Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.

Recensie van Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie - Thomas Eyskens

Er is tijd om overmorgen iets te hebben achtergelaten

Thomas Eyskens
Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck Biografie
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511407
€ 34,99
590 blz.

Waarom zou je het levensverhaal van een dichter lezen? Wat haar of hem echt heeft bezig gehouden, is vast neergedaald in het oeuvre, die lees je vast niet in de biografie. De ‘ik’ die de kop opsteekt in de verzen, mogen we niet uitleggen als ‘ik’ de dichter, dus ook op dat vlak blijven er raadsels. Met een biografie ben je er nie.

Toch was ik nieuwsgierig naar Toen met een lijst van nu errond, de biografie van Herman de Coninck, geschreven door Thomas Eyskens. Ik lees de gedichten van De Coninck graag maar weet niet veel van zijn leven en zijn poëzie geeft het gevoel dat de ‘ik’ en de ‘lyrische ik’ dicht tegen elkaar schuren. Laat ik het zo zeggen, ze keken vast regelmatig door diezelfde bril met grote glazen. Het schamele wat ik weet: Vlaams dichter, te jong overleden, naamgever van een prijs voor mooi dichtwerk, geliefde van de Vlaamse auteur Kristien Hemmerechts die een boek heeft geschreven over hem na zijn dood: Taal zonder mij. Ik wilde graag meer weten en zag niet op tegen de 500 pagina’s tekst die Eyskens daarvoor heeft volgeschreven.

Toch maakte ik geen vliegende start met het boek. Hermans jeugd bevat boeiende aspecten, maar ik moest wel erg vaak mee op school- of studietripjes met zijn vrienden van het eerste uur. Vast allemaal waar gebeurd want biograaf Eyskens heeft tal van gesprekken gevoerd met iedereen die maar iets heeft betekend voor Herman de Coninck. Schokkend is het om te lezen hoe Herman en zijn zus volledig in de duisternis werden gelaten toen hun vader lange tijd niet thuis kwam. Belastingproblemen door de winkel en daarna zo ziek geworden dat hij verpleegd moet worden en niet mag worden bezocht, was het verhaal. In werkelijkheid zat vader Frans in de gevangenis wegens pedoseksuele activiteiten. Moeder zorgde voor kinderen en de inkomsten via de boekwinkel. Voor Nederlanders boeiend om te lezen hoe verschillend de Vlaamse samenleving was in de jaren na de oorlog. De taalstrijd was een wezenlijk fenomeen in die periode en dat had invloed op school en studie.

Net als je wat mismoedig dreigt te worden over de te grote mate van gedetailleerdheid over (in mijn ogen) niet al te relevante delen van de levensbeschrijving, begint er vaart te komen in het verhaal. Hermans pogingen om in het onderwijs terecht te komen, Hermans eerste schreden als literair journalist, het turbulente kroegleven en daardoorheen zijn liefdesleven, Eyskens brengt alsmaar meer vaart in het verhaal. En waar je in de eerste hoofdstukken denkt hier kan wel wat uit, denk je verderop, hier had ik best wat meer van willen weten. Zo lees je dat De Coninck met wat jonge dichters de schouwburgen en theaterzaaltjes af gaat, maar het is onduidelijk waar die impuls opeens vandaan komt. Als Herman zijn overpeinzingen daarover niet heeft toevertrouwd aan de wereld via een gedicht, brief, essay of krantenartikel, zwijgt Eyskens met hem.

Het staat er allemaal in: zijn streng-katholieke opvoeding, het noodlottige ongeval van zijn eerste echtgenoot An, opkomst en ondergang van de relatie met zijn twee echtgenote Lieve, zijn reizen naar Amerika en Zuid-Afrika, zijn geworstel in de relatie met Kristien Hemmerechts, zijn redactiewerk voor De Morgen en het Nieuwe Wereldtijdschrift en zijn bizarre overlijden in Portugal in de armen van dichter Anna Enquist. En tussen het leven door zoekt Herman mogelijkheden om dichtbundels te schrijven. In essays schrijft hij dan weer over de totstandkoming van zijn poëzie. Zoals over het gedicht ‘Melkweg’ dat in de bundel Enkelvoud terecht kwam. Hij heeft zojuist het verschil ontdekt tussen een takje vlier en een takje fluitenkruid waarvan de laatste “genoeg witte puntjes heeft voor alle i’s uit de hele Van Dale.” Daarover moet worden gedicht: “Als ik er nu nog eens een vergrootglas bij haal, om één puntje te bestuderen, kan het gedicht beginnen. Als het zo al zou werken. Maar zo werkt het niet. Poëzie komt pas als je erop wacht zonder nog te wachten.” [p. 396]

De biografie geeft niet alleen inzicht in de levensloop van Herman de Coninck maar vertelt ook veel over het literaire klimaat in Vlaanderen en Nederland aan het einde van de twintigste eeuw. En daarmee over de enorme verschillen tussen het literaire leven van Vlaanderen en Nederland. Er zijn al veel bundels van Herman de Coninck met succes verkocht in Vlaanderen voordat de Hollanders zich gewonnen geven. Dan is er een periode het gekke gedoe met twee uitgevers: één voor de Vlaamse markt en één voor de Nederlandse, waarbij de laatste regelmatig met zijn voorraad blijft zitten die dan toch maar weer naar Vlaanderen worden gestuurd. De strijd van De Coninck om ‘zijn’ tijdschrift, Het Nieuwe Wereldtijdschrift, ook goed gedistribueerd en verkocht te krijgen in Nederland, is een rode draad in de historie van het tijdschrift. En telkens als er lijsten met namen voorkomen van Vlaamse literatoren, moet ik beschaamd bekennen dat ik ze lang niet allemaal ken. Hugo Claus, vanzelfsprekend. Piet Piryns zie ik jaarlijks op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Anderen ken ik van naam en niet van werk en veel mensen niet eens van naam. Er valt nog genoeg te lezen.

Thomas Eyskens kiest niet voor een lopende lijn, maar voor anekdotische fragmenten, variërend van thema: werk, liefde, werk, gezin, werk, moeder, werk, poëzie, werk. Allemaal chronologisch waardoor het lijkt of Herman in parallelle universa heeft geleefd. Het is bewonderenswaardig hoeveel informatie Eyskens heeft kunnen verwerken, hoe degelijk hij heeft geïnventariseerd, hoe uitputtend hij al het beschikbare materiaal aan brieven, artikelen, notities heeft verwerkt om ze een plaats te geven. Een caleidoscoop aan feiten en gebeurtenissen, met veel vaart gepresenteerd.

Dat voordeel is ook het nadeel: er blijft afstand tussen het subject Herman de Dichter en mij Ernst Jan de Lezer. Ik blader door een prentenboek en zie de buitenkant van een leven zonder dat ik binnen wordt gevraagd. Cluedo voor gevorderden: aanwijzingen zat, maar ik moet wat er in het hoofd van de dader omging zelf reconstrueren.

Ik begrijp veel meer van de verwijzingen die Herman de Coninck verwerkt in zijn gedichten en daar ben ik blij om, ik weet veel over zijn levensloop, maar ik had gehoopt iets meer over zijn innerlijke motieven te lezen. Zeker, de invloeden zijn genoemd: Lodeizen, Vestdijk, Kopland, maar op welke manier ze de dichter hebben gevormd zou vragen om een duiding en die stap zet Eyskens niet. Misschien kan een ander dat doen op basis van de schat aan informatie die Eyskens heeft opgebouwd en gepresenteerd. Ikzelf kreeg steeds meer zin om het dichtwerk van Herman de Coninck te lezen / herlezen. En dat is ook een mooie prestatie. Veel gedichten van Herman gaan over het besef van tijd, het kijken naar een afgelegd stuk leven, over sterfelijkheid. Ik citeer het gedicht ‘De Plek’ uit de bundel Schoolslag maar ik had kunnen kiezen uit honderden regels. Een biografie brengt je iets dichter bij de dichter, maar nooit zo dicht als het werk zelf.

DE PLEK

Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, 
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken. 
Er is niets te zien, en dat moet je zien 
om alles bij het zeer oude te laten.

Er is hier. Er is tijd 
om overmorgen iets te hebben achtergelaten. 
Daar moet je vandaag voor zorgen. 
Voor sterfelijkheid.

***
Thomas Eyskens (1976) publiceerde in 2014  Er is niets te zien en dat moet je zien, een literaire wandelgids door Mechelen, de geboorteplaats van Herman de Coninck, als opmaat naar de complete en veelomvattende biografie  Toen met een lijst van nu errond. Eyskens studeerde wijsbegeerte en journalistiek in Brussel.

Recensie van Wax Hollandais - Abdelkader Benali

Speelgoed, sportief verlies en literaire revanche

Abdelkader Benali
Wax Hollandais
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514675
€ 19,99
104 blz.

De dichtbundel Wax Hollandais van Abdelkader Benali is een waardige opvolger van Panacee uit 2006. Het is een uitdagende, gevarieerde bundel geworden. Gedichten over Nederlandse steden, over Marokko, over het huishouden en vaderschap, over culturele diversiteit en over het schrijven zelf. Kenmerkend voor zijn poëzie is de vitale toon en de speelsheid in het merendeel van zijn gedichten. De titel Wax Hollandais is een verwijzing naar een batiktechniek van het Helmondse bedrijf Vlisco, dat vooral de Afrikaanse markt bedient met zijn zeer kleurrijke textielontwerpen en stoffen. De vormkenmerken wisselen sterk in de gedichten, zowel qua strofebouw als het gebruik van hoofdletters en interpunctie. De korte openingstekst in proza ‘De ontdekking van de poëzie’, een dialoog tussen de ik-figuur als kind en een onbarmhartige deurwaarder over wat speelgoed is en wat speelgoed kan zijn, is een boeiende leidraad voor de lezer. Een klein fragment:

‘We hebben geen speelgoed,’ zei ik tegen de man. 
‘Dat zullen we nog wel zien,’ zei hij en begon door het huis te lopen, die paar kamers, en voordat ik het wist was hij naar me toe gekomen met onder zijn arm allerlei zaken waarvan ik niet had geweten dat ik ze in mijn bezit had.

Benali is een dichter die de steden waar hij komt op aanstekelijke wijze in een fraaie, korte openingszin wegzet. Het gedicht ‘Den Helder’ begint met ‘Veel marine, weinig hart’ en ‘Rotterdam’ met ‘Op de tram wachten.’ Soms gebruikt de dichter meer woorden. Boxmeer mag het hier mee doen: ‘Ik kon me niet herinneren ooit in Boxmeer / te zijn geweest totdat ik het me weer herinnerde, / ik was in Boxmeer geweest.’ Ik heb zelden de kleurloosheid van een plaats zo verwoord gezien. Hoe leer je Dordrecht kennen? Het is ‘Een stad die ik leerde kennen van de Wibra- / reclamefolder die maandelijks op de mat / viel.’ Deze afdeling ‘Urbi et Orbi’ (Voor de stad en voor de wereld) is een reis langs Nederlandse steden die de dichter bezoekt omdat hij er lezingen houdt of hardloopt. De poëzie is in zijn taalspel bijna argeloos te noemen, maar intussen word je als lezer geregeld gedwongen te stoppen met lezen en na te denken over de betekenis van de versregels. Ook het gedicht ‘Nijmegen’ begint met een opmerkelijke openingszin:

Ik was niemand nog, de Waal was alles. Ontvangen
werd ik als een schrijver van de buitencategorie – wat
ik vertelde klonk hun bekend en ook vreemd in de oren.
Later kwam ik terug om een sprintje te trekken,

zonder het te beseffen penetreerde ik Duitsland,
onderdeel van het verzet, liet een geheim spoor
achter, zestig jaar na de oorlog deelde ik de laatste
tik uit. De heuvels die in november de kleur van

molshopen aannemen. En de regen barricadeert
de ramen en de deuren. Denkt en leest men
grondig over een wereld die ooit zal komen. Dat
Nina Simone hier rust en reinheid vond. Vanzelf-

sprekend. Men werkt er serieus aan een mystiek
lichaam dat zichzelf bezweet in slaap wiegt.

Het gedicht bevat verwijzingen naar het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Ik vraag me zelfs af: wordt hier de spot gedreven met al die mensen die er na de oorlog prat op gingen in het verzet te hebben gezeten? Ook refereert de dichter aan de traditionele Zevenheuvelenloop, aan Frans Kellendonk (‘mystiek lichaam’) en aan Nina Simone, die in 1988-1990 in Nijmegen verbleef en daar blijkbaar wel ‘rust en reinheid’, maar niet de r van regelmaat vond. Veel van Benali’s gedichten in deze bundel hebben de structuur van bovenstaand gedicht, namelijk 14 versregels, drie kwatrijnen en één distichon, het zogenaamde Shakespearesonnet. Omdat andere eigenschappen van het sonnet, zoals rijmschema’s, metrum en wending ontbreken wil ik deze gedichten niet zonder meer sonnetten noemen omdat de vorm erg vrij is.  

Sport in het algemeen, niet alleen hardlopen, is een belangrijk onderdeel van de bundel. Sport gaat altijd over vormen van bewegen, zoals springen en neerkomen, stijgen en dalen, vertragen en versnellen. Dat geeft de dichter de mogelijkheid om deze bewegingen te verbinden met aspecten van tijd en ruimte. De bewegingen worden een metafoor. In ‘De polsstokhoogspringster’ schrijft de dichter wanneer hij vol bewondering de voorbereiding en de sprong van een atlete waarneemt: ‘Tot grote hoogte gekomen beroerde ze me, / ik stond op springen, ook ik.’  En in ‘Afrikaan in Lelystad’, dat uit twee gedichten bestaat, vraagt de dichter zich af: ‘Wat doet een Keniaan in Lelystad? Durf te vragen. / De weg naar huis vinden natuurlijk.’ In het tweede gedicht neemt hij als dichter achteraf wraak op zijn falen als hardloper (‘hopeloos uit vorm’) in de wedstrijd, waaraan ook de Keniaan deelnam. Hij dicht: ‘jouw hoogmoed / afstraffen door je achter me te laten, op papier, enkel, / sportief verlies is een literaire voorwaarde voor revanche’. Wat een uitspraak! Sport en dichtkunst vullen elkaar niet alleen aan, sport is een voorwaarde om in de dichtkunst het hoogste te bereiken.

Het lange gedicht ‘De luit van mijn oom’ in de afdeling ‘Marokko Express’ is een ode aan dit muziekinstrument, aan ‘zijn geliefde’. Zijn reis naar zijn geboorteland heeft in dit gedicht een louterende werking op de dichter; het is een vorm van opgelegde catharsis: ‘Fris / in de kleren gestoken / op de duizelingwekkende / boot die Europa verliet, werden we / onder de douche gezet, gewassen, / verschoond, zodat we schoner / aankwamen dan we ooit waren geweest / De nieuwe mens.’ De dichter is niet alleen een ambitieuze hardloper, maar ook een reiziger die zich in de bundel enkele malen afvraagt wat nu precies zijn geboorteplaats of -land is. Hij is op zoek naar wie hij nu eigenlijk is.    

Als recensent zeg ik niet gauw dat ik plezier heb beleefd aan het lezen van een dichtbundel. Dat kan als een negatief oordeel overkomen dat de gelezen poëzie oppervlakkig is, dat de gedichten me niet geraakt hebben. Meestal geef ik een oordeel in andere bewoordingen. Veel poëzie heeft nu eenmaal een ernstige toon, heeft een bepaalde mate van abstractie of is op een andere manier speels. Bij Abdelkader Benali ligt dat in Wax Hollandais anders. Hoe hij het leven ziet, wordt duidelijk uit de beginregels van het laatste gedicht:

We leven omdat het leven voor ons ligt,
we rollen het op als een tapijt en wat
we kwijtraken, komt nooit meer terug,
dus feest als je feesten kan, leef vrij van
dwang en ontmasker de vrijheid.

Benali’s dagelijkse levenservaringen zijn uitgangspunt voor zijn toegankelijke gedichten. Deze gedichten zijn vitalistisch van aard, ze hebben een milde toon als ze kritisch zijn en gaan het bespotten van actuele situaties niet uit de weg. Zijn poëzie is aangenaam om te lezen, zij is toegankelijk en authentiek en bevat een persoonlijke diepgang. Nergens krijg ik het gevoel dat de dichter met mij als lezer een spelletje speelt. Benali neemt zijn lezers op speelse wijze serieus.

***
Abdelkader Benali (Aghazzazen, Marokko 1975)  debuteerde met de roman Bruiloft aan zee (1997). Voor zijn tweede boek De langverwachte (2003) ontving hij de Libris Literatuur Prijs. Zijn oeuvre bevat ook verhalenbundels, gedichten en beschouwend proza. Zijn laatste dichtbundel Panacee verscheen in 2006. Hij presenteerde voor de Nederlandse televisie twee programma’s over literatuur en Nederlandse schrijvers, namelijk De schrijver en de stad (2010) en Benali boekt (2011-2012). In 2018 is hij voorzitter van de jury van de Libris Literatuur Prijs.

Recensie van Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar - Anna Enquist

Het gratis theater van de ontkenning

Anna Enquist
Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514248
€ 19,99
168 blz.

Dan bouw je een heel oeuvre op met goeddoordachte taalconstructies die het zicht op je zielenleven afschermen en dan sluit je vriendschap met een specialist in psychoanalyse: dat wil zeggen iemand die heeft geleerd om het verhaal te zoeken tussen datgene wat níet wordt gezegd, datgene dat verstopt moet blijven omdat het pijn doet. Het overkwam dichter Gerrit Kouwenaar toen hij na een gezamenlijk optreden bij Poetry International in 1992 in gesprek raakte met Anna Enquist. Daaruit vloeide een warme en betrokken vriendschap tussen de twee dichters en hun gesprek stopte pas met het overlijden van Kouwenaar.

Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar is een uitgave in de Privédomeinreeks, de intelligente variant op de behoefte aan ‘human interest’ en roddel, waarin Anna Enquist met liefde en respect vertelt over haar oudere dichtersvriend. Respectvol maar ook in alle eerlijkheid. Want een gemakkelijk mens was Gerrit niet altijd, routes reed je zoals hij ze dicteerde, in zijn vriendschappen was hij beter in krijgen dan in geven, leningen werden al snel giften. Anna kende in die vriendschapsperiode haar eigen onbeschrijfelijke verdriet door het verlies van een dochter. Dat was iets waar Gerrit niet mee uit de voeten kon, maar ze bleef braaf terugkomen bij Gerrit die, zoveel jaar ouder dan zij, in de herfst en de winter van zijn leven belandde. Totdat hij overleed in 2014.

Alle trieste levenservaringen komen voorbij: het ziekbed van Kouwenaars echtgenote Paula en uiteindelijk haar overlijden, zijn eenzaamheid daarna, zijn aftakelen en tenslotte de laatste periode in het verpleeghuis. Elke fase krijgt een eigen deel in de winterse tuin, als scènes in een dramatisch toneelstuk. Maar de basis van de voortdurende vriendschap is de poëzie en het zijn juist de poëtische beschouwingen die het boek voor de poëzieliefhebbers zo waardevol maken. Zoals over hun gesprekken over het juiste gebruik van witregels en het nut van naslagwerk Het juiste woord. En er is de veelzeggende uitspraak van Kouwenaar over het ontbreken van bomen op IJsland. Bomen spelen een belangrijke rol in zijn werk omdat de boom tal van bruikbare metaforen aanreikt. Een wereld zonder bomen is een wereld die niet klopt. Kouwenaar kan niets met IJsland.

De poëzie ligt altijd op de loer bij hun contacten. Als het gaat over waardering van andere dichters is er de mijmering van Enquist over het ongekende fanatisme van de Vijftigers [p.118]:

Ik denk dat ik (..) niet besefte hoezeer de verbetenheid waarmee de Vijftigers de ‘oude’ literatuur afwezen met de net voorbije oorlog te maken had. Ze hadden allen als jongemannen de heftigheid van die tijd beleefd en moeten intens teleurgesteld zijn geweest dat alles na de bevrijding op de oude voet voortging, dat de hiërarchieën hersteld werden, dat het leek alsof er helemaal niets was gebeurd. Onverdraaglijk. Niet alleen de poëzie moest totaal veranderen en opnieuw worden uitgevonden, maar álles. Het verdringen en negeren van de gebeurtenissen , de concentratie op schoonheid, het vasthouden aan de verdufte en verzuilde maatschappelijke structuren – het was allemaal even verwerpelijk. Dan wordt het lezen en waarderen van Nijhoff, Vasalis of Gerhardt bijna een misdaad, een verraad. Dan duurt het tientallen jaren voor de opstandigen over de rivier heen willen kijken naar wat er eigenlijk groeit op die andere oever.

Een terugkerend thema in de biografische schets is de relatie tussen het werk van Kouwenaar en zijn gevoelsleven. Bij Kouwenaar mogen gedichten niet te veel emotie uitstralen en vooral geen troost bieden. Het gevoel achter de woorden moet afkoelen en stollen in de loop der tijd, universeler worden, minder het ‘ik’ en steeds meer het ‘men’. Enquist heeft daar zo haar gedachten bij:

[p. 18] Als Gerrit tijdens onze duopresentaties voorlas, luisterde ik met een oor dat naar betekenis zocht. Daarmee deed ik zijn werk vermoedelijk onrecht, maar ik kon niet anders, het is de manier waarop ik denk, werk, waarneem. De psychoanalyticus is een zoeker naar betekenis. Schijnbaar toevallige of triviale invallen vertellen een verhaal dat iets zegt over de bedenker, ook al ontkent die alles. Ik had het makkelijker met de latere gedichten, die altijd maar gingen over hoe alles ten einde liep, tot stilstand zou komen en sterven, binnen afzienbare tijd. Hij omhelsde het einde terwijl hij nog overeind stond.

[p. 26] Hij zag zichzelf als constructeur en taal was het materiaal waar hij ‘dingen’ van maakte. Ik wist daar nooit goed raad mee. Woorden zijn betekenisdragers, ze torsen associaties en connotaties met zich mee. Ze hebben met gevoelens te maken. Het idee van de constructie begreep ik wel en daarover spraken we ook graag, maar hoe hij over de bouwstenen dacht is mij nooit echt helder geworden.

En zo zijn er meer voorbeelden te citeren. Kouwenaar laat in zijn laatste bundels wat van de afstandelijkheid varen en dat bevestigt Enquist in haar vermoeden dat zijn gedichten wat minder hoefden te dienen als ‘gevoelsafweer’. Hij zal zich dat zelf ook bewust zijn geweest als hij taal zelf omschrijft als het ‘gratis theater van de ontkenning’ in het gedicht ‘maar nu de taal’ uit de bundel Vallende stilte. Is afweren en ontkennen de essentie van Kouwenaars dichterschap? Enquist: [p. 89] ‘(…) de kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld.’

Een tuin in de winter is een boek dat je uitleest op een lome zomeravond. Het zorgt ervoor dat je zin krijgt om zowel gedichten van Kouwenaar als van Enquist te gaan lezen. Natuurlijk kun je tussen de regels lezen dat Anna haar vriend spaart door niet al te sappige details uit zijn leven prijs te geven. De relatie van Kouwenaar met zijn kinderen wordt voorzichtig aangestipt maar niet verder uitgewerkt. Die moeten maar terugkomen in de biografie waar Enquist op aanstuurt. Die zal zij zelf niet schrijven. Uit respect voor haar vriend, de Vijftiger die negentiger werd…

Gelijk met de herinneringen werkte Anna Enquist op verzoek van Kouwenaars uitgever Querido aan de bloemlezing met een selectie van zijn gedichten waardoor deze twee boeken elkaar versterken. Door Een tuin in de winter leren wij hoe zij kijkt naar Kouwenaar en zijn werk en dat helpt bij het doorgronden van haar keuzes. Maar daarover meer in de recensie van de bloemlezing Van woorden gemaakt.

***
Anna Enquist (19 juli 1945) studeerde piano en psychologie. Ze is musicus, dichter, schrijver en ook werkzaam als psychoanalyticus. Haar dichterschap begin met publicatie in Maatstaf in 1988, haar debuut Soldatenliederen verscheen in 1991 en werd meteen goed ontvangen door kritiek én publiek. Dat gold ook voor haar latere bundels en haar romans die in veel talen zijn verschenen. Gerrit Kouwenaar ontmoette zij in 1992 en daar groeide een vriendschap uit die in stand bleef tot aan diens overlijden in 2014.

 

Recensie van As, vuur - Hester Knibbe

Kiezelstenen in de knapzak

Hester Knibbe
As, vuur
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514293
€ 17,99
77 blz.

Ik heb een voorliefde voor reeksen. Dichters die (een deel van) hun bundel door middel van een aantal samenhangende gedichten in een groter verband brengen, hebben bij mij een streepje voor.
Om die reden wekte ‘Drift’, de eerste afdeling van Hester Knibbe’s nieuwste bundel As, vuur, meteen mijn interesse. De drieëntwintig gedichten in deze afdeling hebben, zoals Knibbe in de aantekeningen achterin de bundel toelicht, elk één van de ‘oerwoorden’ uit de zeven Euraziatische taalfamilies als uitgangspunt. Een onderzoeksteam onder leiding van bioloog Mark Pagel kwam tot deze lijst onder de aanname dat de meest gebruikte woorden het minst veranderen.

De overeenkomst tussen de drieëntwintig woorden berust overigens niet op klankverwantschap, maar op betekenis. Dit geeft Knibbe de gelegenheid om rond deze woorden in haar gedichten een web te spinnen van klanken en beelden, waarmee de lezer steeds weer via een andere gang zijn eigen hoofd in kan kruipen. Knibbe bedient zich op een plezierige manier van haar taal: het geoefende oog merkt veelvuldig binnenrijm op, het geestesoor hoort muziek in de klankherhalingen die deze gedichten kenmerken. Een fraai voorbeeld is het gedicht ‘As’, dat de onderafdeling ‘Mond’ besluit:

As

          wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaap kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Stuk voor stuk geeft de dichter kleur aan de kiezelstenen, die wij zonder het te weten blijkbaar in onze knapzak meedragen, onderweg door tijd en ruimte.
Hoewel ik er bij herlezing geen concrete bewijzen voor op het spoor kwam, vertelden deze gedichten mij niet alleen een verhaal van de taal die mij verbindt met een Indiër of een Aleoet, maar vormen ze tevens een verzameling scènes met een ik en een jij (een zij en een hij), die de lezer meenemen van een eerste plek in het ooit naar een tweede plaats in het nu, als een soort eigen versie van het scheppingsverhaal. Zo krijgt deze reeks ook een ontologisch perspectief, waarin de mens niet ontstaat uit water en aarde, maar uit woorden met ritme en klank.

Want de taal speelt in deze bundel de hoofdrol, met als verdienstelijke tegenspelers de dingen die geweest zijn, verbonden, verwantschappen en ontmoetingen van vroeger. Het is de as die de lezer kan doen denken aan een vuur, ooit, waarbij hij zich in de gedichten alleen kan warmen aan de nagloeiende sintels.
Knibbe is in deze bundel nergens een strijder, nooit een brandstichter, die de lezer met taal van zijn richel wil duwen. Veel is geschreven uit het perspectief van de beschouwer, als verhalen die aan nagelaten kinderen worden meegegeven.
Ze kent haar klassieken: Orpheus, Sisyphus en Charon passeren de revue, maar ook verwijzingen naar Achterberg (de gasfitter) of middeleeuwse symboliek (de vos). Gelukkig geen modieuze beeldengrabbelton die voor surrealisme moet doorgaan. Als lezer voel ik me vrijwel altijd verbonden met Knibbe’s taalgebruik, dat door het muzikale karakter ervan vrijwel altijd meer geeft dan betekenis alleen. Veel beelden blijven nog lang nagloeien in het onderbewuste.

‘Stroom’, het tweede deel van de bundel, bestaat uit een aantal kortere en langere reeksen, waarvan ‘Leeftocht’ met vijftien gedichten de meest omvangrijke is. Volgens de aantekeningen is deze reeks kleiner en in een andere volgorde reeds gepubliceerd als gedichtendialoog met Miriam Van hee.
Hoewel de titel lijkt te wijzen op een reis door het leven, gaf deze serie mij meer dan eens de indruk van een verzameling vakantie-indrukken met een Zuid-Europees decor. De gedichten zijn minder pregnant dan die van de eerste afdeling, de contouren zijn vager en de tinten lijken meer pastel. Ik neem hier het slotgedicht over, met name omdat het de voor mij mooiste passage van de bundel bevat (‘[…] En terwijl ik hier in de kou van de avond / op noorderlicht sta te wachten, […]’):

Waar je ook bent, men moet zich
een huishouden maken, schreef je.

Ik nestelde mij tussen bergen en fjord, wiegde
mijn lichaam in wind, ving regen, vergaarde
voor wat ik moest maken. Had ook dit keer

verwachting op zak, ging er als altijd
mee voor het raam staan, zag, vergeleek, ja in elke
stad op iedere plek die ik aandeed keek ik wat

het verschil was en het verschil maakte de reis
tot het vreemde waarnaar ik verlangd had. Zoveel

bruggen overgestoken, door zwarte verkreukelde
aarde gegaan. En terwijl ik hier in de kou van de avond
op noorderlicht sta te wachten, zit jij daarginds

in het zuiden misschien voor het laatst deze zomer
onder de sterren aan tafel, hoor je de roep van de uil
sluit af.

***
Hester Knibbe (1946) is een Nederlandse dichteres. Ze woont sinds 1972 in Rotterdam, waar ze in 2015 tot stadsdichter werd benoemd. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. In 1982 debuteerde ze met Tussen gebaren en woorden. Daarna verscheen van haar een tiental dichtbundels. Haar werk is diverse malen bekroond. As, vuur is haar twaalfde bundel.