Recensie van Atlas van de tijd - Anneke Wasscher

Woorden leggen op lege plekken

Anneke Wasscher
Atlas van de tijd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411198
€ 15,00
78 blz.

Een bundel openen met een gedicht dat ‘Hartslag’ heet, waarin de dichteres speelt met woorden als blootgeven, het zwijgen van de lichaamstaal en het spreken van dromen, daarmee trek je de lezer ogenblikkelijk de bundel in, of hij niet nu wil of niet. Atlas van de tijd van Anneke Wasscher suggereert een overzicht van poëzie die in een bepaalde tijd geschreven is. Dat is ook zo, ik lees in de begeleidende tekst dat de bundel ‘de oogst van tien jaar dichterschap’ is, maar na het lezen van het eerste gedicht vermoed ik dat vooral het kleine, het intieme, het fragiele een belangrijke plaats inneemt in haar gedichten. Dat is dus meer dan een overzicht van de tijd. Dat laatste blijkt zeker uit de eerste reeks ‘we leggen nieuwe woorden op een open plek’. Het openingsgedicht luidt aldus:

hartslag

zolang we elkaar beminnen zullen
zomers koosnamen fluisteren
geef jij je bloot in elke kus en oogopslag
lichaamstaal weet niet wat zwijgen is

we leggen nieuwe woorden op een lege plek
de zin vindt klankkleur van een liefdeslied
hemelsbreed herhaalt een vergezicht het ritme
van een oud gedicht dat ooit geschreven werd

kom bij me liggen in de wieg van diepe slaap
waar dromen spreken in een taal die tijdloos is

Wanneer je verder leest in de bundel, ga je niet alleen op zoek naar wie de ‘je’ kan zijn, maar je ontdekt ook een tijdlijn die voor veel lezers herkenbaar zal zijn: van samenzijn naar toekomst naar scheiding naar het vasthouden van (pijnlijke) herinneringen. Kortom, de eerste reeks in de bundel is het poëtisch verslag van een crisis, die een lange periode van een leven in beslag neemt. Vanuit het perspectief van de tijd ziet het voortgaan van de tijd in de gedichten van Wasscher er zo uit: de tijd is onder andere zichtbaar in een scheefgezakte schutting, in verf die loslaat. Ze is een lijn die je kunt volgen, een lijn die een houvast is: een bomenrij, strepen op de weg, hoewel de dichteres ook zegt: ‘en ik / ben niet in staat iets vast te houden’. Vooruitkijken blijft mogelijk, maar: ‘we hebben uitzicht op de tuin waar / nooit iets nieuws meer groeien zal’ tot het moment dat ‘het laatste beeld van jou verdwijnt’. Deze eerste reeks eindigt met boosheid, gemis, met ‘brieven in de la’, met de dood van de ander: ‘zijn uitvaart draagt een boetekleed / met sluiers van besloten kring’. De laatste gedichten gaan over de vermeende aanwezigheid van de ander, over de stilte met de aanwezige tekens, littekens en levenstekens.

Na de tweede reeks ‘een vleugel vangt beloftes van de zon’ met een zevental miniaturen die namen van personen dragen, pakt de dichteres het thema van de voortgang en vergankelijkheid van de tijd in de derde reeks ‘de onbegrijpelijke pantomime van eeuwigheid’ weer op. De gedichten zijn in relatie tot de thematiek wat abstracter dan de gedichten in de eerste reeks. Onderwerpen als licht en donker, de maan, het levenslicht en de winter komen langs en voeren de lezer mee naar een eindpunt: ‘nog een laatste hek in ’t landschap / opgenomen, dan een wei’. De dichteres heeft ook in deze afdeling veel aandacht voor lijnen en verbindingen die tijd zichtbaar maken, zoals een web, de smalle paden van de ouderdom, de langdradige verhalen van een vergezicht in een winterlandschap en bomen die de rijen sluiten. Wanneer het je als dichter lukt de tijdsmomenten met elkaar te verbinden, dan krijg je wellicht vat op de tijd en op je eigen tijd van leven. Mooi is het gedicht ’cirkel’ met een bloedkoralen ketting als metafoor voor de familieband, de bloedband. Het gedicht ‘de tijd’, waarmee deze reeks opent, wil ik de lezer niet onthouden. Ook hier is de hartslag aanwezig:

de tijd

ik kan niet om haar heen
ze spint het levenslicht in
een onzichtbaar web

ontsnappen is onmogelijk
ik ben gebonden aan haar
flinterdunne rag

ze is lijfelijk dichtbij
het ritme van haar hart
is hoorbaar in mijn stem

soms stelt ze me gerust
met mythes over eeuwigheid

Verrassend is de vierde afdeling ‘schuilen in de schaduw van het zwijgen’ met ontroerende gedichten over haar ouder wordende vader en moeder. Hoe mooi is de eenzaamheid van een oudere verwoord in de tweede strofe van het gedicht ‘als het later wordt’ met de versregels: ‘nu iedereen is weggegaan en niemand / meer de naam draagt van een vriend / praat hij voortdurend in zichzelf’. De gedichten in deze reeks zijn een concretisering van het ouder worden van de vader, de noodzakelijke verzorging, en zijn sterven dat te lezen is in ‘zeemeeuw’, het slotgedicht van de reeks. Even denk ik bij de titel: al weer één. Welke dichter heeft geen gedicht geschreven met een ‘meeuw’-metaforiek? De Nederlandse poëzie is overstelpt met ‘meeuw’-gedichten. Meeuwen die onbeweeglijk op meerpalen zitten te peinzen of boven de wijde zee hun rondjes vliegen. Maar dit gedicht ‘zeemeeuw’ is zeer betekenisvol als afsluiter van de reeks en als verbeelding van de dood van de vader met de fraaie openingsstrofe: ‘de morgen is bewogen / wanneer ik langs het strand / je lichaam vind’.

In de laatste afdeling ‘altijd verder dan een weg of wens begrijpen zal’ spreekt in het gedicht ‘juttersgeluk’, dat een ode is aan J. Slauerhoff, de ‘ik’ de dichteres en haar dichterschap toe met ‘je’ en met beelden als ‘jouw zee’, jouw storm’ en ‘jouw levenslied’. Daarna neemt de dichteres de lezer mee naar monumenten als het kerkje van Midwolde, Borg Nienoord te Leek en de Martinitoren in Groningen om te eindigen in Westerbork met een gedicht over de davidster.

De poëzie van Anneke Wasscher is beeldrijk. De beelden die ze in haar gedichten hanteert zijn altijd raak en begrijpelijk. Haar gedichten zijn toegankelijk, ze roepen niet alleen een bepaalde sfeer op, maar ze durven ook op verfijnde wijze beladen onderwerpen aan de orde te stellen. De dichteres schrijft heel precies en is streng voor zichzelf. Gevoeligheid is alom aanwezig in haar poëzie, alles wat neigt naar het sentimentele is vermeden. De woorden die ze op lege plekken legt, moeten precies passen en dat doen ze ook.

***
Atlas van de tijd is het debuut van Anneke Wasscher (1946). Gedichten van haar zijn opgenomen in verschillende bloemlezingen. Een interview met haar is te lezen in Meander.

Recensie van de tuimelaar - Harry M.P. van de Vijfeijke

De dichter als chroniqueur van zijn eigen private leven

Harry M.P. van de Vijfeijke
de tuimelaar
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411211
€ 15,00
88 blz.

Er lopen honderden dichters in Nederland rond die verdienstelijk hun vak verstaan, maar nooit echt zijn doorgebroken. Harry M.P. van de Vijfeijke is een van hen. Zijn eerste bundels (1986, 1996) bracht hij in eigen beheer uit. de tuimelaar is zijn zevende bundel, en zijn derde bundel bij uitgeverij Kontrast.
De eerste afdeling, ‘Gewricht’, gaat zeer nadrukkelijk over het dichten. In acht van de twintig gedichten komt het woord ‘gedicht’ zelfs letterlijk voor. De dichter bevindt zich in de natuur, doet wat observaties op een terras, en dan ‘het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier’, ‘laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht’. En in de andere gedichten is het ‘wachten op wat woorden’, ‘tekent grimmig wat aan’ tot een slotregel als ‘Zijn eigen woorden staren hem zigzaggend aan.’ Een strengere redacteur had hem hiervoor kunnen behoeden. Nu stelt de dichter zelf: ‘Het is daarom dat ik mij onttrek, / het teveel aan bet- en best- en beterweters, / op zoek naar het vrijwarende vertrek.’ Maar ondertussen werd wel een recensie-exemplaar verstuurd. De titel van de bundel vinden we terug in ‘Kleine dichter, grote tuimelaar, / in de woede van verstrijken en heelal.’ De dichter als een poppetje dat na elke val vanzelf weer rechtop gaat staan. De titel van de bundel wordt daarbij nadrukkelijk zonder hoofdletter geschreven.
In ‘Genadeslag’ zijn gedichten over wonen en leven in Nijmegen en andere steden bijeengebracht. Herinneringen aan de Stevenstoren, Café de Kersenboom, Mariken en aan de Waagh: ‘Ik schrijf mij nog altijd / uit mijn evenwicht, nu op het Waaghterras, / in goeden doen, maar voor een klein gehoor / en goeddeels uitverteld.’
‘Bekkendans’ handelt over liefde en familie. Incidenteel treffen we een verwijzing naar ander werk aan: ‘Magnolia, wat bloeit mij aan, ik barst / bij het zien van zoveel borsten, billen uit elkaar.’ Een ander liefdesgedicht eindigt nogal woordspelig: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht. / Het zijn dagen dat een leven glimt en lacht. / Tij, herverwacht.’
‘Melkverzen’ bevat veel jeugdherinneringen, waarin de vader een belangrijke rol speelt. Het is de meest geslaagde afdeling van de bundel. ‘Aan de schoft van koe en paard / mijn vaders hand, was aan de lijn / geblokt, geruit, droog waaiend / naar mijn moeders mand.’ Daarnaast kijkt hij terug op zijn leven: ‘Nu wijs ik laat en droef en geestig naar het oude lijf.’ De dichter lijkt hier zowel op zijn overleden vader te doelen, als op zichzelf, op een leeftijd waarin hij in zichzelf steeds meer zijn vader herkent: ‘De wijsgeer heeft gelijk, mijn dode vader / leeft. Zijn stekelhaar staat eeuwig overeind, / manchester bolt ter hoogte van zijn knieën.’
Op de flaptekst van Het heeft verband (2001) schreef Victor Vroomkoning: ‘De dichter is de chroniqueur van zijn eigen private leven in een klein gehouden wereld.’ Deze kenschets is onverkort van toepassing op de huidige bundel.

Na het voltooien van deze korte bespreking, las ik min of meer bij toeval de toespraak die Victor Vroomkoning hield bij de presentatie van ‘de tuimelaar’. Vroomkoning was heel wat minder kritisch dan ondergetekende in bovenstaand relaas. Dat laat nog maar eens zien, dat er veel verschillende manieren zijn om naar poëzie te kijken, zelfs wanneer het om dezelfde gedichten gaat. U zult misschien zeggen: nogal logisch dat Vroomkoning zoveel positiever is, gezien de gelegenheid waarbij hij sprak. Interessant is echter, dat hij een aantal eendere voorbeelden aanhaalt, om tot een geheel andere interpretatie te komen. Ik geef deze hier onverkort weer:

“De gedichten in de eerste afdeling (‘Gewricht’) laten zien hoe de dichter werkt, hoe hij verlangt naar het proces, hoe hij toebereidselen treft, zoals een schilder voor zijn ezel waarop het lege doek prijkt. We bevinden ons in de smidse van de dichter, de plaats waar zijn poëzie tot stand komt, en dat is ín het gedicht zelf, het is zowel een handleiding tot het maken van gedichten als het tot stand komen daarvan. ‘Kijk, lezer; lees, kijker, zo gaat dat bij mij er aan toe’, laat de dichter vermoeden. De gedichten zijn in hun opbouw bijna zonder uitzondering aan elkaar gelijk: ze beginnen met de bedoeling een vers te maken en eindigen met regels die het gedicht opleveren, létterlijk. Het gedicht is dan afgerond. Van de Vijfeijke is –hij noemt het zelf ook zo– verzenmelker; hij trekt de stad in, het land in, de polder, de natuur en wacht tot het gedicht komt, en het er staat. Ik laat u een aantal van de slotregels horen: 
- en dan/ het langverwachte openslaan van het gelaagd papier (…), het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier.– De oefening, de opdracht,/ en in het wringen het gedicht.– leve het gedicht. — Na een dag van wachten op wat woorden / klinkt er een gedicht,– En elk kladvel schrijf ik tot / de boorden vol.– laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht.– gedichten als krullen van verslag — Het redden voorbij, de poëzie zal je leren.”

“In de tweede afdeling van de bundel, ‘Genadeslag’, vinden we Van de Vijfeijke terug als chroniqueur van het leven, in het bijzonder dat van de mens, lees: de dichter, lees hemzelf in Nijmegen en verre omgeving. Café De Kersenboom, de Stevenstoren, de Waagh, Mariken , de Hezel en de Lange Hezel passeren maar ook wat buiten de stad ligt.  
Je ziet hem zitten achter transparante gevels: kijk, daar zit een dichter, hij ziet ons, en weet dat men hem ziet en gaat er dan eens goed voor zitten. Begrijp me niet verkeerd: deze dichter is oprecht in wat hij nastreeft: een dichter te zijn met de blik op het eindige. Ik mocht laatst een paar uur met hem verkeren, en het is frappant hoeveel cafés hij van binnen kent en welke uitzichten vanuit dat café. ‘Je kunt daar goed zitten’, zegt hij’, ‘daar aan het raam’; hij bedoelt met zitten: schrijven of wachten op het moment dat hij, Harry Van de Vijfeijke, transformeert tot Harry M. P. van de Vijfeijke, van burgerman tot dichter.”

“In de afdeling ‘Bekkendans’ is Van de Vijfeijke lyrischer, ook zachter, lichter, milder dan in de andere afdelingen maar toch weer ingehouden. (…) Hij tipt aan in mooie metaforen, bijvoorbeeld dat bomen het met elkaar doen: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht’. Of twee katten: ‘de vrouw spinnend als een voorjaarskat. / Hij kater, goedgevlekt, de sprong zijn habitat.’“

Wie er gelijk heeft, of de waarheid in het midden ligt, of er in dit geval überhaupt zoiets als waarheid bestaat: ik laat het graag aan de lezer over.

Recensie van Waar leg ik mijn hart - Wendela de Vos

Geen gewoon liefdesverhaal

Wendela de Vos
Waar leg ik mijn hart
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411235
€ 15
72 blz.

De kleuren van de debuutbundel van Wendela de Vos zijn verrassend sober. Een zacht groengrijs, met op de achterkant een diep blauwgroen. Niet de kleuren die je verwacht bij een ‘liefdesverhaal in gedichten’. En ook in het lettermozaïek dat de voorkant siert ontbreekt de kleur rood nadrukkelijk. Waar leg ik mijn hart  is dan ook geen gewoon liefdesverhaal. In de opbouw klinkt de theaterachtergrond van de auteur duidelijk door. De verschillende gedichten zijn als losse scènes in een toneelstuk, het is aan de lezer om hier een verhaallijn doorheen te weven. En dat verhaal is alles behalve een zoet vissersromannetje, geen Zout op mijn huid in verzen.
Het scenische karakter wordt versterkt doordat elk gedicht op zichzelf staat, tegenover een lege linkerbladzijde. De witte ruimte wordt deels gevuld met grote letters, die één woord uit de tekst (niet per se de titel) eruit lichten. Het losse karakter van deze grafische illustraties, van de hand van Frans Lieshout, brengen een speels element in de af en toe zware tekst.
Het openingsgedicht zet de toon:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

De toon is sober. Weinig interpunctie – ik kom hier later op terug. De vraag van de laatste twee regels klinkt onheilspellend. Dat wordt versterkt doordat de eerste twee woorden vetgedrukt zijn: Liefde baart. Naast ‘geboorte’ klinkt vanzelf de vaste combinatie: ‘dat baart mij zorgen’ mee. Het woord ‘muilen’, dat hier de linkerpagina siert, voert ons terug in de tijd. Het ‘kunstig geborduurde’ wijst op het oude handwerk in lange, donkere winters. We krijgen een beeld van een traditionele protestantse gemeenschap. De confrontatie met het hogere neemt -als in een variant op Job- in de bundel een belangrijke plaats in.
In de volgende gedichten maken we kennis met de zee en het zand, en met de vele generaties (‘waar achter mannen droomden van / mijn moeders moeder in het maanlicht’) die hier geworteld zijn. Dan ontspint zich een idylle: ‘Wacht / nog niet weggaan // nog een keer / ruiken / je vettige vest / strelen / je raspende wang / proeven / je bittere mond’. De stem van een vrouw, die haar geliefde niet wil laten gaan. Het volgende gedicht is in dialoogvorm geschreven. De stem van een man, die zegt ‘Ik wil je niet’, maar de achterblijfster ook aanspoort niet ongerust te worden als het weer omslaat en slechte tijdingen binnendruppelen. Misschien wil hij de vrouw wel beschermen voor verdriet, door haar nog niet aan zich te binden. De vrouw antwoordt met één van de mooiste gedichten uit de bundel:

Wilt mijn lief bewaren
voor sterloze nachten
voor ondiepe geulen
voor masthoge golven
voor mist en voor ijs

wilt mijn lief bewaren
voor striemende regens
voor snijdende winden
voor losslaande ankers
voor uitwaaiend vuur

wilt mijn lief bewaren
voor brekende touwen
voor scheurende zeilen
voor splinters en nagels
voor rotting en koorts

wilt mijn lief bewaren
voor roepende stemmen
voor lokkende vingers
voor zingende rotsen

wilt mijn lief bewaren

heer

voor mij

De zee is immers vol gevaren. Maar ook vreemde havens kunnen de liefde bedreigen, evenals de ‘zingende rotsen’ waarin we de Lorelei herkennen. De werkwoordsvorm ‘wilt’ is statig, passend bij de aanroep van de heer, die hier -anders dan God en de Grote Storm verderop in de bundel- geen hoofdletter krijgt.
In sterk afwisselende gedichten ontvouwt zich een geschiedenis van liefde, verlies, wanhoop en rouw. Om het een beetje spannend te houden zal ik het verdere verloop, zo dit al eenduidig is, niet uit de doeken doen. In de aantekeningen vertelt de auteur, dat de dichtbundel geïnspireerd is op de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke in Denemarken. Deze 13e-eeuwse Deense kerk raakte vanaf 1775 meer en meer onder het duinzand bedolven. Aanvankelijk lukte het de gelovigen nog om na elke storm de kerk weer uit te graven, maar na een laatste grote storm gaven zij het in 1795 op. Nu steekt alleen nog een deel van de witte toren boven het zand uit.
De Vos weet met rake details de barre omstandigheden van het vissersleven in voorbije tijden op te roepen: ‘planken een dekzeil / spaanders turf kisten / strobalen houtskool (…) het raast het vlerkt / stuitert tolt grauwt / slaat zichzelf stuk’. Veel zintuiglijke indrukken, stank, kou en pijn. En overal zand. De illusie van een maagdelijk strand, waar je als eerste je voeten op zet. Zand dat nieuw land vormt. Maar ook de verpletterende kracht van ‘korrel boven korrel’. En tenslotte: ‘Als alles verloren / dan nog altijd het bed van zand’.
Zoals gezegd is er een grote variatie in stijl in de gedichten. Meer dan van klank maakt de dichter gebruik van parallellie en opsommingen. Vaak smalle gedichten, met regels van hooguit drie woorden. Vrijwel geen interpunctie en alleen aan het begin van het gedicht een hoofdletter. Een uitzondering vormt het gedicht ‘Zijn storm’, waarin de korte, schuingedrukte regels staccato op de lezer inbeuken. De eerste regel van elk gedicht is, bij wijze van titel, vet gedrukt. Alleen in de eerste twee gedichten is slechts een gedeelte van de regel vet, terwijl de titel in de inhoudsopgave toch uit de hele eerste regel bestaat.
De uiteenlopende scènes leveren geen pasklaar verhaal. De lezer wordt uitgenodigd de verschillende fragmenten verder in te vullen, en misschien zelfs te verbinden met eigen ervaringen. Want hoewel Waar leg ik mijn hart is ingekleurd met historische details, is het bovenal een tijdloos verhaal waarin universele menselijke vragen en verlangens de hoofdrol spelen.

***
Wendela de Vos (1947) volgde een opleiding aan de Theaterschool en was tot 2006 werkzaam bij diverse grote en kleine theatergroepen. Waar leg ik mijn hart is haar eerste dichtbundel. Zij schreef het libretto voor het oratorium ‘Nova Zembla’ en onder de naam Tupla M. literaire thrillers. Haar oeuvre strekt zich uit van kort verhaal tot kinderpoëzie, van column tot toneeltekst. 
Waar leg ik mijn hart is de negende uitgave in de reeks OPEN van uitgever Kontrast.

Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70

Recensie van Hoe een zee een woord werd - Antoinette Sisto

Zonder wijzers

Antoinette Sisto
Hoe een zee een woord werd
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411174
€ 15,00
86 blz.

Hoe een zee een woord werd is de vierde bundel van Antoinette Sisto. De titel is in eerste instantie onopvallend, maar roept bij nadere beschouwing nieuwsgierig makende vragen op. In de eerste plaats het woord ‘hoe’: is er sprake van een vertelling? Laat de bundel een transformatie zien van zee naar woord, in casu poëzie? En dan dat onbepaalde lidwoord ‘een’: gaat het niet om een specifieke zee?
Het is al snel duidelijk dat ‘een zee’ onderdeel is van een metafoor die vaak voorkomt in spreektaal. In een van de gedichten zegt ze soms de wetenschap te missen ‘dat er een zee / van tijd was om in te zwemmen.’ ‘Een zee van tijd’ en ‘zwemmen in de tijd’: die beelden kent iedereen.

Het gaat om een bundel over de beleving van tijd. Op de vraag hoe die tijd poëzie wordt, kom ik nog terug. De dichter presenteert het tijdsverloop niet lineair: ze weet op een soepele manier te schakelen tussen verleden, heden en toekomst, soms in één gedicht. Haar werkwijze in de hele bundel vind je terug in de titels van de gedichten in de laatste afdeling, ‘Speelduur 05.12’: ‘Rec’, ‘Play’, Ffwd’, ‘Pause’, ‘Rewind’, ‘Stop’.

Het schuiven met tijd kan onder andere een manier zijn om te leven met verlies. Sisto’s vorige bundel, Dichter bij de dagen, ging over de ziekte en dood van haar geliefde. Ook in deze bundel verwijzen sommige gedichten zichtbaar naar hem, wat niet betekent dat je de gedichten per se als autobiografisch moet lezen: ze zijn herkenbaar voor iedereen die het verdriet kent of zich daarin kan inleven. Een van de meest ontroerende liefdesgedichten die ik de laatste jaren heb gelezen is ‘Allerliefste (ongedateerd) s.v.p. thuis openmaken, wanneer je alleen bent, alleen-lezen document’. Het is een zeer eigentijds gedicht met een verrassend perspectief: niet de achterblijver is aan het woord, maar de dode: hij heeft een digitale brief achtergelaten. We zien hier de overtuigende kracht van de verbeelding: door deze vorm te kiezen komt de geliefde heel dichtbij. Het gedicht is lang, maar ik kan het niet laten om het in zijn geheel te citeren.

Wanneer je deze brief leest
ben ik onvindbaar
buiten bereik van uren en dagen
er zijn geen sporen die mij terughalen
alleen gelaten heb ik jou in alle vrijheid.

Wees gerust, je Facebookvrienden kennen me niet
op Google krijg je 0 resultaten
en ook andere zoekmachines
hebben mij gewist en opgegeven
in hun bestanden kom ik niet voor.

Ik heb voor honderd procent van je gehouden
dat zal ik altijd blijven doen
er is geen scherm waar wij ontmoeten
maar in elke spiegel zie je mijn ogen
kijk gewoon wanneer je behoefte voelt.

Een foto van ons samen in the cloud
is opgeslagen
waar ik ook ben en niet ben
ik zie ons hoe we waren
zonder klokken om ons
te herinneren aan tijd en dat wij eindig zijn.

Weet je nog hoe we lachten om niets
hoe we samen ’s avonds laat zonder slaap
ik zie ik zie wat jij niet?
Doe het licht uit en ik ben daar.

voor altijd, X
je W.

Een klok wijst op de eindigheid van het leven, een zee van tijd doet dit vergeten: waarom de dichter die zee in poëzie wil omzetten, is nu wel duidelijk. Poëzie kan je de illusie van oneindigheid geven – zolang het gedicht duurt.
Maar hoe doet ze dat? Door alledaagse metaforen te combineren met een interne symboliek die zij opbouwt door woorden, woordvelden of -groepen te herhalen in vergelijkbare contexten. Ramen of vensters blijken zicht te geven op andere tijden, spiegelglas weerkaatst het heden, een geliefde kan een stad zijn waarin je steeds beter thuis raakt, een huis biedt geborgenheid. Met symbolen kun je verbeelden wat zich moeilijk laat zeggen.
Sisto doet dat soms op een verrassend luchtige manier. In ‘Dolce far niente’ beschrijft ze een heerlijk luie zomermiddag: ‘Leg jezelf in een zachte hangmat ( … ) plaats je voeten als wijzers in de middagzon // blijf dan star als een hagedis / bedenk wat je met die zee van minuten / ogenblikken, blauwe golfslagen / allemaal nog meer niet hoeft te doen’. Om terug te komen op bovengenoemde ‘Speelduur 05.12’: het afspeelapparaat staat nu op pauze en de dichter kan alles even van zich af laten glijden.
Het apparaat staat ook weleens op stop. Een mooie illustratie biedt ‘De lengte van een zomer’, waarin de dichter in haar droom gelukkige momenten uit haar jeugd stilzet. De laatste strofen doen denken aan Annie M.G. Schmidt:

’s avonds komt oma op sherrybezoek
zie je wel het gaat toch dooien
ik voel het aan mijn likdoorn, zegt ze
morgen vallen er chocoladehagelstenen

in mijn droom is het jarenlang zomer
ik blijf vijf op mijn elfde verjaardag
mijn opa wordt er niet grijzer op
ik fiets rondjes om steeds dezelfde woning.

Hoe een zee een woord werd is een mooie bundel. Op die interne symboliek moet je greep krijgen, maar als je die moeite neemt, word je ruimschoots beloond.

***
Antoinette Sisto (Almelo, 1963) is dichter, vertaler, poëzieredacteur bij Meander en editor Italië bij Poetry International. In 2006 verscheen haar debuutbundel Het verre huis, in 2013 Dichter bij de dagen en in 2014 Iemand moet altijd gemist worden.