Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Recensie van Altijd een raam - Sylvie Marie

Een appel die verschil maakt

Sylvie Marie
Altijd een raam
Uitgever: Vrijdag | Podium
2014
ISBN 9789057596735
€ 16,50
64 blz.

Een appel is behalve lekker nog veel meer. Ik heb het weer gelezen. In een bundel die al dagen op mijn bureau ligt en die ik niet kan wegnemen:

appel

al dagen ligt een appel op het aanrecht,
ik kan hem niet wegnemen.

er staat een mand in de kast, daar past hij bij,
maar ik laat hem liever op het graniet
en beeld me in dat hij onderaan al krimpt.

ik wandel dagelijks tien keer in de keuken
aan de appel voorbij en ik zou meer
van de wereld moeten weten,
meedoen, vloeken, naar buiten.

maar zolang ik blijf, laat ik hem zijn,
nu nog is hij rond als de aarde,
ik, zijn satelliet.

als hij rot, ruk ik me los.
als ik me kan losrukken, gooi ik hem weg.

Wat gaat er in dit gedicht allemaal wel niet schuil achter de verboden vrucht! Inderdaad, van een gedicht dat nog in de maak is bij de dichter, tot een hele wereld: rond als de aarde als hij is. Sylvie Marie – want over haar nieuwe bundel Altijd een raam heb ik het – laat een appel een wereld van verschil maken!
‘Niet om te happen, maar om te snappen’ had er op een bordje naast de boom moeten staan: als Eva dat begrepen had was de vloekende ‘zondige’ wereld ook voor ons terra incognito gebleven. Helaas, het mocht niet zo zijn. En ja, onszelf beheersen is moeilijk wanneer we een obsessie hebben. De dichteres bedwingt zich nog een beetje, maar de lezer hapt toe. En trotseert de gevaren… De gevaren van fixatie. Wat valt daarover te zeggen?
Wie zich fixeert completeert met zijn bewustzijn in zekere zin het ding waarop het bewustzijn zich richt. Hoe groter de fixatie, hoe kleiner (nauwer) het bewustzijn. Bedenk ik bij mezelf. Even uitproberen… Ja, blindstarend ben ik er echt helemaal van overtuigd: de appel staat voor de toekomst (of wellicht voor ons lichaam), en de ‘ik’, zijn satelliet, is ons bewustzijn! Het harde graniet in de tweede strofe is een beeld voor de onherroepelijkheid van de tijd, die de toekomst (ons lichaam) laat verschrompelen. Hebbes! Geweldig! Nu stoppen!
Staan er nog meer goeie gedichten in deze bundel? Jawel:

zakdoek

mensen zijn niet voor elkaar gemaakt
als ze zeggen: je hebt zo’n mooie neus,
daar zou je iets mee moeten doen.

ik had je kunnen houden als je me zo nam
dat jij schelp werd, ik slak, we perfect sloten,
maar slijm was het enige wat kwam.

toch dacht ik bij je uitzwaaien
aan de zakdoek in mijn broek, het idee
een knoop te moeten leggen, die vast

te grijpen zodat telkens je verder trekt,
hij aanspant, ik me alles
almaar beter herinner.

Na de mooie neus in de eerste strofe kan het geen kwaad om te bedenken dat een schelp en een slak(kenhuis) als onderdelen van een oor kunnen worden opgevat (ja, ja, men moet daar een neus voor hebben). In de tweede strofe is er echter geen sprake van een oor en (dus) ook niet van oorsmeer. De slak en de schelp laten alleen ruimte voor ‘slijm’, en dat laat de ontmoeting zeker niet ‘gesmeerd’ verlopen… Maar de tegenstelling tussen ‘slijm’ en ‘smeer’ werkt wél gesmeerd: een gave illustratie van hoe een metafoor die alleen in de lucht hangt toch functioneert!
In de laatste twee strofen wordt deze miskleun van een date fraai verder uitgewerkt: het woordje ‘toch’, aan het begin van de derde strofe, zet de lezer even op het verkeerde been: alsof de ik-persoon toch iets voor de ‘je’ voelt. Maar dat blijkt ijdele hoop waar het woordje ‘als’, dat men zou verwachten na ‘telkens’ in de vierde strofe, schitterend is weggelaten: het is alleen de ervaring (de opgedane kennis), die door de ‘ik’ wordt gewaardeerd. Wellicht om zichzelf dergelijke ontmoetingen in de toekomst te besparen. Prachtig specimen van het kunnen van de dichteres, dit gedicht. Ondanks dat dunne breuklijntje dat stiekem loopt tussen de eerste en de tweede helft; die zoals een neus en een zakdoek bij elkaar horen, dat wel.

Heel mooi is:

slaapliedje

leg gerust je volle lengte neer.
je arm mag onder die van mij, je benen
rondom de mijne gestrengeld en ik
kan zelfs je hand in mijn hand
aan. het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil
lossen en de nacht is zacht, maar ook hard zwart.
jij, ik, we hebben enkelvouden te delen,
het bed, de hitte, het duister. vreemd,
we houden zo veel over.

Voor wie denkt dat dit niet veel om het lijf heeft: dat klopt (ook). Plakkerig sfeertje: twee mensen die tegen elkaar liggen tijdens een zwoele nacht. Gaat het over liefde (seks)? Het lijkt er even op, maar ‘het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil…’ neemt in de volgende regel een andere wending. Nee, met die enkelvouden verderop is dit meer een gedicht over de onmogelijkheid dan de mogelijkheid om iets met elkaar te delen.
Voor wie meer wil lezen dan er staat – en wie wil dat niet – is het einde van de tweede zin interessant: ‘ik kan zelfs je hand in mijn hand aan’. Dat lees ik met een flinke dosis fixatie en enige fantasie als: ik kan zelfs je hand, terwijl die zich in mijn hand bevindt, aan (als een handschoen!). Natuurlijk heeft ‘aan kunnen’ hier vooral ook die andere voor ‘de hand’ liggende betekenis van ‘ertegen kunnen’, maar een hand die tegelijkertijd in en om (en dus buiten) een andere hand zit, raakt wel aan de kern van dit gedicht (en misschien van de hele bundel), die de paradoxale opgave stelt van elke relatie: want hoe kunnen we onze verschillen delen? Hoe zit dat met die eenheid die zich als een dualiteit presenteert?

Goeie gelegenheid om mijn fixatie te botvieren. Wat als ‘jij’ en ‘ik’ helemaal niet twee mensen zijn, maar zoals in het appel-gedicht weer lichaam en geest (bewustzijn)? Natuurlijk, ik weet het: de geest bestaat helemaal niet: enkel een handige constructie van ons brein, een praktisch homunculusnusje (bla, bla, bla). Maar toch, even (het is maar een gedachte): wat als de geest wél zou bestaan en als een ‘ik’ in dit gedicht zijn relatie met het lichaam becommentarieert? Legt dan niet het lichaam zich in zijn volle lengte neer, zoals het leven zich in de tijd uitstrekt? En ‘bewoont’ dan niet, zoals in ‘Het Veer’ van Martinus Nijhoff, het lichaam de geest, omdat de geest zich misschien verder in de tijd kan uitstrekken dan het lichaam? Allemaal verbeelding natuurlijk, maar in deze bundel met zoveel binnens en buitens geen onmogelijkheid. De hitte van het lichaam en het duister van de dood en van de geest…(wauw!) Het is maar hoe gefixeerd je bent – hoe je bent gefixeerd. En tenslotte is daar nog die andere dualiteit: die van taal en werkelijkheid.

Taal is een wonder, waarin dingen kunnen die praktisch niet kunnen. Dat maakt taal een beetje een wereld op zichzelf: een wereld apart van de ‘echte’ wereld. Juan Ramon Jiménez schreef in het Spaans al dat onze gedachten (onze woorden) meer ons thuisland zijn dan de wereld zelf. Ook andere dichters lopen (heel) soms tegen de grens tussen die beide aan: Sylvie Marie in dit één na laatste gedicht van haar bundel?

het laatste wat ik van haar zag,
was haar hand.

of neen, niet eens haar hand was het
die uit het treinraam zwaaide,
het was haar hand met schoen omheen,
hoes van dik katoen en wol.

ik kon al haar vingers bedenken:
een voor een, en toch ook niet.
haar echte hand werd het nooit.

altijd bleef het iets anders,
een boog met snuit,
een want.

Alleen al door deze grens te naderen levert de dichteres een grote prestatie. Nooit zullen we de wereld helemaal begrijpen, zullen we haar precies vatten in de taal, die niet hand in hand, maar hand in want meegaat. ‘Het’ ontglipt ons waar de taal van verschilt en waar ze uiteindelijk ook alleen maar een want is, een verlangen: het uiterst bereikbare.

***
Sylvie Marie (Tielt, 1984) debuteerde met Zonder (2009). Haar tweede bundel Toen je me ten huwelijk vroeg (2011) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs.
Site: http://www.sylviemarie.be/

Recensie van Zonder - Sylvie Marie

Beheerste woede

Sylvie Marie
Zonder
Uitgever: Vrijdag | Podium
2009
ISBN 9789460010217
€ 15,00
64 blz.

Al voor haar debuut gold Sylvie Marie (1984) binnen de Vlaamse poëzie als een grote belofte. Ze vestigde de aandacht op zich met publicaties in onder meer Het Liegend Konijn en De Brakke Hond, maar vooral met de tomeloze energie waarmee ze de poëziewereld kwam binnengestormd. Tegenwoordig is ze redacteur van Deus ex Machina en poëziecoördinator hier bij Meander en is er al weer een tijdje haar debuutbundel Zonder.

De recensenten die de bundel al bespraken concludeerden unaniem dat dit een buitengewoon voldragen debuut is. Een volwassen bundel met nauwelijks beginnersfouten. Ik zou daar aan willen toevoegen dat het ook een bundel is die alleen een jong iemand kan schrijven. Diezelfde energie namelijk die Sylvie Marie een vliegende start in de poëzie bezorgde, zit ook in deze gedichten. Zo’n dadendrang, zo’n gevoel van urgentie, zo’n noodzaak tot scheppen als je voelt in deze poëzie en die je bij iedere regel het gevoel geeft dat er nog veel meer is, dat er nog honderd gedichten klaarliggen om op je afgevuurd te worden, dat vind je alleen bij een jonge dichter.
Die energie is geweldig. Nog geweldiger is het feit dat Marie haar heeft weten in te tomen en daardoor een bundel vol uiterst doordachte en perfect afgewerkte gedichten geschreven heeft. En toch was ik van het begin van de bundel, hoewel onder de indruk, niet helemaal ondersteboven. Bijvoorbeeld de eerste regels van het openings- en titelgedicht:

die morgen tref ik woorden aan tussen de lakens,
ze prikken als stukjes spiegel waarin een schim
weerkaatst. […]

Een gestrande liefde, het mag dan zo ongeveer het oudste onderwerp ter wereld zijn maar mij heeft het nooit echt kunnen boeien. Daar komt de vergelijking met ‘als’ nog bij. Voor mij is het heerlijke van poëzie dat woorden in een gedicht stukjes spiegel zijn waarin een schim weerkaatst, dat we doorzeefd worden in plaats van dat het is ‘haast alsof we doorzeefd worden’ (uit het eerste gedicht van ‘wij, helden’) en dat de wereld een raam is in plaats van dat het is ‘alsof de wereld een raam is’ (uit ‘raam’). Maar goed, dat zou je een kwestie van persoonlijke poëtica kunnen noemen of zelfs, om maar eens een recensie-gotspe te begaan, van smaak. Eén van de grootste misdadigers op dit front is de naamgenoot die Sylvie Marie onder pseudoniem deed schrijven, Herman de Coninck. En met zijn carrière is het alleszins goed gekomen.

Maar goed, in de eerste afdeling van de bundel, ‘wij, helden (zonder moed)’ staan veel van dit soort ‘ik-jij-gedichten’, gedichten over een (liefdes)relatie. In de volgende afdeling, ‘uitersten (zonder schaamte)’, vinden we die ook nog wel maar hier verkent Marie, zoals de titel al vermeldt, extremen en dat maakt de gedichten al interessanter. Ze levert ons in ‘ansicht’ ook nog even de beste pick-up line ooit: ‘op mijn dek mag je wel / eens op blote voeten lopen’. Ik kan niet wachten om die eens in het café te proberen. Ook wijst ze in ‘vreemd’, waarin ze een kind beschrijft dat vervreemd is van haar ouders, al vooruit naar wat je het pièce de résistance van deze bundel kan noemen: de weergaloze cyclus ‘Moedermomenten (zonder moeder)’.
Als je deze cyclus vol ingehouden woede en schuldgevoel leest, deze genadeloze analyse van een jeugd in een moeilijk gezin, dan vergeet je dat je een debuutbundel aan het lezen bent:

4.

al jaren draag je een ei in en het mag
niet breken. je bewaakt het, legt het
te slapen in dunne lakens, kust het, in je dromen
fluister je het wel eens koosnaampjes toe.

jullie hebben jullie verstandhouding. jij weet
dat je rustig moet blijven, het ei dat het niet
ongevraagd moet bewegen. zo gaat het al lang.
iedereen weet van het ei.

vandaag wierp je het ei in een zak over je schouder.
we knepen allemaal de ogen dicht. alsof we ons aan
gruis verwachtten, leefden we met het ei,
als het ei.
 

Marie laat ons hier echt met de kinderen van deze moeder meelijden. Het alsmaar voorzichtig zijn met een moeder die danwel op knakken, danwel op ontploffen staat. Een moeder die alleen in haar dromen koosnaampjes fluistert, die rustig blijft zolang er niet ongevraagd bewogen wordt (van kinderen, dat weten alle ouders, een onmogelijke eis). Dat ‘iedereen weet van het ei’ suggereert dat er desondanks niet over gesproken wordt, een spanning die ook naar voren komt in het onheilspellende ‘jullie hebben jullie verstandhouding’. Wat de laatste strofe precies betekent weet ik niet, maar de spanning is ondraaglijk. Met dat ei dat zo gekoesterd werd wordt opeens geworpen. En de kinderen ‘verwachten zich aan gruis’. Een angstaanjagend goed gedicht, dit.

Na deze cyclus volgen nog de afdelingen ‘redeneringen (zonder nadenken)’ en ‘personages (zonder paspoort)’. De titel van de eerste is voor mij zo’n beetje de definitie van ‘gedicht’ en bevat dan ook gedichten over allerlei onderwerpen. Het interessantst vind ik – ik ben in een bundel altijd op zoek naar poëticaal op te vatten gedichten – ‘hermetisch’, waarin Marie een dichter ten tonele voert die voor een publiek onbegrijpelijke zinnen roept. En geen applaus krijgt. Een duidelijke aanwijzing dat Marie uit overtuiging verstaanbare poëzie schrijft. ‘Personages’ bevat een reeks portretten en bevat net als ‘redeneringen’ een aantal heel sterke gedichten.

Wat de stijl van Marie betreft is vooral haar gebruik van het enjambement de moeite van het vermelden waard. Bijna alle dichters gebruiken het enjambement wel eens om een woord te isoleren van het zinsdeel dat er op volgt en zo de zin meerdere mogelijke betekenissen te geven. Maar in handen van Sylvie Marie wordt dit stijlmiddel een dodelijk wapen. Voor een voorbeeld ga ik nog even terug naar het titelgedicht. Zo gaat het verder:

[…] ik lees:
ik ben weg, neem niets mee behalve
de geur van je haren, de zachtheid van je wangen,
de smaak van je lippen. de hond

op straat leidt me
af en ik staar naar het raam. nooit zag het ochtendlicht
er zo vaal uit, had het gordijn zo weinig kracht.

[…]
 

Zoals de zinsnede ‘de hond’ hier gepositioneerd is kan hij op zijn minst drie dingen betekenen: een scheldwoord voor de vertrokken geliefde, een huisdier dat door die geliefde is meegenomen of de puur anekdotische hond die hij zou zijn als het enjambement er niet was geweest. Nog een mooi voorbeeld, uit ‘Moedermomenten 6’:

ja, het kan ook onze schuld zijn. misschien
zijn we te veel steen voor je, werpen we
onszelf te ver, te hard, lachen we wel eens

te luid met jij die de zaken verkeerd,
net andersom of gewoon niet kunt plaatsen,
en overstelpen we je dan net iets te ongeduldig
 

Ja natuurlijk kunnen de kinderen de moeder één keer te veel hebben uitgelachen maar door het enjambement staat er meer: vol verwijt wordt er gesuggereerd dat lachen alleen al een misdrijf was in dit gezin.

Haar stijl zal Sylvie Marie in de rest van haar carrière alleen maar verder scherpen. Laten we hopen dat zij daarnaast haar energie, haar woede en haar dadendrang koestert. Want dan gaan we nog wat beleven.