Recensie van Geen delicatessen - Erik Spinoy

‘Een cirkel die geen vicieuze cirkel is’

Erik Spinoy
Geen delicatessen
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552572
€ 7,50
47 blz.

In de tweede Hans Groenewegen-lezing citeert dichter, essayist en literatuurwetenschapper Erik Spinoy uit Paul van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, en op die manier gaat hij vanaf het begin in tegen de kritische en poëticale opvattingen die o.a. in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en in Lieve Scheers’ werk De poëtische wereld van Paul Snoek (1966) werden gehuldigd. De biografische lezing van gedichten moest in de close reading-aanpak wijken voor de opvatting dat poëtische teksten autonoom zijn. Van Ostaijen beschouwde literaire teksten terecht als een soort vingerafdruk van de schrijver of schrijfster. Ze zijn het resultaat van zijn of haar in-de-wereld-zijn, van top tot teen en vanaf het eerste woord dat hij of zij heeft gehoord tot het eerste en het laatste woord dat ze hebben gesproken of geschreven. Taal wordt verworven, er klinken altijd andere stemmen in door. Van Ostaijens verzameld werk is daar een duidelijk bewijs van, denk maar aan zijn belangstelling voor de film en de neerslag daarvan in zijn gedichten, de invloed van de oorlog, enz.

Ondertussen is poëzie een intertekstueel verschijnsel geworden, gedichten zijn transformaties van al bestaande teksten en betekenisvelden, en daardoor zouden ze geen aanspraak kunnen maken op authenticiteit en onwrikbare waarheid. Voor mij betekent dat echter niet dat er geen lyrische waarheid meer bestaat. Volgens Kierkegaard is waarheid subjectief, anders gezegd: er is niet één universele en eeuwigdurende waarheid. In ons huidig tijdsgewricht is dichterlijke waarheid, zoals dat altijd al het geval was, intersubjectief, d.w.z. veranderlijk en afhankelijk van de deelnemers aan het poëtisch gesprek. Enigszins verontrustend is dat translatiepoëticale opvattingen, weliswaar op een andere manier dan bij de essayisten en critici die in Merlyn aan het woord waren, de dichter van vlees en bloed uit het beeld laten verdwijnen. Spinoy verwijst naar o.a. de Franse filosoof Derrida, die naar mijn aanvoelen in een aantal besprekingen, zijn op oorspronkelijk werk geënte commentaren even sterk heeft laten ontsporen als de Merlynisten in hun beschouwingen. De filosoof heeft meermaals uit het oog verloren dat beschouwingen over literatuur of visuele kunst een dienende rol hebben, de criticus of de beschouwer moet zich als een schaduwloper gedragen. Er bestaan nochtans benaderingswijzen die zowel recht doen aan de mens(en) achter het werk en zijn of hun werk, ik denk o.a. aan de analyses van het werk van Paul Celan door de Duitse filosoof Georg Gadamer, de inzichten van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty – met zijn voor de poëziebespreking wellicht vruchtbare inzichten over het ‘lichaam-subject’ – en de commentaren van Martin Heidegger bij het werk van Friedrich Hölderlin.

De depersonalisatie van het poëtisch spreken en de verdringing van het schrijvende ik, komt er volgens Erik Spinoy op neer dat we een illusie koesteren wanneer we denken dat we zelf het woord voeren. Volgens de essayist is de postmoderne tekstverzamelaar-dichter ‘fundamenteel onteigend’. (10) De psychoanalyticus Lacan erkent het menselijke subject als wezen in een onverschillige omgeving, en de erkenning van het subject betekent logischerwijze dat authentiek spreken en schrijven wel mogelijk is. Lacan laat de spreker, de schrijver niet los, terwijl Derrida vooral oog heeft voor teksten die andere teksten voort brengen, bijna zoals in de fysica en de dialectiek waar actie of these en reactie of antithese een ketting vormen. Maar het schrijven, zelfs het intertekstueel schrijven is geen kettingreactie, het subject kan bijna altijd een andere wending geven aan de genese van een nieuwe tekst.

Spinoy keert terug naar de stelling van Paul van Ostaijen en wijst erop dat volgens de dichter de mens wel degelijk aanwezig is in zijn gedichten, maar nooit in zijn totaliteit en nooit volledig zichtbaar en toegankelijk. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik er aan toe dat hij dat ook voor zichzelf en de anderen is in het leven van elke dag. ‘De afwezige “aanwezigheid des dichters” trekt een breed spectrum aan sporen in de tekst.’ (15) En die sporen nemen andere vormen aan tijdens de loop van een dichterleven. Zoals de levenservaring, die niet alleen cumulatieve maar ook prospectieve facetten vertoont, agglutineren de taalregisters en de gesprokkelde tekstfragmenten waardoor het voorwaarts geleefde leven rugwaarts begrepen en voorwaarts geprojecteerd kan worden. Een zinvolle toekomst is in een eerste fase niet meer dan een subjectief verhaal. Wie oog heeft voor de vele facetten van een gedicht ‘stoot op de sporen van een aanwezigheid die méér is dan de som van geschiedenis en samenleving, dan het quotiënt van poëtica, posture en discours.’ (15) Zelfs al is een gedicht nooit geheel toegankelijk, door de talige horizon van de dichter en de lezer is een horizonversmelting, of een zinvolle lezing mogelijk die recht doet aan de dichter of dichteres en de gelezen tekst als tekst, waarin per definitie altijd echo’s meeklinken uit de massa- en de samenspraak. Elke lezer voltooit op zijn of haar manier een gelezen gedicht, en geeft op die wijze ook een (nieuwe) deelinhoud aan het leven van de schrijver achter de tekst.

Er is echter nog een ander element dat door de essayist wordt aangekaart: de problematiek van het onuitspreekbare – en hij wijst erop dat het reiken naar woorden of beelden nooit een volledig bereiken wordt, en die ervaring ‘moet dichters als De Haes en Bartosik er dus toe hebben aangezet steeds vaker het zwijgen dat volgens Van Ostaijen bij de “ogenblikken van volkmaakte volheid” hoort, te verkiezen boven het dichten.’ (30) Zwijgen en witregels zijn inderdaad zeer betekenisvol. De Deense schrijver Martin A. Hansen heeft in veel novellen de onuitspreekbaarheid treffend in aarzelende woorden gevat, en zijn in het Noors schrijvende landgenoot Aksel Sandemose schreef in de roman Ross Dane (1928): ‘Hoe meer ik zou willen zeggen, hoe minder ik het gezegd krijg.’ Het poëtische spreken is uiteindelijk ontoereikend, zowel voor de dichter als voor de lezer. Een gedicht is vaak een monoloog, zelfs wanneer de dichter zich expliciet tot een lezer of aangesprokene richt, en de dialoog die lezer met het gedicht aangaat verloopt indirect en post factum.

De ontoereikendheid is geen reden om definitief te zwijgen, het gaat om ‘een reiken  dat nooit een bereiken wordt. Een cirkel die geen vicieuze cirkel is.’ (37) De essayist voegt er hoopvol aan toe: ‘Fail again. Fail better.’ Het is een tweeledige opgave: zowel de dichter als de lezer moet blijven proberen en blijven falen, om zo telkens wat dichter bij de essentie van de existentiële ervaring te komen. Dat een volledige en herkenbare aanwezigheid onbereikbaar is, ligt voor de hand. Vaak worden de zwarte gaten door metaforen vervangen, en die versterken het onvatbare, want metaforen zijn bruggen én kloven. De lezer die zich over de brug waagt, kan niet tegelijkertijd door de kloof wandelen en omgekeerd. Hij of zij kan dat wel in twee tijden doen, en zo de gelijktijdigheid in een ongelijktijdige benadering ervaren. Dat betekent echter dat men twee verschillende lezingen van een gedicht als waarheidsvinding accepteert.

Het essay van Spinoy vergt enige concentratie, maar het is vlot geschreven en het bevat geen academische hindernissen. Een aanrader voor wie niet alleen interesse heeft voor gedichten, maar ook voor poëziebeschouwelijke teksten. Het impliciete pleidooi voor eerherstel van de gedeeltelijk biografische lezing van gedichten vind ik terecht en nuttig. In de beschouwingen heb ik toch enkele delicatessen ontdekt.

Recensie van Nu is al te laat - Eric Spinoy

Buiten de greep van de tijd

Eric Spinoy
Nu is al te laat
Uitgever: De Bezige Bij
2015
ISBN 9789085426233
€ 19,99
64 blz.

De dichter Bernlef laat het alter-ego Meneer Cogito in zijn gedicht ‘Meneer Cogito in Rotterdam’ uit de bundel De noodzakelijke engel (1990) tegen het lyrisch subject zeggen, dat ‘de puzzelstukjes van zijn bestaan/ door anderen gelegd [zijn] // Tot een beeld dat hij/ denkt te herkennen/ op één stukje na//’. Deze uitspraak die teruggaat op de poëzie van de modernistische Poolse dichter Zbignew Herbert, illustreert het vraagstuk van de identiteit waarmee de dichters vanaf de Romantiek hebben geworsteld. Wie ben ik? Heb ik wel een identiteit? Is er zoiets als een bewustzijn?

 Erik Spinoy staat te boek als een postmodernistisch dichter die de positieve antwoorden op die vragen wenst te betwisten. Hij is als dichter, literatuurwetenschapper en essayist een kenner van deze filosofische problematiek. Hoewel de postmodernisten ons voorhouden, dat we met ons vermeende bewustzijn niet verder kunnen geraken dan te komen tot een subjectief en gefragmenteerd beeld van onze werkelijkheid, blijft het toch een streven van menig dichter de puzzelstukjes van zijn voorbijflitsende verbeeldingswereld in een zekere samenhang op te tekenen. De erkenning van de overvloedige instroom van woorden en beelden en het arbitrair zijn van de gecreëerde samenhang kan de onderliggende neiging om de inspringende ideeën te omlijsten in een gedicht blijkbaar niet ongedaan maken. Deze paradox is ook aan alle kanten merkbaar in de poëzie van Spinoy. Zijn woorden en beelden laten ons in ons denken de ene paardensprong na de andere maken.

 Van Spinoy is bekend dat hij afkerig is van een dichterschap dat aan deze paradox voorbij wenst te gaan. Hij wenst daar middenin te staan, hij zou niet anders kunnen en willen. Dat alles maakt zijn poëzie in zijn nieuwe bundel Nu is al te laat (2015) daarom wederom spannend, avontuurlijk en in zekere zin ook onoverzichtelijk. De titel van de bundel bewijst al wat hij als dichter voorstaat: zelfs wat zich op en zeker moment in zijn verbeelding aan hem voordoet, is al verzwolgen door wat wij tijd noemen. Er is geen ervaringsmoment door de dichter één op één op papier vast te leggen. De titel van de bundel heeft hij opgenomen in het gedicht ‘Adolf groet ’s morgens de dingen’. Daarin refereert hij aan Van Ostayen, een dichter met wiens poëzie hij een grote affiniteit heeft, en aan Gerrit Kouwenaar die met zijn bundel Totaal witte kamer (2002) naar aanleiding van het overlijden van zijn vrouw een magistrale samenballing van zijn oeuvre op papier bracht.

Adolf groet ’s morgens de dingen

Het spant erom, nu komt het erop aan, het is dus
nu of nooit.

Een klap in het gezicht van de goede smaak?
Een klap in het gezicht maar

nu is al te laat.

Zoologischer Garten : brandbommen en kanisters fosfor
wisten er wel raad mee.

Apen zwierven door de stad, exotische vogels kozen
schreeuwend het luchtruim. Leeuwen stikten
en verkoolden in hun kooien.

Krokodillenstaarten smaakten haast als kippenvlees.
Berenham en berenworst: het bleken lekkernijen.

In de kamer die geen witte kamer is machinekamer is
valt lemmerhard het zomerlicht

valt op een stijf smetvrij katoenen hemd dat
vloekt bij vlekken rimpels kerven in
genadeloos blote nieuw

gebruinde huid.

Er zit in dit gedicht niet alleen een politiek-maatschappijkritische ondertoon in die hij veelal een ironische tot cynische representatie geeft, maar ook dat het in deze tijd moeilijk blijkt de weg naar de verwondering te vinden. De aangepaste titel wijst daar al op: de naam Adolf in plaats van die van Marc. Saillant detail is dat de dichter van Marc, Paul van Ostayen, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog een tijd lang inwoner Berlijn is geweest. Het cynisme dat bij Adolf (Hitler) past, manifesteert zich in het intermezzo over de bommenregen, de loslopende dieren uit de Zoo en het gebrek aan voedsel voor de overgebleven inwoners van Berlijn aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd, nu spant het er opnieuw om, of het zoeken naar Marc en de dingen zal slagen nu de dichter zich daaraan wenst toe te vertrouwen, zich wenst over te geven aan zijn onbevooroordeelde verwondering. Het is nu of nooit. Maar zijn onbarmhartige conclusie in het derde deel is helaas, dat het ook nu niet tot de mogelijkheden behoort: ‘In de kamer die geen witte kamer is machinekamer is/ valt lemmerhard het zomerlicht//’. Zoals in het gedicht ‘Totaal witte kamer’ van Kouwenaar het niet meer mogelijk blijkt voor de geliefden de tijd terug te draaien naar het paradijselijke geluk van toen, zo stelt het lyrisch subject uit Spinoy’s gedicht vast dat het binnenvallende licht hardvochtig en genadeloos de vlekken, rimpels en kerven zichtbaar maakt die de tijd heeft bewerkstelligd op de ‘gebruinde huid’. Nu is al te laat, laat staan nadien!

De lezer moet zich er in deze bundel zeer voor inspannen het breed uitwaaierende palet aan thema’s, ideeën en benaderingen dat Spinoy beheerst recht te doen. Hij bezit een klank- en kleurrijke woordenschat die hij met grote lenigheid beheerst en toepast. Er is hard gewerkt aan deze poëzie. In die zin overheerst de logos, het cerebrale in deze verzen. Dat valt af te lezen aan de opbouw en de inhoud van de verzen. Tegelijkertijd kan niet ontkend worden dat het pathos, de ironie en de humor zo nu en dan de ernst stevig belagen, zoals in een gedicht als ‘Offer van het offer’:

Het moet bijna onzichtbaar zijn:

broodmagere student die onder schot gehouden
en ontkleed bij cameralicht wordt weggeleid.

Soms blijft het helemaal buiten beeld:

door wilde donkere haren overgroeid
geen veertig kilo voor één meter drieëntachtig
nu geen drieëndertig jaren achteloos neergelegd.

Blogt u over beauty?

Lang slapen, altijd zonder make-up. Wat
concealer anders tegen donkere kringen.

Chance ook van Chanel en Bioderma H2O,
het geheim van elk model.

En liters liters witte thee.

Spinoy staat met deze bundel midden in zijn tijd. Dat blijkt uit beeld, woord en onderwerp. De actualiteit van IS en de broodmagere modellen op de catwalk, maar ook de nieuwtestamentische figuur van Jezus van Nazareth schemeren in dit gedicht tussen de coulissen door. De spanwijdte van Spinoy reikt ver de traditie en de actualiteit in. Opvallend aan zijn taal is zijn veelvuldige gebruik van kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden: ‘Op de roltrap: haar opaak gekouste brede benen staan daar/ als gebeeldhouwd.//’. Dat is de schilder in Spinoy. Parallellisme en herhaling zijn stijlmiddelen die hij veelvuldig gebruikt om structuur en ritmiek aan zijn teksten mee te geven: ‘Dokter Jos beveelt u dingen aan./ Tatoeëren is voor het leven./ Tatoeëren hoort er nog niet werkelijk bij./ Tatoeëren is een vorm van zelfexpressie soms./ Tatoeëren is bij alle voorzorg toch behoorlijk invasief.//’. Dat is de architect in Spinoy. In alle beschrijvingen maakt hij nogal eens schielijke overgangen, zoals van een technische aanduiding naar een lyrisch ontboezeming: ‘De machtige V8-motor wordt gestart en in zijn/ lichte ogen glanst blauw dashboardlicht.//’. Dat is de non-conformist in Spinoy. Hij werkt ook met diverse taalregisters naast en over elkaar heen, zoals in het gedicht ‘Vlaamse lemming’: ‘Matigheid: deugd die de razende dans/ der zinnen bedwingt.//’ naast ‘Golfplaat lekt en druipt op ruw beton de vloer de naakte trap/ een stapel hout die geurig bloeit van witte schimmel.//’. Dat is de taalvirtuoos in Spinoy. Hij is een dichter die de traditie nodig heeft en recht doet, maar hij geeft tevens aan de zelfwerkzaamheid van de taal de ruimte in het creatieve proces. Daarin verenigt Spinoy invloed en intertekstualiteit in zich.

Dat hij zoekt naar samenhang, blijkt direct uit de wijze waarop hij gedichten heeft opgebouwd. De meeste gedichten bestaan uit een drieslag. Na een titel die veelal zo aan de spreektaal ontleend kan zijn, zoals ‘Oké, maar waar is uw hamster?’, volgt in los van elkaar geformuleerde verzen een karakteristiek van de titel. Dat mondt weer uit in een typografisch ingesprongen intermezzo dat in veel gevallen zo uit de krant of van het internet geplukt zou kunnen zijn. Wat dat aangaat, is Spinoy zeer bij de tijd. De afsluiting springt qua inhoud opnieuw ver bij de eerste twee afdelingen vandaan. Het in betekenis uiteenlopend zijn van de afdelingen en verzen onderling verraadt de associatieve kracht van Spinoy’s poëzie. Het onderstreept dat hij niet ontkomt, niet wenst te ontkomen, aan de versplintering die optreedt zodra hij de pen op papier zet. Zijn gedachten gaan alle kanten uit. Daarbij bezit hij over een brede kennis en oriëntatie. De literaire traditie waait op allerlei momenten zijn poëzie binnen, direct of indirect verwijzend naar de verzen van Apollinaire, Van Ostayen, Gezelle, Kouwenaar, Faverey en Van Wilderode, maar ook naar allerlei wetenswaardigheden uit het leven van alledag: ‘Zo iemand met een exclusieve smaak in mannen vrouwen/ in naar haaien tijgers of insecten vormgegeven auto’s.//’. 0f ‘Vlees en sufgekookte groenten: buitenmate succulent.//’.

De nieuwe bundel van Spinoy is veeleisend en laat zich lezen als een zoekplaatje, dat zijn geheimenissen niet zo gemakkelijk prijsgeeft. Het is bepaald geen ‘sufgekookte’ poëzie die de bedoeling heeft het de lezers uitsluitend naar de zin te maken. Hij wil vilein, brutaal, onverschrokken, beeldrijk en intelligent zijn spiegelgevechten met de tijd en zichzelf aangaan, en die festijnen aan ons tonen. Om al doende toch die witte kamer te bereiken en uit de greep van de tijd te geraken.

 ***

Erik Spinoy is hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Luik, dichter en essayist. Steevast tot het postmodernisme gerekend, maakt zijn poëzie echter een heel eigen ontwikkeling door. Zijn bundel Dode kamer (2011) werd bekroond met de Jan Campert-prijs. In 2012 schreef Spinoy ook het gedichtenessay As/zteken.