Recensie van Als werden wij ergens ontboden - Miriam Van hee

Het verloren paradijs van de moeiteloosheid

Miriam Van hee
Als werden wij ergens ontboden
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449843
€ 17,90
57 blz.

Miriam Van hee heeft haar nieuwe bundel Als werden wij ergens ontboden een motto van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956) meegegeven: ‘Je hoeft niet zoveel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Walser was een ingetogen, licht waanzinnige schrijver die zich niet geheel thuis voelde in dit leven. Vanuit dat levensgevoel schreef hij eens over Mozart dat die ons voert ‘naar het verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Misschien is dat wel hetgeen waarnaar niet alleen Walser maar ook Van hee verlangt in de natuurgebieden waar ze ons mee naartoe neemt. Het motto van de bundel verwoordt precies de wijze waarop zij zich in haar poëzie verhoudt tot de werkelijkheid. Met haar personifiërende waarnemingen van de natuur creëert zij haar eigen binnenwereld. Zodoende neemt ze in een glimp het ongewone aan het gewone waar en toont ons de werkelijkheid op een ongeziene wijze.
     Deze nieuwe bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste afdeling, gewijd aan een verblijf op Texel, is titelloos. De overige afdelingen met titel zijn gesitueerd in Estland, Rusland en Frankrijk. De weidsheid, het ingetogen landschap van de noordelijke streken, het verlate Franse berglandschap én de verloren tijd dragen bij aan haar beschrijving van een innerlijke weg naar wat zich moeilijk laat betreden, naar herinneringen en naar dromen. In de schrale landschappen staat het verblijf van het lyrisch subject in het teken van haar zoektocht naar een ‘moederland dat je vergeten bent’. Een herinnering, een droom, een verlangen naar een ‘uitzicht’ dat niets in de weg zou staan, is hetgeen waarop Van hee in veel van haar gedichten uit is. Zo onderkent ze bij eenvoudig tot armoedig levende mensen in het verlate (berg)landschap van ‘le villaret’ een levenshouding waaruit moeiteloosheid en een onveranderlijkheid van de dingen spreekt, zoals zich ‘het licht // en de schaduw over het blauwe graniet’ werpt.
     Tijdens de bezoeken aan natuurgebieden in Europa wijst Van hee op kleine veranderingen, niet alleen in het landschap, in de bewegingen van mens en dier, maar ook in de wolkenformaties. Het is niet spectaculair wat zij opmerkt, maar wel vol aandacht en empathie, en daardoor opmerkelijk bijzonder. In de ‘wandeling op texel’ zijn er tal van momenten waarop de wij er zich over verbaast dat de hooglanders die ‘eruit zien alsof ze nog / de oertijd hebben meegemaakt’, zich niet afvragen dat de natuur is zoals zij is. De wij staan er in het gedicht ‘pinguïns’ even bij stil of deze vogels zich voor de afsprong van de kust vrienden hebben gemaakt, of ze heimwee of verlangen kennen, want ze zullen elkaar nadien nooit meer zien. Mensen zijn voortdurend bezig te ‘gissen naar betekenis’ en met het toekennen van woorden aan wat ze waarnemen en ervaren. Daarmee verschaffen ze zich overzicht en inzicht in wat hen omringt, maar tegelijkertijd nemen ze op die wijze afstand tot hun directe omgeving. Dieren stellen zich daarentegen niet boven of buiten hun leefomgeving, maar gaan er in op. Dit gepersonifieerd uitlichten van een natuurlijke omgeving biedt haar de mogelijkheid om zich het landschap in al zijn verschijningsvormen toe te eigenen.

wandeling op texel

de hooglanders bewegen, wij wandelen, zij lopen
in de weg, wij omzeilen, ze zien eruit alsof ze nog
de oertijd hebben meegemaakt, wij schrijven
onze tijd met verzen vol, over hoe er gras kan
groeien op het zand, we gissen naar betekenis,
zij niet en wij vergissen ons, zij grazen traag, ook

als het regenen begint en het uitzicht minder scherp
wordt, wij keren langs de zee terug waar strandlopers
spelen met de waterlijn, hun tere knietjes zitten
aan de achterkant, ze eten zand en zijn niet bang
van grote meeuwen op de uitkijk, en de wind
die ons huilend doet verlangen raakt ze niet

De tweede afdeling ‘Een maand aan het meer’, bestaande uit drie gedichten, benadrukt nog eens de afwezigheid van de mens in dit berglandschap. Wel zijn er in dit landschap de ‘verre claxons [die] in de vochtige / lucht roepen als eenzame zielen’. Dit verlaten landschap roept het verlangen bij de je op om er een vingerafdruk achter te laten. De dieren ‘lieten zich niet bidden, de woorden evenmin’. De natuur maakt sprakeloos, straalt iets onaantastbaars uit. Het enige levensteken waaruit de jij zou kunnen afleiden dat hij niet onopgemerkt is gebleven, zou gelegen kunnen zijn in ‘een / lila klokje  [dat] trilde na een schouderklopje van de wind’
     De derde afdeling ‘Een kleine vallei’ heeft wandeltochten rond de berg ‘Mont lozère’ tot onderwerp. Het gedicht ‘wolken in bassurels’ is thematisch een veelzeggend gedicht, mede omdat daarin de titel van de bundel is opgenomen. De wandelaars hebben boven zich een ‘dun wolkendek dat niet bewoog’; onder hen snellen andere wolken ‘als laatkomers op de vergadering // als stellen voorbij naar het zuiden’. Ze bevinden zich tussen de wolkenpartijen in. Dit beeld doet mij herinneren aan het beroemde schilderij van Caspar David Friedrich (1774-1840)  ‘Der Wanderer über dem Nebelmeer’. Het geheimzinnig en onheilspellend spel van de wolken, licht en duisternis houdt de wandelaars in zijn ban.  

halverwege rustten we uit, we konden de
luchtlagen zien, hoog boven ons hing een
dun wolkendek dat niet bewoog, daaronder
snelden als laatkomers op de vergadering

stellen voorbij naar het zuiden, waar zij zich
ophoopten in een donkere grot in de lucht,
daarvandaan werd wind naar ons toe
gespeeld, een overschot dat naar believen

huishield in de bomen die ons omringden,
wij hervatten de klim tussen de doornen, maar
die donkere grot kwam ons te na, als werden

wij ergens ontboden, het was nog te vroeg, we
wankelden maar we lieten de aarde niet los
we hielden elkaar stevig vast en weerstonden

Deze tocht lijkt een sublieme ervaring te verwoorden. De aantrekkingskracht die ervan uitgaat, is moeilijk te weerstaan. Met dit ‘wolkenspel’ lijkt iets als een ‘hemelvaart’ op handen te zijn. Hier raakt het lyrisch subject aan het ‘verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Het landschap roept herinneringen op aan vroeger tijden, aan mirakels, aan verdwenen gebruiken. Achtergebleven handafdrukken, tekeningen op de wand van grotten zetten de verbeelding bij het lyrisch subject in werking. Het lijkt alsof niet de mensen voor het landschap, maar het landschap voor de mensen zorg draagt: ‘het waakte, traag en vasthoudend, / de man voelt de avond komen met vorst, met // stille tred, lichtvoetig, maar nog even niet’.
     In de vierde afdeling ‘tussen wal en schip’ staan gedichten die teruggrijpen op veelzeggende herinneringen die zich als droomflarden aandienen. Het gevoel van de ik in verschillende levensfasen tussen wal en schip te vallen vindt uitdrukking in de gedichten uit deze afdeling. In het gelijknamige gedicht is de ik met haar ouders op bezoek bij vrienden die, zoals dat in een droom kan gebeuren, hun derde kind verstopten. Een vlucht uit de stad volgt. Op wonderbaarlijke wijze ‘brandde [het kind] zich aan het papier en ik // vermocht het niet te troosten’. In dit droomgedicht klinkt een vergeefsheid, verlatenheid en machteloosheid op: ‘verder fietsen over land, zonder / kwitantie, zonder geld en zonder kind’. De overige gedichten uit deze afdeling raken aan bizarre en onnavolgbare droomfragmenten waarin de ander onbereikbaar blijft, de wetten van de zwaartekracht worden getrotseerd en adembenemende taferelen zich in de verbeelding voltrekken.
     In de vijfde afdeling ‘De weekendtrein naar Volchovstroj’ trekt aan de je ‘het groen voorbij met vlekken / van seringen, een gordijn van berkenstammen / als in droomlandschappen’. In de lente trekken mensen uit de stad in het weekend er op uit nu het langer licht wordt. Van hee weet prachtig de geur van het platteland mee te nemen naar de stad ‘waar in de metro dagenlang / de geur van dille en van opgelegde uien hangt’. Het lieveheersbeestje dat van beneden naar boven en terug over de treinruit kruipt, illustreert deze wekelijkse beweging van de treinreizigers. In het gedicht ‘rijm is het probleem’ speelt rijm en ritme bij het vertalen van Russische teksten een voorname rol, omdat ze in overeenstemming dienen te zijn met ‘het rijm en ritme van / golfslag of hart’. Het heeft te maken met ‘de russische / treinen die wiegend in juni door weelderig / groen met hun wielen de maat slaan’. In dit gedicht is de reis door het Russische landschap de bedding waarbinnen het wachten op het juiste rijmwoord – passend in het juiste ritme – ‘als bergen van afmattend werk’ wordt ervaren.
     In de laatste afdeling ‘lente in käsmu’, ontstaan in het schrijversverblijf te Käsmu in Estland, gaat Van hee een dialoog aan met de wereld om haar heen en ver weg. De dennen en vogels doen haar bewust zijn van haar ziel die zich moet verankeren door het brood te eten. Op een geheel natuurlijke en profane wijze vlecht Van hee hier de eucharistieviering in haar poëzie. De bevreemding is gewekt. Ze maakt daardoor de werkelijkheid in deze cyclus transcendent. De ik spreekt als ware hij een heilige Franciscus tegen de vogels en herinnert zich tijdens Pasen dagen aan het gezinsvolle strand. De ik stuit op vroegere voornemens en ambities: ‘je talen / te kennen, de weg te vinden, naar huis’. Dat betekent vooral jezelf te worden. Het blijkt moeilijk te zijn daadwerkelijk contact te maken met het moederland, maar er is wel ‘een goudvink op het terras’ als teken van verbinding.
     Net zoals de vogels zoekt de ik in haar geïsoleerde positie een ’samenzijn tussen twee eenzaamheden’ door. De versvorm die Van hee in deze cyclus gebruikt, is net zo grillig als de gedachtesprongen die ze maakt. Hoe moeilijk het is de eenzaamheid te verdragen, spat van de pagina’s af. Het ‘kabbelen van de baai’ schenkt voor even gemoedsrust, terwijl ze de ander bij zich wil voelen. Een kuifmees lijkt zich echter bewust van haar aanwezigheid en wijst haar de weg: het bos uit. Hoe moeizaam de contacten met het moederland ook verlopen, in de natuur is voor de ik de weg gelegen, ‘het bos uit’, naar het licht, naar het paradijs van de moeiteloosheid’. Staren uit het raam met uitzicht op de paradijselijke natuur blijft nog altijd de positie die Van hee inneemt om vanuit haar eenzaamheid transcenderende poëzie in zich te voelen opkomen. Deze melancholische poëzie vindt bovenal haar troost in de natuur.

***
Miriam Van hee (1952) is dichteres en slaviste. Haar poëzie is vertaald in tien talen en werd bekroond met de Jan Campert-prijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en de Herman de Coninckprijs. Haar voorlaatste bundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de VSB – Poëzieprijs.

Recensie van Western - Delphine Lecompte

Niet ontroostbaar

Delphine Lecompte
Western
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023463139
€ 19,99
117 blz.

Western is ‘directed by Delphine Lecompte’. Deze papieren film heeft vier delen die spanning en sensatie beloven: ‘Part one: child’, ‘Part two: whore’, ‘Part three: revenge’, Part four: redemption’, waarbij het de vraag is of bij ‘redemption’ sprake is van een verlossing of het aflossen van een schuld – misschien wel allebei. Een intro gaat aan de film vooraf en hij eindigt met een uitsmijter.
Al speelt hij zich af in Vlaanderen, het blijft een western waarin wraak, geweld en dood een even belangrijke rol spelen als seks en tederheid. Lecompte geeft haar uitbundige verbeelding zonder enige terughoudendheid de vrije hand, meer nog dan in voorgaande bundels. Voor het overige lijkt Western erg op de voorgaande. Meer van hetzelfde dus, maar het gekke is dat het in haar geval niet uitmaakt. Ze blijft geloofwaardig, ze wordt geen karikatuur van zichzelf. Misschien moeten we haar vergelijken met een tekenaar als Peter Verstraten en de schrijver Simon Carmiggelt die, toen ze hun vorm eenmaal hadden gevonden, hun werk nauwelijks meer veranderden en toch aantrekkelijk bleven.

Op het  achterplat wordt het scenario als volgt samengevat: ‘Een vrouw is belust op wraak. Na een moeizame jeugd in een obscuur dorp, een wisselvallig liefdesleven en een hobbelig arbeidsparcours spreekt ze over de mensen en de ervaringen die haar ooit het leven zuur maakten. Eerherstel en erkenning krijgen is haar doel.’
Een echte verhaallijn is er niet. De bundel bestaat uit een aantal anekdoten; de thematiek en de regelmatig optredende verhaalpersonen zorgen voor een losse samenhang. Naast de ik-figuur, soms expliciet Delphine Lecompte genoemd, maken we opnieuw kennis met de oude kruisboogschutter, volgens de overlevering de bejaarde geliefde van Lecompte.  En ook met de walvisjager, de touwslager, de imker, de ontslagen kraanmachinist, de mystieke chrysantenkweker, de necrofiele tegelzetter met wie de ik Russisch roulette speelt – ze is de Kamagurka in de poëzie -, een melancholische garagist, de gekke bakker, tantes, ooms, nichten, neven, moeder, vader, grootouders en niet te vergeten de analfabetische jongenshoer, die een prominente rol speelt in deze bundel.

Van de vorm moet Lecompte het niet hebben. Ze schrijft opnieuw lange gedichten, verdeeld in strofen van meestal vijf regels. Maar het taalplezier spat van de bladzijden en haar humor is onweerstaanbaar en veelzijdig. De voortdurende herhaling van de absurde namen is bizar – in de goede zin – en neemt soms vormen van slapstick aan. Ze speelt met onze verwachtingen: ‘In de winkelstraat ziet hij de vrouwen halfnaakt / Hun bovenkledij is groen en slobberig’. Ze is cabaretesk: de ‘meest sensuele’ en ‘meest Braziliaanse Maria van West-Vlaanderen’ troost de mannen van het biljartcafé, die aan haar lippen hangen: ‘Als je slaapt met een kam onder je kussen verlies je nooit je libido, ook al ben je kaal’. Haar humor is uiterst beeldend: ‘de boeman van de duinen’ heeft een ‘kolibriepenis’. En auditief: ‘De Schotse schapenscheerder ( … ) kwam klaar als een gemelijke wezel in barensnood.’

Maar vergis je niet: die grollen en grappen zijn maar één kant van het verhaal. Ze maken het lezen (en misschien ook schrijven) van de andere kant draaglijk: die van pedofilie, geweld, moord, prostitutie, uitbuiting, verkrachting  en ontwrichte families. Die combinatie geeft misverstanden en wekt soms ook weerzin. Een enkele keer geeft zij dat zelf aan, zoals in ‘Geheimen in een bijenhotel’: ‘In mijn gedichten staat alles, maar iedereen leest dezelfde kleine gortigheid / Op mijn vensterbank ligt een hart waar ik slordig mee ben omgegaan.’
De fantasieën buitelen over elkaar heen, de ene fantasie roept de andere op, een enkele keer lijkt er sprake te zijn van hallucinaties, maar de realiteit is altijd uitgangspunt, of ik moet we wel heel erg vergissen. 

Haar vriendschap met de analfabetische jongenshoer kan model staan voor de hele bundel. Zijn leven is troosteloos: ‘Zijn ouders hebben hem uit zijn testament geschrapt, en zijn pooier vindt hem morgen te oud’.  Ze maakt van nabij mee wat hij ondergaat, probeert hem te beschermen, maar meer dan troost kan ze hem niet bieden. Uit ‘Kermistroost werkt altijd’:

De analfabetische jongenshoer wordt verkracht
Door een gierige wafelverkoper met barokke oren
Ik haat gierigheid in wafelverkopers met barokke oren
Ik troost de analfabetische jongenshoer met een polshorloge van de kermis
En met het mooie weer van de lucht, alsof ik vat heb op het mooie weer van de lucht.

Ze heeft wraakfantasieën. Als de jongen te laat bij ‘een klerikale klant’ komt is deze ‘razend, hij slaat de analfabetische jongenshoer met al zijn macht / En al zijn kandelaars, de hete was spat op een schilderij en bedekt de wrat van een voorouder.’ (Een geschilderde wrat wordt vervangen door eentje van was – prachtig). Ze pikt het niet en ‘zal hem wreken zowaar [zij] Desdemona of Delphine heet’. De laatste strofe van dit gedicht, ‘De analfabetische jongenshoer en de verstoten merel’ heeft alles van een humoristische en toch spannende B-film:

‘Je kunt niet aan je wraakengel ontkomen, Don Padre Giovanni!’
Tier ik, er is een echo: anni anni anni
De klerikale beul zit geschrokken in zijn sofa
In zijn handen houdt hij een obsceen uitpuilend shoarmabroodje geklemd
Ik dood hem met een vuistslag op zijn linkerslaap, het broodje neem ik mee voor de bordercollie
Die ik bijna heb, eind goed, al goed, maar de merel sterft.

(Die verstoten merel vond de ik op de drempel van de goudsmit.  Zij gaf hem ‘met graagte en vertrouwen aan [haar] beste vriend.’)

Het laatste gedicht is een ‘Deleted scene’, met als titel ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. ‘Deleted’ is absurd: we lezen het immers. Maar dat het ‘deleted’ moest worden, wordt aan het slot pijnlijk duidelijk. Als de ik fantaseert over de dood, beseft zij haar diepe eenzaamheid ten volle en het is juist haar vriend, deze ‘analfabetische rentboy met een aandoenlijke froufrou’, die daar een belangrijke rol in speelt. Een ‘profetische teckel’ verwijt haar dat ze nog steeds in dezelfde fouten vervalt. Haar verdediging dat ze een thuishaven is voor haar vriend treft geen doel, gezien de reactie van de teckel: ‘Jij een haven?? Jij bent onbeduidender dan de luis / In de stola van de oudste bordeelhoudster ter wereld. / Onbeduidender, antipathieker, en sentimenteler! Ik haat je sentiment …’ – je zou dit uit als een felle kritiek uit andermans mond op Delcomptes poëzie kunnen lezen, er komen meer van zulke gelaagde regels voor, maar dat terzijde. De ik slaat de teckel dood met een rotsblok, gooit dat in zee en wordt meegesleurd. De laatste vijf regels:

Ik sterf en merk
Dat sterven zo erg niet is
Ik word met niemand verenigd en ik mag iedereen vergeten
De kleur is emerald, de geur is otter.

De analfabetische jongenshoer is niet ontroostbaar.

Ze beschrijft haar dood als een verlossing, maar het tegendeel is het geval. De jongenshoer is niet ontroostbaar, zijn leven gaat verder, de ik was een passant. Een geliefde passant weliswaar, maar toch: een passant.
‘De analfabetische jongenshoer is niet ontroostbaar.’ Huiveringwekkend. Maar dit soort regels op een plaats met een maximaal effect – in dit geval de laatste regel van de bundel – maakt de bundel groots.

***
Delphine Lecompte (1978) schreef de Engelstalige roman Kittens in the boiler. Daarna schreef ze alleen nog poëzie. Voor haar debuut De dieren in mij (2009) kreeg ze de C. Buddingh’-prijs. Haar zesde en voorlaatste bundel, Dichter, bokser, koningsdochter. Gedichten! ( 2015) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

 

Recensie van Nacht en navel - Yannick Dangre

‘Dichters zijn de losprijs van deze wereld’

Yannick Dangre
Nacht en navel
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449867
€ 17,99
80 blz.

Yannick Dangre (1987) heeft zijn bundel Nacht en navel zorgvuldig gecomponeerd. Een voorbeeld: het openingsgedicht gaat vooraf aan de eerste afdeling en heeft als titel ‘Naamloos’. Het gaat over de harde buitenwereld: het lot van de bootvluchtelingen. De titel kan op hen slaan, maar in ieder geval op het machteloos toekijkende lyrische ik: ‘(…) ze roepen mij / bij mijn naamloosheid.’ Het laatste gedicht, evenmin behorend tot een afdeling, eindigt met de regel ‘Geef me jouw naam’ en is naar binnen gericht: het gaat over een tot ondergang gedoemde liefde. De gedichten spiegelen elkaar en zijn daarmee aan elkaar verbonden.
De bundel heeft vijf afdelingen waarin we die verbinding terugzien. Achtereenvolgens: de binnenwereld (het innerlijk, de gedachten en beleving), buitenwereld, de verbinding tussen binnen- en buitenwereld, binnenwereld, buitenwereld.

De binnenwereld is niet zorgeloos. In de eerste afdeling, ‘Toi tu t’appelles Lolita’, wordt de wankele relatie beschreven tussen een zich tamelijk oud voelend lyrisch ‘ik’ en een veel jonger meisje – dat is zij in ieder geval naar de geest. De vierde afdeling, ‘Settima Santa’, gaat ook over de binnenwereld en daarin kijkt de dichter onder andere terug op zijn stukgelopen huwelijk. Hij heeft diepe spijt, vergeten kan hij zijn voormalige geliefde niet. Hij uit zijn onvervulbare verlangen op een bijbelse manier: ‘Het is weer die week waarin zij / knettert in mijn struiken’.
De buitenwereld met haar terrorisme, onnoemelijk leed en oorlogsgeweld is dreigend. Die dreiging is bovendien heel dichtbij. De titel van de tweede afdeling begint bijvoorbeeld met ‘ik’: ‘Moi je m’appelle’ en dan volgt een reeks gedichten met namen als titels: van het iconische, met gruis bedekte Syrische jongetje dat ontdaan in een ambulance zit, van terroristen en presidenten (Assad en Hollande). Deze personen zijn in deze reeks aan het woord. In het laatste gedicht zien we een klagende Allah: ‘Ik zit thuis en word er zo moe van, dat eeuwige / gekrakeel en geïnterpreteer van mijn naam’. Merk op dat Lolita in haar afdeling met ‘jij’ wordt aangeduid (‘Toi tu t’appelles Lolita’) en dat is een fractie afstandelijker. Ook dat is een manier om binnen- en buitenwereld bij elkaar te brengen.

De derde afdeling, over het dichterschap, heet niet voor niets ‘Stairway to hell’ – dat is heel wat anders dan de ‘Stairway to heaven’ van Led Zeppelin. Wat kun je in zo’n wereld nog als dichter? Wie ben je?  In ‘Pamflet’ geeft hij een voorbeeld.

Ik bedenk wel eens: de hele wereld
wordt gegijzeld en ik zit vredig op dit blad
te zoeken naar de laatste punten en komma’s
van het menselijk karakter.

Misschien is het belachelijk en toch blijf ik beweren:
koop geen pamfletten maar poëten. Loop binnen
in hun openstaand verdriet. Vergeet het gekakel
van deze eenmalige aarde en broed alleen
je eigen betekenis uit.

En ach, misschien komt God mij ooit straffen
omdat ik de mensheid vastpin in de eenzelvigheid
van dit gedicht, maar ik zal blijven zingen
als dankzij mij ook maar één jonge kerel
de nuances van zijn navel leert lezen.

Ik bedenk wel eens:
dichters zijn de losprijs van deze wereld.

Een mooi gedicht. Ernst en grote woorden worden draaglijk gemaakt door de relativerende ironie: ‘koop geen pamfletten maar poëten’, maar de titel is grappig genoeg ‘Pamflet’. De regel eindigt met het mooie enjambement ‘Loop binnen’: regelrechte pamflettentaal. En die pamflettentaal wordt vervolgens weer onderuitgehaald: ‘Loop binnen / in hun verdriet’. De laatste vijf regels raken de kern van de bundel, zie de titel Nacht en navel, een toespeling op het lugubere Nacht und Nebel. De navel is het beeld voor de verbinding tussen het innerlijk en de buitenwereld. Iedere navel is anders en daarom moet je weten op welke unieke wijze je die verbinding legt. (Dat is een van de hoogste dingen die literatuur kan doen, maar inzicht betekent natuurlijk geen verlossing. Een goed gedicht verandert je eenzaamheid, zei Nijhoff – een prachtige observatie.) De buitenwereld wordt aangeduid met nacht: de donkere staat waarin die zich bevindt.
Het is in dit verband opvallend dat in de eerste buitenafdeling, ‘Moi j’appelle’, het perspectief bij de beschreven personen ligt en in de tweede, ‘Cidade de Deus’, bij het lyrisch ik. Hij spreekt daarin steden als Aleppo, Keulen en Jeruzalem toe. De laatste strofe van ‘Aleppo': ‘Op geen zender kijk ik er nog van op / en ook jij zwijgt stil. Je bent net een mens: / je kunt niet wegkijken van jezelf.’

De titel brengt me op iets wat me hindert in de bundel. De eerste strofe van ‘Explosief’, het openingsgedicht van ‘Stairway to hell’, luidt als volgt:

Daar zit ik dan, dertig jaar en nog steeds
zoek ik het leven door doktertje te spelen
met een gedicht. Zo beluister ik de longen
van woorden, meet zorgvuldig de bloeddruk
van mijn metaforen en ik geef toe: aan het eind
worden mijn komma’s soms handtastelijk.

Helder en humoristisch, maar ik zou willen dat het doktertje af en toe wat meer op de achtergrond bleef. Het gaat me met name om de vele allusies, alleen al in de eerste afdeling rond de zeventien. Dat gaat irriteren, hoewel het onmiskenbaar is dat Dangre ze goed weet te integreren: ‘Dan ( … ) klets ik alle vorige minnaars uit je nek’ bijvoorbeeld. Of de mooie meerduidige regels (iets waar hij zeer goed in is): ‘Je hebt me, zei ik, je hebt me niet / in het midden gelaten, (…)’. Het meest geslaagd is de toespeling in de eerste strofe van ‘Omran Daqneesh’, het Syrische jongetje.

Daar zit ik dan, vijf jaar
en mijn gezicht vol gruis en grenzen
waar elke Amerikaan en Rus om vecht
boven mijn pet. Elke dag denk ik hen
in stilte omver.

De eerste vier woorden van deze strofe zijn identiek aan die uit het eerder geciteerde fragment uit ‘Stairway to Hell’ – geen toeval natuurlijk. Alle parallellieën, tegenstellingen, spiegelingen et cetera zijn functioneel, maar ze dringen zich niet op. Aan Mulischiaanse circusacrobatiek bezondigt Yannick Dangre zich niet.

Aanvankelijk vond ik de gedichten over de buitenwereld minder sterk, omdat het engagement een wat obligate indruk maakte: zo kennen de meesten van ons de frustrerende machteloosheid die je kan overvallen bij het zien van zoveel ellende. Maar dat veranderde toen de fascinerende invalshoek tot me doordrong: de poëticale verbinding van binnen- en buitenwereld. Voor zijn liefdeslyriek was ik al gevallen:

WAT WIJ ZEGGEN

Je hebt me, zei ik, je hebt me niet
in het midden gelaten, viel mij binnen
als lenig licht in een kamer en je brak er
mijn angsten uit, verving mijn verleden
door je volle ornaat van kont, zweet
en hinnikende tepels.

Verander je leven, zei je, en ik deed het,
at mijn berouw op tot de laatste krop
in mijn keel, nam mijn voornemens mee
naar je tafel en altijd lachte je dan
om de kilo’s achterstallige angst
in het vriesvak.

Dat gaat nooit voorbij, zeggen we
terwijl mijn adem soms al op je rotsen
kapotslaat, ik mijn zwarte zaad verzamel
voor later. Toch blijf je dat jonge veulen
in mijn contreien en ook jij weet dat ik
in je dijen nog steeds voor het grijpen lig.

Al met al vind ik Nacht en navel een van de beste bundels die ik het afgelopen jaar heb gelezen.

***
Yannick Dangre (1987) is schrijver en dichter. Zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet (2011) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs.

Recensie van Het vaderpaard / It faderpaard. Alle gedichten - Tsjêbbe Hettinga

Een monument

Tsjêbbe Hettinga
Vertaler: Benno Barnard
Het vaderpaard / It faderpaard. Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023459965
€ 49,99
816 blz.

Met het tweetalige Het vaderpaard / it faderpaard heeft Tsjêbbe Hettinga (1949 – 2013) het monument gekregen dat hij verdient. Alle bundels, het verspreid gepubliceerde en het ongepubliceerde werk zijn hierin bijeen gebracht, met uitzondering van de gedichten die hij samen met anderen heeft geschreven. Daarnaast hebben de bezorgers en vertalers een verantwoording opgenomen, de gedichten van aantekeningen voorzien en vindplaatsen van de gedichten opgenomen. Ook bevat de bundel een biografische schets en uiteraard een inhoudsopgave. Daarmee is deze uitgave ook van zeer grote waarde voor nader wetenschappelijk onderzoek. En, last but not least, het boek is prachtig vormgegeven.

Het jeugdwerk, de nagelaten gedichten en de postume bundel De ring van Gyges zijn vertaald door Benno Barnard in samenwerking met Tsead Bruinja en Teake Oppewal. Op een paar gedichten na vertaalde Barnard het overige werk samen met Tsjêbbe Hettinga zelf. In de verantwoording lezen we hierover het volgende: ‘Hettinga maakte letterlijke vertalingen, die Barnard vervolgens bewerkte, waarna Hettinga de poëtische vertalingen van commentaar voorzag, et cetera – tot hij het resultaat van de gezamenlijke inspanningen bevredigend genoeg vond om het te autoriseren.’ Deze vertalingen zijn dan ook het mooist. Het drietal Barnard, Bruinja en Oppewal moest soms een keuze maken uit meerdere mogelijkheden; alleen Hettinga had hun kunnen vertellen welke hij de beste vond. Maar ook deze vertalingen doen heel natuurlijk aan.

Omdat de meeste lezers van deze recensie het Fries niet machtig zijn, gebruik ik de vertalingen.

Het eerste wat opvalt is de enorme vormenrijkdom in zijn werk. Er zijn ook opvallende constanten: de ruimte van het Friese land, de wolken, de zee, de vogels, het vee – inclusief de paarden – , de onherroepelijke voortgang van de tijd en de vergeefse pogingen die stil te zetten, dood, liefde, en dan nog ben ik onvolledig. In zijn eerste gepubliceerde gedicht, ‘De tijd staat niet stil’ (1968) zie je die tegenstelling tussen stilstand en de voortschrijdende tijd al. Goed is het niet, maar dat doet hier niet ter zake. Een ik-figuur bezoekt het graf van zijn vader, die al vijf jaar dood is. Met de zegswijze ‘De tijd staat niet stil’ heeft hij niet veel, ‘Want ik leef vandaag-de-dag / Met mijn vader / Al is hij al vijf jaar dood’. Hij bidt voor hem en als hij zijn ogen opent ‘Staat op de witte grafsteen: 1963 / Dan moet ik wel bekennen / De tijd staat niet stil’. Ook het cyclische dat je in veel van zijn werk ziet, vind je al in het eerste gedicht: de laatste regel ‘De tijd staat niet stil’ is gelijk aan de eerste. (Uiteraard associeer je dit gedicht met ‘Het vaderpaard’, de magistrale ode aan Hettinga’s eigen vader, die in 1993 overleed. Wat een onvoorstelbaar verschil in kwaliteit!).
En al vanaf het begin zie je zijn prachtige beelden. Zo begint de lente ‘als het ijs de zon / niet meer dragen kan’. Deze regels staan in zijn eerste bundel, In dit land, die hij in 1973 samen met Jelle Kaspersma in eigen beheer uitgaf. Kaspersma zorgde voor de tekeningen; de bundel was handgeschreven, net als de tweede. Ze namen zelfgemaakte advertenties op in dezelfde stijl en hielden geld over aan de uitgave. Prachtig.

De gedichten uit de eerste drie bundels (1973, 1974 en 1975) zijn merendeels kort:

TIJD

gisteren
het vandaag
van morgen
schudt van nee:
het leven
is geen
telmachine

(Uit: In dit land)

Hettinga is dan nog niet de grote dichter die hij later werd. In 1981 verscheen zijn vierde bundel, Tussen de bedrijven door is ouderdom. In de tussenliggende jaren heeft hij een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt, vooral wat de vorm betreft. Er is veel variatie: over het algemeen zijn de gedichten langer, soms heel strak van vorm, soms losser en altijd ritmisch – iets waarin hij gaandeweg de onbetwiste meester wordt en niet alleen in Friesland.
Soms stoort de stapeling van metaforen mij:

het blinde bloed van de stille hartstocht stroomt
als jaren door de eeuwen in gesloten geslachten
die slingerplantend hun twijgen door de tijd heen vlechten

generaties zichtbaar als seizoenen van vlees en bot
reizen door die tijd in de trage karavaan van het bestaan.

(Gedicht 4 uit de reeks ‘Zevenmaal rond een centrum’).

Maar meestal geniet ik. Zo toont de dichter zich in het proza-achtige gedicht ‘Blinde vondsten’ een volbloed romanticus, zonder zijn relativeringsvermogen te verliezen. Het beeld dat hij van de ideale geliefde heeft, komt een aantal keren hard in aanraking met de werkelijkheid. De dichter vraagt zich af of hij wel aan het gedicht moet beginnen, ‘want beschrijven kan ik je niet’. Dan volgt er een aantal momenten waarop hij haar meende te zien: in Leeuwarden, op een ‘sneeuwjachtzaterdag aan de stille kant / van de kerstdrukke nieuwestad’ bijvoorbeeld, hij was verrukt, maar, schrijft hij: ‘onthutst bleef ik stokstijf staan bij de alles brekende ontdekking / dat jij een ander was niet van mij weten wilde en doorliep’. Andere keren ziet hij haar in bus van Heerenveen naar Drachten, als hij staat te liften in Almelo, in een kroeg in Stavoren, maar gaandeweg komt hij tot de overtuiging dat zijn liefde onvindbaar ver zal blijven, de droom legt het af tegen de werkelijkheid: ‘[ … ] ik moet van je afblijven omdat ik je niet kan beklijven / nu ik de gevaren van de vernuftige geest gewaarword.’ Een twintigste-eeuwse Piet Paaltjens, met iets meer reislust.

Je kunt het  niet over Tsjêbbe Hettinga hebben zonder zijn voordrachten erbij te betrekken. Iedereen die hem heeft gezien en gehoord was onder de indruk, ook in het buitenland. Dat het Fries door de overgrote meerderheid niet werd verstaan, deed in dit geval niet ter zake. Hij hypnotiseerde het publiek met zijn stem, zijn ritmiek met lang aangehouden klinkers, zijn alliteraties, assonanties en binnenrijm. Neem bijvoorbeeld ‘Het Wijckeler Hop’, de naam van een deel van het Slotermeer. Degenen die Hettinga nog nooit hebben gehoord, kunnen het best eerst naar zijn voordracht luisteren en daarna, op dezelfde pagina van de site, het gedicht in beide talen lezen – liefst twee keer. (Laat u zich bij het luisteren niet misleiden door de lange pauzes tussen de tekstgedeelten, het gedicht heeft drie delen). Het staat in de bundel Vreemde kusten die in 1995 afzonderlijk is verschenen, maar in deze bundel is opgenomen als afdeling van Onder zeevogels De kust (1992). Er werd  een CD bijgeleverd: De foardrachten.
De voordracht fascineert mij nog steeds, niet in het minst door Hettinga’s stem. Wat gebeurt hier? Het is een verhaal, maar wat voor één? Een sage? Een weemoedige geschiedenis? Word ik meegenomen naar andere tijden? Maar dan herken ik woorden en frasen: er rijdt een Mercedes, ik hoor over een diesel van een vakantieboot, een sleepboot, blues, evergreens. Genoeg om me veel langer bezig te houden dan de duur van de voordracht: ik maak mijn eigen verhaal.
En dan léés je het gedicht. Zelden zag ik het onherroepelijk verloop van de tijd tegenover het altijd blijvende op zo’n natuurlijke manier tegenover elkaar gezet. Een voorbeeld, uit het tweede deel:

Tijd, in de vorm van kieviten die als ik
    En andere dieren geen raad weten
Met de stilte op deze zoele middag,
    Vliegt, en het geluid van mannetje noch
Wijfje is veranderd sinds het kind holde,
    Naar wat in ons onbewegelijk is,
                           ( … )
Eeuwigheid: een snotjongen met een jampot.

En tussendoor het leven, het onvervulbare, de liefde. De eerste regels zijn onvergetelijk: ‘En weer op de vlucht voor de lekkende kraan / Van het verdriet, met een dorst in de keel / Van iets dat nooit te verslaan zal zijn’. En aan het slot de subtiele omkering die de eeuwige cyclus van het ondraaglijke verlangen en de vlucht ervoor rondmaakt: ‘Een beeld van een vrouw steekt de kop op, en dorst. / Driftig geeft het hart de maag zijn benen, / En weer op de vlucht naar de lekkende kraan / Van het vertier, valt, koel, de eerste drup.’
Hettinga is niet alleen vertaald in het Nederlands, maar ook in het Engels, Duits, Frans en Spaans. Volkomen terecht: hij was een groot dichter.

Er valt over zijn verzamelde gedichten nog veel meer te zeggen, over zijn laatste bundel De ring van Gyges bijvoorbeeld. Die bleek op de harde schijf van zijn computer te staan: vijf nieuwe en zes eerder gepubliceerde gedichten, waaronder ‘Kleine jongen’ (‘Lytse jonge’), een hoogtepunt op Poetry International 2001. Hij schreef ‘dit gedicht ter gelegenheid van de manifestatie Simmer 2000, toen veel geëmigreerde Friezen ‘it Heitelân’ bezochten.’ (Aantekeningen, p. 774). Of, natuurlijk, de ode aan zijn in 1993 overleden vader, over het vaderpaard, de schitterende hengst, de absolute leider met ‘een diep dierlijk briesen, dat zich ogenblikkelijk paart / Aan het grage vragen van de weelderige merries / In de holle schuur van de lente ( … )’. De bezorgers citeerden op het achterplat terecht de indrukwekkende laatste vier regels:

Laat de roemers der ijdelheid geen kwelling voor de geest zijn,
Laat het lachen niet aan een ander over, het huilen
Ook niet; laat komen, tot slot, de stilte, de nacht, de droom, en
Laat daarin diegenen binnen die zochten, naar het licht.

En dan heb ik het nog niet gehad over de motoren die als eigentijdse paarden door gedichten rijden. Ook zij hebben een vaderpaard: de Harley Davidson. En over het mythische karakter van veel gedichten heb ik ook niets gezegd. Ik verwijs graag naar de site over Tsjêbbe Hettinga . En naar het boek zelf, natuurlijk. Wat was die man goed.

Recensie van Wildcamera - Martin Reints

Voorspellingen voor een onsterfelijke

Martin Reints
Wildcamera
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454694
€ 18,99
64 blz.

Het gebeurt mij niet vaak dat een dichtbundel mij zo fascineert dat ik hem wel uit het hoofd zou willen leren. Ik schrijf met nadruk leren, omdat hij zoveel gezichtspunten biedt die je aan de gedichten zelf kunt toetsen. Wildcamera van Martin Reints gaat hoofdzakelijk over waarneming, en over de manier waarop wij waarnemen, of juist niet. Er zijn zoveel gedichten en wat hij beschouwingen noemt die over waarnemen gaan, dat het de manier waarop je de gedichten leest, ook als ze er niet met name over gaan, beïnvloedt. Het geheel is meer dan de som der delen. Maar die delen mogen er zijn! Mocht ik de suggestie hebben gewekt dat het een rond het thema waarneming geconstrueerde bundel is, dan wil ik dat hierbij weerleggen. Het lijkt een bijna vanzelfsprekende manier van bestaan die vorm heeft gekregen in deze bundel; het heeft meer te maken, lijkt mij, met een levenswijze, dan met een gekozen thema. Hier is iemand aan het woord die ‘open’ in het leven staat, met aandacht voor zowel buiten- als binnenwereld. Het blijft, hoewel de meeste gedichten over alledaagse zaken gaan, of misschien wel juist daardoor, betoverende poëzie. Ook de prozastukken, of ze nou over het ‘Iepenloftspul’, ‘IJsberen’, of over ‘Ons apenbrein’ gaan. Dat laatste, dat je, evenals de andere ‘verhalen’, misschien beter een essay kunt noemen, is niet alleen verhelderend wat betreft de poëzie van Martin Reints, maar maakt ook helder hoe, in zijn optiek, anderen de werkelijkheid in kijken.

Is het mogelijk om een complete dichtbundel aan de hand van één enkel gedicht te recenseren, zonder de dichter (en de uitgever) tekort te doen? Dat was wat ik wilde proberen, omdat Martin Reints daartoe een fascinerende mogelijkheid bood. Dat komt door de omslag. Zodra ik de bundel Wildcamera in handen had was ik daar door gefascineerd. Ik bleef het boek om- en omkeren, en nooit eerder vond ik de barcode op de achterkant meer misplaatst dan hier. Dat de titel en de naam van de dichter op de zijkant zijn afgedrukt, stoort niet alleen, maar maakt een deel van de foto ‘moeilijk leesbaar’. Gelukkig is de voorkant redelijk intact gebleven, die lees je door naam en titel heen, en zelfs door het onderschrift: gedichten en beschouwingen. De indruk van de foto, die in zijn geheel op de omslag is afgedrukt, was zo sterk, dat ik mij er gedurende de lezing van welk gedicht in deze bundel dan ook, niet van los kon maken. Het bleef maar door mijn hoofd spoken wat de band was met de teksten. Totdat ik het gedicht ‘De grootmoeders van Miwa Yanagi’ las:

Een oude vrouw, onderuit op een luie stoel
die haar vermoeide hoofd ondersteunt met een hand
die een vergrootglas vasthoudt.

De sieraden en de soepele kleding wijzen op oude rijkdom.
Zijde.

En een jong meisje, dat haar arm uitstrekt
en haar hand in de hand van de oude vrouw legt.

De vrouw kijkt het meisje in de ogen,
het meisje kijkt naar haar hand.
Met haar vrije hand houdt zij een plooi van haar rok vast.

Op de achtergrond een viskom.
Een papegaai in een grote bamboekooi.
Een plank aan de muur waarop een blauw plastic skelet
dat de dood voorstelt.

In en buiten het vertrek de vriendinnetjes:
zitten, staan, hurken, kijken naar het meisje en de oude vrouw
of in de verte.

De scène is geënsceneerd door Miwa Yanagi.

De oude waarzegster is zelf ook een jong meisje,
maar ze is opgemaakt en gefotoshopt:
de ouderdom is onecht en de pose geposeerd.

Ze heet Ai
en dit is de toekomst die ze zich voorstelt.

Het bijschrift is een monoloog:

Achter mijn rug wordt geroddeld
dat ik de kinderen bedrieg met mijn waarzeggerij.
Het gaat me niet om hun zakgeld. Zo wanhopig of verveeld ben ik niet.
Ik zit alleen maar op een bepaalde klant te wachten – mijn opvolgster.
Omdat zij niet hecht aan het verleden of angst heeft voor de toekomst,
denk ik dat ze op een dag binnenkomt door de vervallen deur.
Als ze mijn plaats heeft ingenomen vind ik rust, verlost van hoop en spijt.

Hoeveel saaie levens moet ik nog voorspellen?
Ik heb te doen met deze onschuldige meisjes.
Hun levens zullen net zo lopen als die van hun moeders.
Eentonige verveling onderbroken door teleurstelling en ontgoocheling.
Niet te geloven dat ze hier komen om dat te laten bevestigen. Ik heb genoeg
van hun meisjesgeheimen, hun vluchtige verwachtingen en goedkope dromen.
Nog vijf klanten vandaag, dan hou ik op.
O, dit meisje begint bijna te huilen.
Kindje er is geen reden voor tranen.

De jonge Ai verbeeldt zich dat ze
vijftig jaar ouder en na een leven vol hoop en spijt,
aan kinderen hun onbeduidende en treurige levens moet voorspellen.
Een melancholieke en cynische droom,
maar met het visioen dat haar opvolgster haar komt bevrijden.

De grootmoeders van Yanagi: meisjes die spelen dat zij oud zijn,
en wat ze spelen zijn ze zelf.

Yuka,
een oude grootmoeder met roodgeverfd haar,
gillend van plezier in de zijspan van een motor
die wordt bestuurd door een snelle jongen met een zonnebril:
Mijn tanden? Een aandenken aan de jackpot die ik vorig jaar in Las Vegas won.

Mika,
in een lang wit gewaad op een rotseiland omspoeld door de zee,
met pootjebadende jonge vrouwen om zich heen:
Er zijn al tien jaar verstreken sinds jullie, mijn vroegere studenten
en ik op dit eiland aankwamen.
Is dit de laatste plaats op aarde?
Zijn er geen andere overlevenden?

Ayumi,
op een bed in een opgeruimde kamer, onder een rood laken,
haar ogen gesloten:
“Naast haar liggen terwijl zij slaapt lijkt mij mooi,
maar kan ik haar eens ontmoeten als zij wakker is?”
“Ze kan niet wakker worden, meneer.
Want Grootmoeder is de Schone Slaapster.”

Beelden van de toekomst, maar beelden van het heden.

Het gedicht zelf maakt de foto op de omslag compleet zichtbaar, en net zoals je naar de foto kunt blijven kijken, zonder dat het je verveelt, kun je het gedicht van Reints blijven lezen, zonder dat je precies kunt duiden wat er nou zo fascinerend aan is. De beschrijving van een kunstwerk van Miwa Yanagi, dat is alles. Maar als je veel gedichten gelezen hebt die aan de hand van kunstwerken of foto’s zijn gemaakt, dan besef je hoe moeilijk dat blijkbaar is, en hoe vaak gedoemd om te mislukken. Met het beschrijven van wat je ziet, kom je er niet. Dat is meteen het fascinerende van de poëzie van Reints: ze is helder, er staat geen vreemd woord in, de taal zelf is geen doelwit, maar ze neemt je wel mee naar ‘elders’. Had het woord ‘vervoering’ niet zo’n zware lading, dan zou ik dat voor de werking van deze poëzie gebruiken, want dat is wat zij doet: ze voert je ergens heen waar je niet eerder was. Dat is wat alle echte kunst doet. In de eenvoud toont zich de meester.

In de gedichten en beschouwingen die afzonderlijke en autonome delen zijn, vind je telkens verwijzingen naar gedichten of beschouwingen die je al gelezen hebt of nog lezen gaat. De bundel Wildcamera is een complete en vrij complexe handleiding, niet alleen tot het lezen van de poëzie van Martin Reints, maar tot het lezen van kunst in het algemeen. Niet voor niets gaan veel teksten over kunstenaars. In ‘Ons apenbrein’ verwees hij naar de schilderijen van Peter B. van Houten, aan wie hij later het gedicht wijdt: ‘Het langzame kijken van Peter B. van Houten'; hij stapt ‘Aan boord bij Emo Verkerk’, is opnieuw ‘Aan boord met de Sineese fersen van Obe Postma’, wat voor de verandering een dichter is, één van de grootste Friese dichters (1868 – 1963). Alles wat Reints aanhaalt getuigt van zijn grote fascinatie met het kijken naar de werkelijkheid, gaat over wat wij waarnemen, ervaren; en wat er aan onze persoonlijke werkelijkheid ontsnapt. Impliciet maakt Reints iets duidelijk over de functie van kunst: het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, één die we nog niet kenden, al was hij er altijd al.

Futiliteiten zijn in deze gedichten geen futiliteiten meer, maar zeggen iets over een groter geheel, of over de menselijke conditie. Het gedicht ‘Twee regisseurs zijn op bezoek bij een dramaturg’ begint zo: ‘De dramaturg opent het gesprek. / Met welke vraag in gedachten begin je een tekst te lezen? // Dan gaat hij een kurkentrekker zoeken/’. De rest van het gedicht gaat alleen daar over. Hij blijft hem kwijt, de kurkentrekker. Het is een humoristisch gedicht, het is uiterst herkenbaar, het vertelt iets over de menselijke staat, en het confronteert mij persoonlijk met de vraag, met welke verwachting(en) ik de bundel Wildcamera begon te lezen. Geen idee meer. De gedichten en beschouwingen zijn ervoor in de plaats gekomen. Ik heb antwoorden gekregen die ik niet zocht, maar misschien nog wel meer vragen: wat anders is de reden dat ik de gedichten kan blijven lezen, als ligt er buiten de regels iets dat ik niet kan vatten? Maar misschien is het juist dat ongrijpbare dat Martin Reints in herinnering brengt, dat mij een gevoel van tevredenheid geeft, van voldoening zelfs. Veel zogenaamde poëzie laat je met een leeg gevoel achter, maar deze bundel ervaar ik als voedend.  Ik heb er, dat mag duidelijk zijn, van gesmuld.