Recensie van De olifant van Oostzaan - Erik Bindervoet

Wartaal is waarheid

Erik Bindervoet
De olifant van Oostzaan
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360425
€ 17,90
112 blz.

Eén plaatje zegt meer dan duizend woorden. Het plaatje op het omslag van de bundel De olifant van Oostzaan van Erik Bindervoet wat mij betreft meer dan tweeduizend. Het gaat om een reproductie van The elephant Celebes, van Max Ernst en doet denken aan een stofzuiger. Een stofzuiger die op zijn beurt weer een rare olifant is. Op het internet vinden we de volgende beschrijving (Tate Gallery label, oktober 2016):

The central rotund shape in this painting derives from a photograph of a Sudanese corn-bin, which Ernst has transformed into a sinister mechanical monster. Ernst often re-used found images, and either added or removed elements in order to create new realities, all the more disturbing for being drawn from the known world. The work’s title comes from a childish German rhyme that begins: ‘The elephant from Celebes has sticky, yellow bottom grease’. The painting’s inexplicable combinations, such as the headless female figure and the elephant-like creature, suggest images from a dream and the Freudian technique of free association.’

Ernst kreeg het voor elkaar om ‘beelden uit een droom’ te suggereren. Beelden die normaal niet bij elkaar horen brengen, door ze bij elkaar te zetten, een bevreemdend effect teweeg. Dit moet Bindervoet hebben aangesproken.
De olifant van Oostzaan is, zoals de tekst op de achterflap zegt, één zeer lang, verhalend gedicht. Een SLURF misschien (Super Lang Uitgerekt Rariteiten Frutsel). Níet te verwarren met de slurf van de olifant die met zijn lange snuit een verhaaltje uitblies. Meer een slurf à la het internet: eentje waardoor we worden opgezogen. Op het internet door een aandacht slurpende stroom van informatie en in het gedicht door een kakofonie van personages en gebeurtenissen (wat op hetzelfde neerkomt).
Waar gaat het in dit gedicht over? Antwoord: dáárover. Het antwoord op de vraag is informatie. Het gedicht gaat over ‘een hotel in de polder, bedreigd door een gruwelstorm van informatie.’ Als we tenminste mogen geloven wat op de achterflap staat. En de achterflap moeten wij altijd geloven. Tenminste zolang wij ons zelf geen oordeel gevormd hebben.
Maar zoals ik al zei: het is een vrij lang gedicht (pakweg 100 bladzijden). Dus er staat nog veel meer in. Alles gedekt door de paraplu ‘informatie’.
Wat is informatie eigenlijk? Wikipedia: informatie (van Latijn informare: ‘vormgeven, vormen, instrueren’) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis.
Leuke definitie. Vooral het eerste deel ervan. Weten we meteen dat veel van de ‘informatie’ die via het internet tot ons komt van een bedenkelijk niveau is, omdat onze onzekerheid en de ‘onbepaaldheid der dingen’ er ‘bepaald’ niet beter op worden.
Interessant duo: poëzie en informatie. Beide zijn interpreteerbaar, maar waar ambivalentie informatie vertroebelt, bloeit juist de poëzie. Een ramp voor een informaticadeskundige lijkt een zegen voor een dichter.
Het zou me niet verbazen als De olifant van Oostzaan aan deze (on)gelukkige omstandigheid zijn ontstaan te danken heeft. De chaotische wijze waarop informatie (vaak door elkaar en ongevraagd) op ons afkomt brengt hilarische en absurde situaties teweeg. Poëzie! moet Eric Bindervoet hebben gedacht. Poëzie die ontstaat door kortsluiting:

Er is kortsluiting.
Tussen de regels knettert
Interferentie.
Wat zijn dit voor boodschappen?
Wat wordt hier medegedeeld?

Beelden die in taal bij elkaar of door elkaar staan beïnvloeden elkaar net zo goed als de beelden op het schilderij van Ernst. Door interferentie ontstaan nieuwe betekenissen (iets waar dichters gretig gebruik van maken). Heerlijk voor het poëtisch gehalte van een tekst, maar desastreus voor de duidelijkheid. Toch gaat het (denk ik) bij Bindervoet niet alleen om de lol van het scheppen van poëzie uit ‘crashende informatie’. Er zit ook iets treurigs in de bonte stoet van personages die een schitterend ongeluk in dit gedicht staan te beleven. Er is – om te beginnen – sprake van nostalgie. Bijvoorbeeld in de eerste regels van het gedicht, waar de komende storm (van informatie) al stiekem in sommige woordjes verstopt wordt aangekondigd:

Bushalte de Kolk.
Waar Molen de Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis, […]

Waar Ole Bouman
Nog een tijdje heeft gewoond,
De historicus
Die zijn geliefde uitschold
Voor lul als zij iets fout deed,

Zoals bijvoorbeeld
De kat van ome Willem
Opzetten terwijl
Hij om In een rijtuigie
Had gevraagd, heel duidelijk,

Staat nu een hotel.
Een hoog gebouw met kamers,
Een rechthoekig blok,
Uitgehouwen in de lucht
Van Oostzaan in Noord-Holland,

Het hotel dat geteisterd gaat worden door een ‘storm van informatie’ staat op een riskante plek. Een plek die vroeger veel wind ving. Er stond niet voor niets een molen. ‘Molen de Olifant’, die werd aangedreven door gewone wind. In een tijd dat er nog niet zoveel redenen voor misverstanden waren. Het leven ging nog niet zo snel – informatie ging nog niet zo snel, moet ik zeggen – en de kans op een ontsporing was misschien wat kleiner. Maar de basis van wat er komen ging was er al wel. Een molen (kolk) draait. Zoals ook een storm – een orkaan met een oog – draait. De dichter moet zich hebben gerealiseerd dat molens in de literatuur vaker gebruikt worden als beelden voor (beginnende) waanzin. Bij alle personages die hij noemt zit ook een zekere meneer Quichot.

Niet alleen nostalgie speelt de dichter parten. Ook de tegenstelling die hij – simpelaar – voelt met de ingewikkelde buitenwereld die als een storm van informatie op hem afkomt, valt hem zwaar. Daarmee gepaard gaat immers de miscommunicatie die mensen van elkaar dreigt te vervreemden. Wanneer iedereen in het hotel voor de storm aan het schuilen is en er van alles gebeurt schrijft hij:

Ik ben maar een simpelaar
Hou ervan als jij zegt ‘kook van jou’
Wij houden van elkaar
‘Houden van’ voor mij is dat ik hou

En dat ben jij nou
Laat je niet meer gaan
Jou heb ik en hou ik
Dicht tegen mij aan

Liefde blijkt uiteindelijk het tegengif. Maar de storm raast door. Het schilderij van Ernst wandelt als een levende nachtmerrie door het gedicht:

En over het land
Dreunde een log gevaarte
Van blik en beton,
Een monsterlijk wezen dat
Alles wat op zijn pad kwam

Vertrapte en met
Een stalen stofzuigerslurf
Opzoog en verzwolg
In zijn holle bolle bast
Ter vertering en vermaak.

Gehoornd was het beest
En het had ook slagtanden,
Een schaafmachine
Op zijn rug en de lege
Ogen van een gasmasker.

En de schaaf was ook
Een nietpistool en een schip
En het beest was ook
Een graansilo uit Soedan
En een tank uit W.O. I.

Een archetypisch beeld? Een metafoor voor de storm? Wie weet wat het is. Bindervoet lijkt er in elk geval door gefascineerd. Al wijdt hij er geen duizend woorden aan. Of toch? Zijn hele gedicht heeft iets van het schilderij van Ernst. En tegelijkertijd is het ook een hotel: een hotel waarin wij als lezers worden bestookt met informatie (zo werkt de ambivalentie, die in dit fragment wordt benadrukt). Iets verderop lezen we:

En de boom sprak: bij
Oververhitting krijgt u
Meer informatie dan er
Grenstoestanden zijn en gaat
De samenhang verloren,

De verstrengeling,
De lijn die ons bij elkaar
Houdt. En de steen sprak:
Spoken bestaan niet. Maar de
Kromme en de boom spraken:

Helder. Duidelijk.
En de verstrengeling sprak:
En vice versa.
En er verschenen strepen
En er klonk statische ruis

Maar het beest ging door
En zoog het landschap
Kaal en woest en leeg
En het was aarde donker –
De kievit was zijn nest kwijt.

Een ogenblik waarop het mis gaat. Een virus? Een DDoS aanval? Misschien gewoon een crash, waardoor onze computer vastloopt. En daarop volgend: een terugkeer naar de toestand van vóór de (digitale) schepping; het scherm (het landschap) dat weer kaal en woest en ledig wordt: aarde donker.
Molen de Olifant is verdwenen. Daar kwam The elephant Celebes voor in de plaats. Met een soort stofzuigerslang als slurf. Een stalen slang waarmee het beest volgens de dichter ‘alles wat op zijn pad kwam opzoog en verzwolg in zijn holle bolle bast’. Ja, een stofzuiger denkt niet na over keuzes. Hoewel: hier wijkt de dichter toch af van het schilderij dat hij beschrijft. Het beest op het schilderij van Ernst heeft een gasmasker om en steekt zijn slurf in zichzelf (mogelijk zijn achterste). Is dat om zijn eigen stank niet te hoeven ruiken? Een gasmasker als filter voor het eigen ego, zoiets? Nu ja, het gaat waarschijnlijk om een beeld voor onze status quo! Zowel bij het schilderij, als in dit gedicht. En als we het over een soort stofzuiger hebben: is er een leegte in ons hoofd? Een nihilistisch vacuüm (mogelijk veroorzaakt door een geloofscrisis) waardoor we alles maar binnen laten komen en ons geen raad meer weten als het teveel wordt? Een informatiecrash heeft ook iets weg van een zwart gat waarin de meest uiteenlopende zaken op elkaar gedrukt worden. Ons hoofd als zwart gat en hotel tegelijk; ons hoofd als de riskante plek waar het om gaat en waar alles (om) draait bij het verzamelen van informatie!

Tot zover een interpretatie van de informatie die dit gedicht tenslotte óók is. Er zal ongetwijfeld nog veel meer over te zeggen zijn. Maar ik moet er een eind aan breien. Net zoals de dichter doet door te suggereren dat zijn gedicht een perpetuum mobile is en dat men de tekst kan blijven lezen tot het moment van overlijden (ja, ik zal daar gek zijn).

Het knappe van Bindervoets gedicht is dat het vragen oproept. Want antwoorden geven: dat is een heel andere zaak. Dat zou maar informatie zijn. Een gedicht is daar te ambivalent voor.

***
Erik Bindervoet (1962) publiceerde zeven dichtbundels, waaronder Voor altijd voor het eerst (2008), Het spook van de vrijheid (2010), De mond van de waarheid (2013) en Het vuil van de schoonheid (2015).
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag; zij verzorgden verder geprezen vertalingen van Finnegans WakeUlyssesHamletKoning Lear en van de songteksten van The Beatles en Bob Dylan.

Recensie van Verlies me niet - Jacob Groot

Het ranselen van de molen die de tijd verdrijft

Jacob Groot
Verlies me niet
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 97863360364
€ 17,90
72 blz.

Laat ik het nu eens niet aan de conclusie overlaten, want al na de eerste vluchtige doorloop van deze bundel werd ik getroffen door de uitzonderlijke schoonheid ervan. Voor mij verrassend omdat ik na de tweede bundel van Groot, Uit de diepten (1972), waarin de neo-romantische  sentimenten me teveel werden, niets meer van deze dichter had gelezen.
Jacob Groot werd in 1947 in Venhuizen (NH) geboren en debuteerde in 1970 met Net als vroeger onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger. Hierna publiceerde hij met regelmaat, zo om de twee / drie jaar, een nieuwe  bundel en daartussendoor essays (o.a. een over Herman Gorter) en enkele romans.
Van 1994 tot 1999 was hij redacteur bij het literaire tijdschrift Revisor en in 2012 won hij de Adriaan Roland Holstprijs.

Wat op het voorplat in het oog springt is dat de ondertitel van de bundel niet spreekt van gedichten maar van ‘een gedicht’. Slaat men het werk open dan treft men in dit tweeënvijftig ‘strofen’ tellende gedicht merendeels eenregelige zinnen aan die alle worden gevolgd door een witregel en alle beginnen met een hoofdletter. Ze staan behalve in samenhang met de andere regels daarmee ook op zichzelf.

1
Zonder dat ik het ben kom ik bij je in een andere tijd

Een moment wacht op ons lichaam als plaats

Rust niet tot we komen waar het ons vindt

Worden we begeleid?

Alsof het de laatste geluiden zijn voor het eerst

Zal er gezegd worden wie we waren?

Een instrument speelt ons

Een instrument speelt met ons

Een instrument speelt met ons mee

Uit dit voorbeeld wordt ook duidelijk dat Groot zich niet gebonden acht aan direct herkenbare zinsconstructies, hij speelt met de grammatica op een doodernstige manier en dwingt de lezer hiermee tot aandachtig lezen om de diepgang van zijn poëzie te ondergaan. Je zou denken dat deze ingewikkelde manier van formuleren onaangenaam vermoeiend is maar op enkele uitzonderingen na is het tegendeel waar, ze prikkelt en daagt uit; je wilt weten wat er staat en wat er toch ook ‘niet’ staat. Ter adstructie zo’n uitzondering uit strofe 6: ‘(…) Steeds lichter, zo dun als de snede tussen de seconden van de minuut waarin wordt gewacht op het verzamelde getal van de polsslag, eerst wijd en uiteindelijk verwaarloosbaar gering, werd, zo bleek, het onderscheid tussen de ene verlating en de andere, alsof ze weliswaar afzonderlijk en na elkaar maar in wezen tegelijkertijd (…)’. Dit lijkt me duivels interessant voor breedsprakige politici, maar minder voor poëzieliefhebbers.
En om nog even kritisch te blijven, sommige teksten zijn wel erg gezocht en hoogdravend. Uit strofe 16: ‘(…) Welkom wat gewist wordt, relict van de route naar de unie in de oorspronkelijke betekenis van het woord / En volg me zo toxisch, multicolor de hemellijn, waar ik de plaats vind / O delict van delight / Waar ik je nalaat als laatste’.

Het ontkennende woordje ‘niet’ komt opvallend frequent voor en wel op plaatsen waar je het niet verwacht.  In het begin dacht ik even dat Groot ons voor de gek wil houden – je kunt ze ook weglaten -, maar na herhaald en secuur lezen blijkt dat ze er wel degelijk toe doen. Een paar voorbeelden: ‘3 Gedenk de tijd dat je niet leefde (…) Het kan bijna niet, maar zeg: het bewoog naar je toe, ik boog voor die tijd, ik loog niet toen ik zag wie je was (…) 11 Daar komt de auto, zeg nooit meer wat je net niet zei (…); 12 Laat je meenemen, je komt toch niet terug (…).’
En ook de titel doet in deze mee: Verlies me niet.

Het motto van de bundel komt uit het gedicht ‘Ode To A Nightingale’ van John Keats:
‘Forlorn! the very word is like a bell to toll me back from thee to my sole self!’ (In de vertaling van Cornelis W. Schoneveld: ‘Betoverd! juist het woord dat als een klok van jou mij terugluidt enkel naar mijzelf!’). Beetje raadselachtig, maar juist daardoor dekt het de lading.

Inhoudelijk gaat het gedicht in een lange adem over afscheid – het missen en gemist worden – en het zoekraken van de beleving van plaats en tijd. En daarnaast over de vragen die een en ander oproept: Wat is verlies eigenlijk? Wat stelt het voor? Wat geeft het terug? Kan het troostend zijn, opent het nieuwe perspectieven?
Op deze vragen wordt met een grote intensiteit ingegaan – soms wanhopig maar nooit lamenterend –  en gelukkig worden zij zo nu en dan onderbroken door licht ironische regels. Uit 25: ‘(…) De dauw slingert haar vingers nog roze rondom zijn herinnering  / Nu is hij de ander die je zelf niet was / Ook deze noemt zich ik en hij voelt geen verschil, behalve dat het er niet eenvoudiger op is geworden’.

Om terug te keren naar voornoemde intensiteit:
Uit 34: ‘(…) En ben ik nu de bruidegom van je bruid omdat het bloed uit m’n handpalm bonst in je beek? / Of ik gesuikerd je zuivel zuig als je deken van me afglijdt? / Ja zeg ik, ja, maar je luistert niet eens, zo luid klinken we samen / Want je ranselt de molen die m’n tijd verdrijft’.
En uit de laatste strofe: ‘(…) Stof waait op in de zon van m’n longen / Raakt de slag van m’n hart de sprong van m’n tong, tokkelt de globe schoner dan de dagen / Leer de ochtend te blijven maar dan valt de avond, leer de avond te blijven maar dan valt de nacht, leer de nacht te blijven maar dan blijft hij ook (…)’.

Ik huiver doorgaans van religieuze poëzie waarin zinsneden uit de Bijbel worden aangehaald, – en zoals uit bovenstaande blijkt schuwt Groot de Schrift niet – maar omdat hij deze niet gebruikt om het christelijk geloof uit te dragen of te verheerlijken, heb ik daar in dit geval vrede mee. (Het lijkt me eerder dat hij citeert om de talige bekoring, zoals ook niet-gelovigen ‘Het Hooglied van Salomo’ kunnen waarderen en genieten).

Je kunt je afvragen waarom Jacob Groot, afgezien van de A. Roland Holstprijs, niet vaker gelauwerd is met grote literaire prijzen en ik denk, nu ik deze gedichten heb laten bezinken, dat ondanks zijn fenomenaal taalgebruik, zijn originaliteit en ook zijn zeggingskracht de oorzaak hiervan ligt in het te veel willen zeggen en door het onbedoeld te virtuoos etaleren van zijn meesterschap.

Hoe dan ook, en ondanks dat, een prachtige bundel!

Recensie van De maagden moeten bloeden - Katelijne Brouwer

Ook een koelkast sterft

Katelijne Brouwer
De maagden moeten bloeden
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360272
€ 15,90
64 blz.

Misschien een rare plaats om deze bekentenis te vermelden, maar ik houd niet van dierentuinen. Ze maken me altijd somber door al die slapende, geeuwende en zich vervelende dieren in veel te kleine hokken. Daar komt nog bij dat het er vaak stinkt. Dit terwijl ik me in de natuur prima thuis voel en de dieren helemaal niet ruik. In de bundel De maagden moeten bloeden van Katelijne Brouwer gaat het in de eerste afdeling ‘In Artis ruikt het net als thuis’ over belevenissen in het bekende dierenparadijs. Ik mag hopen dat deze titel een metafoor is voor het thuisgevoel dat Artis oproept!

Zoals de meeste dieren in een dierentuin liggen te slapen of te luieren, zo werken op mij de gedichten over Artis. Er zijn aardige observaties bij, maar het beeld verandert niet echt door verzen die gaan over een olifant die bij aaien aanvoelt als een lolaborstel of over een zootje vlooiende apen. Poëzie moet mij verrassen, raken of uitdagen. Dat mis ik in deze bundel. Het dieptepunt is ‘Artis kattenbak’ waarin het gaat over het gezamenlijk toiletbezoek van dichteres en kat.

De bundel bestaat uit drie afdelingen, de eerste noemde ik al. De verdeling in afdelingen echter ontgaat me een beetje. Je zou verwachten dat er wat thematische verschillen zouden zijn, maar net als in de eerste afdeling bevatten de andere afdelingen ‘Liefde is nooit een probleem’ en ‘De sirenes jankten’ dezelfde thema’s. Weer een flinke portie Artis en verder gedichten over de cyclus van een vrouwenleven. Misschien is voor deze mengvorm gekozen om te voorkomen dat het bij een thematische indeling een wat statisch geheel zou worden. De verzen over de cyclus van het menselijk leven met alles wat daarbij hoort, zijn universeler en soms goed uitgewerkt.

Koelkast

Er groeit blauwe schimmel op de ham
het broodbeleg heeft groene randjes,
vergeten restjes, koelkastluchtjes.

Achter in mij maakt een pan gekookte
aardappelen zijn eigen antibiotica en
in de groentela sterven blaadjes sla.

Wie ben ik als ik niet meer koelen kan
als mijn lichtje nooit dooft? Nog wat
geflakker en een plasje op de gang.

Als mijn deur niet langer sluit en ik
blijf kieren, mijn rubber verdroogt
en verhardt, dan wacht de sloop.

Vergankelijkheid is doorgaans van toepassing op levende wezens. Het aardige in dit gedicht is dat het gaat over een apparaat met natuurlijk een knipoog naar onze eigen houdbaarheid. Het vers loopt soepel door de assonanties. Origineel uitgangspunt, al zal dit ook wat geursensaties oproepen. Het beeld echter gekoppeld aan de menselijke vergankelijkheid geeft het vers iets universeels.

De winterschilder

De winterschilder kwam en hij nam zijn kleurenwaaier mee.
De zee nam hij mee en het bos, de stad en
de wolkenlucht, de dageraad en de schemering.

Die nam hij allemaal voor me mee. Hij kwam als
een gewone man in een broek, een overhemd en een trui.
Maar hij haalde de wereld uit zijn zak toen hij zijn waaier openvouwde.
Van het diepste blauw tot het lichtste wit met een zweempje roze.

Kleuren geven richting, zei hij. Waaraan, vroeg ik.
Aan het leven, zei hij. Dat is niet gering, zei ik, het leven.
Nee, zei hij, gering is het niet.

Het geeft een gesprek weer tussen auteur en schilder die waarschijnlijk een offerte gaat opmaken om het huis een likje verf te geven. Zijn kleurenwaaier brengt een zekere fascinatie teweeg door de enorme hoeveelheid kleuren, die voor de dichteres de wereld vertegenwoordigen. In de laatste strofe lijkt wel sprake van een readymade, versterkt doordat de dialoog cursief gedrukt staat. Dit gedeelte tilt het vers naar een ander niveau en suggereert diepgang: kleuren die je leven bepalen. Dit is denk ik wel na te voelen. Kleuren kunnen een sfeer versterken. Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de invloed van kleuren op de stemming van mensen. We spreken niet voor niets over vrolijke en sombere kleuren.

Rode November

Bij tramhalte Ruysdaelkade kijk ik
altijd omhoog of er licht brandt
in het huis waar ik kind was.

Twee keer oversteken en dan naar links
waar tegen de gevel de wingerd groeit
die rood kleurt in november.

Ik kijk. Jij zwaait als ik naar ballet ga
of patat haal met kroketten
omdat je niet wil koken.

Als ik er niet meer ben, wie kijkt er dan
en weet nog van snackbar en
dansende wingerd?

Uit dit gedicht spreekt heimwee naar vroeger, naar de moeder die ze mist, zoals blijkt uit andere gedichten in de bundel. Het heimwee wordt opgeroepen doordat de schrijfster langs haar ouderlijk huis komt. Ze realiseert zich dat wanneer zij er niet meer is, dat dan eigenlijk ook het ouderlijk huis er niet meer is en dat daarmee haar moeder in de vergetelheid raakt. Een mooie gedachte: wie houdt de herinnering in stand als je er niet meer bent?

De maagden moeten bloeden is het debuut van Katelijne Brouwer. De bundel is niet in alle opzichten geslaagd. Met name de gedichten over Artis en bewoners missen wat mij betreft diepgang en de platvloerse taal stoort mij. Toch staan er gedichten in met universele waarden en gedachten die mij aan het denken zetten. Met name de verzen over de thema’s moeder, moederschap, borsten en borstkanker weten me te raken. De liefde voor de moeder, het eigen moederschap en borsten die aan de ene kant leven geven in de vorm van babyvoeding en aan de andere een tikkende tijdbom kunnen zijn, omdat kanker op de loer ligt.
Kortom, een veelbelovend debuut met zwakke kanten, maar ook zeker sterke. Ik ben benieuwd wat een volgende bundel oplevert.

***
Katelijne Brouwer (1966) publiceerde eerder korte verhalen en gedichten in onder andere De Optimist en Op Ruwe Planken. Haar gedicht ‘De bange man’ staat in de bloemlezing Een toon die in de stilte zoemt, de 100 beste gedichten uit de Turing gedichtenwedstrijd 2015. Online is ze te vinden op De Optimist, De Vallei en Pretpark Poëzie.

Recensie van Zuurstofconfetti - Elma van Haren

Genieten van het heden

Elma van Haren
Zuurstofconfetti
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360098
€ 17,90
94 blz.

Eindelijk na bijna tien jaar weer een bundel van Elma van Haren. Voor de liefhebbers van haar werk goed nieuws. Al heeft de schrijfster niet stilgezeten, want een prozadebuut en een eerste roman zijn verschenen. De lezers van Van Haren zijn het gewend: ze maakt het de lezers niet gemakkelijk met haar sterk associatieve poëzie. De bundel Zuurstofconfetti bevat vrij lange gedichten, de meeste zijn langer dan een bladzijde, vaak drie bladzijden. Het werk valt uiteen in drie afdelingen: ‘Bloemistengrond’, ‘Hoefschrapend hart’ en ‘Zuurstofconfetti’. De afdelingen worden voorafgegaan door het volgende gedicht:

Nu

Het heden is een mispelachtig soort,
        grensgeval tussen fruit en groente.
Iets met een grote pit erin,
wat flauws en vlezigs, dat om zout
en peper vraagt, een beetje mayonaise.
Het lispelt overspeligheid en beter
        daar confituur van maken
        dan vers te consumeren,
want het vult de mond vervolgens
        met zijn zilte vergankelijkheid.
Het heden dat geslepen
een voortdurend
zachtblauw gebutste
        afdruk van het zelf gebiedt,
               zodat je vanzelf gaat staan wuiven
               met de felgekleurde wimpel
                                       van het ‘ik’.

Dit gedicht geeft een mooi beeld van wat komen gaat. Typografische eigenaardigheden komen in de hele bundel voor. Woorden worden op een eigenaardige manier met elkaar in verband gebracht. Het heden, een tijdsaanduiding, wordt vergeleken met overrijp fruit of groente. Dat is wel een mooi beeld, want het heden is voorbij voor je er erg in hebt, zoals fruit het ene moment rijp is en het volgende niet meer te eten is. Ze zet dat beeld voort en zegt dat je zelf iets moet maken van het heden, zoals je eten klaarmaakt en het dan opeet. Genieten van het heden en van tevoren weten dat het afscheid nadert, omdat het van voorbijgaande aard is. Leven in het moment en zelf iets van het leven maken.

De titel Zuurstofconfetti komt een keer in de bundel voor en gek genoeg niet in de afdeling ‘Zuurstofconfetti’, maar in ‘Hoefschrapend hart’. Eigenlijk wel grappig, want de woorden hoefschrapend hart kom ik nergens meer tegen al zou je verwachten …., maar niet dus. Zuurstofconfetti heb ik nog even opgezocht in Van Dale, maar zoals ik al vermoedde: het staat er niet in. Dat geldt voor veel woorden. Van Haren heeft een voorkeur voor neologismen, wat ik wel prettig vind. Je zou de taak van een dichter kunnen opvatten als het tot leven wekken van taal en nieuwe woorden maken daar deel van uit. Een paar voorbeelden: eierkoekgeel, kentekenplaatkleur, (soms) merelt (het daarboven), pijpenstelenstrelende (regen), wegbollende (armada), spektakelbrakende (wereld). Sommige woorden heeft ze duidelijk gekozen omdat ze goed klinken.

Het moet natuurlijk begrijpelijk blijven, al mag een lezer best uitgedaagd worden, maar daar zorgt de dichter wel voor:

Heet is het. Heet en stil.
De ventilator zwiept lucht rond,
zuurstofconfetti. De voorwerpen
                        verroeren zich niet
koel als ze zijn,
                        grillig gevormd of glad als marmer
                        elk ding onaangedaan steen,
geglazuurd ketsen ze glans
                        op je beschaduwde wangen.

Dit is de eerste strofe van het gedicht ‘Schrikwekkend wezen’ en je voelt hoe koele luchtdeeltjes als confetti op je neerkomen, terwijl de omgeving roerloos is. Op deze manier roept ze beelden op en ze gaat er al associërend mee aan de gang. Dat heeft ook wel een gevaar in zich, want als lezer moet je het wel kunnen volgen. Je moet mee kunnen in de stroom associaties. Lukt dat niet dan wordt het orakeltaal en kun je hooguit genieten van het muzikale aspect van het taalbouwsel. Iets dergelijks geldt ook voor de parodie die alleen leuk is als je weet wat er geparodieerd wordt. Als je het niet weet, kan het interessant zijn, maar je mist toch een dimensie. Van Haren weet het wel begrijpelijk te houden al blijft er nog veel te raden over zoals in de eerste strofe van ‘Koude kleren’

De nieuwe wereld is verschenen aan de rafelranden van de oude.
We herkennen flarden van een toekomst.

Het eerste zorgwekkende: doeltreffendheidstekort.
Zwarte gaten tussen handel en wandel.
Orde is een vereiste. ‘Excell’ het prototype van lineair denken.
Alle problemen komen genadeloos bloot aan het licht.
        Neem bijvoorbeeld de panda!
        Te lui om te jagen > van omnivoor bamboe-eter geworden.
        Ligt lollig takken te knabbelen en weigert de weg terug.
        Daar is geen ruimte meer voor heden ten dage.
        Geen bamboe geen panda.
                                            Zo is het nu eenmaal.

Ik vermoed dat Excel bedoeld wordt, maar dat schrijf je met één l, dat programma is lineair van opzet en zorgt voor een prachtige orde. Waarom ze het met twee l’s neerzet, is me een raadsel. Of neemt ze ons in de maling?

Ook humor ontbreekt niet:

Zorgeloos zeilt een stoet hybriden voorbij.
        Lijgers en teeuwen,
        hazellen en gerten,
dzo’s en zezels.
Zelfs een savannah in levenden lijve

Zuurstofconfetti is geen bundel voor luie lezers. Als je wilt begrijpen wat de dichter bedoelt, dan betekent het soms dat je flink moet werken, vaak moet herlezen en soms dring je dan nog niet tot de betekenis door. Daarbij komt dat het over het algemeen nogal lange gedichten zijn, wat ook complicerend werkt. Ik denk wel dat een avontuurlijke lezer de uitdaging kan oppakken en al het moois zal weten te ontdekken.

***
Elma van Haren (1954) is naast dichter beeldend kunstenaar. In 2017 verscheen haar prozadebuut Mevrouw OVO. Verder publiceerde ze o.a.: De reis naar het welkom geheten (1988), De wankel (1989), Het schuinvallend oog (1991), Al in het koren verloren (toneel, 1995), Grondstewardess (1996), De wiedeweerga (poëzie voor kinderen, 1998), Eskimoteren (2000), Verten van papier (2000), Het Krakkemik (poëzie voor kinderen, 2003), Zacht gat in broekzak (2006) en Flitsleemte (2009).

Recensie van Hoe ik een bos begon in mijn badkamer - Maartje Smits

Hoe een mens leven uitknipt

Maartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
Uitgever: De Harmonie
2017
ISBN 9789463360173
€ 17,50
69 blz.

Maartje Smits studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer heeft voor mij de hebbeding-factor zodra ik de cover op de sociale media voorbij zie komen. Het groen omsluit, als een bos van boven gezien, twee stopcontacten. Met het hebbeding in mijn handen zie ik dat het groen meer op koraal lijkt dan op bomen. Koraal past mooi bij het waterthema van de badkamer en stammen wij, doet het beeld mij retorisch afvragen, inclusief het groen niet allemaal uit het water? De stopcontacten suggereren dat de moderne wereld en natuur in de gedichten een fascinerende dialoog met elkaar aan zullen gaan.
Voor we naar binnen gaan in de wonderlijke wereld van Smits, nog één opmerking over de voorkant. Door de associatie van mijn partner werd ik me bewust dat de voorkant een perfect beeldrijm maakt met de hoes van de animatiefilm The secret of kells. Op de cover van de betreffende film kijken twee witte ogen door een twee ogen groot gat in het bladergroen. Hierdoor ben ik benieuwd of in de bundel Keltische symbolen of sferen aangehaald zullen worden, in de vorm van moderne natuurgedichten, wat me spannend lijkt.

Maar al snel blijkt tijdens het lezen dat ik mijn verlangen naar sprookjes en romantisering moet laten varen. (Wakker worden Laura, we leven in 2017!) Smits draagt de bundel op aan alle ecoducten die ze (stiekem) overstak en benoemt deze persoonlijk. Zo zegt ze in moderne, niet romantische taal dat ze eigenlijk een hert is, denk ik. De stijl van de gedichten grenst hier en daar aan postmodern. Ze observeren, benoemen, breken af, ontleden, spelen met betekenissystemen. Smits legt originele verbanden, niet alleen tussen de woorden maar ook tussen woord én beeld.  De zinnen (of woorden, lettergrepen) ontregelen door originele verbanden te leggen, talen (Nederlands mit bits of Duits en Engels) te mixen en herhaling als stijlfiguur in te zetten, alsof het een associatief soort muziek betreft. Ervaar als voorbeeld een fragment van het zintuigelijke ‘Hindernissen’.

(Lärm stinkt en lonkt en slalomt het speelplein over

hufterproof beton
boom
hufterproof beton
boom
hufterbroof beton
boom)

Ziedaar, ‘boom’, gaat het hier nu om een groene boom? Of is het een onomatopee voor een knal die poogt het hufterproof beton om te leggen? Het is maar net wat onze associatie ermee doet en Smits lijkt daar niet wakker van te liggen. In deze zin wordt het gedrukte gedicht overgelaten aan de verbeelding van de lezer. De speelse muzikaliteit van de taal herinnert me aan werk van Paul van Ostaijen..
Persoonlijk blijf ik achter met een leeg gevoel , wat me willekeurig doet denken aan het boeddhistische hart-sutra: leegte is vorm en vorm is leegte. Vanuit mijn streven naar zingeving (wat volgens het sutra eveneens leegte is), beweer ik dat Smits in haar creatief proces haar ego (het ik-concept) afbreekt om iets nieuws te kunnen maken. Als ik inzoom zie ik dat ze niet alleen afbreekt, maar ook weer opbouwt, zoals in het gedicht ‘Instructies om jezelf te troosten’ (fragment).

(ruik
het beeld van een net geschoren
berm
de  close-up van het houten kruid
geknipt tot waar knippert hoe hard
ze je inhalen (auto’s wezens etc.)

ga liggen tussen weiland en straat
wrijf grijze kevers schoon lak watervogels
mat en bedenk waar wagens
tegenwoordig naar vernoemd worden wacht
tot iemand je ziet zonder te kijken hoe jij jezelf on-dekt
snuif en bepaal de richting en geschiedenis van
dit ongehoorzame geluid

Vluchtheuvel op een razend weiland
prevel: van alles hier leef ik nu het meest)

Bovenstaand gedicht dat ik op zichzelf in knappe taal filmisch vind, wordt overigens onderbroken door twee foto’s.  Zo staan in de bundel meermaals foto’s midden op de pagina tussen twee ‘strofes’ van een gedicht. De zin hiervan ontgaat me soms. Ik ervaar de afbeeldingen op deze manier als onderbreking, een afleiding van de tekst die me ook al regelmatig laat stoppen met lezen om na te denken over het geschrevene. Ook wordt op sommige foto’s, zoals wij op de kunstacademie in theatertaal omschreven, de rode deur rood geverfd. Dat wil zeggen dat op de foto hetzelfde staat als in de tekst. In een gedicht wordt duin genoemd, op de foto staat een duin. Zou op de foto bijvoorbeeld een berg afval te zien zijn, dan zou het woord ‘duin’ een andere lading krijgen. Desalniettemin zou ik geen enkele foto uit de bundel geschrapt willen zien, ze weten nuchter en met een knipoog tegelijk adembenemend mooi te zijn.  Toch kan ik me een vorm voorstellen, zeg fotoboek of expositie, waarin de foto’s beter tot hun recht zouden komen. Op de bladzijdes dat de foto’s het rijk voor zich alleen hebben, met een enkele zin, komen ze naar mijn mening direct veel beter tot hun recht. De foto’s van Maartje Smits zijn gedichten op zich.  

Over het algemeen gezien hebben de kortere gedichten van Smits, die op de bladzijden meer witregels krijgen, de meeste zeggingskracht. Waar in de conceptuele vormgeving ‘wild’ wordt gedaan met groene strepen die naar de naastliggende bladzijde doorlopen raak ik weer wat de weg kwijt, maar dat terzijde. Het volgende gedicht, ‘Oververhitting bij tandelozen’, is eveneens een goed voorbeeld van het ‘stopcontact temidden van het groen’, de verwrongen en gelaagde dialoog tussen natuur en civilisatie.

(traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor vewerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

het snijwerk nam twee dagen in beslag.)

De taal van civilisatie is zakelijk en hard en vormt een confronterend contrast met Johanna’s ‘boterzacht.’ Het snijwerk komt daarna extra hard aan. Zo hakt een gedicht er wel in met een engagement dat observerend aanstipt zonder te oordelen.

Het mooiste vind ik wanneer Smits emotie in haar teksten toelaat, zoals in mijn favoriete zinnen uit het titelgedicht.

(mijn plantenmix huilde onder de douche
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef
in de uitgeknipte aarde )

Hier spreekt Maartje Smits zich uit en ik weet, nee ik voel, wat haar boodschap is.
Ze vertelt van personificatie en eenheid met de natuur en schetst tegelijk een mensbeeld. De mens die het leven uitknipt dat hij wil hebben, als plaatjes uit een catalogus op een verlanglijstje en de natuur die hieronder lijdt.

Ik vermoed dat ook de gedichten die onpersoonlijker lijken meer tot leven komen als de dichteres ze voordraagt. Gelukkig kon ik op haar website direct mijn verlangen stillen en mijn vermoeden bevestigd weten. In de voordracht worden gedichten die op papier moeilijk zijn te volgen vanzelf toegankelijk. Naast haar talent voor beeld en taal is Smits namelijk ook een perform-talent en ze zal zeker, op steeds weer verrassende wijze, nog veel van zich laten horen.