Recensie van Morgue en andere gedichten - Gottfried Benn

Goedemorgen. Poëzie die wakker schudt

Gottfried Benn
Vertaler: Huub Beurskens
Morgue en andere gedichten
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313393
€ 15
39 blz.

Dat hij zich met het instampen van naamvallen, geslachten en vervoegingen niet geliefd zou maken, moet mijn leraar Duits hebben geweten, en de Duitse taal, toch al niet populair in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, zou hij er geen dienst mee bewijzen.
Waarschijnlijk besteedde hij daarom meer aandacht aan de Duitse cultuur, met name aan de literatuur en de liedkunst. Hij declameerde Goethe  en Heine en draaide Schubert. Op een ochtend, eerste lesuur, droeg hij, om de dag te openen het volgende gedicht voor van ene Gottfried Benn:

Mooie jeugd

De mond van het meisje dat lang in het riet gelegen had
zag er zo aangeknaagd uit.
Toen men haar borst openbrak, zat de slokdarm zo vol gaten.
In een prieel onder het middenrif ten slotte
vond men een nest jonge ratten.
Een klein zusje lag er dood.
De andere leefden van lever en nieren,
dronken het koude bloed en hadden
hier een mooie jeugd doorgebracht.
En mooi en gauw kwam ook hun dood:
Men gooide het hele stel in het water.
Ach, wat piepten die kleine snuiten!

Wij, zijn leerlingen, de slaap nog niet uit de ogen gewreven,  waren op slag wakker.

Wie was deze Gottfried Benn? Geboren in 1886, zoon van een dominee, studeerde na aandringen van pa theologie, wat hem niet beviel. Hij schakelde over op geneeskunde en chirurgie, een vakgebied dat hem inspireerde tot zijn overlijden in 1956 en tot zijn debuutbundel ‘Morgue en andere gedichten’ in 1912.
Het gedicht dat ons adolescenten zo trof was er een van de zesdelige cyclus ‘Morgue’, wat lijkenhuis betekent.
Ook de andere gedichten in deze reeks gaan niet zozeer over de dood in de zin van de teloorgang van de ziel maar om het aangezicht van wat er tastbaar overblijft na het overlijden, het lijk.
Dat was men in dichterskringen  niet gewend, ‘Tod und Liebe’ dat was waar het om ging, niet om het stof waaruit wij komen en wederkeren;  ‘Morgue’ werd dan ook zeer kritisch ontvangen, men vond het pervers en cynisch en dat laatste kan niet worden ontkend in onder meer het gedicht ‘Kringloop’: ‘De eenzame kies van een snol / die naamloos gestorven was / had een gouden vulling. / De rest was als bij stille afspraak / uitgevallen. / De lijkbezorger tikte die ene eruit, / verpatste hem en ging ervan uit dansen. / Want, zei hij, / alleen aarde moet tot aarde worden’.

Behalve degenen die negatieve kritiek hadden, waren er gelukkig ook recensenten die Benn een interessant ‘geval’ vonden, voer voor psychiaters. Men vond het moedig om openhartig over dingen te schrijven als rottende kadavers en walgelijke autopsies.
De meesten onder hen meenden echter tevens dat zijn werk weinig artistieke waarde had omdat er weliswaar menselijkheid in zijn gedichten te bespeuren viel maar dat deze niet bepaald poëtisch was.
Wat de vorm van veel werk van Benn betreft ben ik het met die laatste mening eens. In feite zijn vele gedichten eerder proza: losse met een hoofdletter beginnende en met een punt eindigende zinnen, hier en daar willekeurig afgebroken om het op een gedicht te doen lijken.
Toch maakt het een onuitwisbare indruk, of het nu proza is of poëzie.

Merkwaardig is dat niet deze vorm werd aangevallen maar de inhoud.
En ook merkwaardig dat  de uitgever van dit debuut, Alfred Meyer, niet de gedichten opnam die Gottfried Benn zelf beter achtte en liever in de bundel had gezien.
Het ging de boekenmaker kennelijk om de sensatie, niet om de kwaliteit, iets wat in de huidige tijd een bijna geaccepteerd verschijnsel is. Maar goed, het opende voor Gottfried Benn wel de mogelijkheid om verder te publiceren en ofschoon hij daarvan gretig gebruik maakte, wat een indrukwekkend oeuvre opleverde en hem in 1951, vijf jaar voor zijn dood, de Georg-Büchner-Preis opleverde, wordt zijn werk behalve Morgue en andere gedichten nauwelijks meer gelezen.
Over de ‘andere gedichten’ gesproken, daar staan wel strofen in met een hoog dichterlijk gehalte, bijvoorbeeld in:

Man en vrouw lopen door de kankerbarak

De man:

Hier, dit is een rij aangevreten schoot
en dit is een rij vervallen borst.
Bed stinkt naast bed. De zusters verschonen elk uur.

Kom, til gerust deze deken op.
Kijk, deze homp vet en rotte sappen
Dat was ooit de trots van een of andere man
Dat heette ook roes en vaderland –

(…)

En ook treft men  wel erg gezochte formuleringen aan in sommige verzen:

Nachtcafé
(…)
Groene tanden, pukkel in het gezicht
wenkt een ooglidontsteking.
(…)

Was de eigenzinnige Benn een van de voorlopers van het Duitse expressionisme dat putte uit het onderbewuste en zich afzette tegen de passieve zienswijze van  het impressionisme?
Dat vraagt om nuancering; hij was bezeten van de geneeskunde en de snijkamer  en vanuit die passie beschreef hij de werkelijkheid zonder illusies te koesteren. Hij vervormde de realiteit nauwelijks. En dat laatste was wel wat het expressionisme karakteriseerde.
Je zou kunnen zeggen dat hij voor de Eerste Wereldoorlog  wakker schudde,  wat zich na die oorlog ontwikkelde tot het expressionisme. 

De jonge uitgeverij Koppernik stelt zich geen ander doel dan uit te geven wat zij mooi en van belang acht en niet om de commercie te behagen; het gaat haar om niveau met een voorkeur voor gedurfde en uitdagende teksten en zij heeft zich met deze integrale heruitgave bewonderenswaardig aan dit streven gehouden.

Recensie van Finisterre - Eugenio Montale

Naar het einde der taal

Eugenio Montale
Finisterre
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313362
€ 21,50
156 blz.

Het vertalen van poëzie behoort tot het moeilijkste dat een vertaler kan ondernemen. Een tekst, lyrisch of bezwerend, geworteld in een andere cultuur met eigen linguïstische wetten en literaire codes overbrengen naar een andere taal met volstrekt andere taalkundige voorschriften, culturele codes en poëtische tradities, met behoud van de schoonheid en inhoud van het gedicht, is bijkans onmogelijk, tenzij de vertaler volledig in de huid en het hoofd van de dichter kruipt en diens tekst poëtisch herschept. Slaagt een vertaler daarin dan bereikt hij of zij twee belangrijke resultaten. Allereerst: de lezer kan kennis maken met een auteur uit een ander cultuurgebied, maar terzelfder tijd voegt de vertaling iets toe aan de poëtische schatkamer van het  eigen taalgebied. Je moet letten op betekenissen, dubbele bodems, kleur, specifieke gebruiken, aantal lettergrepen, versvormen et cetera. Je moet de taal door-en-door kennen en met die kennis gewapend je verplaatsen in de gedachtenwereld van de dichter. Vooruitlopend op de conclusie: ik denk dat Liesje Schreuders dat gedaan heeft: de 15 gedichten die tezamen de cyclus Finisterre van de Italiaanse dichter Eugenio Montale (Genua 1896 – Milaan 1981) vormen, zijn in het Nederlands goed leesbaar en leveren op zich heldere poëzie op. Als we kennisnemen van de inleiding die Cees Nooteboom geschreven heeft in dit boek, dan blijkt deze prestatie niet te onderschatten. Nooteboom noemt het werk : ‘een weerbarstig eiland, geheimzinnig, duister, moeilijk in door te dringen …. een gesloten denksysteem, dat zich verborgen heeft in schoonheid, dat betekenis suggereert’. Nooteboom stelt: ‘Er zijn codes die je niet kent, literaire citaten en toespelingen waar je je als niet-Italiaan niet van bewust bent’. Ik zou zeggen: ga er maar aan staan.

Mijn eigen ervaringen met de Italiaanse poëzie en vertalingen uit het Nederlands waar ik bij betrokken was leerden mij hoe moeilijk en zwaar vertalen is. Samen met een filoloog maakte ik mijn gedichten af in ‘echt’ Italiaans, mijn vertaling was bijna letterlijk, ik had het grote voorrecht met de vertaler mee te werken. Na een sessie waarin we zes regels deden waren we aan het einde van ons (neo)Latijn. Vertalen vanuit het Italiaans is misschien nog moeilijker omdat de taal synthetischer is dan het Nederlands, het klanksysteem anders. Het Nederlands is iets soepeler in zijn vormen en biedt vaak meer modale vrijheid, die je overigens niet altijd wilt, kunt of mag gebruiken.

Eugenio Montale werkte in de jaren dertig in Florence. Zonder zich expliciet uit te spreken in pamfletten weerspiegelen zijn gedichten de sombere tijd van voor de wereldoorlog. Hij behoorde tot de groep rondom het tijdschrift ‘Solaria’. Hij ontdekte Italo Svevo en werkte samen met Carlo Levi en Mario Praz. Hij was dichter, schrijver en muziekcriticus. Zijn eerste bundel, Ossi di seppia (Zeeschuim), verscheen in 1925, een maand na de publicatie van het Manifesto degli intellettuali antifascisti, opgesteld door Benedetto Crose, mede door Montale ondertekend. De tijden verhardden nadat Mussolini zich meer en meer op Hitler richtte. Montale ontwikkelde zich tot een der toonaangevende figuren in de antifascistische literaire wereld. Benoemd in Florence als archivaris, werd hij  in 1938 uit die functie ontslagen, juist ook omdat hij geen fascist was. Daarna werkte hij o.a. als vertaler van Shakespeare. Diens taal, met name de Elisabethaanse sonnetten, heeft grote invloed op zijn werk gehad.

Van belang voor het begrijpen van de poëzie van Montale is zijn relatie met de Amerikaanse mediëviste en Italianiste Irma Brandeis, aan wie zijn bundel uit 1939, Le occasioni, is opgedragen; zij is ook de aangesproken figuur, de ‘tu’, in de gedichten uit de hier behandelde bundel. Finisterre verscheen in 1943 in Zwitserland, in Lugano, waar de tekst door een vriend naartoe was gesmokkeld. Later werd Finisterre een onderdeel van zijn derde bundel La bufera é altro, genoemd naar het eerste gedicht uit Finisterre. Montale noemt deze bundel ‘…de meest authentieke uitdrukking van zijn stem’ en tegelijkertijd, zoals opgemerkt door William Jay Smith in een artikel in ‘The new Criterion’ : ‘..het moeilijkste werk’.

Liesje Schreuders gaat in haar voorbeeldige en grondige inleiding in op die moeilijkheidsgraad.  Elke Italiaanse dichter, stelt ze, dient zich op de een of andere manier te verhouden tot de Italiaanse lyrische traditie (Dante, Petrarca, Leopardi, Foscolo, Pascoli, d’Annunzio). Montales verhouding met de Italiaanse cultuurtaal was, dat hij ‘de eloquentie van onze oude literaire taal de nek om wil draaien’, met daarbij vooral een wil tot muzikale expressie. 

Er is, en ik neem over uit de onmisbare inleiding, ‘een rijke woordenschat, vol archaïsmen, vreemde varianten, dialect’. De taal ‘klinkt niet meer zoetvloeiend, maar hoekig en onvoorspelbaar, vol knelpunten, breekpunten en valkuilen, vol expressief geweld’, met een ‘extreme tekstuele geslotenheid’. Het is gespannen en moeizame taal, tot op de grenzen van de poëzie. Verwijst de titel daarnaar: Finisterre, het einde van de wereld, metafoor voor het einde der taal? Of is het een verwijzing naar het einde der wereld, de sombere tijden van fascisme en oorlog? Enerzijds ‘vol verwijzing naar voorgangers, tegelijk modern en modernistisch’ vanwege het geven van een ‘nieuwe lading aan traditionele thema’s’. Montale is zowel ‘traditionalist’ als ‘metafysicus’. Kernpunt van zijn poëzie is volgens de dichter zelf : ‘Het onderwerp van mijn poëzie (en ik geloof van elke mogelijke poëzie) is de menselijke toestand op zichzelf beschouwd, niet de een of andere historische gebeurtenis, i.e. het recht van de poëzie om als poëzie gelezen te worden, niet als commentaar of voetnoot bij de wereldgeschiedenis’ (p. 34).

Naast deze inhoudelijke problemen, die niet gering zijn, zijn er ook nog typische vormproblemen. Montale gebruikt vaak de traditionele Italiaanse versvorm, de endecasyllabo (Nederlands: elflettergrepig vers of hendecasyllabe), een versvorm die teruggrijpt op de versvoeten van de Provencaalse troubadours. Italiaanse  versvoeten worden niet naar de versvoeten genoemd, maar naar het aantal lettergrepen. Het is zoals de naam al zegt, een vers van elf lettergrepen, waarbij de laatste lettergreep onbeklemtoond is en het belangrijkste metrische accent op de tiende lettergreep ligt. In de gedichten vindt men echter ook fonetische herhalingen, eindrijm, binnenrijm, halfrijm, imperfecte rijmen, rijmen met verschillende accenten. De vertaalster: ‘Montales metriek bestaat uit een nieuwe volgehouden regelmatigheid, die zinspeelt op klassieke regelmatigheid zonder haar na te bootsen en eigen normen creëert’. 

Al deze vormvoorschriften en –verschijnselen verzwaren het proces van vertalen. Het is dan ook logisch dat Liesje Schreuders een uitvoerige annotatie en verantwoording van keuzes aan de tweetalige teksten toevoegt. Ze geeft op de pagina’s 40 en 41 aan wat ze zich als doel had gesteld: ze wilde zoveel mogelijk Montale in de Nederlandse taal vatten. ‘Ik heb de Nederlandse taal dus in zekere zin getracht te veritaliaansen. Concreet betekent dat, dat ik ervoor heb gekozen om metrisch en rijmend te (proberen te) vertalen waar Montale metrisch en rijmend te werk ging, dus met behoud van het typisch Italiaanse hendecasyllabische vers en zelfs – als dat kon – met een bestudeerde weergave van klankcombinaties; om niet alleen de inhoud zo letterlijk mogelijk weer te geven, maar ook de vorm die immers met de inhoud samenhangt op de bijzondere wijze die hier boven besproken werd. Dat ik me hiermee een nogal onmogelijke taak heb gesteld, spreekt voor zich. Vooral wat de klanknabootsing betreft was ik grotendeels van het toeval afhankelijk’.

Eigenlijk zou ik nu de gedichten moeten bespreken, en het liefst allemaal, het zijn schatkamers voor close-readers, maar dan zou deze recensie te lang worden. Ik neem er een (kort) gedicht uit en sla de langere en de sonnetten over. Ik zal het gedicht tweetalig opnemen, dan doe ik zowel Montale als Liesje Schreuders recht.

LUNGOMARE

Il soffio cresce, il buio è rotto a squarci, 
e l’ombra che tu mandi sulla fragile 
palizzata s’arricicia. Troppo tardi

se vuoi esser te stessa! Dalla palma 
tonfa il sorcio, il baleno è sulla miccia 
sui lunghissimi cigli del tuo sguardo

LANGS DE ZEE

De wind steekt op, het donker scheurt aan flarden 
en de schaduw die jij over de wankele 
rij palen werpt, trekt krom. Te laat, te laat

als je jezelf wilt zijn! Vanuit de palmboom 
ploft de muis, de lichtflits likt aan de lont, 
aan de eindeloze wimpers van je gelaat.

Volgens Montale is Clizia er niet. ‘Het is allemaal realistisch, de palissade en de rest. Klein madrigaal van secundair belang’.  Liesje Schreuder merkt nog op, dat in de Italiaanse tekst elk vers bestaat uit een endecasillabo en eindigt met een ‘piana’, een trochee, behalve het tweede vers van de eerste strofe. Het gedicht wordt door het vele gebruik van binnen- en halfrijm een ‘compact hortend en geheimzinnig beladen gedicht’. Ze merkt ook nog op, dat sommige endecasillabi, als dat het ritme ten goede kwam, vertaald zijn ‘met negen in plaats van tien of elf lettergrepen’. Er zijn meer opmerkingen van de vertaalster. Koos ik in eerste instantie voor een vertaling van ’palma’ als ‘handpalm’, zij vertaalt  het woord, op grond van haar grondige kennis van zijn werk (‘op grond van vergelijking met ander werk van Montale’) als ‘palmboom’. Ook de laatste regel licht zij toe, waarbij de traditie te hulp wordt geroepen. Het woord ‘sguardo’ betekent eigenlijk ‘blik’, maar het is een woord dat aan Petrarca doet denken. Daarom heeft zij het woord als ‘gelaat’ vertaald en niet als ‘wimpers’. Het geeft aan met hoeveel zorg, kennis en creativiteit zij met de vertaling is bezig geweest. Het is met recht een herschepping van moeilijke poëzie, waarbij zij, door haar grote kennis van de taal en het oeuvre van de dichter, Finisterre tot een prachtig wetenschappelijk en literair verantwoorde vertaling heeft gemaakt die een plaats heeft verdiend in bloemlezingen en boekenkasten van mensen die meer van Italië willen weten dan cappuccino en spaghetti.

***

Liesje Schreuders (1979) is literatuurwetenschapper en docent literatuurgeschiedenis, gespecialiseerd in het Modernisme en de Italiaanse poëzie. Ze geeft in die hoedanigheid cursussen op de Amsterdamse Vrije Academie. Ze debuteerde op haar zestiende jaar met de roman  Aan de wilde kant. In 2001 volgde nog De zondagsleraar. Ze studeerde af op een scriptie met een lange naam: A spurious gentleman – en ook nog een Italiaan; representatie van het Italiaanse karkater in Daisy Miller van Henry James en in ‘Langs lijnen der geleidelijkheid’ van Louis Couperus. Ze is een groot bewonderaar van Louis Couperus.

Recensie van Apollo in de sneeuw - Alexander Koesjner

Grand old man?

Alexander Koesjner
Vertaler: Peter Zeeman
Apollo in de sneeuw
Uitgever: Koppernik
2017
ISBN 9789492313263
€ 15
48 blz.

Apollo in de sneeuw is een bloemlezing van de gedichten uit de periode 1962 – 1996 van Alexander Koesjner (1936). Peter Zeeman heeft de gedichten gekozen, vertaald en bovendien van aantekeningen en een nawoord voorzien.
In dat nawoord schrijft hij dat Koesjner wordt beschouwd als de ‘grand old man’ van de Russische poëzie, die al jarenlang aan de top staat. Daar is iets geks mee aan de hand. In het cumulatief register van het Verzameld werk van Karel van het Reve, die zoals bekend zeer veel over Russische literatuur heeft geschreven (ook voor en na de tijd dat hij hoogleraar Slavische letterkunde was), komt hij niet voor, terwijl het register bestaat uit 165 dichtbedrukte pagina’s. Daar staat tegenover dat Joseph Brodsky hem een van de beste lyrische dichters van de twintigste eeuw vond. Dat zou betekenen dat alle gekozen gedichten wel een grote kwaliteit moeten hebben, maar bij het volgende ontgaat me die volkomen:

Een ster is amper opgebrand
Voordat hij op boomtoppen landt.

De stormwind mag dan krachtig zijn,
De sparren staan nog bij ’t ravijn.

Een stortbui daalt op bossen neer,
Maar, uitgeraasd, bedaart dan weer.

Wie schiep de wereld zo bewust,
Dat in zijn nest het jong nog rust?

De titel ‘grand old man’ lijkt me zwaar overdreven: ik schat de Russische literatuur hoger in. Toch valt er genoeg te genieten in de bloemlezing – een slecht dichter is hij niet. 
Het volgende gedicht vind ik een stuk beter. De laatste twee regels vind ik bijzonder. Ze vormen een mooie paradox: tijdgenoot worden van de doden, voor wie geen tijd bestaat.

‘k Volg de wolken, ontwaar ook wat sterren,
Met de zware gordijnen opzij.
Was gelukkig – en bang om te sterven.
Ben nog bang, maar niet zo als destijds.

Sterven is zacht gaan ruisen, inhaken
Op gelispel van loof in de wind.
Sterven is op een hof aanbelanden
Waar zich Richard of Arthur bevindt.

’t Is de hardste noot weten te kraken,
Inzicht krijgen, van z terug naar a,
Ineens tijdgenoot worden van allen,
Op wie dan nog in leven zijn na.

De gedichten hebben volgens Zeeman ‘een ambachtelijke, klassieke versvorm met rijmschema’s en versvoeten, waaronder ook driedelige metra.’ Hij heeft daaraan in zijn vertaling zo veel mogelijk recht gedaan, ‘al hebben hier en daar de Russische volrijmen plaatsgemaakt voor halfrijmen en suggesties van rijm.’ Soms ontspoort hij, zoals in ‘Apollo in het gras’. Ik citeer twee strofen, die ook om een andere reden interessant zijn.

Hoe zachter dat het woord wordt uitgesproken,
Hoe warmer, wonderlijker dat het klinkt.
Hoe minder het probeert een lied te worden,
Hoe meer het nadert tot muziek en zingt,
Hoe gloedvoller het wordt en nuttelozer.

Hoe minder show het maakt van somberheid,
Hoe droeviger het is, hoe zondelozer,
Bombast vermijdend en vooral niet pochend
Over het aambeeld en de pletterij,
Waar het zo vaak verstikt werd, vastgeklonken.

‘Hoe zachter dat’, ‘hoe warmer dat’: dat is lelijk en ongrammaticaal. Zeeman heeft zich in het keurlijf van de afwisseling van het aantal lettergrepen per regel laten dwingen: om en om tien en elf regels in verband met mannelijk en vrouwelijk rijm. (In één geval heeft hij met de regellengte gesmokkeld: de regel ‘Bombast vermijdend …’ heeft elf lettergrepen in plaats van tien). In de volgende vijf regels laat hij ‘dat’ weg, wat veel beter klinkt. Ook de tweede strofe klinkt goed en hij doet oorspronkelijk aan, hoewel ik het woord ‘show’ wat ongelukkig vind.

Toen Koesjner deze strofen schreef, behoorde de Sovjet Unie al tot het verleden. Het aambeeld en de pletterij verwijzen naar de werkwijze van het Sovjet-regime en beide passen bij de hamer in het communistische beeldmerk; de bombast en het pochen karakteriseren de kunst in dienst van de communistische ideologie. Schrijvers die daar tegenin gingen, kwamen vaak in grote problemen: Joseph Brodsky werd verschillende keren verbannen naar Siberië, Solzjenitsyn werd gevangengezet in een Goelag-werkkamp en Vladimir Bukovski werd op last van de autoriteiten opgenomen in een psychiatrische kliniek. Koesjner was nooit zo expliciet, hoewel je in een enkele passage met enige goede wil verhulde kritiek op het regime kunt lezen. ‘De aanbidding der wijzen’ gaat over de geboorte van een kind in het winterse Moskou. De verwijzing is duidelijk: ‘En iets, als was ’t een aureool, / Verspreidde licht, een goudgeel glanzen’. En dan, een paar strofen verder: ‘En voor een enkel ogenblik / Was daar zo’n vrede ingetreden, / Dat geen Herodes ons nog schrik / Aanjagen zou, was hij verschenen.’
Waarom dan pas later die expliciete verwijzing naar de bombastische ‘officiële dichtkunst’ in dienst van de USSR? Misschien is het een rechtvaardiging achteraf voor zijn ‘zwijgen’ en dat kan hij laten zien door zijn poëtica te verduidelijken. Het woord ‘nuttelozer’ aan het eind van de eerste strofe kan verwijzen naar de poëtica die met name in het westen lange tijd dominant was: kunst is het gebied van de vrijheid en staat dus niet in dienst van politiek, verheffing of religie. ‘All art is quite useless’, zei Oscar Wilde achteloos, maar diepgemeend. Geen geëngageerde poëzie voor Koesjner, dus. Het laatste gedicht, ter nagedachtenis aan Brodsky, lijkt dat te bevestigen. De laatste twee regels: ‘( … ) geef mij maar zwaluwen, hun spel, / Hoe ze ’t blauwe canvas knippen, ’t luchtruim scheren.’
Mijn veronderstelling over die rechtvaardiging achteraf bedoel ik beslist niet denigrerend: als je je tegen het Sovjet-regime uitsprak, moest je wel uitzonderlijk moedig zijn.

Al met al is Apollo in de sneeuw toch een heel boeiende bundel.

Poëzie Kort 2016 / 12

 

Hester Knibbe, Oogsteen

(Door Paul Roelofsen)

In 2009 werd de verzamelbundel Oogsteen van Hester Knibbe uitgegeven en Johan Reijmerink schreef daar voor Meander een doorwrocht analytische en lovende recensie over. Het betrof een selectie door de dichteres uit gedichten die zij schreef tussen 1982 en 2008.
Nu, eind 2016, verschijnt een nieuwe versie van Oogsteen, waarin ook gedichten van na 2008 zijn opgenomen.
Wil men over de gehele bundel worden geïnformeerd, lees dan zowel de recensie van Reijmerink als deze die in het kort de poëzie van Knibbe na 2008 belicht.

Wie mondjesmaat gedichten van Hester Knibbe leest, kan niet anders dan razend enthousiast worden: het lenige taalgebruik, de verrassende enjambementen, het evocatieve afbreken van zinnen, de diepgang. (Deze dichteres is niet voor niets veelvuldig gelauwerd: VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs, Anna Blamanprijs, Adriaan Roland Holstprijs).
Leest men meerdere gedichten van voor 2009 uit deze bundel achter elkaar dan kan er nog iets gebeuren; ik werd er enigszins neerslachtig van, ondanks de schoonheid van deze poëzie hangt er een zweem van somberheid over. Van een herhaald en herhaald zoeken maar niet vinden, van een vergeefse ‘worsteling met de vergankelijkheid’ zoals Reijmerink het noemt.
Maar in de toegevoegde poëzie in deze verzamelbundel, de integraal opgenomen bundels Het hebben van Schaduw en Archaïsch de dieren, trekt Knibbe de grijssluier op, de zin- en toonzetting worden directer, omwegen worden vermeden, de lezer krijgt lucht. En inhoudelijk verandert er ook iets: waar de floers verdwijnt, dringt een persoonlijke, grote ongerustheid binnen omtrent het dier Mens, tot alles in staat, ook tot wereldwijde (zelf)vernietiging. Uit ‘Pro domo’: ondanks je zachtheid ben je / geschapen voor de verwoesting.
De inleiding van deze afdeling:

En ze zeiden dat

zegenen helpen betekent, maar er waren die nacht
zoveel wonden op de wereld dat mijn ogen
en benen verlamden. En ik was

bang, bang voor bloed aan mijn handen en
dat ik daarmee dan over mijn gezicht buik
en armen. Daarom riep ik

zegen mij zegen mij de angstige.

Hoe knap en geserreerd het eerste deel van dit werk ook is, de laatste twee bundels die er in zijn opgenomen vormen het absolute hoogtepunt.
Daarom: al heeft men reeds de editie van 2009, dan toch opnieuw naar de boekwinkel om ook deze aangevulde Oogsteen aan te schaffen.

***
Hester Knibbe (2016). Oogsteen. De Arbeiderspers, 454 blz. € 29,99

 

James Joyce, Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik

(Door Hans Puper)

Een traditionele bundel van Joyce is wel het laatst wat je zou verwachten, maar Pomes Penyeach (1927), door Paul Claes vertaald als Poëzie voor een prik, is dat wel degelijk. Het is zijn tweede bundel; Chamber Music, even traditioneel, verscheen in 1907.

Het eerste gedicht stamt uit 1904, het laatste uit 1924; de overige gedichten werden geschreven tussen 1912 en 1918. De bundel is tweetalig. Naast zijn vertaling voorzag Claes hem van een nawoord en aantekeningen bij ieder gedicht. Hij bewijst de lezer daar een dienst mee, want de gedichten zijn sterk autobiografisch. Joyce’s vriend Ezra Pound wees ze om die reden al voor de publicatie af met de woorden: ‘They belong in the Bible or in the family album with the portraits.’ Het is romantische poëzie over de onherroepelijk voortschrijdende tijd, vervlogen of bestaande liefde – altijd weemoedig makend – en daarnaast het verval: in zijn geval de angst voor blindheid door groene staar.

De titel Pomes Penyeach betekent letterlijk ‘Gedichten voor een penny per stuk’. Claes in zijn nawoord: ‘Het werkje kostte één shilling, dus twaalf penny. In werkelijkheid bevat hij niet twaalf, maar dertien gedichten: het dertiende gedicht is een extraatje. De spelling ‘pomes’ imiteert de slordige uitspraak van ‘poems’. Omdat het woord klinkt als het Franse ‘pommes’ (appels), kreeg het [door Sylvia Beach van boekhandel Shakespeare and Company] in Parijs uitgegeven boekje een appelgroene kaft.’

De gedichten zijn eerder vertaald in het Frans door Georges Pelorson. Joyce vroeg hem het ritme van het Engels te handhaven en dat is wat Claes met zijn Nederlandse vertaling ook heeft geprobeerd. Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt. De eerste strofe van ‘On the beach of Fontana’:

Wind whines and whines the shingle,
The crazy pierstakes groan;
A senile sea numbers each single
Slimsilvered stone

Wind giert langs gierend grind,
De pier kreunt in ’t getij
De zee telt als ontzind
Elke slibsilveren kei.

Een enkele keer vind ik de vertaling gewrongen. Een voorbeeld. Joyce schrijft in ‘Bahnhofstrasse’, het gedicht dat gaat over Joyce’s eerste ervaring met staar, de regels: ‘The eyes that mock me sign the way / Whereto I pass at eve of day, // Grey way whose violet signals are / The trysting and the twining star’. Claes vertaalt het tweede distichon met: ‘De grauwe baan verlichten fel / De sterren van weerzien en vaarwel.’ Ik lees dit als: ‘de sterren van de grauwe baan verlichten hem fel.’ Ik heb moeite met de volgorde van Claes’ regel.

Maar dit zijn kleinigheden. Claes leert ons – mij tenminste – een traditionele Joyce kennen in een kleine, goed verzorgde uitgave.

***
James Joyce (2016). Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik. Vertaling en nawoord door Paul Claes. Koppernik, 44 blz. € 15

 

Martin Knaapen, Ik, mijn broer

(Door Hans Puper)

Als ik Martin Knaapen lees, denk ik aan blues. Relaties zijn moeizaam, de ‘ik’ is soms een underdog, het dagelijks leven zwaar, het verleden kun je het best vergeten en het verval is onherroepelijk. Neem de laatste drie strofen van ‘steeg’, eenvoudig, illusieloos:

het bankje in de kleine steeg
duwt rauwe latten
diep in mijn vlees

wanneer ik ga staan
strekt mijn lijf
zich oud versleten

en nestelt
de nieuw verloren dag
zich pijnlijk in mijn botten

Maar een depressief makend debuut is dit niet. Knaapen is ook de dichter van de schoonheid en ruimte van het Hoogeland in het noordoosten van Groningen, het land dat onverbrekelijk is verbonden met de weemoed van Ede Staal. Knaapen: ‘dit is het land van kleischilders / dromers en poters / van aardappelen en vis’. Maar idyllisch is het bij hem nooit. Hij vervolgt: ‘en de lucht van armoe en uitbuiting / van incest en drankmisbruik / en eenzame doden in de modder’. Het gedicht ‘vorst tot de dooi’ lijkt een uitzondering te vormen. In het lege landschap schaatst het lyrisch ik met ruime wind over zwart ijs, de omstandigheden zijn ideaal: ‘groter word / ik niet / dit is mijn rijk / ik ben vorst / tot de dooi.’ Eerder in het gedicht heeft hij gezegd dat hij al schaatsend de mens heeft verlaten; kennelijk is dat een voorwaarde voor zijn kortdurende geluk, maar na de dooi zal hij echter tot hen terug moeten keren.

De gedichten zijn eenvoudig, weerbarstig soms – het werkwoord ‘schuren’ komt in verschillende gedichten voor – en dat werkt goed. Je kunt uitgebreid vertellen dat je het verleden achter je wilt laten, maar je kunt het ook zo zeggen: ‘ik heb een minimaal verleden / en het liefst lees ik alleen / de laatste pagina’. Mooi.

***
Martin Knaapen (2016). Ik, mijn broer. Uitgeverij Stanza, 66 blz. € 15,-

 

Renaat Ramon, Draagvlak en vizier

(Door Hans Puper)

Draagvlak en vizier brengt je in een goed humeur. Dat komt door het robuuste, ritmische en heldere taalgebruik van Ramon. Zo zegt hij in het gedicht ‘Woordwisselwoord’ over de poëzie van Marc Insingel onder andere:

Er is zin
tussen de regels
er is
        tussenzin.

Zo worden zinnen
geregeld
tegen regels in

Anderen hebben voor zo’n typering enkele bladzijden ingewikkeld proza nodig.

Een ander gedicht heet ‘Stadhouderslaan 41’, wat het bekende eenregelige gedicht van K. Schippers in gedachten brengt: ‘Stadhouderskade 42’, het adres van het Rijksmuseum. Laat Stadhouderslaan 41 nu het adres van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn!

De bundel kent drie afdelingen. ‘Dierbare vrienden’ is de eerste. De gedichten zijn zonder uitzondering opgedragen aan vrienden als Jozef Deleu, Claudius Asnedius Montanus (in wie ik door Ramons dichtregels H.C. ten Berge meen te herkennen), Ludo Frateur en anderen. De dichter kenschetst hen, suggereert een dialoog of houdt een monoloog. Het laatste gedicht van die afdeling heet ‘Reunie’. De pauze na de retorische vraag is een vermakelijke demonstratie van de bovengenoemde ‘zin / tussen de regels’:

( … )
Hebben we niet al te vaak
Naar versierde stemmen geluisterd?

Juist. ( … )

‘Memorandum is de titel van de tweede afdeling – niet vreemd voor een dichter die onlangs tachtig is geworden. Ramon gedenkt hierin dichters als Marc Braet en Marcel van Maele, maar bijvoorbeeld ook de zestiende-eeuwse filosoof en Copernicusaanhanger Giordano Bruno.

Het derde deel, ’Grand Café Parnas’, bestaat uit een cyclus van vijf gedichten. Hierin laat de dichter – zelf toeschouwer – vier totaal verschillende dichters bij elkaar komen. Over een van hen zegt hij: ‘Een middelvinger / klopt regelmaat op het tafelblad. / Duidelijk iemand die van amfibrachen / houdt en het raadsel ritmisch vergroot.’ Dat zijn regels die ik zonder moeite onthoud.

***
Renaat Ramon (2016). Draagvlak en vizier. PoëzieCentrum Gent, 48 blz. € 19,95

Poëzie Kort 2016 / 10

 

Arnold Jansen op de Haar, Het refrein van andermans leven

(Door Lennert Ras)

De bundel begint aardig en ingetogen. De vele aspecten van het leven komen voorbij als in een caleidoscoop. Ook de oorlog komt aan bod, maar mooi impliciet en niet te openlijk.
Maar met regels als ‘mijn pik is mijn god’ (p.18) en ‘beroer je roede op eenzame kamers’ (p.74) – alhoewel onanie natuurlijk ook een aspect van het leven is – haalt Arnold het niveau toch wat onderuit.
Naar het einde toe wordt de bundel warriger en springt hij van de hak op de tak. ‘Twistjurkcursussen staan lachend /aan de rand van het ijskoude / opblaasbare water // men plant zich voort via navels / buren steken hun snavels / door het gat in de heg’ (p. 79). Alsof hij net niet genoeg goed materiaal voor de bundel had, of hem heeft afgeraffeld. Ook de uitsmijter: ‘in die laatste seconde speelt opnieuw alles zich af,’ (p.80) is een beetje een gemeenplaats.

***
Arnold Jansen op de Haar (2016). Het refrein van andermans leven. Holland Park Press, 80 blz. € 12,50

 

Kees Engelhart, Trommelbrood en Crucifix

(Door Hans Puper)

Kees Engelhart is een intrigerend man. Niet alleen als dichter, maar ook als uitgever. De dichter publiceert veel – ook in tijdschriften – en gebruikt verschillende heteroniemen die schrijven in een voor hen karakteriserende stijl: Fabian de Sackenay, Mila Fertek, Nol Krentsch, Jacob Peereboom en anderen .
De uitgever Engelhart heeft nu twee bundels tegelijk uitgegeven: Trommelbrood en Crucifix onder zijn eigen naam enVlak achter roekeloze wegen onder het heteroniem Nol Krentsch. De bundels hebben banden met elkaar: zo heeft een van de gedichten uit Trommelbrood en Crucifix de titel van Krentsch’ bundel. Uitgever Engelhart is net zo’n buitenbeentje als de dichter: de bundels kosten niets en worden ook nog eens gratis verzonden. De enige vrijwillige tegensprestatie is een donatie aan Uitgeefhuis De Manke God.

In Trommelbrood en Crucifix is niets zeker. Feiten scheppen geen helderheid: ‘Onomkeerbaar lagen de feiten daar en / Voornamelijk het onweetbare / Speelde een vooraanstaande rol in elk ervan’. Deze constatering staat in de korte gedichtencyclus ‘Ongelukkigerwijs’. Ik citeer de eerste strofe als illustratie voor de manier waarop Engelhart te werk gaat om het onzekere te verbeelden:

Ongelukkigerwijs stormde even daarvoor
Een jongetje van nauwelijks vier
De brede paleistrappen op
Onbevreesd voor de naderende dood
Keken vogels toe
Een enkele marter

Wat er ‘daarvoor’ is gebeurd, komen we niet te weten en met de regel ‘Onbevreesd voor de naderende dood’ kun je verschillende kanten op. Keken vogels toe en waren zij onbevreesd voor de dood van het jongetje? Of waren zij onbevreesd voor hun eigen dood? Heeft die marter iets met de naderende dood te maken? Als je de strofe voor de eerste keer leest, gebeurt er nog iets anders: je verbindt de regel aan het jongetje en dan is hij onbevreesd. De hoofdletters helpen daarbij: je bent in eerste instantie geneigd de regels als afzonderlijke eenheden te zien. Wat na de vierde regel volgt, is bij eerste lezing nog onbekend.

Zelfs met zijn inhoudsopgave lijkt hij het onzekere te onderstrepen: de aangegeven volgorde ven twee gedichten is in de bundel omgedraaid. Maar is dat opzet of een vergissing? Je weet het niet.
Dat de dichter niets zeker weet, maakt zijn leven moeilijk, maar hij krijgt er wat voor terug, stelt hij in ‘Dichterbij kunnen we beslist niet komen’: ‘We nemen het zoals het is / We ervaren wat we kunnen / De rest is onbelangrijk / Voor ons wel te verstaan / Voor anderen kunnen andere wetten gelden’. Generaliseren doet hij niet, hij spreekt alleen voor zichzelf. Maar die anderen lopen wel de kans iets te missen: ‘Sommigen weten wat er wordt gezocht maar dansen / Nee daar kunnen ze niets van / (…)’.

Fascinatie en wanhoop. De laatste drie regels van het titelgedicht vatten beide kanten samen: ‘Allerlei dingen gedaan / Hoop gekoesterd afgrijzen soms / Veel gelachen ook.’ Laconieker kun je het niet zeggen, maar dat is schijn.

Bestellen, die bundel.

***
Kees Engelhart (2016). Trommelbrood en Crucifix. Uitgeefhuis De Manke God, 48 blz. Gratis te bestellen. (info@demankegod.nl)
Hetzelfde geldt voor: Nol Krentsch (2016). Vlak achter roekeloze wegen. Uitgeefhuis De Manke God, 49 blz.

 

Peter Handke, Gedicht aan de duur

(Door Hans Puper)

Huub Beurskens heeft Gedicht an die Dauer van Peter Handke vertaald onder de titel Gedicht aan de duur. Het stamt uit 1986, maar omdat het lange gedicht ‘filosofisch-narratief’ is, doet het eigentijds aan.

Toen Handke in 1986 onderweg was naar de post om het manuscript van de roman Die Wiederholung naar zijn uitgever te sturen, besefte hij tot zijn schrik dat hij het had laten liggen bij een marktkraam. Op hetzelfde moment hoorde hij een vrouw zijn naam roepen. Als hij naar haar toeloopt, herinnert hij zich ‘die andere stem’ die hem een kwarteeuw eerder ‘ook zo bezorgd, als van bovenaf, tegemoet kwam’. Dat was een moment dat hij de duur ervoer. (Je zou zeggen dat de titel Die Wiederholung een in het gedicht passende fictionalisering is, maar dat is niet zo: de roman is daadwerkelijk uitgegeven). Die ervaring is de aanleiding om diezelfde dag nog te beginnen met een onderzoek naar de duur. Het gedicht is daarvoor de geëigende vorm. Het begint aldus:

Al lang wil ik over de duur schrijven,
geen verhandeling, geen schets, geen verhaal –
de duur zet aan tot het gedicht.
Wil me afvragen met een gedicht,
me herinneren met een gedicht,
beweren en bewaren met een gedicht
wat de duur is.

Handke geeft een groot aantal voorbeelden waaruit je kunt opmaken wat hij onder duur verstaat, wat niet en aan welke voorwaarden een ervaring van duur moet voldoen. Aandacht bij alles wat je doet is daar de belangrijkste van: ‘bij het behoedzaam dichtdoen van een deur, / bij het zorgvuldig schillen van een appel, / bij het oplettend over een dorpel stappen, / bij het bukken naar een draad naaigaren.’ Duur kun je ervaren bij een besef van gelijktijdigheid: ‘onze lichamen ( … ) / voegden zich spelenderwijs samen, / terwijl tegen de muur van de kamer, / in het licht van de straatlantaarn, / de schaduwen van de tuinstruiken van Europa bewogen, / de schaduwen van de bomen van Amerika, / de schaduwen van de nachtvogels van overal.’ (26). Duur kan ook tijdloos zijn: ‘Bezield door de duur / ben ik ook die anderen, / die al voor mijn tijd aan het Griffener Meer stonden, / die na mij om de Porte d’Auteuil zullen lopen, / met wie ik allemaal naar de Fontaine Sainte-Marie / zal zijn geweest.’
Waarom al die moeite om duur te ervaren? Omdat je voelt dat je leeft; je raakt niet in vervoering, maar duur brengt je ‘in orde’.

Inhoudelijk is het gedicht interessant, maar poëtisch niet. De vorm doet willekeurig aan: als het een prozagedicht zou zijn, verloor het niet aan kracht.

***
Peter Handke (2016). Gedicht aan de duur. Vertaling door Huub Beurskens. Uitgeverij Koppernik, 48 blz. € 15,00

 

Carl Deseyn, De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge

(Door Hans Puper)

De Ommeloze is een mooi uitgevoerd boek met foto’s van Carl Deseyn, verrijkt met gedichten van Annie Reniers en Claude van den Berge.
‘De ommeloze’ is de naam van een minstens vierhonderd jaar oude esdoorn op een heuvel bij het Oost-Vlaamse dorpje Leupegem. ‘Om zich tegen parasitaire bedreigingen te beschermen groeit de boom in eenzaamheid’, lezen we in de inleiding. Het zal wel. De boom biedt in ieder geval een prachtige aanblik. Fotograaf Carl Deseyn heeft hem in alle seizoenen gefotografeerd, bij nacht en dag, onder alle weersomstandigheden, dichtbij en veraf. Compleet is deze opsomming niet; de foto’s zijn zonder uitzondering bijzonder, een enkele prachtig.
Bij series van vier tot zes foto’s hebben Annie Reniers en Claude van den Berge gedichten geschreven. Ik citeer er een van Annie Reniers, maar eigenlijk doe ik daarmee zowel haar als Deseyn tekort, want foto’s en gedichten zijn aan elkaar verbonden.

de esdoorn toont
in toekomstigheid
zijn oorsprong

 
bij terugkeer naar zichzelf
de bron
een oerveld in bladerval

uitgestrooide seinen
van geborgen wachten

 
vergaan verwelkt
nog niet

 
is er dit ogenblik
van feestelijk afscheid
naar herbegin

Boomsymboliek speelt een belangrijke rol in het boek. In zijn inleiding schrijft Claude van de Berge hierover onder andere: ‘Bijna alle kosmologieën zijn gebouwd op een boomsymboliek: de boom waaronder Boeddha verlichting vond, de boom waaraan Odin geketend was toen hem de runentekens werden geopenbaard, de sjamanenboom als kosmisch hologram, de boomvormige Joodse kandelaar en zelfs het kruis in het christendom.’ (Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bij de boomsymboliek van het kruis in de lach schoot.)
De bundel eindigt met twee spirituele stukken van Carl Deseyn: ‘Goden en valse platanen. Hoe de esdoorn aan zijn naam kwam’ en ‘De eeuwige’. In zijn visie moet je de levengevende bomen respecteren – geen weldenkend mens zal dit bestrijden, maar zijn wereld is mij toch vreemd. Dat de verkleuring van de bladeren in de herfst een ‘stresstoestand [is] waarbij de boom zich voorbereidt op de winter’: ok, dat kun je met enige goede wil zien een personificatie. Maar dat we dankzij bomen kunnen horen: nee. Spiritualiteit en eenvoudige, controleerbare natuurkunde verdragen elkaar niet altijd. Deseyn: ‘Bomen halen CO2 uit de lucht en pompen zuurstof in de atmosfeer. Geluid plant zich enkel voort in zuurstof. Dankzij bomen en planten kunnen we ademen, maar ook horen.’ En dat esdoorns kanker kunnen voorkomen, al is het maar bij koeien, ook daarover heb ik mijn twijfels: ‘Zieke grazers doen aan zelfmedicatie en zoeken boomknoppen en scheuten om zich te genezen. Het vezelrijke loof verteert ook veel beter dan wintervoer en voorkomt kanker.’

 
Hoe het ook zij, er valt genoeg te genieten aan dit boek.

***
Carl Deseyn (2016). De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge. Uitgeverij P, 2016. 124 blz. € 34,50