Recensie van En toch is alles wat we doen natuur - Leo Vroman

Gedichten tegen het bloeden

Leo Vroman
En toch is alles wat we doen natuur
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409023
€ 24,99
292 blz.

Zoals elke recensent spiegel ik nieuw werk (vooral onbewust) aan een persoonlijke, onvoltooide en onvoltooibare canon. Het resultaat van vele jaren indringend lezen kan nooit al het ware, goede en schone bevatten, want een mensenleven is niet meer dan een flits in de duisternis. Tot mijn canon behoren veel gedichten van twee Nederlandse biologen: de hematoloog Leo Vroman (1915-2014) en de evolutiebioloog Dick Hillenius (1927-1987). Hillenius vatte heel goed samen wat leven en scheppen zijn: ‘Elk ontstaan is op grensvlakken / druppels van de ene wereld uitspattend / en aanpassend aan de andere.’ Die samenvatting geeft ook de kern van het recenseren van kunst weer, maar als recensent moet men enige voorzichtigheid in acht nemen. Toen ik een aantal jaren geleden een bundel besprak van een dichter met wie ik al heel lang vertrouwd was, maakte ik een positief bedoelde vergelijking met een poëticaal inzicht van Vroman. Niet lang daarna ontving ik een brief waarin die dichter me liet weten dat hij de vergelijking als een affront opvatte. Het kan verkeren… zei Bredero.

In deze bespreking zal ik zo dicht mogelijk bij het werk van de hematoloog – die ook dichter was – blijven. Als hematoloog schreef Vroman het eerlijke, boeiende en leesbare boek Bloed (Amsterdam, 1968), waarin hij op een fascinerende manier het stollingsproces heeft beschreven. Zonder dat stollingsproces, zowel in letterlijke als figuurlijke zin, had ik nooit een persoonlijke canon kunnen samenstellen. Merkwaardig genoeg gaat het citaat uit het werk van Hillenius ook voor het stollingsproces op. In Vromans nieuwe bundel heeft Mirjam van Hengel ‘de mooiste gedichten over het leven in en rondom ons’ verzameld. De schrijfster is vertrouwd met de wereld en het werk van Vroman, ze publiceerde in 2014 Hoe mooi alles, een boek over Leo en Tineke Vroman. In de inleiding stelt Van Hengel dat Vroman alles als een wonder heeft ervaren. Voor de dichter was niets vanzelfsprekend, tenzij misschien de wind die in vele gedichten als natuurkracht en boodschapper aanwezig is. In zijn gedichten is de natuur nooit een metafoor, want volgens Vroman is ‘natuur het enige waar we echt iets over kunnen zeggen.’ (11)

Het lijkt erop dat de dichter het bestaan van cultuur negeert, want ‘de rest van wat ons beheerst en omringt bestaat niet echt.’ (11) Wie alles vanuit een biologische invalshoek bekijkt, kan cultuur vervangen door het begrip ethologie, en precies die connotatie heeft Vroman opgeroepen in het gedicht ‘Wieltjes en wieltjes’: ‘en toch is alles wat we doen natuur / het hopeloos verdwalen in de mode / het elektrisch flitsend kunsthoutvuur / het gek begraven van gewone doden.’(142) De titel verwijst evenwel naar een voorwerp dat bij uitstek past in een cultuurhistorische benadering van het verleden: een wiel.  Ook dieren maken gebruik van (onveranderlijke) rituelen – baltsen verloopt op een stereotiepe manier –  en hebben oog voor vast verankerde esthetische effecten zoals de grootte van een gewei. Precies daarover gaat het sprookje Het lelijke eendje van Hans Christian Andersen. De rituelen en de esthetiek staan in het teken van de natuur, in casu de voortplanting en het overleven van de soort. De Engelse bioloog Desmond Morris (1928) heeft op een gelijkaardige manier beschreven hoe mensen er op bepaalde tijdstippen alles aan doen om lichamelijk op te vallen. Daarbij maken ze gebruik van hun culturele bagage, en die valt niet samen met wat ethologen als natuur definiëren. Wanneer in de lente vinken hun levensblijheid verkondigen, doen ze dat volgens een vast klankpatroon, mensen maken gebruik van zeer uiteenlopende codes en signalen. De hoofse liefde vereiste een andere woordenschat dan de sms-liefdestaal van de jongeren van vandaag. Wanneer een bever een burcht bouwt, doet hij dat altijd volgens hetzelfde patroon. Mensen bouwen huizen waarin heel verschillende architecturale visies tot uiting komen. Bij Vroman is de poëzie vooral op het leven gericht, maar ‘er waart veel dood, sterven en vergankelijkheid door zijn werk.’ (12)

In het eerste gedicht, ‘Aan een vriend’, is de dood meteen aanwezig in de eerste twee en de laatste twee versregels, die op een woord na identiek zijn: ‘Ach, laten wij geen ogenblik bederven / voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.’ (17) De dood kan niemand ontlopen, het heeft dus ook geen zin daar veel woorden aan te besteden. Zolang de leeuwerik zingt, zolang er kersenbomen bloeien, hebben de dichter en zijn vriend nog niemand kwaad gedaan. Het gedicht is in een eenvoudige parlandostijl geschreven en bestaat uit zes disticha met eindrijm. Wat mij vooral opvalt in dit gedicht uit de bundel Gedichten, vroegere en latere (1949) is de versregel: ‘Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten.’ De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen van wie de gruwel had beleefd. De dichter vertrouwde kennelijk op een metafysische gestalte en voegde er aan toe: ‘God zal het allemaal wel weten.’ Ook in het derde gedicht, ‘Hierna’, uit dezelfde bundel, is de dood opvallend aanwezig, en omdat het gedicht een goed voorbeeld is van Vromans taalgebruik, dat o.a. opvalt door de vele neologismen, citeer ik het in extenso:

Jouw jijheid, lieve tedere, is zo in mij verhout
dat al wat een jou kenbaar is mij in mij overleeft.
Wat moet dat worden als mij, jong of oud,
God zegent en van mijn verstand genezen heeft?

Wanneer mijn vliezen zijn vergaan
met het vergaan der jaren
en jouw bedeesde mummie in mij laten staan,
dierbare?

Ik ben geen wolk, ik kan niet wenende ontzijnd,
gebeurloos deze werkelijkheid ontsnappen.
Mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt
en waarop velen mij te hunner tijd betrappen.

(blz. 19)

Het is een existentieel gedicht waarin het kenbare aan het langst eind trekt (‘verhout’), maar het kennende zijn kenfunctie verliest, of zoals de dichter het uitdrukt: ‘van zijn verstand genezen’ werd. Het niet meer zijn, het ‘ontzijnd’ zijn is niet ‘gebeurloos’ – ‘mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt’ luidt de logische vaststelling. In dezelfde bundel verscheen ook het lange gedicht ‘Over mensen’, dat uit regelmatige versregels en becommentariërend proza bestaat. In dat gedicht heeft Vroman het over zijn ‘vaagheid’ en zijn ‘mensenvrees’. De dichter is echter niet vaag, en zijn vrees is niet ongegrond: ‘kan men verhinderen door verzen lezen / dat handen andere slaan / en andere handen bedelen?’ (36) Een dichter kan een ideaal nastreven – en dat reikt toch verder dan ethologische concepten –, maar ‘waar vindt zelfs de grootste dichter, / al zeg ik het zelf, normen / om anderen naar te hervormen?’ (36) Neen, niet alles wat we doen is natuur, tenzij het zoeken naar het schone, het ware en het goede deel uitmaken van de menselijke ‘natuur’. Vroman gaf ootmoedig toe: ‘ik weet maar al te vaak dat zelfs ik niet inzie en wil zeggen wat ik zeg.’ (36-37) Het spreken en schrijven onttrekken zich regelmatig aan de directe en de indirecte duiding, en zouden als een inherente dimensie van het menselijk zijn kunnen worden beschouwd. Dus toch natuur? Vat krijgen op de taal is niet altijd mogelijk, ook en vooral wanneer de hand de woorden aan het papier toevertrouwt. Een gedicht leidt een eigen leven, en ‘het enige waar het namelijk om gaat is hoe het woord in ons ontstaat en niet hoe een ander het hoort.’ (37) Het is een aanwijzing voor exegeten en recensenten.

De bundel bestaat niet uit een oneindige reeks idyllische natuurtaferelen, integendeel. Een aantal beschrijvingen van natuurlijke processen, zoals het sterven of de spijsvertering, worden soms rauw beschreven – ik denk aan de gedichten ‘Groente vlees en aardappelen’ (154-156) en ‘Kruimels in bed’ (157-158). Het eerste gedicht wordt afgerond met een zelfbeeld: ‘Eenzaam ben ik op mijn best / een beetje moe een beetje mest / parende met de grond.’ (156) Het is weinig mensen gegeven zich als mest in wording te zien, maar het is een vruchtbare metamorfose, zoals uit de laatste versregel blijkt. De spijsvertering wordt bij Vroman ‘De spijsvertedering’ (255-262), maar verwacht geen tedere beschrijvingen. ‘Mijn dierenleven’ besluit de dichter met het verzoenende kwatrijn: ‘O was ik microscopisch groot / dan kroop ik in mijn eigen buik en / kon die lieve bacteriën ruiken / mompelen over mijn dood.’ (251) In ‘Overschot’ heeft de dichter er vrede mee dat zijn boeken en tekeningen, zijn schoenen en sokken waarin hij zich na de dood nog laat strelen gauw zullen verdwijnen: ‘foto’s, foute zelfportretten, / al het jouwe en het mijne / zal als morgendauw verdwijnen / met het verdampende verdriet.’ (270)

In het bijzonder mooie gedicht ‘Bloedingstijd’ (177) vat hij zijn eigen levensles samen. Hij beseft dat zijn kennis altijd de natuur achterna hinkt: ‘En nog iets: /zo vlug als ik die cellen maak / zo traag weet ik ervan. / Straks als ik, een stokoude man, / meer dan mijn leven achter raak / wat begin ik dan?’ De wetenschapsman heeft tientallen jaren microbiologische processen geobserveerd en als mens heeft hij het eigen zijn en de daarbij horende dood gerelativeerd, maar zijn werk bestaat toch vooral uit gedichten tegen het bloeden of aftakelen en sterven. Tegenover het wetenschappelijk inzicht stond het existentiële aftasten van grenzen en angst. Veel van de gedichten hebben de figuurlijke bloedingstijd en coagulatietijd van de ‘gewonde’ dichter verkort en het onvermijdbare uitgesteld, al was het maar in de tijdelijke vorm van een herfstblad: ‘Mijn hand krom als een herfstblad / ritselt en scharrelt dan nog wat / alsof hij voort wil leven. / Nu weer even.’ (247) Neen, niet alles wat we doen is natuur. Velen verdringen doodsgedachten, anderen spreken er aarzelend over, en een aantal dichters schrijft erover in berijmde taal. Bij Vroman lijkt het denken in versregels samen te vallen met het ademen, maar dan nog blijft het een uiting van cultureel bepaald gedrag, vooral omdat de gedichten werden gebundeld voor een groot lezerspubliek.

Niet alle gedichten zijn beklijvende getuigenissen. Vooral de langere gedichten, zoals ‘De vogel’ (58-61), ‘Lief, lief’ (68-71) en ‘Inleiding tot een leegte’ (46-57), zijn te lang uitgesponnen. Een snoeischaar is geen overbodig instrument in poëzieland. Relatief korte gedichten, zoals ‘Een stille ontmoeting’ (266) en ‘Sluiting’ (267), beide met eindrijm, hebben mij veel meer aangesproken, maar dat was geen ontdekking.

Recensie van Die Vleugels II - Leo Vroman

Ik zie soms dat gesterf al als een lekker meewentelen

Leo Vroman
Die Vleugels II
Uitgever: Querido
2015
ISBN 9789021457949
€ 18,99
240 blz.

Bij het lezen van klassiek geworden poëzie denk ik wel eens aan de versregel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ van Martinus Nijhoff  ( Awater, 1936). Het is een enigmatische omschrijving van het wezen van de poëzie. Wie Nijhoffs woorden ernstig neemt, vraagt zich onmiddellijk af wat een gedicht wel uitdrukt: staat er meer, staat er minder, en mag men tussen de regels lezen? De woorden doen me overigens denken aan ‘Ceci n’est pas une pipe’ van de Belgische schilder René Magritte. Als de verbeelde of afgebeelde pijp geen pijp is, wat drukt het beeld dan wel uit? Het antwoord is tegelijkertijd eenvoudig en paradoxaal: het beeld verbeeldt een pijp en is tegelijkertijd autoreferentieel. Het verwijst naar de verbeeldingsstrategie van een visueel kunstenaar en naar een voorwerp dat als pijp wordt herkend. Strikt genomen is de geschilderde pijp geen pijp, ze is niet meer dan een vorm op doek. Het is geen vrijblijvend spel, maar wel een spel, zoals gedichten een spel zijn. En als lezer moet je beseffen dat een schilder en een dichter de spelregels bepalen, zoals Wittgenstein terecht heeft opgemerkt. Wie schrijft, bepaalt altijd de taalspelregels, en er zal dus nooit staan wat er staat, en dat geldt ook voor het werk van Leo Vroman.

Ook bij het lezen van gedichten van Leo Vroman (1915-2014) vraag ik me wel eens af, of de ‘bedrieglijke eenvoud’ me niet op het verkeerde been zet. Ik denk ook altijd weer aan een gedicht uit de bundel 262 gedichten (1974) dat met het volgende kwatrijn begint:

Gedrukte letters laat ik U hier kijken, 
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken, 
mijn hete hand uit dit papier niet steken; 
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken. 

Vroman schreef zeer nadrukkelijk om een gesprek aan te knopen – een indirect gesprek weliswaar. In de maanden die aan zijn dood voorafgingen, heeft de hoogbejaarde dichter onophoudelijk aan zijn laatste bundel gewerkt: Die Vleugels II. In het jaar vóór zijn overlijden verscheen de bundel Die Vleugels, en de dichter stond erop de laatste gedichten als een deel van een tweeluik te presenteren. Bij het lezen van het woord vleugels denk ik altijd aan engelen en aan Icarus, en het lijkt erop dat de dichter op de steile helling naar zijn levenseinde nog een laatste keer zijn vleugels heeft opengeslagen om de val uit te stellen. Als bioloog besefte hij dat de val onvermijdelijk was, en hij verbaasde zich over zijn tegenstribbelend gevecht: ‘Iets vliegt van mij leeg / en ik weet niet waardoor / of waarvoor / ik nog beweeg.’ (74) Zelfs voor een bioloog blijft het leven in grote mate terra incognita. Maar wat is voor een dichter die zijn lezers wil bereiken, en daar naar eigen zeggen niet in slaagt, belangrijker dan het nog maar eens te wagen en eenzame lezers aan te sporen om hun eigen vleugels uit slaan en samen heel even tijd en ruimte te ervaren?

Ruimte en tijd zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, al denken veel lezers daar wellicht niet aan. Misschien terecht, want hoe moet je anders het eerste kwatrijn van het gedicht ‘Dat kan toch’ interpreteren: ‘Ruimte, wordt het geen tijd / om ons eindelijk te leren / die gerekte werkelijkheid / te begrijpen en dan te negeren?’ (75)  Iemand die bijna honderd jaar oud is, mag het terecht over een gerekte werkelijkheid hebben. Gerekt verwijst naar de tijd en werkelijkheid naar de ruimte, die samen een eenheid vormen. Begrijpen en negeren wijzen op een gespannen verhouding. Begrijpen is erkennen en herkennen, bevestigen. Negeren is ontkennen, afwijzen. Het leven is Dasein = er zijn, en de dood = er niet meer zijn of, In Vromans woorden ‘een rotgrapje.’ (75) De spanning tussen erkennen en ontkennen typeert de existentiële ervaring, die scherp wordt gesteld in de laatste levensfase. Inhoudelijk geeft Die Vleugels II gestalte aan de volgende breuk: ‘Leven = Er zijn = Spreken = Spel / Dood = Er niet (meer) zijn = Zwijgen = Spelbreker (rotgrapje).’

In deze taxonomische koppeling worden de begrippen vóór en na het breukteken elk op hun niveau van de breuk verbonden door een gelijkheidsteken (Leven = met twee tussenstappen Spel, en Dood = met twee tussenstappen Spelbreker), terwijl de individuele breuken Leven / Dood, Er zijn / Er niet (meer) zijn, Spreken / Zwijgen en Spel / Spelbreker (rotgrapje) telkens een antithetische verhouding uitdrukken. Leven is finaal spelen, en dat komt tot uiting in het aanwezig zijn van de schrijvende of sprekende dichter. Tegenover het leven staat de dood die gelijk is aan er niet (meer) zijn, het tegenstelde van er zijn. Er niet (meer) zijn is gelijk aan zwijgen (het tegengestelde van spreken) en gedwongen zwijgen is de spelbreker die het spelend spreken de mond snoert. Ook in het werk van Vroman staat meer dan er staat.

Het poëtisch spel – dat tegelijkertijd een noodzaak is – komt bijzonder goed tot uiting in het gedicht ‘Een paar getallen’:

Vroeger schreef ik 1 gedicht
zo om de 2 weken,
nu 1 om de 2 dagen
en met een oog op mij gericht
begin ik mij af te vragen,
maar iedereen heeft gebreken.

Misschien eindig ik in een gesticht.
Misschien over 1 of 2 jaar
schrijf ik maar
1 vers per 2 seconden.

Dan word ik daar
op de vloer gevonden
als een vervelende of vermoorde,
met mijn balpen nog smokende
en mijn schedel vol kokende
woorden.

En wat voor zoemend geluid
komt daar nog uit.

(76)

Hoe steiler de helling, hoe groter de behoefte aan spelen met woorden om het verval uit te stellen, maar altijd met het besef dat zich onder de breuklijn tegelijkertijd een proces voltrekt dat geen enkel woord kan stoppen. Dat autonoom proces komt duidelijk tot uiting in ‘Alles gebeurt’, een gedicht dat met een aanspreking wordt aangeheven: ‘Liefste, / ik wil mij best vergissen / maar zo is het vandaag voor mij: / wij zijn maar twee gebeurtenissen, / en die gaan steeds voorbij.’ (112) Het leven als een gebeurtenis, als een zichzelf herhalende cirkelbeweging, zoals in het gedicht ‘Alweer maart’, dat met het volgende kwatrijn begint: ‘Wie deze winter niet mochten blijven / kunnen er niets aan doen: / maart, en uit hun rotte lijven / barst het eerste frisse groen.’ Het gedicht wordt afgerond met de terzine: ‘bloei voort vanaf vandaag / de lente door, verdor en draag/ de vrucht van je verval.’ (120) Opstandigheid heeft geen zin, het leven is een wormwiel. De cirkelbeweging kan worden verzacht door het spel, zoals in ‘Trage snelheid’: ‘Kon ik zo snel schrijven / als ik dacht, dan ben ik bang / voor de gevolgen, want / dan vloog bij het schrijven / door dat haastig wrijven / van mijn pen het papier in brand / en kon ik zelf nooit lezen / wat ik had gevoeld / of bedoeld.’ (136) Het spel vertraagt de onzalige gedachten en remt ook enigszins het voortsnellende leven af – het roept alleszins het gevoel op dat het leven zich slechts met ‘trage snelheid’ van het Dasein ontdoet.

Maakt de ervaring van het dansen op een steile helling de speler mistroostig? De dichter is vrij gerust. Het afscheid is een ‘Voorstelling’: ‘Ik zie soms dat gesterf al / als een lekker meewentelen / in een geweldige waterval, / en aan het einde van de / voorstelling zacht landen / in schuim en wegdrentelen, // maar niet zonder al van tevoren / het donderend applaus te horen / van handen.’ (146) De dood, die een spelbreker is, wordt hier toch gekoppeld aan een zachte landing, die zowaar op applaus wordt onthaald. Het spel maakt de dichter niet blind: ‘Nu ik heerlijk bang / met mijzelf ontwaak / denk ik hoe vaak / nog en hoe lang.’ (181) Angst is nooit ver weg, maar mistroostigheid is niet aan Vroman besteed, en bijna geheel onthecht noteert hij: ‘Het menselijke einde, / verbeeld ik mij, is / geen al te verfijnde / gebeurtenis.’ (182) Het lijkt wel of de bioloog die veel tijd in laboratoria heeft doorgebracht aan het woord is. Ook wetenschap is een spel.

Niets is wat het lijkt, en de op het eerste gezicht naïeve eindrijmen behoren tot Vromans taalspelregels: ze leiden de dichter en de wakkere lezer naar onverwachte inzichten, ze structureren het spreken van de man die afscheid neemt, zoals ze dat zijn hele leven hebben gedaan, ook in de tijd dat het afscheid nog ver af was. Het laatste gedicht heet heel toepasselijk ‘Einde’. Je moet het zelf lezen en traag herlezen. Vroman vat in die twee kwatrijnen zijn hele poëtische nalatenschap samen. 

Recensie van De mooiste gedichten - Leo Vroman

Laaiende gestalte

Leo Vroman
De mooiste gedichten
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2015
ISBN 9789046804049
€ 22,50
160 blz.

 

Tot kort voor zijn dood op 22 februari 2014 was Leo Vroman nog in leven. Van beide was hij zich volop bewust en ten bewijze daarvan schreef hij dit op 10 februari gedateerde gedicht:

Einde

Hij lijkt vast minder erg –
die lief bijeengebrachte
hoop spaanders van mijn gedachten –
op mij dan een berg.

Waar zal die laaiende gestalte
van mij dan uit bestaan
en waar kwam die al te late
eerste vonk vandaan?

‘Einde’ werd gepubliceerd in het februarinummer van Hollands Maandblad (jrg.55, nr.795) en was daarmee het laatste van de meer dan tweehonderd gedichten die hij sinds 1960 voor dat blad had geschreven. Het is nu een van de twee gedichten die zijn toegevoegd aan de zesde druk van De mooiste gedichten, een bloemlezing met een ruime keuze uit de 160 Hollands Maandblad-gedichten uit de periode 1960-2006, waarvan de eerste druk uitkwam in 2006 en die dus zeer succesvol is gebleken.

Het boek verdient het ook. Het is zeer verzorgd uitgegeven en krijgt extra cachet door de overvloed aan illustraties van Iris Le Rütte. Haar eigenzinnige tekeningen, met een opmerkelijke voorkeur voor spermatozoïden en skeletachtigen, sluiten volkomen natuurlijk aan bij de gedichten, vormen als het ware een parallelle wereld. De manier waarop zij ook nog het humane met het vegetatieve verbindt, zorgt nog voor een extra dimensie.

Aan het succes zal misschien ook bijdragen dat de bijna suf gebloemleesde evergreens als ‘Voor wie dit leest’ (Gedrukte letters laat ik U hier kijken,), ‘Vrede’ (Komt een duif van honderd pond,) en ‘Mens’ (Mens is een zachte machine,) hier ontbreken. Van de echte Vromanklassiekers treffen we eigenlijk alleen ‘Hotel Valmonte’ aan, die prachtige liefdesbrief aan Tineke uit 1980.

De bundel heeft de opmerkelijke kwaliteit steeds nieuw te lijken, wat natuurlijk in de eerste plaats toe te schrijven is aan de bijzondere eigenschappen van Vromans poëzie, die misschien het best te omschrijven is als een even ernstig als ludiek verbaal spel, persoonlijk en fantasierijk, sprankelend en vrij.

De mooiste gedichten verscheen op 10 april, op de honderdste geboortedag van Leo Vroman. Ter gelegenheid daarvan gebeurde er meer. In Gouda, zijn geboorteplaats, werd een door Jeroen Henneman gemaakt beeld van de dichter onthuld, startte de rondreizende tentoonstelling VROMAN 100, en presenteerde Querido de bundel Die Vleugels II, die de gedichten bevat die Vroman schreef tussen zomer 2012 en zijn dood. En dan maakte zanger Frans van Deursen ook nog de cd De vogel in mijn borst en zal volgend seizoen de bewerking van Mirjam van Hengels Hoe mooi alles te zien zijn in de Nederlandse theaters.

Nog lang niet dood, zou Vroman zelf zeggen. Mooi!

Recensie van Daar - Leo Vroman

Nieuwsgierig naar de dood

Leo Vroman
Daar
Uitgever: Querido
2011
ISBN 9789021440255
€ 17,95
216 blz.

Maar weinig mensen kijken uit naar hun levenseinde. Ook de 96-jarige Leo Vroman niet, hoewel de dichter in zijn bundel Daar herhaaldelijk een vergaande nieuwsgierigheid verwoordt naar de tijd erna, en het moment waarop. Op het omslag wijst een oude hand, vergroeid met een slingerende plant, in de verte: ‘Daar’  zegt die hand, ‘daar is het!’ In het titelgedicht staat naast de ik-figuur een lege vorm, de personificatie van Vromans afwezigheid. 

[…]
Nu wil hij al iets voor mij uit en
zucht naar het zalige gevaar,
trekt mij, wijst al half buiten:
Daar! Daar!
Maar wat is daar? Wat blijft er over van een gestorven mens? Vroman gelooft niet in een leven na de dood – hooguit speelt hij af en toe met de gedachte – maar vooral in de concrete werkelijkheid van vlees, bloed en darmen, en van chemische stoffen. Dit is wat hij verwacht:
 
Seeotwee

Wat ik aan kan bieden
na het cremeren
is mijzelf niet meer en
wel koolstofdioxiden.
Vraag wat hij op aarde 
heeft nagelaten
van enige waarde
en mijn C02
heeft geen idee
waar jullie over praten.
Wel zoekt mijn as
misschien nog een poos
bijna hopeloos
naar wie ik was.

Op het meer menselijke vlak gaat het in Daar om het er niet meer zijn voor zijn geliefde Tineke en een handvol andere dierbaren.  Ook hier komt een nuchtere Vroman aan het woord, in het gedicht ‘Is dit boek zo beter?’ laat hij vingerafdrukken en ‘… een dun hard koekje / Vromanhuidcellen na / compleet met vetvol DNA.//  Vromans gedichten over de naderende dood zijn geruststellender dan welke hiernamaalsbelofte dan ook. De dichter Vroman is zelden verontrustend, tenzij hij zich – waarschijnlijk meer dan terecht – kwaad maakt:
 
Aan een anti-Japanse schrijver

Jij had dat Japanse kind van zes
jaar in je badkuip gezet
en met je oude padvindersmes
langzaam en heel nauwgezet
de onderbuik opengesneden,
en toen de darmen naar buiten gleden
met het kind nog om hulp roepende
maakte je langs de badkamerwanden
van haar nog na poepende
na stuipende ingewanden
een slordige guirlande.
Natuurlijk, wat ik hier vertel
is allemaal niet waar.
Dat mag dan wel zo wezen maar
walgelijk blijft het wel.

Een gedicht met beelden die je niet gauw loslaten. Het roept vragen op over de ‘anti-Japanse schrijver,’ zeker gezien Vromans eigen Jappenkampverleden. Hij geeft hiermee in ieder geval aan dat dat verleden hem niet heeft vervuld met haat voor alles wat Japans is. 

Vroman heeft een fijne, losse stijl, waardoor het nauwelijks opvalt dat hij rijmt. Sommige gedichten zijn in het Engels geschreven. Hij eindigt de bundel met een verzoek:
 

Dear muse,

Stop making me write poems please
Save the rest for emergencies.

Het is te hopen dat hij daar niets van meent. Van mij mag hij honderd en ouder worden, en doorgaan met dichten natuurlijk.