Recensie van De zwarte trilogie - Emile Verhaeren

Symbolisme aan de Schelde

Emile Verhaeren
Vertaler: Stefaan van den Bremt
De zwarte trilogie
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339324
€ 21
89 blz.

De Frans schrijvende Vlaming Emile Verhaeren werd geboren in 1855 in Sint-Amand aan de Schelde, vlakbij Antwerpen. Hij studeerde weliswaar in Leuven, maar zijn Franstalige opvoeding bracht hem naar Parijs, waar hij contacten had met veel schilders en schrijvers. Hij overleed in 1917 in Rouen. Hij moet een inspirerend man geweest zijn, die zijn werken liet illustreren door George Minne, Theo van Rijsselberghe en Odilon Redon. Hij liet zich onderdompelen in de sfeer van het fin-de-siècle, de decadentie, het doods- en lijdensverlangen en de zelfkwelling, zoals onder andere door Baudelaire was uitgedragen. Ook voelde hij zich thuis bij het symbolisme van Verlaine. Zijn poëzie is soms somber en hermetisch.
Veel Frans schrijvende Vlamingen schreven en leefden weliswaar in het Frans maar hielden van het soms sombere Vlaamse land. Ondanks zijn roem in Parijs, heeft Verhaeren nooit Vlaanderen verloochend. Zijn eerste gedichten verschenen onder de naam Les Flamandes. Diegene die gevoelig is voor de nuances van de Franse taal, herkent soms in de woordkeus en beschrijvingen van Verhaeren de donkerte van Permeke en de harde figuren van het Vlaamse expressionisme. Verhaeren is niet de enige die zijn Vlaamse land soms overdreven verheerlijkt (een oude Franse literatuurgeschiedenis zegt ’il exalte la terre natale’), ook de chansons van Frans-Vlaming Jacques Brel zijn ondenkbaar zonder zijn liefde voor ‘le plat pays’; het kan bijna geen toeval zijn dat hij een chanson schreef en zong dat ‘Les Flamandes’ heet.
Tussen 1888 en 1891 schrijft Verhaeren De zwarte trilogie die bestaat uit: Les Soirs, Les Débâcles en Les Flambeaux noirs (Avonden, Aftochten, Zwarte fakkels), waarin met name de filosofie van Schopenhauer en de poëtica van Baudelaire gevolgd worden over het lijden ‘dat net zo goed als het ascetisme, een weg was naar zelfkennis’ (citaat uit het nawoord van de hier besproken uitgave door em. prof. dr. Christian Berg).
Ik vermoed dat er niet veel lezers in Nederland zijn die nog gevoel hebben voor deze loodzware symboliek, hoe dat in Vlaanderen ligt weet ik niet. Nog onlangs viel mij op, toen ik de biografie van Vasalis las, dat Victor van Vriesland en zij gedichten in feilloos Frans uitwisselden, zoals het nu waarschijnlijk in het Engels gebeurt. Ik vind het jammer, dat wij zicht op de Franse cultuur verloren lijken te hebben. Gelukkig zijn er de ijverige en veel producerende uitgeverij P uit Leuven en Stefaan van den Bremt, die Verhaeren onder de aandacht blijven brengen. Van den Bremt is al aan zijn derde vertaling van Verhaeren bezig na Les Heures claires (De heldere uren) en Les Villages illusoires (Dorpen van zinsbedrog). De huidige uitgave lijkt een kroon op het werk. Ik vind deze vertalingen, waarnaast de oorspronkelijke Franse tekst klein is afgedrukt, een belangrijke culturele daad. Nog afgezien van de literaire, herscheppende kwaliteiten van de vertaler, is het een belangrijk feit dat we in het Nederlands kennis kunnen nemen van een stroming als het symbolisme, die ondanks Verwey, Leopold, Boutens en Van Eijk niet die grote bloei lijkt te hebben doorgemaakt in de Nederlandse literatuur als in de Franse. Ook voor de Nederlandse beeldende kunst uit het begin van de 20ste eeuw is Verhaeren van belang. Met name een schilder als Jan Toorop werd door hem geïnspireerd.
Over het proces van vertalen heb ik al eerder geschreven. Er is een inhoud die wel te begrijpen is als je de taal spreekt. Het belangrijkst is echter de vorm te vinden: de lengte van de regels, het ritme, de accenten, de muzikaliteit van het vers, de plaatsing van de woorden in de zin, het rijm, de enjambementen. Stefaan van den Bremt verdient voor dit monnikenwerk een groot compliment, al ervaar ik soms een beetje rijmdwang, maar dat is met deze veelheid aan sombere, symbolistische poëzie bijna niet te vermijden als je als vertaler getrouw de vorm wilt volgen. Als voorbeeld de laatste strofe van het gedicht ‘Sous les porches’ (‘Onder kerkportalen’), waarbij de vertaling van ‘cerveaux’ als ‘bovenkamer’ een beetje moeizaam is.

On entendait les lourds et tragiques marteaux
Heurter, comme des blocs, les bourdons taciturnes
Et les coups, s’abattaient, les douze coups nocturnes,
    Avec l’éternité, sur nos cerveaux.

Van den Bremt vertaalt deze strofe als volgt:

Men hoorde alleen een zwaar, tragisch gehamer
Met mokerslagen op zwijgzame klokken slaan;
En uit hun slaap zijn twaalf slagen opgestaan
    In eeuwigheid in onze bovenkamer.

Maar er zijn andere prachtige voorbeelden: het gedicht ‘Départ’ (pag.62) kent een aantal klanknabootsingen die de somberheid benadrukken en die Van den Bremt prachtig weergeeft.

DÉPART

La mer choque ses block de flots contre les rocs
Et les granits du quai, la mer démente,
Tonnante et gémissante, en la tourmente
De ses houles montantes.

De assonanties op de -o- in de eerste regel, de prachtige tweede regel, de onvoltooide deelwoorden in de 3e regel, die zo mooi combineren, zijn als volgt vertaald:

AFVAART

De zee botst met geklots en brekers op de rots
En het graniet van kaden, zinneloos, de zee
Die buldert, beukt en kreunt in het noodweer
Met dolle deining op en neer.

Het is geen letterlijke vertaling, maar een vertaling van een dichter. De lezer mag uitmaken wat beter is.
Wat erg mooi is in deze fraai verzorgde uitgave is dat de oorspronkelijke illustraties van Odilon Redon zijn opgenomen. Bovendien is er een zeer verhelderend nawoord van dr. Christian Berg, die op een heldere en beknopte manier ingaat op de trilogie en deze in de literatuur plaatst. Alles bij elkaar: een belangrijke bundel voor diegenen die kennis willen nemen van een meester die in kleuren van een Vlaams expressionist Franse poëzie schrijft. Ik ben niet ingegaan op de vertaling van meerdere Franse gedichten, ik ben geen gallicist (of Romaans filoloog, zoals dat in Leuven heette) maar Frans is mijn favoriete buitenlandse taal die ik nog goed heb leren spreken en schrijven. Jammer, dat Verhaeren slechts op zijn lagere school iets met Nederlands gedaan heeft, anders hadden we een symbolist van wereldklasse in onze Nederlandse literatuur gehad.

***
Stefaan van den Bremt (1941) is dichter, essayist en vertaler. Hij debuteerde als Stevi Braam met zijn dichtbundel Sextant. Hij schreef in het ts. ‘Kreatief’ en kreeg voor zijn gehele oeuvre, waaronder de vertalingen van Verhaeren, de Louis Paul Boonprijs. Zie ook de recensie op Meander van Dorpen van zinsbedrog, Van den Bremts vertaling van Les villages illusoires.

Poëzie Kort 2016 / 7

Frederik Lucien De Laere, In uiterste staat

Door Lennert Ras

In uiterste staat is een bombastische bundel met grote woorden, en een christelijk sausje – er wordt nog naar Maria Magdalena verwezen –. Ook de holocaust speelt een rol. De bundel is een beetje bitsig. Het grote aantal vreemde woorden, vooral Engels, die als een duveltje uit een doosje op poppen en de technocratische termen in de bundel wekken bij mij irritatie op.

Veel regels zijn liefdeloos. Zoals in het gedicht ‘Stunten’: ‘met het innerlijk van een robot.’ En ik lees ook in ‘Blues’: ‘Er is een tot bloedens toe getokkel / en een intonatie van pijn / bij gratie van het verheerlijkt verleden.’ Ik kan me er weinig bij voorstellen.

Er is wel een enkele aardige vondst in de bundel. Zoals in ‘Bloeddorst’: ‘Zelfs al zijn we lief, / we blijven haaien.’ En ook de regel ‘het ontmenselijkt residu’ spreekt nog wel tot de verbeelding. Maar als er dan weer in het volgende gedicht gesproken wordt van ‘de nucleaire capaciteit’, dan doet dat weinig poëtisch en wat ambtelijk aan.

De bundel eindigt met het bijna vier pagina’s lange gedicht ‘De code’, waarin een enorme cadans van de herhaling zit. ‘Ik ben je slaaf, ik ben je werker.’ Het gaat om een Joodse uitspraak en twee regels uit de lyrics van ‘Die Roboter’ van Kraftwerk. Het lijkt of de dichter met dit stijlmiddel van de herhaling de bundel nog leven probeert in te blazen. Geen enkel gedicht spreekt mij eigenlijk aan. Misschien dat ‘met het innerlijk van een robot’ de inhoud van de bundel nog het best weergeeft. De bundel probeert aan groot drama te raken, maar raakt nergens. Misschien wil de dichter dat ook. Laten zien, hoe gevoelloos wij met groot drama omgaan. En dat is dan best treurig.

***

Frederik Lucien De Laere (2016). In uiterste staat. Uitgeverij Vrijdag, 54 blz. € 19,95

 

Irene Wiersma, Kraanstaren

Door Hans Puper

Kraanstaren is de tweede bundel van Irene Wiersma. Hij bestaat uit vijf afdelingen die voor zichzelf spreken: ‘Velen’, ‘Enkelen’, ‘Twee’, ‘Anderen’ en ‘Eén’.

Het merendeel van de gedichten is heel toegankelijk en herkenbaar. Zo herkenbaar, dat ze soms clichématig of weinig betekenisvol zijn: zo maakt iemand de zinnen van de gesprekspartner af en hoort daardoor niet wat zij zegt; geliefden liggen lekker in bed tot de smartphone stoort als was het een indringer. Wiersma stijgt daar bovenuit als handelingen of gebeurtenissen uit het drukke hedendaagse leven van alle tijden blijken te zijn. Het gedicht ‘Drukte’ gaat over mensen die ‘met haastige stappen’ naar werk of afspraak snellen. Soms vertragen ze even om tussendoor te appen: sorry, vnvnd gaat niet lukken, / maar we zien elkaar zsm!’, maar dat komt er niet van: ‘het denken aan verdampt / tot voornemens uitwaaieren / over dagen, weken, maanden // en stilte de grenzen markeert.’

Het beste gedicht uit de bundel is ‘Mug’, waarvan een niet-uitgesproken dreiging uitgaat:

Tussen voorbijrazende treinen
vangt hij vanzelf een mug

die toen hij in de schemer sliep
zes rode bultjes op hem achterliet

’s ochtends, nog wazig van weinig slaap
opent hij met een elleboog balkondeuren

met uitzicht op blaffende honden
en een man die wild op zijn laptop tikt

en laat haar vrij.

Deze dreiging wordt nog versterkt door twee gedichten die een paar bladzijden verderop staan. ‘Machinist’ eindigt met de raak geformuleerde regels ‘meestal bestuurt hij een trein / maar soms botst hij plotseling / op iemands einde’; de schrijnende tweede en laatste strofe van ‘Machinist II’ luidt: ‘springers slapen op pillen door winters / en verschijnen in zomerse bermen / als alles op zijn mooist is / als alles oké lijkt.’

De kwaliteit van de gedichten wisselt en dat ligt vooral aan de inhoud: is die veelzeggend is of niet? Ik hoop dat Wiersma in een volgende bundel wat selectiever is.

***

Irene Wiersma (2016). Kraanstaren. Uitgeverij Passage, 53 blz. € 19.90

 

Emile Verhaeren, Dorpen van zinsbedrog

Door Hans Puper

Stefaan van den Bremt vertaalde Les villages illusoires van de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren (1855 – 1916). In Nederland is hij niet zo bekend, in tegenstelling tot zijn tijdgenoot, geestverwant en Nobelprijswinnaar Maeterlinck. Dat is onterecht, want aan het eind van de negentiende eeuw was Verhaeren een internationaal bewonderd en invloedrijk symbolist. Hij beschouwde zich als Vlaming – wat je terugziet in zijn werk – ,ontwikkelde zich van symbolist tot humanitair expressionist en is in Nederland vooral bekend als Vlaams oorlogsdichter, die zich fel tegen de Duitse agressor keerde.

David Gullentops schreef een voorwoord. Les Villages illusoires verscheen in 1895, maar de vertaling betreft de derde, gewijzigde herdruk uit 1913. Hij legt uit wat Verhaeren heeft veranderd en waarom, maar het is jammer dat zijn betoog nogal wat voorkennis vereist, waardoor dat aan veel lezers ten dele voorbij zal gaan.
Lieven D’ hulst, hoogleraar vergelijkende en Franse letterkunde, schreef een interessant nawoord, waarin zij ingaat de op de vertaling van Stefaan van den Bremt, de keuzes waarvoor hij zich gesteld zag en welke consequenties die hebben. Zijn vertaling is over het algemeen bewonderingswaardig en creatief, al bevreemdde mij de anachronistische taal die hij een enkele keer gebruikt. Een voorbeeld, uit de eerste strofe van het gedicht ‘De schrijnwerker’: ‘Hij demonstreert met vaste hand / Hoe ‘s mensen ziel nauwlettend / En volgens vaste en wijze wetten / De wereld op de kaart kan zetten.’ [De cursivering is van mij]

In vijfentwintig gedichten van twee tot drie bladzijden beschrijft Verhaeren het dorpsleven op het Vlaamse platteland. De natuur is krachtiger dan de mens en zijn godsdienst. Als de bliksem inslaat in de kerktoren, vliegt deze in brand, de klokkenluider komt om, ‘En als de nok neerstort, valt ook het kruis / In de vuurgloed die het verwringt, / De armen breekt en ze verminkt.’ (‘De klokkenluider’). En aan sneeuw valt niets lieflijks te ontdekken, integendeel. In ‘De Sneeuw’ maken de herhalingen het desolate landschap zichtbaar; voelbaar in de personificaties is de dreiging. De eerste strofe:

Sneeuw dwarrelt neer, ononderbroken laadt
Een trage en lange en arme wol
Een doodse en lange en arme vlakte vol,
Van liefde koud, witheet van haat.

De meeste gedichten beschrijven een persoon. Het zijn symbolische prototypen: de veerman voert een ongelijke strijd met de dood, maar verliest niet de hoop zijn levensdoel te bereiken: als hij levenloos wordt gevonden heeft hij een riet tussen zijn tanden. De grafdelver verbeeldt de alomtegenwoordigheid van de dood en de suggestie wordt gewekt dat hij zelfmoord pleegt om een einde te maken aan zijn doodsangst: ‘Hij kan niet anders dan toedekken, onder aarde, / Zijn dood die, stuksgewijze, hij vergaarde’; in de duisternis van onrecht en onwetendheid beheerst de smid het vuur van een nieuwe wereld: ‘Er is geen godmens met de aardbol in zijn hand. ( … ) De tijd ontvliedt het rijk van schemer en van bloed; / Ontluikt een orde, edelmoedig, krachtig, goed, / Dan wordt zij op een dag de grond van het bestaan.’ Hierna volgt het laatste gedicht, ‘Brandende hooischelven’, en dat is niet toevallig: het dorp gaat ten onder en dat wordt gesymboliseerd door hooischelven die overal in de omgeving ontbranden. Er komt ruimte voor een ander leven.

Een bijzondere bundel. Ik zeg daarom nog maar eens dat het heel jammer is dat uitgeverij P geen informatie verstrekt. De website is nog steeds buiten werking en bij de bekende webshops vind je de bundel niet terug. Ik hoop dat boekhandelaren wel in staat zijn de benodigde gegevens te achterhalen.

***

Emile Verhaeren (2016). Dorpen van zinsbedrog. Vertaling Stefaan van den Bremt, voorwoord prof. dr. David Gullentops, nawoord Prof. dr Lieven D’hulst. Uitgeverij P, 80 blz. Prijs: onbekend.


Djordje Matić, Haarlem nocturne

Door Hans Puper

De Kroaat Djordje Matić woont sinds 1993 in Nederland. Haarlem Nocturne is zijn Nederlandstalige debuut; in 2013 verscheen in Kroatië zijn bundel Lingua franca.

Het is een bundel over ballingschap en Matić is dichter; het is daarom niet verwonderlijk dat hij die ontheemding vaak koppelt aan taal: ‘Ik heb niet meer dan één naam / ik heb meerdere versies ervan / honderd verschillende manieren waarop ze / – een naam als deze – onmogelijk / geschreven en gesproken hebben.’ Mooi is, dat hij het gevoel van ontheemding in de tweede strofe van dit gedicht niet direct beschrijft, maar via de worsteling van anderen met de uitspraak van zijn naam. Ik citeer de tweede strofe van ‘Ik heb niet meer dan één naam’ in zijn geheel:

Eerst, geïrriteerd en dreigend
aan de grenzen, in treinen en bussen
bij de politie, in gemeenten en op ambassades
ongeïnteresseerd, in postkantoren en banken
hoe ze gevochten hebben met de naam
die arme ambtenaren hier, en ik met hen.
Ze probeerden, ze worstelden ermee
benaderden het met sympathie.
Ze werden boos en sloten er vrede mee
ze voegden letters toe, trokken klanken af
verplaatsten de accenten, zochten de juiste intonatie
ze knepen hun ogen samen, fronsten
en hapten naar lucht voor ze langs de uitspraak roetsjten.

Dit is een gedicht uit de eerste afdeling, ‘Een ander geluid’. Je vindt daarin ook een treffend beeld van de vluchteling, voor wie de wereld nooit meer hetzelfde wordt – iets wat helaas van alle tijden is. In de noot bij ‘Swift departures’ staat dat ‘swift’ niet alleen het Engelse bijvoeglijk naamwoord ‘snel’ is, maar ook ‘gierzwaluw’. Een rake titel. Als gierzwaluwen hun nest verlaten, blijven ze anderhalf jaar in de lucht en als ze landen zijn hun poten zo vervormd dat ze nooit meer op vlakke grond kunnen staan: ‘Zo meten hun veranderde poten / precies hoeveel schever de wereld is geworden / sinds zij weggevlogen zijn’.

De kwaliteit van de gedichten uit de tweede afdeling, ‘Blauw’ is over het algemeen minder goed dan die uit de eerste. Ze zijn gegroepeerd rond jazzmusici als Miles Davis, Chet Baker en Thelonious Monk, die in zekere zin ook balling zijn. Zo beschrijft hij Ben Webster, die ‘letterlijk achter de geraniums’ zit, ‘zijn hand op het plastic tafelzeil ( … ) // Misschien was dit zijn straf uiteindelijk. / Als je hem zo ziet zitten / ergens in de Waalstraat / is het duidelijk: voor hem was ’t het einde’.

Je zou verwachten dat ritme in deze tweede afdeling een belangrijke rol speelt, maar dat is niet of nauwelijks het geval en een enkel gedicht kun je niet anders dan geforceerd noemen. In ‘De stad en die plek’ zien we de dichter als nieuweling in Amsterdam, die, ‘zoals altijd’, eerst naar de Dam gaat en vervolgens ‘per toeval’ in de hoerenbuurt terechtkomt. Dan volgt een tenenkrommende woordspeling die Matić ook nog eens heeft gecursiveerd: ‘Niets warms aan de Warmoesstraat’. Het is een helletocht: ‘Ineens aan het einde, links in deze duivelse rechthoek / verschijnt toch een opening. / We lopen ernaartoe met zware voeten / hijgend als na een nachtmerrie.’ Deze beelden zijn nodig om de gruwelijkheid van de plaats te benadrukken waar het in dit gedicht om gaat: daar waar Chet Baker uit het raam viel.

De bundel eindigt met het lange titelgedicht Haarlem Nocturne, een stad die ‘langduriger / stil verleidend / troostrijker is / dan de transparante hemel van het zuiden.’

Matić heeft met name in het eerste deel laten zien dat hij veel in zijn mars heeft. Een gedicht als ‘De stad en die plek’ moeten we daarom maar als een incidentele misser beschouwen.

 ***

Djordje Matić (2016). Haarlem Nocturne. In de Knipscheer, 54 blz. € 15,-