Recensie van Schaduwspel - Romain John van de Maele

‘Met armen vol vergeten beelden’

Romain John van de Maele
Schaduwspel
Uitgever: Demer Uitgeverij
2018
ISBN 9780244079390
€ 14,-
66 blz.

De nieuwe bundel van Romain John van de Maele kent een strakke compositie. Drie afdelingen van zeventien gedichten elk. Alle gedichten bestaan uit drie vierregelige strofen, met uitzondering van telkens één gedicht per afdeling. Alle openingsgedichten van de drie afdelingen hebben dezelfde titel: ‘De verhullende tijd’. Verder zijn er meerdere woorden en thema’s die in verschillende afdelingen terugkeren. Elke afdeling behandelt een aspect van de ouderdom. Of liever gezegd: portretteert één of meerdere oudere personages. Schaduwspel verschijnt ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, zo leert ons de tekst op de website waarop deze bundel te bestellen is. Van de Maele heeft deze gelegenheid aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen.

In de eerste afdeling, ‘Voorbij de woordgrens’, wordt een oudere dame geportretteerd. De dichter valt met de deur in huis: ‘Plots weet ze dat een mol / een gangenstelstel graaft / in haar haperend geheugen.’ Hij brengt haar geestelijke achteruitgang op verschillende manieren onder woorden: ‘De woordgrens / ligt achter haar, / en ze ziet braakland / aan de overkant.’ Sterke vondst: ‘woordgrens’, naar analogie van boomgrens. Het is meteen duidelijk. ‘Opstaan uit de schaduw / ligt in een ver verleden.’ We zullen het woord ‘schaduw’ nog vaak tegenkomen in deze bundel.

Aan wiens hand sloft ze nu?

Ze liep toen aan moeders hand
een lang verdwenen weide in.
De lucht was er roos gekleurd
en de merels wijdden de stilte in.

Aan wiens hand sloft ze nu
door de lange witte gangen?
Wie heeft de deur dichtgeklapt
en wie wacht nog op haar?

Toen was opstaan een feest,
een ontdekkingstocht na de dromen.
Nu is uit bed gehaald worden
een gevreesde vernedering, een straf.

Een schrijnend beeld. Het kleurrijke verleden en het angstaanjagende heden lopen door elkaar. Niets geen geromantiseerd beeld van een teruggetrokken-zijn in een eigen wereld. Net zoals in veel gedichten uit Schaduwspel is de titel een volle regel uit het gedicht, die het in één zin samenvat.

De tweede afdeling heet ‘Hugo en Rosa’, en heeft als motto een citaat van Karin Boye, dat vreemd genoeg alleen in het Zweeds is weergegeven. Onder de titel van de afdeling staat ‘Karl Hugo (1900-2001) en Rosa Amanda Bergqvist (1905-2001)’. Dat maakt nieuwsgierig. Even googelen leert, dat dit de hoogbejaarde hoofdpersonen (broer en zus) van de Zweedse documentaire ‘Hugo och Rosa’ zijn, die een jaar of tien geleden ook op de Nederlandse televisie is uitgezonden (1). Na de eerste afdeling komt de taal van ‘Hugo en Rosa’ als lichter en eenvoudiger over, hoewel het ook deze personages niet voor de wind gaat. Eerst wordt Rosa geïntroduceerd: ‘De wijzers vreten aan de tijd en haar aanwezigheid / die oplost in een nevel van / vergeetachtigheid.’ De ‘nevel’ past goed bij de schitterende natuurbeelden uit deze documentaire, die ook veelvuldig in deze afdeling terugkomen: ‘Nergens bloeiden de bloemen / kleuriger dan in haar tuin. / Wie kent Gunby nog / en de tijd van toen in Roslagen?’ Pas in het vierde gedicht komt een ‘hij’ voor, die in tegenstelling tot Rosa nergens bij name wordt genoemd. Bij hem zien we een meer verstild beeld van de ouderdom, waarin de berusting overheerst: ‘rustig / als een profeet die beter weet.’

Genode gasten

Nu schuiven ze aan.
Met armen vol vergeten
beelden, klanken en geuren
ziet hij hen komen en gaan.

Ze blijven maar even
in een kringetje zitten,
gehaast als het ware
om weer op te staan.

Al zijn dagen en dromen
trillen heel zacht na.
Sterven is thuiskomen
en weten dat het goed was.

De zinsnede ‘weten dat het goed was’ komt wel drie keer voor in de gedichten over Hugo. Het gedicht kan op twee volstrekt verschillende manieren gelezen worden. In eerste instantie zag ik een soort familiereünie, verre verwanten die komen opdraven bij de begrafenis van Rosa, maar niet weten hoe snel ze weer weg moeten komen. We kunnen het echter ook meer symbolisch lezen, als een herbeleven van oude herinneringen vlak voor zijn dood. Bij nader inzien is dit gedicht, met name de tweede strofe, een bewerking van het eerder genoemde citaat van Karin Boye: ‘När en gammal man ligger sjuk, kommer alla hans gångna dagar / och sätter sig blida i ring omkring hans säng.’
De oude broer en zus worden liefdevol geportretteerd. Opmerkelijk is de bijna kinderlijke opgewektheid die deze oude mensen ten toon (blijven) spreiden. De verbazing, als het huis na negentig jaar leven zonder stromend water en elektriciteit op het lichtnet wordt aangesloten. Rosa is een eenvoudige vrouw, die ondanks alle achteruitgang het spel nog goed mee kan spelen: ‘Haar gewone glimlach / was haar harnas / tegen verval en verbittering, / tot het laatste avondrood.’ Hugo treurt nauwelijks wanneer zij overlijdt: ‘De uitvaart / was een laatste glimlach / op je vrolijk aangezicht.’ Kort daarna overlijdt ook hij.

De laatste afdeling heet ‘Liefde’, en gaat vergezeld van een citaat van Charles Aznavour: ‘Et moi dans mon coin / Si je ne dis rien / J’ai le cœur au bord des larmes’. Als we de titel in het Frans vertalen krijgen we Amour. Een indrukwekkende film over een ouder echtpaar en hun dochter uit 2012, waar deze afdeling een commentaar op lijkt te vormen. Ook deze afdeling opent met een gedicht met de titel ‘De verhullende tijd’. De opening is evenals bij de andere afdelingen weinig verhullend: ‘Ze verdrinkt in de eierschaal / van de morgen, wachtend op / het kraaien dat al lang / door de stilte is ingeslikt.’

Afasie

Haar haperende woorden
gaan zonder meer verloren
in de gespannen verwachting
van een gesloten morgen.

Het langgerekte woord ‘mal’
botst te pletter tegen
de vragende blik van haar man,
die zwijgt maar hulpvaardig blijft.

Niet alleen zij woont op een eiland.
Ook hij, die nog altijd van haar houdt,
kan haar niet meer bereiken.
Het water is definitief te diep.

Dit is niet het eerste gedicht dat aan afasie of dementie is gewijd. Peter Swanborn wijdde een hele bundel aan de verwarde oude dag van zijn moeder. In de slotregel van dit gedicht klinkt een echo van de twee koningskinderen. Het begin van de laatste strofe is mooi. De patiënt is niet de enige die aan de ziekte lijdt, de partner wordt minstens zo zwaar getroffen, zoals ook in de advertentie van Alzheimer Nederland getoond wordt. Terug naar dit gedicht: waarom zou de ‘zij’ in dit gedicht zo hard ‘mal’ roepen? Dat is vreemd. Ik heb vaak ouderen om hun moeder horen roepen, of een meisjesnaam, die soms de dochter soms aan de echtgenote bleek toe te horen. Ik had het natuurlijk hierboven al verklapt: deze dame spreekt Frans, en haar ‘mal’ betekent ‘pijn’. En dat is zowel de kracht als de zwakte van deze afdeling. Hoewel er zeker enkele mooie beschouwende gedichten in staan, blijven de teksten voor de lezer die de film Amour niet gezien heeft nogal duister. En voor wie de film wel gezien heeft, kun je je afvragen hoeveel de gedichten nog toevoegen aan dit meesterwerk. In mijn geval was het de aanleiding om eindelijk een keer deze film (o.a. te op Netflix te vinden) te gaan zien. Een mooi neveneffect van deze afdeling, waar ik de dichter dankbaar voor ben.

Het woord ‘schaduwspel’, de aansprekende titel van de bundel, komt in de gedichten niet letterlijk voor. Wel komt ‘schaduw’ in vijf gedichten voor, waarvan in één gedicht zelfs twee keer. Hoewel het vaak om schaduwen uit het verleden gaat, of om de oude mens die geen schaduw meer van zichzelf is, moet ik ook aan de Bijbelse connotatie denken: ‘[de mens] ontluikt en verwelkt als een bloem, vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand’ (Job 14:2). Een associatie die misschien het gevolg is van het meermalen instuderen en beluisteren van de Funeral Sentences for Queen Mary van Henry Purcell: ‘He cometh up, and is cut down, like a flower; he fleeth as it were a shadow, and ne’er continueth in one stay.’ Of deze betekenis van schaduw voor Van de Maele ook heeft meegeklonken weet ik niet. Wel komt het woord ‘bloemen’ net zo vaak voor in de bundel als ‘schaduw’. Ook vinden we in meerdere gedichten Bijbelse verwijzingen. In drie gedichten die aan Hugo gewijd zijn lezen we ‘(weten) dat het goed was’, een echo van het scheppingsverhaal uit Genesis: ‘En God zag, dat het goed was.’ Ook wordt meerder malen gesproken over engelen c.q. een engelenschaar, evenals over bazuinen die mogelijk naar de Jongste Dag verwijzen.

Tot slot: het is jammer dat de dichter ons geen ‘Verantwoording’ heeft meegegeven. Daarin zou een korte verwijzing naar de inspiratiebronnen van de tweede en derde afdeling op zijn plaats geweest zijn. Ook zou het prettig zijn daar kennis te nemen van de vertalingen van de Zweedse en Franse motto’s. Hoe dan ook: Van de Maele heeft zijn zeventigste verjaardag aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen. Wij wensen de dichter toe, dat de breekbaarheid van de door hem geschetste personages geen schaduw over zijn komende jaren zal werpen.

***

(1) Hugo och Rosa is een documentaire uit 2002 van Bengt Jägerskog. Tien jaar lang volgde hij het leven van Hugo en Rosa Bergqvist, die aan het begin van de opnames respectievelijk 87 en 92 jaar oud waren. Als broer en zus hebben ze samen de 20e eeuw meegemaakt in een klein huis op het Zweedse platteland. Hun dagelijks leven is in al die tijd amper veranderd. Ze zijn verknocht aan elkaar en aan het huis. De documentaire volgt hen in hun laatste jaren, getekend door ziekte, veranderingen maar bovenal door een onveranderlijke traditionele manier van leven.

Romain John van de Maele (Aalst, 1948) is dichter, essayist en vertaler. Hij was medestichter van de tijdschriften Dimensie (1976-1981) en Berichten uit Boonland (1995-2001), en is sinds 2015 als recensent verbonden aan Meander. Hij debuteerde in 1974 met de bundel Dagboek van een paria.

 

 

 

Recensie van Hink-stap-sprong. Essays over haiku - Mark Meekers

Een handvol meninkjes over haiku

Mark Meekers
Hink-stap-sprong. Essays over haiku
Uitgever: Demer Uitgeverij
2013
ISBN 9781291136869
€ 16,00
103 blz.

Met Hink-stap-sprong, essays over haiku bewijst Mark Meekers (pseudoniem van Marcel Rademakers) de poëzieliefhebber geen dienst. Al in de jaren zeventig van de afgelopen eeuw zijn helderder en informatiever teksten geschreven over haiku en senryu, neem bijvoorbeeld de inleidingen van J. van Tooren bij Senryu – De Waterwilgen (1976) en Haiku – Een jonge maan (karakter en techniek van de haiku, 1977). Meekers zegt in zijn voorwoord geen ‘steen door de vitrine te [willen] keilen, wel een keitje in de zentuin te werpen, stof tot discussie te bieden.’ Oei, een mooischrijver, denk ik dan, en de essays bevestigingen die gedachte. 
Meekers, die volgens zijn eigen website ‘ongetwijfeld de meest bekroonde dichter van de laatste tien jaar’ is, heeft er een handje van om zichzelf te citeren en ook eigen haiku’s als voorbeeld te geven. 

Rrrr bzt vil o prr
za man kili pour bashi:
la mano stamen

Mark Meekers, 1979

Dit is zijn voorbeeld van een ‘muzikale’ haiku. Intussen gooit hij er een aantal niet al te frisse oordelen uit. Op pag. 29 zet hij, na het afserveren van ‘de natuur’ als onderwerp van de poëzie: ‘Toch is er in onze samenleving nog interesse voor landschap en natuur. Milieuactivisten met geitenwollensokken- en sandalenromantiek staan ervoor op de bres en zullen waarschijnlijk de laatste groene lezers zijn.’ 
Meekers citeert een aantal kenners van haiku, vooral uit het Vlaamse taalgebied en neemt een steekproef van 500 haiku uit datzelfde taalgebied waaruit hij trefwoorden destilleert. Wie iets van het genre afweet, zal niet verbaasd zijn dat er veel ‘seizoenswoorden’ en woorden van vier of vijf lettergrepen (hoofdkussenwoorden) in haiku staan.

In dit werkje staan wel een aantal interessante woorden, die ik nog niet kende en heb opgezocht, zoals laicisering en vierklauwens. Er viel dus toch nog iets te leren: dure woorden. Net op het moment dat ik voor mezelf heb genoteerd: aan de toon herkent men de persoonlijkheid van de schrijver, oubollig en oordelend, lees ik: ‘Precies door zijn kenmerkende, eigen taalmanipulatie verraadt de dichter zijn wereldbeeld en zijn intenties.’ Daar slaat Meekers mooi de spijker op zijn eigen kop.

Wisselend draagt Meekers de dichtvorm ten grave, waarna hij die met hulp van humor en muzikaliteit weer nieuw leven wil inblazen. Het lijkt alsof het postmodernisme en de poëzie erna volkomen langs hem heen zijn gegaan. Hij citeert de filosoof Ton Lemaire, die rept van ‘hedendaagse, moderne poëzie,’ die in zijn ogen vooral ‘hermetisch en meerduidig’ is. Haiku hoort tot de "spontane, gedemocratiseerde, gemakkelijke" poëzie met alle gezichtsverlies dat daarbij hoort.’ 

Hij sluit af met een reeks ‘moeten’: Een kunstwerk moet contact leggen, beroeren, aanspreken (…) Auteur en lezer moeten kunnen genieten van een tekst  (…). Dit verfijnd lustprincipe, dit mentaal genot is de norm voor alle poëzie (alle kunst). Shiki gaf de raad: "Vergeet de grammaticale regels…" en "schrijf voor je plezier!" Met Shiki kan ik het wel eens zijn. 

Laat ik deze essayist zijn  zin geven en het boekje als voer voor discussie zien. Ik ben ervan overtuigd dat het schrijven van haiku een goede oefening is voor het dichterschap. Juist door het keurslijf van de strenge regels oefent een dichter zijn pen. Van de honderd die hij er schrijft, blijft er misschien een overeind, als ‘goed.’ En dan maakt het niet uit of het een ‘zuivere’ haiku is, met de natuur als onderwerp, of een senryu, die meer over menselijk ongemak gaat en meer humor bevat. En een goed gedicht heeft altijd ritme en muzikaliteit. Zo helder kun je het ook opschrijven.

Recensie van In de bocht van de rivier - Pieter Sierdsma

De onthaaste gedichten van traag drijvende wolken

Pieter Sierdsma
In de bocht van de rivier
Uitgever: Demer Uitgeverij ,Demer Uitgeverij
2012
ISBN 9781471692611
€ 14,-
52 blz.

In zinnen geschoven zinnen. Je bent de ene aan het lezen, blijkt de volgende al halverwege. Als golven rollen ze langzaam over elkaar. Het is een apart avontuur om de gedichten van Pieter Sierdsma te lezen. Langzaam te lezen, want voor je het weet is er een laagje ontsnapt.
Niet dat er bijzonder veel gebeurt in deze gedichten; integendeel, het nu waarin zij spelen is vredig, en de mens speelt een bijrol lijkt het wel, hij wordt op afstand gezet, zelfs waar hij in wezen de hoofdrol speelt:

autobaan

de weg verdwijnt aan de einder
tussen hemel en aarde valt
het reisdoel samen zonder
het begin te verklaren
een weg loopt door naar een
monding met wolken beladen

De gedichten lijken te spelen in een droomachtige wereld. Volledig de onze, vertrouwd, maar met een transparant karakter. Misschien is dat te enkelvoudig uitgedrukt; al lezend lijk je zelf doorzichtig te worden, als wandel je in een zwak isolerende cocon door een vreemd bekende maar vertraagde wereld:

bezoek

de kamerdeur knipt open naar het licht
dat even vertrouwd als hun gewoonte is
theekopjes rinkelen door verdoving
van tijd een gashaard brandt laag in
kleine kring het gesprek dat wegzakt
naar de schemering wanneer ik weg ga
blijf ik op het pad even staan in de kamer
veegt iemand de adem van het raam

De zorg waarmee dit is geschreven, doet aan miniaturen denken. Ook die lijken volledig autonoom, zelfs waar zij de wereld die zij oproepen exact geschilderd weergeven. Getekend met de fijnste penselen. En prachtig: ‘in de kamer veegt iemand de adem van het raam.’

Pieter Sierdsma heeft veel mooie zinnen geschreven. Het duurde even voordat ik het lezen van deze gedichten leuk begon te vinden. Het duurde een tijdje voordat ik mijn ritme had aangepast aan deze onthaaste poëzie.
Ondanks de irritatie die ik nergens helemaal kwijt raakte, (dat is geen waardeoordeel, integendeel) genoot ik er steeds meer van. Mijn irritatie gold niet zozeer het trage ritme van de gedichten, de aandacht die zij met elke regel eisen, maar vooral de archaïsche beelden die in nogal wat gedichten opdoken, met name van ruiter paarden en vaandels:

aan de kust

golven slaan op de kust
er is alleen een weg terug
hoge ruggen woelen los ruiters
zwermen wit bevlogen dreunend
over de zeebodem aanvallen die
kolkend gebroken teruglopen
[…]

Of als in ‘zomer op het land 1’:

de hemel is een tactiek van elegante divisies
die het veld hebben geruimd na een slag met weg
vluchtende luchtschepen ruiters klimmen
op een wolkenband ontplooien standaarden
de paarden rusten wat het zonlicht rinkelt in de
voederzak van al weer een nieuwe dag
[…]

Het menselijke speelt hier in de beeldspraak de hoofdrol, wat mij voor een historicus niet ver gezocht lijkt. Dreiging duikt slechts op als iets uit het verleden, en van een romantische soort.

Pas na lezing van het volgende gedicht, bijna aan het einde van de bundel, ging ik echt overstag. Dit vond ik toch wel heel erg mooi:

zomer op het strand 2

schelp van zee ronde richels kalk spoelt
aan land geruisloos over het nat patroon
stroomdraden zand traag tij korrels voetschreden
rimpels gedachte is een vorm gebleven zweven
zeepwolken in de diepe hemel
zee is een natte jurk opgeschort schuim
verlangende schrijvers van eenregelige confetti
bewegen papieren naar de kustlijn
een onbesproken lief raadsel sluimert
als een zeef van vergeten
golven bidden witte slingers
de zee is een zoutwater bak
het schip een blauw plaatje
aan de einder geplakt

de zon brandt een kus op roerig stuivende
kinderen ze vieren valken aan de hand die
bovenaan wegduiken de vleugels uitslaan
badgasten luieren in een slaapkamer
het bed is het strand door hun halfslaap
drijven wolken zeeanemonen
roodwit aan de rand

Een zeil duikt op schuim
de groene berg vloeit van de kruin
lichter lichter is de dag
twee ruiters dalen
van een duin af

Deze ruiters stoorden mij niet in het minst. Het gedicht roept bij mij helemaal het gevoel op van een lome middag aan zee. Heerlijk. Je hoeft niets. Alles is zoals het is, en de hele wereld met zijn alledaagse, absurde, onontkoombare, wellicht onuitwisbare problematiek gaat even aan je voorbij. Het is geen onverschilligheid. Alleen krijgt ‘het andere’ de volledige aandacht. Het buitentijdse of tijdloze.

Hoe zouden deze gedichten klinken, als Pieter Sierdsma ze zou voorgedragen?
Zou je niet al snel veel missen?

het koraal golft tussen pilaren stralend vroom
de donkere kolk van het orgel vlucht over geribde
mazen van het dak naar de ovale poort van de dag die
daar buiten klein wacht
(uit: ‘Notre Dame’)

Dit is poëzie om te lezen.

***
Haarlemmer Pieter Sierdsma (1948) is historicus en was werkzaam als archivaris. In 1975 verscheen bij Bosch & Keuning in de Seismogramserie Tussen licht en geluid.