Recensie van Gebroken wit - Victor Vroomkoning

Tekens van vervlogen leven

Victor Vroomkoning
Gebroken wit
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523622
€ 17,99
75 blz.

De bundel Gebroken wit van Victor Vroomkoning heeft iets van een familiealbum, waarin een dichter aan de hand van een reeks gedichten terugblikt op zijn leven. Uit de ‘Verantwoording’ achter in de bundel blijkt dat de gedichten her en der zijn gepubliceerd in allerlei tijdschriften en in thematische verzamelbundels. Soms gaat het om gelegenheidsgedichten bij een afscheid van een bekende, soms om gedichten die op verzoek zijn geschreven. Veel van de gedichten zijn met kleine wijzigingen van de oorspronkelijke vorm in deze bundel opgenomen. Gezien de hoge leeftijd van de dichter is het niet verwonderlijk dat de nodige gedichten over de dood gaan. In het volgende gedicht komt de actuele thematiek van de ‘zelfgewilde’ dood aan de orde. De ik-figuur is in gesprek met zijn vader.

Aan de rand

Een paar passen nog voor het is gedaan.
Ik heb een afspraak met de dood.
De laatste zet is uitbesteed aan mij
we zijn dit overeengekomen.

Wat houdt me op, wat is ertegen om
dit loze lichaam af te scheiden? Hoe
hard is een woord, vader, hoe zacht
een zelfgewilde

Herinneringen aan gebeurtenissen in zijn leven komen in allerlei vormen aan bod. De dichter heeft bijzondere momenten vastgelegd op foto’s, zoals in het gedicht Souvenir of hij reflecteert op een oude foto zoals in Ecce Nobel. Hij is in dit laatstgenoemde gedicht helemaal niet ‘de koning der dieren’ die lachend op de foto staat, maar ‘een mak / schaap met een muil waarin de oppas / zijn hoofd mag steken in ruil voor een / half jong hert dat hij me dagelijks schenkt.’ Hij vindt het leven in gevangenschap saai (‘De dag is hier één lange geeuw.’) en met een verwijzing naar de leeuwmascotte van de Hollywoodstudio Metro-Goldwyn-Mayer (MGM) brult hij af en toe als Leo the Lion ‘om er / de passanten in dit park mee te vermaken.’ Met een variant op Willem Kloos’ dichtregel eindigt het gedicht aldus: ‘Elke foto toont / zijn eigen waarheid, deze liegt de wilde god / die ik ben in het diepste van mijn genen.’

In het gedicht Anamnese in M. gaat het om de gesprekken over gezamenlijk beleefde herinneringen, die hij houdt met een vriend en leeftijdgenoot, ‘Broos en gemankeerd als ik zelf’. De vriend gaat ‘Slalommend door de dagen’ en ‘kriskras / door ons geheugen’. Het gemis van allerlei mensen en zaken is voelbaar, maar ze hebben via hun herinneringen steun aan elkaar, hoewel het geheugen geen zekerheden biedt van hoe alles precies verlopen is. De eerste strofe, die over hun ontmoeting gaat, kenmerkt zich door ‘de lucide middaghitte’. De herinneringen in de tweede strofe roepen het beeld op van sneeuw, een slalom een snelle afdaling. De ervaringen uit hun leven beslaan dan ook een periode van ‘een halve eeuw’, het zijn er ongelooflijk veel. De laatste strofe, die ook als thematische tekst van de bundel op de achterflap is afgedrukt, luidt als volgt:

Wij verliezen ons in het gemis en vinden
ons door elkaar terug in wie wij
ongetwijfeld moeten zijn geweest – hoor ons
ernaar raden. Voor even kunnen we
tegen het gebroken wit van ons heden.

In het nu heeft de dichter nog de mogelijkheid deze herinneringen vast te leggen op papier. Voor hem een buitenkans. Het gedicht dat daarop geschreven is of afgedrukt, maakt het witte blad papier tot ‘gebroken wit’. Het teruggaan naar een oude plek van vroeger is bij herinneringspoëzie een voor de hand liggende onderneming. In het gedicht Reünie heeft de dichter een herinnering uitgewerkt en gekoppeld aan het heden. Het gaat om de plek ‘waar zij mij haar eerste kus gaf’ en hem had aangesproken met ‘Jonge god’. En nu zijn ze beiden weer ‘met hangen en wurgen maar we zijn er nog’ op de oude plek en ze omhelzen elkaar ‘genadeloos terloops’ om daarna ‘getroost huiswaarts’ te keren ‘naar onze tweezitsbank’. De afsluiting van het gedicht bevat een vorm van niets ontziende zelfspot die vooral troosteloosheid uitdrukt, lijkt me.

Enigma en Visioen behoren tot de mooiste gedichten van de bundel. Het gaat hier om beelden van de moeder van de dichter die erin voorkomen. In deze gedichten botst de wereld van de harde realiteit met het opgeroepen droombeeld. In Visioen komt zijn moeder uit de dood getreden en was ‘hij weer bij haar voor / zij stierf’. In Enigma vraagt de hij-figuur zich af hoe de moeder zijn hotelkamer is binnengekomen. De moeder zit daar doodstil met haar handen om de knieën voor het open raam. Het speelse, ietwat erotische verstilde beeld doet me heel in de verte denken aan het schilderij Vrouw bij het venster van Salvador Dalí.

Enigma

Hoe kwam zij binnen? Hij heeft de sleutel
in zijn hand. Het is zijn bed, zijn kamer,
zijn hotel dat hij zijn huis acht.
De handen om de naakte knieën
zit daar zijn roerloze moeder voor het open
venster. Er is te veel bloot aan haar, zal hij haar
toedekken? Als hij nadert, glijdt een lach over
haar gelaat. Zij merkt dat zij nog in hem bestaat
als toen hij haar ontdekte met een ander dan zijn vader.    

In deze bundel hebben de gedichten Enigma en Visioen de functie om een belangrijke persoon uit het verleden terug te halen, daar stil bij blijven te staan, deze persoon te benaderen en aan te raken. Daarna beseft de dichter dat uiteindelijk het beeld van de moeder niet vast te pakken is, ook voor de lezer. Ondertussen heeft voor deze laatste de tijd even stil gestaan. Daarna leest hij zich weer andere werelden binnen.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Sommige gedichten zijn te simpel, te gemakkelijk, roepen in de verbeelding van de lezer niets verrassends op. Handen is zo’n gedicht. Het is een terugblik naar het aanschuiven van de trouwring ‘hoe jij je naam / aan míjn linker schoof’ maar nu ‘zonder altaar’. In Psychoanalyse wordt een verbinding gelegd tussen ‘een imposant kruis tegen een kerktoren’ en het kruis van een vrouw. En als ze beiden luisteren naar het klokkenspel en de vrouw roept: ‘Wat een twee schattige klokjes hangen daar!’ is de associatie helder. Het gedicht eindigt met de versregel ‘Hou het dan maar droog’. Nou, dat lukt me moeiteloos moet ik zeggen. De dialogen Proeve en Help! zijn zwakke voorbeelden van kinderpoëzie. Het gedicht Litanietje, met een stapeling van voornamelijk aparte verkleinwoorden, is niet meer dan het taalspel dat eronder zit. Opties doet me vooral vanwege de vorm denken aan zijn muurgedicht ‘Hallo’ aan de wand van cultureel centrum De Lindenberg in Nijmegen. Waarom het vierdelige gedicht in deze bundel is opgenomen, is me onduidelijk.

Victor Vroomkoning is een traditionele dichter, die in zijn ontwikkeling is blijven hangen. Wanneer hij kritischer naar zijn eigen poëzie had gekeken en zo’n 10 à 15 gedichten had geschrapt, dan was Gebroken wit een compacte bundel geweest met een aantal goede gedichten over (jeugd)herinneringen, huwelijk, familie en gezondheid, een familiealbum in de positieve zin van het woord. Ondanks de genoemde zwakke gedichten die de bundel ontsieren, blijft er veel moois te lezen in Gebroken wit.

Tot slot. Mocht ik als lezer vragen hebben en daarop adequate antwoorden willen, het is de dichter die aan het woord is. Ik heb niets te willen. Of zoals Vroomkoning in Het is niet zegt: ‘Het is niet / het antwoord / waarom je / verlegen zit / noch je vraag / doet ertoe’. En daar valt niets tegenin te brengen.

***
Victor Vroomkoning (1938) studeerde Nederlands en filosofie. In 1983 verscheen zijn debuutbundel De einders tegemoet. Sindsdien kwam een groot aantal bundels uit. In november 2008 verscheen ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag Ommezien, Gedichten 2008-1983. Hij ontving vele prijzen waaronder de Publieksprijs Beste Poëziebundel (2005) voor zijn bundel Stapelen en de Karel de Grote Prijs (2006), een oeuvreprijs van de gemeente Nijmegen. In de periode 2006-2008 was hij stadsdichter van die stad.

Recensie van Habitus - Radna Fabias

Een poëtische dijkdoorbraak

Radna Fabias
Habitus
Uitgever: De Arbeiderspers
2018
ISBN 9789029523806
€ 19,99
120 blz.

Het lezen van het debuut van Radna Fabias (1984) is een overweldigende ervaring. Het zijn geen gedichten die je vrijblijvend tot je kunt nemen. Het zijn buitengewoon persoonlijke en tegelijkertijd politieke gedichten, die je dwingen tot stellingname. Op de achterkant wordt Habitus als volgt aangeprezen: “In deze bij vlagen donkere, wezenlijk (maar verre van vreugdeloos) feministische en onverschrokken existentialistische bundel vraagt een vrouw zich af wat ‘thuis’ is.” Een stevige kenschets. Ik vroeg me af of ik in het huidige tijdsgewricht als witte man wel de aangewezen persoon ben om deze bundel te recenseren. Maar de meeste Meander-recensenten zijn witte mannen en de bundel is op mijn bureau beland, dus ik zal mijn best doen.

Na het zes pagina’s lange openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ volgt ‘openingsscène’, dat zich evenals het laatste gedicht uit de eerste afdeling, ‘slotscène’, op een vliegveld afspeelt. Mogelijk bezoekt de ik voor een kort verblijf het tropisch eiland, mogelijk Curaçao, waar zij geboren is. In ‘is, is als’ lezen we: ‘de teruggekeerde migrant is als / de teruggekeerde migrant is is / de hete lucht het bezwijken onder de hitte / is het bezwijken’. De gedichten van de eerste afdeling worden afgewisseld met kritisch hilarische scènes uit een reisgids: ‘rode mensen en zij die daarbij horen willen / worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende / negers’ (dit woord staat in de bundel telkens cursief gedrukt). Met ‘rode mensen’ worden waarschijnlijk witte mensen aangeduid, die in de tropenzon snel verbranden. Deze benaming komt terug in de laatste woorden van het slotgedicht: ‘niemand zag het, maar ik stapte uit mijn huid en ik was naakt en ik was pezen spieren / aders / ik was rood’. Veelzeggend is in dit verband de titel van de eerste afdeling van de bundel: ‘uitzicht met kokosnoot’. De term kokosnoot wordt ook wel gebruikt om zwarte mensen aan te duiden die zich in sterke mate aangepast hebben aan de witte norm: donker van buiten, wit van binnen.

De voorkant van de bundel is intrigerend. Een glanzend zwarte kaft, met vier cirkelvormige gaten van verschillende grootte. En als vijfde, kleinste cirkel het logo van de Arbeiderspers. Door de gaten schemert het matte zwart van het schutblad. Het is verleidelijk om hierbij aan zwarte gaten te denken. Halverwege de bundel blijkt dat ook de dichter deze associatie niet uit de weg gaat:

de zwartheid van het gat

zwarte gaten zijn raar
zwarte gaten zijn de wonderlijkste
objecten in het heelal

(…)

het gat is een gebied in de ruimte
het gat is zwart
het gat is heilloos ineengestorte materie
zwart
zwaar van zwaartekracht
het gat is vaak omringd door schijven materiaal
de schijven draaien in een kolk om het zwarte gat en worden godsgruwelijk heet

Zo kort na het overlijden van Stephen Hawking komt dit gedicht zeer actueel over. Binnen de context van de bundel valt er echter veel voor te zeggen het ook als een metafoor op te vatten. Er zijn veel gedichten in Habitus die zeer expliciet over het zwart zijn gaan:

inspectie bij aankomst

 grofweg 1 meter 70 als het meetinstrument de haren omlaag duwt
veerkrachtig haar (fijn, krullend, her en der stug, veranderlijk, dorstig)
voorhoofd: onnadrukkelijk
wenkbrauwen: zwart – iets doorlopend –
wimpers: niet geteld, ze zijn er, ze zijn donker
ogen: groot, donkerbruin, nadrukkelijk aanwezig zo ook
neus: nadrukkelijk etnisch
lippen: pruilen nauwelijks, mondhoeken met enige regelmaat omhoog
(…)

In dit gedicht wordt de dichter in haar hoedanigheid van zwarte vrouw als een object aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. En als lezer worden we gedwongen mee te kijken. Het gedicht staat in ‘rib’, de tweede afdeling van de bundel. Er worden stevige vragen opgeworpen: ‘of liefde reductie is / hoe klein een vrouw kan worden’. Het ‘(over)grootmoederlijk advies’ uit het gelijknamige gedicht liegt er ook niet om: ‘laat je nooit in met negers die hun dreadlocks in geknoopte vrouwenpanty’s op hun hoofd dragen / – dat is een metafoor – / laat je nooit in met negers die onnadenkend compulsief naar hun piemel grijpen / – ook dat is een metafoor – / vertrouw niemand die de kleur heeft van pure chocolade / – ze blijven voor altijd aan je dijen hangen –‘.

De derde afdeling heet ‘aantoonbaar geleverde inspanning’. Het is een term die ontleend is aan de inburgeringsplicht. ‘U kunt ontheffing krijgen als u genoeg hebt gedaan om in te burgeren. Dat heet aantoonbaar geleverde inspanning.’ (www.inburgeren.nl) De aanpassing van de ik aan het in meerdere opzichten koude Nederland is onderwerp van deze afdeling, zij het niet van alle gedichten. ’25 scènes waarin ik het geval niet had’ gaat eerder over het zoeken naar liefde, en grijpt in de titel terug op het gedicht ‘wat we over het geval kunnen melden’. Het gedicht is lang, is schrijnend en misschien autobiografisch interessant, maar kan me mede door het gebrek aan klank en ritme op den duur niet echt boeien. Dat geldt ook voor het vijf pagina lange titelgedicht:

aantoonbaar geleverde inspanning

(…)

de ballotant kan fietsen zonder zijwielen
weet hoe kleding aan te passen aan weersomstandigheden
kan zonder jas naar buiten als het 15 graden is
gebruikt de heupen minder bij het dansen

de ballotant bezoekt de juiste etablissementen
heeft geleerd een uur over een kop koffie te doen in ruil voor gratis wifi
verdient nu voldoende voor een macbook
weet welke sticker de juiste is om op de gloeiende appel te plakken
heeft een gepast kapsel gevonden
verbergt haar brandmerken

(…)

Het neologisme ‘ballotant’ is elegant uit het Frans geleend, maar kan niet voorkomen dat het gedicht op den duur verzandt in prekerige en weinig originele aanklachten: ‘we heten de ballotant welkom // de wind / de kranten mét culturele bijlage / de roltrappen / de horecaconcepten / de tweede kamer / jonge mannen met snorren / jonge mannen in leggings (…) het glazen plafond / het polderen / de verheerlijking van maakbaarheid’ enz. enz. Natuurlijk, de opsomming is een goed bruikbare stijlfiguur, maar wat mij betreft onvoldoende om het gedicht overeind te houden. Of misschien begint op p.106 (!) van deze bundel de moeheid toe te slaan. Beperking is niet de sterkste kant van deze debutant.

De titel Habitus plaatst me ook na lezing van de gehele bundel voor vraagtekens. De klassieke toon van de titel past totaal niet bij het taalgebruik van de meeste gedichten. En dan: wat betekent het eigenlijk? Op de achterkant wordt de vraag centraal gesteld “wat ‘thuis’ is”. Dat doet denken aan habitat: leefgebied, natuurlijke verblijfplaats. Habitus betekent echter verschijningsvorm. Moeten we op zoek gaan naar de verschillende verschijningsvormen van de ik / de dichter / Radna Fabias in de verschillende afdelingen? In ‘uitzicht met kokosnoot’ is de omgeving Curaçao, waar de dichter vandaan komt, maar zich niet meer volledig thuis voelt. De titel ‘rib’ verwijst naar het scheppingsverhaal: in de tweede afdeling staat het vrouw-zijn centraal. En ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ tenslotte lijkt zich in Nederland af te spelen, waar de ik op een andere manier haar best moet doen om te aarden. Met een beetje goede wil zou je kunnen zeggen, dat ik zich als een kameleon aan de verschillende omgevingen aanpast, en dat de gedichten de verschillende verschijningsvormen belichten, waar de ik natuurlijk nooit volledig mee samenvalt. Of is de ik toch op zoek naar waar ze zich het meest thuis voelt, waar ze thuis hoort: haar habitat? Hoe dan ook, Habitus maakt ons deelgenoot van deze zoektocht in ruim honderd pagina’s opzwepende, verhalende, provocerende en lyrische taal. Daarmee neemt deze bundel een opvallende plaats in het huidige poëzielandschap in, waar een eindeloze stoet van gedichten traag door oneindig laagland gaat, en men zich meer opwindt over een binnenrijm dan over de inhoud.

***
Lees ook het interview met Radna Fabias in de Volkskrant

Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.

Recensie van Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie - Thomas Eyskens

Er is tijd om overmorgen iets te hebben achtergelaten

Thomas Eyskens
Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511407
€ 34,99
590 blz.

Waarom zou je het levensverhaal van een dichter lezen? Wat haar of hem echt heeft bezig gehouden, is vast neergedaald in het oeuvre, die lees je vast niet in de biografie. De ‘ik’ die de kop opsteekt in de verzen, mogen we niet uitleggen als ‘ik’ de dichter, dus ook op dat vlak blijven er raadsels. Met een biografie ben je er nie.

Toch was ik nieuwsgierig naar Toen met een lijst van nu errond, de biografie van Herman de Coninck, geschreven door Thomas Eyskens. Ik lees de gedichten van De Coninck graag maar weet niet veel van zijn leven en zijn poëzie geeft het gevoel dat de ‘ik’ en de ‘lyrische ik’ dicht tegen elkaar schuren. Laat ik het zo zeggen, ze keken vast regelmatig door diezelfde bril met grote glazen. Het schamele wat ik weet: Vlaams dichter, te jong overleden, naamgever van een prijs voor mooi dichtwerk, geliefde van de Vlaamse auteur Kristien Hemmerechts die een boek heeft geschreven over hem na zijn dood: Taal zonder mij. Ik wilde graag meer weten en zag niet op tegen de 500 pagina’s tekst die Eyskens daarvoor heeft volgeschreven.

Toch maakte ik geen vliegende start met het boek. Hermans jeugd bevat boeiende aspecten, maar ik moest wel erg vaak mee op school- of studietripjes met zijn vrienden van het eerste uur. Vast allemaal waar gebeurd want biograaf Eyskens heeft tal van gesprekken gevoerd met iedereen die maar iets heeft betekend voor Herman de Coninck. Schokkend is het om te lezen hoe Herman en zijn zus volledig in de duisternis werden gelaten toen hun vader lange tijd niet thuis kwam. Belastingproblemen door de winkel en daarna zo ziek geworden dat hij verpleegd moet worden en niet mag worden bezocht, was het verhaal. In werkelijkheid zat vader Frans in de gevangenis wegens pedoseksuele activiteiten. Moeder zorgde voor kinderen en de inkomsten via de boekwinkel. Voor Nederlanders boeiend om te lezen hoe verschillend de Vlaamse samenleving was in de jaren na de oorlog. De taalstrijd was een wezenlijk fenomeen in die periode en dat had invloed op school en studie.

Net als je wat mismoedig dreigt te worden over de te grote mate van gedetailleerdheid over (in mijn ogen) niet al te relevante delen van de levensbeschrijving, begint er vaart te komen in het verhaal. Hermans pogingen om in het onderwijs terecht te komen, Hermans eerste schreden als literair journalist, het turbulente kroegleven en daardoorheen zijn liefdesleven, Eyskens brengt alsmaar meer vaart in het verhaal. En waar je in de eerste hoofdstukken denkt hier kan wel wat uit, denk je verderop, hier had ik best wat meer van willen weten. Zo lees je dat De Coninck met wat jonge dichters de schouwburgen en theaterzaaltjes af gaat, maar het is onduidelijk waar die impuls opeens vandaan komt. Als Herman zijn overpeinzingen daarover niet heeft toevertrouwd aan de wereld via een gedicht, brief, essay of krantenartikel, zwijgt Eyskens met hem.

Het staat er allemaal in: zijn streng-katholieke opvoeding, het noodlottige ongeval van zijn eerste echtgenoot An, opkomst en ondergang van de relatie met zijn twee echtgenote Lieve, zijn reizen naar Amerika en Zuid-Afrika, zijn geworstel in de relatie met Kristien Hemmerechts, zijn redactiewerk voor De Morgen en het Nieuwe Wereldtijdschrift en zijn bizarre overlijden in Portugal in de armen van dichter Anna Enquist. En tussen het leven door zoekt Herman mogelijkheden om dichtbundels te schrijven. In essays schrijft hij dan weer over de totstandkoming van zijn poëzie. Zoals over het gedicht ‘Melkweg’ dat in de bundel Enkelvoud terecht kwam. Hij heeft zojuist het verschil ontdekt tussen een takje vlier en een takje fluitenkruid waarvan de laatste “genoeg witte puntjes heeft voor alle i’s uit de hele Van Dale.” Daarover moet worden gedicht: “Als ik er nu nog eens een vergrootglas bij haal, om één puntje te bestuderen, kan het gedicht beginnen. Als het zo al zou werken. Maar zo werkt het niet. Poëzie komt pas als je erop wacht zonder nog te wachten.” [p. 396]

De biografie geeft niet alleen inzicht in de levensloop van Herman de Coninck maar vertelt ook veel over het literaire klimaat in Vlaanderen en Nederland aan het einde van de twintigste eeuw. En daarmee over de enorme verschillen tussen het literaire leven van Vlaanderen en Nederland. Er zijn al veel bundels van Herman de Coninck met succes verkocht in Vlaanderen voordat de Hollanders zich gewonnen geven. Dan is er een periode het gekke gedoe met twee uitgevers: één voor de Vlaamse markt en één voor de Nederlandse, waarbij de laatste regelmatig met zijn voorraad blijft zitten die dan toch maar weer naar Vlaanderen worden gestuurd. De strijd van De Coninck om ‘zijn’ tijdschrift, Het Nieuwe Wereldtijdschrift, ook goed gedistribueerd en verkocht te krijgen in Nederland, is een rode draad in de historie van het tijdschrift. En telkens als er lijsten met namen voorkomen van Vlaamse literatoren, moet ik beschaamd bekennen dat ik ze lang niet allemaal ken. Hugo Claus, vanzelfsprekend. Piet Piryns zie ik jaarlijks op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Anderen ken ik van naam en niet van werk en veel mensen niet eens van naam. Er valt nog genoeg te lezen.

Thomas Eyskens kiest niet voor een lopende lijn, maar voor anekdotische fragmenten, variërend van thema: werk, liefde, werk, gezin, werk, moeder, werk, poëzie, werk. Allemaal chronologisch waardoor het lijkt of Herman in parallelle universa heeft geleefd. Het is bewonderenswaardig hoeveel informatie Eyskens heeft kunnen verwerken, hoe degelijk hij heeft geïnventariseerd, hoe uitputtend hij al het beschikbare materiaal aan brieven, artikelen, notities heeft verwerkt om ze een plaats te geven. Een caleidoscoop aan feiten en gebeurtenissen, met veel vaart gepresenteerd.

Dat voordeel is ook het nadeel: er blijft afstand tussen het subject Herman de Dichter en mij Ernst Jan de Lezer. Ik blader door een prentenboek en zie de buitenkant van een leven zonder dat ik binnen wordt gevraagd. Cluedo voor gevorderden: aanwijzingen zat, maar ik moet wat er in het hoofd van de dader omging zelf reconstrueren.

Ik begrijp veel meer van de verwijzingen die Herman de Coninck verwerkt in zijn gedichten en daar ben ik blij om, ik weet veel over zijn levensloop, maar ik had gehoopt iets meer over zijn innerlijke motieven te lezen. Zeker, de invloeden zijn genoemd: Lodeizen, Vestdijk, Kopland, maar op welke manier ze de dichter hebben gevormd zou vragen om een duiding en die stap zet Eyskens niet. Misschien kan een ander dat doen op basis van de schat aan informatie die Eyskens heeft opgebouwd en gepresenteerd. Ikzelf kreeg steeds meer zin om het dichtwerk van Herman de Coninck te lezen / herlezen. En dat is ook een mooie prestatie. Veel gedichten van Herman gaan over het besef van tijd, het kijken naar een afgelegd stuk leven, over sterfelijkheid. Ik citeer het gedicht ‘De Plek’ uit de bundel Schoolslag maar ik had kunnen kiezen uit honderden regels. Een biografie brengt je iets dichter bij de dichter, maar nooit zo dicht als het werk zelf.

DE PLEK

Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, 
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken. 
Er is niets te zien, en dat moet je zien 
om alles bij het zeer oude te laten.

Er is hier. Er is tijd 
om overmorgen iets te hebben achtergelaten. 
Daar moet je vandaag voor zorgen. 
Voor sterfelijkheid.

***
Thomas Eyskens (1976) publiceerde in 2014  Er is niets te zien en dat moet je zien, een literaire wandelgids door Mechelen, de geboorteplaats van Herman de Coninck, als opmaat naar de complete en veelomvattende biografie  Toen met een lijst van nu errond. Eyskens studeerde wijsbegeerte en journalistiek in Brussel.

Recensie van Wax Hollandais - Abdelkader Benali

Speelgoed, sportief verlies en literaire revanche

Abdelkader Benali
Wax Hollandais
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514675
€ 19,99
104 blz.

De dichtbundel Wax Hollandais van Abdelkader Benali is een waardige opvolger van Panacee uit 2006. Het is een uitdagende, gevarieerde bundel geworden. Gedichten over Nederlandse steden, over Marokko, over het huishouden en vaderschap, over culturele diversiteit en over het schrijven zelf. Kenmerkend voor zijn poëzie is de vitale toon en de speelsheid in het merendeel van zijn gedichten. De titel Wax Hollandais is een verwijzing naar een batiktechniek van het Helmondse bedrijf Vlisco, dat vooral de Afrikaanse markt bedient met zijn zeer kleurrijke textielontwerpen en stoffen. De vormkenmerken wisselen sterk in de gedichten, zowel qua strofebouw als het gebruik van hoofdletters en interpunctie. De korte openingstekst in proza ‘De ontdekking van de poëzie’, een dialoog tussen de ik-figuur als kind en een onbarmhartige deurwaarder over wat speelgoed is en wat speelgoed kan zijn, is een boeiende leidraad voor de lezer. Een klein fragment:

‘We hebben geen speelgoed,’ zei ik tegen de man. 
‘Dat zullen we nog wel zien,’ zei hij en begon door het huis te lopen, die paar kamers, en voordat ik het wist was hij naar me toe gekomen met onder zijn arm allerlei zaken waarvan ik niet had geweten dat ik ze in mijn bezit had.

Benali is een dichter die de steden waar hij komt op aanstekelijke wijze in een fraaie, korte openingszin wegzet. Het gedicht ‘Den Helder’ begint met ‘Veel marine, weinig hart’ en ‘Rotterdam’ met ‘Op de tram wachten.’ Soms gebruikt de dichter meer woorden. Boxmeer mag het hier mee doen: ‘Ik kon me niet herinneren ooit in Boxmeer / te zijn geweest totdat ik het me weer herinnerde, / ik was in Boxmeer geweest.’ Ik heb zelden de kleurloosheid van een plaats zo verwoord gezien. Hoe leer je Dordrecht kennen? Het is ‘Een stad die ik leerde kennen van de Wibra- / reclamefolder die maandelijks op de mat / viel.’ Deze afdeling ‘Urbi et Orbi’ (Voor de stad en voor de wereld) is een reis langs Nederlandse steden die de dichter bezoekt omdat hij er lezingen houdt of hardloopt. De poëzie is in zijn taalspel bijna argeloos te noemen, maar intussen word je als lezer geregeld gedwongen te stoppen met lezen en na te denken over de betekenis van de versregels. Ook het gedicht ‘Nijmegen’ begint met een opmerkelijke openingszin:

Ik was niemand nog, de Waal was alles. Ontvangen
werd ik als een schrijver van de buitencategorie – wat
ik vertelde klonk hun bekend en ook vreemd in de oren.
Later kwam ik terug om een sprintje te trekken,

zonder het te beseffen penetreerde ik Duitsland,
onderdeel van het verzet, liet een geheim spoor
achter, zestig jaar na de oorlog deelde ik de laatste
tik uit. De heuvels die in november de kleur van

molshopen aannemen. En de regen barricadeert
de ramen en de deuren. Denkt en leest men
grondig over een wereld die ooit zal komen. Dat
Nina Simone hier rust en reinheid vond. Vanzelf-

sprekend. Men werkt er serieus aan een mystiek
lichaam dat zichzelf bezweet in slaap wiegt.

Het gedicht bevat verwijzingen naar het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Ik vraag me zelfs af: wordt hier de spot gedreven met al die mensen die er na de oorlog prat op gingen in het verzet te hebben gezeten? Ook refereert de dichter aan de traditionele Zevenheuvelenloop, aan Frans Kellendonk (‘mystiek lichaam’) en aan Nina Simone, die in 1988-1990 in Nijmegen verbleef en daar blijkbaar wel ‘rust en reinheid’, maar niet de r van regelmaat vond. Veel van Benali’s gedichten in deze bundel hebben de structuur van bovenstaand gedicht, namelijk 14 versregels, drie kwatrijnen en één distichon, het zogenaamde Shakespearesonnet. Omdat andere eigenschappen van het sonnet, zoals rijmschema’s, metrum en wending ontbreken wil ik deze gedichten niet zonder meer sonnetten noemen omdat de vorm erg vrij is.  

Sport in het algemeen, niet alleen hardlopen, is een belangrijk onderdeel van de bundel. Sport gaat altijd over vormen van bewegen, zoals springen en neerkomen, stijgen en dalen, vertragen en versnellen. Dat geeft de dichter de mogelijkheid om deze bewegingen te verbinden met aspecten van tijd en ruimte. De bewegingen worden een metafoor. In ‘De polsstokhoogspringster’ schrijft de dichter wanneer hij vol bewondering de voorbereiding en de sprong van een atlete waarneemt: ‘Tot grote hoogte gekomen beroerde ze me, / ik stond op springen, ook ik.’  En in ‘Afrikaan in Lelystad’, dat uit twee gedichten bestaat, vraagt de dichter zich af: ‘Wat doet een Keniaan in Lelystad? Durf te vragen. / De weg naar huis vinden natuurlijk.’ In het tweede gedicht neemt hij als dichter achteraf wraak op zijn falen als hardloper (‘hopeloos uit vorm’) in de wedstrijd, waaraan ook de Keniaan deelnam. Hij dicht: ‘jouw hoogmoed / afstraffen door je achter me te laten, op papier, enkel, / sportief verlies is een literaire voorwaarde voor revanche’. Wat een uitspraak! Sport en dichtkunst vullen elkaar niet alleen aan, sport is een voorwaarde om in de dichtkunst het hoogste te bereiken.

Het lange gedicht ‘De luit van mijn oom’ in de afdeling ‘Marokko Express’ is een ode aan dit muziekinstrument, aan ‘zijn geliefde’. Zijn reis naar zijn geboorteland heeft in dit gedicht een louterende werking op de dichter; het is een vorm van opgelegde catharsis: ‘Fris / in de kleren gestoken / op de duizelingwekkende / boot die Europa verliet, werden we / onder de douche gezet, gewassen, / verschoond, zodat we schoner / aankwamen dan we ooit waren geweest / De nieuwe mens.’ De dichter is niet alleen een ambitieuze hardloper, maar ook een reiziger die zich in de bundel enkele malen afvraagt wat nu precies zijn geboorteplaats of -land is. Hij is op zoek naar wie hij nu eigenlijk is.    

Als recensent zeg ik niet gauw dat ik plezier heb beleefd aan het lezen van een dichtbundel. Dat kan als een negatief oordeel overkomen dat de gelezen poëzie oppervlakkig is, dat de gedichten me niet geraakt hebben. Meestal geef ik een oordeel in andere bewoordingen. Veel poëzie heeft nu eenmaal een ernstige toon, heeft een bepaalde mate van abstractie of is op een andere manier speels. Bij Abdelkader Benali ligt dat in Wax Hollandais anders. Hoe hij het leven ziet, wordt duidelijk uit de beginregels van het laatste gedicht:

We leven omdat het leven voor ons ligt,
we rollen het op als een tapijt en wat
we kwijtraken, komt nooit meer terug,
dus feest als je feesten kan, leef vrij van
dwang en ontmasker de vrijheid.

Benali’s dagelijkse levenservaringen zijn uitgangspunt voor zijn toegankelijke gedichten. Deze gedichten zijn vitalistisch van aard, ze hebben een milde toon als ze kritisch zijn en gaan het bespotten van actuele situaties niet uit de weg. Zijn poëzie is aangenaam om te lezen, zij is toegankelijk en authentiek en bevat een persoonlijke diepgang. Nergens krijg ik het gevoel dat de dichter met mij als lezer een spelletje speelt. Benali neemt zijn lezers op speelse wijze serieus.

***
Abdelkader Benali (Aghazzazen, Marokko 1975)  debuteerde met de roman Bruiloft aan zee (1997). Voor zijn tweede boek De langverwachte (2003) ontving hij de Libris Literatuur Prijs. Zijn oeuvre bevat ook verhalenbundels, gedichten en beschouwend proza. Zijn laatste dichtbundel Panacee verscheen in 2006. Hij presenteerde voor de Nederlandse televisie twee programma’s over literatuur en Nederlandse schrijvers, namelijk De schrijver en de stad (2010) en Benali boekt (2011-2012). In 2018 is hij voorzitter van de jury van de Libris Literatuur Prijs.