
de zonnige groeten van je
ouders altijd maak je
plaats voor
kaarten altijd streel je
je gezwollen buik
de oudste eerste tastbaarste komt thuis en ruikt …

En zo dendert het gedicht door: een aaneenrijging van betekenisdragende substantieven en woordgroepen die uit hun herkenbare, natuurlijke context zijn gelicht en vervolgens in vervreemdende combinaties worden samengevoegd. Tel daarbij op de a-syntactische en interpunctieloze zinsbouw en we krijgen een tekst als flard van een perceptie die zelfs de metafysica dreigt te ontstijgen. Zijn er dan in Roelens’ tekstcreatie geen andere aanknopingspunten te vinden in eerdere literaire perioden of genres? Ja, die zijn er.

Middeleeuwse stijlfiguren
In middeleeuwse kunstuitingen staat het ego niet voorop. In tegendeel, veelal ontbreekt een naam; kunst is niet zelden anoniem. In middeleeuwse (volks)poëzie, parabels of fabels wordt niet alleen een appèl gedaan op logica maar ook op andere vormen van kennis zoals geloof, fantasie, visioen en zintuiglijke waarneming. Middeleeuwse zinsconstructies wijken daardoor af van die uit recentere perioden, ook al omdat veel van deze kunstuitingen bedoeld zijn om te horen en te beluisteren.

Een aantal van die zinsconstructies behoort als stijlfiguur tot de klassieke retorica. Hieronder vallen onder meer de anakoloet, een stijlfiguur die zich kenmerkt door zinnen waarin de logische samenhang ontbreekt. Bekend is eveneens de apokoinou, een stijlfiguur waarin een zinsdeel dienst doet als onderdeel van twee zinnen of zinsdelen. Ook van anaforen, stijlfiguren die zich kenmerken door herhaling van steeds dezelfde woorden of woordgroepen, is de dichter niet afkerig. In de teksten van Roelens’ bundel zijn deze middeleeuwse stijlfiguren regelmatig – waarschijnlijk onbewust – door hem opgenomen. Van genoemde stijlfiguren geven we een voorbeeld. Het cursief in de voorbeelden is van de recensent.

Anakoloet p. 21, jaartal 1987

een
busje steken ze in
brand vanuit je 
drang te bestaan

Apokoinou, p. 19, jaartal 1987

IN JE VIZIER RUKKEN
de betogers aan als in
een film ben je
geschiedenis nog voor je schiet

Anafoor, p. 41, jaartal 1977

de schrik dat … r.7
de schrik dat er … r.9
de schrik dat ik in … r.12
de schrik te verhuizen van een … r.14

en zo voort.

De inhoud van de bundel
De bundel is de weerslag van de vroegste herinneringen van 365 mensen. Hoewel de teksten als gevolg van Roelens’ (post)modernistische visie op literatuur meestal raadselachtig, chaotisch en niet altijd toegankelijk zijn, zal de lezer – zij het met de nodige volharding – er veel herkenbaars aantreffen. In 1986 (p. 22) doen kinderen op speelplaatsen nog volop aan zakdoekje leggen. En ook in 1984 (p. 26) hebben kinderen nachtmerries en in 1977 (p. 39) zijn er nog steeds peuters die achter de spijlen van hun ledikantje moeten huilen.

Natuurlijk zijn er in de bundel grappige herinneringen, zoals in 1977 (p. 39) waarin een herinnering teruggaat naar het moment waarop een klein kind in plaats van op een krukje op een emmer met water gaat zitten. Katholieke lezers zullen glimlachen als zij lezen hoe in 1946 (p. 92) een kind de kap van een non aftrekt. Zo wordt in terugwaartse chronologie een levendig tableau geschetst: beelden die voor de lezer vertrouwde, hekenbare, nostalgische of juist verdrongen beelden uit een ver of nabij verleden oproepen.
Wat de liedjes in de bundel betreft: dat is wel aardig maar de meeste mensen kunnen geen noten lezen, laat staan een muziekinstrument bespelen. Ze leveren geen toegevoegde waarde aan de bundel.

Resumé
Wil Roelens een groter publiek bereiken, dan zal hij moeten zorgen voor een functionele interpunctie in zijn teksten. Zal hij af moeten van die onstuimige, voor de gemiddelde lezer onnavolgbare woordenstroom, zoals het prozastukje hieronder dat terug is te vinden op p. 90 en betrekking heeft op een herinnering uit 1948.

MET EEN FIETS DUS eigenlijk een roodgeverfde fiets gekocht met
feitelijk het eerste kindergeld begint het dus bij adhemar dus
niet met dieren eigenlijk niet met vogels die in de winter eigen-
lijk in de sneeuw dus feitelijk voeder zochten en enzovoort dat
ik zelf ook een beetje van dat voeder strooide samen met dus
adhemar eigenlijk in de bossen dus in de bossen waar we eigen-
lijk feitelijk woonden enzovoort maar niet voor adhemar pas in
het eerste leerjaar eigenlijk het begint voor adhemar niet voor
zijn communie …

Pas dan kunnen zijn literaire creaties van en voor het volk zijn. Dan ontstaat democratische poëzie of volkspoëzie, zoals Roelens die voorstaat. Soms lichten in zijn bundel dergelijke passages op. Op die momenten toont Roelens zich de dichter, wiens talenten hij in deze bundel jammer genoeg te weinig etaleert. Zie, p. 110, jaartal 1923; de cesuur // is aangebracht door de recensent.

NILS KRAAKT DE BERIJPTE
plaatsen op wat tot voor kort
bietenvelden waren // kraakt onder
zijn klompen het stilleven van
kou …

Nu is zijn poëzie te veel kunstpoëzie: grotendeels hermetisch afgesloten teksten waarvan juist het volk verstoken blijft. En dat is nu juist wat Roelens niet propageert!

***
Xavier Roelens (1976) is een Vlaamse dichter, performer en verzorgt poëzieworkshops. In 2007 verschijnt zijn eerste bundel Er is een spookrijder gesignaleerd. Daarna volgt in 2012 zijn 2e bundel Stormen, olielekken, motetten. Daarnaast is hij actief (geweest) als redacteur in de literaire tijdschriften Kluger Hans en En er is.

Recensie van Stormen, olielekken, motetten - Xavier Roelens

Storm in een glas water

Xavier Roelens
Stormen, olielekken, motetten
Uitgever: Contact ,Contact ,Contact
2012
ISBN 9789025438463
€ 19,95
64 blz.

Ik heb Stormen, olielekken, motetten voor mij liggen, de allernieuwste bundel van de jonge Belgische dichter Xavier Roelens. Werk uit deze bundel is o.a. eerder in de Poëziekrant verschenen. Roelens heeft de reputatie een weinig toegankelijk dichter te zijn.

De titel is anachronistisch: motetten zijn meerstemmige, middeleeuwse (kerk)gezangen, terwijl olielekken juist kenmerkend zijn voor ons huidige, industriële tijdperk. Stormen kunnen van alles betekenen, toen en nu. Zeker in poëtische zin. De ondertitel, Over de twee hoofdbestanddelen van de mens: water & relaties, heeft een wetenschappelijke toon, alsof het een rapportage over de mens in relatie tot zijn (water)milieu is. Kortom: een poëtische rapportage door de tijd heen, dat kan spannend worden!

Voor het tot stand komen van deze bundel zijn maar liefst drie verschillende subsidies nodig geweest, van het Vlaams Fonds voor de Letteren, het Nederlands Letterenfonds, en de Provincie West-Vlaanderen. Dit komt op mij nooit zo positief over. In diverse publicaties op kunstgebied wordt uiteengezet hoezeer het huidige subsidiebeleid niet tot kwalitatief bovengemiddelde kunst leidt. Daarbij worden subsidies toegekend om financiële tekorten te dekken. De uitgever verwacht er dus verlies op te draaien. Zou deze bundel zonder de subsidiëring ook zijn uitgekomen? Met andere woorden: is de poëzie die erin staat wel wezenlijk genoeg om te mogen verschijnen?

Roelens’ poëtische stijl is een kruising tussen het modernisme en het postmodernisme. Modernistische elementen zijn onder andere de overdaad aan woorden en beelden, het vele gebruik van de monologue intérieur, en het specifieke gebruik van taal als instrument. De teksten nemen de lezer mee zoals een woelige zee een eenzame zwemmer. Op een gegeven moment lees je de woorden niet meer, je ondergaat ze. Bladzijde na bladzijde krijg je talloze woorden onder ogen; boodschappen en beelden die je nooit helemaal kunt plaatsen. De verbeelding wordt opgetild, meegevoerd en, na elke bladzijde, vermoeid geworpen bovenop de volgende taalgolf.
De taal zelf als instrument; het doet een beetje denken aan de twee grote, ondoorgrondelijke werken van James Joyce: Ulysses en Finnegans Wake. Maar dan zonder diens geweldige muzikale taalgebruik. In plaats daarvan staan de teksten bol van de beelden die op mij overkomen als verloren voorwerpen drijvend op een taalzee.
Hier volgt een stukje monologue intérieur in modernistische stijl:

p. 32 (neen)
ik zit nog altijd ver vanbinnen in mezelf. nu en dan kom ik buitenpiepen en vind ik dat leuk en schijnen de anderen het ook leuk te vinden maar dan trek ik m’n kop weer in, waarom, weet ik ook niet. op de 1 of andere manier hoop ik zelfs dat de lente niet te rap komt. toch heb ik het zekere instinctmatige gevoel dat het beter is dat de lente komt, als je ze vindt, gooi ze hoog in de lucht! dat zal ze graag hebben! hou je wel klaar om ze weer op te vangen voor als ze dat grappig vindt, misschien wordt ze graag in het rond gedraaid en loopt ze graag mee aan je hand zo lichtvoetig dat ze begint te vliegen en zie je alles bloeien van boven ruik je de vochtige lucht en kun je op je rug zweven zoals in de dode zee!

misschien is de lente ook treurig en heeft ze geen zin om naar buiten te komen, en hoe langer ze wacht, hoe triestiger het hier wordt en hoe minder goesting ze heeft. maar de winter is niet onuitputbaar, die heeft ook op z’n tijd rust nodig. dan zullen we misschien een tijdje helemaal niets hebben en helemaal alleen zijn. zo voelt het nu, toch?

In de eindregel wordt gerefereerd aan de veel in literatuur voorkomende existentiële eenzaamheid van de mens.

Postmodernistisch is deze bundel door de nadrukkelijke vermelding van de inspiratiebronnen van de auteur. Aan het einde is een lange lijst opgenomen met boeken die de schrijver beïnvloed hebben tijdens het schrijven. Er staan nog net geen muziekalbums bij. Overigens kan deze incomplete leeslijst ook geïnterpreteerd worden als de bronnenlijst van de eerder genoemde ‘poëtische rapportage’.
Verder is deze bundel postmodernistisch in zijn gebruik van woorden en beelden uit de hedendaagse (consumptie)maatschappij. Zo komen Ken en Barbie voorbij en wordt er met enige spot geschreven over ‘outsourcing’.
Bovenal is hij postmodernistisch in zijn boodschap: er is geen groot verhaal meer. De beelden komen één voor één op de lezer af, zonder samenhang en dus zonder de intentie om er één verhaal van te maken. Of het moet het verhaal zijn van de kwalijke invloed van de mens op de natuur: de zogenaamde ‘vervuiling’. Want dat is wat er langzaam boven komt drijven na het ondergaan van deze kakofonie aan teksten. Soms is het net alsof er diverse afleveringen van Discovery Channel en National Geographic samengevat zijn. Deze gedachte wordt gevoed door de auteur zelf, die op de achterkant van de bundel meedeelt dat hij door het schrijven van deze bundel vegetariër is geworden, en ook door de aanhef: ‘opgedragen aan 3% volwassenen’. Dit percentage komt ongeveer overeen met het aantal vegetariërs in ontwikkelde landen als Nederland, België en Amerika.

Tot zover de stijl en de uitdruk die deze bundel op mij heeft achtergelaten. Na het lezen ervan blijf ik echter zitten met de levensgrote vraag zitten waarom ik deze bundel zou moeten gaan lezen. Hij is zo ontoegankelijk en weinig aanlokkelijk geschreven dat het is alsof hij opzettelijk het lezen ervan tot een zware taak wil maken. Het is bijna alsof hij een nieuwe vorm van l’art pour l’art propageert: een kunstvorm zonder publiek. En er staat zoveel kort proza in dat je je af kunt vragen of er hier nog wel sprake is van een dichtbundel en niet van een boekje met kort, experimenteel proza.

Verder is de bundel op stilistisch gebied weinig vernieuwend. De beelden choqueren af en toe, maar zijn bovenal zo talrijk en soms zo abstract, dat ze ophouden mij als lezer te raken. Hoe kan ik mij nog voorstellen dat er: ‘duizend victoriabaarzen spartelen op het droge’ die door één spreker worden ‘omhelsd’ en ‘beweend’? Zulke uitlatingen verbreken het stilzwijgende contract dat je als lezer tekent wanneer je een tekst leest. Het gevolg hiervan is dat je het boek weglegt.

Tot slot zijn de diverse kleine boodschappen voor mij niet overtuigend genoeg. Zo staat er: ‘men moet ’s avonds eten op tafel hebben/ staan en als de ogen groter dan de buik dan past de buik zich aan.’ Waarom zou ik dit willen lezen; wat is de waarde van deze twee regels? Ze zijn een beschrijving, geen argument. Niemand zal er een hap minder door eten. De mensen die vinden dat de mens al teveel consumeert, zullen (zouden ze dit aanhoren) niets ander zeggen dan dat hij gelijk heeft. En uiteindelijk zal niemand zich erdoor aangesproken voelen.

Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat ik te maken zou moeten hebben met een spannend geschreven dichtbundel met een actuele boodschap over mens, milieu en maatschappij. Een boodschap die we inmiddels allemaal wel zullen kennen. Zo las ik laatst weer eens dat de ‘ecologische voetafdruk’ van de Nederlander in de top tien van vervuilende landen staat.

Maar deze boodschap sneuvelt hier door het gebruikte ‘poëtische taalfilter’ dat te verwarrend is. Het spanningsveld in de taal dat bijvoorbeeld Peter Verhelst wel weet te creëren met even weinig toegankelijke poëzie, is hier afwezig. Zelfs Lautréamont, die met zijn De zangen van Maldoror ook geen gemakkelijk boek schreef, had uiteindelijke wel een duidelijke boodschap, een subtekst; zij het dat die boodschap uiteindelijk weinig positief was voor de gehele mensheid, de schrijver inclusief. Maar beiden schreven wezenlijke teksten voor de poëzie.

In deze bundel van Xavier Roelens komt de lezer er bekaaid van af. Er wordt niet genoeg voor hem gezorgd. Hoewel het schrijven de schrijver wellicht bekeerd heeft tot het vegetarisme, word ik er niet door bekeerd. Integendeel. Af en toe krijg ik het idee te maken te hebben met een preek voor eigen parochie, met teksten louter geschreven voor hen die ook in deze stijl gedichten schrijven en die ook iets ophebben met subsidies.

***
Xavier Roelens was hoofdredacteur van het literaire tijdschrift En er is, stelde met Maarten De Pourq de bloemlezing Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw (Uitgeverij P, 2005) samen. Hij is redacteur van In Letterland. Eerder publiceerde hij bij Contact Er is een spookrijder gesignaleerd (2007).