Recensie van Het zingen van de wereld - Marc Tritsmans

De weerklank van de lege wereld

Marc Tritsmans
Het zingen van de wereld
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822937
€ 19,99
62 blz.

Het gebeurt zelden dat een dichter er blijk van geeft de geologische processen niet alleen te begrijpen, maar ook in zijn taal te verstaan. Daarbij blijf ik verre van de geologische realiteit, op basis waarvan we moeten aannemen in een interglaciaal te leven, waarbij zowel klimaatschommelingen naar boven als beneden een voorspelbaar feit zijn. Veel meer dan de gemiddelde mens, ja vermoedelijk meer dan welke andere kunstenaar dan ook, spreekt de dichter vanuit en binnen zijn ik, waarmee meestal ook zijn positie ten opzichte van de taal geijkt is. Waar een dichter als Martinus Nijhoff ernaar streefde om door middel van het persoonlijke te raken aan het algemeen-menselijke en daarmee aan het alom verstaanbare, lijken veel van de hedendaagse dichters in surrealisme over zichzelf heen te willen buitelen om maar als ‘eigen’ herkenbaar te zijn.

Marc Tritsmans weet waaruit zijn taal gehouwen of naar boven gepompt is en hij schaamt zich daar niet voor. Evenals in voorgaande bundels sorteert, stapelt en bouwt hij zijn gedichten met woorden die de weerklank zijn van zijn natuurlijke omgeving: sterren, steen en groene begroeiing. Maar daarbij blijft het niet. In zijn taal ondergaat hij de natuurlijke processen, hij ondervindt ze aan den lijve en getuigt van die sensaties in zijn poëzie.

AARDE

dat ze van ons houdt is onwaarschijnlijk
dat ze ons wil houden lijdt geen twijfel
zo stevig trekt ze ons tegen zich aan
dat gewrichten almaar harder gaan kraken

en wij blijven wel koppig ontkennen
dat ze met ons kan doen wat ze maar wil
trachten vaak aan haar greep te ontsnappen
maar langer dan een dag laat ze ons niet los

op knieën dwingt ze ons ten slotte allemaal
doet ons huilend bekennen dat wij haar aanbidden
en als niemand het ziet willen we niets liever

dan haar vruchtbare koelte strelen, opsnuiven
de oeroude geur, koesteren de lome zwaarte
die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren

[p.10]

In dit gedicht is overigens meer aan de hand dan het ervaren van de zwaartekracht, zoals die inwerkt op een mensenlichaam: niet alleen de voeten worden naar het aardoppervlak getrokken, van teen tot kruin trekt de aarde ons lichaam naar maximale vlakte, zodat we op tijd van duur instorten als een oude toren. Tegelijkertijd plaatst hij zichzelf en zijn lezers in de oeroude omarming van man en vrouw, de liefdesrelatie die hunkert naar samengaan, maar daarvan ook de zwaarte ondervindt. De aarde als moedergodin wordt hier in het klankpalet van de taal vermengd met de mannin, die, evenals de Adam, uit adama, stof, aardgruis, is ontstaan en niet anders kan dan terugkeren naar haar en zijn oorsprong.

Het gaat te ver om de taal van Tritsmans ‘alledaags’ te noemen, hoewel hij vrijwel steeds gebruik maakt van woorden die iedere lezer zonder schroom voor onbekendheid met de betekenis ervan in de mond kan nemen. Wanneer je zijn gedichten uitspreekt, ervaar je dat zij, meer dan in eerste instantie bij lezing lijkt, gebouwd zijn op, wellicht zelfs gehuisvest zijn in de klank van de gekozen woorden. Door zijn persoonlijke keuze te maken uit woorden die zo algemeen van gebruik zijn dat enige specifieke betekenis het ervaren van hun klank niet in de weg staat, bereikt de dichter langs natuurlijke weg het vlies in de ziel van de lezer, dat deze woorden weerklinken laat.
Tegelijkertijd lijkt hieruit ook de tragiek voort te komen, die in veel van de gedichten in deze bundel aanwezig is. Het deelhebben aan het eeuwigdurende, het alomtegenwoordige van de natuurlijke werkelijkheid is altijd tijdelijk, de ervaring van het rustige samengaan wordt meteen voelbaar bedreigd door de dreigende zekerheid van het moeten loslaten.

DIT ZACHTE

ook zonder dat we het beseffen hunkeren wij
voortdurend naar dit vanzelfsprekende zachte
dat het gewicht dat wij torsen, ons logge lichaam

blijft verwelkomen en onze stappen dempt
niets meer dan blote huid van aarde is dit
door zon, regen en wind geduldig verkruimelde

waarop het gras, het mos, alle planten en bomen
waarop dieren met eerbied hun poten laten neerkomen
laat ons dus beducht zijn voor het ogenblik waarop we

niet langer huid tegen haar huid elkaar mogen bevoelen
en beluisteren: hoe verloren onze gedachten en wij
voor altijd losgeraakt van de grond en alle werkelijkheid

[p. 19]

Uiteindelijk krijgt vooral dit besef het laatste woord in de bundel. Het ‘zingen van de wereld’ hoort bij de wereld zelf, of er nu luisteraars zijn of niet. In het laatste gedicht van de afdeling ‘Nagalm’ stelt Tritsmans zich als mens en als dichter bloot aan de – in al haar eenvoud pijnlijke – vaststelling dat de werkelijkheid in haar aard een werkelijkheid van leegte is, met vormen zonder beschouwer, met klanken zonder luisteraar, met substantie zonder voeling die dat alles betekenis geeft. Zo wordt de mens het eenzaamste wezen op aarde, doordat hij aan zichzelf moet toegeven dat hij, de naamgever en omvormer van alles, juist hij de enige is die er in wezen niet bij hoort. Dat zonder hem de werkelijkheid zichzelf wordt en blijft en overgaat tot de orde van de dag.

FOTO VAN BERGLANDSCHAP

niets levends in dit beeld te bekennen
enkel vierduizenders bewaken de wereld
en tijd schiet plotseling alle kanten uit

terwijl mijn vader nog naast me staat
al is hij jaren dood, steekt Hannibal
met zijn olifanten de bergkam over

stoten sabeltandtijgers en holenberen
aan de rand van de gletsjer hun adem
nog vol vertrouwen de lucht in

en nu we er zelf nog op staan kijken
zijn al onze gelukkige uren en dagen
op deze plek alweer uitgewist en zien we

hoe het hier ooit was en zal zijn: alles
in volmaakte onverschilligheid leeggeschraapt
niets levends in dit beeld te bekennen

[p. 54]

***
Marc Tritsmans (1959) studeerde tandheelkunde en is werkzaam als milieu- en duurzaamheidsambtenaar in Borsbeek. Hij woont in Boechout en gaf een aantal jaren poëzielessen aan de Antwerpse Schrijversacademie. Tritsmans debuteerde in 1992 als dichter met de bundel De wetten van de zwaartekracht. In Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21 ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004) is hij vertegenwoordigd met zeven gedichten. Hij won in 2011 de Herman de Coninckprijs voor Studie van de schaduw en tevens de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.

Recensie van Aanrakingen - Marc Tritsmans

Over het onvermogen aan de werkelijkheid te raken

Marc Tritsmans
Aanrakingen
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2015
ISBN 9789046818589
€ 19,95
64 blz.


Een bundel begint met de titel. Een titel roept bepaalde verwachtingen op, zegt iets essentieels over de inhoud, of hult die juist in raadselen. Marc Tritsmans heeft zijn nieuwe bundel Aanrakingen genoemd.
Het eerste waar ik aan dacht toen ik de titel las, was het lichamelijk aangeraakt worden, een van die oermenselijke behoeften waaraan bijna altijd tekort wordt gedaan. Maar omdat hier sprake is van een dichtbundel, staat het ook voor de behoefte van de dichter om zijn lezers te raken, sterker; de zekerheid hen aan te raken, hen te raken. Dat kan in de poëzie op velerlei manieren: de dichter kan zijn lezers prikkelen, irriteren, vrolijk maken, boos, enthousiast; de poëzie kan vertederen, ontroeren, enz. Hij doet dat met taal. Het medium waarmee we ons kunnen uiten, waarmee we contact leggen. Taal is ook het middel om dingen op een rijtje te zetten, en inzicht in onszelf en de wereld te krijgen. Ik vermoed dat dat de bestaansreden is van poëzie; de exactheid die wij ervan verwachten heeft denk ik te maken met het in kaart brengen van onze werkelijkheid, en de poging om zo dicht mogelijk bij de essentie van ons bestaan te komen, er aan te raken: schoonheid als datgene wat ons het meest na aan het hart ligt.

     Voor het eerst
     je schudt wel wat handen
     voelt er af en toe een
     kort op je schouder

     maar dit: zo’n hand
     een heel zachte warme
     opeens veel langer dan vijf
     tellen in de mijne zich nestelend

     had ik toen al meteen
     moeten vermoeden – maar ook
     later heeft niemand mij ooit
     verteld dat nooit

     meer in mijn leven
     zo adembenemend
     zou kunnen worden herhaald

In dit eerste gedicht van de bundel gebeurt veel. Het lijkt bijna niets, maar de herinnering aan een hand die zich in de zijne legt, blijkt later alle handen die ooit aan de dichter hebben geraakt, in de schaduw te stellen. Het gevolg: verdriet, dat zich toont in de manier waarop de tekst verbrokkelt, alsof gedachten verhinderd worden zich uit te spreken, en er slechts flarden zich aandienen:

     had ik toen al meteen
     moeten vermoeden – maar ook
     later heeft niemand mij ooit
     verteld dat dat nooit

Tegelijkertijd dient ook het irrationele zich aan, noem het gekte; het idee dat er iemand had moeten zijn die wist dat die eenvoudige aanraking, met die met terugwerkende kracht overweldigende impact, nooit meer zo adembenemend herhaald zou worden. Te idioot voor woorden natuurlijk.

De vertraagde respons waar dit eerste gedicht over handelt, kom je ook in een andere vorm tegen in het gedicht:

     Over ouder worden

     dat ik mij niet langer zonder nadenken
     buk om een tamme kastanje van tussen
     herfstbladeren op te rapen omdat mijn rug

     dat ik op straat een jongen plots keihard
     zie gaan rennen enkel omdat de zon schijnt
     en mijn lichaam zich die aandrang nog slechts

     herinnert, want los van het feit dat alles niet
     meer zo hoognodig hoeft, moet ik ook rekening
     houden met vreemde vertragingen in het systeem

     van op de brug wordt een bevel doorgegeven en in
     de aftandse machinekamer vervolgens druk overlegd
     of en hoe dit nog zou kunnen worden uitgevoerd

Niet alleen, als in dat eerste gedicht, worden ervaringen eindelijk ten volle beleefd, maar, hoewel aangeraakt door wat er zich buiten de dichter afspeelt, ze worden ook genegeerd. Ze hoeven niet zo nodig meer. Het leven heeft zich meer verinnerlijkt. Ik denk dat ik daarmee de kern van deze bundel heb weergegeven. Het leven van de dichter heeft zich van buiten naar binnen gekeerd, en daarmee eigenlijk verhevigd. En daarmee wordt ook het probleem zichtbaar dat de dichter niet altijd meester is:

     Het gaat om gewicht 3

     dat ik niet licht zou kunnen lachen
     is dus onwaar maar bespaar me
     ten eeuwigen dage de gruwel

     van de fun en de hits want alles
     van waarde is niet alleen weerloos
     maar heeft ook zijn noodzakelijk gewicht

     zo kan ik dus niet anders dan blijven
     luisteren, kijken en zoeken naar zwaarte
     die er desondanks in slaagt zich majestueus

     en onverklaarbaar boven deze aarde te verheffen
     want dit weet ik wel zeker: geen echte lichtheid
     geen glimpen van vreugde of schoonheid

     worden ooit zichtbaar zonder dit knagend
     en voortdurend besef dat zwaartekracht
     aan het eind toch geen genade kent


Het eerste gedicht van de reeks ging over de ervaringen van een kind met zijn speelgoed:

     (..)
     zelfs een speelgoedboot moest kunnen zinken
     een locomotief door zijn eigen zwaarte ontsporen
     een vliegtuigje geloofwaardig in het gras te pletter storten
     (..)

Het tweede ging over de Airbus 380:

     (..)
     onder twee dunne, verontrustend
     doorbuigende vleugels
     in de lucht

Het probleem waar ik op doelde, is, in dit geval, dat het idee van noodzakelijke zwaarte, het wint van de poëzie. Ik begrijp wat de dichter bedoelt, ik ben het zelfs met hem eens, maar verder word ik niet geraakt. De gedichten zijn kundig geschreven, met enige reactionaire humor zelfs, maar teveel bedacht. Het valt ook niet mee om je aan zo’n sterk idee te onttrekken, en ervan uit te durven gaan dat de zwaartekracht, ook in de poëzie vanzelf zijn tol eist. Hoe dat in de poëzie werkt, kreeg ik op de mooiste manier gedemonstreerd door Jehuda Amichai die in een gedicht over de concentratiekampen een aantal keren de zin terug liet komen: ‘achter dit alles is een grote vreugde verborgen‘.

Tritsmans schreef:

     AUGUSTUS 1945

     op het ogenblik dat iedereen al wist
     wat in Auschwitz en Dachau was gebeurd
     nam iemand in de VS dus de beslissing

     om een atoombom te gooien op een middel-
     grote stad en dat was zo’n succes (meer dan
     75.000 onschuldige slachtoffers in minder

     dan één seconde) dat waarschijnlijk diezelfde
     iemand een paar dagen later, nog in volle
     euforie, besliste om dit dan nog maar eens

     over te doen maar het bleef ook wel ludiek
     (..)

Het is cynisme en de woede lijkt oprecht. Maar poëzie wil het niet worden; het gedicht is eendimensionaal. Het geeft zelfs de innerlijke werkelijkheid van Tritsmans niet weer. Het is ook wat al te gemakkelijk om je zonder soortgelijke verantwoordelijkheid boven anderen te verheffen. En op de hier weergegeven ‘feiten’ valt wel het één en ander af te dingen. De beslissing om de bom te gooien werd niet genomen door één man, en het blijft de vraag of de verantwoordelijken euforisch waren. Tritsmans legt de hele verantwoordelijkheid voor tienduizenden doden neer bij een Amerikaan die, als iedereen, al wist wat er in de concentratiekampen gebeurd was. De soldaten die als eerste werden geconfronteerd met het onvoorstelbare leed van de concentratiekampen waren zo geschokt, dat het alles wat ze al hadden meegemaakt naar de achtergrond drong. Kan een buitenstaander het zich voorstellen? Ik denk van niet. Evenmin als je je 75.000 doden kunt voorstellen, die door jouw toedoen zijn omgekomen. Ze hebben geen gezicht. Feitelijk bestaan ze niet voor je. De werkelijkheid is onaangenaam complex.

Ik denk dat we in Marc Tritsmans zijn poëzie een gevoelig, meevoelend, oprecht levend mens ontmoeten, die zichzelf verplicht heeft om de waarheid te vertellen, maar tevens soms moeilijk loskomt van zichzelf. Het is alsof hij probeert om de boom die hij oproept vooral op zijn boom te laten lijken, terwijl dat natuurlijk een onmogelijkheid is.

     Onder de linde

     ik weet niet wat me overkomt
     maar onder de linde sta ik stil
     wil mijn lijf niet verder
     ik word geroepen maar door wie

     en dan pas hoor ik dat ik niet
     alleen ben hier: een monotoon
     diep zoemen en brommen hangt
     als een levende zuil boven mijn hoofd

     de geur van lindebloesem heeft ons
     allen gelokt maar terwijl ik hulpeloos
     en onbegrijpend sta te dralen weten duizenden
     bijen feilloos wat er van hen wordt verwacht

Hier geen antwoord, maar bewustzijn van gemis. Hoe geef je je leven zin?
We weten het niet. Als het leven zin heeft, dan kan het alleen de zin zijn die je er zelf aan geeft, in religieus opzicht of anders. Toegespitst op de poëzie van Marc Tritsmans zou je kunnen zeggen dat zij lijdt onder zijn behoefte om zinvol te zijn; ze moet betekenis hebben, ervaringen overbrengen, een raakvlak zijn waar iemand iets aan heeft. Helaas. Wil poëzie werkelijk kunnen raken dan moet ze zo gelogen zijn, dat de lezer kan geloven in wat ze oproept. Het is de enige manier waarop een dichter een nieuwe werkelijkheid kan implanteren, de manier waarop de werkelijkheid van de lezer met zijn andere werkelijkheid wordt verrijkt.

***
Marc Tritsmans (1959) publiceerde eerder tien dichtbundels, waarvan er zes in Meander besproken werden. Voor Studie van de schaduw (2010) won hij in de vijfde Herman de Coninckprijs voor de Beste Dichtbundel. Het gedicht ‘Uitgesproken’ daaruit kreeg de Publieksprijs voor het Beste Gedicht.
 

Recensie van De stilte van de wereld na ons - Marc Tritsmans

De wereld na Marc Tritsmans

Marc Tritsmans
De stilte van de wereld na ons
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2012
ISBN 9789046813997
€ 19,95
128 blz.

De stilte van de wereld na ons van Marc Tritsmans bestaat uit vijf afdelingen met in totaal 41 gedichten. Daarnaast bevat hij een bloemlezing uit de poëzie van 1992-2004. Een opmerkelijk samenstel. Ik kan niet achterhalen waarom Tritsmans ervoor gekozen heeft oud en nieuw werk op deze wijze te combineren. Ongeduld van de uitgever? Mimetische begeerte? De drang om zich als dichter wat nadrukkelijker te positioneren tegenover de collega-dichters die ook met hun bundelingen op de markt komen? Ik had het zuiverder gevonden enkel een bundel met nieuw werk voor me te zien. Om de lezer overzicht te bieden, zet dan het oude werk voorop en laat het nieuwe werk volgen. Als je dan een ontwikkeling door de tijd heen wil laten zien, kies dan voor de chronologie van ontstaan. Ik beperk mij dan ook tot de nieuwe gedichten.

De eerste afdeling ‘Iemand vraagt’ me om gedichten, om te komen, om te praten, om te blijven, om weg te gaan, om te zwijgen. De naaste omgeving doet een beroep op je van jongs af aan. Het openingsgedicht vertolkt de doodsbange gedachte van de ik, de dichter, die zijn omgang probeert te zoeken met de ‘aandacht zoekende ettertjes’. Uiteindelijk verjaagt hij ze moegetergd:

maar zelfs dan trekken ze aan het
langste eind want blijkt je naam als
wraak onder een onaffe tekst te staan

De dichter als slachtoffer van zijn eigen gedrevenheid de woorden onder de knie te krijgen. Een verzoek van leesgroepen van oudere lieve dames voor hen te komen optreden wijst hij af. De dichter vreest zijn geduld op deze gezapige avonden te zullen verliezen. De oude vader vraagt hem terug mee te gaan zijn herinneringen. Een gevaarlijk overbekend landschap waar je vanwege je bekendheid ermee verrast kan worden door onvoorziene prikkels. Kan het maar zo zijn, dat een mens al zijn strevingen, frustraties en tekortkomingen achter zich kon laten. Letterlijk tussen haken zetten, wegstrepen, uitwissen. De ik is iemand die hinder heeft van zichzelf, levend in zijn eigen gevangenis:

waarin je altijd
met diezelfde gammele werktuigen op dezelfde manier

moet denken en schrijven zonder kans op vervroegde
invrijheidstelling,

De tweede afdeling ‘Gaandeweg’ met de kleine kind dat zijn eerste woordjes uitsist en dan ontvouwt zich een persoon in en aan je, waarover je weinig zeggingsschap meer hebt:

het

gebeurt op een onbewaakt en onbewaakbaar
ogenblik maar dan is er al gene weg meer
terug en moet je het voortaan levenslang
doen met het geel van voorjaar en Van Gogh

[…]

of waarom je blind blijft voor blond en tot het
eind zal vallen voor brunettes liefst mooi afgerond

Wat vrije wil, zo denkt de dichter, wij voltrekken ons aan onszelf. Onderweg blijkt onze vrijheid beknot te zijn. ‘A la recherche du temps perdu’ kan beginnen:

het begon met het verwonderd kijken
naar het gaan en komen van de dagen
de voortgang van de zon, het volgen
van haar schaduw over de aarde: te weten

wanneer te slapen te jagen te eten maar
menselijke honger naar houvast dwong
Ons om het ongrijpbare te meten,

De ik voelt de aandrang in zich sterker worden over de grenzen van het mogelijke heen te gaan, maar van dat avontuur is het resultaat voorspelbaar:

geen ambitie meer over en helaas
past ons na deze eeuwenlange queeste alleen

nog meer bescheidenheid want nog steeds
heeft het weefsel van tijd al zijn geheimen
weten te bewaren, is het uur van niemands
dood ook maar met één ademtocht uitgesteld

Toch openbaren inzichten zich als bermbommen. Plotseling: ‘één ogenblik staat/ de hele wereld bij je binnen in verblindend licht’.

De derde afdeling ‘Iets van gewicht’ vervolgt de tocht door het leven met een zoektocht naar de bron van de levende waterstroom:

in omgewoelde modder de sporen

van reeën en ever`wijnen die deze
bron al hadden gevonden toen wij
mensen nog moesten worden bedacht

De onrust naar nog weer een andere plek dan het aardse paradijs van de bron drijft ons eeuwig voort ‘omdat diep in/ aarde blijkbaar iets van gewicht begraven ligt’.

De ontwikkeling loopt van afdeling naar afdeling door zonder dat leestekens barrières kunnen opwerpen. In één gulzige beweging van begeerte naar het vredeschenkende paradijs van geluidloze stilte verloopt de tocht. Wat een gedrevenheid bezielt de mens! Daarvoor moeten we blijkbaar de dood bereiken. Een leefplek in de sneeuw zal verlaten dienen te worden. Anderen zullen er hun heil vinden. Niets is blijvend. Dat voelt onrustmakend. Ook het leven dat eerder in een leefplek geleefd is, laat zich terugvinden:

want sneeuw heeft een onfeilbaar geheugen
is zacht en meegaand om zelfs
van tijd een afdruk te maken

betrapt al wie dacht in het donker onvindbaar
te blijven zoals elk woord verraadt dat
iemand het neergeschreven heeft

Op zijn tocht door de taal voelt de dichter zich zo nu en dan niet thuis in de gevangenschap van het huis dat we taal noemen. Dan is er de bevrijdende werking van de muziek in een klein Romaans kerkje. De klanken wentelen zich rond in de hemelse gewelven:

je loopt blindelings en onvermoed

in de hinderlaag van het toeval
en wordt door pure schoonheid
aangeraakt, gegijzeld, fijngemalen

De vierde afdeling ‘De schaal van Richter’ staat in het teken van de verbindingen met de aarde, de anderen en jezelf. De verbinding kan verbroken worden, verloren gaan. Domweg een schop op een verkeerde plaats in de grond geeft kabelbreuk, het verlies van de beheersing over eigen motoriek verontrust, de levenswil kan ineens verloren gaan. De ambitie om in leven te blijven kan wegvloeien. Desoriëntatie is ons deel geworden in het gedicht ‘Stelsel van vergelijkingen’:

ooit kon mijn vader toch nog alles
aan, vond hij ook zonder ons de weg
terug, moesten onze kinderen gewoon

bij de schoolpoort worden opgehaald
en dan was iedereen weer veilig
thuis: de wereld had nog snijpunten

maar intussen lijkt het aantal dimensies
toegenomen, is de controle ons ontglipt
strijken kinderen willekeurig neer

in Helsinki, Mumbaï of Tadzjikistan
weet ook mijn vader nauwelijks nog
waar hij is, laat staan waar hij naartoe

moet en zijn wij dus onaangekondigd
verdwaald in dit stelsel van vergelijkingen
waarvoor geen oplossing meer bestaat

Wat eerst een redder was, blijkt nu een aankondiger van onheil te zijn geworden: de schaal van Richter. Op het strand van Omaha Beach weet de ik zich samen met zijn kinderen omringd door in steen gebeitelde jongens die daar hun laatste dag beleefden. Hoezeer bevindt leed en vreugde zich naast elkaar op een plek waar op een warme zomerdag gezwommen kan worden. Een stilte van een wereld na hen. Een wenkend perspectief.

Op tal van momenten spreekt de ik de wens uit aan de tijd en zichzelf te willen ontsnappen:

Hoogtevrees
III

Soms raak je op het hoogste punt
En is er dus geen verlangen meer
Behalve geen mens meer
Te zijn maar nog enkel
Een lege plek in de vorm
Van een mens en zo
Dan te mogen blijven
Zonder ik voor altijd
Alleen maar
Een hier
En een
nu

De vijfde afdeling ‘De stilte van de wereld na ons’ staat wederom de mens op die de wereld en de mensen in het kerslijf van een tabel wenst op te sluiten. Bij God over de schouder meekijken. De dichter kijkt als een celbioloog naar ons mensen. Ontnuchterend te weten dat al ons schrijven en denken te wijten is ‘aan het passeren van banale elementen/ over synapsen of doorheen celmembramen’.

Uit alle gedichten van deze afdeling spreekt het machteloze besef dat we aan krachten zijn blootgesteld in en buiten onszelf die onze denken te boven gaan. De ik blijft verstrikt in de paradox:

natuurlijk is er dat eeuwig verlangen naar rust
maar geest is evenmin bestand tegen het niets
altijd moet iets voor onze ogen in beweging zijn

[…]

en laat ons maar vervloeken de tijd omdat die ons
ten slotte machteloos achterlaat maar krankzinnig
zouden we worden als hij plotseling zou verdampen

niets zou immers nog kunnen gebeuren of alles
op hetzelfde ogenblik: als in de dood zouden wij
gevangen zitten zonder enige hoop op eindigheid

Overal om ons heen is geluid, maar stel je het ogenblik voor waarop het geluid in en buiten ons ineens verdwenen zou zijn: ‘als wij allemaal samen/ oorverdovend zouden horen/ de stilte van de wereld na ons//’. De dood, de oneindigheid in het leven nabootsen lijkt de dichter onder woorden te willen brengen om zijn onrust, binnen en buiten hem, te bezweren. Knappe bundel vanwege het weidse spectrum, de taalbeheersing en het bijdetijdse levensgevoel.

***
Marc Tritsmans (1959) publiceert met De stilte van de wereld na ons zijn tiende bundel. Eerder verschenen De wetten van de zwaartekracht (1992), Onder bomen (1994), Oog van de tijd (1997), Van aarde (1999), Sterk water (2000), Kritische massa (2002), Warmteleer (2004), Man in het landschap (2008)  en Studie van de schaduw (2010).
November 2008 werd hij voor Meander geïnterviewd.
Het gedicht ‘Vermeer’ uit de bundel Van aarde werd als Klassieker besproken.

Recensie van Studie van de schaduw - Marc Tritsmans

De schaduwen van Marc Tritsmans

Marc Tritsmans
Studie van de schaduw
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2010
ISBN 978904680889
€ 14,90
68 blz.

Het woord ‘schaduw’ roept een menigte aan betekenissen op. Een ruimte waar het licht niet in kan doordringen; een donkere vorm waarin zich door het onderscheppen van lichtstralen een donkere vorm aftekent; een plaats die beschutting geeft tegen het felle licht; een gedaante die slechts vaag valt waar te nemen en een voorspiegeling of een bedreiging die van iets in de toekomst uitgaat. Ik zou nog een stapje verder willen reiken. Mij lijkt de psychologische betekenis van dit belangrijke woord uit de titel nog meer perspectief te bieden aan wat Marc Tritsmans ons in zijn nieuwe bundel Studie van de schaduw (2010) wellicht onbedoeld heeft willen aanreiken.

De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung heeft zich zijn leven lang intensief met zijn eigen droomwereld en die van zijn cliënten beziggehouden. Dat heeft hem veel inzicht verschaft in zijn eigen onbewuste beweegredenen en die van de mensheid. De vluchtig getoonde gestalte in veel dromen is de man in het zwart die hij aanduidt met het begrip ‘schaduw’. Jung heeft erop gewezen, dat de schaduw de verdrongen en ongunstige (of slechte) aspecten van zijn persoonlijkheid bevat. Zij zijn niet alleen het tegenovergestelde van het bewuste ik. Ze bezitten ook positieve kwaliteiten, zoals normale instincten en creatieve impulsen. In feite zijn het bewuste ik en zijn schaduw onlosmakelijk met elkaar verweven. Er ligt voor ieder mens de opdracht in zijn leven de duisternis zonder vooroordeel en volkomen naïef tegemoet te treden en te proberen uit te vinden, wat haar geheime doel is en wat ze van je verlangt. De vraag is nu in hoeverre Tritsmans in zijn studie van de schaduw daarvan aan zijn lezers laat zien.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen. De eerste afdeling ‘Dagzomend’ begint met het gedicht ‘Fiat lux':


Fiat lux

kijk dan hoe ze ongebroken opstaan
bevrijd uit het verstikkend graf
van dit zopas nog gesloten boek

hoe de kracht van je ogen hun
de adem inblaast, hun hart snel en
ongetwijfeld overmoedig doet slaan

luister naar het hunkerende altijd
weer nieuwe begin van dit lied
nu het levend lezend licht hier

zo warm is komen binnenstromen
ergens recht een schrijver
als herboren de rug.

Een schrijver herrijst. De woorden komen tot leven. Ze treden uit de schaduw van hun onbewust bestaan. Woorden als schaduwen van de dichter. Nimmer aflatend bewust of onbewust aanwezig. Deze eerste afdeling staat in het teken van de wording van het gedicht. Dat hij ooit zal ‘leren dit leven te/ vlug af te zijn zoals Lucky Luke/ sneller schietend dan mijn// schaduw met woorden die/ glashelder en zo vlijmscherp/ dagzomen/’. De macht over de woorden wenst de dichter zichzelf toe. Wat hem bezig houdt, is dat het weerloze niet wordt vertrapt.
In de cyclus ‘Uit de berg’ schetst hij hoe het beeld in het marmer tot een uitgehouwen beeld wordt. Het ‘vluchtend silhouet’ van Daphne die door Apollo in een bloeiende struik verandert. Dit beroemde beeld van Bernini in de Galleria Borghese staat hier symbool voor het wordingsproces. Als iets dat al maanden ‘broeide en zeurde onbereikbaar/ onbenaderbaar in zijn hoofd/’. De ‘droom van het puurste/ marmer en warmer/ dan elke werkelijkheid//’. De dichter ondergaat hier de metamorfose van beeld naar woord.
Tritsmans weet met snelheid in bondige formuleringen innerlijke gewaarwordingen neer te zetten. Naarmate ik de bundel verder doorlees, groeit mijn bewondering voor zijn zeggingskracht. Ferme slagen, trefzekere woorden, rake beelden.

Wat behoort dan zoal tot zijn schaduw? Was er al dat eerste gedicht ‘Fiat lux’, in de loop van de tweede tot de vijfde afdeling geeft Tritsmans daarover zo nu en dan nader inzicht. In de tweede afdeling ‘Critius, altius, fortius, amen’ blijft hij net als in de eerste afdeling doorgaan met het weglaten van interpunctie en hoofdletters. De gedichten openen zich en sluiten zich zonder dat het aan andere signalen dan de inhoud valt af te lezen. De zon komt op en gaat weer onder. Het houdt nooit op, die stroom van woorden. Alles is er, maar ook weer niet.

Opnieuw is er de vraag of de anonieme ik die geen aanleg heeft ‘voor koetjes en kalfjes’ zich ertoe moet zetten ‘de eigen gebreken en die van de soort’ aan de kaak te stellen. Is de kunst daarvoor wel het geëigende middel? Alles is toch al eerder gezegd. Maar zwijgen is ook geen optie, en zeker te beschouwen als de ‘allerdoodste dood’. De ik voelt zich een ‘man zonder eigenschappen’. Nietszeggend. Inwisselbaar. Wij, Vlamingen, zo lijkt Tritsmans te willen zeggen, hebben niet de lichtvoetigheid, de daadkracht, dat vitale van de Zuid-Europese volkeren. Je kunt aan de condensstrepen in de blauwe lucht de vluchtigheid van ons bestaan aflezen. De dichter vraagt zich af of wij daarvoor kiezen of dat ons dat wordt opgedrongen. Wie bepaalt dat eigenlijk? Vervolgens geeft de fatal error op de computer ‘uitzicht in de leegte in mijzelf/’. In de tussentijd krijgt hij het gevoel dat hij door zichzelf opnieuw moet worden uitgedacht. Al wat je zegt, ben je zelf.
Wie is hij eigenlijk? ‘Ik – maar wie is dat? – moet dus/ geduldig weer worden ingesteld/ afgeregeld, naar de eigen hand/ gezet/’. Op wie stel ik mij in? Wie voeg ik ‘aarzelend aan mijn favorieten toe//’. Een subtiele twijfel over de eigen identiteit en de betekenis van de sociale media als Facebook.
Een hardnekkig schaduwbeeld. Als dan zijn tijd gekomen zou zijn, hoopt de ik dat hij zich niet langer zal verzetten tegen het leven zoals het zich aan hem voltrekt. Daarin ligt zijn moeite. Dat hij zijn bestemming maar vindt, en dat het leven mooi afgerond mag eindigen, zoals een kwartet van Brahms. De strijkmuziek laat ook de moeite horen harmonie te vinden.

In de derde afdeling ‘Alles is er’ zijn de ogen van de ik gericht op de werkelijkheid van alledag. Met die houding beziet Tritsmans de dingen van het leven: ‘het is wat je ziet als het overbodige is/ verdwenen, het is kijken met verloren/ gewaande ogen die zich herinneren/ hoe omzichtig deze breekbare wereld// wel moet worden gezien//’. Aan een ander vraagt hij hem te vertellen waarover het leven gaat. Geef je aan mij bloot. Het aanschouwen van de ringen van Saturnus is voor hem een wonder, zonder zelf ooit gezien te worden. In het gedicht ‘Lente (Revisited)’ wekt de terugkeer van de lente een euforisch gevoel. In een baaierd van geluiden en een stroom van geuren weet de ik zich opgenomen in een wondere werkelijkheid waar hij geen afscheid van wenst te nemen.
Ook het oude beukenbos waarvan de cello gebouwd is waarop de cellosuites van Bach worden gespeeld, maken deel uit van die verwondering: ‘geen mens krijgt hierbij/ ooit nog een zinnig woord over de lippen//’. De muziek komt geregeld in deze bundel aan het woord voorbij. Daarin ligt voor de ik de opperste harmoniesensatie opgeslagen. Een en al verwondering. In de cyclus ‘Watermuziek’ worstelt de jij met haar donkere schaduwkanten: ‘verlos me van/dit kwade’, opdat de jij nog iets van het leven kan blinken in de doodvermoeide loop van het water. De loop van waterstromen lijkt hier metafoor te zijn voor de twee levens die hier in elkaar trachten te vloeien.

In de vierde afdeling ‘Steekt de avondwind op’ staat het titelgedicht ‘Studie van de schaduw’. De dichter gebruikt grote woorden, maar probeert ze telkens weer in een hanteerbaar kader te plaatsen. Hij probeert de grote gevoelens en bewegingen in de werkelijkheid van alledag handen en voeten te geven. Zijn advies aan ons lijkt te zijn: wil niet in de zon kijken om iets te zien, maar zie waar de schaduwen vallen. Hier is schaduw in een positieve zin gebruikt. Spreek over herinneringen aan een kleine hand op een muur, een kindertekening, het kraken van onzichtbare balken en schotten. En luister ernaar. Benut de tijden van harmonie om lief te hebben, te genieten, te schrijven. Als je maar een openbaring vermoedt, ‘een briljante analyse van de wereld/ de heilige graal, mij om het ven// maar levenslang laat het ons/ verlangend en verongelijkt in/ aarzelende schemering achter//’. Spaar ergens een plek in de luwte. Onafwendbaar doet de tijd zijn werk. Er voltrekt zich in eenieder een metamorfose tot de grote verdwijntruc wordt uitgevoerd. Aan het duister valt het licht af te lezen.

Tritsmans is zich voluit bewust van de vergankelijkheid van dit leven. Met zijn dichterschap probeert hij zich te weer te stellen tegen de moeite die het bestaan hem geeft. Wie ben ik? Waarom ben ik hier? Waarnaar ben ik op weg? Twijfel, scepsis, maar ook momenten van hoop, het zoeken naar de heilige graal, telkens opnieuw weer. Er zit vaart in zijn gedichten. Ze intrigeren. Hoewel het allemaal al eens gezegd is, weet Tritsmans je mee te nemen in zijn existentiële excursies. Van ‘Dagzomend’ tot ‘Ben je niet meer’: het begin als het einde. Een open bundel. De muziek komt op en verdwijnt weer. De woorden uit de pen van Tritsmans vormen zich op papier tot poëzie en vallen weer uiteen. De kunstenaar moet doen wat zijn hand vindt. Zoals de poëzie komt, zo verdwijnt ze weer. Als een schaduw.

Schieles hand

alleen zijn snelle hand wist waarheen
het zou gaan, zich elk blad zonder aarzeling
toe-eigenend met forse halen onderwerpend
brandmerkend het echte leven daar vlakbij

dat met de blozende wangen kloppende
aderen in de diepste plooien en kieren
het gulzig en mateloos leegzuigend
dan snel terzijde schuivend zodat het

nog warm nog ademend na dit moment
te minste op papier zou blijven verder bestaan
want niet hij maar zijn hand had weet
van de tijd en wat nog moest worden gedaan.
 
Recensie van Man in het landschap - Marc Tritsmans

Een vlucht van woorden

Marc Tritsmans
Man in het landschap
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2008
ISBN 9789046804988
€ 14,90
64 blz.
‘Kijk maar, er staat niet wat er staat’, schrijft de dichter Martinus Nijhoff ergens in zijn grote gedicht ‘Awater’. Dit motto zou ik bij al mijn recensies wel willen gebruiken. Bij poëzie mag je verwachten dat er iets anders staat dan wat er staat, of eigenlijk: dat er meer staat dan er staat. En wat mag je nog meer van poëzie verwachten? Ja, er is nog iets wat volgens mij iedere dichter goed moet kunnen: denken.

Het is niet direct bij iedereen een populaire eigenschap, dat denken. Het wordt soms zelfs als iets droogs, iets saais afgeschilderd: iets wat de inspiratie schaadt, want gaat het in de eerste plaats bij dichten niet om inspiratie? Natuurlijk, ik geef het grif toe, inspiratie is belangrijk, maar ik herhaal: het is minstens even belangrijk dat een dichter goed kan denken en een (traceerbare) logische gedachtegang in zijn poëzie hanteert:

STUITLIGGING

Het moment gekomen leek het mij
verstandig met de voeten eerst.
Wie waagt het immers hals over
kop het kille onbekende in te duiken.

Maar door dit kiezen voor een eerste
zekerheid helaas voorgoed met beide
benen in geboortegrond geheid. Elke
ontsnapping dient voortaan met list

en snode plannen voorbereid. Want houdt
de dam het, blijft de kerk in het midden,
is het touw sterk genoeg, vind ik de weg
naar huis terug? Is het elders echt beter?
 


Dit gedicht komt uit de bundel Man in het landschap, van Marc Tritsmans. Het beantwoordt naar mijn mening aan geen van beide bovengenoemde criteria. Kijk maar, er staat gewoon wat er staat. En dat is nog tot daaraantoe. Van mij mag een dichter best wel af en toe proza schrijven, bijvoorbeeld als de inspiratie even op vakantie is. Maar onvergeeflijk is een onlogische gedachtegang: hoezo moet hier elke ontsnapping voortaan met ‘snode plannen’ worden voorbereid? Snood betekent volgens mij zoiets als ‘slecht’ en dat kan hier – voor zover ik zie – alleen op de kwaliteit van het gedicht betrekking hebben. Na zoiets begin je als lezer te twijfelen. Dan is het inderdaad maar hopen dat het ‘elders echt beter’ is:

DIALYSE

Wens je naar een zomer, droom je
op een afgelegen strand. Maar je bent
enkel hier waar je bloed als een warm
dier schichtig je lichaam verlaat. Onnodig

schreeuwerig rood langs meterslange
plastic slangen door de kamer sluipt.
Verlies ik mezelf of verover ik slinks
wat meer van de wereld, is er twijfel

hoe ver het kan gaan voordat iets knapt?
Maar dat het zich mij alsnog herinnert.
Hunkerend en herboren haasten cellen
zich huiswaarts. Het tocht in mijn hoofd.
 

Dit is wel een beter gedicht. Het levert in elk geval een indringend beeld op van iemand die met plastic slangen wat meer van de wereld verovert. Maar wat heeft de dichter met ‘slinks’ en ‘snood’ en ‘sluipt’ en dat soort woorden? Hij lijkt zich bijna voor zijn eigen bestaan te willen verontschuldigen. Wanneer iemand op een ruwe manier tegen mij aanbotst in de supermarkt heb ik ook weleens de neiging om ‘sorry dat ik besta’ te zeggen. Maar dit gaat toch wel wat dieper. Dit lijkt me – althans op papier – het resultaat van een tamelijk defensieve basishouding.

Inhoudelijk zijn er ook bij dit gedicht een aantal vraagtekens te plaatsen: ‘Onnodig schreeuwerig rood (…) sluipt.’ Hoezo onnodig schreeuwerig? Is hier sprake van projectie? Wordt een gerationaliseerde angst – die natuurlijk verstandelijk gesproken ‘onnodig’ is – geprojecteerd op het bloedrood dat in plaats van de ik-persoon schreeuwt? Mogelijk. Maar die angst voel ik als lezer niet echt, omdat het allemaal wel erg gekunsteld is opgeschreven en al helemaal in combinatie met dat ‘sluipt’. Het kan ook wel dat de dichter gewoon bedoelt wat er staat. Maar is het dan nodig dat ‘onnodig’ op te schrijven? Voor ‘hunkerende cellen’ kan ik het verhaal herhalen, zonder dat ze ooit letterlijk ‘herboren’ worden. Trouwens, wat is er oneerlijk (slinks) aan om met plastic slangen wat meer van de wereld te veroveren? Het is allemaal op het randje en niet zoals de dichter het bedoelt:

OP DE RAND

Bijna had ik niet meer de
tijd maar had de tijd mij
uitgewist. Teruggekeerd
vanwaar ik ben geweest

bestaat de wereld nog
alleen uit breekbaarheid
en aarzeling. Zo gaat dit
wekenlange bange kijken

naar de blauwe lucht, de
bomen, naar jou, in de zon.
Als namen mijn ogen hiermee
een onaanvaardbaar risico.
 

De eerste regels zetten me aan het denken (vooral over het woordje ‘maar’, dat veranderde voor mijn ogen spontaan even in ‘en’). Maar dat is goed (is dat goed?). De lezer leze, terwijl ik nog even verder nadenk, het volgende:

VOORUITZICHT

Hoe plezierig is het niet om iets
in het vooruitzicht te hebben, een
veldje met pas begonnen bloemen, of
een berg die naar behoren de lucht
in steekt. Het is alsof de wereld met
zulke gunstbewijzen aan het tijdelijke
zich verontschuldigt voor het wrede
dat haar eigen is. Want meestal
zien we weinig, is het donker, nacht.
Er is zeker durf, en zelfs wel moed,
voor nodig om het veldje in te lopen
of de berg te beklimmen, wetend dat
ze daarmee voorgoed voorbij zullen zijn.
 


Het laatste gedicht is van Ton van Deel, en het komt uit zijn bundel Nu het nog licht is, uitgegeven in 1998 bij Querido. Ik bedacht me opeens hoe dicht deze gedichten, die toch zo ver in tijd uit elkaar liggen, elkaar naderen. Het is haast alsof – wat de inhoud betreft –het ene gedicht in het verlengde van het andere ligt. Maar de verschillen zijn daarnaast ook groot. Het valt in dit verband vooral op dat van Deels gedicht veel solider overkomt. Daarin is werkelijk geen spoor van een onlogische gedachtegang te vinden. Bij hem was ik er waarschijnlijk niet eens opgekomen om over logica in de poëzie te beginnen. Vergeleken met zijn gedicht heeft dat van Tritsmans iets triviaals, iets gammels. In de laatste regel bijvoorbeeld, is het woord ‘onaanvaardbaar’ zelf nog het meest onaanvaardbaar. En dit craquelégevoel krijgt men vaker bij Tritsmans, die vermoedelijk regelmatig op twee verschillende gedachten hinkt terwijl hij schrijft. Soms mist hij de flexibiliteit om zijn gedachten in één vorm bij elkaar te houden. De onderwoordse stroom die alles in een gedicht verbindt, kan het dan natuurlijk af laten weten. Aarzelend, niet-kiezend (bang ook wellicht als dichter dat een te eenduidige gedachtegang zal maken dat hij proza schrijft) lijkt Tritsmans bijna voorbestemd om een wereld te scheppen die ‘bestaat uit breekbaarheid’.

Een dichter moet flexibel zijn wil hij de stroom, die woorden op gang brengen, kunnen blijven volgen en tot een goed einde brengen: terughoudendheid en doortastendheid slaan al te gemakkelijk over in angst en overmoed; Skylla en Charybdis liggen voortdurend op de loer.

Is het Marc Tritsmans als Man in het landschap dan helemaal niet gelukt om deze gevaren te ontwijken? Toch wel. Soms vindt hij tussen angst en overmoed een iets subtielere wereld dan gewoonlijk, een wereld die het breekbare als een natuurlijk element in zich herbergt:

WOORDEN

Wij hadden een gesprek
jij en ik op de bergflank
en ik kon het niet helpen

te zien hoe onze woorden
als wolkjes waterdamp
omzichtig, als om niets

te verstoren, door een
zacht briesje werden
ontvoerd naar de overkant

van het dal om daar als
sneeuwkristallen neer
te slaan voor eeuwig en

voor niets. Een geheime
opname die nooit meer
kan worden beluisterd.
 

Hier is de reis, die de dichter in veel gedichten (hoe aarzelend ook) voor ogen lijkt te staan – in een vlucht van woorden – dan eindelijk gelukt. Kijk maar, er staat niet wat er staat. Ergens aan de overkant van een dal komen de woorden aan. Welke overkant? Wie weet waar woorden aankomen! Misschien wel bij een lezer.