Recensie van Het zingen van de wereld - Marc Tritsmans

De weerklank van de lege wereld

Marc Tritsmans
Het zingen van de wereld
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822937
€ 19,99
62 blz.

Het gebeurt zelden dat een dichter er blijk van geeft de geologische processen niet alleen te begrijpen, maar ook in zijn taal te verstaan. Daarbij blijf ik verre van de geologische realiteit, op basis waarvan we moeten aannemen in een interglaciaal te leven, waarbij zowel klimaatschommelingen naar boven als beneden een voorspelbaar feit zijn. Veel meer dan de gemiddelde mens, ja vermoedelijk meer dan welke andere kunstenaar dan ook, spreekt de dichter vanuit en binnen zijn ik, waarmee meestal ook zijn positie ten opzichte van de taal geijkt is. Waar een dichter als Martinus Nijhoff ernaar streefde om door middel van het persoonlijke te raken aan het algemeen-menselijke en daarmee aan het alom verstaanbare, lijken veel van de hedendaagse dichters in surrealisme over zichzelf heen te willen buitelen om maar als ‘eigen’ herkenbaar te zijn.

Marc Tritsmans weet waaruit zijn taal gehouwen of naar boven gepompt is en hij schaamt zich daar niet voor. Evenals in voorgaande bundels sorteert, stapelt en bouwt hij zijn gedichten met woorden die de weerklank zijn van zijn natuurlijke omgeving: sterren, steen en groene begroeiing. Maar daarbij blijft het niet. In zijn taal ondergaat hij de natuurlijke processen, hij ondervindt ze aan den lijve en getuigt van die sensaties in zijn poëzie.

AARDE

dat ze van ons houdt is onwaarschijnlijk
dat ze ons wil houden lijdt geen twijfel
zo stevig trekt ze ons tegen zich aan
dat gewrichten almaar harder gaan kraken

en wij blijven wel koppig ontkennen
dat ze met ons kan doen wat ze maar wil
trachten vaak aan haar greep te ontsnappen
maar langer dan een dag laat ze ons niet los

op knieën dwingt ze ons ten slotte allemaal
doet ons huilend bekennen dat wij haar aanbidden
en als niemand het ziet willen we niets liever

dan haar vruchtbare koelte strelen, opsnuiven
de oeroude geur, koesteren de lome zwaarte
die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren

[p.10]

In dit gedicht is overigens meer aan de hand dan het ervaren van de zwaartekracht, zoals die inwerkt op een mensenlichaam: niet alleen de voeten worden naar het aardoppervlak getrokken, van teen tot kruin trekt de aarde ons lichaam naar maximale vlakte, zodat we op tijd van duur instorten als een oude toren. Tegelijkertijd plaatst hij zichzelf en zijn lezers in de oeroude omarming van man en vrouw, de liefdesrelatie die hunkert naar samengaan, maar daarvan ook de zwaarte ondervindt. De aarde als moedergodin wordt hier in het klankpalet van de taal vermengd met de mannin, die, evenals de Adam, uit adama, stof, aardgruis, is ontstaan en niet anders kan dan terugkeren naar haar en zijn oorsprong.

Het gaat te ver om de taal van Tritsmans ‘alledaags’ te noemen, hoewel hij vrijwel steeds gebruik maakt van woorden die iedere lezer zonder schroom voor onbekendheid met de betekenis ervan in de mond kan nemen. Wanneer je zijn gedichten uitspreekt, ervaar je dat zij, meer dan in eerste instantie bij lezing lijkt, gebouwd zijn op, wellicht zelfs gehuisvest zijn in de klank van de gekozen woorden. Door zijn persoonlijke keuze te maken uit woorden die zo algemeen van gebruik zijn dat enige specifieke betekenis het ervaren van hun klank niet in de weg staat, bereikt de dichter langs natuurlijke weg het vlies in de ziel van de lezer, dat deze woorden weerklinken laat.
Tegelijkertijd lijkt hieruit ook de tragiek voort te komen, die in veel van de gedichten in deze bundel aanwezig is. Het deelhebben aan het eeuwigdurende, het alomtegenwoordige van de natuurlijke werkelijkheid is altijd tijdelijk, de ervaring van het rustige samengaan wordt meteen voelbaar bedreigd door de dreigende zekerheid van het moeten loslaten.

DIT ZACHTE

ook zonder dat we het beseffen hunkeren wij
voortdurend naar dit vanzelfsprekende zachte
dat het gewicht dat wij torsen, ons logge lichaam

blijft verwelkomen en onze stappen dempt
niets meer dan blote huid van aarde is dit
door zon, regen en wind geduldig verkruimelde

waarop het gras, het mos, alle planten en bomen
waarop dieren met eerbied hun poten laten neerkomen
laat ons dus beducht zijn voor het ogenblik waarop we

niet langer huid tegen haar huid elkaar mogen bevoelen
en beluisteren: hoe verloren onze gedachten en wij
voor altijd losgeraakt van de grond en alle werkelijkheid

[p. 19]

Uiteindelijk krijgt vooral dit besef het laatste woord in de bundel. Het ‘zingen van de wereld’ hoort bij de wereld zelf, of er nu luisteraars zijn of niet. In het laatste gedicht van de afdeling ‘Nagalm’ stelt Tritsmans zich als mens en als dichter bloot aan de – in al haar eenvoud pijnlijke – vaststelling dat de werkelijkheid in haar aard een werkelijkheid van leegte is, met vormen zonder beschouwer, met klanken zonder luisteraar, met substantie zonder voeling die dat alles betekenis geeft. Zo wordt de mens het eenzaamste wezen op aarde, doordat hij aan zichzelf moet toegeven dat hij, de naamgever en omvormer van alles, juist hij de enige is die er in wezen niet bij hoort. Dat zonder hem de werkelijkheid zichzelf wordt en blijft en overgaat tot de orde van de dag.

FOTO VAN BERGLANDSCHAP

niets levends in dit beeld te bekennen
enkel vierduizenders bewaken de wereld
en tijd schiet plotseling alle kanten uit

terwijl mijn vader nog naast me staat
al is hij jaren dood, steekt Hannibal
met zijn olifanten de bergkam over

stoten sabeltandtijgers en holenberen
aan de rand van de gletsjer hun adem
nog vol vertrouwen de lucht in

en nu we er zelf nog op staan kijken
zijn al onze gelukkige uren en dagen
op deze plek alweer uitgewist en zien we

hoe het hier ooit was en zal zijn: alles
in volmaakte onverschilligheid leeggeschraapt
niets levends in dit beeld te bekennen

[p. 54]

***
Marc Tritsmans (1959) studeerde tandheelkunde en is werkzaam als milieu- en duurzaamheidsambtenaar in Borsbeek. Hij woont in Boechout en gaf een aantal jaren poëzielessen aan de Antwerpse Schrijversacademie. Tritsmans debuteerde in 1992 als dichter met de bundel De wetten van de zwaartekracht. In Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21 ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004) is hij vertegenwoordigd met zeven gedichten. Hij won in 2011 de Herman de Coninckprijs voor Studie van de schaduw en tevens de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.

Recensie van Verse helden - Gerry van der Linden

Winnen van de zwaartekracht

Gerry van der Linden
Verse helden
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822579
€ 19,99
64 blz.

Verse helden van Gerry van der Linden is haar elfde dichtbundel. Op de flaptekst staat dat zij ‘de absurde wereld van nu en de schijnbaar onschuldige van vroeger’ ontrafelt. Het woord ‘schijnbaar’ gekoppeld aan de ‘onschuldige [wereld]  van vroeger’ intrigeert me, roept voor mij als lezer spanning op, zeker in relatie met de titel Verse helden. Wie zijn voor deze dichter de verse helden?   

Na een eerste lezing confronteert de derde afdeling ‘Wij, pendule’ me met de poëzie over enkele familieleden van de dichter; ze zijn te zien zijn op een 8mm-film. Op film kun je het heden vastleggen en dat later op elk gewenst ogenblik terughalen. Film laat de tijd ook als een voortgaande beweging zien. Manipulatie met de tijd is mogelijk: je kunt de film herhaald afdraaien en dat biedt mogelijkheden voor de dichteres. Het gedicht doet me denken aan het bekende ‘Oom Karel: een familiefilmpje’ van J. Bernlef, waarin een film versneld, vertraagd afgedraaid en zelfs teruggedraaid wordt. De helden in ‘Wij, pendule’ zijn de vader, de moeder, de zoon en de ik-figuur die in enkele gedichten optreedt. Omdat zij in de gedichten de personen zijn over wie wordt geschreven, worden zij de nieuwe, verse helden. Het verleden, die de dichter door middel van poëzie terughaalt en wil vasthouden, wordt een nieuwe werkelijkheid, zoals in het gedicht ‘In het diepe was de zee naakt’, waarin de ik-figuur de hand van de vader vast heeft: ‘zijn vingers / ik kon ze niet vinden / ze klemden mij vast’. Wat me opvalt in deze afdeling is het gebruik van het relativerende woord ‘nogal’ in enkele titels, zoals in ‘Nogal late brief aan mijn vader’ en ‘Twee nogal vliegende gedichten voor mijn zoon’. Na het lezen van de desbetreffende gedichten krijgt dit relativerende woord het effect van een verontschuldiging, alsof de dichter eerder deze herinneringen had moeten verbeelden. De afdeling sluit af met volgende ontroerende, titelloze gedicht over het verstrijken van de tijd, dat terug te zien is in de generaties. Het gedicht heeft alles in zich om een klassiek moedergedicht te worden:

Moeder, de tijd ligt brak
onder je huid.
Je ogen wijzen naar een einder
die bijna van jou is.

Je kinderen hebben grijze haren.
In hun lijf lopen jouw bloed, sporen
glimlach en vernieling, het gaat
niet als vanzelf.

Hun kinderen buigen licht, zoveel
lichter gaat vanzelf.
Ze bloeien als rozen in het zand

drinken als de regen voorbij is.
En ooit op het erf van vroeger
staan ze in jouw voren.

In de tweede afdeling van de bundel ‘Dansen in de zon’ wordt in het openingsgedicht duidelijk wie de dansers zijn: ‘o de doden zijn dansers / hun gebaren en stem stompen in de wind’. In deze afdeling staan twee titelloze gedichten die respectievelijk zijn opgedragen aan de dichters Wim Brands en Rogi Wieg. Het aan Rogi Wieg opgedragen gedicht eindigt aldus:

Poëzie is vallende ziekte, die wint
van zwaartekracht

waar je niet gaat, blijf
waar je niet blijft, ga

vederlicht, o ja

Deze minipoëtica voert naar een ander opvallend aspect van deze bundel: de paradox als toegepast stijlmiddel, waarmee in dit fragment gezegd wordt dat de dichtkunst krachtiger is dan de aardse zwaartekracht. En meer dan dat: de dichter moet blijven op de plaats, waar hij niet naar toegaat, en naar de plaats toegaan waar hij niet blijft of van plan is te blijven. Kortom, een dichter beweegt zich op andere wijze in de werkelijkheid dan de niet-dichtende mens. De dichter legt andere routes af en komt op plaatsen waar anderen niet komen, maar via het gedicht mag de lezer er kennis van nemen. Het gedicht is een routekaart, Van der Lindens poëzie is een andere realiteit, een verbeelde herinnering van vroeger, een moment uit het heden, ‘zoals / herschikken van adressenbestand / jij erin, jij eruit, levend, dood’. Wellicht ten overvloede, ik realiseer me dat dit fragment met zijn paradoxen op een aantal andere manieren te lezen is en dat leidt tot andere interpretaties.

De vierde afdeling ‘Een boterham eten met Brodsky’ gaat over het verblijf van deze Russische dichter op Poetry International in 1989. Hij had twee jaar daarvoor de Nobelprijs voor Literatuur gekregen. De poëtica van de vorige afdeling komt in concrete vorm terug in het slotgedicht ‘In het vliegtuig  naar Wenen, verbannen, 1972’. Uitgangspunt is het opgooien van een munt. In de eerste strofe lezen we: ‘Hij gooit een munt, slaat / die neer op de rug van zijn hand / belofte, zwaartekracht’. Weer die zwaartekracht, nu verbonden aan het toeval en het lot dat Joseph Brodsky te wachten staat. Wat heeft de toekomst voor hem in petto? In de slotstrofen krijgen de werkwoorden ‘uitvliegt’ en ‘openbarst’ een opmerkelijke betekenis.

Het is een dag als alle andere
dat hij zijn land uitvliegt

zijn koffer openbarst van vrijheid
de jassen zwaaien niet

hij gooit een munt
de lucht blijft leeg.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Wat voortbeweegt’ koppelt de dichter het (voort)bewegen aan het aspect tijd. In een van de laatste gedichten wordt de ik-figuur losgemaakt van de dichter: ‘De dichter die op onverwachte tijden / bij mij inwoont / doet de boodschappen’. Dit gedicht eindigt met de persoon van de dichter die in een supermarkt rondloopt en bij ‘een zwart wimpermeisje’ afrekent, de ‘daklozenkrantenman’ ontloopt en de muzikant geen muntje kan geven, omdat ze de handen niet vrij heeft. Weer ‘in eigen huis’ gekomen propt ze de koelkast vol: aardser kan het niet. De dichter is weer thuis, maar wat is thuis? De dichter gaat na het boodschappen doen ogenblikkelijk aan het werk, ‘pakt de stofzuiger en begint’, want ‘overal ligt taal’. Juist ja, die betekenis heeft het woord ‘stofzuiger’ ook.

Vader, moeder, haar zoon en de dichter Joseph Brodsky zijn de verse helden. Helden van vroeger die ook nu nog vereerd worden, helden van nu die een verleden en nog een toekomst hebben. De bundel Verse helden geeft kriskras lezend zijn geheimen geleidelijk prijs: de grote die je het eerst ziet en herkent, daarna is het zoeken naar de kleine verborgenheden. Die zijn er volop, maar een aantal blijft in eerste instantie onzichtbaar. Ik blijf zoeken en lezen, geef het niet op, want deze ‘Verse helden vertellen verhalen / grote gebaren en kleine nuances’. Gerry van de Linden sluit de bundel af met het gedicht ‘Nogal leugenachtig lied van de dichter’, waarin ze zich in de slotstrofe afvraagt: ‘Wie zal treuren om de leugen / die ik ben als ik niet meer ben / maar in de aarde opgegaan’. Als je als dichter een waarachtige leugen bent, dan ben je nooit betreurenswaardig.

***
Gerry van der Linden publiceerde elf dichtbundels, een novelle en twee romans. Ze werd in 1975 ontdekt door Remco Campert en debuteerde met de dichtbundel De aantekening (1978). Ze ontving in 2007 de International Poetry Reward of Izmir (Turkije) en haar bundel Glazen jas werd in 2009 genomineerd voor de Brabantse Prijs der Letteren. Gerry van der Linden is docent aan de Schrijversvakschool te Amsterdam, daarnaast is ze beeldend kunstenaar.

 

Recensie van Stad van liefde - Jabik Veenbaas

Een tijdelijke onsterfelijkheid

Jabik Veenbaas
Stad van liefde
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046821879
€ 19,99
56 blz.

In Stad van liefde toont Jabik Veenbaas zich opnieuw een meester in het oproepen van spanning tussen het heden en een voorgoed voorbij verleden. Als hij dat combineert met het hoofdmotief in deze bundel – de liefde – levert dan meteen de beste gedichten op. Neem bijvoorbeeld ‘nog een liefdeslied’, waarin de dichter schrijft over het onherroepelijke verlies dat met liefde gepaard gaat, ook als zij blijvend is: het waarmaken van het verlangen naar een liefde is immers het einde van het dromen daarover. Veenbaas heeft een huidige liefde, gelukkige herinneringen en weemoed over wat niet herhaalbaar is op een mooie manier gemengd:

of ben je een heimwee die ik oproep als
het avond is, in mijn lamplichte kamer
heimwee naar het tikken van je hakjes
op de harde koude straat toen je daarnet
de deur uit ging naar die eerste keer
dat we zoenden in mijn lage bed aan
het eind van een nacht van hete lome
lichamen mocht toch die nacht opnieuw
beginnen ik sprak je aan en wist nog niet
dat je met me mee zou gaan

Net als in Mijn vader bad probeert de dichter de tijd te dwingen. Onmogelijk natuurlijk, maar poëzie kan je voor even die illusie geven. Datzelfde geldt voor de liefde, zeker als je erover dicht. De laatste drie regels van de bundel (uit ‘gedicht voor je vijftigste’) zijn prachtig: ‘daarom blijf ik bij je / ook al is iedere onsterfelijkheid tijdelijk / die met jou duurt het langst.’
Helaas zijn de gedichten minder goed als het balanceren met de tijd in de liefdesgedichten ontbreekt, in ‘overleven’ bijvoorbeeld, over de liefde als remedie tegen een onherbergzame buitenwereld. De dichter is op bezoek geweest bij een gefrustreerde vriend, ‘vol boosheid over zijn verwoeste huwelijk’, in de trein naar huis zit hij tussen weinig vrolijk stemmende mensen, naar buiten kijken helpt ook niet (‘uit het kanaal stegen gifdampen op’), maar als hij diep in de nacht thuiskomt wordt hij nietsvermoedend begroet door zijn geliefde: ‘en in je verbaasde ogen las ik / waarachtig, ik leefde nog.’ Een aardig gedicht over een rotdag met een happy end, maar meer is het niet – de zelfspot, opgeroepen door hyperbolische titel , doet daar niets aan af.
Ook met verbeelding kun je de wereld naar je hand zetten. In ‘Credo’ vraagt de dichter zich retorisch af wat hij met de waarheid moet. Het gezever daarover moeten we maar aan betweters overlaten. De laatste strofe:

‘( … ) ik geloof in spoken
in muziek en poëzie, dat is de troost
van ijle waanzin
ik geloof in het ruisen van de populier in mijn achtertuin
ik geloof in de ziel die niet bestaat
en in de redeloze onmachtige liefde

Veenbaas doet meer in deze bundel. Vrijwel alle gedichten gaan over de liefde en dat kan ook de liefde voor een stad zijn. Het sfeervolle gedicht ‘zeedijk amsterdam, ‘s ochtend vroeg’ , waarin ‘alles begint bij zon en stilte’ eindigt met een volmaakte avond in ‘de onooglijke kroeg, genoemd / naar het elfde gebod: leven zul je / nooit genoeg’. Mooi zijn de personificaties, zoals een bunker als metafoor voor een onverzettelijke, rondloerende rouwdouwer die heimelijk verlangt naar moederliefde. Het mooist is ‘marilyn monroe, breakfast in bed’. Dat ontbijt in bed verwijst waarschijnlijk naar de titel van de hit uit de jaren zestig met de regel die Dusty Springfield onvergetelijk maakte: ‘You Don’t Have To Say You Love Me’. Monroe wordt voorgesteld als de verpersoonlijking van het archetype van de Verenigde Staten:

zij pelde een ei op haar kussen kwam
van kust tot kust het land in beroering
er werden slipjes aangetroffen in herenkoffers
presidenten vulden hun agenda’s stotterend
met haar borsten

want iedereen wist op haar machtige dijen
waren wolkenkrabbers verrezen
en mayflowers sloegen sinds lang te pletter
op haar weelderige heup

als ze geeuwde jankte een prairiehond
en een kalme bizon graasde
in de deuropening van een blokhut
verscheen een echtpaar in vodden

hoog daarboven cirkelde een arend
en viel op zijn prooi

Presidenten die niet gewoon hun agenda vullen met haar borsten, nee, ze doen het stotterend van opwinding. Zelden las ik een mooier beeld van de onweerstaanbare Marilyn die zelfs van de machtigste mannen ter wereld weerloze pubers maakte.

***
Jabik Veenbaas (1959) is dichter, filosoof en vertaler. Hij debuteerde in 2001 met de Friestalige bundel Metropolis. Drie van zijn vier Friese bundels vertaalde hij in het Nederlands. Zijn laatste oorspronkelijk Nederlandstalige bundel was Mijn vader bad (2015).

Poëzie Kort 2016 / 11

 

Maarten Embrechts, Vel

Door Lennert Ras

Maarten Embrechts (1946) debuteerde in 2014 met Dagen van koffie en van brood. Hij publiceerde vanaf 2008 gedichten. Eerst in Meander, maar ook in De Brakke hond, Het liegend Konijn, Dighter en de Contrabas. Vel is een bescheiden bundel met niet te veel tekst en leest als een trein. Er wordt vaak over goede gedichten gezegd, dat er sprake moet zijn van een geheim. En Maarten Embrechts heeft zeker geheimen. Er schemert pijn door de bundel vanwege een problematische vaderverhouding.
Een vader met wie toch ook verbondenheid is. Misschien een incestverleden. De eerste afdeling van de bundel, waarin de vader een rol speelt, heet niet voor niets ‘Oorlog’. Alles speelt zich achter gesloten gordijnen af. Voor de buitenwereld zijn we netjes. ‘Hier vloekt / men niet ‘t Is in ‘t geniep dat ze hun darmen / luchten en dan nog even pulken aan hun mik.’ (p.9). De stank van achterkamertjes .. . Toch moest ik om deze regels wel even grinniken. Het is niet alleen maar zwaarte in deze bundel.
Na ‘Oorlog’ volgt de afdeling ‘Aaien’ , maar je vraagt je af of het wel bij aaien blijft. Dan volgt namelijk de afdeling ‘Schietgeweren’. Het inleidende gedicht hierbij van Jos Daelman, uit A Poets Grave (een titel die naadloos aansluit bij de bundel van Embrechts) revereert aan de speer van Achilles, die meisje was tussen de meisjes. Het personage in de bundel heeft het er ook over dat hij soms man, soms vrouw speelt (p.25) met alweer die seksuele connotatie. Zowel de speer als de schietgeweren doen hieraan denken. ‘De mensen houden niet van ons.’ (p.25). De regel staat opzettelijk apart.
Na de schietgeweren, ‘Pissen tegen weer en wind’. Het lijkt grappig bedoeld, licht, maar is dat wel zo? ‘Schrijven gaat over lijken’ (p. 33). Vel eindigt met het ‘Tekort van de letter’. ‘We mogen niet meer krassen in ons eigen vel’ (p.45). Vel is slechts het vel. Woorden schieten te kort om de ervaring te openbaren. Embrechts beklemt, zet aan het denken en laat ons achter met een gevoel dat we te kort schieten. Een zeer consistente bundel.

***
Maarten Embrechts (2016). Vel. Uitgeverij C. de Vries – Brouwers, 48 blz. € 14,90

 

Jos Versteegen, Woon ik hier

Door Eric van Loo

In Woon ik hier portretteert Jos Versteegen een aantal bewoners van het tegenover hem gelegen verzorgingshuis. Als dichter van dienst voor het project Eenzame Uitvaart betrad hij het verzorgingshuis om een gedicht voor de overleden mevrouw De W. te schrijven, een bewoonster zonder naaste familie:

EEN ZWIJGEN

Er waren anderen, veel anderen, mevrouw,
die net als u op laatste kamers woonden.
Een gang vol woorden, en ze gingen in en uit.
Dit was uw kamer. Zicht op het park.

In plastic tassen bewaarde u muziek,
daar was een groot, welluidend zwijgen
over de liefde en het leven.

U koesterde, mevrouw, u die geen moeder was,
foto’s van kinderen, twee kinderen, spoorloos,
die uit een krant of tijdschrift tot u zwegen.

En in uw stoel, mevrouw, daar zaten beertjes,
en u zei welterusten, ‘s avonds laat,
in uw kamer aan het stille park,
in uw groot, welluidend zwijgen.

Hierna kreeg Versteegen het idee om met meer bewoners te gaan praten, om hun levensverhalen aan te horen nu ze deze nog konden delen, om deze misschien als inspiratie voor gedichten te gebruiken. Twee jaar en vele ontroerende gesprekken later resulteerde dat in Woon ik hier.
Evenals in het hier weergegeven gedicht spreekt de dichter de ouderen meestal met ‘u’ aan. Hoewel dat in de omgang een logische keuze is, schept het in de gedichten ook afstand. Ik voel me als lezer buitengesloten, buiten het gesprek dat de dichter met de ouderen heeft. Meer nog dan wanneer de derde persoon enkelvoud gebruikt zou zijn: ‘Zij die geen moeder was koesterde / foto’s van kinderen (…)’. Met deze formulering heb ik meer het gevoel samen met de dichter door het raam te kijken.
Van de vorm moet deze poëzie het niet hebben. De meeste gedichten lezen als versjes, vaak met een dreinerige viervoetige jambe. ‘Nu zit u met die voet, gebroken, / u moet straks naar het ziekenhuis, / vanavond gaat u verder in / uw leesboek, Hoeve in de storm.’ De keuze van het woord ‘leesboek’ verraadt dat de dichter het ritme bewust na heeft gestreefd. Des te merkwaardiger is de opening van dit gedicht: ‘Uw beertjes kijken, dag en nacht, / uw bambihertjes ook, glanzend / op uw buffet, met grote ogen, / en uw zigeunerjongen huilt.’ Regel twee valt volledig uit het metrum, zonder dat dit als antiritmie functioneel is.
Het gedicht ‘Tobelo’ heeft geen last van deze vormdwang. Het is een aardig verhaaltje, daar niet van. Maar het zou beter geweest zijn om het als prozagedicht af te drukken, een vorm die sinds een jaar of tien in zwang is. Niet te veel pretenties, gewoon pas een nieuwe regel beginnen als de oude vol is.
Het hierboven aangehaalde gedicht ‘Uw zigeunerjongen huilt’ legt ook wat de inhoud betreft een vinger op de zere plaats. De gedichten lijken soms zelf een ‘Zigeunerjongen met traan’. Respectvol opgeschreven, maar vaak ook sentimentele anekdotes. Indringende verhalen, dat zeker. Over hoe de oorlog voor veel van de bewoners nog springlevend is. Over hun jeugdherinneringen, die juist nu ze oud zijn boven komen drijven. En over de eenzaamheid. Het is goed, dat de dichter bij zijn overburen op bezoek is geweest. Of dit ook goede poëzie heeft opgeleverd is de vraag.

***
Jos Versteegen (2016). Woon ik hier. Nieuw Amsterdam, 64 blz. € 19,99

 

Geert Buelens (red.), Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of the Somme

Door Hans Puper

Plots hel het werd is een boek over de receptie en invloed van de Engelse propagandafilm The battle of the Somme uit 1916, die internationaal een schokgolf veroorzaakte: het aantal slachtoffers kwam aan het eind van de slag boven het miljoen. Het medium stond nog in de kinderschoenen; films als deze waren volstrekt nieuw. De bezoekers kregen de oorlog te zien zoals hij echt was en daarin bleef weinig heel van de mythe van koene, vaderlandslievende strijders die onvervaard optrokken tegen de vijand. Ze zagen beelden van het leven in modderige loopgraven, kraters vol water, gewonden, doden, onafzienbare rijen soldaten op weg naar het front, die soms vrolijk naar de camera zwaaiden en in wie
Engelse bioscoopbezoekers soms een gesneuvelde zoon, echtgenoot of vader herkenden.
Een van die bezoekers was Jac. van Looy, voormalig Tachtiger en schilder. Dat is bijzonder, want een voornaam man als hij trof je in bioscopen weinig aan: film werd door cultuurdragers – met uitzondering van een enkeling als Van Ostaijen – nog beschouwd als een ordinair medium. Van Looy doet verslag in zijn lange gedicht ‘Het verhaal van den provinciaal’, waarin hij over zijn ontzetting geen twijfel laat bestaan. In een kort radio-interview van Frits Spits met Geert Buelens, de redacteur en inleider van dit boek, zijn fragmenten van ‘Het verhaal’ te beluisteren.
Het boek bestaat naast Buelens’ inleiding uit vier artikelen en een DVD met interviews, fragmenten uit de film en een voorlezing van Van Looys gedicht. Interessant is het artikel ‘Ik kan niet alles ordelijk vertellen’ van Fabian Stolk, waarin hij onder andere ingaat op de negentiende-eeuwse literaire conventie van de manuscriptfictie, die Van Looy lijkt te ironiseren. De manuscriptfictie, in mijn woorden weergegeven: de schrijver of dichter doet het voorkomen of zijn werk een bewerking is van een (bijvoorbeeld) nog onbekend, vaak middeleeuws manuscript dat hij in handen heeft gekregen. Aanvankelijk werd dat geloofd, maar naarmate zo’n waarheidssuggestie vaker voorkwam, werd die terecht opgevat als fictie. Multatuli ironiseerde dat procédé: hij claimt dat het manuscript in de Max Havelaar, het ‘pak van Sjaalman’, wel degelijk waarheid bevat. De lezer moest aan het slot met een schok tot de ontdekking komen dat het boek geen exotische roman is, maar een aanklacht tegen de uitbuiting van Javanen. Stolk laat zien dat Van Looy vele jaren later iets dergelijks lijkt te doen: het gedicht zou een onderdeel van een nalatenschap zijn. Het besef van de lezer dat het hier niet om fictie, maar om de keiharde werkelijkheid gaat, geeft het gedicht een extra lading.
In het artikel ‘Het hoe en het wat. Jac. van Looy en andere Tachtigers in de Groote Oorlog’ onderzoeken Tessa Lobbes en Laurens Ham het engagement van Tachtigers ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Het is natuurlijk niet vreemd dat de opvattingen van de in hun begintijd onmaatschappelijke estheten dertig jaar nadien niet meer hetzelfde waren – rond 1890 stelden Gorter en Van Eeden hun kunst al in dienst van respectievelijk het socialisme en spiritueel ingegeven maatschappijhervormingen – maar desalniettemin is het boeiend te lezen over hun publieke optreden en publicaties (of de afwezigheid daarvan) in de Eerste Wereldoorlog.
De titels van de andere twee artikelen spreken voor zich: ‘De dood op het doek. The battle of the Somme als mediagebeurtenis in Nederland’ en “Want de Oosterling is voor niets zoo toegankelijk als voor het levende beeld op het projectie-doek’. The battle of the Somme in Nederlands-Indië.’ Ze zijn van respectievelijk Klaas de Zwaan en Natalia Stachura.

***
Geert Buelens (red.) (2016). Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of de Somme. Huis Clos, 112 blz. € 27,50

 

Amarantha Groen, De geschiedenis van zand

Door Hans Puper

De geschiedenis van zand is de debuutbundel van Amarantha Groen. Het is ‘een zintuiglijke reis door haar gedachtewereld’, lezen we op het achterplat. Dat is de zien: de gedichten zijn beeldend en associatief en daardoor niet altijd begrijpelijk. Dat hoeft ook niet, als ze maar werken. Dat doen ze ongetwijfeld op het podium, maar op papier is een aantal gedichten niet tegen herlezing bestand. In ‘Romance’ schrijft ze bijvoorbeeld: ‘Op een half beschaduwd plein / wachtte je op mij, de dwaling // droop als kaarsvet uit de lucht / het brandde kort / op onze huid en bleef / aan onze vingers kleven ( … )’. Een als kaarsvet druipende dwaling in combinatie met ‘uit de lucht’ vind ik ongelukkig. Geen kaarsvet zonder een vlammetje; ik moest denken aan een sadistisch opperwezen dat een kaars scheef houdt en dat lijkt me niet de bedoeling. Als de dichter ‘uit de lucht’ had weggelaten, had ik het beter gevonden.
‘Object’ is een gedicht dat ik goed vind. Ik citeer het in zijn geheel.

De figuur tegenover mij kijkt niet
naar mij, maar naar een coördinaat
in lucht. Een lijn
tussen ons breekt. Beduusd
dwaal ik de ogen af.

Mijn blik leunt tergend op zijn lichaam,
tast de structuur af van zijn hemd –
touwachtig, grof, als een rieten mat.

Dan laat de man zijn punt varen en
merkt me op. De lijn tussen ons
zet zich schrap.

Ik lees dit gedicht als volgt.
De ik-figuur is een punt, een ‘coördinaat / in lucht’ en wordt niet gezien als de persoon die zij is. Hij ook niet trouwens, anders spreek je niet van een ‘figuur’. Een coördinaat wordt bepaald door twee lijnen en die moeten in dit geval van de figuur uitgaan: vanuit zijn ogen en vanuit zijn geslacht? Ziet hij haar alleen als seksobject? In ieder geval breekt er een van de lijnen. Mooi is het zinnetje: ‘Beduusd / dwaal ik de ogen af’. Voor ‘de ogen’ kun je lezen ‘zijn ogen’ en dan probeert de ‘ik’ de man tegenover haar te peilen. Je kunt ook ‘mijn ogen’ lezen en dan wendt de ik haar ogen af, besluiteloos, zonder doel. Het woord ‘dwaal’ is in beide gevallen mooi gekozen.
De tweede strofe onderstreept de afstand die zij ondervindt: de man beschrijft zij als een object tot het moment dat hij haar ziet als persoon: de overgebleven lijn ‘zet zich schrap’. Dat kan twee dingen betekenen: de lijn trekt strak en dat betekent toenadering of de lijn maakt zich klaar voor verzet.

Ook het beeld van de lijnen is niet helemaal waterdicht, maar het is een kniesoor die daarop let: Amarantha Groen kan zich ontwikkelen tot een goed dichter.

Amarantha Groen (2016). De geschiedenis van zand. Uitgeverij Liverse, 44 blz. € 15,95

Recensie van Sonnetten voor Hanna. Een onderduikgeschiedenis in gedichten - Hans Keilson

‘Mijn opa schreef gedichten’, zegt Leila

Hans Keilson
Sonnetten voor Hanna. Een onderduikgeschiedenis in gedichten
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2016
ISBN 9789046821121
€ 19,99
224 blz.

Voor mij ligt, wat men vroeger ‘een kloek boek’ noemde, stevig gebonden, een heldere stofomslag en een fraaie letter. Het betreft een tweetalige uitgave: op de linker bladzijde de Duitstalige sonnetten die Hans Keilson tijdens zijn onderduikperiode in Delft schreef, op de rechter bladzijde de vertalingen van Jos Versteegen. Het boek wordt niet alleen in Nederland uitgegeven door de uitgeverij Nieuw Amsterdam, maar verschijnt tevens bij S. Fisher in Duitsland, waar Keilson in de jaren dertig van de vorige eeuw debuteerde; hij was de laatste Joodse debutant. De tweede vrouw van Hans Keilson, Marita Keilson – Lauritz, schreef een kleine inleiding. Jos Versteegen verzorgde een groot, degelijk nawoord: ‘Een liefde in de onderduik’. Hij heeft de gedichten, samen met vrouw Marita, geannoteerd en dat is zeer degelijk gebeurd.

Hans Keilson was een Duits/Joodse schrijver en psychiater, geboren in Duitsland aan de Poolse grens in 1909 en overleden in 2011 in Nederland. Op zijn honderdste verjaardag (als ik mij goed herinner werd er ook aandacht aan besteed bij DWDD) constateerde de criticus Francine Prose in The New York Times dat zij Keilson rekende tot de grootste schrijvers van zijn tijd: een late erkenning. Hij studeerde medicijnen in Duitsland, maar kwam als arts terecht in de maalstroom van de vele verboden die de Joden in Nazi-Duitsland werden opgelegd. Hij mocht zijn vak niet uitoefenen, was muzikant en sportleraar en debuteerde in 1933 bij uitgeverij S. Fischer met het boek Das Leben geht weiter, een verhaal van twee jonge mensen in het interbellum. Na zijn debuut stak de storm op en op aanraden van zijn redacteur bij de uitgeverij vertrok hij in 1936 naar Nederland met zijn partner, de katholieke grafologe Gertrud Pfeiffer-Manz en hun kind. Het noodlot achterhaalde hen: Nederland werd bezet. Keilson dook onder in Delft, maar was geen deemoedig slachtoffer. Hij ging zonder ster naar buiten, steunde het verzet. Ondanks zijn gevoelens voor Gertrude en hun kind, werd hij verliefd op de eveneens ondergedoken Joodse Hanna Sanders. Terwijl de geliefden in het Nederlands communiceerden, schreef Keilson 46 sonnetten voor Hanna in het Duits, een Duits dat hier en daar wat Nederlands gekleurd was. Wonderlijk dat hij in de taal van de gezamenlijke vijand schreef, en niet de taal van hun liefde gebruikte.

Het zijn traditionele sonnetten, zwaar, soms overdadig laat-romantisch. Qua techniek goed, qua Duits, moet ik de vertaler geloven, vol ‘neerlandismen’. Het lijkt alsof aan Hans Keilson de gehele expressionistische poëzie, zoals onder andere verzameld in de beroemde bloemlezing van Kurt Pinthus, Menschheitsdämmerung, voorbij is gegaan. De geest van Rilke hangt over de gedichten. Soms zijn er zinnen die mij doen denken aan Karel van de Woestijne, dat heel overdadige, soms zelfs aan Willem Kloos en Albert Verweij. De sonnetten hebben geen titels, maar dragen nummers. Ze vertellenover, nee, ze bezingen de liefde en reflecteren op de omstandigheden en de gebeurtenissen in de buitenwereld. Uit het 37ste sonnet blijkt, dat Keilson zich volledig van de situatie bewust is waarin de Joden verkeerden: het gedicht gaat over gas. Hij schetst daarin de lichtheid van het gas dat bijna onmerkbaar in het systeem van ‘Lungen und Adergeflicht’ wordt opgenomen. Hij moet in 1944 hebben geweten van het wat en hoe.

O Leiber, gepfercht in die Kammer
so gläublig dem wendende Hahne
im langsam erstickendem Jammer

genast ihr vom letzten Wahne
als härter denn Schlag und Hammer
wehte des Grauens Fahne…

of in de vertaling:

O lichamen, in ’t hok gestouwd,
wat hebt u op de kraan vertrouwd
die draaide, maar uw laatste droom

werd, met uw kreten, traag gesmoord:
wreder nog dan een mokerslag
was ’t waaien van de gruwelvlag.

Er is een sonnet dat begint met het sextet en eindigt met het octaaf (26); soms maakt de vertaler, gemotiveerd in de uitstekende annotaties achter in de uitgave, van het gedicht een Shakespearesonnet, soms zijn er ritmische met kortere regels. Soms worden er Nederlandse woorden gebruikt om het rijm goed te laten klinken. Ook dat is allemaal terug te vinden in de aantekeningen achterin het boek, evenals de verbeteringen van spel- en grammaticale fouten in het Duits.

Ik ben geen germanist en hoewel ik redelijk goed Duits beheers en de taal ook veel lees, voel ik mij niet competent om over de inhoud van de Duitse poëzie te oordelen; wel weet ik iets van het proces van vertalen. Mijn gedichtencyclus Het Umbrisch Getijdenboek is in het Italiaans vertaald, waarbij ik zelf betrokken was. (Umbrisch Getijdenboek / Le ore canoniche Umbre – Edizioni Era Nuova-Perugia). Ik had de tekst grof vertaald en deze vervolgens met een filosoof/filoloog bewerkt. Aangezien de man geen woord Nederlands sprak, werkten we met objectieve kenmerken als regellengte, klank (waarbij uit synoniemen gekozen werd als ik het betreffende woord had voorgelezen) aantal lettergrepen, plaats van het woord in de zin. De definitieve beslissingen nam ik zelf: vertalen is immers vaak beslissen. Het was een heel bijzondere ervaring: je eigen poëzie verdedigen (waarom staat dat woord daar en wat betekent het precies en hoe hangt het samen met andere woorden) en vervolgens het gedicht in een andere taal zien groeien. Het was hard, vooral inspannend werk, maar ik wens elke letterkundige, of hij nu proza of poëzie schrijft, toe, dat hij zo een ervaring kan meemaken: het is een proces van opnieuw creëren, van verdieping en tenslotte is er de satisfactie over het resultaat.

Jos Versteegen had niet de mogelijkheid zijn vertaling te toetsen aan datgene wat de dichter er zelf van vond, hij moest zijn beslissingen zelf nemen en er ook zelf de verantwoordelijkheid voor dragen, al zal hij ongetwijfeld over sommige dilemma’s met de vrouw van de dichter hebben gepraat. Ook de annotaties verzorgde hij met haar, maar ook zij kon niet in het hart van de dichter kijken. Als ik bij Sonnet 14 lees: ‘De werkwoorden ‘strehlen’ en ‘kehlen’ bestaan niet in het Duits, ze zijn naar alle waarschijnlijkheid gevormd naar het voorbeeld van de Nederlandse werkwoorden ‘strelen’ en ‘kelen”, zit daar een duidelijke modaliteit in. Versteegen maakt ook regelmatig opmerkingen als ‘een spelfout in r. 8 is gecorrigeerd’. Het biedt de lezer de mogelijkheid moeilijkheden van een vertaler te zien, die er ook nog eens mooi Nederlands van moet maken. Een duidelijke vertaalbeslissing vinden we in de vertaling van sonnet nr. 25 (dat begint met ‘Die Zeit des Grauens’, nr.25), door Versteegen vertaald als ‘Gruwtijd’, een woord dat ik lelijk vind. Versteegen schrijft als toelichting: ‘Herinnerd wordt met name de gruwtijd toen Hans en Hanna samen hun toevlucht namen tot de liefde. Deze gruweltijd bracht dus de liefde, maar in de tijd van de liefde bleef de gruwel aanwezig, wachtend en wakend’. Op grond hiervan komt er een vertaalbeslissing: ‘In het Duits staat er ‘wacht’ in de laatste regel. Dat kan betekenen dat de gruwel als het ware waakzaam is, ‘waakt’ van het Duitse werkwoord ‘wachen’ . Het kan ook een neerlandisme zijn, van ‘wachten’ en dan staat er (en hiervoor is in de vertaling gekozen) dat de ‘gruwel wacht’ (‘wartet)’. Zo ziet men een gewetensvol vertaler aan het werk.

Jos Versteegen moest én de vorm én de inhoud weergeven. Ook hiervan geeft hij fraaie staaltjes. Het viel bij mij bijvoorbeeld bij sonnet 7 op, dat hij nogal ‘worstelde’ met het sextet. Keilson heeft als rijmschema aba/bab

..hab’ ich an ihrem Bett, als wär’s für mich
die ganze Nacht Tränen geweint, um einen,
den mein Herz nicht meint. So bitterlich

hab ich noch nie gerufen. ’S Gab keinen
anderen Weg zum Trost für sie und mich
als in dem grossen Weinen zu vereinen.

Versteegen daarentegen heeft als rijmschema: abc/acb. Hij volgt gewetensvol de enjambementen:

…en aan haar bed, de hele nacht, vergoot
ik tranen om wie ik niet eens beminde.
Zo bitter was mijn klagen, mijn geschrei

nog nooit geweest. Versmelten in een groot
en hevig huilen was voor haar en mij
de enige manier om troost te vinden.

Mag dit? Ik zou die vraag niet eens willen stellen: ik vind het prachtig gedaan.

Ik wil hier eindigen. De verleiding is groot om nog vele voorbeelden te citeren en te bekijken. Ik vind dat Versteegen gewetensvol vertaald heeft en van de Duitse gedichten Nederlandse poëzie heeft gemaakt, die ook zonder oorspronkelijke tekst te genieten valt en dat is een heel groot compliment.

Hiervoor is al opgemerkt, dat het boek begint met een tweetalige inleiding van Marita Keilson – Lauritz, de tweede vrouw van de schrijver) en eindigt met een degelijk, prettig leesbaar en buitengewoon interessant tweetalig nawoord van de hand van Jos Versteegen, waarin de situatie van de dichter verhelderd wordt en veel biografische gegevens worden weergegeven die ons de dichter nader brengen. Hij gaat tevens in op de positie en de gevoelens, soms van vertwijfeling, van Hanna Sanders. Van haar wordt ook een gedicht geciteerd dat de hopeloosheid van deze grote liefde weergeeft. De annotatie per gedicht is van de hand van Versteegen en Marita Keilson – Lauritz .

Deze poëtische verslaggeving van een liefde tijdens het onderduiken, is zeer de moeite waard.

***

Na de oorlog publiceerde Keilson onder andere de novelle Komedie in mineur (1947) en de roman In de ban van de tegenstander (1959), waarmee hij in 2010 wereldberoemd werd. Zijn verzamelde werken, Werke in zwei Bänden, verschenen in 2005.
Jos Versteegen (1956) is dichter en vertaler. Zijn vertaling van de gedichten van Hans Keilson komt in twee landen uit. In Nederland bij Nieuw Amsterdam en in Duitsland bij S. Fischer, de oorspronkelijke uitgever van Keilson.