Recensie van Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden - Runa Svetlikova

Hoe overtref je een schitterend debuut?

Runa Svetlikova
Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden
Uitgever: Marmer
2018
ISBN 9789460683817
€ 15,00
47 blz.

Voor Deze zachte witte kamer ontving Runa Svetlikova (1982) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut,  de Jo Peters Poëzieprijs en de Europese Bridges of Struga debuutprijs. Schrijf dan maar eens een even goede tweede bundel! Het is haar gelukt: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden en een postscriptum is misschien zelfs beter.

De titel is intrigerend en raakt misschien de kern van haar dichterschap: houd je demonen en honden aan de lijn, omdat ze anders met je op de loop gaan, maar verberg ze niet, want dat zou het einde kunnen betekenen van dat dichterschap.
De bundel begint met een prozagedicht: ‘Het is de griep niet’. De eerste zin luidt: ‘Als je vingertoppen niet te vertrouwen zijn, je niet meer gelooft wat je oren je vertellen, alleen nog ziet dat je niet ziet, niet ruikt dat je denkt te moeten ruiken en zelfs je smaakpapillen liegen – dan is het de griep niet.’ Nee, het zijn de honden en demonen die zij in nog tweeëntwintig tips uiteindelijk weet te temmen. Dan volgt de opluchting en die voelt onder andere zo: ‘Zoals je na de griep eindelijk weer opstaat en geniet / dat je niet meteen weer moet gaan liggen zoiets’. De laatste tip, waaruit deze regels afkomstig zijn, heet: ‘Strijk alle eer op’. Terecht, na die strijd (en zulke gedichten) mag je trots zijn. In ‘Postscriptum’ volgen de conclusies, die je ook weer als tips – of voornemens – kunt zien, zoals: ‘(…) Laat ons vooral // dichter blijven en doen waarmee we niks bereiken / behalve misschien morgen. (…)’. Doen waarmee je niks bereikt, het lijkt weinig, maar dat is het niet als je de laatste twee zinnen leest: ‘Laat ons een eiland van echt zijn / in een zee diarree.’ Ondanks de stank van wat je omringt: een eiland van echt. Eind goed, al goed? Ik vermoed van niet. Het meervoud ‘ons’ geeft de voornemens iets bezwerends.

Er zijn veel demonen en honden die je (in casu de dichteres) aan de lijn moet houden, zoals ‘het gapende ding in je binnenste’,  ‘zo van die trage dagen waarop succes gewoon een ander soort / mislukken schijnt’, datgene wat kapot is, de wereld, het monster dat in elke mens huist, onmogelijke liefdes, de angst voor het onbekende en tegelijkertijd de hunkering daarnaar.
Ze moeten worden benoemd  en dat lijkt een belangrijke drijfveer voor haar poëzie:

        GEEF WAT KAPOT IS EEN NAAM

Help dit ding waarin je verstrikt zit, het oeverloze opstaan
en gaan slapen, onweerbare kindertjes, iedereen
die aan je enkels hangt en alles wat moet dat moet

naar de andere wereld. Beter gewoon boterhammen blijven
smeren waarschuwt het ding. Vergis je niet, het heeft geen zin
er op je verraderlijk krakende tenen omheen

te blijven dansen uit angst het te wekken met een humeur
zoals dat van jezelf op een doorsnee ochtend. Het ding barst toch
misschien razend als je je mes in de boter steekt misschien

scheurt het in alle stilte. Geef als een weervrouw
op het droge het ding een naam. Nu alleen
nog even in de strontvloed recht blijven staan.

Maar hoe bedreigend die demonen kunnen zijn en hoezeer angst in deze bundel een rol speelt, de bundel is niet loodzwaar. Humor – een tegenwicht – speelt een belangrijke rol. Dat begint al bij de disclaimer: ‘Honden noch demonen werd schade berokkend tijdens het schrijven van deze bundel. Tenminste niet door mij, tenminste niet expres.’ Het prozagedicht ‘Fuck de tienvingeroefening’ begint hilarisch: ‘Je drinkt lang uitgestelde koffie met een vriendin ze zegt als ik me kut voel doe ik de tienvingeroefening voor het slapen, je verslikt je in je latte maar het heeft gelukkig niets met fistfucking te maken daar is ze veel te braaf voor.’ Tel je zegeningen, daar gaat het om. De dichteres komt zelf tot elf, maar werpt dat gedoe vervolgens geïrriteerd van zich: ‘en dan denk je fuck die tienvingeroefening een kutdag mag.’ Weg met die terroristische leefregel van het verplichte dagelijks geluk.  

Svetlikova heeft een volstrekt eigen geluid, zowel naar vorm, verbeelding als inhoud. In een aantal gedichten maakt ze een zeer spaarzaam gebruik van interpunctie en door de combinatie van het ritme en (soms halve) zinnen die binnen een regel beginnen, krijgt het beschrevene iets gejaagds. Soms lijkt er zelfs sprake te zijn van paniek, zoals in ‘Suicide by Microwave werkt alleen in de film’, wat nog wordt versterkt door de herhalingen:

Je vergist je: het gillen op de kast dat zijn de bloemen
niet bloemen gillen niet ze dragen een kroon een kelk

ze hebben een bodem net als jij en stempels maar geen
stem. Bloemen dwingen niet het zijn gewoon

stervende stukjes flora je zet hen in een vaas
nadat je de folie wegsmeet zorgvuldig scheef de eindjes

van de stelen sneed voeding in het water deed en alles
alles netjes schikte. Bloemen eisen geen ik ook van jou

bedoelen niet word snel weer beter zodat we zoals altijd
op café en jij dan eindelijk wat je beloofde bloemen
zeggen niet proficiat je doet het goed maar

haal nog iets dieper
adem luister dat gegil
het zijn de bloemen niet.

Uiterlijk een vredig huiselijk tafereeltje, maar wat een gillende paniek zien we daaronder. Ik heb dat niet vaak zo effectief verwoord gezien.

De dichteres verkeert regelmatig in verwarring en laat de lezer die meebeleven. Zo gebruikt ze effectieve  enjambementen waarmee ze je op het verkeerde been zet: ‘Als het over de liefde gaat, neem dan goede raad aan / van niemand’, schrijft ze in ‘Maak je eigen fouten’.
Die verwarring ontstaat ook door de ambiguïteit van woorden. In ‘Mijd het nieuws op dagen die kapot zijn’ is de raadgeefster op de vlucht voor het grote leed, maar het kleine kan ze niet vermijden. Als een eigentijdse Maria biedt de kassière Agnieszka troost:

Als het nieuws zegt dat alles kapot is reken dan
op Agnieszka, je kent haar alleen achter de kassa
Agnieszka weet hoe de wereld te groeten
de oude man die met klem niet op straat woont
de junk, zweer op kaak, kaas onder oksel.

Agnieszka groet artritis, bronchitis
flebitis van moeders ze groet dus ze leeft, spreekt stil
van onverkochte pistolets tegen de vader van zeven
alleen Agnieszka kent alle namen en jij hebt
alles wat je nodig had: nog even.

De angel zit in de laatste twee woorden: ‘nog even’. Wat betekent dat precies? Ik heb Agnieszka nog maar eventjes nodig, want het gaat beter met me? Of: nog even en ik duik de duisternis weer in? En hoe zit het met ‘Agnieszka weet hoe de wereld te groeten’ en die verwijzing naar Descartes? (‘ze groet dus ze leeft’). En ook kent ze ‘alle namen’, in tegenstelling tot de dichteres – hoe erg moet het zijn? Zij weet de wereld kennelijk niet te groeten, met alle gevolgen van dien. De wereld is onherbergzaam en de dichteres krijgt er geen vat op.
Nog een mogelijk middel om verwarring te wekken. Titels en opgegeven pagina’s in de inhoudsopgave – de ‘Volstrekt vrijblijvende (maar logische) chronologie’ – kloppen niet: het eerste gedicht zou op pagina 15 moeten beginnen, maar in werkelijkheid is dat 11. Dat verschil van vier pagina’s wordt de hele bundel door volgehouden en daarom raak je aanvankelijk in verwarring als je een gedicht wilt opzoeken. Of is er in het productieproces gewoon iets fout gegaan? Mogelijk, maar dan is het een niet gezochte vondst.

Runa Svetlikova schrijft niet over angst, paniek en verwarring, ze laat de lezer die meebeleven. Maar ze laat je niet in verwarring achter, daarvoor is haar poëzie te sprankelend, eigenzinnig en humoristisch. Ook deze bundel verdient een prijs.

Poëzie Kort 2017 / 8

 

Frouke Arns, Eigen terrein

(Door Hans Puper)

Frouke Arns was stadsdichter van Nijmegen in de periode 2015 – 2016. De ideale stadsdichter: haar gedichten zijn plaatsgebonden, maar herkenbaar voor iedereen; aantrekkelijk voor zowel gelegenheidslezers als poëzieliefhebbers; ze zijn licht van toon, maar nooit oppervlakkig en, tot slot, goed voor te lezen door het soepele ritme en de klank.
Eigen terrein bevat de 22 gedichten die zij in haar functie schreef.  Op de linkerpagina’s beschreef zij de context, op de rechterpagina’s staan de gedichten. Nijmegenaren zullen dat zeker op prijs stellen, maar de meeste gedichten zijn ook los van die informatie te lezen. Neem bijvoorbeeld ‘Kleine handleiding voor de moderne pelgrim’.

Maak voor vertrek een selfie en laat
je mobieltje dan voor wat het is. Nu ben je alleen

bereikbaar voor jezelf. Jouw eigen batterij dient opgeladen.
Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch

voelt deze tocht als nieuw. Reis lichtvoetig. Een kaart je gids
waarop de omtrek van een duif in volle vlucht de weg markeert.

Wees herkenbaar aan je bagage, die nauwelijks is, het meeste
draag je in hoofd en hart, de oude beeldentuin. Voeg vogels

toe die als een partituur op draden zitten. Ontcijfer
het voor jou gecomponeerde lied. Rijg de ringen aan je koord.

Nader na dagen over de velden je bestemming.
De verte laat je traag uit wuivend landschap los.

Maak bij thuiskomst nog een selfie. Zoek de verschillen.
Je bent tot hier gekomen.

Iemand gaat een tocht maken, want: ‘Jouw eigen batterij dient opgeladen’. (Dit in tegenstelling tot die van de mobiel die thuisgelaten wordt – grappig). Het enjambement ‘alleen // bereikbaar’ is mooi en functioneel: je moet tot jezelf komen, dat doe je alleen en zonder dat je wordt gestoord. Hij of zij is de enige niet: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen’. Veel heb je niet nodig: het gaat om je innerlijk, ‘je hoofd en hart, die oude beeldentuin’. Aan het eind vind je jezelf anders terug: ‘Zoek de verschillen’.
Je kunt het gedicht ook lezen als een puur geestelijke tocht. Het doet mij denken aan ‘Elckerlyc’, het Middeleeuwse spel waarin de  voorbereiding op de dood wordt beschreven.  Ook hier: ‘Je valt in voetstappen van hen die voor jou gingen en toch // voelt deze tocht als nieuw’ – uiteraard, dat is die voorbereiding  voor iedereen. De ‘omtrek van een duif in volle vlucht’ kan duiden op vrede. Prachtig in dit verband is de voorlaatste strofe: ‘Nader na dagen over de velden je bestemming / De verte laat je traag uit wuivend landschap los.’ ‘Je bent tot hier gekomen’, luidt de laatste regel. ‘En je bent er klaar voor’, zou je erbij kunnen denken.
En nu de context. Frouke Arns las het gedicht voor op de openingsceremonie van de Walk of Wisdom, ‘een moderne, niet-religieuze pelgrimstocht van 136 kilometer rond Nijmegen.’ Ik vermoed nu dat de route op de kaart lijkt op omtrek van die duif. Arns relativeert haar gedicht indirect met haar opmerking dat zij de route inmiddels ook heeft gelopen en inmiddels één inzicht wijzer is geworden: ‘neem altijd pleisters mee!’ Wie zulke mooie gedichten schrijft, kan zich die humor veroorloven.

Ze schreef ook een prachtig in memoriam voor H.H. ter Balkt, ‘Kleine elegie voor een groot dichter’. De eerste strofe:

Rasp het bladgoud uit uw stem en laat ons
leunen tegen die klankschaal van uw rug:
wat u uit taal sloeg waren vonkenregens,
neerdalend zaaigoed op de ribbelakker
van de verbeelding, dat vette land.

Een aanbevelenswaardige bundel.

***
Frouke Arns (2017). Eigen terrein. Uitgeverij Marmer, 53 blz. € 12,50

 

Cor Gout, 19 x Bella en de 20e is zoek 

(Door Lennert Ras)

Cor Gout is filosoof, schrijver en neerlandicus. Hij bracht eerder drie verhalenbundels uit bij In de Knipscheer. Samen met vormgever Els Kort doet hij de hoofdredactie van het literair tijdschrift Extase.
De bundel 19x Bella en de 20e is zoek is geïllustreerd met tekeningen van Harrie Geelen. Beeld en tekst vullen elkaar zoveel mogelijk aan. Op het eerste gezicht lijk je te maken te hebben met een bundel voor kinderen. 19 x Bella leest op het eerste gezicht een beetje als een niemendalletje, zoals de boekjes die Bella leest.
Bella komt uit Zeeland en mist die omgeving. Vooral het gekeuvel op het dorpsplein. Ze is religieus en de dominee komt op bezoek. In haar nieuwe gemeente is de toon van de preken lichter, dus dit zegt iets over de strenge moraal van de plek waar ze van afkomstig is.
Schoonmaken, voor kinderen zorgen, dansen, dat soort dingen maken Bella blij. Maar ondertussen zijn er diepe (seksuele) verlangens. Helemaal geen thema voor kinderen. Hoop en verwachtingen. Een kunstenaar maakt een tekening van haar en ze zwijmelt bij hem weg. Maar wat komt ervan terecht? Uiteindelijk heeft de dominee een keurige man voor haar uitgezocht en zal ze de rest van haar leven wel blijven dromen.
19x Bella is licht van gewicht, maar ergens schemert iets zwaars door. De regels zijn erg kort en bestaan maar uit een enkel woord. Alle gedichten zijn uitgesmeerd over de hele pagina. Er zijn geen strofes op de pagina’s. Het geheel is erg verhalend en prozaïsch. Maar het verhaal biedt zich toch aan als poëzie.
Toch is er wel eens een grappige afbreking. Zo denk je bij ‘Met de bediening Nu, In haar slaap- kamer’ eigenlijk aan iets seksueels. Omdat dit op het einde van de pagina staat. Maar dan gaat het vers op de volgende pagina gewoon door en is er iets veel onschuldigers aan de gang.
De gedichten zijn genummerd. Negentien gedichten inderdaad. En dan de twintigste, die zoek is. Hier geen tekst maar alleen een beeld van snippers. Bella is verscheurd.
Misschien moet ze toch maar niet doen wat de dominee zegt en gewoon haar hart volgen en de kunstenaar … Maar daarvoor lijkt Bella veel te keurig.

***
Cor Gout (2017). 19 x Bella en de 20e is zoek. Met illustraties van Harrie Geelen. In de Knipscheer, 44 blz. € 19,50

 

Sebastien Crusener, Alle remslaap los!

(Door Eric van Loo)

Bij de gedichten die dagelijks op de Costerlijst verschijnen viel de bijdrage van Sebastien Crusener me direct al op. De twee afgedrukte gedichten oogden niet heel toegankelijk, maar er stond een intrigerende toelichting onder: ‘In de herfst en winter van 2016 werd ik gekweld door onrustige slaap en doodsdrift en gebruikte te veel angstremmende medicijnen. Als ik ‘s nachts wakker schrok noteerde ik de eerste opkomende gedachte op een memovelletje. Uit al deze velletjes stelde ik maanden later deze bundel samen.’ Mooi woord, doodsdrift. Maar de wereld erachter is natuurlijk zeer beangstigend. Het ging niet goed met de dichter. Heeft het schrijven hem geholpen? Bestaat er zoiets als therapeutisch schrijven? Beroemd zijn de Sonnetten van de kleine waanzin, waarin Hans Andreus terugkijkt op een crisis, en zijn herstel viert.
Een belangrijk onderdeel van de bundel is de cyclus ‘Meer nachten ijs’. Deze uit twaalf gedichten bestaande cyclus heeft als ondertitel ‘ziekteverzuim’ en lijkt indrukken weer te geven uit de zeven opeenvolgende nachten van een week. Het eerste gedicht eindigt: ‘loop ik – bars mij de / baas – de dinsdag binnen’. De associatieve zinnen roepen geen hele heldere beelden op, zoals je soms wakker kunt schrikken uit dromen die niet van echt zijn te onderscheiden. Fragmenten als ‘Hyperventilator maak me blazen wijs’, ‘Steeds nog de geur van muur / de vensterzwachtels’ en ‘lijkwitte klappertanden / waar niet één spinazierestje tussen zit’. Gedicht IX bevat de schitterende zin ‘Het werkelijke heeft het veel te koud’, gevolgd door de strofe ‘de ruimte erom rond / wordt ingenomen door een leegte / die te vol is van zichzelf’.
De gedichten buiten deze cyclus zijn in een dynamische en zeer uiteenlopende lay-out vormgegeven. Losstaande schuingedrukte strofen, die wel of geen onderdeel lijken uit te maken van het bovenstaande gedicht, golvende inspringingen, wisselingen in uitlijning, zinnen met zo veel spaties dat de woorden losjes over een regel zijn gestrooid – het is er allemaal. Maar de dichter maakt het de lezer niet makkelijk. Of dompelt hij ons bewust in eenzelfde chaos onder als hij in die donkere maanden ervaren heeft?
Hij voert ons langs verschillende afdelingen: ‘Eén nacht ijs’, The nothing in between (I-IV)’, ‘The everything between (…)’ , het eerder genoemde ‘Meer nachten ijs (ziekteverzuim)’ om te eindigen met een uit twee gedichten bestaande ‘Epiloog’. Onze dromen kennen een geheel eigen logica. Uit experimenten is gebleken, dat wat in onze droom uren lijkt te duren, in de buitenwereld soms maar een minuut in beslag neemt. Met de titel van zijn bundel zinspeelt de dichter erop alle remmen los te gooien. Dat is hem zeker gelukt.

Gaten in de gaten hoofd hol 
Ben vertrokken 
ben te laat 
om laat te komen 
om te komen (alle apotheken dicht) 
en het geluid van tussentijd wordt werkelijk ondraaglijk 
Moord kan ik zelf niet schrijven 
Het is slechts een woord in een ander oord, hoe slik ik er het snelst 
           naartoe? 

***
Sebastien Crusener (2017). Alle remslaap los! Uitgeverij Stanza, 64 blz, € 19,99

 

Kristien Bonneure e.a. (samenstelling), Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten

(Door Hans Puper)

De gedichten in de bundel  Alsof er niets is gebeurd vormden een onderdeel van het Vlaamse actualiteitenprogramma Bonus op Radio-1: ze bevatten commentaar op gebeurtenissen in het afgelopen jaar (2016/2017). Vijftig tot nu toe onuitgegeven gedichten, op een na. De ruimte ontbreekt hier om alle dichters te noemen. Daarom alleen die van de eerste vijf gedichten: Paul Demets, Michaël Vandebril, Joke van Leeuwen, Maarten Goethals en Charles Ducal.
‘Stollen en stilstaan’ is het adagium. En daarbij doet zich iets eigenaardig voor volgens de inleiders: ‘De gedrukte gedichten in dit boekje bieden een tijdsdocument dat langer meegaat dan de waan van de dag. Het gekke is namelijk dat actualiteitsgedichten een zekere eeuwigheidswaarde krijgen, ook als de krantenpagina’s beginnen te vergelen.’ Dat is echter alleen zo als de dichter een kunstgreep toepast: geen details noemen – of het moet gaan om een gebeurtenis die iconisch is geworden, zoals de aanslag op de Twin Towers. Het gevolg is, dat veel gedichten alleen actualiteitswaarde bezitten binnen de context van het programma. Een van de gedichten is zelfs al drie jaar oud en gepubliceerd in de bundel Zondag acht dagen van Max Temmerman: ‘Lied voor de inwijkeling’. Het werd voorgelezen na het programma-onderdeel over staatssecretaris Theo Francken van de NVA die in een tweet Artsen zonder grenzen van mensenhandel had beschuldigd vanwege hulp aan bootvluchtelingen. Soms ook worden actualiteiten zelf zo algemeen geformuleerd dat die eeuwigheidswaarde er al inzit, zoals: ‘Armoede is een van de thema’s die net onder het oppervlak van de dagelijkse actualiteit sluimeren’. Ruth Lasters schreef daar een gedicht bij met een verrassende invalshoek.

Munt

Stel dat de munteenheid telkens verandert om
middernacht. Neem nu dat gisteren het planetaire
betaalmiddel lenigheid was. De rijksten waren gisteren

de acrobaten, die met één enkele saltoreeks een huis
betaalden. Nee, vandaag biedt lenigheid tegen armoe niet langer
garantie. De munteenheid van deze dag is een vorige herfst geraapte

wilde kastanje. Geduld dus nog, kleine Soraya, tot de klok van twaalf.
Dan gaan de beurzen dicht en opnieuw open, wordt bepaald of morgen
een vermogend man grossiert in zilveren snaren van

gitaren of in aaisoorten, je dus even alleen arm bent als je
aanrakingen druppen als uit vingertoppen van versleten
kraangaas.

Een van de weinigen die het lukt man en paard te noemen in combinatie met ‘een zekere eeuwigheidswaarde’ is Maarten Inghels, nota bene bij opnieuw een ‘niet-actualiteit’: de mededeling dat hij een omgekeerde nieuwjaarsbrief schreef. Zijn gedicht heet ‘Ik adem in en het is weer gisteren’. We weten waarop hij doelt met ‘een vrachtwagen rijdt uit een lichaam / alsof er niets is gebeurd, de genadeloze aardbeving gaat weer verlegen / tussen de rotsen liggen, kogels keren deemoedig terug naar het geweer’. En tegelijkertijd is het zo algemeen, dat het gedicht niets aan waarde verliest als deze actualiteiten onder het stof komen te liggen. En de wens doden weer tot leven te wekken is al zo oud als de mensheid. Over eeuwigheidswaarde gesproken.

***
Alsof er niets is gebeurd. Een jaar nieuws in gedichten (2017). Samenstelling, inleiding en aantekeningen door Kristien Bonneure, Katrien Kubben en Badra Rezkallah. PoëzieCentrum, 113 blz. € 19,95

Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70

Poëzie Kort 2016 / 9

 

Koenraad Goudeseune, Vet hart

Koenraad Goudeseune doet in zijn thematiek denken aan Reve: ‘liefde (of geen liefde), / en ouder worden, / en dan de Dood.’ Ook aan Bukowski, die zich, in tegenstelling tot Reve, niet veel gelegen liet liggen aan de vorm: de inhoud prevaleerde. In het werk van allerdrie de auteurs speelt drank een belangrijke, maar vergeefse rol als middel om de dagelijkse ellende draaglijk te maken. Alle drie voelen zij zich buitenstaanders.
Dit betekent niet dat Goudeseune een navolger of poseur is: hij heeft een eigen geluid, de overeenkomst zit hem in het levensgevoel. Pathetisch is hij soms wel. Zijn laatste bundel Vet hart opent met veertien zeegedichten. De ik-persoon woont in een appartement aan de Vlaamse kust, maar de zee, een beeld voor eeuwigheid en dood, biedt geen troost. In ‘Dan sneeuwt het op dit late uur’ schrijft hij: ‘Vissers zijn met kerstmis thuis. Kom nu, dood, bevrijd me. / Kom nu en laat mij los. ( … ) Kom nu dood, het is genoeg geweest. Kom nu, // laat mij gaan, laat boten loeien in de mist, ik hoor ze smeken / om een zeemansgraf.’ De gordijnen kunnen maar het best worden dichtgedaan en er moet ‘met strengheid’ worden geluisterd naar Marvin Gaye – de soulzanger die werd vermoord door zijn vader. Het helpt niet: ‘Kom nu, neem mij mee.’ De zin ‘Kom nu, dood, bevrijd me’ heb je dan al in twee eerdere gedichten gelezen, uiteraard steeds in combinatie met drank. De zeegedichten hadden meer indruk gemaakt als Goudeseune wat selectiever was geweest.
De overige gedichten zijn gevarieerder: beelden uit zijn jeugd, verloren liefdes, grappige gedichten over bezoekjes aan de cardioloog, verlangen naar liefde. Humoristich is hij ook. In ‘Oorlog & terpentijn’ schrijft hij zijn eigen Hartmans. Bij een bombardement rent de ik-figuur een schuilkelder in. Een vrouw heeft een koe meegenomen: ‘Het arme dier stond op haar vier poten te trillen en opeens / besefte ik / dat de tragiek van een beest twee poten erger kan zijn dan die / van een mens.’ En een grote eenzaamheid beschrijft de dichter vol zelfspot:

Liefje

Ik heb me met koud water gewassen.
Mijn schouders. Mijn buik.
Mijn rug zover ik kon.
Alles met koud water.
Mijn oksels ook.

Ik keek in de spiegel en zag iemand
die zich aan het wassen was.
Het was eerlijk gezegd geen zicht.

Koud water over mijn billen.
Koud water over mijn gezicht.
Mijn haar nat van het koude water.
Mijn voeten en ook mijn gat.

Had ik maar een liefje!

Het gedicht ‘Wierook wacht niet op een roman’ is mij uit het hart gegrepen. Hierin zet de dichter geërgerd en sarcastisch uiteen dat veel schrijvers hebben geleerd een romantechniek toe te passen, waardoor ‘we zo langzamerhand kunnen spreken van een monocultuur / in het romanlandschap’, maar geen idee hebben waar het echt om gaat en wat zich niet laat vangen: ‘Het wezen van de romantechniek loopt [die schrijvers] alleen maar / in de weg.’ Logisch: ‘Het wezen van de romantechniek geeft de rode draad aan het / labyrint terug / daar waar de romantechniek dat labyrint tot rode draad herleidde.’ Het eerste kunnen alleen echte schrijvers.

***
Koenraad Goudeseune (2016). Vet hart. Uitgeverij Bokeh, 106 blz. € 16,50.

 

Sven Staelens , m.n.m.”l

In m.n.m.”l schrijft Sven Staelens pwoermd, of pwoermds, daar wil ik vanaf zijn. Het gaat in ieder geval om ‘one-word-poems’, aldus zijn grote voorbeeld Geof Huth die het voorwoord schreef en daar twee dagen over deed: ’29-30 August 2016’. Hij deed dat bovendien in New York City; aan dit voorwoord kunnen we daarom niet voorbij gaan. Geof Huth deelt met de lezer een paar rake observaties over de werking van woorden: ‘Words appear to us to be solid in meaning, resolute, a small but essential barrier between civilisation and chaos.’ ( … ). Maar: ‘Every word is fungible. It insists different meanings in different contexts. The same word can be praise or an insult based on the tone of the voice speaking it or the phrasing of the hand writing it.’ Ik was het meest onder de indruk van zijn opmerking over dichters: ‘And, for the poet, they are malleable: they can be twisted into new shapes. They can become new things.’

Het is een mooie, goed verzorgde uitgave, die het visuele van de gedichten recht doet. Helaas is daar alles mee gezegd. De bundel begint en eindigt met een aantal grappige verschrijvingen op de linker pagina en grappige uitwerkingen op de rechter. Oordeel zelf. Kent u het visuele gedicht ‘ Revolutie ’ van Paul de Vree, een volmaakt voorbeeld van de eenheid van vorm en inhoud? Zulke gedichten komen in de andere afdelingen voor – over kwaliteit heb ik het hier niet. Voorbeeld: een molen, gemaakt van hoofdletters ‘i’ met een gemeenschappelijke punt in het midden. Het fundament is uiteraard een ‘m’. Ander voorbeeld: een sterk uitvergrote B op zijn kant (linksom) en daarachter, in minder grote letters ‘rest’. Een woordspeling. De ‘B’ lijkt op een tweepersoonsbed en ook op borsten. Rest, brest, en over die combinatie kun je dan nog even prettig verder fantaseren. Een ander soort pwoermd: ‘SKE?SIS’. Nog een: ‘ V’RDW’N’N ’.

Pwoermd. Het kan nog kleiner, dat liet Harriët van Reek zien in Lettersoep waarvoor zij in september terecht de Gouden Penseel kreeg. Hoe zullen we haar lettertekeningen noemen? Pletterd?

***
Sven Staelens (2016). m.n.m.”l. Uitgeverij CrU, 82 blz. € 18,95

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het liegend konijn 2016 / 2

Het mooie van Het Liegend Konijn is dat het je nieuwsgierig maakt naar nieuwe bundels. Neem Maarten van der Graaff. Na Dood werk met zijn lijsten en klokgedichten heeft hij zijn werk weer vernieuwd en toch is hij direct herkenbaar. Vijf keer maakt hij op een linkerpagina een opmerking over ‘de nederlandse commune’ en op de rechter- volgt dan een bijpassend gedicht. Hij beschrijft de invloed van de gemeenschap op het maken van poëzie. Een vermakelijk voorbeeld:

de nederlandse commune mag zonder bevelschrift je hele lichaam onderzoeken
de officiële versie wijkt vaak af van de werkelijkheid

 —

dagelijks metaforen slikken
om de viagrajunk te worden
die ik al was
toen ik nog als bloedklomp leefde
en me voedde met het netwerk

seksuele vrijheid leverde de commune
goederen op en markten
waarin m’n bloedklomp werd uitgebroed
en met de benodigde capaciteiten toegerust

opgeilen en opgegeild worden
ontvangen en verzenden

Naast dat van Maarten van der Graaff heeft Deleu werk opgenomen van zes andere dichters die na 1980 zijn geboren: Ilona van Braam, Yannick Dangre, Sylvie Marie, Sander Meij, Marieke Rijneveld en Dorien de Vylder. Sylvie Marie is vertegenwoordigd met zeven gedichten met de overkoepelende titel ‘Houdingen’. Ze spiegelen elkaar. De eerste zin van de reeks luidt: ‘vertedering, beminde, heeft veel weg van vertering.’ De laatste: ‘de vertering, beminde, ze werkt / soms vertederend.’ Tussendoor laat zij zien hoe die vertering in zijn werk gaat. Er staat veel op het spel: ‘haha, je houdt niet // voor mogelijk hoeveel mensen sterven / nog voor ze hun laatste woorden zeggen.’, merkt het lyrisch ik op in ‘zoveel vragen en nog lopen we verveeld …’ .

Ook de voorgaande generaties zijn goed vertegenwoordigd. In dit nummer gaat de vaststelling van Pieter Boskma in ‘Dankbaar verval’ niet op: ‘De imperia verkruimelen, gelukkig maar, want bleven zij / ongeschonden in hun staat van hoogste bloei, dan had / geen generatie ruimte voor een eigen grootsheid’. Boskma zelf is met zeven gedichten goed vertegenwoordigd en van een achteruitgang in de kwaliteit van zijn gedichten valt niets te merken. Hij is overigens nog jong, al vindt hij van niet: zestig. Maar alles is betrekkelijk: Roland Jooris is tachtig, publiceerde een paar maanden geleden de bundel Bladgoud en staat nu met vijf gedichten in Het Liegend Konijn. Ook zeventigers en bijna-zeventigers zijn goed vertegenwoordigd.

***
Het Liegend Konijn 2016/2. Samenstelling Jozef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 232 blz. € 20,00

 

Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten

De bloemlezing Dichters uit de bundel (1880 – nu) ziet er veelbelovend uit: hij is mooi uitgegeven en ligt lekker in de hand. De verwachtingen worden getemperd als je op het achterplat leest dat de regel ‘voor wie ik lief heb [dat moet zijn: ‘liefheb’ – HP] wil ik heten’ niet aan Neeltje Maria Min, maar aan Vasalis wordt toegeschreven. Zulke slordigheden komen meer voor: ‘Sonnet van de burgerdeugd’ in plaats van ‘Sonnet van burgerdeugd’ (Du Perron) bijvoorbeeld. Pijnlijk, zeker voor een bloemlezing, ook als het kleinigheden betreft als leestekens. Aan het eind van regel tien van hetzelfde gedicht staat een dubbele punt. In de gebruikte bron, de verzamelbundel Parlando, staat toch echt een puntkomma. Een pietluttige constatering misschien, maar voor de interpretatie van een gedicht kunnen leestekens heel belangrijk zijn.

De samenstellers, de dichter Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens, journalist en poëzierecensent van Het Parool, schreven een inleiding van bijna dertig pagina’s. In de kern komt het erop neer dat poëzie niet populair is bij het grote publiek en de bundel is op sterven na dood. Dat betekent ‘een eeuwig leven in de ramsj en uiteindelijk een tragische begrafenis in de oudpapierbak.’ [Cursivering van mij – HP]. Die verwijdering tussen de insiders en het grote publiek begon al bij de Tachtigers: denk aan de opvatting van Kloos dat poëzie een gave is ‘van weinigen voor weinigen’. Toch is de poëzie niet dood: ‘Poëzie leeft volop buiten de bundel: online op Facebook en weblogs, op straat, in bloemlezingen en bovenal op podia, zoals De Nacht van de Poëzie, Dichters in de Prinsentuin, of Kunst- en Poëziefestival Watou.’ Inderdaad: poëzie wordt met name beluisterd. Lezen is nog net zo impopulair als voorheen, hoewel half Nederland en Vlaanderen poëzie schrijft en niet alleen met Sinterklaas. Bloemlezingen worden misschien iets beter gelezen dan bundels, maar ook in goedgevulde boekenkasten vind je ze vrijwel niet en als je er toch een tegenkomt, gaat het in negen van de tien gevallen om de dikke Komrij. Het is daarom vreemd dat Breukers en Mertens niet voor CD’s hebben gekozen, net als Ramsey Nasr toen hij Dichter des Vaderlands was. Ze hadden dan ook kunnen kiezen voor podiumversies in plaats van voor lezers herschreven gedichten.

De samenstellers proberen dit probleem te omzeilen door voor ‘klassieke gedichten’ te kiezen ‘die de traditionele begrenzing van de (papieren) bundel negeren en op hun eigen wijze tot het nationale cultuurgoed zijn gaan behoren’.
De nadruk ligt op de poëzie van de laatste vijftig jaar; de poëzie van 1880 tot de jaren zestig lijkt er met de haren bijgesleept te zijn. Het moeten gedichten zijn ‘waarvan iedereen [?] een deel of een losse regel kent’. (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, ‘alles van waarde is weerloos’) en gedichten die niet één of twee keer, maar aan de lopende band worden ‘gebloemleesd’ – de vervoeging is van de samenstellers – zoals ‘Herinnering aan Holland’ en ‘Het huwelijk’. Een steekproef leert, dat dit voor lang niet alle gedichten geldt: zo staan de titelloze gedichten ‘Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen, … ’ van Lodewijk van Deyssel en “k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw, … ’ van Hélène Swarth, de kwatrijnen ‘Gedronken wijn’ en ‘Vloek’ van Jacob Israël de Haan en ‘Dieuwertje Diekema’ van Kees Stip niet in de gezaghebbende bloemlezingen van Komrij en Deleu, en ook niet in ‘Hier komt de poëzie!’ van Ramsey Nasr. In een oudere bloemlezing als – ik noem maar wat – O wereld, jij zingt, speelt en lacht. De bekendste gedichten van alle tijden (Kwadraat – Utrecht, 1994) vind je ze ook niet terug.

Dichters uit de bundel is onevenwichtig samengesteld, onvriendelijk gezegd: het is een bijeengeharkte hoop bladeren. Toch heeft de bundel enige waarde vanwege de periode van 2000 tot nu. Voor het kleine groepje poëzielezers welteverstaan. De meeste festivalbezoekers zullen de bloemlezing links laten liggen.

***
Dichters uit de bundel. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens (2016). Uitgeverij Marmer, 656 blz. € 29,95

Recensie van De zomer haalt nog één keer uit - Chrétien Breukers

De drommelse brug

Chrétien Breukers
De zomer haalt nog één keer uit
Uitgever: Marmer
2016
ISBN 9789460682933
€ 15,00
48 blz.

Wil Breukers stiekem graag op Nijhoff lijken? Deze vraag zou men zich kunnen stellen bij het lezen van zijn nieuwste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Hij koketteert in elk geval graag met de poëzie van die andere, om zijn vakmanschap geroemde collega-dichter:

DE WOLKEN

Je ligt, bijvoorbeeld, languit in de warme hei,
om een seconde later naar het westen toe gebogen
een voorwerp van de grond te rapen. Dat voorwerp
wordt een damestas of koffer, je richt je op en blaast

drie krullen van je voorhoofd af. Er komt een kudde
herten, grazend, even naast je staan, terwijl je steun
zoekt bij een stoel waarop je bijna tien seconden zit.

Mijn overburen, wolken, zorgen voor een film die zich
in flarden aan me opdringt, dat wil zeggen: als ik kijk.
Loom drijf je. Nog even en je bent de kade al voorbij.

Nou ja, stiekem. In dit gedicht ligt de invloed van Nijhoff er dikgesmeerd op. Maar dat is niet de enige reden waarom ik dacht wat ik denk. Breukers formuleert zijn zinnen soms, ook op plaatsen waar ik denk dat híj er níet aan denkt, op een manier die wel iets weg heeft van Nijhoff:

BRIEF

De zomer wordt geïmiteerd. Motorboten mompelen.
Nog meer dan twintig dagen en dan bijt ik mij door
wat er overblijft. Ik zwaai naar schippersvrouwen.
Genoeg gezien, tenminste, voor vandaag. Ik schrijf

straks een brief. Die leg ik op de stapel en verstuur
ik niet. Je krullen en je neus. Ik maak een foto van
het beeld dat niemand ziet. Drie kinderen gaan weer
naar school, de eerste bel is net gegaan. Ik kijk

ze na en draai me om. De vuilniswagen komt en stuurt
de geurvlag voor zich uit. Ik kan naar huis. Ik heb te doen.

Behalve dat De moeder de vrouw er een beetje doorheen vaart, doet dit gedicht vooral aan Nijhoff denken in de laatste regel, die qua toon enigszins overeen komt met de laatste regel van De nieuwe sterren. Weet u het nog? ‘Geen haan kraait. Geen hond blaft. De zon blijft uit.’ Dezelfde kortademige zinnetjes, waarin de gang van de taal hortend en stotend tot stilstand komt. Bij Nijhoff zit de kracht in het allerlaatste stukje, waar het onmogelijke mogelijk wordt gemaakt. Breukers gaat niet zó ver, maar ook bij hem zit het venijn in de staart. ‘Ik heb te doen’, kan betekenen dat de ‘ik’ nog veel te doen heeft, of er kan iets gebiedends in zitten, zo van: ‘ik héb het maar te doen’; of, en dat is misschien de meest aparte invalshoek: ‘ik heb (met iemand) te doen’: ik leef met iemand mee.
Interessant in dit gedicht is ook dat sommige regels op tactische plaatsen worden afgebroken en dat de lezer op het verkeerde been wordt gezet (een mooi voorbeeld is de tweede regel: ‘en dan bijt ik mij door’ betekent wat anders dan ‘en dan bijt ik mij door wat er overblijft’). Breukers kent zijn métier. Hij heeft de pech (of het geluk) dat zijn poëzie – net als die van Nijhoff – een grote mate van vormbewustheid uitstraalt. Dit zijn teksten waaruit een zekere hang naar traditie en ik zou haast zeggen burgerlijkheid spreekt.

Oei, oei! hoor ik een lezer denken. Betekent dit nu dat Breukers net zo’n groot dichter is als Nijhoff? Of dat Nijhoff net zo burgerlijk was als Breukers? Niet per se. Want hoewel men met een beetje goede wil Het lied der dwaze bijen kan lezen als een pleidooi voor burgerlijkheid, was Nijhoff met al zijn vormvastheid in zijn tijd niet zo zeer behoudend als wel recalcitrant.

Voor Breukers ligt dat anders. Misschien een pijnlijke constatering, maar het is lastig om je in deze tijd tegen iets af te zetten. De dichtkunst laat inmiddels zoveel stijlen, variaties in zich toe dat haast niemand ergens meer van opkijkt. Zeker de gevestigde orde niet. En het grote publiek heeft wel wat beters te doen dan zich druk te maken over wat alweer een navelstaarder lijkt.

Lijkt, want Breukers is allesbehalve een navelstaarder. Daar toont hij zich veel te aards en te weinig contemplatief voor. Deze bundel, waarin de dichter – volgens de achterflap – terugkijkt op twee liefdes die voorbijgingen verraadt hoogstens een ietwat romantische geest, die zichzelf soms nurks corrigeert en dan zijn toevlucht zoekt tot banaliteiten, of – en dat houdt deze gedichten enigszins in evenwicht – tot beschrijvingen die tegen het nostalgische aanleunen en zonder gelijk ‘dom’ te focussen op de bekende attracties een sfeervol beeld leveren van het leven in Utrecht:

HET VERBODEN RIJK

De buurman tuigt zijn zeilschip op. Ik zeil niet,
lees Het verboden rijk omdat me dat is aangeraden
door een vriend die ook niet zeilen kan. De kade
is vandaag ineens door herfst geslagen. Groen
wordt minder groen en alle jassen zijn van stal.

Twee duiven zitten op de heg, ze kijken van zich af,
daar is de fietsverhuur waar niemand fietsen huurt.

Dienst Stadswerken veegt gras en bladgoed weg.
Kon ik maar even opgeknapt, geschoffeld en met zware
borstels afgeboend. De heren werken zonder zin.
Een roeiboot met drie oude mannen schuift voorbij.

Aardig detail: Nijhoff voltooide zijn meesterwerk Awater in 1934, óók al in Utrecht (maar dat terzijde). Ik vind dit een mooi gedicht. Met meer inhoud dan misschien op het eerste gezicht lijkt. De plaats in de bundel is wat dat betreft informatief: het gedicht staat precies halverwege. Eén van beide liefdes is voorbij. En dat geeft een leeg (herfstig) gevoel. De ik-persoon heeft de wind van de liefde niet langer mee: hij zeilt niet. Een vriend met soortgelijke relatieproblemen (die ‘ook niet zeilen kan’) heeft hem een boek aangeraden. Het verboden rijk. Is dat het rijk van de vrouw? En ja, groen wordt minder groen als je door de wol bent geverfd. Twee duiven zitten op de heg en kijken van zich af: zijn dat twee tortelduifjes die elkaar niet meer aankijken? Het sterkste is misschien ‘de heren werken zonder zin’: het leven van een man is zinloos (zonder vrouw). Zo ongeveer zou ik dit gedicht interpreteren, maar men kan er natuurlijk ook gewoon in lezen wat er staat.
En die laatste opmerking brengt me weer terug bij Nijhoff. Nijhoff, de Mozart van de Nederlandse poëzie – waarom is Breukers dat niet? Een relevante vraag. Want door Nijhoff te knuffelen zet Breukers zichzelf een beetje in diens voetlicht.
Misschien omdat Breukers rancuneus is, zoals uit het gedicht dat volgt op Het verboden rijk blijkt:

HAAT

Ik weet niet waar ik met mijn haat naartoe moet.
De barbecue die op het schoolplein woedt,
een open dag voor ouders van het kind
dat Merel heet, of Jonathan, en de muziek weet
zelfs de buurman die nu klust te overstemmen.

Tegenover wordt een afscheid opgevoerd. Een man,
een vrouw, een zoen, voor vriendschap veel te zwaar.

Verderop wordt bij een beeldhouwwerk aan iets gedacht
door vijf bejaarden en een priester. Dit is een zondag
in een eeuw die zich nog plooien moet. Even later klinkt
uit de vermoeide kelen een gebed. Het mompelt onzegod.
Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht.

Dat God en andere autoriteiten het moeten ontgelden waren we al gewend door eerdere bundels van Breukers. Rancuneuze mensen hebben de neiging de schuld altijd bij een ander te leggen en zichzelf in de slachtofferrol te plaatsen. Natuurlijk komt van zelfreflectie bij een dergelijke toestand weinig terecht. En dat is precies wat ik in deze bundel een beetje mis: Breukers eigen aandeel in het uiteindelijke falen van deze twee liefdes. Toegegeven: dit is in eerste instantie een puur inhoudelijke kwestie, maar staat gebrek aan zelfreflectie het ontwikkelen van een visie op den duur niet in de weg?
Ook architectonisch gezien is er een kritische kanttekening bij deze poëzie te maken: door in zijn bundel twee liefdes te beschrijven schept Breukers als het ware een schilderij waarop de horizon precies in het midden staat. En iedere schilder weet dat je dat niet moet doen. Ik vind er in deze gedichten ook geen overtuigende motivatie voor. Waarom twee als je met één kunt volstaan? Natuurlijk kunnen er in werkelijkheid best twee liefdes geweest zijn, maar dat is volkomen irrelevant voor de bundel als kunstwerk.
Tenslotte: door zichzelf hoogstens als een slachtoffer te zien en met zijn beschrijvingen verder aan de oppervlakte te blijven verbindt Breukers innerlijke en uiterlijke zaken onvoldoende met elkaar. Waar hij een beetje in het autobiografische blijft steken toont zijn grote voorbeeld Nijhoff een visie. Zelfs in zodanige mate dat het autobiografische element er nauwelijks meer toe doet.
Weinigen weten het, maar Nijhoff is nooit naar Bommel geweest om de brug te zien; hij had dat niet nodig: de brug zat in hemzelf.

***

Chrétien Breukers (1965) publiceerde naast andere publicaties de dichtbundels De rand van het domein (1989), Vandaag in deze stad (1991),De stoofsteeg en andere gedichten (1999), Korte geschiedenis van het voorafgaande (2005), Het beeld van Monsieur Jacques (2008),Tongebreek & niemendal (2008), Gysbert Japicx bezoekt het Drielandenpunt (2009), Het is niet anders (2010) enDe essentiële Chrétien Breukers in 11 gedichten (2013). Hij was mede-samensteller van Gedichten voor mannen en Poëzie voor vrouwen (2015).