Recensie van Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven - Ivo van Strijtem

Het Orakel van Strijtem

Ivo van Strijtem
Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven
Uitgever: Lannoo
2018
ISBN 97894014480790
€ 29,99
424 blz.

Strijtem is een klein plaatsje in Vlaanderen, iets ten zuiden van de lijn Aalst – Brussel. Uit Strijtem komt de dichter Ivo Evenepoel, die koos voor een pseudoniem met een verwijzing naar het ‘pajottenland’… Dichter, docent Engels en zeer actief bloemlezer van poëzie uit heel Europa, is Ivo van Strijtem. In hem woedt een idealist voor wie poëzie zoveel meer is dan alleen een verzameling gedichten: ‘Poëzie is een manier van leven’ luidt de ondertitel van de bundel opstellen Iedereen dichter!, een bundel die ook kan heten Ieder een dichter! want het verbindingsstreepje ontbreekt op alle titelpagina’s.

Naast de veelbelovende titel maakte de tekst op de achterzijde mij nog enthousiaster: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien, zo stelt Ivo van Strijtem in deze zinderende ode aan de poëzie. Want volgens hem kan poëzie ons juist van de onverschilligheid redden.
Aan de hand van honderden verzen uit de wereldliteratuur toont de auteur hoe de schoonheid van poëzie een groeimiddel is dat de mens boven zichzelf laat uitstijgen. Hoe ze klaarheid schept in een wereld vol ruis, geluk brengt in tijden van wanhoop en oproept tot reflectie en tot gerichte actie.’

Het boek is dus tegelijkertijd een ‘zinderende ode aan de poëzie’ als een soort zelfhulpboek voor zoekende zielen, voor wie de poëzie ‘klaarheid’ gaat brengen. Zo heeft eerder Alain de Botton met succes de filosofie ingezet voor een vorm van zelfhulp in De troost van de filosofie. Wat kun jij leren van de inzichten van Socrates? Van Strijtem werpt zich op als goeroe voor wie poëzie de leidraad vormt voor zijn denken en handelen. En hij wil ons meenemen in zijn inzichten zodat ook wij zelf kunnen zien als ‘dichter’. Lukt dat?

Miljaar, nee, dat lukt geenszins, en dat vind ik teleurstellend. Het boek gaat stuk aan de eigen grote ambities. Het wil teveel, het wil te breed, het wil alles en daardoor bereikt het heel weinig. In een boek met een didactische doelstelling is het handig om een structuur te kiezen aan de hand waarvan de lezer de denklijn van de docent meekrijgt. Die ontbreekt door het hele boek en ook binnen de 25 hoofdstukken is de samenhang slechts door speurwerk te vinden. De auteur beschikt over een bak met 441 verwijzingen, soms gedichten, soms romanfragmenten, soms citaten van dichters of denkers. Die zijn door middel van associaties aan elkaar geregen en niet alle associaties zijn te volgen. Maar laat ik de hand in eigen boezem steken: misschien ben ik niet geschikt als leerling.

Pagina 17: ‘Poëzie is paradox. Pas wanneer je je hebt leeggemaakt, kun je vol zijn van iets. Zelfs een derderangs zenmeester zal je hiervan moeiteloos overtuigen.’ Van Strijtem pakt de metafoor van de reis naar allerlei spannende bestemmingen: ‘De reis die we hebben gepland, de tocht die we willen maken, gaat zeker niet richting het populairste vakantieoord. De bungalow op de Veluwe, een caravan in de Ardennen of het appartementje aan zee kunnen heel goed van pas komen, maar zijn geen doel op zich. Ook niet het verblijf aan de Côte d’Azur, een Spaanse Costa, een Italiaanse Rivièra of de Dominicaanse Republiek. Jazeker, we gaan internationaal, wat zeg ik, universeel, maar anders. En niet meteen. Want we gaan poëzie. Straks krijg je de kaart.’ Het orakel spreekt. Veel woorden, weinig richting, en de beloofde plattegrond ben ik nog steeds aan het zoeken.

De metaforen vliegen je om de oren. Op pagina 9 wordt poëzie benoemd als een belangrijk ‘brandpunt’ van de schoonheid. Waarom dat is? Wordt niet uitgelegd want we vliegen gezwind naar de associatie ‘In het begin was het woord’. Dat wordt ook niet verder van context voorzien, maar verbonden aan het benoemen van alles en iedereen: ‘benoemen, bespreken, vertalen.’ Dat is een proces dat nooit ophoudt, aldus Van Strijtem en die vindt dat ‘gelukkig’ zonder uit te leggen waarom. Daar is ook geen tijd voor want we moeten door naar de volgende associatie: ‘Welnu, de essentie, de essence – wat toch een verdichting is van een product, een concentraat, denk aan parfums – van de taal is poëzie. Tevens is essence de brandstof die ons vooruit kan helpen. Dit kan uiteraard niet zonder voortdurend bij te tanken. Anders val je stil. Maar wij gaan verder en hopen de nodige tankstations op onze weg te vinden.’ Tankstations vol parfum. Het lijken prozagedichten, maar was het niet de bedoeling dat we onderricht zouden krijgen in poëzie als een manier van leven?

Toegegeven, tijdens de reis ontmoeten we niet de minsten. De index achterin de bundel bevat ongeveer 650 namen van dichters, denkers en literatoren door de eeuwen heen, keurig met verwijzing op welke bladzijden hun naam is gevallen. Wordsworth heeft een grote invloed gehad, zo ook Boris Pasternak en Pablo Neruda. De complete wereldliteratuur heeft Van Strijtem doorgenomen en de mooiste passages heeft hij paraat om te gebruiken. Al die citaten helpen mee om iets uit te leggen, alleen is vaak niet duidelijk wat ze duidelijk maken. Ja, dat poëzie een paradox is, maar daar kan ik in mijn leven niet de beloofde klaarheid mee creëren.

Neem nu als voorbeeld hoofdstuk 3, getiteld ‘Ongevoelig?’ In 17 pagina’s tekst wordt getracht om iets te zeggen over de gevoelswaarde van poëzie. Is poëzie vooral iets voor ‘gevoelige zielen’?

  • Opkomst Paul Marijnis met als stelling ‘poëzie is ongevoelig’
  • Van Strijtem is het daar niet mee eens en ziet hier een discussie voor een paar hoofdstukken. ‘Wie er ongevoelig voor is, zit hoe dan ook niet op deze vlucht.’
  • Intermezzo: definitie van het woord vlucht. In dit hoofdstuk staan nog drie definities die de indruk wekken van structuur en helderheid
  • Perspectief tieners: wél gevoel
  • Anderzijds: woorden met gevoel komen steeds minder voor: ‘Inflatoire woorden in tijden van poëzierecessie.’
  • Naast de gevoelige poëzie neemt academische poëzie een belangrijke plaats in: ‘intellectueel tijdverdrijf vol knappe intertekstuele zoekertjes’
  • Opkomst J.C. Bloem wiens gedicht ‘De Nachtegalen’ integraal is opgenomen
  • Opkomst Brian Patten en Adrian Henri uit Liverpool
  • Hé Liverpool: The Beatles
  • Dat was toch in de Sixties? Opkomst Philip Larkin met een gedicht over seksuele vrijheid.

We zijn drie bladzijden verder en de parelketting wordt alsmaar langer. Herman de Coninck komt dan nog langs, Tom Lanoye, Amos Oz, Lucebert en Menno Wigman en dan ben ik verre van volledig. Aan goed gezelschap geen gebrek. Maar willen wij wel zoveel gezelschap, zoveel stemmen met zoveel meningen? Van Strijtem weet zelf ook wel dat dit avontuur gedoemd is te mislukken. Zijn bundel heeft als motto meegekregen een citaat van Harry Martinson: ‘Groter dan de behoefte aan gezelschap / is de behoefte aan de juiste eenzaamheid / de juiste rustplaatsen / in het hart en in de ziel.’

De bundel opstellen Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven is meer een groot citatenboek dan een boek om de poëzie af te helpen van het imago van wereldvreemd, moeilijk en nutteloos. Ik vrees zelfs dat het tegendeel wordt bereikt, ondanks dat er geweldige gedichten in voorkomen. Die zullen het op eigen kracht moeten doen.

***
Ivo van Strijtem (1953) is dichter en docent Engels. Hij is samen met Koen Stassijns verantwoordelijk voor de poëziereeks ‘De mooiste van…’ Van hem verschenen o.a. de poëziebundels Een rode sjaal, De mooie Ierse en De liefde, jazeker.

Recensie van De Liefde, jazeker - Ivo van Strijtem

Eeuwig zingen de borsten

Ivo van Strijtem
De Liefde, jazeker
Uitgever: Houtekiet Atlas Contact
2014
ISBN 9789025443924
€ 21,99
72 blz.

De Liefde, jazeker is de nogal uitdagende titel van de nieuwste bundel van Ivo van Strijtem. Die durft! dacht ik, al voor ik een gedicht gelezen had. Alsof we in een polemiek verwikkeld zijn en onze twijfel dient te worden gepareerd, worden we op de omslag al geconfronteerd met een voor de dichter voldongen feit. ‘De Liefde’, jazeker en Liefde met een hoofdletter. De titel dwingt ons de invalshoek van de dichter te volgen. Hij lijkt geen andere lezing toe te laten, dan dat het over liefde en niets dan De Liefde gaat.
Dat is interessant. Ik kan mij geen heikeler onderwerp voorstellen. Liefde, misschien wel het meest misbruikte begrip ooit. Waarschijnlijk nog vaker en onnadenkender dan God: religieuzen gebruiken het, verliefde stellen, loverboys, dichters…
We worden ook in een bepaalde richting gedwongen door de illustratie op de omslag: een uit lees- en lettertekens samengesteld rondborstig naaktfiguurtje. Geen twijfel mogelijk! Dit moet over De liefde gaan in zijn materiële, lichamelijke vorm, liefde die zich via de zinnen bekend maakt.

Groot is dus de verbazing bij de titel van de eerste reeks: ‘De heilige vrouwen’.
Het eerste gedicht daarvan stelt dan weer gerust:

Voeten

Steeds vaker ligt mijn ene
voet boven op de andere.
Zij bootsen handen na,
vouwen samen voor
zo ver dat gaat.

Dan bidden zij,
niet om een rijk
of om een hemel min of meer
maar om nog lang te mogen lopen
op een alledaagse aarde.

Liefde voor het aardse dus. Dat snap ik. Verder stelt dit gedicht mij voor vragen. Bidden doe je volgens mij niet met handen of voeten, maar met hart en hoofd. Die voeten die bidden kan ik alleen maar zien als symbolen voor het verlangen naar eenheid, in dit geval met God. Misschien vindt de dichter gevouwen handen niet genoeg. Dat kan, maar ik kan mijn niet voorstellen dat die voor voeten onmogelijke nabootsing van gevouwen handen de intensiteit van het gebed verhogen. Hij had ook voor de oosterse manier kunnen kiezen, de handen simpel tegen elkaar gehouden voor de borst. Dat is ook met de voeten uit te voeren, tenzij je hen voor je borst wilt houden. Dat kan je hooguit van een yogi verwachten.

De heilige vrouwen blijken doden te zijn. ‘Julia’ is een van hen. De laatste strofe van een in memoriam voor haar gaat zo:

Julia’s grote blanke borsten,
de zang ervan, hun toonaard,
in staat om alles te vergeven.

Toe maar! Eeuwig zingen de borsten. Ik hoop maar dat zij mij ook dit vergeven.
Dat geloof ‘s mensen visie op de werkelijkheid kan vertroebelen weten we onderhand. Wat dat betreft bevindt de liefde zich in goed gezelschap (God is liefde!) Maar dat dichters in hun euforie het zicht op de taal verliezen, vind ik op zijn zachtst gezegd: jammer. Opnieuw uit de reeks ‘De heilige vrouwen’:

Ik ben de antilope

Ik ben de antilope
die door Soedan rent.
Meer dan honderdduizend
tel ik, meer dan een miljard.
Antilope, zebra, olifant.
Aarzel niet

werp een speer in mijn oog,
schiet een pijl in mijn dij.
Ik ben het lam,
ik kom van ver,
hosanna in den hoge,
zebra, antilope, olifant.

Hadewych, Johannes van het Kruis waren dichters. Guido Gezelle, Jaqueline van der Waals, waren religieuze dichters. Koos Geerds, Julian Holtrigter zijn religieus geïnspireerde dichters, die stuk voor stuk hun vak verstonden/verstaan. Het probleem met gedichten als ‘Ik ben de antilope’ is dat ze blijkbaar voor niemand geschreven zijn. De dichter zwelgt in zijn Hosanna, en dat is dat. Verder is het volstrekt willekeurige waanzin. In deze geseculariseerde tijden bevestigt het een vooroordeel dat religieus georiënteerde mensen eigenlijk gestoord zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat dat de bedoeling was van de dichter. Hoe kun je je geloof serieus nemen en dan zulke onzin schrijven? Dat is voor mij niet te rijmen. Wat dan wel?

In de reeks: ‘Hartverscheurende regen en liefdesbrieven’ las ik het gedicht:

Dag dichter,

Mag het wat warmer s.v.p., wat zachter,
wat begripvoller ook en iets lichter misschien
iets voorzichtiger, meer een schuilplaats,
meer liefde zelfs, indien ik mij het woord
veroorloven mag, ik vraag excuus,

voordat je met je hautaine woorden
op dat arme meisje poëzie gaat liggen?

De dichter lijkt zich ervan bewust te zijn dat er geen wisselwerking is tussen hem en de poëzie. Dat is winst. Hij is zich dus bewust van zijn gebrek aan liefde, warmte, speelsheid, zonder welke de poëzie een lijdend voorwerp is, waar hij blijkbaar, hautain zelfs, bovenop gaat liggen. Vanzelfsprekend. Het is een lekkertje.

Zo komen we tenslotte bij de lichamelijke liefde waaraan enkele gedichten zijn gewijd, maar die bevreemdden mij ook enigszins. Het meest intieme gedicht:

Pearl

Hoi. Ik heet Pearl en ben clitoris.
Een clitoris out zich doorgaans maar een tikkeltje,
noem mij maar loslippig,
een buitenbeentje met een grote mond.

Ooit lag mijn naam op de tong van een man.
Dat likt inniger en vervoert.
Alsof hij pas volwassen was en ik een loot, een lotgenoot.
Alsof hij pas volwassen was en ik zijn vrije val.

Ai, Pearl, verliefd op een man
met het hart op de tong
met een tong in zijn vinger
en zijn naam op haar lippen.

Voor de dichter wellicht een erotisch gedicht. Maar ook hier heeft zijn roes de dichter het zicht op de materie die hij onder handen had ontnomen. Lees om het eenvoudig te houden de laatste strofe maar na; Pareltje is verliefd op een man met zijn hart op de tong die haar – cunnilingus – klaarblijkelijk beft. In de derde regel vingert hij haar blijkbaar ook. Dat kan. Die tong in zijn vinger zou kunnen duiden op de zachte behoedzaamheid waarmee hij te werk gaat. Maar dan volgt de laatste regel, die wel een band met de eerste had kunnen hebben, maar, met een tong in zijn vinger en zijn naam op haar lippen, herinnert het mij aan de honds moeilijke actie van Van Stijtem om zijn voeten als handen te vouwen. De samenhang van onverenigbare delen.

Laat ik eindigen met een/de poëtica van Van Strijtem, misschien dat die overtuigt dat het echt over liefde, De Liefde, jazeker, gaat:

Poëzie

Laat me, wat de poëzie betreft
alles nog eens op een rijtje zetten:

1 is een afdak dat hoort bij een schuur,
van die schuur zie je alleen de linkerbuitenmuur.
Het is een schuilplaats voor een plotse bui,
een ratelende schrijfmachine of een druppelsgewijze.
Niettemin staan er hak, hark en spade,
alle onontbeerlijk.

2 is een zwaan, een zwaan wil meer
en nog een zwaan. Zij drijft,
plechtige traagheid, andante festivo,
en glijdt over de werkelijkheid.

3 is de helft van acht; half oneindig, half af.
Het is een goedlachse berin.
Iemand die baart en zoogt en ons vervolgens mist.

Dat moet het zowat zijn. 

Duidelijk? Dat moet wel, voor een door een goedlachse berin gebaarde dichter…

***
Ivo van Strijtem (1953) is dichter en docent Engels. Hij is samen met Koen Stassijns de drijvende kracht achter de poëziereeks De mooiste van… Van hem verschenen eerder o.a. Een rode sjaal (1998), De mooie Ierse (2002) en Het tegenbezoek (2006)