Recensie van Nieuwe tekeningen en gedichten - Hugo Claus

Tien jaar na zijn sterfdag, de verrassing die Claus heet. Een eerbetoon.

Hugo Claus
Nieuwe tekeningen en gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106205
€ 24,99
229 blz.

Over de dichter en schrijver Hugo Claus (Brugge 1929 – Antwerpen 2008) is veel geschreven, zowel over de mens als zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre; hij publiceerde talrijke dichtbundels, meer dan 20 romans, toneelstukken, essays. novellen, filmscenario’s, libretti en vertaalde onder meer Under Milk Wood van Dylan Thomas.
Minder bekend is dat hij ook wat de beeldende kunst betreft actief was en met name de tekeningen die hij maakte zijn van een ontwapenende charme.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis in februari 2003 gaf de schilder-dichter Jan Vanriet  hem, om de verveling te verdrijven, een dummy cadeau in de veronderstelling dat dit zijn vriend zou aanzetten tot het schrijven van poëzie.
Na twee weken gaf de herstelde Claus hem de dummy terug.
Jan Vanriet was met stomheid geslagen; er stond geen enkel gedicht in!
Wel 108 tekeningen.

Jaren later vertelde Suzanne Holtzer, die de redacteur van Claus was geweest, aan Jan Vanriet dat zij van plan was een bloemlezing over diens werk samen te stellen ter gelegenheid zijn tiende sterfdag. Hierop stelde Jan Vanriet haar de dummy ter beschikking. Zij was er verrukt over en ging op zoek naar bijpassende dichtregels. Zo ontstond dit boekwerk.

Beetje gewaagd. Mijn ervaring is dat in een bundel waarin zowel beeld als poëzie zijn opgenomen deze elkaar niet altijd versterken. Integendeel, zij staan vaak de interpretatie van de lezer-kijker in de weg; het beeld stuurt het geschrevene en omgekeerd en remt daarmee de verbeelding .
In kinderboeken kan het doorgaans wel omdat hier (ook) sprake is van een leerproces en wanneer tekst en beeld door dezelfde kunstenaar zijn gecreëerd en samengesteld, zoals bij Joke van Leeuwen het geval is, is de kans van slagen groter, maar niet zelden doen ook dan beide kunstuitingen elkaar tekort.

Wat deze uitgave betreft zou een boek met de tekeningen zonder dichtregels zeker de moeite waard zijn geweest, en, zij het wat minder (de tekst werd aangepast aan de tekeningen en niet andersom) kan dit worden  gezegd over een bundel met alleen de poëzie.
Maar wat Suzanne Holtzer met kennis en grote zorg heeft bijeengebracht verrijkt zowel het een als het ander. Een geslaagde symbiose.
(Wel jammer dat ik me in deze bespreking moet beperken tot de dichtregels en niet ter illustratie twee aansluitende pagina’s kan tonen met op de rechter een tekening en op de linker het daarbij passende gedicht ).

In de bloemlezing springen zoals gebruikelijk allereerst de tekeningen in het oog. Ze geven een gevarieerd  beeld van wat Claus voor ogen had: de mens tonen in al zijn schoon- en lelijkheid, zijn aardsheid, zijn grappige geilheid en zijn kinderlijke fantasie. Dit alles overgoten met humor.

In de gedichten en fragmenten daarvan valt het kinderlijk en schaamteloze plezier op dat Claus schept in het te pas en te onpas rijmen. Uit ‘APOLLINAIRE REVISITED’: Hier sta ik dan / een zinnig man (…) Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop / Ik in de uitverkoop / van wanhoop (…)’ en uit ‘XVIII MOEDER DOET BOODSCHAPPEN’ : ‘(…) Op mijn klompen, met ontwrichte rug, / met kapotte ingewanden / blijf ik stappen naar de hel. // Mijn zoontje hoopt op een mirakel: / een fiets met banden en een bel.’
En hier dan nog een deel uit ‘Rijmen voor een reiziger in Antwerpen’ :

Wat hinnikt er nog zo laat in de straat?
Het fantoom van een paard,
een blanke nachtmerrie.
Ik ben het die draaf
en kletter en galop
gevleugeld in mijn hansop.

Een versje eigenlijk, zoals er meerdere in de bundel staan, en kijk, hiernaast zou de bijbehorende tekening moeten staan om er optimaal van te genieten.

Zoals gezegd maakte Claus de tekeningen in slechts twee weken en de spontaniteit en het ogenschijnlijk speels gemak waarmee ze aan het papier zijn toevertrouwd, doet vermoeden dat de zieke zich geen zorgen maakte in het hospitaal. Het zijn ongekunstelde schetsen die zonder kritische stops tussen hart en hoofd naar de hand zijn gegaan.
De dichtregels stralen dezelfde onbezorgdheid uit. Geen geserreerde poëzie waarbij ieder woord is gewogen maar met de kraan wijd open laat Claus de woorden stromen met een taalgevoel dat geen grenzen kent. Alleen iemand die de materie volkomen beheerst kan zich een dergelijke manier van schrijven veroorloven.
De kunst ervan is dat wat bij de lezer in eerste instantie als onachtzaam en slordig kan overkomen zoveel heeft te zeggen; sterker, het schijnbaar achteloos formuleren heeft een relativerend effect en maakt, hoe gek het ook klinkt, de inhoud sterker.
Twee voorbeelden:

Toen ik naar haar lachte
sloeg zij mij. Alsjeblieft. Pats in mijn gezicht. Dank je wel.

Nu heb je liefdesslagen, genaamd prohana
het liefst met de handpalm op de billen
(niet met de knokkels, dat vindt de Meester barbaars)
waarop het slachtoffer verplicht is te antwoorden
met de liefdeskreet stît,
een heftig gesis tussen bijna dichte tanden.
Sommige meisjes roepen dan om hun moeder,
dat mag ook, volgens de Meester.

Uit: ‘Stît’

Hij zegt: ‘Ik wou,
.                ik wou als het zou kunnen,
.                misschien toch,
.                eigenlijk, tenminste, heel even,
.                nee, vergeet het, ik ben er niet,
.                niet geweest.’-

Zij staat in de kamer, knijpt haar dijen samen,
(want moet plassen)
Haar stem is hees alsof zij naar hem verlangt,
(want moet niezen)
Haar blik verwacht hem en helemaal,
(want moet slapen).

Uit: ‘Een soort afscheid’

Graag zou ik als criticus ook iets minder positiefs willen opmerken, maar, afgezien van het helaas ontbreken van een leeslint, lukt me dat niet; behalve de tekeningen en de poëzie verdient de verzorging van deze uitgave ook nog eens een pluim: mooi dik papier, en godlof geen ronkende promotieteksten op de omslag.

Een heerlijk boek.

Recensie van Alle gedichten - Gerrit Komrij

De eerste regel is om te beginnen

Gerrit Komrij
Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 97894031088308
€ 39,99
899 blz.

Alle gedichten is de vermeerderde druk van de uitgave Alle gedichten tot gisteren uit 1994. De bundels Spaans benauwd (2005) en Boemerang (2013) zijn aan deze editie toegevoegd, maar de gedichten die Komrij als Dichter des Vaderlands heeft geschreven (2002-2004) zijn niet opgenomen. Dat is beslist geen gemis, in de volumineuze bundel Alle gedichten die er nu ligt, raak je voorlopig niet uitgelezen. Er wordt de lezer veel moois en bijzonders voorgeschoteld. Op de voorkaft staat een foto van Komrij als Julius Ceasar, zoals we deze kennen als beeld, met een quasi-Romeinse haardos en de bijbehorende hautaine blik in de ogen.

De poëzie van Gerrit Komrij komt over als vormvast en is ogenschijnlijk toegankelijk, op het eerste gezicht in ieder geval niet hermetisch, hoewel ik als lezer voorzichtig blijf met deze vaststelling. Om vat op zijn poëzie te krijgen, wordt hij als een neoromantisch dichter beschouwd, omdat zijn gedichten een reactie zijn op de naoorlogse poëzie van de vijftigers en de volgende generaties. Hij lijkt terug te keren naar negentiende-eeuwse tendensen, zeker in zijn vroege dichterschap. Zijn virtuoze taalgebruik en zijn ironische, soms cynische benadering van bepaalde thema’s als eenzaamheid, ziekte en dood zijn kenmerkend voor zijn gedichten en ook voor zijn andere werk. Het is recht-voor-zijn-raap-poëzie met de taal als onweerstaanbaar wapen, waarmee hij anderen meedogenloos kan raken. Tegelijkertijd spaart hij zichzelf als dichter niet, stevige zelfspot en zwarte humor zijn andere ingrediënten van zijn poëzie. Voorbeelden van gedichten, waarin deze aspecten moeiteloos terug te vinden zijn, zijn er talloze. Het gedicht ‘Een verre reis’ uit Alle vlees is gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969) laat bovenstaande kenmerken zien:

Je ging, gezeten in een emmer, naar een
Zekere streek op reis, waar enkel grote,
Pokdalige dokters en goede heelkruiden waren.
Dat was een reis, die je nooit heeft verdroten.

Je was immers een emmer vol ziekte. Ja,
Een door en door krank vat, en je zocht
Beterschap. Er vloog jou een regen achterna
Van scheldwoorden van het grauw. Maar toch,

Je zocht beterschap, al het krapuul ten spijt.
En waarlijk, je kreeg hoestsiroop, en vond
Een heilzaam gewas, genas, maar sinds die tijd
Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.

De ontwikkeling (‘reis’) van de nog jonge dichter Gerrit Komrij (‘je zocht beterschap’ wordt tweemaal vermeld) dringt zich op, maar niet iedere lezer zal in deze opvatting meegaan. Wie is de toegesproken ‘Je’? Wie zijn die ‘Pokdalige dokters’? Wat zijn de ‘goede heelkruiden’? Hij ‘vond / Een heilzaam gewas, genas’, maar het negatieve beeld dat hij bij anderen had opgeroepen, raakte hij nooit meer kwijt. Zie de laatste versregel: ‘Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.’

Dat boven de andere dichters uitgroeien is een bekend thema in het werk van Komrij, een thema dat hij verantwoordt door gedichten te schrijven over het maken van poëzie als pure ambacht, zoals ‘Een gedicht’ uit zijn poëziedebuut de Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), dat een opsomming is van wat de inhoud van de twaalf versregels is, niet meer en niet minder. Uiteindelijk lijkt het een recept om als dichter zelf aan de slag te gaan. Gedichten, bestaande uit twaalf versregels, verdeeld in drie kwatrijnen en vijfvoetige versregels zijn favoriet bij hem. Hij heeft zich ontwikkeld tot een grootmeester in het toepassen van deze strakke vorm. Van ideologische  uitgangspunten en politieke standpunten in de poëzie moet hij niets hebben; stilistische hoogtepunten, daar houdt hij van. Gedichten zijn taalconstructies, ze worden gemaakt, in elkaar gezet, geknutseld. Ze komen niet uit een gevoel of sentiment aanrollen en dat ze gekunsteld zijn, is geen probleem. ‘Lichaam en geest’ uit de bundel Variété is een aardig voorbeeld. Het bevat twee acrostichons van de naam van de dichter. De twee gedichten zijn bizarre opsommingen van voornamelijk lichamelijke en geestelijke aandoeningen. In dezelfde bundel vinden we ook de zoveelste persiflage op Marsmans ‘Denkend aan Holland’, ditmaal als een vlijmscherp gedicht over geldzucht onder de titel ‘De binnenring van Holland’. Komrij bouwt zijn gedichten woord voor woord en regel voor regel op. Niet voor niets had hij veel belangstelling voor architectuur en heeft hij daarover met de nodige kritiek op de hedendaagse bouwkunst gepubliceerd.

Komrij is nergens zweverig wanneer het om het proces van het schrijven van poëzie gaat. Hij is geen poëtische beschrijver van de werkelijkheid, het gaat hem niet om een persoonlijke expressie van een innerlijk gevoel of sentiment. De lezer met een morele kwestie lastig vallen is helemaal uit den boze. Wat men ook van de gedichten van Komrij vindt, als dichter heeft hij een antwoord op zijn critici. De hierboven genoemde bundel Alle vlees is gras sluit af met het volgende dialooggedicht:

Afgeluisterde tweespraak

A
Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal
Met die verborgen bedoelingen? Z’n verhalen
Getuigen waarlijk van Schraalhans’ brabbeltaal
Met een ijselijke inslag van het anale.
’t Zijn koekoekszangen waar ik niet om maal.

B
’t Zijn lege spelen, Mijnheer, ’t is voos geklater.
En wat te zeggen van z’n malicieuze
Dédain? Hij verbeeldt zich op sterk water
Te schrijven tussen literaire gazeuse.
Zo’n hoogmoed bewaart hij maar voor later.

Wat een ironie als je jezelf als dichter zo wegzet en op deze wijze een bundel afsluit! Daar raak je als lezer even (of wat langer) van in de war.

In de poëzie van Komrij zijn voortdurend tegenstellingen te vinden. Het hoge staat tegenover het lage, het ongewone tegenover het gewone, het verkeerde tegenover het juiste. Veel van de poëtische werelden die Komrij schept, zijn gedeeltelijk of geheel absurdistisch en ontsproten aan een breidelloze fantasie. De gedichten van Komrij zijn volledig autonoom, de lezer zal vooral naar de tekst van het gedicht zelf moeten kijken. Het privéleven van Komrij koppelen aan de inhoud van zijn gedichten is gedoemd te mislukken. De autobiografische prozabundel Verwoest Arcadië (1980) geeft je meer kansen, wanneer je dat wil proberen.

De uitgave bevat achterin een goed verzorgde ‘Inhoudsopgave en verantwoording’. Eerste drukken en aantallen van de oplage worden vermeld, fouten in de uitgaven besproken en eerste en latere versies genoemd. Tevens is een ‘Register van beginregels en titels’ opgenomen. De gedichten van Gerrit Komrij zijn vrij gemakkelijk in deze bundeling van de gedichten van Komrij terug te vinden. Het werk is opgedragen ‘Aan C. H.’, zijn partner Charles Hofman. Alle gedichten is een fraai uitgegeven, geslaagde editie, die recht doet aan de betekenis van Gerrit Komrij als dichter.

Hoe meer je thuis raakt in de poëzie en in de poëtica van Gerrit Komrij, des te meer krijgt het slotvers ‘Modern gedicht’ van de bundel Variété een stekelige betekenis. Het is een gedicht dat bij veel dichters zal schuren: met name de dichters die op inspiratie hopen en wachten op de grote ingeving moeten het ontgelden. Ik kan erom glimlachen of is grijnzen een beter woord? Even terzijde, de slotgedichten van de verschillende bundels en gedichtenreeksen in Alle gedichten zijn op zich al bijzonder en altijd betekenisvol in relatie tot de bundel zelf, waarvan ze deel uitmaken.

Modern gedicht

Ik wacht.
Er gebeurt niets.
Ik wacht nog steeds.
Er gebeurt nog steeds niets.
Als ik maar lang genoeg blijf wachten
Zal er een eeuwigheid niets gebeuren.

In de twee slotverzen van ‘Modern gedicht’ zit het pure venijn van zijn authentieke dichterschap. Slechts enkele simpele woorden heeft hij nodig voor deze harde stellingname. Gerrit Komrij wachtte niet, hij ging aan de slag, een leven lang.

***
Gerrit Komrij (1944-2012) was dichter, schrijver, vertaler, criticus, polemist en toneelschrijver. Hij debuteerde in 1968 met de poëziebundel Maagdenburgse bollen en andere gedichten. In 1979 verscheen De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, een bundel die een groot succes werd. Alle gedichten tot gisteren zag in 2004 het levenslicht. Komrij laat een enorm oeuvre na met poëzie, essays en romans. Ook zijn er veel bibliofiele uitgaven, soms in heel kleine oplagen, van zijn werk. Vanaf 1984 woonde hij met zijn partner Charles Hofman in Portugal. Van 2002 tot 2004 was hij Dichter des Vaderlands. Hij ontving vele prijzen voor zijn werk, waaronder in 1993 de P. C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza.

Recensie van Contact - Maarten Inghels

Het zwijgen tussen twee hartslagen

Maarten Inghels
Contact
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023454779
€ 24,99
336 blz.

Door omstandigheden heb ik de film Wild driemaal gezien. Hij gaat over drie dierenfamilies die leven op de Veluwe, in februari was de première. Ik zag ‘Wild’ telkens onder andere omstandigheden: andere bioscoop, ander gezelschap. Drie keer dezelfde film en drie keer een totaal andere ervaring. Het maakt voor je beleving echt uit of je in een kleine zaal zit tussen serieuze en kritische mensen of in een grote zaal met uitgelaten pubers, even vrij gelaten uit de schoolbanken om een educatief moment mee te pikken in de bios. Kortom: context doet er toe!

Voor schrijvende kunstenaars, zoals dichters, is het lastig om de context waarin je hun werk leest te beïnvloeden. De kleur van het bundelkaft, het lettertype, daarover praten ze mee, maar of de lezer nu leest in de stilte van een leeszaal of in een drukke treincoupé, daar gaat de dichter niet over. Bij voordrachten ligt dat alweer een beetje anders, maar dat gaat groepsgewijs en kun je niet apart organiseren voor iedere individuele lezer.

De Vlaamse dichter Maarten Inghels legt zich daar niet zomaar bij neer, hij schrijft niet alleen gedichten, hij creëert er ook een omgeving omheen en wel zodanig dat die context weer inwerkt op de beleving van het gedicht. Inghels is een ‘doedichter’. Zijn laatste dichtbundel Contact is daar een mooi voorbeeld van. Van de 336 pagina’s zijn er 98 gebruikt om een gedicht weer te geven. De overige bladzijden bestaan uit foto’s of een beknopte uitleg bij de uitvoeringen die hij om een gedicht heeft bedacht. Het levert een wonderbaarlijke bundel op; een beleefavontuur voor jong en oud.

De essentie van deze bundel ligt in het leggen van contact met de lezer. Soms door een bijzondere vorm te gebruiken en soms doordat er meer sprake is van een ‘performance’ waar poëzie een essentiële rol bij speelt. De rode draad van het boek bijvoorbeeld wordt gevormd door de pagina’s met opgesomde telefoongegevens van mensen die belden met het speciale telefoonnummer van de Antwerpse stadsdichter die Inghels in die tijd was. Rond de 1250 mensen hebben bijna 2000 belminuten gespendeerd aan poëzie. Het publiek werd aangespoord via advertenties in het huis-aan-huis-blad van Antwerpen en via visitekaartjes. We zien foto’s van bukkende mensen die zo’n kaartje oppikken van de straat: er is een begin van contact.

Contact staat vol met verslagen van dit soort projecten. Maarten Inghels stopte zakdoeken met een gedicht in de jassen van theaterbezoekers. Hij stuurde een gedicht via een speciale schotelantenne naar de maan. De maan weerkaatst dit signaal en zo komt het gedicht weer terug op de aarde. Twee duiven met elk een half gedicht worden losgelaten aan de verschillende oevers van de rivier. In de lucht is er even contact en dan vliegen zij verder. Inghels stapt op een boot en reist naar St. Petersburg omdat tsaar Peter de Grote in 1717 de reis andersom maakte en Antwerpen bezocht. Fraaie foto’s en ingetogen gedichten levert dat op. Niet overal is contact even belangrijk. Bij zijn voettocht van de bron van de Schelde naar Antwerpen mijdt hij mensen die mee willen wandelen. De ontmoetingen mogen kort zijn, maar hij wil mijmerend en dichtend door.

Voor het project ‘Honger’ zocht hij vrijwilligers om de dichtregels van het gedicht ‘Honger’ te laten tatoeëren. Tien regels vraagt om tien gemotiveerde deelnemers. Zelf heeft hij de titel op zijn bovenarm staan. Hoofdletters in handschrift.

HONGER

WE MOETEN PRATEN OVER LICHAMEN, MIJN LICHAAM
BIJ JOUW LICHAAM IS ADEM HONGER
DE HONGER VAN EEN HALVE TWEELING

HONGER RAAKT MIJ AAN, RAAKT MIJ AAN
HET GEHEIM VAN HONGER IS HERINNERING
HET TEGENOVERGESTELDE VAN VERGETEN

DOLENDE LICHAMEN HOL VAN HONGER
WANDELAAR, INBREKER, VREEMDELING
DANSEN IN HET LICHT VAN NOODUITGANGEN

JOUW LICHAAM SPATIE MIJN LICHAAM

Maar liefst 600 mensen stelden zich kandidaat ‘met een lichaamsdeel naar keuze.’ Dat zegt toch iets over de betrokkenheid van mensen op dit project. De tien uitverkorenen laten hun regel zien en vertellen kort wat hun beweegredenen zijn geweest om mee te doen. De motivatie verschilt per deelnemer, waar de één het belang van poëzie in het algemeen uitdraagt, gaat de ander nader in op de inhoud van de regel die staat op arm of been. Honger als ‘huidhonger’, als verlangen naar de ander, de anderen. Trek, zin, lust, goesting… De groepsfoto toont mensen die elkaar eerst niet kenden en nu samen een gedicht vormen. Contact zolang de tatoeage te lezen is…

Niet alle projecten zijn even ingrijpend als ‘Honger’. Een gedicht in vlammen, ‘Het uur vuur’, levert een mooi filmpje op, maar vorm en inhoud versterken elkaar daarbij niet. Sommige projecten hebben geen woorden meegekregen zoals ‘The Invisible Route’ waar alle camera’s buiten in Antwerpen in kaart zijn gebracht en een lijn aangeeft hoe je van A naar B komt zonder in het blikveld van een willekeurige camera te komen. Poëzie voor potentiële terroristen?

En tussen deze projecten staan tal van ‘gewone’ gedichten die Maarten Inghels schreef. Zoals bijvoorbeeld de twee gedichten voor de Eenzame Uitvaart waarvan hij de coördinatie doet in Antwerpen en zoals tal van gedichten die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018. Het gedicht ‘Een huis van lucht’ staat in een speciale editie van de Daklozenkrant die lange tijd verboden was in Antwerpen. De krant was te koop bij een dakloze voor €2,- of in een galerie voor het tienvoudige.

Uit alles blijkt dat voor Inghels poëzie meer is dan een enkelvoudige kunstvorm. Zijn werk moet iets teweeg brengen, ergens onderdeel van zijn, op de een of andere manier contact leggen. Ook met mensen die niet snel een bundel in de hand nemen en gedichten lezen. Hij zoekt contact met alle lagen van de bevolking zonder over te gaan tot versimpeling. Hij helpt de lezer door soms wat context te bieden, maar verder moet het gedicht het werk doen. Wat poëzie is voor Maarten Inghels legt hij uit in een van de eerste gedichten in de bundel:

Ars poetica

Het gewicht van de wereld? Poëzie.
De lekkende kraan in mijn keel? Poëzie. Poëzie. Poëzie.
Wanneer ik mij verslik in mijn slaap en hoestend wakker word? Poëzie.
Het zwijgen tussen twee hartslagen? Poëzie.
De papiersnee in mijn middelvinger? Godverdomse poëzie.
De ballon opblazen tot zijn maximale spanning? Poëzie.
Mijn geliefde weet waarheen wij de komende tien jaar op vakantie gaan: naar poëzie.
Wat duwt de wind in mijn rug? De poëzie — of het gebrek daaraan.
Wanneer het regent, bezoek ik de vissen. Poëzie?
Hoe mijn inkomen eruitziet vraagt mijn vader? Noodgedwongen de poëzie.
Wat hebben ze voor een appel en een ei aan het circus verkocht? De poëzie.
Europa? Poëzie.
Lapis lazuli? Poëzie.
De maan knipoogt? Geblinddoekte poëzie.
De eeuw geeuwt, en ik ben vrij. Poëzie.
Wie ben jij? vraagt u. De poëzie — ik ben er vaker niet dan wel.
Je tilt een steen op en het glipt in groten getale weg. Poëzie.
Wat roepen de toeschouwers luid en duidelijk wanneer ik op mijn bek ga? Poëzie! Poëzie!

Maarten Inghels heeft niet een vaste thematiek, er is een idee en die moet worden vormgegeven. Dat kan in foto’s of gewoon in taal: ‘Ik moet nog vele personages spelen, honderduit / van contrariteit getuigen in tongentalen.’ (‘Verbeelding’). Of zoals wordt gezegd in de eerste twee regels van ‘Spiekbriefje’: ‘Elke ochtend nieuwe stemmen eten, / welkom leren zeggen in minstens zes talen (…)’. In de gedichtenreeks over de negen avonden ‘na mijn dood’ laat de ‘ik’ ook merken dat de dubbelgangers die het van hem overnemen na zijn overlijden gewoon zijn oeuvre weg kunnen gooien en zelf weer nieuw werk kunnen schrijven: ‘Ik heb altijd al geweten dat de oplossing is gelegen in de veelheid aan stemmen die ik uitstrooi’. In het gedicht ‘Lorem Ipsum’ staat de regel: ‘Drukkers en dichters zijn de secretarissen van het idee’. Het idee is belangrijker dan degene die hem vorm geeft, doedichter Maarten Inghels vertaalt ideeën naar een breed publiek.

We leven in een tijd dat het onderwijs wordt overladen met verplichtingen. Hele klassen staan zich onder schooltijd te vergapen aan de Nachtwacht in het Amsterdams Rijksmuseum. Daar kan deze verplichting ook wel bij: alle middelbare scholieren schaffen de bundel Contact aan en de docent praat daar tenminste eens per week over. Plicht en poëzie gaan slecht samen, wordt beweerd. Laten we het tegendeel bewijzen aan de hand van deze bundel. Als we toch zo nodig van alles moeten verplichten, laat het dan iets zijn waardoor leerlingen de kracht én het plezier van poëzie beleven. Maarten Inghels bouwt een context rond zijn werk waardoor jonge lezers zien dat gelaagdheid in betekenis de moeite waard is om te doorgronden en te beleven en zo in contact te komen met de basis van poëzie.

***
Maarten Inghels (1988) is dichter, schrijver en coördinator van De Eenzame Uitvaart te Antwerpen. Eind 2008 verscheen zijn debuutbundel Tumult, zijn tweede dichtbundel Waakzaam volgde in 2011. Bloemlezingen uit die twee dichtbundels werden gepubliceerd in zowel het Engels als het Duits. In 2012 verscheen zijn roman De handel in emotionele goederen naast het literaire non-fictieboek Een landloper op batterijen. In 2015 kwam de bundel Nieuwe rituelen uit. Maarten Inghels was stadsdichter van Antwerpen van 2016 tot 2018.

Recensie van Lucebert. Biografie - Wim Hazeu

De ruimte van het volledig leven

Wim Hazeu
Lucebert. Biografie
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403104706
€ 39,99
927 blz.

Nu het wat rustiger is geworden rondom het verschijnen van Lucebert. Biografie van Wim Hazeu komt er ruimte om het over andere zaken te hebben dan over zijn correspondentie vanuit Duitsland met zijn vriendin Tiny Koppijn. ‘Onder die brieven Heil Hitler en Sieg Heil zetten’, is nogal wat, hoorde ik iemand zeggen, ‘dat moet in deze tijd gevolgen hebben voor de waardering van zijn werk’. Daar dacht ik niet meteen aan. De laatste dagen heb ik veel gedichten van Lucebert herlezen. Ik ontken niet dat ik als lezer anders lees, anders oplet wanneer ik nu zijn gedichten lees. Echter, ik kom niet tot een andere waardering van zijn werk, laat staan tot een afkeuring. Als ik eerlijk ben, vraag ik me af waarnaar ik op zoek was bij het herlezen van zijn werk. Wilde ik in zijn poëzie bewijzen vinden dat hij als jongeman met zijn ideeën fout zat in de oorlog? Wilde ik dat concreet kunnen aanwijzen in een aantal gedichten van hem? Was poëzielezen voor mij ineens verworden tot spoorzoekertje spelen? In een interview in de Volkskrant zegt Hazeu dat hij niet gelooft dat Luceberts tekeningen en schilderijen ‘met terugwerkende kracht besmet zijn door de oorlog’. Gelukkig maar. Wel gelooft Hazeu dat ze voortkomen uit de oorlog: ‘Lucebert neemt in zijn werk wraak op de oorlog. Wraak op zichzelf.’ Die conclusie lijkt me net een stap te ver, zeker wanneer het zijn totale oeuvre betreft. Moet zijn werk zo geïnterpreteerd en zijn zwijgzaamheid na de oorlog zo verklaard worden?

Wanneer ik de gedichten van Lucebert lees, dan valt het me op dat veel van zijn poëzie over angst gaat. Waar die angst vandaan komt, dat is een van de mysteries van zijn gedichten. Is dat de angst dat zijn sympathieën voor nazi-Duitsland uit zijn jeugd bekend worden? Dat lijkt me een te beperkte opvatting. Ik kom eerder uit bij een vorm van een persoonlijke existentiële angst, een angst die leidt tot een groot eenzaamheidsgevoel. Ik vind dat we zijn gedichten los van de maker moeten zien. Ik wil al heel lang naar de ‘achterkant’ van Luceberts poëzie en de biografie van Wim Hazeu heeft mij daarin niet verder geholpen. Dat neem ik Hazeu niet kwalijk, want ik weet al lang dat de koppeling van Luceberts gedichten aan allerlei biografische gegevens in veel gevallen weinig tot niets oplevert. In een brief van Lucebert op 7 april 1947 aan Piet Kuyk, die een verslag had gemaakt van een lezing die hij had gehouden onder de titel ‘Stervend Contact’, geeft hij inzicht in zijn gevoel van ‘innerlijke gespletenheid’. Wellicht is dit citaat een ingang om vat te krijgen op het werk en op de persoon van deze woordenaar-beeldenaar. Na een uitgebreid zelfbeklag schrijft Lucebert: ‘…’t Is een interessante gespletenheid, ik denk dat wanneer ik eens een zekere roem krijg, een object van biografennieuwsgierigheid zal worden. Die gespletenheid openbaart zich in alles, letterlijk alles. Neem bijvoorbeeld mijn kunstenaarschap, aan de ene zijde een beeldend talent, aan de andere kant een zuiver literaire gave. En die twee bevechten elkaar niet zo mis, neem dat van mij aan. Dan m’n karakter, eenerzijds ben ik stil, gedienstig, ascetisch, knielzuchtig zelfs, anderzijds ben ik oproerig, onrechtvaardig, dictatoriaal, ongelooflijk heerszuchtig. Ik houd van de aarde, van al wat sappig en vlezig is, maar ik houd ook van de hemel, van de zuivere zielsstaat waarin het lichaam gekastijd wordt.’ De gespletenheid en de grote zelfkennis herken ik wanneer ik deze biografie lees, maar de persoon en de kunstenaar Lucebert is daar niet volledig onder te vangen. Het lukt me niet. De kikkers blijven uit de kruiwagen springen. Lucebert blijft je verrassen.

Bronnen van deze biografie zijn de gesprekken van Hazeu met Luceberts weduwe Tony, de archieven van het Literatuurmuseum te Den Haag, het Stedelijk Museum te Amsterdam en de Lucebert Stichting te Amsterdam/Bergen en talrijke persoonlijke archieven. Luceberts dochters Henny, Noa en Maia verleenden alle medewerking aan de biografie van Hazeu. Ook het Lucebert-archief van biograaf Peter Hofman – hij publiceerde in 2004 Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert – was van betekenis voor deze biografie. Opmerkelijk is de grote lijst met Lucebert-interviews die Hazeu heeft kunnen raadplegen. Over de dichter-schilder Lucebert zijn veel journalistieke artikelen, essays en wetenschappelijke publicaties verschenen. Hazeu heeft er ruimschoots gebruik van gemaakt.

De biografie verdrinkt niet in een overdaad aan feiten. Luceberts levensverhaal is verdeeld in korte thematische hoofdstukken. Het geeft de lezer de mogelijkheid gericht naar bepaalde zaken te zoeken. In het algemeen zijn de biografische gegevens op een aantrekkelijke manier verweven met historische gebeurtenissen. De tekst is vlot te lezen. Hazeu maakt veel gebruik van citaten van Lucebert zelf. Belangrijke personen uit zijn omgeving bespreekt hij kort in relatie tot Lucebert. De ontwikkeling van Lucebert als dichter en schilder is langs een groot aantal lijnen te volgen. Hazeu heeft uitgebreid aandacht voor de invloed van buitenlandse kunstenaars als Hans Arp, Paul Élouard, Friedrich Hölderlin en Rainer Maria Rilke. Ook bewondert Lucebert de Nederlandse dichters Paul van Ostayen en Herman Gorter. Hij behoort tot de kring van Vijftigers die verder bestaat uit de dichters Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Jan Elburg, Bert Schierbeek en Simon Vinkenoog. Rudy Kousbroek en Hans Andreus, ook een broeder in zwijgzaamheid, behoren tot zijn vriendenkring. Wat hen bindt, is niet alleen hun antiburgerlijke levenshouding en de nieuwe, experimentele poëzie, maar ook de voortdurende armoede en het gebrek aan een fatsoenlijke woonruimte. De dichters zijn dagelijks op zoek naar verbetering van hun wooncomfort. Ze verhuizen continu van hot naar her en wonen bij elkaar in. De invloed van Karel Appel op zijn schilderscarrière is groot geweest. Beiden bedienden zich van de zogenaamde poème-peintures. Appel was verder in zijn ontwikkeling als beeldend kunstenaar dan Lucebert. Voor Lucebert was Karel Appel een voorbeeld, niet alleen artistiek maar ook zakelijk, vooral omdat hij wereldwijd zijn vleugels uitsloeg. Lucebert bleef thuis in zijn atelier op de Boendermakerhof in Bergen. Zijn vrouw Tony was zijn reizende manager, zij ging met zijn beeldende werk langs de galeries en creëerde een uitgebreid Lucebert-netwerk.

Hazeu gaat uitgebreid in op de kritiek die de jonge Lucebert kreeg op zijn werk als dichter. Dit doet hij vooral aan de hand van citaten uit kritieken. Michel van der Plas, Hendrik de Vries, Hans Gomperts, Bertus Aafjes en later ook B. Polak hebben grote moeite met de vorm, inhoud, betekenis en toon van zijn gedichten. In de gangbare tijdschriften keuren zij de gedichten af. Ze vinden deze in het zwart geklede, altijd trui dragende dichter maar een rare snuiter, gevaarlijk zelfs. De critici doen zijn poëzie af als onbegrijpelijk en vinden dat zijn  gedichten niet boven het niveau van infantiel gestamel uitkomen. Hazeu citeert uitgebreid uit de reacties van Lucebert op deze kritieken; het zijn juweeltjes om te lezen. Lucebert weet op venijnige en meedogenloze wijze de aanvallen van zijn criticasters te pareren en duidelijk te maken dat hij als naoorlogse dichter ‘oude vormen en hoogdravendheid’ achter zich wil laten. Het duurt enige jaren voordat hij als dichter waardering krijgt. Zijn collega-dichters – en dan vooral Gerrit Kouwenaar – nemen het consequent voor hem op en herkennen zijn buitengewone talent. Ook Harry Mulisch erkent zijn grootheid.

Luceberts ontmoeting en vriendschap met Bertold Brecht is in de hoofdstukken 23 en 24 fraai uitgewerkt. Hij verblijft in Berlijn, maakt een mislukte reis naar Bulgarije, en komt amper tot schrijven. Brecht en Lucebert zijn gewaagd aan elkaar. Dat leidt niet alleen tot interessante politiek-ideologische gesprekken, maar ook tot onbegrip. Tegelijkertijd wordt een boeiend beeld geschetst van het toenmalige Oost-Berlijn. West-Berlijn wordt met Oost-Berlijn vergeleken en in Oost-Berlijn herkent Lucebert veel van het naoorlogse Amsterdam. Brecht was teleurgesteld dat de ‘talentvolle Hollandse dichter’ er niet toe kwam een toneelstuk voor zijn theatergroep te schrijven. Lucebert ging naar Bulgarije en om daarnaar toe te kunnen reizen was hij ondertussen lid geworden van de communistische partij, anders kwam hij het land niet binnen. Een aardig detail.

Lucebert. Biografie is een goed verzorgde, lezenswaardige biografie geworden. Tegelijkertijd is het ook een oerdegelijk boek. Omdat het over de dichter-schilder Lucebert gaat, een kunstenaar met een grillig, soms explosief karakter, zou je wensen dat het taalgebruik van Hazeu stilistisch gezien op een aantal momenten spectaculairder zou zijn. Gelukkig staat het boek boordevol citaten en fragmenten van Lucebert zelf. Deze zijn goed gekozen en zorgen ervoor dat biografie de aandacht van de lezer blijft trekken. Het boek bevat zwartwit- en kleurenfoto’s van Luceberts beeldende werk, van de dichter tussen zijn vrienden en van de beeldend kunstenaar aan het werk in zijn atelier. De dood van Lucebert wordt in het laatste hoofdstuk beschreven aan de hand van fragmenten van gedichten van collega-dichters. Hazeu geeft aan het slot de tekst weer die op een plaquette van glas op zijn graf te lezen is: ‘Als ik geen dichter was zou ik uit honderden woordwonden bloeden niets zou mij helpen geen gevleugeld woord geen hemels woord zou het bloeden stelpen.’ Lucebert is dichter, een groot dichter. 

***
Wim Hazeu is schrijver, dichter, journalist, radio- en televisieprogrammamaker en biograaf. Hij schreef o.a. A. Marja, dichter en practical joker (1917-1964), een biografische schets (1985) en biografieën over Gerrit Achterberg (1988), Slauerhoff (1995), M.C. Escher (1998), Vestdijk (2005) en Marten Toonder (2012).

Recensie van Hosanna dagen - Bart Chabot

Danse macabre

Bart Chabot
Hosanna dagen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106403
€ 17,99
108 blz.

De twintigste bundel van Bart Chabot, Hosanna dagen, is buitengewoon fraai verzorgd: een prachtige omslag van Anton Corbijn en een heel mooi binnenwerk van Aard Bakker uit Amsterdam. Op een zeer eenvoudige manier is een landschap ontwikkeld dat een wat troosteloze sfeer uitstraalt, een streep suggereert een verre horizon, twee kale bomen staan op de voorgrond. Het enige kleurige is het woord ‘Hosanna’ waarvan de H  rood is en er derhalve uitspringt.

Bart Chabot kan niet zo maar afgedaan worden. Iemand die zo vaak zich presenteert op televisie en optreedt op vele belangrijke literaire evenementen, die de officiële biograaf is van Herman Brood en twee goed ontvangen romans publiceerde – Triggerhappy en Easy street – verdient aandacht. Niet in het minst omdat in de Haagse Bodega de Posthoorn een vloeibare versnapering  naar hem is genoemd, die mij op een koude dag soms zeer warm maakt.

Chabot schrijft in een zeer weinig poëtische taal, feitelijk in alledaagse spreektaal. Dat deed Martinus Nijhoff ook, die zijn gedichten echter vaak laadde met iets dat aan het geheel iets magisch-realistisch gaf, dat weliswaar zich in het hier en nu afspeelde, maar als een schilderij van Carel Willink of Pijke Koch geladen werd met onlustgevoelens, waardoor het gedicht iets anders weergaf dan wat er letterlijk stond geschreven. ‘Lees maar, er staat wat er niet staat’, schreef Nijhoff. Schreef Nijhoff echter in een muzikale taal die hij smeedde in goed verzorgde en opgebouwde gedichten – niets voor niets heet een bundel van hem Vormen – de taal van Chabot is niet muzikaal, nauwelijks poëtisch. Hij schrijft zoals hij praat, springend en soms zelfs houterig terwijl de vorm onregelmatig en onvoorspelbaar is. In de gedichten van Chabot, die zich ook afspelen in het hier en nu, gebeurt ook iets met die werkelijkheid. Weliswaar is het reisdoel soms duidelijk en alledaags: ‘Ik moest op pad naar Hellendoorn / maar pakte mijn spullen of ik voorgoed op reis ging…’ of op pagina 93 : ‘Ik nam de ochtendtrein naar Hengelo / bijna tweehonderd kilometer ver van huis…’, maar de afloop van de verhalen is vaak absurd, wat deze recensent soms eerder aan The Raven van Edgar Allan Poe deed denken of de Fantastische vertellingen van dezelfde schrijver, maar tezelfdertijd ligt onder de morbide verhalen een bezinning op leven en dood, die soms tot ontroerende gedichten leidt. Soms gebeurt er tijdens zo een zich in het hier en nu afspelende monoloog iets spookachtigs: tijdens een afspraak met Filiz, ‘…een vrouw om van te houden / al kon je dat beter laten / mannen stonden voor haar in de rij / en achteraan aansluiten / zat niet in mijn systeem…’, die hij zal ontmoeten ‘in café dante in amsterdam / waar ik me sinds de dood van herman / brood niet meer had vertoond-je moet de goden niet verzoeken…’, glijdt er ‘…een wolk / aan het terras voorbij / een wolk met een lengte van zo’n zes meter / en drie meter hoog…’. Als de ‘ik’ met de ober over die wolk spreekt, zegt deze: ‘herman-zei hij-komt hier regelmatig / zo’n twee drie keer per week…’. Herman Brood is dus tot een spook geworden, zich manifesterend in een wolk. Dit beeld manifesteert zich regelmatig in een hier-en-nu dat verbonden is met een ontmoeting met een levende, mooie vrouw en de schim van een vriend.

De gedichten, met meestal de ‘ik’ in de hoofdrol, worden op de achterflap ‘monologen’ genoemd. Inderdaad zijn het meestal gebeurtenissen waarin  de werkelijkheid van Bart Chabot het verhaal kleurt en het onderwerp van het gedicht uitmaakt. Het zijn lange gedichten, te lang om in hun geheel te citeren. Er komen veel kerkhoven in voor, veel graven, veel doden en gestorven mensen (Herman Brood passeerde reeds in een wolk), maar de ‘ik’ springt ook in een graf, overgiet zich met benzine en steekt zichzelf aan, gaat vanuit zijn laatste rustplaats terug naar zijn voormalige gezin op Kerstmis, laat Robert in ‘Nattevinger-werk’ (pagina 68) een luguber, misschien wel gezellig spoor bij het graf van zijn moeder ontdekken, waarin vingers aangeven dat er communicatie is tussen twee graven. Als hij zelf wordt begraven – in het gedicht Salto Mortale (pagina 100) – gaat hem dit, na gereflecteerd te hebben op zijn begrafenis, na een tijdje vervelen: hij wordt geen wolk, als Herman Brood, maar:

… na een viertal weken vond ik het welletjes
hoogste tijd om op te staan
ik verliet mijn kist via de onderkant
die daarmee de bovenkant werd
zoals ik ooit achterste voren-
het hoofd eerst, dan pas de voeten-
was geboren
het deksel op de kist was vanaf nu de bodem
ik zakte niet weg in aarde en modder
maar steeg erin op, wat
voor een sterveling een afdaling zou zijn..

De gestorvene zakt naar het binnenste van de aarde, waar het steeds warmer wordt:

… ik kwam nu, in het binnenste
van de aarde, dicht bij het vuur
waar alles samenkomt en smelt
 en vloeibaar wordt

Nog even volhouden, tanden op elkaar,
 de laatste loodjes
en voortaan kon ik met de zijkant
van mijn hand, terwijl ik achteloos
een koprol deed,
een bergwand in tweeën splijten
water uit de rotsen slaan
en spelen met vuur

Ondanks de bijkans Bijbelse verwijzingen (bergwand in tweeën, water uit de rotsen) is het een absurdistisch gegeven, waarin zelfs enige zelfironie is te herkennen.

Bepaald  komisch en ironisch, zijn de ten gevolge van pillen ontstane ruimtereizen naar de maan en de planeet Pluto: de consequent volgehouden hier-en-nu situatie werkt bijna overtuigend, al is de ironie en vooral de zelfironie sterk aanwezig.

Het laatste wat ik over deze nogal absurde, soms geestige bundel wil zeggen is dat er drie gedichten in staan waarin Bart Chabot als de wat slordige Jules Deelderachtige dichter boven zichzelf uitstijgt en mij ontroert. En dat is iets wat ik niet had verwacht, deze absurdistische, grillige, fantasierijke gedichten lezend. Het betreft de gedichten ‘De vereffening’ over het sterven van de vader van de ‘ik’, wat soms wel heel emotioneel wordt (pagina 89), ‘Zoetwatermatroos’ op pagina 97, waarin ik iets meen te proeven van nostalgie om een voorbijgegane jeugd en het gedicht ‘Carla’ op pagina 51, waar ik even wat dieper op inga gezien het feit dat ik hier een heel zachte kant van Bart Chabot ontmoet.

‘Carla’ en de ‘ík’ eten in een clubhuis op een sportcomplex waar de kaarsen op tafel branden:

… het was een dag uit het boekje geweest
met een oktoberzon en dito hemel
 nul fout…

Het lijkt zo plezierig. Juist daarom ontroert mij het vervolg van het verhaal over en van de vrouw Carla die op krukken loopt:
  

ze vertelde dat ze ziek was
en me wilde spreken, liefst snel
zodoende zaten we hier
ik vroeg haar hoe het ging
-slecht-zei ze
-hoelang heb je te gaan? –
-nog even hoop ik
maar het is onduidelijk wat de artsen
voor me kunnen doen-
zo zat ze ook tegenover me,
  eindig …

Na anderhalf uur is het gesprek afgelopen en neemt de ‘ik’ voorgoed afscheid van haar:

.. het slot van een te kort verhaal hing
aanraakbaar tussen de takken-
in dit leven zouden wij elkaar niet meer spreken

Een eenvoudige zin ’krijg ik nog een kus van je’ maakt het afscheid bijna gewoon: alledaagse en oprechte taal. De dichter treuzelt met weggaan, hij wil haar niet voor een tweede keer gedag zeggen en de dame loopt op krukken. De laatste strofe sluit het afscheid af:

… daar ging ze
naar huis verderop
een anonieme flat op de anonieme hoek
van een anonieme weg
ze kwam bij de kruising
waar het onstuimig waaide
en de bomen kaal

Samenvattend herken ik in deze bundel Hosanna dagen de Bart Chabot van de performances. Het zijn absurdistische, ironische verhalen met soms verrassend zachte kanten, waardoor de poëzie een poëtische lading krijgt door de inhoud en soms door de vorm, die in de meeste gedichten grillig is. De tekst op de achterkant heeft gelijk: het zijn monologen.

Het lijkt me trouwens erg leuk om in Bodega de Posthoorn eens een verhaal van hem zelf te horen, omdat ik meen te herkennen dat de dichter al schrijvend heel dicht bij zijn eigen manier van spreken blijft, wat misschien het gedicht een andere kleur geeft als je het hoort..

***
Bart Chabot werd geboren in 1954. Hij is dichter, columnist, performer, literaire persoonlijkheid. Hij publiceerde 19 dichtbundels. Martin Bril stelde een bloemlezing samen van zijn werk: De bril van Chabot. Hij is de biograaf van Herman Brood en schreef ook een toneelstuk in 2016 onder de titel Chez Brood. Hij publiceerde veel proza, waaronder twee romans: Triggerhappy en Easy Street. Zo hij iets is, is hij een Hagenaar die na zijn poëtische ruimtereizen regelmatig de Haagse Bodega de Posthoorn frequenteert, waar zelfs een versnapering zijn naam draagt.