Recensie van niets = iets - Wouter Godijn

Kletsmajoor exerceert

Wouter Godijn
niets = iets
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025451967
€ 21,99
78 blz.

‘Vanaf het eerste gedicht  bevinden we ons in het instabiele universum van Wouter Godijn, waarin altijd wel iets aan de hand is, zelfs als dat niet zo is. […] En het ongemak wordt echt voelbaar in een reeks gedichten waarin een seriemoordenaar verslag doet van zijn executie. Zoiets hebben we nog nooit gelezen. En Wouter Godijn heeft het wéér voor elkaar.’

In hedendaagse poëzie spelen de muzikale eigenschappen van de taal niet bepaald een hoofdrol. Slechts zelden worden gedichten vervaardigd door middel van variatie in klank en ritme en zijn ze gegrond op een spel met betekenis. Veel vaker wordt de lezer ondergedompeld in een hitsige afwisseling van surrealistische beelden. Bladzijde na bladzijde gilt de aandachttrekkerij in je oren en priemt de opzichtigheid je ogen in. Wellicht is dit een bewijs voor de toenemende invloed van het podium, waar je de aandacht van een snel afgeleid publiek alleen kunt winnen en vasthouden met een snelle aaneenrijging van woorden-bling-bling en waar een zorgvuldig opgebouwd taalverhaal al snel leidt tot gegaap en verveeld gedraai.

Het valt een uitgever niet kwalijk te nemen dat hij de achterzijde van een nieuwe bundel gebruikt om de loftrompet te steken over de auteur die de bundel heeft vervaardigd. Vervolgens moet de lezer maar zien of de geschapen verwachtingen kunnen worden waargemaakt.
Dat valt niet mee. Zoals zoveel hedendaagse bundels is ook de bundel niets = iets van Wouter Godijn een aaneenrijging van kabbelend en babbelend parlando:

Een gedicht schrijven is niet moeilijk

je begint met: ik loop door de straat
dan iets over het weer
hoe heerlijk de zon schijnt
de kille blik waarmee de ramen op je neerkijken
de tapir die aan een tuinkabouter snuffelt
de vrouw die een jurk heeft gemaakt van een rood-wit geblokt tafelkleed
haar gelukkige lach, de kersenachtige kralen van haar ketting
inmiddels zijn er drie blonde wolkjes
verschenen in de blauwe lucht
waardoor je op zeven regels komt – als zeven brandende kaarsjes op een verjaardagstaart
je onderbreekt het schrijven om een plas te doen
je dochter roept je
je roept dat je moet dichten
en door de straat paradeert een emoe
die je zou kunnen schrappen: en door de straat paradeert een emoe
waardoor een geheimzinnige leegte oplaait
je bent nu op drie plaatsen
(het getal drie komt je op een verrukkelijke manier
vaag bekend voor als een verwijzing
die halverwege
plotseling oplost in niets – niets
mooier dan dat)
vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
op je bed, dichtregels schrijvend
in de straat, dicht bij de plek waar daarnet een emoe was
als je nu ook schrapt: vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
en: op je bed, dichtregels schrijvend
ben je alleen nog in de straat
de zon
blonde wolkjes
de blauwe, blauwe lucht

(p. 28)

Bovenstaand gedicht is helaas kenmerkend voor de bundel. Muzikaliteit ontbreekt geheel en pagina na pagina gaat het voort in gedachtenexercities die nergens noodzakelijk zijn: in plaats van de emoe had op die plek evengoed een hangbuikzwijn, een oeros of een giraffe kunnen figureren.
Uiteraard zou je kunnen aanvoeren dat het bovenstaand gedicht ironisch bedoeld is, als commentaar op de ‘hoge’ verwachtingen die ‘men’ van een gedicht heeft. Maar wat wordt hiermee op het spel gezet? Welke innerlijke noodzaak dwingt de auteur om deze poëzie te schrijven? Wie schrijft over wolkjes, een plas doen en het roepen van een dochter zit middenin wat Potgieter ooit smalend de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ noemde. Uiteraard kun je aanvoeren dat je de kunst op de hak neemt en tevens het op de hak nemen zelf nog een keer, maar na een of twee keer heeft de lezer dat wel gezien.
Een gedicht moet de lezer onraad laten ruiken, hem terug lokken naar de taal om de bron van de verdenking op het spoor te komen en bij herlezen nieuwe raadsels scheppen. Daarvoor is muzikale taal nodig, het verschuiven van de betekenis door klank en ritme, zodat er nooit staat wat er staat en niet staan zal wat er stond.
In eerdere besprekingen van Godijn’s poëzie wordt gesteld dat hij, door het laten zien van wat hij wegstreept, iets unieks doet. Ik vrees dat het niet meer dan een maniertje is: wie werkelijk wil laten zien wat er ooit geschreven stond en nu nog geschreven staat, toont de ware chaos van doorgestreepte, vervangen en alternatieve woorden en passages, zoals bijvoorbeeld te zien is wanneer je de historisch-kritische uitgave van het werk van Leopold bekijkt. Door hier en daar een doorhaling te plaatsen laat de auteur niet het werkelijke proces zien, maar koketteert hij slechts met het beeld van een dichter die voor de ogen van de lezer ‘durft’ te schrappen.
Op een aantal plaatsen heeft de auteur bovendien een aantal woorden in een brugklashandschrift onder de tekst gekalkt. Als dat de indruk van een spontane toevoeging moet wekken, werkt dat bij deze lezer in elk geval niet.

En dat is nog niet alles. Obligate beschrijvingen als ‘het trekkepopje kabinetsopperhoofdje’, ‘de zalm met zijn lachebekjeduretandenhekje’ en ‘de randdebiele ongeluk brenger met zijn hoogblondgemaakte namaakhaar’ (p. 43), we hebben het vaker gehoord en gelezen, we moeten er nog een keertje om glimlachen, maar als het geen beginnend studentencabaret is, dan heeft het in elk geval weinig te maken met poëzie.
Anders dan de uitgever ons wil doen geloven, is Godijn niet de taalgeneraal die met zijn woordenleger de Nederlandse poëzie onderwerpt, maar laat hij eerder de exercities van een kletsmajoor zien.

Wanneer we Godijn vergelijken met een niet willekeurige Groningse dichter, een die ook droomgedichten schreef, wordt al snel duidelijk dat het werk van Godijn bij dat van Hendrik de Vries bleek afsteekt. Een van de belangrijkste verschillen is dat De Vries de taal als zijn materiaal altijd hoogst serieus bleef nemen en zichzelf bijvoorbeeld strenge vormregels oplegde (onder meer dat geen regel mocht beginnen met de letter waarmee de voorgaande eindigde). Voor De Vries was het schrijven van een gedicht gelijk aan het stellen van een daad in de context van het leven en iedere klap moest dus raak zijn.
Godijn daarentegen mijmert maar wat:

Over de blauwe lucht

Kan de blauwe lucht wolken,
wolkenslierten,
wolkenflarden,
schapenwolkjes,
slaperige wolken,
wolkenkastelen,
wolkengebergten,
wolken die lijken op speelgoeddieren, wolken die lijken op tekenfilmfiguren,
wolken die –

Kan de blauwe lucht al die wolken onthouden?

Ze probeert het, uit alle macht,
heeft de indruk dat het lukt
ontwikkelt bombastische theorieën: pas via de omweg van de herinnering
kan iets echt bestaan
mijn herinnering vormt mijn karakter
ik ontwikkel me
tot een rijpere persoonlijkheid
ik begrijp nu pas
wat ik heb gezien
ik kom verder
steeds verder
ik leg een weg af

intussen verdwijnen er wolken
eerst twee onopvallende schapenwolkjes
dan opeens een torenhoog gevaarte
dan een heel landschap
dan ik ook de herinnering blauw –

weet nog dat het ooit anders was, niet meer hoe
vage silhouetten, een soort goudkleurige mist

dan zelfs dat niet meer

 (p. 74)

Lees nu eens het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff (Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 156). En kom niet aan met het verweer dat Godijn daarop een ironisch commentaar zou leveren.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, zijn Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde de shortlist van de AKO-literatuurprijs. Maar ook heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Recensie van Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen - Xavier Roelens

Volkspoëzie of kunstpoëzie?

Xavier Roelens
Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025452285
€ 21,99
120 blz.

Inleiding
Xavier Roelens (1976) toont zich in zijn nieuwste, inmiddels 3e gedichtenbundel allereerst een intercommunicatief dichter. Hij streeft naar een interactieve samenwerking met zijn lezers. Zijn lezers zijn onbekende volwassenen, wie hij vraagt hun prilste jeugdherinneringen met hem te delen. Roelens smeedt vervolgens in zijn smidse het ruwe materiaal tot eigentijdse tekstvormen. Daarbij geeft hij zijn leveranciers de mogelijkheid tot terugkoppeling die hij dan weer verwerkt.

Roelens is ook een menselijk dichter. Hij brengt zijn medewerkers – voor de totstandkoming  van zijn nieuwe bundel zijn dat er 365 – hulde: hij vermeldt hun voornaam op de titelpagina. Dit collectief is de auteur van de bundel; de dichter zelf wordt  slechts onderaan op de achterkant van de bundel genoemd. Roelens noemt zijn werk dan ook open-sourceliteratuur. Niet het ego maar het collectief staat centraal; zelf ziet hij zich als een literaire gids die mensen op weg helpt naar poëzie.

Daarnaast is Roelens creatief, want hoe realiseer je een dergelijk ideaal? Het interviewen van 365 mensen kost veel tijd. En ook dichters moeten eten.  Als je er dan in slaagt het Vlaams Fonds voor de Letteren te enthousiasmeren voor jouw project: de schepping van – zoals Roelens dat noemt – democratische poëzie, getuigt dat van vindingrijkheid. Als het Fonds vervolgens een werksubsidie beschikbaar stelt, ontbreekt het Roelens eveneens niet aan innemende overtuigingskracht.

De opbouw van de bundel
In de bundel staan volgens de informatie op de achterzijde 77 gedichten. Deze gedichten zijn geconstrueerd uit het materiaal dat 365 mensen door middel van interviews de dichter hebben aangereikt. Voor de gedichten is dus gemiddeld uit bijna vijf levende bronnen geput. Onvervalste groepspoëzie dus! Al bladerend en lezend blijkt echter dat de aanduiding gedichtenbundel de lading niet dekt. De bundel bestaat namelijk uit relatief weinig gedichten weergegeven in cursief of romein, uit enkele getoonzette liedjes en veel prozastukjes. Er is eerder sprake van een tekstbundel dan gedichtenbundel.

Verder valt op dat de teksten geen titel dragen. Ze hebben wel als verwijzing een jaartal of een twee- of meerjarige periode. De eerste tekst in de bundel refereert aan de tijdsspanne 2004 / 2002, dan worden enkele jaren overgeslagen en vervolgens begint de telling terug te lopen van 1999 naar 1911. Ongetwijfeld verwijzen de jaartallen naar de eerste herinneringen van  Roelens’ doelgroep. Er is in ieder geval sprake van een chronologische spreiding van herinneringsmomenten uit de vorige eeuw en er zijn – gezien de opsomming van voornamen op de voor- en achterkant van de bundel – zowel mannen als vrouwen geïnterviewd. Opvallend daarbij is dat er geen islamitische namen tussen zitten, hetgeen je wel van een grensverleggende dichter als Roelens zou verwachten.

Het ontbreken van titels heeft als gevolg dat er geen inhoudsopgave in de bundel is. Het maakt het lezen er niet gemakkelijker op. Titels heten de kortste en kernachtigste aanduidingen te zijn van een tekstinhoud. Blijkbaar wil Roelens de lezer geen richting opsturen. Wat wel een welkome aanvulling op de teksten is, zijn de jaartallen die erboven staan. Zij geven een kleine eeuw geschiedenis weer van de prilste herinneringen van mensen. Interessant daarbij zijn de verwachtingen die bij de lezer worden opgeroepen. Zijn deze herinneringen universeel? Of zijn ze meer tijd- of milieugebonden? Zijn ze oppervlakkig en materieel van aard? Herkent de lezer zichzelf in de herinneringen? Kortom, het maakt hem nieuwsgierig naar de inhoud.

De vorm van de teksten als literaire expressie
De gedichten in de bundel vallen qua vormgeving in de categorie (post)modernisme. Ze zijn in hun verschijningsvorm rebellerend tegen de traditionele vormgeving. Rationele analyse alleen schiet te kort. De mens is in de visie van de modernisten namelijk meer dan louter ratio. Hij is ook irrationeel en juist daardoor ontstaat ruis in de interactie omdat deze verstoord wordt door het medium taal dat bij uitstek zijn betekenis ontleent aan redekundige synthese en zorgvuldige interpunctie. Van dergelijke leibanden zijn hedendaagse dichters avers. Een voorbeeld daarvan is te vinden op p. 47, jaartal 1974.

een kaartendek als
soundtrack bij ons
vliegen spreiden we als
zilvermeeuwen onze
ontgoochelingen uit
een tuinstoel komt op
adem bij
het raam nu jij opkijkt naar een
vensterbank vol
beukennoten paarse kanten
zakjes en iets simpels als
de zonnige groeten van je
ouders altijd maak je
plaats voor
kaarten altijd streel je
je gezwollen buik
de oudste eerste tastbaarste komt thuis en ruikt …

En zo dendert het gedicht door: een aaneenrijging van betekenisdragende substantieven en woordgroepen die uit hun herkenbare, natuurlijke context zijn gelicht en vervolgens in vervreemdende combinaties worden samengevoegd. Tel daarbij op de a-syntactische en interpunctieloze zinsbouw en we krijgen een tekst als flard van een perceptie die zelfs de metafysica dreigt te ontstijgen. Zijn er dan in Roelens’ tekstcreatie geen andere aanknopingspunten te vinden in eerdere literaire perioden of genres? Ja, die zijn er.

Middeleeuwse stijlfiguren
In middeleeuwse kunstuitingen staat het ego niet voorop. In tegendeel, veelal ontbreekt een naam; kunst is niet zelden anoniem. In middeleeuwse (volks)poëzie, parabels of fabels wordt niet alleen een appèl gedaan op logica maar ook op andere vormen van kennis zoals geloof, fantasie, visioen en zintuiglijke waarneming. Middeleeuwse zinsconstructies wijken daardoor af van die uit recentere perioden, ook al omdat veel van deze kunstuitingen bedoeld zijn om te horen en te beluisteren.

Een aantal van die zinsconstructies behoort als stijlfiguur tot de klassieke retorica. Hieronder vallen onder meer de anakoloet, een stijlfiguur die zich kenmerkt door zinnen waarin de logische samenhang ontbreekt. Bekend is eveneens de apokoinou, een stijlfiguur waarin een zinsdeel dienst doet als onderdeel van twee zinnen of zinsdelen. Ook van anaforen, stijlfiguren die zich kenmerken door herhaling van steeds dezelfde woorden of woordgroepen, is de dichter niet afkerig. In de teksten van Roelens’ bundel zijn deze middeleeuwse stijlfiguren regelmatig – waarschijnlijk onbewust – door hem opgenomen. Van genoemde stijlfiguren geven we een voorbeeld. Het cursief in de voorbeelden is van de recensent.

Anakoloet p. 21, jaartal 1987

een
busje steken ze in
brand vanuit je 
drang te bestaan

Apokoinou, p. 19, jaartal 1987

IN JE VIZIER RUKKEN
de betogers aan als in
een film ben je
geschiedenis nog voor je schiet

Anafoor, p. 41, jaartal 1977

de schrik dat … r.7
de schrik dat er … r.9
de schrik dat ik in … r.12
de schrik te verhuizen van een … r.14

en zo voort.

De inhoud van de bundel
De bundel is de weerslag van de vroegste herinneringen van 365 mensen. Hoewel de teksten als gevolg van Roelens’ (post)modernistische visie op literatuur meestal raadselachtig, chaotisch en niet altijd toegankelijk zijn, zal de lezer – zij het met de nodige volharding – er veel herkenbaars aantreffen. In 1986 (p. 22) doen kinderen op speelplaatsen nog volop aan zakdoekje leggen. En ook in 1984 (p. 26) hebben kinderen nachtmerries en in 1977 (p. 39) zijn er nog steeds peuters die achter de spijlen van hun ledikantje moeten huilen.

Natuurlijk zijn er in de bundel grappige herinneringen, zoals in 1977 (p. 39) waarin een herinnering teruggaat naar het moment waarop een klein kind in plaats van op een krukje op een emmer met water gaat zitten. Katholieke lezers zullen glimlachen als zij lezen hoe in 1946 (p. 92) een kind de kap van een non aftrekt. Zo wordt in terugwaartse chronologie een levendig tableau geschetst: beelden die voor de lezer vertrouwde, hekenbare, nostalgische of juist verdrongen beelden uit een ver of nabij verleden oproepen.
Wat de liedjes in de bundel betreft: dat is wel aardig maar de meeste mensen kunnen geen noten lezen, laat staan een muziekinstrument bespelen. Ze leveren geen toegevoegde waarde aan de bundel.

Resumé
Wil Roelens een groter publiek bereiken, dan zal hij moeten zorgen voor een functionele interpunctie in zijn teksten. Zal hij af moeten van die onstuimige, voor de gemiddelde lezer onnavolgbare woordenstroom, zoals het prozastukje hieronder dat terug is te vinden op p. 90 en betrekking heeft op een herinnering uit 1948.

MET EEN FIETS DUS eigenlijk een roodgeverfde fiets gekocht met
feitelijk het eerste kindergeld begint het dus bij adhemar dus
niet met dieren eigenlijk niet met vogels die in de winter eigen-
lijk in de sneeuw dus feitelijk voeder zochten en enzovoort dat
ik zelf ook een beetje van dat voeder strooide samen met dus
adhemar eigenlijk in de bossen dus in de bossen waar we eigen-
lijk feitelijk woonden enzovoort maar niet voor adhemar pas in
het eerste leerjaar eigenlijk het begint voor adhemar niet voor
zijn communie …

Pas dan kunnen zijn literaire creaties van en voor het volk zijn. Dan ontstaat democratische poëzie of volkspoëzie, zoals Roelens die voorstaat. Soms lichten in zijn bundel dergelijke passages op. Op die momenten toont Roelens zich de dichter, wiens talenten hij in deze bundel jammer genoeg te weinig etaleert. Zie, p. 110, jaartal 1923; de cesuur // is aangebracht door de recensent.

NILS KRAAKT DE BERIJPTE
plaatsen op wat tot voor kort
bietenvelden waren // kraakt onder
zijn klompen het stilleven van
kou …

Nu is zijn poëzie te veel kunstpoëzie: grotendeels hermetisch afgesloten teksten waarvan juist het volk verstoken blijft. En dat is nu juist wat Roelens niet propageert!

***
Xavier Roelens (1976) is een Vlaamse dichter, performer en verzorgt poëzieworkshops. In 2007 verschijnt zijn eerste bundel Er is een spookrijder gesignaleerd. Daarna volgt in 2012 zijn 2e bundel Stormen, olielekken, motetten. Daarnaast is hij actief (geweest) als redacteur in de literaire tijdschriften Kluger Hans en En er is.

Recensie van Een spreeuw voor Harriët - H.C. ten Berge

De wereld van Ten Berge

H.C. ten Berge
Een spreeuw voor Harriët
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789045035703
€ 29,99
392 blz.

Een spreeuw voor Harriët is de derde bundel essays, dagboekbladen en veldnotities van H.C. ten Berge. In het voorwoord lezen we: ‘Het nieuwe boek bevat wederom een brede selectie van oude en nieuwe stukken, die gedeeltelijk in verspreide publicaties werden opgenomen, maar destijds weinig lezers hebben bereikt. Een aantal teksten is herzien en soms grondig bewerkt en uitgebreid. Andere – waaronder de dagboekbladen en de meeste veldnotities – verschijnen hier voor het eerst.’
Het accent in de bundel ligt op poëzie.

Ten Berge schrijft net zo makkelijk over moderne Nederlandse literatuur als over dertiende-eeuwse, zowel over de moderne Mexicaanse poëzie als die van de Azteken. Van wijdlopigheid is nergens sprake: hij schrijft op een samenhangende, heldere wijze. In ‘Een hel van ijs’, over de  ‘angstnocturnes van Roland Holst en de spooksonates van Vestdijk’, voert hij ons eerst langs Coleridge, Maurice Gilliams, de filmer Fassbinder, Fernando Pessoa en de lyriek van het oude en moderne Mexico om te laten zien dat het niet om strikt particuliere aangelegenheden gaat. Hij geeft de slapeloosheid en doodsangst van beiden een ‘brede en algemene context, waarin de menselijke benauwenissen literair gestalte krijgen.’ Uitermate boeiend. Vaak ga je na lezing van een essay over tot de orde van de dag, ook als het interessant is. Bij Ten Berge is dat meestal niet het geval: hij prikkelt je nieuwsgierigheid, hij doet je verlangen naar meer.

Heel actueel en verhelderend zijn de passages over engagement in poëzie, een motief dat door de hele bundel speelt. In het essay ‘De grillige lijn: een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’ uit 2009 stelt hij zich onder andere de vraag hoe dichters die zich niet uitsluitend willen beperken tot het estheticisme – simpelweg omdat zij wereldse wantoestanden niet willen of kunnen negeren – toch hun vormkracht kunnen behouden. In de periode dat zijn vriend Breytenbach een jarenlange gevangenisstraf uitzat vanwege zijn strijd tegen apartheid, noteerde Ten Berge het volgende:

Er is een vraag die je niet opwerpt
en ten slotte toch maar stelt –
                hoe wij ons vermogen tot omvormen,
rangschikken, vormgeven,
kunnen behouden en beheren
tegen de omnipotente aanwezigheid van het ploertendom in.

Breytenbach citeerde met instemming Seamus Heaney, die erop wijst ‘dat poëzie voor alles een uiting in taal is en dus een taalproces weerspiegelt, waaruit het plezier in zichzelf mag en moet blijken: de dichter dient de taal tot in de haarvaten en uithoeken van haar bereik te onderzoeken. Ze bestaan om haar zelfs wil, en is daarin autonoom.’ Maar, kort gezegd, er is ook ‘het leven achter de pagina’, (Breytenbach) en ‘elk waarachtig schrijver [roert] aan fundamentele ethische kwesties’.

Hoe moet je je dit voorstellen? Een van de ‘Veldnotities’, ‘Wat een schrijverschap in stand houdt & versterkt’, is de weergave van een college aan een Zuid-Afrikaanse studenten Engels, Afrikaans en ‘kreatiewe skryfkunde’. Hij geeft de ‘de grafomanen van de toekomst’ een aantal suggesties. Hier volgen er twee:

* Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en de verleiding van ‘de media’ een plaats geven.
* Bij dit alles de wereld toch in het oog houden en volgen. Laat de chaos in de wereld jouw geest niet overnemen en bezetten. Observeer, interpreteer, kerf een beeld in taal dat beklijft.

Hoe zien we dat bij Ten Berge zelf terug? Ik heb zijn laatste bundel Splendor er nog even bijgepakt. Gedicht 5 uit de reeks ‘O de aarde’:

De huid van de aarde, prooi
      van geweld: haar aanschijn doorsneden,
geperforeerd en ontveld.
Wat geschonden werd en stilaan heelt
wordt weer gevild, doorboord, opnieuw
aan plundering blootgesteld.

De wellust der verblinding explodeert.
Wonden worden kraters, gapend
      In de zielen van de daders.

Een gedicht van ingehouden woede over de aarde die herhaaldelijk verkracht wordt, een intens gedicht, en dat komt door de vorm. Neem alleen al die sterke nadruk op ‘prooi’, noodzakelijk voorafgegaan door een pauze (lees maar hardop), gevolgd door nog een pauze, gevisualiseerd door de spaties aan het begin van de tweede regel: het woord komt aan als een hamerslag. En dat in combinatie met de personificaties ‘huid’ en ‘haar aanschijn’ die de weerloosheid van de aarde benadrukken. En dan de klank, de felle korte e in ‘geweld’, ‘geperforeerd’, ‘ontveld’ in regel 2 en 3, of de dreigende a in kraters, gapend, daders in de laatste twee regels. Dat woord ‘gapend’ maakt die kraters in de zielen van de daders nog dieper, zeker met de associatie ‘een kras op je ziel’ op de achtergrond.
Een derde suggestie: ‘Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament’. In dit gedicht laat hij dat op overtuigende wijze zien.

Het college wekt de verwachting dat Ten Berge een warm voorstander is van ‘kreatiewe skryfkunde’. Niets is minder waar. In ‘Van schrijven naar lezen’ houdt hij ons voor dat de schrijversvakscholen hebben gezorgd voor literaire inflatie en dat ‘het peloton van gediplomeerde dichters en schrijvers (…) dikwijls niet meer over een behoorlijke kennis van de eigen traditie en de eigen literatuur [beschikt]’, hoewel hij erkent dat er vele vakbekwame jonge schrijvers zijn die ‘goed, zoniet uitstekend kunnen schrijven. (…) Wat ons parten speelt, is een tekort aan lezers, een overproductie van boeken, een gehavend literatuuronderwijs en een chaotische hoeveelheid verleidingen van allerlei aard. Het kleine ‘segment’ van de poëzie zou daarom gediend zijn met de opheffing van schrijverscursussen en de instelling van lezersvakscholen die tegen een laag tarief een leestraining van hoge kwaliteit bieden.’ Voor een dichter als hij is sowieso geen schrijfonderwijs mogelijk: je moet zelf iedere keer opnieuw leren schrijven als je de werking van taal tot in al zijn uithoeken wilt onderzoeken.

Er is nog veel meer. In zijn veldnotitie ‘Romance & Passion: de vijf gedaanten van Rein Bloem (1932 – 2008)’ laat hij zich onder andere uit over Bloem als vertaler van canto’s van Ezra Pound, iets wat ook hijzelf heeft gedaan. Het is prachtig om te lezen hoe precies hij te werk gaat om te laten zien hoe goed Bloems vertalingen zijn.
In ‘Meditatie, observatie, conversatie: over de poëzie van Robert Hass’ gaat hij in op de scherpe naoorlogse tweedeling tussen ‘academische’ en ‘niet academische’ poëzie in de Verenigde Staten die pas verdween onder het presidentschap Bush junior, omdat de tegenstanders vanwege diens desastreuze beleid de handen in elkaar sloegen. Dit deed me denken aan de onverzoenlijk lijkende vijandschap tussen Ter Braak en Du Perron enerzijds en Anton van Duinkerken anderzijds en die verdween toen zij in de tweede helft van de jaren dertig alle drie een pennenstrijd begonnen tegen het opkomende nationaal-socialisme.
Hij schrijft over dichters die ik niet ken, maar naar wie ik nieuwgierig ben geworden, zoals Christopher Middleton en Eric Derluyn, het is teveel om op te noemen. ‘Wieviel, o wieviel / Welt. Wieviel / Wege’ luidt het motto van Celan. Als je zo’n motto kiest, weet je dat je werk nooit af is en de lezer profiteert daarvan.

Recensie van Stoppen met roken in 87 gedichten - Dimitri Verhulst

Nooit meer roken

Dimitri Verhulst
Stoppen met roken in 87 gedichten
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451684
€ 21,99
86 blz.

Dimitri Verhulst verrast steeds vaker. Dat hij een gevierd prozaschrijver is, is al sinds jaren bekend. Dat hij een performer is, is bekend sinds het boekenbal van 2015. Enkele dagen geleden bleek dat hij op dit moment in het theater actief is met een uitvoering van Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Een bewerking van een roman van hem uit 2008. Maar de grootste verrassing voor mij was dat in het begin van dit jaar Wende Snijders een lied ten gehore bracht in het tv-programma ‘De wereld draait door’. De muziek van het lied heeft ze geschreven op een tekst van Dimitri Verhulst. Het lied ontroerde me in twee opzichten: qua melodie en qua tekst. Ik verwonderde me over het bijzondere woordgebruik. Het lied heet ‘Vrij me’ en is opgenomen in de bundel die nu ter bespreking voor me ligt.

De titel van de bundel, Stoppen met roken in 87 gedichten is opvallend, omdat het woord roken slechts een keer of drie voorkomt. Het lijkt ironisch bedoeld als een soort verwijzing naar zelfhulpboeken die in plaats van gedichten een bepaalde tijd of fase aanduiden. Ik denk dat als je dit werkje leest, je zo genoten hebt dat de behoefte aan roken totaal verdwenen is.

De bundel is opgebouwd uit acht getitelde afdelingen. De eerste heeft als titel ‘Me and Mrs Jones’. Een allusie op een hitje uit 1972 van de Amerikaan Billy Paul. Het gaat over een man en een vrouw die dagelijks een geheime ontmoeting hebben. Ze weten dat het fout is wat ze doen, maar het is te sterk om het te laten. De gedichten in deze afdeling gaan over kortstondige romantische ontmoetingen, die eenmalig zijn of in ieder geval niet leiden tot een blijvende relatie. Je zou dit motief bindingsangst kunnen noemen. Genieten van het moment en de angst om in een sleur terecht te komen. In zoverre lijkt Verhulst een pessimistische kijk te hebben op duurzame relaties, waarin sleur op de loer ligt.

2
Wat waren wij sterk, dat wij het verkozen
voor alleen die ene keer
boven een verder leven met elkaar en alles

wat daarin dan zoal stuk kon gaan.
Alleen die ene keer je hals, je geur.
Je vingertoppen, je vocht, je mond.
Neen, wij wensten niets te weten,
of en wie wij dan bedrogen.
Want zo moesten we zijn, wij twee,
mensen zonder verleden, zonder leeftijd.
Geen adres. Onze namen alleen. Zij riepen
ons op , wij zouden elk afzonderlijk
ons nooit vergeten.
Wat waren wij sterk
en wat heeft mij dat
een uur na jouw vertrek
reeds vreselijk gespeten.

‘De dochters worden wakker’ heet de tweede afdeling, waarin vijf gedichten staan. Mooie beschrijving van de volwassenwording van meisjes met prachtige assonanties en alliteraties. Eindrijm komt overigens in de bundel anders dan toevallig niet voor: ‘Zij is bezig het kind in haar / behoedzaam af te pellen, / traag en laag per laag.’ (blz. 20)

Soms zijn die alliteraties wat over de top: ‘Vandaag blijft zij met al haar billen binnen’. Wat overigens geen afbreuk doet aan de melodieuze tekst en niets afdoet aan de leesbaarheid.

De derde afdeling, ‘Coördinaten’, 21 observaties van plaatsen waaruit de dichter inspiratie putte: kroeg, stad, bakkerswinkel, restaurants, ouderlijk huis, wielerkoers, schilderijen, huis van grootmoeder.

‘Flessenpost’ is een korte afdeling met slechts vier gedichten. Brieven in zee gepost in een fles hebben geen geadresseerde. Een brief komt niet of slechts bij toeval aan. In deze afdeling gaat het over toevallige ontmoetingen zoals een fles aanspoelt op een onbekend strand en gevonden wordt door een onbekende. Zo ontmoeten twee onbekenden elkaar. ‘Maken wij enkel kennis om ons te vergeten, / verzonnen zijn onze banden zoveel beter’ Fantasie, verbeelding, gaat boven werkelijkheid: ‘Toeval brengt mensen samen / een goede reden haalt ze weer uit elkaar’

De afdeling ‘Wortels’ bevat negen prozagedichten, die naar mijn mening het minst geslaagd zijn. Ik denk dat de titel slaat op de omgeving waaruit de dichter zijn inspiratie putte in de loop van zijn leven: sterk relativerende beschrijvingen van troosteloze wijken en straten. Twee citaten: ‘De dood, dat is voor altijd nooit’; ‘…een jongen op een opgefokte brommer / die door het rood doch zielsgelukkig naar zijn / meisje reed, haastig, vóór ze op haar moeder / leek.’

‘Een mens van vele sleutelbossen’ gaat over de huizen waarin de dichter woonde en over stukgelopen relaties met heimwee verwoord. Het mooie ‘Vrij me’ staat ook in deze afdeling. Het loont de moeite om de gezongen versie te beluisteren. Dat kan via Youtube. Bijzonder vind ik het creatieve taalgebruik van het woord vrijen. In de betekenis minnekozen, en dat is hier het geval, is het werkwoord onovergankelijk volgens Van Dale. Verhulst gebruikt het overgankelijk.

Alle gedichten in de afdeling ‘Yoga-oefeningen’ beginnen met een gebiedende wijs. Nummer 5 lijkt een uitzondering, maar in regel 3 en 4 komen ze toch voor. Zoals een oefening waarbij een trainer adviezen geeft, begint elk gedicht met een gebiedende wijs. Het doel is het hogere te bereiken.

De laatste afdeling, ‘Eerste gedicht voor Isabelle’, is de kortste van de bundel en levert pure liefdeslyriek op, bijzonder mooi van taal. Het eerste gedicht spreekt de wens uit van de dichter langer te leven dan de geliefde, dan kan hij haar missen en naar haar verlangen. Haar blijft dan het verdriet van gemis bespaard. Het tweede gedicht gaat over hetzelfde onderwerp. Jammer dat de laatste strofe nodeloos platvloers is.

geef maar aan mij de eenzaamheid
en ik zal onbedaarlijk wenen
wanneer ik met mezelf ga spelen
aan ons denkend, hoe het was,
‘k zal van je dromen in detail
en daarna komen en kapotgaan bovenal.

Stoppen met roken in 87 gedichten is een indrukwekkende bundel met mooie beelden en prachtige vondsten in bloemrijke melodieuze taal. Minder pessimistisch dan het prozawerk van Verhulst, maar waarin een vitaal mens naar voren komt. Toegankelijk, maar niet simpel, we worden aan het denken gezet over intermenselijke contacten. Warm aanbevolen voor de donkere dagen die nog in 2017 resten.

***
Dimitri Verhulst (Aalst, 2 oktober 1972) debuteerde in 1994 met Werf en wrak, in 2001 volgt de tweede dichtbundel Liefde tenzij anders vermeld. Die levert een nominatie op voor de C.Buddingh’-prijs 2002. In 2006 verscheen De helaasheid der dingen, zijn doorbraak bij het grote publiek. Volop literaire erkenning krijgt hij: De gouden uil in 2007, de Inktaap in 2008 en de Librisliteratuurprijs in 2009. Er volgt nog een aantal succesvolle romans en in 2015 schrijft hij het boekenweekgeschenk De zomer hou je ook niet tegen.

Recensie van Voor jou, van jou - Nachoem Wijnberg

Telkens opnieuw leren lezen

Nachoem Wijnberg
Voor jou, van jou
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451523
€ 21,99
102 blz.

In de fabelachtige verhalen van Toon Tellegen lopen dieren rond die op de rand staan van besef maar net het laatste stapje van het echt begrijpen niet kunnen zetten. Zo’n mier, krekel of nijlpaard voel ik mij als ik het werk lees van Nachoem Wijnberg. In elk interview met de zeer productieve dichter, romancier, wetenschapper steekt het onderwerp even de kop op: hoe ondoorgrondelijk is Wijnbergs dichtwerk? En in al die interviews lezen we dat Wijnberg daar verwonderd en geprikkeld op reageert, zoals in de NRC: “Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.” Wie een krant kan lezen, zou klaar moeten zijn voor zijn dichtkunst. De verbazing, verwondering, zelfs teleurstelling bij Wijnberg lijkt oprecht. Hij is ervan overtuigd dat hij de mensheid zeer helder toespreekt. Hij wil graag een grotere lezerskring hebben, met betere verkoopcijfers om na zijn dood te kunnen rusten in een door de lezers bekostigd praalgraf. Ik gun het hem. Ik gun het iedere dichter; niet dat praalgraf, wel de lezers.

Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën. Wijnberg zegt het zelf al in het eerste gedicht: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, / en niet van anderen wil leren. // Daarna word je enkel / om wat zwaar is gevraagd / en je hoopt dat je ondertussen / – je kan niet zeggen hoe- / beter zal worden in het lichte.’ En die ‘je’, wie is dat dan? De lyrische ik spreekt vooral zichzelf toe. De dichtende ik wil zó graag lichter worden, maar wat dat betekent in een universum waar boomtakken doorbuigen onder het gewicht van vlinders, blijft als een mysterie tussen de regels hangen.

De krantenartikelen van de afgelopen maand zijn gevuld met aandacht voor herinneringen en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. We lezen over getuigenissen van mariniers die niet overeenstemmen met wat er te horen is op bandopnamen bij hetzelfde incident veertig jaar geleden. En hoe staat het met de betrouwbaarheid van wat getraumatiseerden zoals incestslachtoffers zich herinneren? Herinneringen kunnen vervalsingen zijn van wat we hebben meegemaakt, vervormingen van wat we denken te hebben meegemaakt. In Voor jou, van jou komt de herinnering vaak voor. Maar zijn dat wel altijd ‘echte’ herinneringen? Bij Wijnberg kun je zelfs geschiedenis beleven waarvan het onbelangrijk is of je ze hebt meegemaakt: ‘dat is als herinnerd worden / aan waar je nooit bij was’.

Dat vervormen van wat we hebben meegemaakt, blijkt noodzakelijk om te kunnen leven met het onbegrijpelijke wat je overkomt. Onze geest zoekt via de eigen logica naar vormen om het verhaal rond de herinnering passend te maken tussen de andere vervormde verhalen van de menselijke belevenissen. Wijnberg ziet dat we daar zelf invloed op hebben, iedereen heeft een ‘heer der herinnering’ die, als een kasteelheer, waakt over wat er zoal rondspookt in ons geheugen. Deze heer der is zodanig machtig dat hij herinneringen naar zijn hand kan zetten.

In het gedicht ‘Avond’ zijn de herinneringen eerder gedachten aan verliefde wensdromen dan aan wat er werkelijk is voorgevallen. Het hopeloze verlangen is ook nog eens eindeloos, het vuur is nodig om in het donker naar gevallen parels te zoeken. Wie op het versierderspad is, neemt sigaretten mee om een meisje iets aan te kunnen bieden. Vuur meenemen is er niet van gekomen, dat moet van een ander komen, maar het vuur aan de praat houden kan heel stoer met het aansteken van bankbiljetten. Voor jou, meisje, van jou, smachtende ik.

AVOND

In plaats van een sigaret 
aan te steken met een brandend bankbiljet 
steek je een biljet aan 
met een ander, 
als iemand je vuur geeft.

Je bestelt porties 
die groter zijn dan je op kan, 
als je bijvoorbeeld water wil drinken 
bestel je een fles zo groot als dat meisje 
dat haar ogen dichthoudt.

Wil je een sigaret?

Je rookt zelf niet, maar hebt er wel een bij je.

Herinner je je, 
kijk hoe zij danst, 
met een brandende sigaret 
in haar hand 
alsof dat straks het enige licht is?

Wat is de kans 
dat een meisje 
je vraagt te helpen zoeken 
naar haar parels, 
op straat, in het donker?

Brak de parelketting 
om je hals?

Ja, zoiets, je hebt niet toevallig 
een zaklantaarn bij je 
of een paar lucifers?

Voor jou, van jou kent een sterke samenhang. De gedichten in Voor jou, van jou hebben zeggingskracht als losse gedichten, maar versterken elkaar door onderlinge verwijzingen. Eigenlijk kunnen we spreken van één groot gedicht in onderdelen. Veel gedichten dragen dezelfde naam: vijf keer is er de titel ‘Avond’, vier keer de titel ‘Je dochter’ en twee keer ‘Je dochters’. Heel associatief dansen de gedichten om steeds terugkerende motieven heen. Dat helpt bij het zoeken naar betekenis maar schept daarbij ook steeds weer nieuwe betekenissen.

Natuurlijk heeft Wijnberg gelijk als hij zegt dat hij helder taalgebruik hanteert in zijn dichtwerk. Er staat geen woord Spaans tussen, we hoeven niet bang te zijn voor onbekende symbolische onderlagen: wat er staat is wat er aan de orde is. Maar wat er staat moet uiterst zorgvuldig worden gelezen. Als Wijnberg een bundel Nog een grap noemt of Liedjes, gebeurt er iets met de betekenis van respectievelijk ‘grap’ of ‘liedje’. Woorden krijgen een nieuwe geschiedenis, een nieuwe herinnering. De titel Voor jou, van jou lijkt te gaan over de aangesproken lezer, de eerste ‘jou’ is misschien een andere ‘jou’ dan de tweede. Dat weet je niet, je zult de keuzeboom af moeten lopen om alle verbanden te zien. Wie heeft gekozen voor de ene betekenis, loopt het risico een andere laag te missen.

Wijnberg wil begrepen worden, voor Nachoem (Hebreeuws voor degene die troost komt brengen) is het dichten een roeping. Zijn dichtwerk bestaat om de mensheid verlichting te brengen. Als een profeet creëert hij heel productief gedicht na gedicht om ons lezers te verheffen en misschien zelfs te troosten. In heldere taal, maar niet de taal die we gemakkelijk verstaan. Niet de taal van de lyrische dichter met muzikale elementen als metrum en rijm en herhaling. Het is zijn eigen idioom en wie het aandurft om zich daarin te verdiepen die ervaart zoals Wijnberg schrijft:

De vreugde van het plotseling dieper 
kunnen zien, wat 
het lichte is.

***
Nachoem M. Wijnberg (1961) is romanschrijver, hoogleraar in de economische wetenschappen en dichter. Zijn eerste tien dichtbundels werden verzameld in Uit tien. Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs, Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs kreeg toebedeeld, Divan van Ghalib, Waaraan de Gedichtendagprijs toeviel, Als ik als eerste aankom, Nog een grap en Van groot belang (genomineerd voor zowel de VSB Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs). Wijnbergs werk is vertaald in het Italiaans, Duits en Engels; in de VS verschijnt in 2018 een vertaling van Van groot belang.