Recensie van Weerbericht - Geert Zomer

Weren en bezweren

Geert Zomer
Weerbericht
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789491034903
€ 16,95
98 blz.

Weerberichten lezen we voor het weer uit. Wat staat ons vandaag te wachten, zon of regen en van welke kant waait de wind? Nooit heb ik de aanvechting gehad oude weerberichten over te lezen, hun beoordeling achteraf valt nogal digitaal uit: de voorspelling klopte of er deugde geen snars van. Maar meteoroloog-dichter Geert Zomer (nomen est omen) beperkt zich in zijn dichtbundel Weerbericht niet tot temperaturen en wolkformaties. Niet alleen de atmosfeer wordt voorspeld, maar ook de sfeer in bredere zin. En dan hangt hij daar natuurlijk ook een paar wijze raadgevingen aan: ‘Neem uw hond mee / volg code rood.’

De achterflap geeft aanwijzingen over hoe de dichtbundel gebruikt moet worden: ‘Sla dit boek met regelmaat open, zoek uw liefde en verdriet in vlagen en sterren. Werp valwind rakelings over uw schouder. Geniet!’ Zo blijkt de bundel meteen een ‘zelfhulpboek’ waarbij de in nood verkerende lezer hulp kan vinden in de taal. Bladeren is inderdaad een goede suggestie, een inhoudsopgave ontbreekt. Logisch, want alle 73 gedichten dragen de titel ‘Weerbericht’. De gedichten verschenen eerder op Facebook binnen de context van de rubriek ‘Geerts weer’.

De gedichten beginnen allemaal met een aanzet die uit de minder poëtische weerberichten komen en dan valt op dat meteorologen het weer al vaak personificeren: wolken breken, misten trekken op, depressies naderen. Het weerbericht op pagina 67 kijkt zelfs verder dan de komende dagen:

Weerbericht

Weerbericht voor de komende jaren:
‘s Nachts kilte en klammigheid onder de dekens.
‘s Morgens, bij het ontwaken, één en al mist.
‘s Middags laaghangende somberheid.
‘s Avonds ongure vermoedens, mistroostigheid alom.

Het geheel gelardeerd door stormen die zo zwaar zijn
dat ze hele steden optillen.

Het recept:
Lees, beluister, bekijk nooit meer het weerbericht.
Wellicht zal het weer dan hetzelfde zijn (vermoedelijk niet),
maar uw leven een stuk blijer.

De weerberichten geven adviezen maar vertellen soms over dieren (honden vooral), mensen (in de vorm van de buurman die we moeten gedogen en de buurvrouw die begeerte wekt) en mythische figuren: elfjes, weerwolven, boskabouters en paradepaardjes. Ze worden allemaal beïnvloed door het weer óf ze beïnvloeden zelf het weer. Want het weer is ook maar een mens.

Weerbericht is een intrigerende bundel met bijzondere associaties, soms onnavolgbaar. In één gedicht (pagina 13) wordt gesproken over (een kans op) een psychose (vanuit het westen). De dichter-meteoroloog zegt daarover: ‘Laat u niet ontmoedigen door realiteitszin, / maar toets het in al haar facetten. Zie het als dromen…’. Is dat een advies aan de lezer of spreekt de dichter vooral zichzelf toe? Zijn de ‘weerberichten’ bedoeld als pogingen tot bezweringen van de oncontroleerbare werkelijkheid? Dat maakt ze tot berichten waarmee de meteoroloog zich weert tegen het onbestendige, deze ‘weerberichten’. De meeste gedichten geven troost en hoop, mits men zich maar een beetje houdt aan de verstrekte adviezen (pagina 17): ‘Wij hebben het weer hard nodig, /ook vandaag.’

We komen er achter dat de dichter meer is dan een registrerende meteoroloog, hij controleert het weer om mensen te helpen. Op pagina 68 staat een weerbericht in een afwijkende vorm. Dit bericht bevat een anekdote van een zekere Geert die door een fataal verkeersongeval belandt bij de houten deur van God die hem vraagt wat hij zoal heeft uitgespookt op aarde. Geert vertelt over zijn gebrekkig succes in de kunsten en over de weerberichten die hij op Facebook plaatst. Weerberichten die ook een soort horoscopen zijn. God vindt dat hij zelf over het weer gaat en horoscopen haat hij, dus hij is op zijn hoede. Als Geert vertelt dat hij ooit een koele bries stuurde naar een oververhitte stuurman, stuurt God hem terug naar de aarde, met tranen van het lachen in zijn ogen: ‘zo’n malloot konden ze daar nog wel even gebruiken…’. En zo komt het dat Geert Zomer nog even mag doorgaan met het opstellen van weerberichten en ze in een bundel zijn terecht gekomen die we kunnen lezen, nee, kunnen inzetten als bezwering tegen weerwolven en ander kwaad. Er wordt vrolijk met de taal gespeeld, soms tegen het flauwe aan (pagina 16): ‘Snijd af in de bochten, / een stuk boterletter bijvoorbeeld.’ De lach die het werk bij God uitlokt, wil bij mij niet boven komen, ik zie teveel de traan op de wang van Pierrot om mee te kunnen lachten. Ik zie vooral een gevecht met de elementen waarbij humor als wapen wordt ingezet, maar dat blijkt vaak een lekke paraplu.

Weerbericht is een mooi verzorgde bundel met tekeningen van Geert Zomer zelf en een van zijn kleurrijke schilderijen als omslag. Weerbericht is een bijzonder experiment waar de dichter de grenzen opzoekt van wat je met het fenomeen voorspelling kunt doen. De gedichten zijn vormvrij, de dichter is niet uit op enige vorm van rijm of metrum. Niet alle associaties zijn te doorgronden of zoals de dichter zegt (pagina 93, het laatste gedicht): ‘Tot in de hoogste regionen verblijven / oude mannen en vrouwen in hoofdstukken vol hermetische metaforen. / Hun zuigmonden slurpen geheimen van drukinkt.’

***
Geert Zomer was in 2011 en 2012 stadsdichter van Harderwijk, hij publiceerde in 2015 de dichtbundels Binnenman en Bloedmaan. Hij geeft regelmatig poëzie­workshops en treedt op tijdens literaire evenementen. Behalve dichter is Geert Zomer ook beeldend kunstenaar. Vanaf 2014 publiceert hij op zijn Facebook-pagina’s ‘Geerts Weer ‘ regelmatig een gedicht in de vorm van een bijzonder weerbericht. De bundel Weerbericht bestaat uit een selectie van die gedichten.

Poëzie Kort 2017 / 5

 

Paul Meeuws, De geluiden

(Door Lennert Ras)

De debuutbundel van Paul Meeuws staat inderdaad vol met geluiden. Geschreven in veel terzines. Blijkbaar al door de muziek geraakt door een vader, die de gezegende leeftijd van honderd haalde en die slecht orgel speelde (de zoon bediende het voetpaneel). Mozart, Schubert, Haydn, crescendo, nocturnes en het klavier komen voorbij, maar ook pop en jazz. Het leven openbaart zich in haar vele facetten, inclusief het vulgaire en in de geluiden.

Er staan een paar pareltjes in, zoals de stukgevallen kerkbeelden, die de kinderen tot krijt dienen en hen toch dicht bij de hemel laten zijn. En de vrouw die zwanger van bommen de dood baren kan. Het gedicht over de stukgevallen kerkbeelden:

Een heel goed organist was u niet
ik mocht naast u op de toetsen het voetpedaal nadoen
en de noten van die rare verticale balken vermalen
tot het hemelse gruis dat neerdaalde op onze hoofden

van dat goedje bleken ook de beelden gemaakt
die in een kamerhoek stonden te wijzen
naar zichzelf en omhoog (en daarmee naar jou)
en die een andere weg dienden te gaan
dan de tijdgeest intussen voor hen had bedacht

verstijfd in hun krijtwitte ontzetting vielen ze een voor een van hun
sokkel
en met hun brokstukken trokken wij trefbalstrepen op straat
of hinkelbanen die ons toch nog de weg naar de hemelpoort wezen

nog steeds zijn bepaalde gebaren uitvoerbaar in gips
zoals sommige noten naar meer smaken
en stoeptegels mij tot de sprongen verleiden van een verrukt kind.

(p. 44)

 
Oorlog, verlangen, werkplek, lied en zoals gezegd de vader komen voorbij (‘U’, het gedeelte waarmee de bundel afsluit). Met steeds als terugkerende noot de muziek. Totdat de ik-persoon zelf op de vader gaat lijken, net als in het liedje ‘Papa’ van Stef Bos. En dan is er ook nog een klein plekje voor de
hedendaagse politiek, zoals de terreuraanslagen in Parijs.

Licht melancholisch maar zonder echt zwaar te worden. Een ode ook aan de vrouw, die helaas met de leeftijd ook wat aan aantrekkelijkheid inboet. Een ode aan het leven en de vergankelijkheid.

***
Paul Meeuws (2017). De geluiden. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 19,99

 

Charles Baudelaire, Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters

(Door Hans Puper)

Als engel, maar met roofdierogen verscheen naar aanleiding van de honderdvijftigste sterfdag van Charles Baudelaire (1821 – 1867). Het is een tweetalige bundel, die bestaat uit een selectie uit Les fleurs du mal en ‘antwoordgedichten’ van Nederlandse en Vlaamse dichters, 41 in getal, zoals Koenraad Goudeseune, Johan Wambacq, Paul Roelofsen, Anneke Wasscher, Willem Thies, Menno Wigman en Erika De Stercke. De opbouw bestaat uit gelijkvormige eenheden: een vertaald gedicht van Baudelaire, een antwoordgedicht en vervolgens beide gedichten in het Frans. De gedichten van Baudelaire zijn met toestemming van vertaler en tekstbezorger Peter Verstegen overgenomen uit zijn integrale tweetalige uitgave , die die iedere liefhebber van Baudelaire echt in zijn kast moet hebben staan. De antwoordgedichten kennen verschillende vertalers; enkele dichters vertaalden zelf.

Tot mijn verrassing stond een van de genomineerden voor de inmiddels bekendgemaakte Meander Dichtersprijs 2017, Martin Wijtgaard, er ook in. De karakteristiek die ik als jurylid van zijn ingezonden gedichten gaf, komt grotendeels overeen met het gedicht ‘Aaseters’ in deze bundel en daarom voel ik mij gerechtigd een deel te verklappen: ‘Er zijn dichters die je al lang lijkt te kennen als je hen voor het eerst leest. Martin Wijtgaard is een van hen. Met een eigen geluid plaatst hij zich in een traditie die manifest was in de zwarte romantiek, maar die nooit is verdwenen. Zijn mensbeeld zou je kunnen samenvatten met de bekende uitspraak: ‘De mens is de mens een wolf’. Verder noemde ik de vorm van zijn gedichten klassiek en zo goed doordacht, dat ze een uitspraak in herinnering brengen die Piet Gerbrandy in een interview deed: ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. ‘Aaseters’ is een antwoordgedicht op ‘Een kadaver’. (Kees Godefrooij citeerde dat gedicht in zijn geheel in zijn bespreking in Meander van Baudelaires poëzie). Wijtgaards gedicht is te lang om in zijn geheel te citeren. Daarom alleen de laatste drie strofen. Het gedicht gaat over de afschrikwekkende confrontatie met een lijk vol maden:

Zet je over je walging heen en onderdruk
   je eigenwaan en dure woorden,
kijk naar de hond die, vechtend om het grootste stuk,
   zijn soortgenoten zou vermoorden.

Dit zijn onze verwanten, ze zijn net als jij,
   de larven en de vette vliegen,
de lijkenpikkers, wroetend in de laffe brij -
   want hoe we ook onszelf bedriegen,

ze zijn ons evenbeeld en onze disgenoot,
   smerig, obsceen en volgevreten,
feestend op een karkas dat, uitgewoond en dood,
   van ons geen donder meer wil weten.

Baudelaire was een schepper van ‘schoonheid uit het kwaad’ en werd als zodanig door veel contemporaine lezers ervaren als een provocateur. Het is natuurlijk mooi als de antwoorddichters de huidige lezers ook uitdagen – Wijtgaard is dat wellicht bij een aantal van hen gelukt. Edith de Gilde provoceert in haar bloem op een amusante manier. In haar sonnet ‘Mijn leeuw’ (antwoord op ‘De kat’) laat zij het kwaad verkeren in tederheid. De man van het lyrische ik is niet meer de fiere leeuw met wie zij de savanne in zou trekken. Hij is een dikke zak geworden, ‘schreeuwt naar [haar] zoals zijn baas het deed / naar hem’, ‘neukt met [haar] ook zijn frustraties mee’, ze voelt ‘vernedering in elke stoot’. Maar desondanks:

Hij slaapt. Ik streel zijn manen, die al kalen
en weet, met al zijn nukken, al ons falen,
dat ik dit trieste beest nog steeds bemin.

In de vorm van hun gedichten blijven de meesten dicht bij Baudelaire. Peter Holvoet-Hansen is een van de weinigen die dat niet doet. Zijn gedicht ‘De ratten van de oude wereld’, dat ook is gepubliceerd in Het Liegend Konijn 2017 / 1, is een hoogtepunt in deze bundel. Oordeel zelf.

***
Charles Baudelaire (2017). Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters. Vertaling Peter Verstegen, redactie Jos van Hest. Uitgeverij Spleen, 200 blz. € 19,00

 

Manuel Kneepkens, Zuid-Limburg aan zee

(Door Hans Puper)

In Zuid-Limburg aan Zee heeft Manuel Kneepkens (1942), geboren in de mijnstreek, zijn Zuid-Limburgse gedichten bijeengebracht. Deels zijn ze overgenomen uit reeds verschenen bundels (al dan niet bewerkt), voor een ander deel zijn ze nieuw.
Kneepkens woont al sinds de jaren zestig in het westen: eerst in Leiden en daarna in Rotterdam. Zuid-Limburger is hij altijd gebleven, maar het verleden is voorgoed onbereikbaar, het is een product van de verbeelding geworden: ‘Ik ben een balling uit Zuid-Limburg aan Zee / typisch een regio die niet bestaat // maar niettemin, ik ben er uit verbannen / als ooit Adam & Eva uit het Aardse Paradijs.’
De mijnen en ook de roomse almacht zijn verleden tijd – wat niet betekent dat Kneepkens die laatste hersteld wil zien, maar het katholicisme hoorde nu eenmaal bij zijn jeugd. Helemaal los is hij er niet van gekomen, een beetje schoppen kan blijkbaar geen kwaad. In ‘De intocht van Christus in Maastricht’ wordt Jezus gearresteerd en in de dodencel geworpen. Er zijn nog twee anderen,

Alsook Maria Magdalena, een callgirl (syfilitisch …)
eens het heimelijke liefje
van Pontius Pilatus de Twaalfde, de Gouverneur van Limburg
Maar nu in ongenade
De wereld nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
de Barmhartige Samaritaanse!

Deze strofen staan in de context van het bespotten van bestuurlijke hypocrisie. Ze laten ook de zwakke kant van Kneepkens zien: zijn joligheid, die op een gegeven moment heel vermoeiend wordt. Veel gedichten eindigen oubollig. Eén voorbeeld. In het gedicht ‘Allochtoon Hermes’ herkennen we de bekende regel van Toon Hermans: ‘Mediterranèe … Mediterranèe … zo blauw … zo blauw …’. Het einde zien we al van verre aankomen:

Ik heet toch niet

                           
                             AllochTOON

                                HERM !

Ook de vorm is vaak hinderlijk overdadig: veel slashes, haakjes, cursief gedrukte woorden om ze nadruk te geven en, zoals boven, een eigenaardige toepassing van accenten door de hele bundel heen:    ‘Bonpére’, cafè noir, ‘èèn’, ‘hèèl alleen’. Fonetische spelling? Het lijkt me niet.

Niettemin zijn er ook aantrekkelijke gedichten. Die uit de mijnstreek zijn geëngageerd of nostalgisch, wat niet betekent dat het verleden wordt geïdealiseerd. De eerste strofe van ‘Winselerstraat’: ‘Zwart getto tegen de hekken van de mijn / waar rauwe jongens je tegen hielden, je knikkers stalen / In de huiskamers zouden portretten van Stalin hangen / aldus de kapelaan! Maar voor de kale ramen / bladderde enkel een gipsen Heilig Hartbeeld.’
En humoristisch kan hij wel degelijk zijn. De eerste twee strofen van ‘Tuin van eetlust’ zijn prachtig. Voor mij is deze liefdevolle spot Zuid-Limburg op zijn best:

Op koele zomeravonden als de familie smakkend tot zich nam
groene haring, gevolgd door slierasperges in botersaus
biefstuk, salade, pommes frites, en toe
aardbeien, slagroom, mokka en vanille

dan deinden zij, de tantes, als pioenrozen, als zwaargassige
ballonnen op hun steel, op de golfslag van hun lacherigheid
in alle borsten koerde hoorbaar Eros

***
Manuel Kneepkens (2017). Zuid-Limburg aan zee. Bordeaux-reeks nr. 40. Uitgeverij Liverse, 232 blz. € 24,50.

Signalementen 2017 / 1

door Hans Puper

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Sterveling. De gedichten van een babyboomer - Dirk Kroon

De laatste rosé van een falende zomer

Dirk Kroon
Sterveling. De gedichten van een babyboomer
Uitgever: Liverse
2016
ISBN 9789491034893
€ 18,95
184 blz.

Toen aan mijn strand gedurende veel grauwe uren grijze mist overheerste, kreeg ik ter recensie de bundel ‘Sterveling. De gedichten van een bayboomer’, geschreven door Dirk Kroon. De tijd liep naar het eind van het jaar, tijd die tot overpeinzen noodt. Als oudere realiseer ik me dat mijn toekomst per dag kleiner wordt, het verleden langer, mensen om je heen verouderen of verdwijnen: het is een somber maar onvermijdelijk perspectief. De omslag van de bundel vertoont een grijs-wit-zwarte kleurstelling: een vingerafdruk en vogels die lijken op te vliegen van een wad. Dat omslag paste niet alleen voortreffelijk bij mijn stemming, maar ook bij de inhoud van de gedichten, die over vergankelijkheid en eindigheid gaan: een sterveling schrijft. De bundel Sterveling bevat niet alleen nieuwe poëzie, maar ook een tweede, licht herziene druk van Bijna oud (2011) en Dagelijks despoot (2013). De bundel wordt afgesloten met een reeks korte gedichten, gebundeld onder de titel ‘Thema met variaties’.
Het is geresigneerde poëzie, niet uitbundig literair, geen dubbele bodems en fiorituren en nauwelijks beeldspraken:

Schrijven – het is tijdelijk
verblijven in het huis van stilte
een doorwaakte nacht doorbrengen
en voor het ochtendgloren uitzien
naar tekens van het eerste licht.

De thematiek is samengevat de eindigheid van het bestaan, inclusief de aanwezigheid van de dood. Daarbij komt het moeten accepteren van het ouder worden (wat moeilijk is), met alle gevolgen van dien als het wegvallen van mensen om je heen. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht ‘Mijlpaal’ op pagina 99, waarin Kroon zijn oudste broer herdenkt. Hij spreekt die ‘grote broer met wie ik opgroeide’ aan en vertelt hem nuchter en eenvoudig wat er na zijn dood gebeurde: ‘( … ) temperden alle schepen van de / baggermaatschappij waarvoor je werkte / hun machines en turbines / en hesen zij op alle wereldzeeën / tegelijkertijd de vlag halfstok- / om zo een stil saluut te brengen / aan jou als hoofd van de machinekamers, / hun ‘meester’ / die respect afdwong ( … )’. De dichter besluit dan bijna laconiek: ’Dat heb je dan toch maar bereikt.’
Het gaat ook om kleine dingen als het krijgen van minder kerstkaarten, het voelen van ouderdomspijn in spieren en gewrichten, de moeheid die zelfs de ‘geliefde lust’ doet wegebben, maar alles wordt ‘vergeten en verzwegen in gezelschap van een mooie vrouw’, wat op ontkennen duidt. Het is het troost vinden bij de partner vanuit een gezamenlijke herinnering aan warmte en lust, maar het is toch vooral ook de aanwezigheid van de dood, die door al deze sober geschreven poëzie waart.
Het laatste deel van de bundel , ‘Thema met variaties’, fascineert me. Niet zozeer vanwege de inhoud: ook hier is de eindigheid het bepalende, waarvoor je wel of niet je ogen sluit, waarvoor je je terugtrekt in jezelf, met de angst voor de dood, de afscheid voor het leven, de afscheid van het leven, maar vooral door de vorm: 24 paren korte gedichten, soms kwatrijnen, soms terzinen, steeds een a en een b, die subliem zijn geformuleerd en tot zelfkennis leiden: soms vraagt de dichter als een moderne ‘Elkerlyc’ rekenschap aan zichzelf:

Je vraagt je bij herhaling af: Bestaat de duivel
-heb je dan nooit werkelijk naar jezelf geluisterd,
gedachten schaamteloos de vrije loop gelaten
de vernietiging van liefde niet gezien?

(pagina 156, 20a)

Misschien moeten we in de twee laatste variaties de conclusie van de bundel zien, waarbij de vorm een rol speelt bij het verwoorden van de inhoud: kort en krachtig. De dichter spreekt de lezer of een specifieke lezer aan. Gezien de opdracht van de bundel: aan de liefste – als vanouds kan hij ook tot deze liefste spreken.

24a:

Als dit het einde moet zijn,
herinner mij dan met respect
voor wat toch werkelijk was,
hoe alles in vrijheid begon.

Als dit het afscheid is,
noem dan alle namen
-vergeet die van de dingen niet-
en houd ze mij langdurig voor.

24b

Als dit alles moet zijn,
vertel dan maar hoe wij
fanatiek en levensziek
overal het niets aanvielen.

Als dit het laatste is,
verplaats je in de eerste droom
waarmee wij liefde deelden
om nooit meer dood te gaan.

Ik heb een klein commentaar. De bundel gaat over wezenlijke dingen. Hij gaat over ‘Elkerlyc’, over iedereen. Daarom vond ik de titel Sterveling mooi. Wie geboren wordt is bestemd tot sterven. Ik begrijp daarom niet waarom de toevoeging ‘De gedichten van een babyboomer’ nodig was noch wat deze toevoegt. In feite vind ik het een verzwakking, gedachten als hiervoor besproken zijn niet voorbehouden aan babyboomers. Of zijn deze banger voor de dood dan stervelingen van een eerdere of latere generatie?

***
Dirk Kroon (1946) is een Rotterdams dichter die van zijn leermeester, de fameuze Victor E. van Vriesland, het advies kreeg te publiceren. Hij debuteerde in 1968 met de bundel: Materiaal voor morgen. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden, en werkte tot 2006 als parttime docent. Daarna besteedde hij alle tijd aan schrijven. Naast vele dichtbundels schreef hij ook veel essays over dichters van zijn voorkeur, waaronder Slauerhoff, Nijhoff, Leopold en M. Vasalis. Zijn verzamelde essays zijn eveneens bij de uitgeverij Liverse uitgekomen.

Recensie van Bewonder de zee als de liefde. Verzameld werk - Inge Tielman

De liefde en het woord

Inge Tielman
Bewonder de zee als de liefde. Verzameld werk
Uitgever: Liverse
2016
ISBN 9789491034916
€ 29,95
382 blz.

Op 6 november jongstleden vond in de Haagse Kunstkring aan de Denneweg in Den Haag een grote manifestatie plaats, waarin de op 27 december 2015 overleden veelzijdige Inge Tielman werd herdacht. Inge was jarenlang actief bij deze oude kunstenaarsvereniging (gesticht in 1891, dus 125 jaar oud), waarin de onderlinge beïnvloeding der kunsten centraal staat. Inge was veelzijdig: dichteres, schrijfster van cabaretteksten, directeur van het Theater in de Steeg, ze regisseerde toneel en cabaret en had haar eigen cabaretgroep SALVO. Ze dreef met haar partner Maria twee horecagelegenheden in het karakteristieke Haagse wijkje De Mallemolen: het restaurant ‘t Malle Hapje en het café De Malle Meid. Ze was ook sterk emancipatorisch gericht: moedig als ze was, nam ze geen blad voor haar mond en was openlijk lesbienne, wat in de jaren vijftig, waarin haar eerste teksten ontstonden, niet gemakkelijk was. Op de bijeenkomst werden cabaretteksten voorgedragen, liederen gezongen die op haar teksten waren gecomponeerd (vaak in de stijl van het Berlijnse cabaret: de artiesten traden op in het theaterrestaurant Goldmund) , maar men was eigenlijk samengekomen om haar verzamelde werk te presenteren, dat onder de titel Bewonder de zee als de liefde bij uitgeverij Liverse uitkwam. Het is een prachtig boek geworden waarin alle gepubliceerde en ongepubliceerde poëzie vanaf 1948 tot en met 2015 is gebundeld, waaraan nog een aantal verhalen in proza is toegevoegd (15). Die verhalen zal ik hier niet bespreken, want we kunnen een heel dichtersleven volgen dat de moeite waard is. Door de autobiografische elementen en de helderheid van de woorden krijgen we ook zicht op het leven en de emoties van een sterke, zeer emotionele, eigenzinnige vrouw voor wie de erotiek, die vaak in eenzame momenten werd gevoeld, ook aanleiding was te dichten. Maar we herkennen vooral de tederheid en de liefde (je denkt aan P.C.Hooft met zijn ‘min’ en ‘eros’) en de strijd om de verwoording ervan. Of het nu de eerste dan wel de laatste teksten zijn: er is sprake van een grote eenheid en consistentie.

Het fijne van een overzicht van ongepubliceerde en gepubliceerde poëzie in één boek is, dat de ontwikkeling van de dichter te volgen is. Het eerste gedicht uit 1948, ‘Complot’, vertoont al een groot aantal typische Inge Tielman-kenmerken, die ook in haar laatste bundel uit 2015, Mozaïek van het licht uit 2015 (uitgekomen in de Bordeauxreeks , nummer 27 van uitgeverij Liverse) te vinden zijn: de eigenzinnigheid, de emoties, het heldere woord, het verlangen, de tederheid. Al lezend (ik heb 25 gedichten gesorteerd waaruit ik zou willen citeren), ervoer ik een poëtische groei. De gedichten ‘dichten’ in steeds grotere mate het gat tussen emoties en vorm. Voor mij zijn de twee bundels , gepubliceerd in de roemruchte Windroosserie van Ad den Besten (Leg je oor aan, Windroos 55 en Deelbaar licht, Windroos 730) hoogtepunten uit haar werk. Niet voor niets werden gedichten uit deze bundels opgenomen in de in 2006 verschenen bloemlezing Voor de dag van morgen, waarin de mooiste gedichten uit de Windroosbundels zijn verzameld. Haar laatste bundel, die in het jaar van haar dood uitkwam bij uitgeverij Liverse, ik schreef er hiervoor reeds over, vormt een bekroning van een dichtersleven, een sereen hoogtepunt. De zeer geresigneerde toon uit deze bundel met daarin alle elementen die haar leven en werk bepalen, levert een prachtig en ontroerend geheel op.

De eerste poëzie van Inge krijgt vorm in de jaren vijftig: de poëzie was vernieuwd, de beeldspraak veranderd, de emoties waren zuiverder geworden, een ander engagement was geboren na Auschwitz. Voor Inge waren het de Japanse concentratiekampen die haar leven bepaald hebben en invloed hadden op leven en werk: haar levensvreugde was een reactie. Ze wilde alles uit het leven halen. In haar poëzie vindt men invloeden van de Vijftigers. Uiteraard heb ik gezocht naar een dichter die haar beïnvloed zou kunnen hebben: de enige dichter die ze zelf noemt is Hans Lodeizen.

In zijn inleiding tot de bundel schrijft Ruud Hisgen, jarenlange bewonderaar van Inge en voorzitter van de afdeling literatuur van de Haagse Kunstkring over het tekortschieten van de taal: ‘De intense ervaringen die wij met elkaar delen, de rijke emoties en de verblindende inzichten, blijken vaak op papier niets meer te zijn dan stoffige gestolde tekens. Wie zich door deze angst laat leiden, slaagt er niet in om uitdrukking te geven aan dat wat iemand zo intens kan vervullen. (….) Inge Tielman was nooit bang voor het grote boze woord. Ze had het lef terug te slaan. En dat deed ze haar hele leven’.

In het gedicht: ‘Je weet het toch’ uit 1953 vinden we reeds de macht en onmacht van het woord: ‘vloek maar met een hoge stem afbraak / of breek woorden in tweedimensionaal / desnoods lach je liefde….’. We vinden dezelfde thematiek in het in het zelfde jaar ontstane gedicht ‘Rancune’: ‘voor elke letter 26x / een ander teken snijden / in een huid spreken / in de holte van het zwijgen // droog-gedachte woorden / met vochtige lippen / ademen in zinnen / in volzinnen grammaticale / dolheid bijten.’ De strijd om het juiste woord, dat ook behoorlijk kan kwetsen en pijn doen, voert de dichter met zichzelf zoals blijkt uit het gedicht ‘In verzet’: ‘tot bloedens toe heb ik herhaald / de zweepslag van het woord / dat reeds vroeg in mij leefde / die ik gul uitdeelde / waarmee ik lege bedden vulde / en verarmde gezichten tatoeëerde // intussen ben ik bijvoeglijk geworden en / jankt in de waterloop van mijn lage spieren / het verzet tegen de handleiding van mijn liefde’. Of dit prachtige gedicht uit 1958:

Ik heb lief + heb mij lief

4
handen
in
1
taal

wij zijn taalarme geliefden
wij spreken
uit
bittere noodzaak.

In haar laatste bundel ontvouwt ze in soms korte gedichten hoe haar strijd met het woord door de liefde wordt vergemakkelijkt: ‘nu ik woorden dreg /uit een taalmoeras / ze tot eenvoud poets / blinken ze in de vitrine / van mijn verzen’. De woorden zijn eenvoudig geworden: het proces van dichten is voor Inge, na een levenslang bezig zijn met het woord: de woorden tot eenvoud poetsen.

Eigenlijk is bijna elk gedicht doortrokken van liefde. De windroosbundel staat er vol mee. Een enkel citaat: ‘luister de aarde spreekt met toonloze klem / en verwondert mij in haar kracht / en in mijn machteloosheid / want in de aarde drukt een ontstellende liefde / liefde die mij de adem ontneemt / vernedert opheft ontkleedt’. Ook in de vele ongepubliceerde en losse gedichten komt de liefde smartelijk, dwingend naar voren. Soms is het verlangen naar samensmelting met een partner groot. Vooral als ze eenzaam is. Geleidelijk aan kristalliseert alles: er is een partner, er is verbondenheid, er is geluk. In haar laatste bundel uit haar sterfjaar, toen ze al ziek was – ikzelf mocht Inge tweemaal ontmoeten en wat was ze toen broos – vlamde nog haar levenslust. De woorden zijn bijna mild geworden, evenals de liefde. ’Kom fluister en dans / nog een keer met mij / op de melodie van het leven / oude dagen hangen / hangen aan vergeten’.

Ze hing aan het leven, maar kon ziekte en ondergang niet verhullen. Ik neem hier een van haar meest geresigneerde gedichten over, waaruit het geluk spreekt dat ze in het ‘avondrood’ ervaart terwijl alles in haar hoofd stormt.

Avondrood

aanbid het avondrood
ontwaak in de tuin van
het ochtendgloren
bewonder de zee als de liefde
in een zonovergoten hart
terwijl de storm woedt in het brein
alles in één
zwem in de golven van geluk

Samenvattend: een uitgave van mooie, consistente poëzie waarin de liefde en de taal centraal staan , waarnaast soms grillige bijna surrealistische poëzie voorkomt. Het is de poëzie van een heel leven, waarbij liefdespoëzie in een steeds puurder wordende taal: taal die noemt en benoemt. Gerrit Achterberg zocht zijn gehele leven naar het juiste woord om een leven te herscheppen: ‘nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt’. In het gedicht ‘Voor Maria’ dat aan de bundel vooraf gaat, lost Inge dat probleem in alle eenvoud op :

Als je mij vraagt
een gedicht voor jou te maken
is ieder woord
dat ik zeg te veel
want jij bent
mijn gedicht

***
Inge (Ingeborg) Tielman werd in 1931 geboren op Java als dochter van een Tsjechische moeder en een vader die voor het Nederlandse gouvernement werkte. Haar jeugd was zorgeloos tot in 1942 de Japanners Nederlands-Indië bezetten. Moeder en kinderen belandden in het vrouwenkamp Kampili, waar Inge hard moest werken, maar tevens ontdekte hoe toneelspelen licht in donkere tijden kon brengen. Ze kwam doodziek uit het kamp maar herstelde. Het gezin kwam weer bij elkaar en vertrok in 1947 naar Nederland. Ze begon een studie maar wilde liever ‘leven’. Vanaf 1949 begon ze te dichten. In 1953 werd ze lid van de Haagse Kunstkring. Ze publiceerde onder andere in Maatstaf. Van haar werden in de Windroosserie twee bundels uitgegeven. Ze was een inspirerend theaterdirecteur, die veel jongeren de kans gaf op te treden. In haar laatste jaren was ze ernstig ziek: een longtumor en hartfalen. Maar ze haalde nog elke teug uit het leven, trouwde met haar vriendin en publiceerde nog een laatste bundel. Ze stierf op 27 december 2015.