Recensie van Stormen, olielekken, motetten - Xavier Roelens

Storm in een glas water

Xavier Roelens
Stormen, olielekken, motetten
Uitgever: Contact ,Contact ,Contact
2012
ISBN 9789025438463
€ 19,95
64 blz.

Ik heb Stormen, olielekken, motetten voor mij liggen, de allernieuwste bundel van de jonge Belgische dichter Xavier Roelens. Werk uit deze bundel is o.a. eerder in de Poëziekrant verschenen. Roelens heeft de reputatie een weinig toegankelijk dichter te zijn.

De titel is anachronistisch: motetten zijn meerstemmige, middeleeuwse (kerk)gezangen, terwijl olielekken juist kenmerkend zijn voor ons huidige, industriële tijdperk. Stormen kunnen van alles betekenen, toen en nu. Zeker in poëtische zin. De ondertitel, Over de twee hoofdbestanddelen van de mens: water & relaties, heeft een wetenschappelijke toon, alsof het een rapportage over de mens in relatie tot zijn (water)milieu is. Kortom: een poëtische rapportage door de tijd heen, dat kan spannend worden!

Voor het tot stand komen van deze bundel zijn maar liefst drie verschillende subsidies nodig geweest, van het Vlaams Fonds voor de Letteren, het Nederlands Letterenfonds, en de Provincie West-Vlaanderen. Dit komt op mij nooit zo positief over. In diverse publicaties op kunstgebied wordt uiteengezet hoezeer het huidige subsidiebeleid niet tot kwalitatief bovengemiddelde kunst leidt. Daarbij worden subsidies toegekend om financiële tekorten te dekken. De uitgever verwacht er dus verlies op te draaien. Zou deze bundel zonder de subsidiëring ook zijn uitgekomen? Met andere woorden: is de poëzie die erin staat wel wezenlijk genoeg om te mogen verschijnen?

Roelens’ poëtische stijl is een kruising tussen het modernisme en het postmodernisme. Modernistische elementen zijn onder andere de overdaad aan woorden en beelden, het vele gebruik van de monologue intérieur, en het specifieke gebruik van taal als instrument. De teksten nemen de lezer mee zoals een woelige zee een eenzame zwemmer. Op een gegeven moment lees je de woorden niet meer, je ondergaat ze. Bladzijde na bladzijde krijg je talloze woorden onder ogen; boodschappen en beelden die je nooit helemaal kunt plaatsen. De verbeelding wordt opgetild, meegevoerd en, na elke bladzijde, vermoeid geworpen bovenop de volgende taalgolf.
De taal zelf als instrument; het doet een beetje denken aan de twee grote, ondoorgrondelijke werken van James Joyce: Ulysses en Finnegans Wake. Maar dan zonder diens geweldige muzikale taalgebruik. In plaats daarvan staan de teksten bol van de beelden die op mij overkomen als verloren voorwerpen drijvend op een taalzee.
Hier volgt een stukje monologue intérieur in modernistische stijl:

p. 32 (neen)
ik zit nog altijd ver vanbinnen in mezelf. nu en dan kom ik buitenpiepen en vind ik dat leuk en schijnen de anderen het ook leuk te vinden maar dan trek ik m’n kop weer in, waarom, weet ik ook niet. op de 1 of andere manier hoop ik zelfs dat de lente niet te rap komt. toch heb ik het zekere instinctmatige gevoel dat het beter is dat de lente komt, als je ze vindt, gooi ze hoog in de lucht! dat zal ze graag hebben! hou je wel klaar om ze weer op te vangen voor als ze dat grappig vindt, misschien wordt ze graag in het rond gedraaid en loopt ze graag mee aan je hand zo lichtvoetig dat ze begint te vliegen en zie je alles bloeien van boven ruik je de vochtige lucht en kun je op je rug zweven zoals in de dode zee!

misschien is de lente ook treurig en heeft ze geen zin om naar buiten te komen, en hoe langer ze wacht, hoe triestiger het hier wordt en hoe minder goesting ze heeft. maar de winter is niet onuitputbaar, die heeft ook op z’n tijd rust nodig. dan zullen we misschien een tijdje helemaal niets hebben en helemaal alleen zijn. zo voelt het nu, toch?

In de eindregel wordt gerefereerd aan de veel in literatuur voorkomende existentiële eenzaamheid van de mens.

Postmodernistisch is deze bundel door de nadrukkelijke vermelding van de inspiratiebronnen van de auteur. Aan het einde is een lange lijst opgenomen met boeken die de schrijver beïnvloed hebben tijdens het schrijven. Er staan nog net geen muziekalbums bij. Overigens kan deze incomplete leeslijst ook geïnterpreteerd worden als de bronnenlijst van de eerder genoemde ‘poëtische rapportage’.
Verder is deze bundel postmodernistisch in zijn gebruik van woorden en beelden uit de hedendaagse (consumptie)maatschappij. Zo komen Ken en Barbie voorbij en wordt er met enige spot geschreven over ‘outsourcing’.
Bovenal is hij postmodernistisch in zijn boodschap: er is geen groot verhaal meer. De beelden komen één voor één op de lezer af, zonder samenhang en dus zonder de intentie om er één verhaal van te maken. Of het moet het verhaal zijn van de kwalijke invloed van de mens op de natuur: de zogenaamde ‘vervuiling’. Want dat is wat er langzaam boven komt drijven na het ondergaan van deze kakofonie aan teksten. Soms is het net alsof er diverse afleveringen van Discovery Channel en National Geographic samengevat zijn. Deze gedachte wordt gevoed door de auteur zelf, die op de achterkant van de bundel meedeelt dat hij door het schrijven van deze bundel vegetariër is geworden, en ook door de aanhef: ‘opgedragen aan 3% volwassenen’. Dit percentage komt ongeveer overeen met het aantal vegetariërs in ontwikkelde landen als Nederland, België en Amerika.

Tot zover de stijl en de uitdruk die deze bundel op mij heeft achtergelaten. Na het lezen ervan blijf ik echter zitten met de levensgrote vraag zitten waarom ik deze bundel zou moeten gaan lezen. Hij is zo ontoegankelijk en weinig aanlokkelijk geschreven dat het is alsof hij opzettelijk het lezen ervan tot een zware taak wil maken. Het is bijna alsof hij een nieuwe vorm van l’art pour l’art propageert: een kunstvorm zonder publiek. En er staat zoveel kort proza in dat je je af kunt vragen of er hier nog wel sprake is van een dichtbundel en niet van een boekje met kort, experimenteel proza.

Verder is de bundel op stilistisch gebied weinig vernieuwend. De beelden choqueren af en toe, maar zijn bovenal zo talrijk en soms zo abstract, dat ze ophouden mij als lezer te raken. Hoe kan ik mij nog voorstellen dat er: ‘duizend victoriabaarzen spartelen op het droge’ die door één spreker worden ‘omhelsd’ en ‘beweend’? Zulke uitlatingen verbreken het stilzwijgende contract dat je als lezer tekent wanneer je een tekst leest. Het gevolg hiervan is dat je het boek weglegt.

Tot slot zijn de diverse kleine boodschappen voor mij niet overtuigend genoeg. Zo staat er: ‘men moet ’s avonds eten op tafel hebben/ staan en als de ogen groter dan de buik dan past de buik zich aan.’ Waarom zou ik dit willen lezen; wat is de waarde van deze twee regels? Ze zijn een beschrijving, geen argument. Niemand zal er een hap minder door eten. De mensen die vinden dat de mens al teveel consumeert, zullen (zouden ze dit aanhoren) niets ander zeggen dan dat hij gelijk heeft. En uiteindelijk zal niemand zich erdoor aangesproken voelen.

Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat ik te maken zou moeten hebben met een spannend geschreven dichtbundel met een actuele boodschap over mens, milieu en maatschappij. Een boodschap die we inmiddels allemaal wel zullen kennen. Zo las ik laatst weer eens dat de ‘ecologische voetafdruk’ van de Nederlander in de top tien van vervuilende landen staat.

Maar deze boodschap sneuvelt hier door het gebruikte ‘poëtische taalfilter’ dat te verwarrend is. Het spanningsveld in de taal dat bijvoorbeeld Peter Verhelst wel weet te creëren met even weinig toegankelijke poëzie, is hier afwezig. Zelfs Lautréamont, die met zijn De zangen van Maldoror ook geen gemakkelijk boek schreef, had uiteindelijke wel een duidelijke boodschap, een subtekst; zij het dat die boodschap uiteindelijk weinig positief was voor de gehele mensheid, de schrijver inclusief. Maar beiden schreven wezenlijke teksten voor de poëzie.

In deze bundel van Xavier Roelens komt de lezer er bekaaid van af. Er wordt niet genoeg voor hem gezorgd. Hoewel het schrijven de schrijver wellicht bekeerd heeft tot het vegetarisme, word ik er niet door bekeerd. Integendeel. Af en toe krijg ik het idee te maken te hebben met een preek voor eigen parochie, met teksten louter geschreven voor hen die ook in deze stijl gedichten schrijven en die ook iets ophebben met subsidies.

***
Xavier Roelens was hoofdredacteur van het literaire tijdschrift En er is, stelde met Maarten De Pourq de bloemlezing Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw (Uitgeverij P, 2005) samen. Hij is redacteur van In Letterland. Eerder publiceerde hij bij Contact Er is een spookrijder gesignaleerd (2007).

Recensie van Als ik als eerste aankom - Nachoem M. Wijnberg

Eigenzinnig en on-Nederlands

Nachoem M. Wijnberg
Als ik als eerste aankom
Uitgever: Contact ,Contact ,Contact
2011
ISBN 9789025437619
€ 21,95
84 blz.

Nachoem M. Wijnberg publiceerde met Als ik als eerste aankom zijn veertiende bundel. Een zeer aparte en, helaas, nog altijd weinig gekende dichter. Een dichter wiens poëzie een gebruiksaanwijzing behoeft, maar die zeer, zéér de moeite waard is.

Beweging staat centraal in Als ik als eerste aankom, te beginnen bij de titel. Maar misschien nog belangrijker: de plaatsbepaling van de ‘ik’, de beelden, de poëzie zelf wellicht. De plaatsbepaling van de ‘ik’ komt nadrukkelijk naar voren in het titelgedicht:

Als ik als eerste aankom
neem ik wat
iedereen wel zou willen,
zoals het enige bed in huis
en ik zou het snel kunnen ruilen met
de eerste die er iets voor wil geven.

Dan heb ik misschien
nog een kans
op een plaats op de vloer,
tegen een muur aan,
zodat ik niet tussen
anderen in hoef te liggen.

Ik herinner mij hoe het was
toen ik voor het eerst binnenkwam,
voordat het terugvinden begon
van de vloer en het plafond
en de muren
die er waren.

We zien een ‘ik’ (de dichter?) die een plek kiest waar hij zich niet tussen anderen bevindt – en dus des te beter naar de anderen kan kijken. De dichter als observerende buitenstaander is een weinig verheffend onderwerp, maar voor Wijnberg is dit gegeven slechts het vertrekpunt voor een reis door zeventig gedichten.
De poëzie is tamelijk abstract: er is geen verhalende lijn in te ontdekken, geen engagement, en vooral (vrijwel) geen emotie. De met een sobere taal geschreven tekst bestaat uit vragen die Wijnberg stelt bij situaties, en de associatieve opeenvolging van overwegingen. Het lange gedicht ‘Maar heb je er zelf iets aan?’ is een treffend voorbeeld van het karakter van deze bundel. De derde strofe:

Toen je een keer
een koe geslacht had
vertelde je dat het geen triest werk was,
het was kalm en warm
misschien ook omdat het dier groot was.

Het nare beeld van een geslachte koe komt hier buitengewoon neutraal naar voren. Waarom kende de slacht geen emotie? Omdat het beest groot was – een feitelijke constatering, geen beroep op gevoelens of persoonlijke waarnemingen. Het maakt de poëzie van Wijnberg heel eigenzinnig en vooral on-Nederlands (wat uiteraard als een neutrale constatering is bedoeld). In taalgebruik is de bundel kraakhelder, inhoudelijk is het vanuit Nederlands, of zelfs westers begrip, echter veel lastiger te doorgronden.
Wat ik nog het meest in het oog vind springen, is de vanzelfsprekendheid van de eigenzinnige beelden en zinnen, en de vanzelfsprekendheid van de opeenvolging ervan. Het is zoals Wijnberg het zelf in dit gedicht omschrijft: ‘Je hoorde iemand muziek maken en het was alsof je die zelf maakte, al zou je niet weten waar te beginnen.’

De bundel heeft een bezwerend karakter. Dat bezwerende zit ‘m in de formulering van de beelden en zinnen, in het dwingende van de vragen, in de opeenvolging van associaties. Het levert een overtuigend geheel op waarin de samenhang (of het bevragen daarvan) niet aan de orde komt, en er ook geen ruimte voor de lezer overblijft voor relativering van, of twijfel aan het woord van de dichter. Dat maakt trouwens niets uit: de bundel loopt over van taalvreugde, taaldronkenschap, die geen relativering behoeft. Dat zou het feest dat deze bundel is, maar bederven.
Als ik als eerste aankom kent daarmee twee eigenaardige tegenstellingen: ten eerste het bezwerende karakter van de tekst tegenover de emotieloosheid van de tekst, ten tweede de taaldronkenschap van de dichter tegenover de emotieloosheid van de tekst. Die twee tegenstellingen roepen een spanning op, vergroot door het uitblijven van de persoon(lijkheid) van de dichter zelf. (Zoals hij het formuleert in het gedicht ‘Troje’: ‘Nog maar een keer de Odysseus-truc, niemand heeft mij gestuurd.’)
Eigenaardig genoeg hebben sommige gedichten ondanks alles nog de schijn van emotie, juist door hun onderkoelde taal. Zoals in het relatief concrete gedicht ‘Afspraak’:

Ach jij, jij
kunt midden op een warme dag
een bad nemen.

Je bent vroeg opgestaan
om op tijd te komen
en je bent alweer terug.

Je hebt geluisterd,
soms met je ogen dicht,
maar niet in slaap.

In alle kleren die je aanhad
was het zo warm
en je wilde zo weinig mogelijk bewegen.

En straks, als
het avond is
drink je thee met wie je
dat afgesproken hebt,
half in de tuin, half ergens anders.

Niets wat naar emotie ruikt, in dit gedicht. ‘Je bent vroeg opgestaan’ kan veel inhouden, maar wie verwacht het droge ‘om op tijd te komen’ als reden? En het theedrinken, dat klinkt als een gezellige avond met vriendinnen, wordt koel en afstandelijk door het ‘met wie je dat afgesproken hebt’ – als een vinkje op een te-doen-lijst.
En toch is het een gevoelig liefdesgedicht. Wijnberg lost enkele grote tegenstellingen, die ik eerder opmerkte, niet op: hij gebruikt ze om een sterke en volstrekt onafhankelijke poëtica op te bouwen. Hijzelf lijkt geen deel te zijn van de tekst, en ook de lezer is een genegeerde factor: hij staat erbij en kijkt ernaar – maar dat is in dit geval beslist een compliment.

(Nota bene: de uitwaaierende vormgeving van de meeste gedichten uit Als ik als eerste aankom is van dien aard dat het onmogelijk is deze hier over te brengen. Wie de correcte weergave van de citaten wil zien, schaffe de bundel aan.)

******
Nachoem M. Wijnberg (1961) studeerde Rechten en Economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1990 aan de Rotterdam School of Management en werd in 2001 benoemd tot hoogleraar Industriële Economie en organisatie aan Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2005 werkt hij aan de Universiteit van Amsterdam. 
Wijnberg is dichter en romanschrijver. Hij schreef vier romans (meest recent: De opvolging, 2005) en dertien dichtbundels. De eerste tien werden in 2009 verzameld in Uit tien.  Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzie Prijs 2008,  Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs 2009 kreeg toebedeeld, en Divan van Ghalib, waaraan de Gedichtendagprijs 2010 toeviel. 

Recensie van Smijdige witheid - Piet Gerbrandy

Vertroosting van de poëzie

Piet Gerbrandy
Smijdige witheid
Uitgever: Contact ,Contact
2011
ISBN 9789025436025
€ 19,95
55 blz.

Met zijn poëtisch essay Smijdige witheid (2011) houdt classicus, dichter en poëziecriticus Piet Gerbrandy een pleidooi voor de ‘vertroosting’ van de poëzie. Hij laat ons de waarde van poëzie ontdekken in een verhalende verhandeling over de liefde.
Gerbrandy heeft zijn vertroosting over zeven korte hoofdstukken verdeeld, waarin innerlijke monoloog en dialoog, lyrische ontboezeming en verhalend vertoog elkaar opvolgen. Elk hoofdstuk draagt een Grieks motto, afkomstig uit de Ilias, de Odysseia, het werk van Boëthius, Ovidius, Plato, het Bijbelse Hooglied en het middeleeuwse Abélard en zijn liefdesbriefwisseling met Héloïse. De kracht van de liefdeservaring blijkt in deze vertroosting de metafoor te zijn voor het creatieve proces dat een dichter met zichzelf aangaat. In ieder geval lijkt Gerbrandy te willen zeggen wat de betekenis van de taal is voor het ondergaan van liefdeservaringen.

Het woord smijdige betekent in verband met ‘taal’ ‘plooibaar of kneedbaar en gemakkelijk te gebruiken’. Gerbrandy gebruikt het in de titel samen met ‘witheid’. Binnen de contexten waarbinnen Gerbrandy het woord ‘smijdig’ gebruikt, krijgt het in eerste instantie een erotiserende lading mee: de ‘smijdige witheid’ van de ‘marmerwitte’ dijen van een geliefde. Het vlees domineert hier de geest. Hij vestigt in tweede instantie de aandacht op de letters van de woorden en het wit daaromheen, met alle gevolgen voor een goed verstaan van zijn tekst. Zijn tekst is weloverwogen opgebouwd.

In de eerste afdeling ‘Twee zwarte wouwen’ situeert Gerbrandy zijn verhalend essay in de vrije natuur. We maken in dit eerst deel kennis met een ik en een jij die naast elkaar op de grond liggen. Successievelijk komen allerlei overwegingen bij de ik langs over zitten of liggen, de ondergrond, al of niet vrijen en veiligheid. Ze bevinden zich in een stand van weerloosheid te midden van een onrustige wereld.
Toch ontstaat er na verloop van tijd bij hen een verwachting. Het voelt voor hen wel als een soort verraad deze situatie van stilstand achter zich te moeten laten. Een gebeurtenis is nodig daaraan een einde maken. Ontkleden volgt. De zon brandt vervolgens op hun lijven. Boven hen zwieren traag twee zwarte wouwen: ‘Een ronkende machine op weg naar verre oorlogsgebieden.’ Een wouw is een vrij grote dagroofvogel met donkerbruine veren met diep ingesneden staart die in ons land alleen op de trek voorkomen. Het lichaam vraagt om verliggen. Het naast elkaar liggen doet een gevoel van gemis in de ik ontstaan. De ander lijkt afwezig. De ik is zich bewust dat er nog altijd iemand anders kan komen. Een vervreemdende situatie waarin reflectie overheersend is.

In dit tweede deel ‘Zonder kleerscheuren’ peilt Gerbrandy voor ons de waarde van poëzie. Een kalende vijftiger ontmoet een jonge vrouw met glas witte wijn op stadsterras. De vrouw wil eigenlijk geen gesprek met de man aangaan. Hij blijft aandringen en inbreuk maken op haar privacy. Ze is aan het schrijven. Hij wijst haar erop dat schrijven duidt op verlangen naar een ander ‘en de behoefte datzelfde verlangen zo lang mogelijk onbevredigd te laten.’ De doeltreffendheid van het schrijverschap stelt hij daarmee ter discussie. Ze besluiten uiteindelijk toch samen iets te gaan drinken.
‘Dit verbond zal niet standhouden,’ zegt de vrouw. En daar hoopt de man ook op. Hij hoopt zonder kleerscheuren het strijdtoneel te kunnen verlaten. Hij wenst haar veel leed te berokkenen als dat zowel hem als haar tot wijsheid kan voeren. De toon tussen hen beiden is scherp en hardvochtig. Dan volgt een belangrijke passage waarin Gerbrandy de betekenis van poëzie in deze fase van het liefdesspel aangeeft. Daarbij verwijst hij naar de Vertroosting van de filosofie van Anicius Boëthius.
Ze vraagt of ze hem een passage uit haar dagboek mag voorlezen. Zij verhaalt van een eerste ontmoeting met een zekere B(oëthius) in zijn gevangeniscel. De gevangene ‘bekende de tijd te doden met het schrijven van poëzie.’ Een weinig zinvolle voorbereiding op de dingen die stonden te gebeuren. ‘Als je tijd nog zo beperkt is, doe je er misschien beter aan jezelf te bevrijden van de wereld, in plaats van te zwelgen in het onbereikbaar aanwezige’, aldus de vrouw. Hij doodt zijn tijd volgens haar met verlangen naar het onbereikbare. Voor hem is het echter de meest intensieve wijze van leven. Omdat wie op het punt staat alle banden te moeten verbreken, is juist in de gelegenheid de waarde ervan te onderkennen. Wie immers verlaten wordt, beseft de diepte van de liefde. Iets wordt pas waarneembaar als het verdwijnt. Hij zegt daarop dat hij van haar brieven slechts het handschrift heeft gelezen. Wat ze te vertellen heeft, is niet tot hem doorgedrongen. ‘Het is de stem van het schrift, niet de betekenis die ertoe doet. Hij ademt met de letters mee. En hij ademt terug.’ Daarna vraagt ze hem of hij met haar wil vrijen. Dat vindt met zorg en overleg plaats. Zij sluit hierna haar dagboek.
De ik vraagt zich af waarom de vrouw op het terras hem dit heeft voorgelezen. Haar antwoord luidt: ‘Misschien om een ‘cel’ te bouwen waarin u en ik een paar uur kunnen vertoeven, een plek waar de wereld kunnen buitensluiten om hem beter te kunnen zien.’

In het derde deel ‘Ultieme troost’ heeft Gerbrandy zich gespiegeld aan de Drie boeken over de liefde (1180) van Andreas Capellanus, geschreven aan het hof van Marie de Champagne. Een boek vol raadgevingen over hoe de liefde te verkrijgen en in stand te houden is. Deze brief met raadgevingen begint met de aanhef ‘Lieve, het is goed dat je vertrokken bent. Blijven had niets toegevoegd aan ons samenzijn.’ De ik ervaart het verlangen nu sterker dan daarvoor. Hoe verder je van mij verwijderd bent, des te beter kan ik je kneden naar mijn beeld. ‘Smijdig is de witheid en de volte van je leden. Althans zo wil ik me je herinneren.’ Liefde is als ’een aangeboren aandoening die zich ontwikkelt vanuit het zien van en het onmatig denken aan de schoonheid van het andere geslacht, waardoor iemand boven alles begeert de omhelzingen van de ander deelachtig te worden, en vanuit beider verlangen in de omhelzing van die ander alle voorschriften van de liefde te vervullen’, aldus Capellanus
In de laatste van acht dialogen laat Capellanus een man en een vrouw van hoge adel van gedachten wisselen over het ideaal van de liefde. Het gaat daarbij om de zuivere, allesomvattende liefde, niet om het genoegen van het vlees. De ik zegt naar aanleiding daarvan tegenover de zij dat hij handelt als de man uit de dialoog. Daarom is het goed dat je vertrokken bent.

In het vierde deel ‘Een steenworp afstand’ trekt de ik zich terug uit onze wereld. In eenzaamheid neemt de ik afscheid van zijn fiets, al het verdere vertrouwde. Dan nadert er hem een ongenode gast. De ik vraagt zich af of hij zich zal verbergen of hem verwelkomen. Verwelkomen is wapens uit handen slaan. Onder het genot van wat zich eenvoudig laat invullen, slaat zijn verbeelding op hol: ‘We hadden kunnen zingen wie we waren.[…] We zouden afgesproken hebben elkaar te blijven schrijven wat gezien de primitieve infrastructuur een loze belofte was geweest.’ De nadering van de gast laat in het midden of het een aankomst of een vertrek is. Hoe dicht kunnen we de ander naderen en de ander ons naderen? De ik moet maar rustig afwachten wat er gaat gebeuren, ‘want trachten de situatie te beïnvloeden heeft geen zin’.

In het vijfde deel ‘Een welgeronde bol’ bevindt zich opnieuw een belangrijke passage over de poëzie. Gerbrandy opent deze afdeling met: ‘ons samenzijn is niets dan een poging de zinnen gaande te houden. Want buiten die zinnen is het wit. Sporen in de sneeuw, als dat niet al zo vaak – maar dat geeft niet. De traditie is immers een pad in dooiende sneeuw. Het is zaak het tot het zomer betreden te houden.’
Willen we de communicatie tussen ons gaande houden, dan is de taal ons belangrijkste instrument. Als we op het lichaam letten, zou het gedicht wel eens de hechtste band tussen de geliefden kunnen bieden, als de dichter ‘klanken heeft laten vloeien en de woorden als een mozaïek om elkaar heen heeft gelegd, wat niet in alle talen kan.’ Het ene woord dient het andere op te roepen, rijmwoorden dienen elkaar te begrijpen en te omarmen. Gerbrandy zet in zijn spreken over de poëzie de metafoor van het lichaam voort. Regels als verstrengelde armen of benen en de witregels als ruimte daartussen. Teveel wit kan dodelijk zijn: de woorden weten elkaar niet meer te raken.
We behoren tot het genre van de eindige mensensoort. Als niet het lichaam maar de geest de overhand heeft, dan is de hechtste band wellicht het syllogisme. ‘Alle gedichten zijn eindig/ ons samenzijn is een gedicht/ ons samenzijn is dus eindig//.’ Betrokkenheid tussen de zinnen en de mensen is belangrijker dan de logica. In zo’n syllogistisch gedicht komen de woorden niet meer los van elkaar. Dat verandert de eindigheid ervan niet. Daarbuiten gaapt het wit. ‘Het wit is de wereld.’
Aan het einde van zijn derde boek der vertroosting vertelt Boëthius hoe de gevangene die Boëthius heet, er genoeg van begint te krijgen dat Philosophia een perfecte wereld weet te construeren, maar dat haar daartoe slechts cirkelredeneringen ter beschikking staan. Boëthius tracht een bres te slaan in die wereld van haar logica. Philosophia verdedigt haar wereld met een kracht. ‘De gedaante van de goddelijke substantie is immers van dien aard dat zij noch uitvloeit in wat buiten haar is, noch iets van buiten in zich opneemt, maar, zoals Parmenides zegt, is als “van elke kant bezien een welgeronde bol”, het heelal in een draaiende beweging brengt, terwijl zij zelf onbewogen op haar plaats blijft.’ Als we enkel elementen in onze redenering opnemen van binnen de kring van het behandelde onderwerp, dan behoef je je daarover niet te verwonderen. Plato leerde al dat de woorden verwant moeten zijn aan dat waarover ze spreken.
Philosophia heeft geen steun van buiten gekregen bij het samenstellen van haar redeneringen. Alles klopt. Boëthius zit in dezelfde ‘cel’ als zijn schepper. Om aan die ‘cel’ van de werkelijkheid te ontsnappen moet Boëthius Philosophia wijzen op alles wat zich in het wit buiten Parmenides’ bol bevindt, en zich bevindt in het schrijven van poëzie die wringt en gaten vertoont. Helaas krijgt hij, de dichter, daarvoor geen kans meer. Ontwrichten kost te veel tijd en energie.
Een gedicht dat wij vormen, is ondenkbaar zonder het wit eromheen. Er moet een denker zijn die ons waarneemt of construeert. Of kunnen wij dat zelf niet? Er moet op zijn minst materiaal zijn. Zelfs God schept niets uit het niets. ‘De tekst die ons uitmaakt, is ons eigen product. We zijn allebei dichter, allebei lezer, we spreken en luisteren beiden. De tekst staat tussen ons in, als een welgeronde bol van liefde. Wij zijn het wit dat ons vormt en omringt.’ Een onbegrepen transcendentie voltrekt zich aan ons in de werkelijkheid. Waar de ziel is gebleven wordt niet opgehelderd.

In het zesde deel ‘Fluisterende lippen’ weet de ik zich aangeklaagd voor zijn optreden. Welke woorden gepast zullen zijn bij zijn verdediging, is voor hem een vraag. De aanklacht luidt: het vasthouden aan een ingebeelde liefde als een gevaar voor de openbare orde. En een later opgeven daarvan maakt zijn eerdere motieven onzuiver. Hoe ontmoette de ik de ander? In de uitgeholde ruimtes van een grot. We kwamen op het strand terecht, stookten een vuur en vielen in elkaars armen in slaap. De volgende morgen was ze al weer verdwenen!
De troubadour staat in hem op. Hij begint naar haar een zoektocht. Over het land komt een grauwsluier van onverschilligheid te liggen. Een saaiheid tast het leven aan. Het regime pakt hem niet op, maar gedoogt hem. Hij blijft in mijn liederen haar verdwijning en zijn ontreddering bezingen. Hij merkt wel dat aan zijn teksten langzamerhand nieuwe betekenissen worden toegekend. Zij worden tot een symbool, maar hij houdt niet zo van symbolen. Ze verliezen hun zeggingskracht voor de werkelijkheid. Hij geeft daarvan een voorbeeld in de vorm van een gedicht dat hij gezwollen onzin noemt. Na een zware tocht bereikt de ik opnieuw de ingang van de grot die ik herkent aan de ranke meisjes op de rots.
Hij verweert zich ertegen dat alle liefde op inbeelding berust; bovendien leefde hij voor de machtsovername ook al in de marge van de samenleving. Verdienen zij die zich voegen de voorkeur boven degene die zich niet voegen? Hij eist voor zichzelf vrijspraak.

In de laatste afdeling ‘Aanstalten’ keren we terug in een mythische context. De ingebeelde geliefde voegt zich bij de werkelijke geliefde. Droom en werkelijkheid raken verstrengeld. ‘Er is iemand verschenen. Ik had haar niet horen aankomen.’ Ineens wordt de ik zich van de aanwezigheid van een andere vrouw bewust. De lichtschakeringen verraden haar aanwezigheid. Bij het weinige licht ontdeed ze zich van haar kleding. Hij ziet haar marmerwitte borsten, haar buik vertoont sporen van een geboorte. Ze legt zich op de bodem. We liggen schouder aan schouder op de bodem.
De ik realiseert zich dat de ander in de plaats inneemt naast zijn vrouw. Ze begint een eenvoudige melodie te zingen. Het zingen gaat vooraf aan het spreken. Dans aan de zang. Toen we het zingen verleerd waren, begonnen we te spreken. De ik ligt niet tussen zijn eerdere geliefde en hem in, geen symmetrie. Haar komst vormt geen inbreuk op onze ligging. Ze kijkt om zich heen. ‘Je houding wijst op aanstalten.’ Hij wil dat ze blijft. Je hebt recht op je vrijheid, ook al komt ze niet altijd goed uit. De jij staat op en vertrekt aarzelend. Bij de bosrand kijk ze nog om en verdwijnt uit zicht. De ik strekt zich weer uit op de aarde. Zij rolt zich op haar zij en voegt mij in. Haar ‘smijdige witheid’ is koel, warm en stervend.

De vertroosting van Gerbrandy staat in de klassieke traditie van Anicius Boëthius (480-525) met zijn Vertroosting van de filosofie waarin diverse genres in poëzie en proza, elkaar afwisselen. Boëthius liet als christen zijn gedachten gaan over de ideeën van Plato en Aristoteles en ging een dialoog aan met zijn voedster Philosophia. Hij schreef het tegen het einde van zijn leven in de gevangenis. In deze vertroosting van Gerbrandy gaat het allereerst om het raadsel van de liefde te doorgronden en te verwoorden.
Aan de moeite waarmee hij dat probeert te doen, laat zich het onvermogen aflezen de liefdeservaringen onder de woorden te brengen. Die verstrengeling van de liefdeservaring met de betekenis van de poëzie daarin levert een klassiek aandoend poëtisch proza op. De taal is hier en daar wat gewrongen en archaïsch. Er hangt een zekere loomheid over deze tekst. Hij is zowel beschouwend als beeldend. De man en vrouwen herinnerden mij aan de klassiek mythische gestalten van de Engelse symbolistische schilder Edward Burne-Jones (1833-1898).

Je vraagt je wel af waar Gerbrandy met deze tekst naar toe wil. Gaat het hem om de poëzie te verdedigen of de liefde te verheerlijken? Wil hij een nieuwe Boëthius herscheppen? Een eigentijds pleidooi houden voor de poëzie? Welke liefde staat er op het spel? Ook na enkele lezingen blijf je achter met een tekst die weinig opening naar de actualiteit biedt. Hij heeft wel een erg hoog filosofiegehalte.
Ik vraag me af of deze schepping van lange adem naar klassiek model geschikt is om de lezer van deze tijd te bereiken. Het fragmentarische karakter ervan en de genrediversiteit bevorderen niet bepaald haar toegankelijkheid. De essayistische en verhalende vorm zijn voor mij onvoldoende in balans met elkaar. De narratieve lijn is dun. Het essayistische is daarbinnen enerzijds te incidenteel en te expliciet, anderzijds draagt het onvoldoende bij aan de versterking van het narratieve deel van de tekst. Ik denk dat Gerbrandy zelf aan het maken van deze vertroosting veel plezier heeft beleefd. Maar of de lezer dat er ook aan zal beleven, is voor mij de vraag.

Recensie van Wiegeliederen en blaaskikkermuziek - Wouter Godijn

'Zing!' roept Ilja Leonard Pfeijffer. 'Zing!'

Wouter Godijn
Wiegeliederen en blaaskikkermuziek
Uitgever: Contact
2010
ISBN 9789025434373
€ 18,45
48 blz.

Wouter Godijn lezen, dat is je onderdompelen in onzekerheid. Of misschien beter: je onderdompelen in de zekerheid dat niets zeker is. Wouter Godijn lezen, dat is je onderdompelen in onvoorspelbaarheid, hoewel sommigen van mening zullen zijn dat die onvoorspelbaarheid bij Godijn een trucje geworden is en zo au fond toch weer voorspelbaar. Juist doordat deze poëzie erop gericht lijkt zichzelf onderuit te halen, is de kritiek over de gedichten van Godijn – over zijn proza ook trouwens – altijd nogal verdeeld geweest en die verdeeldheid is op zich al een prestatie, lijkt me. Zelf vind ik het moeilijk om over zijn poëzie te schrijven zonder in paradoxen te belanden. Ik heb het gevoel dat dat Godijn genoegen zou doen. Iedere dichter heeft twijfels. Geen enkele dichter weet voordat hij zijn pen op papier zet precies wat hij wil zeggen. Maar waar de meeste dichters in hun eentje zitten te piekeren totdat ze iets op papier hebben, iets wat zo goed mogelijk verwoord zo’n beetje in de buurt komt van wat ze dachten te willen vertellen, en dat dan vervolgens naar hun lezers sturen, maakt Godijn de lezer deelgenoot van de twijfel. En hij schept er duidelijk genoegen in. De derde regel van Wiegeliederen en blaaskikkermuziek luidt dan ook: ‘Dat had ik niet moeten zeggen.’

Natuurlijk heeft die ingebouwde onzekerheid, dat voortdurend herroepen van wat je net gezegd hebt, iets vrijblijvends. Godijn kan zogezegd wauwelen wat hij wil, straks keert hij het toch weer om. Het heeft ook niet alleen te maken met twijfel. Godijn dicht ook zeer associatief. Hij springt van de hak op de tak en verbindt zaken die door niets anders verbonden zijn dan door de grijze materie in het hoofd van Wouter Godijn. En als lezer hobbel je vaak achter de feiten aan. Tenminste, als je gehecht bent aan feiten. In zekere zin geldt dat natuurlijk voor alle goede poëzie. Alleen, Godijn maakt de twijfel en de onzin concreet. Hij benoemt ze en geeft ze een plaats, zeg maar gerust een monument, in zijn gedichten. En dat helpt om het, over het algemeen niet rooskleurige, wereldbeeld van Godijn luchtig te houden. Een goed voorbeeld is ‘Feest':

Feest

Je huis baait kraswaas,
Mergoog brult op de heuvel
in woedend oranje. In maanzieke nevel.
Iemand trekt de darmen uit je reet;
smijt ze weg: verongelijkt.
Eenden lispelen in het moeras.
Sereen zak je ineen voor de tv:
(hoge holtes watten gesmoord keffend in je hamerende hoofd)
de kinderen worden opnieuw vermoord,
(men ademt, men bezoekt een kakstoel, beklimt een drillende vrouwenpudding)
de wc kan nu wel weg. Niet?
Plaats een oude moeder in de tuin
en hang er ballen in:
Want nu zullen ze kraaiend binnenrijden in hun arrenslee:
de volksvertegenwoordigers, de ondernemers,
                                     de ministers en hun kakelzieke wijven;
de pinguïns, de walrussen, de dwergzebra’s.
Ze zullen blazen op hun toeters, ja,
en de festiviteiten zullen beginnen
(in een hoekje van het schilderij zie je een hondje wegrennen,
in zijn bek mijn snotterende hart).

Een ontzettend fysiek gedicht, zintuiglijk en vol geweld, pijn, vernedering en de schaduw van de dood. Wat ook opvalt – en misschien wel belangrijker is dan de thematiek van het gedicht – is de enorme klankrijkdom. De neologismen in de eerste twee regels met hun twee keer voorkomende medeklinkers, de vele assonanties (smijt – verongelijkt, sereen – ineen – tv, gesmoord – vermoord) en de alliteratie hoge – holtes – hamerende – hoofd maken dit een muzikale tekst die erom smeekt voorgelezen te worden.
Er valt ook een hoop te lachen. De beelden zijn slapstickachtig en absurd. Persoonlijk geniet ik van die hilarisch-hyperbolische beeldtaal, maar ik kan me ook voorstellen dat hij bijdraagt aan het eerder genoemde zelfondermijnende aspect van Godijns poëzie.

Godijn problematiseert in deze bundel ook veelvuldig de poëzie en het schrijven zelf. Het begint al in het eerste gedicht (‘De hemelvaart van de reuzenmuis’), waarin hij een aantal bekende dichters aan het woord laat:

Daar is Ilja Leonard Pfeijffer. ‘Zing!’ roept hij. ‘Zing!’ Om tijd te winnen begin ik aan het gedicht over de vele veren en de reuzenmuis,

En even verderop:

‘Dit betekent niets,’ zegt Astrid Lampe samenzweerderig. Er hangen grote   
                                                 uitnodigende tuinscharen
achter haar aan het plafond.

In ‘Ring’ heet het: ‘Alleen koel, helder water / dat niemand leest / en niemand begrijpt.’ In ‘In de kelder': ‘De dichter eet kan-niet, de dichter eet wil-niet, de dichter gaat poepen’, ‘krioelende letters; onvermogen’ en ‘Doe hem dicht. Dicht! Dicht! Dicht! Amen.’ En in ‘Dodendans': ‘Vandaag Wouter Godijn en morgen… Ben ik morgen // Gerbrandy?’

Die meta-poëzie hangt sterk samen met het eerder genoemde, en belangrijkste, thema van de gedichten in Wiegeliederen en blaaskikkermuziek: de onmogelijkheid de werkelijkheid te kennen of weer te geven. Welke kant de gedichten ook uit waaien, ze worden altijd weer op de aarde gezet door een relativerende opmerking van de dichter. ‘De komst van de tuinmannen’ bijvoorbeeld, is een tweedelig gedicht waarvan deel 2 begint met: ‘Toen de dichter zijn regels overlas / begon zijn gezicht te gloeien: / van schaamte. Hoe was het mogelijk?’ Een gedicht daarvoor, in ‘Hoe God ziek werd': Ik ben terechtgekomen in mijn eigen vergissing, / ik kan er niet meer uit / en ik vind het nog fijn ook’. Nog een klassieker, uit ‘De echte wereld': ‘Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!’.

Maar goed, waar heb je de echte wereld voor nodig als je het drama, het tumult en de muziek van Godijn hebt. Als je verhaaltjes hebt die beginnen met ‘Boter springt door de kamer. Hijs de vlag!’ en liedjes die gaan van ‘Snikkende zwaan, wat heb je gedaan?’

Recensie van Divan van Ghalib - Nachoem M. Wijnberg

Spreken alsof het een oplossing is

Nachoem M. Wijnberg
Divan van Ghalib
Uitgever: Contact
2009
ISBN 9789025432331
€ 24,95
166 blz.

Je kunt geen bundel van Nachoem Wijnberg recenseren zonder eerst toe te geven dat je geen idee hebt wat de man eigenlijk wil zeggen. Sterker nog, een te analytische leeshouding kan je bij Wijnberg, zo merkte ik toen ik drie weken doorbracht met zijn Uit Tien, tot de rand van de waanzin brengen. Toch is hij een van de allerbeste dichters die we hebben. Hij onderscheidt zich namelijk van andere ‘moeilijke’ dichters door zijn heldere, dagelijkse taalgebruik. In zijn meanderende, altijd logisch beginnende en pas later ontsporende zinnen zit altijd het gevoel van waarheid. Ze geven je het idee dat je ze, de volgende keer dat je ze leest, wél zult begrijpen. En dat is precies waarom je ze niet onmiddellijk moet willen overlezen. Nee, bij Wijnberg moet je dóórlezen, het overkoepelende verhaal proberen te zien of de muziek van de taal proberen te horen.

Overigens is het maar de vraag of Wijnberg überhaupt iets wil zeggen met zijn gedichten. Wijnberg is een zoekende dichter, een denker die het schrijven gebruikt om duidelijkheid te krijgen over wat er zich in zijn eigen hoofd afspeelt. Schrijver, schrijven en het geschrevene zijn onontwarbaar met elkaar verweven en het schrijven is, hoewel vaak in metaforen verborgen, een belangrijk onderwerp voor Wijnberg.

Wijnberg is ook een dichter die altijd op zoek is naar nieuwe inspiratie. Eerder bestudeerde en verwerkte hij al veel Japanse en Chinese poëzie en voor Divan van Ghalib heeft hij de Indiase dichter Mirza Ghalib als inspiratiebron genomen. Als recensent hoor je dan trouw aan het googelen te gaan en te vermelden dat Ghalib leefde in de zeventiende eeuw en in het Perzisch schreef maar ook in het, toen als literaire taal nieuwe, Urdu. En dat zijn vaste dichtvorm, door Wijnberg hier min of meer nagebootst, de ghazal was. Maar dat interesseert mij allemaal weinig. Als ik Wijnberg lees, wil ik Wijnberg. En er is heel veel Wijnberg in deze bundel die met zijn 162 pagina’s in de buitencategorie valt. Een slordige 140 gedichten die allemaal iets te maken hebben met het scheppen en de relatie schepper-geschapene. Vanaf het begin zit je er als lezer midden in:

Begin

Wat is dat ook alweer, dat waarover gesproken wordt alsof het een
oplossing is,
wat wordt ook alweer gemaakt in de werkplaats van donker
en licht, dat als het begin is.

Hoe hoog moet ik zijn om de aarde heel te zien en iets van de hemel
daaromheen,
zoals iets wat gebeurt heel zien, net ver genoeg om het begin
en einde te zien en iets daaromheen.

Subtiel schuift de dichter hier het schrijven en de schepping, het gedicht en het heelal over elkaar heen. En meteen ben je verloren. Je weet niet meer wie de ‘ik’ is, God, Ghalib of Wijnberg en je komt er ook nooit achter. We zien datzelfde, door Wijnberg bewust gecreëerde, vervloeien van personen de hele bundel terug. Dat geldt ook voor de verraderlijk eenvoudig ogende, kabbelende zinnen die zo karakteristiek zijn voor de stijl van deze eigenzinnige dichter.

Maar vaker dan in eerdere bundels lijken de zinnen verward, worden ze ongrammaticaal. Wijnberg is altijd een zoekende dichter geweest, een dichter die al schrijvende zelf wil leren en begrijpen, maar in deze bundel is dat gevoel op zijn sterkst. De zinnen vloeien nog, maar soms kraken ze ook: ‘Je moet zelf te weten komen wat ik zou moeten weten / om te kunnen zeggen wat je moet doen, ik kan zeggen waar / ik langer naar zou willen kijken als ik je zou kunnen zien.’

Illustratief voor een aantal andere aspecten van Divan van Ghalib is een van de twee gedichten die de titel ‘Brieven’ dragen.

Brieven

Ik lees brieven waarop ik gewacht heb,
ik weet hoe het afloopt en ik zou het willen veranderen,
omdat het niet genoeg brieven zijn.

Ik wil mij op de trap tegenhouden,
als ik een dag eerder wegging om een brief meer te krijgen.

Ik geef een te grote fooi aan de krantenbezorger,
wil ik twee kranten omdat ik bang ben dat hij plotseling niet
meer komt?

Of bedoelde ik niet de krantenbezorger, maar de postbode,
maar hoe kan de postbode mij twee keer zo veel geven?

Wat ik krijg als ik niet hoef te kijken,
ik word als de krantenbezorger en de postbode die allang
niet meer komen, omdat ze ander werk hebben gekregen.

Wie vandaag de post rondbrengt mag twee of drie brieven voor
zichzelf uitkiezen;
een postbode kan worden wat hij wil, liever postbode dan
advocaat.

Vanmiddag sprak ik met een advocaat, liever postbode dan advocaat;
ik doe alle lampen aan omdat je niet binnen wil komen in
een donker huis waarin iemand is.

Dit staat in brieven om te lezen als ik vandaag nog naar huis terug
wil, wat niet kan omdat ik ver van huis ben;
waarom zo veel brieven, was één niet voldoende?

Mijn precieze adres brengt de postbode alleen maar in de war;
schrijf: Ghalib, Delhi, en je brieven komen aan, dat beloof ik.


Het eerste dat opvalt in dit gedicht is dat de tijd door elkaar gegooid wordt. Eerst wordt er gewacht en gelezen, dan gaat de ik weg, terwijl hij tegelijkertijd de krantenjongen een fooi geeft. Om de verwarring te vergroten wordt de tijdsaanduiding dan in de zevende strofe weer heel concreet: het is middag geweest en het wordt donker. Maar dan kloppen de plaatsen weer niet. De ik krijgt brieven, maar hij is niet thuis. Ook die verwarring – op de één of andere manier voelt het bij Wijnberg niet goed om van ‘verwarring’ te spreken omdat ik er van overtuigd ben dat er in zijn gedichten juist naar orde gezocht wordt en niet naar verwarring. Laten we het dus ‘vervloeiïng’ noemen – ook die vervloeiïng dus wordt bevestigd: ‘Mijn precieze adres brengt de postbode alleen maar in de war.’ En dat is nog maar één van de paradoxen in dit gedicht.

En die brieven? Waarvoor zijn die een metafoor? Geld is een mogelijkheid, omdat de ik er ‘niet genoeg’ krijgt en vanwege de zin ‘als ik een dag eerder wegging om een brief meer te krijgen’, die een parafrase is van de Amerikaanse uitdrukking ‘a day early, a dollar extra’. Ook de krantenjongen (die immers ander werk krijgt en misschien uiteindelijk wel miljonair wordt) is een aanwijzing in deze richting. Maar je weet het nooit zeker en het is nooit eenduidig. Bovendien wordt het beeld, hoe kan het ook anders, op zijn kop gezet aan het eind van het gedicht.
Strikt genomen is er ook geen reden waarom het gedicht niet gewoon over brieven zou kunnen gaan. Maar de combinatie van de dagelijkse taal, weer dat vloeiende, rustige, met het alsmaar noemen van dat woord ‘brieven’ doet de lezer vermoeden dat er meer aan de hand is. Vermoeden, want je krijgt er nooit je vinger achter. En de volgende keer dat je het leest zie je weer andere dingen, verwonder je je over een ander woord.
Je weet dus ook nooit wat nu van Wijnberg komt en wat van jou. Is de dichter verward geweest of was jij het toen je het gedicht las? Heeft Wijnberg het over geld of lijkt dat maar zo omdat jij daar in gedachten mee bezig was? De poëzie van Wijnberg verandert constant. Bij het herlezen van een hoogst ontregelend gedicht vind je vloeiende, muzikale zinnen en bij het nog eens opslaan van die prachtig lopende strofe merk je dat ook daar allerlei haken en ogen aan zitten. De gedichten spiegelen de lezer. Ze ontlenen een groot deel van hun betekenis aan het moment en de manier waarop ze gelezen worden.
Zoals dat hoort bij goede poëzie.