Recensie van Voor jou, van jou - Nachoem Wijnberg

Telkens opnieuw leren lezen

Nachoem Wijnberg
Voor jou, van jou
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451523
€ 21,99
102 blz.

In de fabelachtige verhalen van Toon Tellegen lopen dieren rond die op de rand staan van besef maar net het laatste stapje van het echt begrijpen niet kunnen zetten. Zo’n mier, krekel of nijlpaard voel ik mij als ik het werk lees van Nachoem Wijnberg. In elk interview met de zeer productieve dichter, romancier, wetenschapper steekt het onderwerp even de kop op: hoe ondoorgrondelijk is Wijnbergs dichtwerk? En in al die interviews lezen we dat Wijnberg daar verwonderd en geprikkeld op reageert, zoals in de NRC: “Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.” Wie een krant kan lezen, zou klaar moeten zijn voor zijn dichtkunst. De verbazing, verwondering, zelfs teleurstelling bij Wijnberg lijkt oprecht. Hij is ervan overtuigd dat hij de mensheid zeer helder toespreekt. Hij wil graag een grotere lezerskring hebben, met betere verkoopcijfers om na zijn dood te kunnen rusten in een door de lezers bekostigd praalgraf. Ik gun het hem. Ik gun het iedere dichter; niet dat praalgraf, wel de lezers.

Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën. Wijnberg zegt het zelf al in het eerste gedicht: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, / en niet van anderen wil leren. // Daarna word je enkel / om wat zwaar is gevraagd / en je hoopt dat je ondertussen / – je kan niet zeggen hoe- / beter zal worden in het lichte.’ En die ‘je’, wie is dat dan? De lyrische ik spreekt vooral zichzelf toe. De dichtende ik wil zó graag lichter worden, maar wat dat betekent in een universum waar boomtakken doorbuigen onder het gewicht van vlinders, blijft als een mysterie tussen de regels hangen.

De krantenartikelen van de afgelopen maand zijn gevuld met aandacht voor herinneringen en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. We lezen over getuigenissen van mariniers die niet overeenstemmen met wat er te horen is op bandopnamen bij hetzelfde incident veertig jaar geleden. En hoe staat het met de betrouwbaarheid van wat getraumatiseerden zoals incestslachtoffers zich herinneren? Herinneringen kunnen vervalsingen zijn van wat we hebben meegemaakt, vervormingen van wat we denken te hebben meegemaakt. In Voor jou, van jou komt de herinnering vaak voor. Maar zijn dat wel altijd ‘echte’ herinneringen? Bij Wijnberg kun je zelfs geschiedenis beleven waarvan het onbelangrijk is of je ze hebt meegemaakt: ‘dat is als herinnerd worden / aan waar je nooit bij was’.

Dat vervormen van wat we hebben meegemaakt, blijkt noodzakelijk om te kunnen leven met het onbegrijpelijke wat je overkomt. Onze geest zoekt via de eigen logica naar vormen om het verhaal rond de herinnering passend te maken tussen de andere vervormde verhalen van de menselijke belevenissen. Wijnberg ziet dat we daar zelf invloed op hebben, iedereen heeft een ‘heer der herinnering’ die, als een kasteelheer, waakt over wat er zoal rondspookt in ons geheugen. Deze heer der is zodanig machtig dat hij herinneringen naar zijn hand kan zetten.

In het gedicht ‘Avond’ zijn de herinneringen eerder gedachten aan verliefde wensdromen dan aan wat er werkelijk is voorgevallen. Het hopeloze verlangen is ook nog eens eindeloos, het vuur is nodig om in het donker naar gevallen parels te zoeken. Wie op het versierderspad is, neemt sigaretten mee om een meisje iets aan te kunnen bieden. Vuur meenemen is er niet van gekomen, dat moet van een ander komen, maar het vuur aan de praat houden kan heel stoer met het aansteken van bankbiljetten. Voor jou, meisje, van jou, smachtende ik.

AVOND

In plaats van een sigaret 
aan te steken met een brandend bankbiljet 
steek je een biljet aan 
met een ander, 
als iemand je vuur geeft.

Je bestelt porties 
die groter zijn dan je op kan, 
als je bijvoorbeeld water wil drinken 
bestel je een fles zo groot als dat meisje 
dat haar ogen dichthoudt.

Wil je een sigaret?

Je rookt zelf niet, maar hebt er wel een bij je.

Herinner je je, 
kijk hoe zij danst, 
met een brandende sigaret 
in haar hand 
alsof dat straks het enige licht is?

Wat is de kans 
dat een meisje 
je vraagt te helpen zoeken 
naar haar parels, 
op straat, in het donker?

Brak de parelketting 
om je hals?

Ja, zoiets, je hebt niet toevallig 
een zaklantaarn bij je 
of een paar lucifers?

Voor jou, van jou kent een sterke samenhang. De gedichten in Voor jou, van jou hebben zeggingskracht als losse gedichten, maar versterken elkaar door onderlinge verwijzingen. Eigenlijk kunnen we spreken van één groot gedicht in onderdelen. Veel gedichten dragen dezelfde naam: vijf keer is er de titel ‘Avond’, vier keer de titel ‘Je dochter’ en twee keer ‘Je dochters’. Heel associatief dansen de gedichten om steeds terugkerende motieven heen. Dat helpt bij het zoeken naar betekenis maar schept daarbij ook steeds weer nieuwe betekenissen.

Natuurlijk heeft Wijnberg gelijk als hij zegt dat hij helder taalgebruik hanteert in zijn dichtwerk. Er staat geen woord Spaans tussen, we hoeven niet bang te zijn voor onbekende symbolische onderlagen: wat er staat is wat er aan de orde is. Maar wat er staat moet uiterst zorgvuldig worden gelezen. Als Wijnberg een bundel Nog een grap noemt of Liedjes, gebeurt er iets met de betekenis van respectievelijk ‘grap’ of ‘liedje’. Woorden krijgen een nieuwe geschiedenis, een nieuwe herinnering. De titel Voor jou, van jou lijkt te gaan over de aangesproken lezer, de eerste ‘jou’ is misschien een andere ‘jou’ dan de tweede. Dat weet je niet, je zult de keuzeboom af moeten lopen om alle verbanden te zien. Wie heeft gekozen voor de ene betekenis, loopt het risico een andere laag te missen.

Wijnberg wil begrepen worden, voor Nachoem (Hebreeuws voor degene die troost komt brengen) is het dichten een roeping. Zijn dichtwerk bestaat om de mensheid verlichting te brengen. Als een profeet creëert hij heel productief gedicht na gedicht om ons lezers te verheffen en misschien zelfs te troosten. In heldere taal, maar niet de taal die we gemakkelijk verstaan. Niet de taal van de lyrische dichter met muzikale elementen als metrum en rijm en herhaling. Het is zijn eigen idioom en wie het aandurft om zich daarin te verdiepen die ervaart zoals Wijnberg schrijft:

De vreugde van het plotseling dieper 
kunnen zien, wat 
het lichte is.

***
Nachoem M. Wijnberg (1961) is romanschrijver, hoogleraar in de economische wetenschappen en dichter. Zijn eerste tien dichtbundels werden verzameld in Uit tien. Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs, Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs kreeg toebedeeld, Divan van Ghalib, Waaraan de Gedichtendagprijs toeviel, Als ik als eerste aankom, Nog een grap en Van groot belang (genomineerd voor zowel de VSB Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs). Wijnbergs werk is vertaald in het Italiaans, Duits en Engels; in de VS verschijnt in 2018 een vertaling van Van groot belang.

Recensie van Man met hoed - Lieke Marsman

Tragikomisch wildfilosoferen

Lieke Marsman
Man met hoed
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450892
€ 24,99
192 blz.

In Man met hoed zijn de eerste twee bundels van Lieke Marsman bijeengebracht: Wat ik mijzelf graag voorhoud en De eerste letter. Deze worden bovendien aangevuld met vroeg en minder vroeg werk, en met enkele vertalingen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de grootse entree die Marsman met haar veelom gelauwerde debuut maakte in 2010, door persoonlijke omstandigheden heb gemist. Nu, gelukkig, is daar Man met hoed, een mooie dikke verzamelbundel met harde kaft, om de schade in te halen.

En ja, nu ben ik ook in de ban. Ik bewonder Marsman, die ik sindsdien liever maar meteen tutoyeer en Lieke noem.  In plaats van een recensie wil ik een brief aan haar schrijven beginnend met Lieve Lieke. Het kan geen toeval zijn dat Lieke en like maar één letter van elkaar verschillen. Bijna lig ik er wakker van, of misschien lig ik echt wakker, me afvragend wat het precies is dat mij en vele anderen aan haar lippen doet hangen. Misschien vond ik net een antwoord toen ik zojuist gedachteloos  mijn routinerondjes over het internet surfde. Het besef kwam dat ik niet goed ademhaalde. Daarna ging ik in Man met hoed zitten lezen en ontspande mijn ademhaling zich. Blijkbaar valt er bij het lezen van deze gedichten een hele last van me af.
Ik roep mezelf tot de orde om toch maar een gewone recensie te schrijven, om nader licht te werpen op wat ze nou zo goed doet.

Hoewel de dichteres allerlei thema’s aansnijdt die stof tot nadenken (en navoelen) brengen, zorgt ze er eerst voor dat haar lezer met haar op één lijn komt zitten. Daarna komt ze met gedachtenladders, die kunnen alle kanten op maar beloven hoe dan ook diepgang én amusement. In een enkele zin kan Marsman ogenschijnlijke contradicties verenigen, zoals bijvoorbeeld kwetsbaar en cool. Neem nou bijvoorbeeld de zinnen uit nummer 4 van het titelgedicht van de eerste afdeling, gewijd aan ‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’ :

Gister bakte ik twee eieren voor mezelf
en gooide de dooiers weg. Ik wilde een gezond persoon zijn.

Ik kwam iemand tegen die zei dat ze in de krant stond.
ik wilde weten waarom, maar eerst wilde ik warme handen.

Kijk, het geschreven ‘ik’ bakte gisteren twee eieren. Dit is iets heel alledaags, dit doen we (bijna) allemaal weleens en daarom zit ik al snel op dezelfde lijn, bijvoorbeeld die van de keukentafel of het aanrecht. Ik kan toekijken hoe ze die dooiers weggooit en ze legt me uit waarom ze dat doet. ‘Ik wilde een gezond persoon zijn.’ De gedachtenladders zijn inmiddels uitgeklapt en ik ben scherp bij de les, omdat ik hier meteen al check dat ik hier  te maken heb met een gelaagde, nadenkende stem. Dit fragment geeft wonderbaarlijk kernachtig weer hoe moeilijk het in deze tijd is om ergens zwart-wit voor te gaan, vanwege de overvloed aan informatie die ons onder andere via de media van alle kanten overspoelt. Het bevredigen van behoeftes naar de behoeftepiramide van Maslow verloopt niet vanzelfsprekend linear. Zo is het mogelijk in een gedicht van Marsman, dat wie probeert in een basisbehoefte te voorzien onderbroken wordt door het gedeelte van het ‘ik’ dat met zelfontplooiing en ethiek bezig is, zoals in de constatering dat het eiergeel blijkbaar niet gezond is. Het klassieke gedachtengoed van de piramide is dat de behoefte naar zelfontplooing pas ontstaat als de ‘lagere’ behoeftes al vervult zijn.

In de tweede strofe gebeurt iets soortgelijks. Warme handen willen hebben is een basisbehoefte die onvervuld afleidt van het vermogen sociaal te kunnen reageren. Zo’n hoofd dat soms als onderdaan van het lichaam, dan weer omgekeerd, dat van de hak op de tak springt, kennen we. Ik word geraakt omdat het zo echt is, zo navolgbaar herkenbaar en toch zo eigenzinnig. Nog nooit was de piramide van Maslow zo schrijnend in het kleine. Want het is niet te vangen, het gaat maar door dat leven, tot het stopt maar ook daarvóór valt er vaak zo weinig te veranderen. 

Een andere rode draad is dat Lieke Marsman al filosoferend speelt met verschillende bewustzijnsniveaus, soms bijna als een stand-up comedian. Zo lijkt de schrijfster zich in de volgende zinnen bewust van het effect dat ze graag op haar lezers of toehoorders zou willen bereiken: ‘Om nonchalant over te komen wilde ik het die avond hebben / over vrienden en wat dies meer zij’.

Er zelf al bij zeggen nonchalant over te willen komen is natuurlijk alles behalve nonchalant. Die zelfspot werkt op de lachspieren en is eveneens een verwelkomende manier om een gedicht te beginnen. ‘Wat dies meer zij is een kloeke manier om te laten zien / dat je best je archaïsche trukendoos beheerst.’ Met deze zin geeft de schrijfster een scherpe, humoristische uitleg.
Verrast word ik vervolgens door de zin die maakt dat je hem niet vanuit betekenis interpreteert, maar vanuit klank en associatie, om precies te zijn door de dubbele betekenis van ‘meer’: ‘Wat dies meer zij bevat een meer / waarin je koele vissen over je kuiten kunt voelen’. Een associatie die een sprookjesachtige sfeer creëert, mét mogelijk de dubbele laag om van het (bewust) wat ongemakkelijk begonnen thema af te leiden. De herhaling werkt vervreemdend, zodat klank en ritme de betekenis overheersen.

De tweede bundel van Marsman, De Eerste Letter, wordt geïntroduceerd met een lange quote van Rilke over angst. Deze quote zet de toon voor het begin van deze bundel. De angst lijkt vaak te groeien, dan weer  beteugeld te worden door de taal. De ik-persoon en de schrijfster lijken zich hier bewust van te zijn en het blijft de vraag of taal een vloek is of een zegen. Na het lezen van deze mysterieuze, surreëel aandoende poëtische uiteenzettingen zou ik met het Duitse ‘mal so mal so’ (de ene keer zus de andere keer zo) willen antwoorden. Waar een schrijfster constateert dat de mooiste mens zonder woorden is, barst een bundel bijna uit zijn voegen aan dramatische lading. ‘De mooiste mens is de mens die niet nadenkt; die / zichzelf genoeg vertrouwt om geen woorden nodig te hebben’.

Wat me verder lezend opvalt zijn Lieke’s sokken, die kwam ik eerder in de bundel ook al tegen. Ze lijken in titelgedicht ‘De eerste letter’ symbool te staan voor een laagje comfort en bescherming, een laagje beschaving.

Ik ben een geit met een navelstreng. Een vlezige lijn
die me bij het jouwe houdt. Jij bent niet de schaar
die me afknipt maar ook niet de wieg
waarin ik geboren word. Ergens
in deze berg moeten mijn sokken
toch liggen, iets zachts
voor mijn voeten, dat ze warm houdt.

Ik word geraakt waar de gedichten van eenvoud getuigen en de vertelstem kwetsbaar en eerlijk klinkt:

Soms ben ik zo open
dat ik mezelf van de randen af duw

Soms zo laag
dat het voelt alsof ik er wortel schiet

Maar ik heb goed gegeten
en het was lekker

Die zelfrelativering werkt ook hier weer humoristisch en tegelijk maakt het ‘stoer doen’ de kwetsbaarheid nog schrijnender.

Het ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’ maakt goed dat ik stiekem na een gedicht of twee, drie al vervuld ben en het verder moeten lezen kortsluiting lijkt te veroorzaken in mijn hoofd. De gedichten hebben een zekere dichtheid, een bijzonderheidsfactor.  Stel dat elk gedicht een petit-fourtje is, dan eet je daar toch niet in één keer een hele doos van leeg?  Omdat ik voor het schrijven van deze recensie naar mijn gevoel sneller en meer moet ‘eten’ dan ik wil, ben ik blij met het metaforische fleecedekentje en de druivensap,  zoals ik eerder al was met die sokken. 

Oh, je kunt wel bang worden van een 
te laat betaalde rekening 
maar oh, word maar niet bang van een 
te vroeg uitgesproken verliefdheid 
kom, dan gaan we gezellig 
in een klein karretje door een graslandschap rijden 
en onder aan de heuvel druivensap drinken 

het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te kunnen beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naartoe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh

Dat deze vrede slechts ogenschijnlijk is blijkt in het slotgedicht van ‘De eerste letter’ dat hierop volgt.

Ik hoef geen deur open te zetten
om haar binnen te laten.

Alleen een raam dicht te doen
dat ze in zal willen slaan.

In ‘Oudere Gedichten’ valt te ontdekken dat de man met hoed Lieke Marsman al sinds 2005 begeleidt. Een mannelijk alter ego blijkt, want ‘als hij zijn hoed af zet ben ik het’. Zo kan een dichter samenvallen met de personages die in de gedichten verschijnen, wat ook gebeurt in het gedicht ‘Bell Jar’ uit 2007. De dichter stelt zich voor wat ze zou doen als Sylvia Plath zou zijn, eindigend met: ‘Zou ik me opsluiten / in de keuken en mijn hoofd in de oven / begraven. Zou ik opnieuw / geboren willen worden?’ Deze laatste regel is een bijzonder fijngevoelige en scherpe kwinkslag. Zo ontstaat een meeslepend drama, als een schrijver die één kan worden met wat of wie hij omschrijft, om vervolgens vanuit een heel eigen perspectief een nieuwe vraag te stellen of een nieuw beeld te schetsen. Marsman heeft een sterk gevoel voor drama, dat soms op het papier spat in vormen die meer dan aan poëzie aan theater doen denken. Zo is het eerste gedicht in de afdeling ‘Nieuwe Gedichten’ een dialoog tussen A en B waarin elk een enkele keer drama-roddelend aan het woord komt.  Ik vind de letterlijke bewoording wat schril afsteken tegen de diepgang van veel van de andere gedichten, maar de afwisseling qua stijl en vorm is ook fascinerend.

De vertaalde gedichten zijn van dichters die in vergelijking tot elkaar, net zoals de gedichten van Marsman zelf,  heel uiteenlopend zijn qua stijl, hoewel ze allemaal wel iets ‘Liekeachtigs’ hebben. Aan de gekozen dichters valt af te zien hoe belezen en gedreven Marsman is als poëzieliefhebber. Ik noem er een paar: Frank ‘O Hara, Matthew Dickman, Brenda Shaughnessy.  Als zuster-poëzieliefhebber ben ik blij met een paar voor mij nieuwe namen om meer van te gaan lezen, zoals Wendy Wilder Larsen. Ik ben verliefd op het door Marsman vertaalde ‘Blauwe lijster in beukenhaag’. Wel vind ik het persoonlijk altijd jammer, wanneer de originele versie niet naast de vertaling gedrukt staat, omdat vertalen een hele kunst is. Zonder origineel kan ik geen inzicht verkrijgen in hoe de vertaling is gedaan.

De bundel sluit krachtig geëngageerd af met het gedicht dat op zichzelf staat, los van de andere afdelingen: ‘Alternatieve vragen en antwoorden’ over onder andere de Amerikaanse politiek, terrorisme en de oorlog daartegen, vluchtelingen en de hypocrisie die voortvloeit uit zowel de wapen- als de oliehandel. Frustratie, angst en ironie klinken door, maar vooral ook de kracht en dapperheid van de schrijfster blijven bij. Zij spreekt zich uit, zij gebruikt deze bladzijden en de positie die ze bereikt heeft om haar stem te laten klinken. Dat is poëzie, niet eens altijd zozeer in vorm of toon, maar altijd qua attitude. Throw poetry, not bombs, zoiets. Wat mij betreft heeft Marsman met deze verzamelbundel haar eigen poëtisch terrorisme (een term van Hakim Bey) verstrooid, ook zonder het gedicht ‘Alternatieve vragen’. Ja, hier barst kunst buiten de kaders en doet wildfilosoferend haar eigen ding.

***
Lieke Marsman (1990) debuteerde als dichter in Tirade. Haar eerste bundel, Wat ik mijzelf graag voorhoud, verscheen in 2010. Ze kreeg daarvoor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de Liegend Konijn Debuutprijs en de C. Buddingh’-prijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel, De eerste letter. In juni 2017 debuteerde zij als romanschrijver met Het tegenovergestelde van een mens.

Recensie van De loeiende tier - Mark Van Tongele

Er is geen grens aan het verbeelden

Mark Van Tongele
De loeiende tier
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450908
€ 21,99
56 blz.

Bezonnen en hartstochtelijk tegelijk zijn de typeringen die je te binnen schieten, als je de poëzie van Mark Van Tongele leest in zijn nieuwste bundel De loeiende tier. Wat een vitaliteit en taalkracht! Wat een taalfeest! Van Tongele is nog altijd een dichter die ten onrechte tamelijk onbekend is in Nederland. Zijn poëzie kent een dynamiek en beweeglijkheid die verrassend en verfrissend is. Ze maken dat je bij elk gedicht nieuwsgierig blijft naar het begin, de voortgang en de afloop. Het komt nog wel eens voor, zoals in het gedicht ‘Zonnecellenwonderspray’ dat Van Tongele zich overmand weet door een waaier van klanken, beelden en woorden die zich in hun onbegrepen zijn, in hun ‘wezenlijke desoriëntatie’ tot elkaar verhouden, omdat de taal op die plaatsen blijkbaar niet het middel is om de beleefde ervaring aan te raken. Het lijkt me een vorm van ‘klank- en woordstamelen’, van opperste verwondering, een vorm van dichterlijke overlevingskunst, maar de pen blijft wel op papier.  Je ziet op die plaatsen het beleven aan het beseffen voorbijgaan.
          Dikwijls weet hij uit zijn soms woeste dan weer verstilde bewegingen je een oproep, een aansporing, een levenshouding voor te houden waarmee hij je een uitweg biedt uit de ‘voortdurende verandering van de werkelijkheid’, zoals in het gedicht ‘Vannacht op het strand, doffe zeeruis’: ‘Waarom kunnen wij niet / over toekomst spreken met dezelfde / trefzekerheid als over verleden?’, of zoals in het gedicht ‘Zwaaiplaats’: ‘Puur geluk is het enige wat ons beschermt.’, of zoals in het gedicht ‘Heb je zwoerd achter je oren?’: ‘Hoe ontkomen aan kwalitatieve imperatieven? / Hoe milieu, groei en werk met elkaar verzoenen?’
          De bovengenoemde strofen tonen ons een dichter die er niet voor terugdeinst om zijn politiek-maatschappelijke betrokkenheid en de daaruit voortvloeiende moraliteit te laten zien. Het gedicht ‘Samenhangzin’ eindigt met een strofe ‘Wat kunnen wij anders dan / zo goed en kwaad als mogelijk / elkaars zwaartekracht helpen dragen.’ In deze regels klinkt voor mij het gedicht van Judith Herzberg ‘Er is nog zomer` uit de bundel Zoals (1992) mee: ‘wat zou het loodzwaar / tillen zijn wat een gezwoeg / als iedereen niet iedereen / terwille was als iedereen / niet iedereen / op handen droeg’.
          Zijn maatschappijkritiek komt in enkele gedichten direct naar voren, zoals in de gedichten: ‘This was the week when the financial markets began’, ‘Heb je zwoerd achter je oren?’ en ‘Play more’. In plaats van zich besprongen te weten door angst en onzekerheid ziet hij waarachtig de aantrekkelijkheid van catastrofen in. In de ongebreidelde vrijheid van de financiële markten bestaat de kans dat we ons overbelasten. Dan is het zaak temperamentvol, loyaal en neutraal te blijven. Ook de dichter ervaart bij de genese van zijn gedichten al vóór de bewustwording van de woorden een warmte als ‘een innerlijk geheel met je-/ zelf verbonden: een alzijdige en gelijktijdige, / wederkerige beïnvloeding van alles door alles’. Hij weet zich als dichter betrokken bij het proces, maar dient zich er ook met een zekere afzijdigheid door te laten meevoeren.
          Van Tongele rekent niet alleen op de helende krachten van de natuur, maar ook op die van de menselijke natuur, zoals uit het gedicht ‘Overlevingskunst’: ‘het meest adembenemende, / van dood gebarende paars draagt in zich // het puurste rood en het eerbaarste blauw: / ochtendgloren en een onbewolkte hemel.’ Dit soort versregels illustreert zijn levenskunstenaarschap. Hij blijft zijn poëtische zandkastelen bouwen. Hij zoekt naar de zin en de balans tussen alle lichte en duistere krachten.
          We hebben van doen met een lenig dichter. Zijn woord- en klankacrobatiek is indrukwekkend. Als een middeleeuwse ridder te paard portretteert deze dichter zichzelf als een ‘loeiende tier’ die zijn schielijke bewegingen in taal laat vloeien. Hij kan soms nauwelijks de ‘tier’, ‘de welige groei’ van de taal bijhouden. Hij weet zoals in het gedicht ‘Tegenwoordig’ soms bijna niet hoe de woorden en beelden bij hem binnenkomen en aan hem ontstaan: ‘Hoe de vlinder / aan zijn ogen komt. // Is dit de geest / van een verloren gedicht / die zijn lichaam verlaat?’ In dat ontstaansproces polijst hij zijn ‘sporen van aanraking’ en de ‘slijtage van vergelding’. Het leven laat zijn onuitwisbare sporen in hem achter. Als een verliefde Narcissus kijkt hij in zijn eigen spiegelbeeld. Hij herkent in de ‘copulerende schaters’ en de ‘klankstukken van het kuras’ de gelaatstrekken van vele voorgangers. Zijn gedicht ‘Zelfportret’ eindigt hij met de versregels: ‘Onverdroten houd ik een gedicht / met de zon voor mijn gezicht.’ In de poëzie ligt zijn hemelrijk, zijn verleden, heden en toekomst, zijn levensvreugde, zijn ‘diep verlangen naar geluk’ als ‘tegengif’ voor alle verlies en tegenspoed. Dit taalspel is nooit zonder risico’s. Hij blijft zijn lichtmythe doorvertellen. Ook al is dat in deze bundel zo nu en dan met gedichten die enkel bestaan uit een opsomming van klankrijke woorden die in samenhang ons begrip te boven gaan, maar ons wel willen laten zien dat deze dichter zijn zoektocht naar zin en licht niet wenst op te geven. Binnen deze karakteristiek past ook in de vrije toepassing van allerhande strofevormen zijn gebruik van archaïsmen, zoals ‘tier’ en neologismen, zoals ‘samenhangzin’.
          In deze nieuwe bundel heeft Van Tongele enkele gedichten gevlochten die betrekking hebben op zijn familie. De dood van zijn vader en de geboorte van zijn kleinzoon Oskar hebben poëzie bij hem losgemaakt. Dichtbij de kust op het kerkhof van Ostende tegen de valavond doet de geur van het water van de Noordzee hem herinneren aan zijn jeugd: ‘de koude schijn / doet het leven beven. […] Hoe ver van hier reikt mijn bestaan?’ In dit soort regels strekt de melancholie zich naar de oppervlakte uit. Het levenselixir van Van Tongele is divers en bruisend van samenstelling. Het gedicht aan zijn kleinzoon ‘Lang Leve Oskar’ gewijd roept bij mij reminiscenties op aan die andere grote Vlaamse taalkunstenaar Paul Van Ostaijen vanwege de taalvreugde en levensblijheid die zijn verzen uitstralen.
          Het is moeilijk kiezen waaraan ik mijn laatste voorkeur geef uit deze nieuwe bundel van Van Tongele. Ik kies uiteindelijk voor zijn gedicht over de melancholie, omdat ik daarin zijn vreugde, zijn strijd, zijn wanhoop en zijn hoop op leven tot aan het onverbiddelijke einde toe zie verwoord. Aan zijn onbedwingbare beweeglijkheid in woord, beeld en klank zal altijd die rouwrand van de melancholie blijven zitten: het oneindige spanningsveld tussen het willen en kunnen. Het helpt hem om de ‘veelvoudigheid van vergeten / in de spiegel van herinneringen’ op gang te houden. In zijn gedicht ‘Wat een mens bezielen kan!’ legt hij de bestaansgrond van zijn dichterschap neer: ‘Wat men beleeft werkt sterker dan wat men beseft. Er is geen grens / aan het verbeelden van een steeds grotere ruimte / in de geest. Een openheid, volheid, meervoudigheid. / Een royale resonantieruimte.’ Zo begint hij zijn bundel, maar hij eindigt hem met de vaststelling van ‘De onmogelijkheid van waarheid / De voortdurende verandering van de werkelijkheid.’ Daaronder beweegt zich zijn levensgevoel van de melancholie in deze vitaliserende bundel!

Melencolia

De wereld bekijken als een puinhoop,
bric-à-brac, als theater van tegenspoed.

Afstand doen van de werkelijkheid,
tot zelfs van zijn eigen lichaam.

Wat nu bedenken? Men kan dromen,
en schaduwen tot leven brengen.

Als een vurige roeping rusteloos.
Het begeerde gevaar van te veel passie.

Ondergaan in een onbedwingbare
hang naar het oorspronkelijkste.

De rouw om verloren illusies.
Maar niet van melancholie afraken,

dat is het ergste. Uit de catastrofe
ontstaat het paradijs. Inwijdingen.

Herhalingen. De permanente pendel
tussen mislukken en weigeren te berusten.

Het begin van het einde komt
altijd op kousenvoeten.

***
Mark Van Tongele (1956) is, als dichter, altijd een buitenstaander geweest. Hij experimenteerde met taal en dacht als een van de eersten na over digitale poëzie. Zijn bundels zijn tot nu toe altijd goed ontvangen door een select en enthousiast publiek. In 2004 kwam een verzamelde bundel onder titel Gedichten uit.

Recensie van Liever niet - Armando

Noodsignalen

Armando
Liever niet
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450243
€ 19,99
80 blz.

Wie er in de jaren zeventig van de vorige eeuw rijp voor was, herinnert zich ongetwijfeld de legendarische televisie-uitzendingen van Herenleed, de wekelijks in de Soester Duinen opgenomen en door de VPRO uitgezonden sketches met Cherry Duyns als hooghartige heer met bolhoed, opgedraaide snor en grootspraak, Armando met ziekenhuisbrilletje als zijn serviele tegenpool, en de later toegevoegde Johnny van Doorn als delirerende vrouw, kabouter en koning. Zij vermaakten de liefhebbers van het komisch-absurde en werden verguisd door de rest van Nederland.
Zo leerde men Armando kennen als acteur.
Maar wie van zigeunermuziek hield wist dat Armando ook een virtuoos musicus was die in het orkest van Tata Mirando viool speelde. (Onlangs zong hij nog in De Rode Bioscoop te Amsterdam).
Velen zullen hem bovendien kennen als de beeldend kunstenaar die van 1998 tot 2007 een eigen museum in Amersfoort had en nadat dit in vlammen was opgegaan sinds 2014 een nieuwe kunstzaal in Bunnik heeft. Kortom: Armando is een multitalent.

Na zijn vorige bundel Gedichten 2009 waarvoor hij de VSB Poëzieprijs kreeg, hield de dichter zich publicitair stil tot 2015. Toen verscheen de bundel Waaromdie hier werd besproken door Hans Franse, en is er dan nu de bundel Liever niet en die verschilt enigszins van zijn eerdere werk.
Niet dat zijn thematiek is veranderd, die behelst als vanouds de gruwelen van de oorlog, met name die in Kamp Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar de verschrikkingen komen minder expliciet in beeld en ook de grimmige humor die in eerdere bundels ruimte kreeg, is verdwenen.
Als je niet beter wist, zou je bij enkele verzen zelfs kunnen denken een vrijblijvend natuurgedicht te lezen, om dan toch door een enkel woord uit de droom te worden geholpen.

Lente

‘t Is bijna lente, de knoppen zijn al weerloos,
de takken steken hun armen uit
en de groei heeft de bloei ontdekt.

Het blijft voorlopig lente,
omdat het gretig groen is.

Het was de luidruchtige lente,
die even heeft geglimlacht.

Is de dichter met de jaren milder geworden? Ik denk het niet, wel subtieler en universeler. Het gaat weliswaar altijd over een steeds verder achter ons liggende oorlog, maar het is of daardoor, en door het ingetogen woordgebruik én omdat wij in een steeds onbestendiger tijd leven, de dreiging van een komende catastrofe intenser wordt.
Hoewel getypeerd als de dichter die de locaties waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden verbindt met het kwaad, is Armando geen moralist; hij beschrijft en duidt, oordeelt niet.
Ook in deze bundel komt men deze projecties tegen: (…) ‘Uit de jachtige nevels / doemt het schrikbewind der bomen op: / de wens naar een volmaakte vraag. ( Uit: ‘Wens’ ).
Het volgende gedicht is wat dit betreft exemplarisch.

Overleven

De wolken mopperen en de
Sterren schelden:
Een oproep tot lawaai.

Brekende gevels scheurende muren,
Het waaien van de hardvochtige storm,
Geen ochtend en geen dag meer,
Schokken uit de kreunende aarde,
Gillende nachten staan ’s nachts onder water.

Moet er alsnog overleefd worden?

De gedichten in Liever niet zijn kort maar het openingsgedicht ‘Namen’ is daar een uitzondering op; dat omvat maar liefst zeven pagina’s, zij het dat de stiltes erin, het wit tussen de strofen, meer ruimte innemen dan het geschrevene. Het doet qua structuur sterk denken aan ‘Awater’ van Martinus Nijhoff hoewel dat een doorlopend gedicht is. Maar in beide wordt iemand voorgesteld, waarna de dichter deze figuur volgt en hij de lezer deelgenoot maakt van zijn heimelijke bevindingen door hem te bestoken met aansporingen om goed op te letten.
Bij Armando zijn deze aansporingen noodsignalen.
Voor mij is ‘Namen’ het hoogtepunt van de bundel maar het gedicht is helaas te lang om het hier in z’n geheel aan te halen, terwijl eruit citeren het tekort zou doen. Toch enkele regels om een idee te geven.

Namen

U hebt hem gezien,
hij liep gewoon op straat, hij
ging misschien naar huis, u
hebt hem mogen zien.

(…)

Hij draagt een zware mantel, hij 

heeft een trotse lijst met namen en
op z’n hoofd een hoed.

Hij heeft de lijst met namen, hij
draagt de dood op handen.

(…)

Hij denkt dat u een dagtaak had en een geboortejaar,
Dat u een wankele wraak bezat,

(…)

Hij neemt de maat en vindt een pasklaar antwoord,
verkondigt een lange loopbaan
en teistert de bestrating.

(…)

Weldra heeft hij u ontmoet,
Sindsdien zijn er geen namen meer.

(…)

Er staan ook minder geslaagde gedichten in deze bundel, enkele malen is er zelfs sprake van mooischrijverij (‘Met het oog op ogenblikkelijke stilte’, ‘mateloze einders’, ‘een jachtig jagen naar gevaar’) maar dat is van ondergeschikt belang, omdat het bij Armando vooral om de boodschap gaat. Deze is zo indringend dat zijn poëzie voor docenten een bruikbaar handvat zou zijn om leerlingen bewust te maken van de geschiedenis die leert dat wij voortdurend strijd moeten leveren om de vrede en dat niets wat is bereikt als vanzelfsprekend van blijvende aard is.

Recensie van Waarom we poëzie haten - Ben Lerner

‘Ook ik houd er niet van’

Ben Lerner
Vertaler: Arthur Wevers
Waarom we poëzie haten
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789045033235
€ 17,99
80 blz.

Waarom we poëzie haten is een schitterend essay. De Amerikaan Ben Lerner, zelf dichter, start met het gedicht ‘Poëzie’ van Marianne Moore:

Ook ik houd er niet van.
Wanneer men poëzie leest echter, met een
volkomen minachting, ontdekt men er,
tenslotte, toch ruimte voor het authentieke in.

Het publiek haat poëzie, zegt Lerner en dichters ook, inclusief hijzelf. Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf. Alleen als je gedichten zeer kritisch leest – met minachting – kun je een beeld krijgen van het virtuele gedicht.
Grote dichters zijn zich van die virtualiteit bewust: ze ‘gaan de strijd aan met de begrenzingen van feitelijke gedichten, zegevieren tactisch over dat feitelijke of schorten het in elk geval op, stoppen soms helemaal met schrijven en worden dan geprezen omdat ze zwijgen.’ Ik moest denken aan het prachtige gedicht ‘Het kind en ik’ van Nijhoff (het haten lukt me nog niet goed):

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Ook het onvermogen het individuele universeel te maken is een reden tot haat. Walt Whitman droomde er desondanks van: ‘Ik ben groot / ik bevat menigten’, schreef hij. En: ‘Ik vier mezelf, en zing mezelf, / En wat ik me aanmatig zul jij je aanmatigen, / want elk atoom dat mij toebehoort, behoort jou net zozeer toe.’ Hij wenste dat Leaves of grass de seculiere bijbel voor de Amerikaanse democratie zou worden en dat er daarom geen priesters meer nodig zouden zijn. Met die ‘ik’ en ‘jij’ moet iedereen zich wel kunnen vereenzelvigen, maar Lerner laat zien dat dit onmogelijk is, onder andere door gender-, culturele en etnische verschillen. Overigens suggereert hij met de titel van zijn essay ook een universaliteit die hij niet waar kan maken. Ironie of een blinde vlek?
Avant-gardedichters uit de vroege twintigste eeuw wilden de gehate burgerlijke poëzie opblazen om bij te dragen aan een omwenteling van het maatschappelijke bestel of zelfs een revolutie. Daar had je ontregelende vormen voor nodig: denk aan Paul van Ostaijen of, veel later, aan de ‘Verdediging van de 50-ers’ van Lucebert, waarin hij afrekent met de ‘letterdames en letterheren’ en aankondigt ‘de blote kont der kunst te [zullen] kussen onder uw sonnetten en balladen’.
Poëzie bleek niet het geëigende middel tot het ontketenen van revoluties en dat was een nieuwe reden tot poëziehaat. De laatste jaren horen we in ons taalgebied opnieuw pleidooien voor een geëngageerde, zelfs ‘gevaarlijke poëzie’ – wat dat dan ook moge zijn – en ook nu ligt een teleurstelling op de loer, zeker als men een verleden idealiseert. In dat geval geldt Lerners constatering ook voor Nederland en Vlaanderen: ‘ ( … ) nostalgici haten gedichten omdat deze er niet in slagen datgene te doen wat poëzie, volgens hun onjuiste en vage beweringen, ooit zou hebben gedaan.’

Haat is bij Lerner geen afwijzing, integendeel: dichten is een belangrijke roeping, juist omdat die onmogelijk is. Het enige wat hij van haters verlangt is ernaar te streven dat zij hun minachting vervolmaken ‘en zelfs willen overwegen om haar over te brengen op gedichten, waar ze verdiept zal worden, en niet verdreven, en waar ze uiteindelijk misschien, door een ruimte te creëren voor potentialiteit en aanwezige afwezigheden ( als melodieën die niet te horen zijn), op liefde zal lijken.’ Een mooi slot.

***
Ben Lerner (1979) is schrijver, essayist en dichter. Zijn bundel Angle of Yaw (2006) werd genomineerd voor de National Book Award. In 2011 won hij de Preis der Stadt Münster für Internationale Poesie.