Recensie van Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten - Andreas Oosthoek

Vroegere geluiden verlengen

Andreas Oosthoek
Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten
Uitgever: Cossee
2018
ISBN 9789059367579
€ 29,99
277 blz.

De verzamelde gedichten van Andreas Oosthoek Witheet nadert de ijsberg is een bijzondere uitgave. De bundel bevat hoofdzakelijk een keuze uit nieuwe gedichten die geschreven zijn in de periode 1959-2017. Het verzameld werk is geen stapeling van de uitgegeven dichtbundels die Oosthoek tijdens zijn leven gepubliceerd heeft. In feite is het slechts een keuze uit vier bundels en enkele gedichten die gepubliceerd zijn in Maatstaf, zoals hij in de ‘Verantwoording’ schrijft. ‘Nieuwe gedichten’ was wellicht een betere ondertitel geweest voor deze uitgave. Het schijnt dat de dichter nauwelijks de behoefte heeft gehad om de gedichten die hij had geschreven te publiceren. Wanneer ze geschreven waren en hij vond dat ze in de juiste vorm gegoten waren, was het voor hem klaar en werden de verzen op zolder opgeborgen. Het was een kwestie van een keer opruimen, waarbij allerlei manuscripten en losse blaadjes tevoorschijn kwamen en het voortdurend aandringen van de liefhebbers van zijn poëzie, die leidden tot deze uitgave ervan. In een interview met de dichter bij het verschijnen van de bundel las ik dat hij zelf ook niet blij was met de ondertitel ‘Verzamelde gedichten’. ‘Gedichten sinds 1959’ zou volgens hem beter geweest zijn.

Oosthoek heeft de gedichten niet chronologisch gerangschikt, maar ze in acht thema’s ondergebracht. De thematische indeling maakt de bundeling van zijn gedichten wel overzichtelijk, maar het lezen ervan niet spannender of verrassender. Soms is het lezen van een aantal thematisch verwante gedichten een pas op de plaats. Het lezen van Oosthoeks poëzie gaat traag, ook al omdat niet alle gedichten direct toegankelijk zijn. Er moeten zaken opgezocht worden, versregels herlezen worden, er moet nagedacht worden over wat de betekenis kan zijn van wat op papier staat. Anderen echter zullen het toejuichen dat een aantal gedichten over hetzelfde onderwerp, zoals die over Parijs in de tweede afdeling ‘Landelijk vertier & een beetje stad’ bij elkaar gezet zijn. In de zevende afdeling ‘Vuurland’ is de groepering van gedichten over de oorlog en zijn werk voor de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht, waaraan hij als dienstplichtig militair verbonden was, terecht zo samengesteld. De titel van deze afdeling is dezelfde als die van de roman Vuurland, die in 2016 verscheen.

Andreas Oosthoek wordt getypeerd als een Zeeuwse dichter die over de dijken en de duinen heen kijkt, veel naar overzeese oorden trekt, maar altijd weer terugkeert naar zijn geboortegrond en dan zijn reiservaringen in dichtvorm aan het papier toevertrouwt. Het landschap, de flora en fauna, het voortgaan van de tijd en het vat krijgen daarop, het weer en het klimaat zijn vaste thema’s in zijn werk, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘Het landschap’ uit de afdeling ‘Een poppenhuis vol lijsters’ te lezen is:

Aan wie behoort vandaag het landschap?
Het droeve paard dat staande slaapt
en ouder wordt, heeft elke dag
een afspraak met het groen.
Ook alle bomen zijn reeds ingevuld,
elk op zijn welgekozen plaats.
De sneeuw misschien,
een hagelbui met bovenmaatse stenen?
Alles is, door de jaren heen,
Vertrouwd aan fotograaf en schilder.
De dichter schikt en scharrelt,
strijkt hier en daar een plooitje glad
maar kan het tij niet keren:
het landschap heeft geen woorden nodig
en wil een beetje regen op zijn tijd,
de estafette der seizoenen.

In deze strofe positioneert hij zichzelf als dichter in een wereld die al ingevuld lijkt met fauna, flora en het weer. Het landschap is ingericht. Is hij als dichter wel nodig? Alles heeft toch al zijn plaats? Hij relativeert op subtiele wijze zijn dichterschap, waarin zijn machteloosheid als dichter om te zorgen voor een ommekeer de boventoon voert. Hij is een dichter die wat schikt en scharrelt en hier en daar een plooitje gladstrijkt. Als dichter is hij overbodig: het landschap heeft geen woorden, maar regen nodig. En natuurlijk de afwisselende seizoenen die elkaar snel (‘de estafette’) opvolgen.

De verwijzingen naar schilderijen, andere gedichten en bepaalde locaties die in gedichten voorkomen worden verklaard in de ‘Aantekeningen’ die achter in de bundel zijn opgenomen. Het verhoogt de leesbaarheid van Oosthoeks poëzie, want het gaat in vrijwel alle gevallen om specifieke informatie. Een gedicht doorgronden eist in een aantal gevallen diepere kennis van de geschiedenis, geografie, kunst en literatuur. De bundel bevat ook een interview van tien vragen met breed uitgewerkte antwoorden van uitgever Christoph Buchwald met de dichter ‘over ambacht en inspiratie, traditie en moed’. Ik vind dat dit niet in een bundel ‘Verzamelde gedichten’ thuishoort, ondanks dat het interview interessante informatie over Oosthoeks dichterschap geeft. Blijkbaar vindt de uitgever het een goed idee om de lezer te begeleiden of te sturen bij het lezen van de poëzie van deze wat teruggetrokken dichter. Maar hoe aantrekkelijk het ook lijkt, ik wil niet aan de hand meegenomen worden. Ik ben een autonome lezer.

Oosthoek wordt beschouwd als een dichter met een authentiek idioom. Zijn woordkeus is in veel gedichten onnavolgbaar, zijn waarnemingsvermogen bij tijd en wijle uniek. Nooit heb ik zo’n indringende beschrijving van kraaien gelezen als in het gedicht ‘De kraaien van Sjaelland’:

De uitgegraasde kraaien van Denemarken
zijn grijzer, deftiger en van ernstiger komaf
dan de stappers, hoppers, krauwers, krassers
die het zonder blauwe tanden moeten stellen.

Ze zijn gesteven, van gisteren, dragen een al
te lage hoge hoed en een gladde lakense
frak, waaronder – bij wijze van plastron – een
kogelvrij vest de veertjes op hun plaatsen
houdt. In het drukke eethuis, dat men Kro
noemt, zijn vooral de klauwen zeer gegeerd.

De kraaien van Denemarken geven korte
kopjes. Ze zwalken mal boven gele velden
vol koninklijk koolzaad en bezoeken met
pijnlijke regelmaat uitsluitend witte kerken.

De bundel krijgt een motto van de surrealistische dichter Paul Éluard mee: ‘Je m’obstine de mêler des fictions aux redoutables réalités.’ Andreas Oosthoek geeft in zijn ‘Verantwoording’ een vrije vertaling van dit citaat. Hij spreekt ‘over de durende vermenging van fantasieën met de ijzingwekkende werkelijkheid’. Deze koppeling herken ik ogenblikkelijk in zijn gedichten, maar ik moet toegeven dat het me soms moeite kost om inhoudelijk die verbinding te duiden. Dan begint voor mij het spel van grip krijgen op de tekst door beelden te associëren, verschillende gedichten naast elkaar te leggen en de (andere) betekenissen van woorden op te zoeken. Dat proces levert me enkele door mijzelf samengestelde reeksen van boeiende gedichten op, maar ook losse gedichten die ik opzij leg, omdat ze nog niet in een door mijzelf gevormde rij passen. Ik leg de gedichten niet voorgoed opzij, maar slechts voor even. De tweede strofe in zijn laatste gedicht ‘Monologue intérieur’ stelt me gerust. Ik lees de versregels rustig voor mezelf:

Het zou er – dacht hij – zeker nog van komen,
het wonderlijk verband
dat lijnen vlecht tussen begeerte en vervulling.

***
Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942) is een Zeeuwse dichter en journalist. Zijn eerste gedichten verschenen sporadisch in tijdschriften, zijn eerste bundel De bladen terug werd in 1987 gepubliceerd. Daarna kwamen nog enkele kleinere bundels tot stand. In 2014 verscheen zijn vierde dichtbundel Een zandloper in zee. In 2015 publiceerde hij de roman Het relaas van Solle op basis van een oude, teruggevonden versie. De roman Vuurland schreef Andreas Oosthoek in 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst. Vijftig jaar later heeft hij het manuscript herzien voor publicatie in 2016.

Recensie van Leesjongen - Wiel Kusters

Omzien in mildheid

Wiel Kusters
Leesjongen
Uitgever: Cossee
2017
ISBN 9789059367388
€ 24,99
299 blz.

In zijn hoedanigheid als hoogleraar letterkunde schreef Wiel Kusters talloze artikelen over Nederlandse poëzie. Hoe zou dit zijn eigen werk hebben beïnvloed? Is het überhaupt nog mogelijk een eigen, authentieke stem te laten klinken als je het werk van zoveel anderen nauwkeurig hebt geanalyseerd? De titel van zijn verzameld werk geeft een bescheiden hint. Leesjongen verwijst naar het werk in de mijnstreek, waar hij geworteld is. De achterflap geeft het lemma weer: ‘Leesjongen (mijnbouw): jongen die bovengronds stenen raapt uit de steenkoolbrokken die via een transportband worden aangevoerd.’ Maar we laten ons niet voor de gek houden. De titel mag dan een eerbetoon zijn aan zijn afkomst, de intuïtieve betekenis staat voor de lezer van nu op de voorgrond: een jongen die leest, een man die ondanks zijn zeventig jaren nog altijd een jongen gebleven is, op zoek naar avonturen op papier.
Leesjongen was de eerste weken na het verschijnen het best verkochte boek in de vermaarde boekhandel De Tribune in Maastricht. De bundel is uitgebracht ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, geboren in Spekholzerheide, nabij Kerkrade. Het boek is mooi ingebonden, maar verder nogal kaal uitgegeven. Een inleiding ontbreekt, alsook een korte schets van de literaire carrière van Kusters, die op de flaptekst een gelauwerd dichter, en zelfs ‘Ein Dichter von europäischem Rang’ (Neue Zürcher Zeitung) genoemd wordt. In de korte verantwoording vertelt de auteur dat ‘de gedichten, met voorbijgaan aan de oorspronkelijke bundelcomposities, in grote lijnen thematisch geordend zijn’. Helaas is er geen lijst met de samenstelling van de originele bundels opgenomen. Het blijft dus gissen wat de datering is van de gedichten uit deze verzamelbundel, en de lezer krijgt geen inzicht in de ontwikkeling van Kusters’ dichterschap. Wel kunnen we de stem van de dichter beluisteren op de meegeleverde cd. Misschien kan deze selectie van 34 gedichten, die op de cd nota bene alfabetisch gerangschikt zijn, tot verkenning dienen van zijn werk.

Geboren en getogen

Ik ben geboren uit een berg van licht,
van licht dat zwart bevroren bovenkwam
en nu nog in de as te gloeien ligt,
te wachten op het uitslaan van mijn vlam.

Ik werd getogen uit een diepe schacht
en zag mij aan de voet van torens staan.
De zon hing hoog te schijnen in de nacht,
maar nog veel hoger steeg daarna de maan.

Ik heb mij getekend met de linkerhand,
terwijl mijn vader het papier verschoof,
mijn moeder waarschuwde: ‘Pas op de rand!’
Ik denk dat ik besta, nee, ik geloof…

… ik word herboren in een vergezicht
waarin het geziene blijft verschijnen,
waarin wat niet voor lege ogen zwicht
onuitwisbaar blijft verdwijnen.

Dit gedicht staat niet alleen op de binnenflap, maar is ook het openingsgedicht van de bundel. Het laat zich lezen als een credo, waarbij Kusters zich door de vaste vorm en de knipoog naar het zonnegloren van Perk in een poëtische traditie plaatst. Elders geeft de auteur de aantekening ‘bij een tekening van Willy Gorissen: ‘Gezicht op Staatsmijn Emma in Hoensbroek’ (1937).’ Het gedicht lijkt in de eerste strofen een persoonlijk portret, waarin gaandeweg het accent naar de oude tekening verschuift. Hoewel het descartiaanse ‘Ik denk dat ik besta’ weer meer een filosofisch uitgangspunt verwoordt, waarin de auteur zich geroepen voelt (‘ik geloof…’) de oude beelden telkens opnieuw te laten verschijnen.

De eerste gedichten in de afdeling ‘Dicht bij huis’ gaan over de mijnbouw, die tijdens de jeugd van de dichter alomtegenwoordig was, tot in het stof op de kozijnen en op het wasgoed in de tuin toe. Het belang van deze afkomst is groot: de eerste vijf gedichten worden alle op de cd ten gehore gebracht. Ook het veelzeggende ‘Oor’: ‘Op straat legde ik vaak / een oor aan de grond // bewoog daar beneden / een vader of een zoon?’ In de eerste afdeling treffen we verder veel jeugdherinneringen aan, soms parlando weergegeven, soms sprookjesachtig verwerkt: ‘Als kind moest ik een walvis eten / ’s avonds voor het slapen gaan / met een sinaasappel toe // ik had daar een laddertje bij nodig / en een goeie scherpe bijl / laarzen aan zuidwester op’. Toch is de dichter er in dit elf strofen tellende gedicht blijkbaar niet helemaal zeker van dat we hem snappen, gezien de overduidelijke woordspeling in de achtste strofe: ‘ik stonk naar tranen en naar lever’.
De eerste afdeling gaat naadloos in de tweede over, met mooie herinneringen aan familieleden, zoals aan de moeder: ‘Wij dansten moeder, door de keuken / je had mij lachend opgetild // vier jaar was ik ‘daar bij die molen / die mooie molen’ van de radio’. In ‘Amor en de schedel’ heeft de dichter nog meer gedichten over liefde en vriendschap bijeengebracht. Over de Hohner mondharmonica, waar zijn broer wel op kon spelen, maar waar de dichter, als hij hem nu aan de mond zet, slechts onrustbarende klanken aan ontlokt: ‘een janken / zoals vroeger nooit / door hem / geuit.’ Veel gedichten over broers en andere familieleden, maar ook romantiek, zoals in ‘De sjaal’: ‘Toen gleed je sjaal en was je daar waar / ik je met jouw ogen mij zag staan. Of lag / jij niet aan mij als ik aan jou, hier, daar?’ Verlies dient zich aan in ‘Dubbel’: ‘Van iedere hap eet ik nog maar de helft. / En lucifers die breek ik door. Voor thee / dient mij het zakje van de dag tevoor. / De tandpasta moet vier keer langer mee.’ De opening doet denken aan het ‘half beslapen bed’ uit ‘ Rode wijn ’ van Bram Vermeulen (1988). Maar waar woede na een scheiding overheerst in ‘Rode wijn’, staat in ‘Dubbel’ het verdriet op de voorgrond: ‘Ik zal gierig moeten zijn nu ik je mis. / Ik moet niet zo ademen, de rest is dan / voor jou.’

De afdeling ‘Ik ging eens niet graag dood’ bevat gedichten met een meer filosofische inslag, zoals te lezen is in de tweede strofe van ‘Doodstil’: ‘Ik ging eens niet graag dood, / bleef zitten tot ik stierf. / Mijn dood was een soort dood. / Ik was nog niet geboren / of ik was nog steeds in leven.’ Een kleinzoon ontwikkelde op vierjarige leeftijd de ‘Bewaarmachine’: ‘De bewaarmachine / verwerkt de wereld, / haar wezen en verschijning, / haar doorgaande processen, / tot niets dan blijfsels.’ Hoe anekdotisch het gedicht ook is, het is verleidelijk hier een metafoor voor het dichten in te zien. Zoals Kusters met Leesjongen zijn eigen bewaarmachine heeft geschapen. Een enkele keer reflecteert de dichter op de actualiteit, zoals in ‘Identificatie’, waarin hij verlangen uitspreekt naar de tijd ‘toen onze vingerafdruk / nog een handdruk was, / de irisscan / onze oogopslag / en wangslijm / onze spraak.’

In ‘Mijn handen in een droom’ gedichten die op droombeelden geïnspireerd zijn. Van beangstigend (‘Zij groeven mij een ondiep graf’) en raadselachtig (‘De man die voor mij staat en naar me wijst / is met de draaideur twee keer rondgegaan.’) tot een uitgesponnen, naar Virgilius verwijzende, vertelling in ‘De gang’.
De titel van de voorlaatste afdeling, ‘Lezen in de nacht’, lijkt ook naar nachtelijke activiteiten te verwijzen, naar handelt volgens de auteur over lezen en schrijven, zoals in het gedicht ‘Boek’, dat op een muur van de Universiteitsbibliotheek Maastricht is aangebracht:

Het boek dat zich laat lezen in de nacht
gloeit op, werpt licht op voor- en nageslacht.
Bij al wat het behelst, van vonk tot zon:
elk woord werd door een ander voortgebracht.

In ‘Het halve woord’ tenslotte een aantal gedichten over/voor collega’s. Uit de gedichten en vaak ook uit de opdrachten komt duidelijk naar voren dat Kusters veel van deze bekende schrijvers persoonlijk gekend of in ieder geval ontmoet heeft. Lucebert, Toon Hermans, Willem Barnard, soms zijn het kleine herinneringen die een in memoriam kleuren: ‘Misschien dat jan hanlo / mijn gedicht daarom / op zijn kop hield / toen hij had gezegd / dat hij het wilde zien’.

Leesjongen bevat de verzamelde gedichten van een man die zijn sporen ruimschoots verdiend heeft als hoogleraar letterkunde en voorzitter van de Zuidelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Een schier eindeloze hoeveelheid beschouwingen is terug te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In Leesjongen blijft Kusters echter dichter bij huis, om de titel van de eerste afdeling te parafraseren. Het is een buitengewoon persoonlijke bundel, met veel aandacht voor zijn afkomst: de mijnstreek, familie, vrienden en literaire voorbeelden. Hoewel op de flaptekst gezinspeeld wordt op de poëzie van de Vijftigers doet het werk van Kusters traditioneel aan. Vaste vormen en vrije verzen wisselen elkaar af, maar de toon blijft rustig, bedachtzaam. Zo hij zich met experimenten heeft beziggehouden, zijn deze buiten de bundel gehouden (zoals het op Radio Limburg door Hugo Luijten gepresenteerde gedicht ‘ Sonate ’ – 3’40’’ en verder). In zijn gedichten toont hij een scherp oog voor detail, en hanteert hij een directe, aansprekende schrijfstijl. Geliefd en gelauwerd als Kusters in Limburg al is, mag Leesjongen zijn werk bij een groter publiek onder de aandacht brengen.

Recensie van De rotonde - Mark Boog

Tussen Theophilus en Awater

Mark Boog
De rotonde
Uitgever: Cossee
2015
ISBN 9789059366275
€ 19,95
75 blz.

Onze moderne dichters zijn geen sprooksprekers meer, dichters die, begeleid door muziek, lange verhalen vertelden, op de cadans van de versvoeten en gesteund door het rijm. Er zijn wel performers: wie herinnert zich niet de betreurde Johnny de Selfkicker (Johnny van Doorn)? Maar een lang verhaal zorgvuldig vertellen: Beatrijs, Van den vos Reinaerde, Johannes de Boetgezant of in later tijden de prachtige, zorgvuldig geschreven novelles van Staring, de Mei van Gorter en natuurlijk Martinus Nijhoff die met ‘Awater’ en Het uur U prachtige verhalen neerzette vol duiding en symboliek, die in feite het pure vertellen overstegen, wie doet dat nog? Dichter Mark Boog (24 september 1970) probeert deze traditie voort te zetten: De rotonde is een roman in verzen.

De Rotonde vertelt, heel simpel , over een man, Van Dam, die niet tevreden is over zijn met drank en hedonistische ervaringen gevuld bestaan. Hij wil roem, eer, aandacht en besluit in ruil daarvoor zijn ziel aan de duivel te verkopen, nadat hij zijn ziel in een advertentie te koop heeft aangeboden. Hij zal de duivel buiten de stad op een kruispunt ontmoeten. Het is een modernisering van het Faustverhaal (Christopher Marlowe en Goethe) en ook een continuering van ons middeleeuwse mysterieverhaal van bisschop Theophilus, die zijn ziel aan de duivel verkocht , maar door Maria geholpen werd. In deze moderne versie is er echter geen bisschop noch een uitweg: de wanhoop en neerslachtigheid overheersen. Er is ook geen happy end dat de religieuze lezers of hoorders verrukt en nog vromer maakt: Van Dam is een moderne losgeraakte man, die lijdt aan een existentiële onvrede. De roman in verzen speelt zich af tijdens de tocht die Van Dam maakt van de stad naar het kruispunt over een steeds platter wordend platteland, waar de catastrofe zich aankondigt in een dreigend onweer dat allengs feller wordt en uiteindelijk het laatste moment van de roman begeleidt.

Mark Boog heeft de roman uiterst zorgvuldig opgebouwd. Het werkstuk bestaat uit drie delen, elk met een eigen motto . Elk deel bestaat uit 33 afdelingen, bestaande uit drie vierregelige strofen waarna een kort terzien volgt, dat de positie van hoofdpersoon Van Dam plaatst in de gebeurtenissen. Deze terzinen worden dreigender naarmate de climax van het gedicht nadert. De allerlaatste afdeling waarin de catastrofe tot stand komt heeft er geen. Er zijn 98 terzinen.

Er lijkt een klassieke opbouw waarneembaar. In het eerste deel , met als motto een regel van J.A. der Mouw (‘En ontzaglijk de eeuwige vuurhaard brandt’), maken wij hoofdpersoon Van Dam mee als hij op weg gaat naar het kruispunt , reflecterend op wat hem tot deze stap bracht: een bijna klassieke ‘expositie’. Ondertussen rommelt het onweer in de verte. In het tweede deel, met als motto: ‘Er was geen weidsheid in ons’ uit een gedicht van H.H. ter Balkt, gaat van Dam op een bankje zitten en bereidt hij zich voor op wat gaat komen: de climax komt er aan. Het weer wordt geleidelijk slechter, het land vlakker. Het onweer rommelt in het vlakke land in de verte. De eigenlijke catastrofe komt in het derde deel, met als motto een citaat van Kees Ouwens: ‘Ik zag de ziel der depressie’. In dit deel wordt het tempo verhoogd, het onweer barst los, de horizon komt in vlammen te staan: in de terzinen wordt het commentaar feller. Van Dam accepteert dat, voelt zich zelfs opgelucht en gaat nu definitief op weg naar het kruispunt om zijn ziel in te ruilen voor, ja voor wat? Voor glorie en begrip. Er hangt over dit deel een soort geladenheid, die mij deed denken aan de wanhoopssfeer van de Duitse expressionistische dichters van voor en na de Eerste Wereldoorlog. Niet voor niets heet de belangrijkste bloemlezing van deze poëzie Menschheitsdämmerung.

Ik ben onder de indruk van het taalgebruik. De verzen zijn zeer ritmisch, soms lijkt het of Mark Boog terugvalt op klassieke versvoeten. Ondanks het gebruik van ‘gewone’ woorden is de sfeer dreigend: het lijkt een verwijzing naar Martinus Nijhoff. Een zin als : ‘Gevaren wachten hem. Hij wordt beproefd. / Zijn thuiskomst, als die volgt, zal stof / voor mythen zijn…’ zou uit ‘Awater’ kunnen komen. Of deze : ‘De dorpen op de horizon vormen /een muur. Een verre maar een muur. Ertegen / dringt de stilte. Klopgeest kou houdt vol…’ die direct lijkt te verwijzen naar die expressionistische dreiging. Dat er verwijzingen naar Dante Alighieri in het stuk zitten is niet zo vreemd als we bedenken dat in 2015 herdacht werd dat hij 750 jaar geleden geboren werd: ‘Wie binnentreedt: Laat varen uw illusies’ (III,28)..of ‘Want eenmaal aangekomen bij het midden / van de weg is er geen juiste richting/meer.. ‘

Er is nog zoveel meer te zeggen: voor mij als ‘ouderwetse taalkundige’ valt de toepassing van de bepaling van gesteldheid op, zoals die vroeger gebruikt werd en een zin zo mooi compact kon maken; soms zijn er beeldspraken die verrassend zijn. Het is een leesavontuur waar de lezer rijker van wordt: elke keer vind je iets nieuws, iets anders, een nieuw woord, een nieuw verbad.

Dan het slot: er is een oud Engels gebruik om zelfmoordenaars op kruispunten te begraven. De zondige ziel van de zelfmoordenaar raakt dan de kluts kwijt en blijft dwalen zodat de overlevenden niet gekweld kunnen worden. Als Van Dam door de elementen vuur en water het kruispunt bijna bereikt heeft, blijkt dat moderne stroomlijning van het kruispunt een rotonde heeft gemaakt.

‘Hij heft de handen, en de tranen / stromen langs zijn wangen. Dan na één / moment van vreselijke stilte, barst / het onweer los als nooit te voren….’

Is de duivel er om de koop te sluiten, zal de lezer zich nu afvragen.

‘Hij schuifelt de rotonde op, / rechtsom zoals het hoort. En voor zich ziet hij /../ een gestalte, vaag en grijs, die schijnbaar /doelloos de rotonde rondloopt. Die….’

De rest is aan de lezer om te lezen en te duiden.

***

Mark Boog studeerde aanvankelijk ‘kunstmatige intelligentie’. Hij maakte zijn debuut in het tijdschrift ‘De Appel’. Zijn eerste dichtbundel ‘Alsof er iets gebeurt’ verscheen in 2000. Hij won daarmee de C.Buddinghprijs. In 2006 won hij de VSB-poezieprijs. Hij schreef meerdere dichtbundels en romans. ‘De rotonde’ brengt beide genres tezamen.

Recensie van Maar zingend - Mark Boog

Aan het bestaan valt niet te ontkomen

Mark Boog
Maar zingend
Uitgever: Cossee
2013
ISBN 9789059363731
€ 18,90
96 blz.

Als je de nieuwe bundel van Mark Boog Maar zingend (2013) in handen krijgt, springt de poëzie je op de omslag tegemoet. Krekels lopen massaal in de richting van de lezer. Plato verhaalt daarover in zijn Phaedrus. Toen de mensen de muzen muziek hoorden maken, raakten ze zo opgewonden dat ze vergaten te eten en te drinken. Uit deze verdroogde en uitgehongerde mensen zijn de krekels ontstaan. Symbolisch gezien ligt in de krekels de oorsprong van onze muziek en poëzie. Zij voeden zich met dauwdruppels en ontlokken met hun rituele mantra’s van geluid poëzie aan het onbewuste van de dichterlijke geest:

Hoe onooglijk ook: zing!
Zing! Laat weten dat bestaat.
Hoort iemand ooit? Onwaarschijnlijk.
Maar zing, zing! Verhef je
boven het harde gras, de kale steen.
Vanwege de korte duur.

Een oproep om tegen beter weten in te zingen! Hoe onooglijk het ook klinkt. Het woordje ‘dat’ in de bovenstaande strofe is typisch zo’n ontregelend woord in een gedicht van Mark Boog. Niet een oproep dat er ‘iets bestaat’, maar dat er tegen beter weten in ‘bestaan’ is. Onontkoombaar. Daarin ligt het dilemma van Boogs poëzie in de notendop vervat. Deze bundel rust op talrijke tegenstellingen, zoals hoop en wanhoop, bestaan en niet bestaan, herinneren en vergeten, gezamenlijkheid en solipsisme. Tussen deze polen in beweegt zich zijn poëzie.

Boog neemt je mee in een wankele wereld vol existentiële onzekerheid en twijfel, en dat doet hij trefzeker. In welgekozen woorden, soms staccato, dan weer in gangbare woorden met een ongrammaticale en/of betekenisvolle wending: ‘Woestijn: cynisch labyrint. O,/ te leven.//’. In de geest van de krekels brengt hij ons terug naar de natuur van het dichterschap. Deze bundel verdient alle aandacht om hem op zijn waarde te kunnen schatten.

De wereld volgens Boog is er één waarin ‘het volmaakte geluk,/ waaraan slechts duur ontbrak,/ dat onvolmaakt was,/’ op je ligt te wachten. De ik raakt verstrikt in de vele tegenstellingen en paradoxen, zonder er ernstig door gefrustreerd te raken. Dat komt, omdat de dichter op een subtiele manier met kleine woordjes te kennen geeft dat hij afstand tot zijn oneindige project van het volmaakte, het/de ander(e) weet te bewaren:

Het was lente, en het was vroeg, en jij
was dan de mooiste.
Vogels zogen zich vol met muziek
die ergens vandaan kwam.

Zo wordt het dus nooit wat met die volmaaktheid, maar ook weer wel, omdat de ik zich zodoende niet laat meesleuren in de ervaring dat het volmaakte geluk ‘in zijn duur’ onvolmaakt blijkt te zijn. Gelukkig is er nog de muziek die opklinkt.
Op diverse plaatsen in deze nieuwe bundel dringt het gevoel zich aan je op, dat, wat er is geweest, in de onzichtbaarheid van het vergeten opgaat: ‘Dagdagelijks verlies./ Steeds onnoemelijk [verschijnsel]//’, maar wel verlies lijdt. Hoewel de ene dag de andere niet is, vergeten we als bezetenen. Zoals de vlammen dansen, gaat alles in onzichtbaarheid op. Niets lijkt er geweest te zijn.

De bundel kent zeven afdelingen waarin de dichter op zoek gaat naar het volmaakte en de zin van het bestaan. In onze maatschappij zijn we van jongs af aan gericht op het najagen van wind. Streven naar het absolute. Als je de verzen uit de eerste afdeling ‘En tuchtig ons’ leest, dan krijg je de indruk dat de ik naar een houvast zoekt in zichzelf en de ander, maar niets kan hem definitief dat houvast bieden.

Boog lijkt op allerlei mogelijke en onmogelijke manieren te vragen wat er nu eigenlijk in en met het leven aan de hand is: ‘Is het niets? Welnee/ Nog niet.// Later wordt het niets,/ maar het maakt tegen die tijd niet meer uit.// Tot dan: geen zorgen.//’. Hij is naarstig op zoek naar een inzicht en bedient zich daarbij van allerlei taalregisters, van nieuwvormingen (‘dagdagelijks’) tot spreektaal (‘welnee’). De ik dialogiseert met zichzelf. Telkens word ik weer verrast door zijn taalvondsten, weglatingen, verschuivingen, beeldspraken: ‘Je bent het licht dat over het maaiveld strijkt./’ Zijn enjambementen verlenen aan zijn vrije verzen een leeswaardige spanning: ‘We drinken alles,/ ook elkaar./’.

Onthechting blijkt in het gedicht ‘Verder niets’ ook al niet het antwoord te zijn op alle onzekerheid die leven heet:

Verder is niets te zeggen.

Of toch? Er is altijd wat te zeggen
voor gewoon maar doorgaan,
de schrale plekken vrolijk negerend –

Niet berustend, niet cynisch, wel licht ironisch is zijn toon. Domweg doorgaan met leven is zijn devies. Er zit niets anders op. De afstand van de ik tot de dingen van alledag blijft, ook tot de taal: ‘Wat een wanhopig, wanhopig gedicht./ Het is maar goed dat het nooit geschreven is.// […] Het is heel goed zoals het is.//’ Soms marcheert de twijfel ook zijn gedicht binnen.

Op allerlei momenten probeert de ik de lezer en zichzelf gerust te stellen in dit universum. Hoe het ook zij, hij kent zichzelf daarin een opdracht toe: ‘Het is de bedoeling dat we zaaien, zaaien. //Oogsten./’. Als er niets van het heden te verwachten is, dan wellicht van de toekomst: ‘De toekomst! Vlucht! Maar hij komt, en komt/ met vuur en vlagvertoon. Een hemel vol/ drakenruiters, woedende goden, storm,/ een leger./’. Een apocalyptisch perspectief te midden van oudtestamentische noties, maar vluchten kan niet meer.
Dan klinken in het gedicht ‘Zie ontroerd op ons neer’ opeens de woorden: ‘en tuchtig ons. / Het graan waarvan het brood …/ […] Sla ons neer.//’. Is er dan toch nog een Ander dan de lezer die toeziet op de ik? Materie en geest zijn samengebald in dit gelaagde gedicht vol stemmen en stemmingen: (on)afhankelijkheid, vrees tegenover vreugde, transcendentie die op de aarde gericht is. In het gedicht ‘Natuurlijk’ is er een wending naar het wonderbaarlijk transcendente van het dichterschap. De poëzie lijkt voorlopig de enige zekerheid in het leven te bieden, hoewel: ‘Bestaat dan – ik hoor het me denken -/ het gedicht? Nee./ Dit gedicht? Misschien.//’.

In de tweede afdeling ‘Nergens vis’ probeert de ik achter het bestaan van dingen te komen waarvan hij een vermoeden heeft:

Het zijn zulke vragen die ons gaande houden,
die ons ijl als een reiger

peinzend aan gindse waterkant doen staan,
veinzend, jagend,
het heldere water een verschrikkelijke spiegel –
vind zo verdomme maar eens vis,

we zien alleen onszelf, vermoeden onszelf
in het betoverd rimpelen.

Boog presenteert hierin het wereldbeeld van Narcissus: de mens opgesloten in zijn eigen vermoeden, niet wetend waar hij antwoorden op zijn levensvragen kan vinden. In het gedicht ‘Er is altijd hoop’ gaat het om de weersvoorspelling of om vissen die naar zuurstof happen. De dreiging die er van het niet weten uit kan gaan, kan de dichter de verzuchting doen slaken: ‘Er lonkt de aangename aanname van alles/ zonder denken.//’. In dat terloopse, maar o zo rake filosoferen, soms tussen de regels door, vaak vastzittend op kleine woordjes en verschuivingen in doodgewone taal gesteld, zit Boogs kracht, zoals in een regel als ‘Het feit dat beslissingen al genomen zijn/ voordat we ze nemen, zou gerust moeten stellen/ maar doet dat niet, zo is beschikt,//’.

In de derde afdeling ‘Woestijn’ vraagt de ik zich af wat het eigenlijk wil zeggen iemand die ik ken – zo ik al iemand zou kunnen kennen – een goede dag toe te wensen. Kan een dag zich daaraan houden? Het is een open vraag. Boog zet zodoende alles op losse schroeven: ‘Als toeval bestaat –[…]-/ bestaat alles.// Alles! En meer: ook wat niet bestaat,/ Dat bestaat ook//’. Een lege wereld zonder herinnering rijst er voor ons op. Opnieuw reikt hij hier over de grens van tijd en ruimte, voorbij ons begrip van de dingen. Naast vergeten van wat zich onder de oppervlakte van het zichtbare afspeelt, blijft bij de ik de verwondering bestaan over alles wat mooi is: ‘mooier nog met sneeuw//’.

In de vierde afdeling ‘Maar zingend’ bespringen de ik allerlei gedachten die telkens weer pogingen zijn het leven te ordenen: ‘We tellen en we noemen./ Omwille van ons/ groot en onontkoombaar falen.// Boem!//’. In het lange gedicht waarnaar de bundel is genoemd ‘Onooglijk maar zingend’, zingt een oudgeboren krekel. Daarin verwoordt Boog de metamorfose van de krekel tot dichter. ‘Onooglijk /maar zingend, een krekel zingt. Vanwege / de korte duur. Omwille van het vuur.//’ Of iets door iemand nu mooi gezegd is of niet, de ander is nodig er betekenis aan te verlenen. Een dichter heeft lezers nodig. Laten de krekels, de dichters maar blijven zingen, hoe onooglijk ook, hoe kort ook van duur.

In de vijfde afdeling ‘Naast iedere weg’ volgen we de ontwikkeling van het kind: ‘naast iedere wieg een fee./ […] / De fee zegt: “Nou ja, we zien wel./’. Onbegrepen wezentjes lichten ons bij. We voelen ons hier op aarde op ons gemak, ‘dat wil zeggen: [dat we] nergens heen […] kunnen.//’. Vervreemd van onze oorsprong, gemaakt van sterrenstof – [Antoine de Saint-Exépury: Le petit prince (1943)!] – schetst Boog ons een angstaanjagend perspectief voor het jonge leven: ‘Alles kan en zal,// tegen je gebruikt worden/’. In het kind dat zichzelf bewust wordt, ontwaakt gaandeweg de strijdlust: ‘Het lege slagveld dat het kind is/ zindert van verwachting.//’. […] ‘Zijn denken is van tasten en van wijken een vertroebeld mengsel./’ Dan komt het godsbeeld weer even naar voren: ‘Zo waar als ik God ben, zo zal ik branden.//’. Ligt er dan toch een veroordeling voor de mens (van zichzelf) in het verschiet? In het gevecht van het kind om geluk dreigt het geluk telkens het onderspit te delven, maar: ‘Het zal winnen, daaraan twijfelt het niet./’. Er blijft hoop.

In de zesde afdeling ‘Als je nu uitkleedt’ ontvouwt de ik zijn aarzelende liefdesbewegingen in het afstand nemen en de nabijheid zoeken van de ander: ‘Als je je nu uitkleedt komt alles goed./’ De weg naar de ander moet telkens hervonden worden. Al dat streven naar nabijheid ‘recht de tere nacht in’ roept de vraag op, wat het nu eigenlijk betekent als je de hand van de ander streelt. ‘Ontegenzeggelijk’ wandelt hij aan de kans voorbij de ander te naderen. De vraag rijst of er een hemel is te bereiken. Wat hij eigenlijk wil zeggen over de liefde, leidt bij hem uiteindelijk tot zwijgen. Wat dan overblijft is: ‘Ik wil je ooghoeken bewonen maar uit het zicht/ verdwijn ik niet, dat weiger ik. Niets/ zal ik voor je doen, ik wil alleen maar kijken.//’. Samen al kijkend opgaan in het moment is wat resteert.

De zevende afdeling ‘Avondvullende glassoorten’ begint met een kort gedicht ‘Portret’:

Ik houd mij staande.
Soms lukt het niet
en val ik om.
Maar dan sta ik weer op.

In kort bestek keert daarin het reeds bekende dilemma terug. Waar het bij mensen aan ontbreekt, is verzet. Te gauw wordt iets voor waarheid aangenomen. Zo’n spiegelgezicht als in het gedicht ‘Geen gezicht’ heeft surrealistische trekken [Margritte!]: boven zijn boord draagt een ieder ‘een spiegel, geen gezicht, kijk erin/ en huiver//’. Zo’n gezicht verdient het om in scherven geslagen te worden. Een oproep tot ‘totale bewegingloosheid./’. Momenten van zelfontkenning klinken in deze bundel als een basso continuo op. ‘Omdat ik niemand opbel/ besta ik niet.//’. […] Dat ik aan je denk betekent/ niet dat ik je denk.//’. ‘Denken aan’ betekent hier niet dat ik je met mijn denken laat bestaan. Wat dat dan wel is, blijft ongezegd. De vraag naar de ‘aanwezigheid’ blijft een onderliggende beklemmende notie in het gedicht ‘Betreffende aanwezigheid’:

Ik geloof niet
dat het niet bestaat
ik geloof
dat het onduidelijk is.

Als ballonnen aan de heldere hemelen der lente: niets,
onzichtbaar. Zwevend doorheen het gewone.

Het gebeurt maar zelden dat iets neerstort.

Het is, dat bewijst de aanwezigheid van dit balkon,
een mooie avond.

Wat is bestaan? De uit het zicht verdwijnende ballon? De aanwezigheid van een balkon? Wat moeten we aan met onszelf? De mens ziet met ‘haviksoog belang’. Waar heeft de wereld het aan verdiend dat wij mensen er zijn? Wij die de aarde vertrappen. Dichters in het zwart gekleed willen desondanks de aarde haar schoonheid laten zien:

Ze dragen spiegels, onderdrukken
soms de neiging om erin te kijken.

Tegen deze achtergrond is het dichterschap ‘een aan autisme verwante stoornis/ die goed te behandelen is, bijvoorbeeld/ door de dichter het dichten te verbieden.//’. Er is voor de dichter maar één vluchtroute uit deze wereld: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.//’. Gelukkig heeft Boog dat tot heden nog niet gedaan. Hij heeft met deze nieuwe bundel in gangbare woorden zijn onbegrip over en moeite met het leven wederom aangrijpend verwoord: aan het bestaan valt niet te ontkomen. Blijft: ‘Het schitteren van de waarheid/ in de grote ogen van het kind./’.

***
Mark Boog (Utrecht, 1970) ontving voor zijn dichtbundels de C. Buddingh’-prijs, de VSB Poëzieprijs en een nominatie voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Ook verschenen er vijf romans, meest recent Het lot valt altijd op Jona (Cossee 2011).
Mark Boog maakte naar aanleiding van Maar zingend een voorstelling met de rockband Poetry In Motion: live poëzie en videoprojecties. Op Youtube zijn van dit optreden verschillende filmpjes te vinden, o.a. van ‘Je wervelt weg‘.
Lees in Meander meer over Mark Boog hier en zie verder www.markboog.nl en www..cossee.com

Recensie van Overwoekerd - Tsead Bruinja

Tsead Bruinja doet Tsead Bruinja

Tsead Bruinja
Overwoekerd
Uitgever: Cossee
2010
ISBN 9789059362871
€ 19,90
80 blz.

Overwoekerd is de vierde Nederlandstalige dichtbundel van Tsead Bruinja, die in 2009 een vergeefse gooi deed naar het hoge ambt van Dichter des Vaderlands. Bruinja (Rinsumageest 1974, maar al geruime tijd woonachtig in Amsterdam) debuteerde in 2000 met de Friestalige bundel De wizers yn it read/ De wijzers in het rood (Bornmeer). Zijn Nederlandstalige debuut Dat het zo hoorde (2003) werd genomineerd voor de Jo Peters PoëziePrijs. Zijn meest recente bundels zijn De geboorte van het zwarte paard (Cossee, 2008) en Angel (Bornmeer, 2008). Bruinja presenteert, interviewt en treedt veelvuldig op. Sinds 2008 schrijft hij één keer per maand een gedicht bij de actualiteit voor het EO radio 1 programma Dit is de dag.

Overwoekerd heeft een betekenisvolle voor- en achterkant. Voorop staat de afbeelding van een glimmende spade op pikzwarte achtergrond. Weliswaar steelloos, maar toch zo uit de grond getrokken, want met aarde er nog aan. In combinatie met de bundeltitel, vlak boven het scherp aangebracht, duidt het op arbeidzaamheid, want waar er sprake is van overwoekering, moet er gesnoeid, verplant en afgegraven worden, de hand aan de spade als variant van de hand aan de ploeg. Dichten is werken.
Op het achterplat ligt de dichter in hoog gras, handen onder het hoofd, achter de zware bril de ogen gesloten, een tevreden zoon van het land van melk en honing, een onschuldig knaapje, al hebben de volle rode lippen iets genotvols. Getuige de schaduwen en de weerspiegeling van flitslicht in het brillenglas is de foto bij avond genomen. Bruinja ligt er dus niet zomaar, hij poseert, het is spel, en vandaar ook de zweem van een glimlach op het gezicht: Bruinja doet Tsead Bruinja, met overgave en met ironie: een even baldadige als ernstige, wat ouwelijke, vroegwijze jongen, die midden in de werkelijkheid van het eigen dagelijkse leven staat en daaraan uiting geeft.

Overwoekerd biedt 55 gedichten in zeven afdelingen die alle een bepaalde, zij het losse, thematische samenhang hebben. In het begin van de bundel staat de dood centraal en hoe in dat perspectief te leven, daarna zijn relatie en tot op het heemkundige toe de eigen habitat en vervolgens is er in alle diversiteit een maatschappelijke invalshoek.
Bruinja, die zijn gedichten graag laat uitdijen – vele zijn paginavullend – schrijft geen vormvaste poëzie. Regel- en strofelengte variëren sterk, rijm is afwezig, evenals een vast metrum, hoewel enkele gedichten wel in een dwingend ritme geschreven zijn. Hoofdletters ontbreken, er is nauwelijks interpunctie, de eindpunt wordt nergens gezet, maar het moet gezegd dat dit alles nergens ten koste gaat van de leesbaarheid, want de gedichten laten zich even gemakkelijk consumeren als ze geschreven lijken. Mochten ze, hoewel dat geenszins een voorwaarde voor goede poëzie is, toch met bloed, zweet en tranen tot stand gekomen zijn, is dat er in ieder geval niet uit af te lezen. Het vloeit Bruinja allemaal makkelijk uit de pen en je krijgt de indruk dat hij moeiteloos het twee- of driedubbele had kunnen presenteren.

Bruinja is een goede observator van eigen en andermans leven, maar zijn waarnemingen blijven meestal eendimensionaal, kennen weinig gelaagdheid. Het is een realisme dat niet op transcendentie gericht is, waaraan ieder metafysisch aspect ontbreekt. Dat is de reden dat ongeacht hun inhoud de meeste gedichten, hoe gevarieerd en hoe verdienstelijk en onderhoudend ook, de indruk maken niet meer dan spel te zijn, omdat ze niet een bepaald gevoel van urgentie overbrengen. Wat je leest is wat je krijgt. Het is genoeg, maar de inzet was kennelijk nooit om het gedicht te schrijven dat alle andere gedichten overbodig zou maken. Ach, misschien ook wel verstandig als je van een constante stroom aan poëzie en daardoor gegenereerde optredens moet leven!

Toch, een van de sterke punten van Bruinja is diens brede register: prozagedichten, klankgedichten, levensfilosofietjes, droog-zakelijke Barbarberachtige objets trouvés, zelfportretten, welgemeende maatschappijkritiek, het is er allemaal. Altijd onderhoudend, soms scherp, een enkele keer ook wel wat te gemakzuchtig en daardoor flauw.

Het is altijd moeilijk te voorspellen welke gedichten er uit een bundel zullen overleven. Ze zullen dan de weg gegaan moeten zijn van bloemlezing naar bloemlezing en ten slotte, er komen beslist weer andere tijden, naar de canonisering in de schoolboeken. Het volgende gedichtje maakt daarop een goede kans, omdat er altijd plaats voor is, in weinig woorden veel zegt en mooi gebruikt kan worden in een lesje over enjambement:

je kijkt nooit hetzelfde naar haar
van jonge vrouwen
als je moeder een pruik draagt

Naast ‘Twee keer stond ik deze keer aan het water’ en ‘Licht’ verdient het mooi in het hart van de bundel geplaatste ‘In Basel’ echt een langer leven, al is dat vanwege de lengte niet waarschijnlijk te achten. Omdat het naar mijn smaak het beste is dat Overwoekerd te bieden heeft, moet de onsterfelijkheid hier dan maar beginnen:

IN BASEL

onderweg naar een huwelijk van vrienden op een zwitserse berg
verblijven mijn vrouw en ik in een kamer met spiegels naast het bed

we slenteren door de stad en bewonderen in de avondzon
de snel stromende rijn waarop gespierde zwemmers
zich laten meedrijven

in waterdichte oranje zakjes
duwen ze hun kleren voor zich uit

terug in het pension pak ik als zij gaat slapen een fles rode wijn
en schuif aan tafel

the collected poems van raymond carver valt open op de pagina
met het gedicht ‘in switzerland’ dat eindigt met:

we’re having a goed time here. but hope all will be revealed soon

en ik zou me in dit gedicht willen richten
tot die bijna gelukkig getrouwde man op de zwitserse berg
voor wie alles hopelijk spoedig helder wordt

maar welke bijna gelukkig getrouwde man leest er nu poëzie?

niettemin is dit gedicht uitstekend geschikt voor dat soort mannen
mannen die zich soms een beetje druk maken
over de toestanden in de wereld

die net iets te veel opscheppen bij het ontbijtbuffet
en hoewel niet moddervet met een opgeblazen gevoel rondbanjeren
door buitenlandse steden

mannen die liever niet in de spiegel kijken
als ze met hun gelukkig getrouwde vrouw
in het royaal naar hen uitgestoken ochtendlicht
vertrouwd en helder

de gelukkige liefde bedrijven

Een uitermate goed gelukt portret van de dichter als mens en van die mens als dichter.