Recensie van Brievelings dievelings lievelings - Jos Stroobants

Klassiek en rijm kunnen best mooi zijn

Jos Stroobants
Brievelings dievelings lievelings
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339522
€ 16,00
47 blz.

De bundel Brievelings dievelings lievelings valt uiteen in drie delen, luiken zoals de dichter ze zelf noemt. Het eerste luik ‘Brievelings’ bevat een soort poëtische brieven naar bekenden en onbekenden, onder andere naar aanleiding van Nieuwjaar of Gedichtendag. In het tweede luik ‘Dievelings’ gaat het over het werk van collega-kunstenaars en tracht Stroobants te ontdekken hoe schilders, beeldhouwers, componisten, zangers of dirigenten omgaan met hun werkelijkheden en wat dat met hemzelf doet. In het laatste luik, ‘Lievelings’, probeert hij dichter te komen bij zijn eigen ‘alledaagse’ mensen, zowel doden als levenden.

Uit het eerste luik nu het volgende gedicht:

Waterliedje

Zoals het water doet en niet weet dat
het water is, maar vloeit, bevloeit, en stoeit
met oeverriet en boorden, grassig en
meanderend, zoals het zonder omzien
verder schuift en leven achterlaat en
leven meevoert, zélf dat leven is –

Zo vloeien wij en groeien wij doorheen de
de dagen en de vragen, weten amper
wie we worden, laten woorden achter
langs de oevers wederzijds, maar zonder
omzien, vruchtbaar soms, soms vruchteloos,
en leven naar een ruimer leven toe.

Twee sextetten zonder eindrijm, maar met volop assonanties en alliteraties. Op zich niets bijzonders, maar wel zoals ze hier staan. Het vers loopt fantastisch en heeft een bijzondere klankrijkdom. Overdaad schaadt luidt het spreekwoord, maar daar is hier beslist geen sprake van. Een mooie afwisseling van de oe-, a- en o-klanken en alliteraties op de w, de v en z zorgen voor een evenwichtige eerste strofe. In de tweede strofe wordt dat mooi doorgezet. Nergens klinkt het, en dat gevaar ligt op de loer, kitcherig. Opvallend is het ritme, waardoor de cadans van het stromende water prachtig wordt weergegeven.
De boodschap is mooi verpakt: zoals water niet weet waar het langskomt en waar het naar toe stroomt zo gaat het leven door. Zoals een rivier breder wordt naarmate hij de zee nadert, zo gaan wij ruimer denken en meer relativeren naarmate we ouder worden.

Uit het derde luik komt het volgende vers:

Leraar

Hij keek naar ons vanuit een onbekende
hoogte, maar keek nimmer op ons neer,
hoe woelig wij ook waren, en hoezeer
in onmin ook met alles, wij zijn jonge bende.

Steeds zei hij iets minder dan hij wist,
maar net iets meer dan wat van hem verwacht werd,
liet toe dat zijn scherpste woord verzacht werd
door een monkellach, zijn liefste list.

Hij was geen man van methodologie,
en geen systeem bleek heilig, maar hij bracht ons
veilig bij wie wij nog moesten worden.

Dit verzacht ook deze eligie:
dat wij vandaag nog dragers zijn van zijn
(de vruchtbaarst mogelijke) ironie.

In dit sonnet weer opvallend mooie alliteraties en assonanties die organisch in de tekst zijn opgenomen. Hier is een vakman, een taalvirtuoos aan de gang, want het rijmt en dat kan het gevaar met zich meebrengen dat er concessies gedaan worden om het rijmend te krijgen, maar daar is hier absoluut geen sprake van. De leraar aan wie dit gedicht, zij het postuum, is opgedragen kan trots zijn. Wat een waardering en liefde spreekt uit dit vers. Een heel mooie gedachte vind ik de passage: ‘hij bracht ons veilig bij wie wij nog moesten worden’.
Als je zo een klassieke vorm kan hanteren, is dat een lust voor de poëzielezer.

Op de bladzijde naast het vorige gedicht staat het volgende:

Later

Dit zijn dan de jaren van later…
maar nooit zijn er mensen genoeg,
nooit wanneer jaren verjaren,
of uitzicht vergaard moet,
of deuren geopend en bomen geplant.

Het dubbelzinnige feest moet bewaard
in de dubbelmonarchie van het wonen:
bevestiging, verzoening, verhoping en paring, …

Opzij staan steeds de getuigen:
niets weten ze beter (verklaring noch inzicht);
ze kijken en luisteren – en blijven nabij.

Zo euforisch als ik was over de vorige gedichten, zo teleurgesteld ben ik in het bovenstaande gedicht. De ingehouden toon en het gebruik van alliteratie en assonantie is weg in dit laatste vers. Vervelende herhalingen en het weglaten van het hulpwerkwoord worden wekken irritatie bij me op. De bedoeling van het gedicht is overduidelijk: allen die ons ontvallen zijn, blijven in onze herinneringen voortleven. Niet echt een revolutionaire vondst.

Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel zegt men, een waarheid waar je niet omheen kunt. Dat geldt jammer genoeg voor deze bundel. Ondanks de prachtige, evenwichtige, klankrijke verzen, laat je het eindoordeel toch beïnvloeden door de zwakke. Het had zo mooi kunnen zijn: laat de zwakke gedichten weg en de bundel is prachtig. Jammer, maar we moeten het doen met deze uitgave en misschien moeten we de bladzijden met zwakke passages maar snel omslaan om meer te genieten van het moois dat er toch in staat.

***
Jos Stroobants (1948) publiceerde twaalf dichtbundels, o.a. Staties (2015), Voor een dag als deze (2011) en Tegen de tijd (1994). Naast dichter is hij actief als toneelmaker, musicus en componist.

Recensie van Alles gebeurt onderweg - Annemie Deckmyn

Uit de raten van een reisbij

Annemie Deckmyn
Alles gebeurt onderweg
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339270
€ 17
64 blz.

Het debuut van Annemie Deckmyn begint met een citaat uit het werk van Jean-Paul Sartre (1905-1980): ‘Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen.’ Dit citaat verklaart enigszins de titel van de bundel. Sartre wist waarover hij het had. Zoals J.K. Huysmans en Georges Bataille schreef hij bladzijden vol in het Café de Flore. En hij beperkte zijn verkenning niet tot die ontmoetingsplaats. Zoals Simone de Beauvoir en Albert Camus schreef hij ook in een ander beroemd café: Les Deux Magots. De zoektocht naar het zelf leverde Sartre alleszins  bizarre kennis op: ‘L’enfer, c’est les Autres’ (in het toneelstuk Huis Clos, 1944). Annemie Deckmyn laat die vaststelling gelukkig links liggen, en ze heeft zich ook niet op het hellepad van Dante Alighieri (1265-1321) begeven. Het lijkt erop dat ze het leven als een reis opvat, een reis met slechts één doel: het leven zelf. Voor wie altijd op reis is, gebeurt alles altijd onderweg. Er is immers geen vaste aanlegsteiger, geen bestendige ankerplaats, tenzij misschien de taal van het denken en aanvoelen. De dichteres draagt de bundel op aan ‘wie naast [haar] gaat’, de Ander, de medereiziger.

Alles gebeurt onderweg bestaat uit zeven reeksen gedichten waarvan er enkele worden ingeleid met een citaat. Aan de eerste cyclus, ‘Wij’, gaat een uitspraak van de Libanese dichter, denker en schilder Kahlil Gibran (1883-1931) vooraf: ‘Wij zullen elkaar nimmer begrijpen zolang wij de taal niet tot zeven woorden terugbrengen.’ De schrijver van De profeet (1923) heeft er met die uitspraak op gewezen dat het essentiële uitdrukken niet gebeurt door een massa woorden op elkaar te stapelen, maar door het aantal woorden te beperken, en dat is een van de kenmerken van Deckmyns poëzie. Gibran schreef ook dat ‘Alleen hij die duizendmaal verdwaalt [eens] thuis zal komen.’ Die uitspraak is behoorlijk rekkelijk, maar ze past ook in de zoektocht van dichters: vaak verdwalen in woorden draagt ertoe bij dat men die ‘zeven’ woorden van Gibran achterhaalt. In het eerste gedicht lees ik ‘jong als een maandag / waren we, en welbespraakt.’ In de laatste strofe geeft de dichteres te kennen: ‘ik zie je liever zwijgend. / ontdoe je van je jas en jaren, / toon me elk verschil.’ (p. 6) Met de eerste versregel, ‘jong als een maandag’, herinnert de schrijfster gewild of ongewild aan het scheppingsverhaal. De schepping staat nog in haar kinderschoenen, het is maandag, en de protagonisten zijn jong (uiteraard) en ‘welbespraakt’. Na jaren van zoeken en verdwalen hoeft die welbespraaktheid niet meer, de dichteres ziet haar medereiziger ‘liever zwijgend’. Ze verlangt niet eens naar die zeven woorden.

De eerste cyclus is vanzelfsprekend het reisverhaal van de dichteres zelf: ‘gedurfde keuzes konden we niet maken, ze hingen aan de haak / bij de wanten en sjaals, haastig om ons te verlaten. / wij ontsnapten niet aan de middelmaat. / bouwden een huis waarin we ouder werden.’ (p. 7) De reis mocht dan wel het doel zijn, ze verliep volgens een geijkt stramien, ingegeven door een omgeving, en wat onderweg gebeurde, kinderen krijgen en ze zien opgroeien, leidde tot berusting: “wij, uitgeput, vonden elkaar in verschoten zetels. / van hun verhalen verzadigd dommelden we in.’ (p. 7) Het is een zeer herkenbare reis, met lichtpunten en weemoedige gedachten: ‘op glanzend papier de zomer bewaren. / het feest opbergen in een la, voor later, / als we op de bank samen staren / naar de kust in een kader. // kijk, hier zijn we geweest.’ (p. 8) Het is een veredelde versie van ‘Kilroy was here.’ Ook al is het leven een reis zonder bestendige ankerplaats, leven betekent ook een terrein afbakenen door het aanbrengen van een merkteken. En al bestaat er geen handleiding ‘over de kunst om op een goede plek / je zandkasteel te bouwen’, toch beginnen de meesten te spitten, maar ‘de stoerste burcht verzakt het eerst. // de vloed komt onvermijdelijk. / overspoeld zijn we elkaars gelijke.’ (p. 9) Niet één merkteken kan aan de tijd weerstaan, en onvermijdelijk dringt zich een nieuwe reis op. Deckmyn verwoordt haar gevoelens en gedachten op een bijzonder sobere manier in gedichten met een wisselende vorm en zonder eind- of binnenrijm. Er is nu en dan hooguit sprake van alliteratie. Het aandeel van de reiziger in het verhaal is veeleer miniem, het lijkt erop dat de reis zich vanzelf voltrekt:

we behoren toe aan de straten van de stad,
bewonen een huis waaruit licht lekt.
mensen onzichtbaar achter muren.
het is een avond om voorbij te gaan.

schatplichtig aan versleten stenen zijn we,
tol voor wat bewaard blijft en behouden.
trappen in arduin, de koperen engel
gebogen aan het bruggenhoofd wacht.

gevels in het water lichten op.
een kier volstaat om binnen te kijken,
elke overkant is verder dan gedacht.

(p. 10)

De tweede reeks gedichten werd samengebracht onder het kopje ‘Ik’, en de dichteres laat Oskar van der Hallen (1903-1979) aan het woord: ‘Zelfkennis is als een ziekenhuisbed: proper maar pijnlijk.’ Het is een aforisme dat ik, gelet op Van der  Hallens belangstelling voor het werk van de Franse katholieke schrijver Georges Bernanos (1888-1948), de schrijver van Sous le soleil de Satan (1926), kan plaatsen, maar dat misplaatst is in deze sobere bundel. Zelfkennis is niet per definitie pijnlijk, en een ziekenhuisbed is niet altijd proper – ik spreek uit ervaring. Nadat de schrijfster vastgesteld heeft, dat een aantal van haar wensen onbereikbaar blijken te zijn, stelt ze: ‘het wil niet lukken, ik ben mezelf. / snij elke dag met frisse moed / mijn verse overvloed aan stukken.’ (p. 15) Het is toch niet pijnlijk overvloed te hebben, en die elke dag met frisse moed aan stukken te snijden. Deze vitalistische strofe staat volledig haaks op de uitspraak van Van der Hallen. Zelfs wanneer de schrijfster in een ver land ten val komt – op het vertrouwde pad kent ze ‘elke struikelsteen’ – , ‘alles gebeurt onderweg’, staat ‘de prins van toen, een jutter’, en ‘vindt [haar] na de storm, / draagt [haar] naar huis.’ (p. 17) Maar misschien is het pijnlijke dat de schrijfster zoals vele andere dromers toch niet altijd onderweg is, dat ze toch een ankerplaats heeft, een huis dat ook de prins van toen kent, en wellicht samen met haar deelt, al is hij kennelijk een jutter geworden.

In de derde reeks gedichten, ‘Weerhaken’, ingeleid met ‘Poëzie is een manier om het leven bij de keel te grijpen’, een citaat uit het werk van de Amerikaanse dichter en toneelauteur Robert Frost (1874-1963). Frost liet zich vooral inspireren door de natuur van New England en schreef eenvoudig opgebouwde gedichten. Zijn uitspraak past beter bij het werk van Deckmyn dan die van Van der Hallen. Ik citeer een kort sober gedicht dat dicht bij de natuur aanleunt en als het ware het citaat legitimeert: ‘het was een slecht jaar. / we kwamen niet verder / dan enkele spadesteken. // langs de schaarse gewassen / de slijtgang van de sleur. / hier valt niets te oogsten. // raven wachten op een kreng. / er knaagt een wezel in de stal. / we breken onze schuren af.’ (p. 20) Het zouden de gedachten van een boer in Vlaanderen of Nederland kunnen zijn. Onopgesmukte beelden, geen adjectieven en werkwoorden die op ongenoegen wijzen. De reis door het leven slaat weerhaken in de reiziger, en hier valt wel pijn op, maar het is niet de pijn van de zelfkennis, het is de pijn van de existentiële ervaring. Er zijn ook beelden van de cyclische beleving – de levensreis begint steeds opnieuw – van de ontdekkingstocht, die zeer nauw bij de natuur aanleunen: ‘november maakt slagzij. / het donkert waar we wonen, / we spreken wintertaal, / bevriezen in elke plooi. // de eenden zwijgen, / onze gedachten zijn ijs. / we schaatsen naast elkaar. / ontwijken een woordenwak. // straks warmen we ons / aan het resthout thuis. / winter is te harden, / we wachten op dooi.’ (p. 22) Pijnlijk, maar ‘winter is te harden’, want er hangt dooi in de lucht.

De vierde reeks, ‘Nog even respijt’, lijkt een voorlopige balans te zijn, die wordt ingeleid met enkele woorden van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): ‘De ouderdom is een beleefde mens. / Hij klopt enkele malen aan.’ De ouderdom komt onmiddellijk aan bod: ‘we zijn bereisd. geen grenswacht weerhoudt ons.’ Bereisd zijn vergt een (vrij) lang leven, en dat betekent dat er op een dag ‘zwarte vogels krijsen om ons brood.’ Het is een teken dat liefst zo snel mogelijk naar de achtergrond wordt verdrongen: ‘verjaag hen met je handrug, stel me gerust: / het is slechts reizen, we keren nog terug…’ (p. 28) De reis lijkt dan toch niet het echte doel van de reis te zijn, er is toch een haven, een ankerplaats die op de reizigers wacht. De ouderdom klopt ook aan in de herinneringen die langzaam nieuw reisplannen gaan overheersen:

een orkaan herinneringen,
stiefdochters uit de sprookjestijd.
zij stromen als sap in de stam.
omkijken is fataal.
we kiezen de storm niet,
de storm kiest ons.

verleden is verdwaalde pasmunt
uit onze diepste laden
bijeengeveegd, wie bepaalt de waarde?

(p. 31)

Let op het afgewogen woordgebruik: herinneringen zijn geen dochters, maar stiefdochters, en omkijken is even gevaarlijk als in het verhaal waarin de vrouw van Lot omkeek en in een zoutzuil veranderde. (Gen. 19:26) Daarna volgen nog de cycli ‘Kleine vuisten’, ‘Vader en moeder’ en ‘Vier elementen’. Deze reeksen bevatten gedichten met een zelfde sobere, diep afgewogen zegging, en ter afronding citeer ik het laatste gedicht, ‘Imker’, dat me enigszins doet denken aan het werk van Sylvia Plath (1932-1963). Plath heeft vijf gedichten over bijen geschreven nadat ze zich op het einde van haar leven met bijen was gaan bezig houden – haar vader, Otto Plath, had haar in een ver verleden de weg gewezen, o.a. met de publicatie van Bumblebees and Their Ways (1934). Otto Plath was geen klassieke imker, maar dat is de imker van Annemie Deckmyn evenmin: ‘ze deed het. / zo moest het gaan. / dezelfde dag nog / stond ze bij de korven. / alleen en onbeschut / het aan zijn bijen / komen zeggen: / ‘de imker is gestorven.’ (p. 57) Misschien stond ook Sylvia Plath als klein meisje bij de vroege dood van haar vader ooit bij zijn al dan niet reële korven.

Alles gebeurt onderweg is een debuut dat vraagt om een trage lezing. De schrijfster heeft geen woord te veel gebruikt en de zegging beperkt tot de essentie. De bundel is beslist een aanwinst, nu de podiumpoëzie hoge toppen scheert. Niet het effect van de woorden, maar de verborgen laag van de zegging staat voorop in het werk van Annemie Deckmyn, en dat is een kwaliteit die ik ten zeerste waardeer.

Recensie van De zwarte trilogie - Emile Verhaeren

Symbolisme aan de Schelde

Emile Verhaeren
Vertaler: Stefaan van den Bremt
De zwarte trilogie
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339324
€ 21
89 blz.

De Frans schrijvende Vlaming Emile Verhaeren werd geboren in 1855 in Sint-Amand aan de Schelde, vlakbij Antwerpen. Hij studeerde weliswaar in Leuven, maar zijn Franstalige opvoeding bracht hem naar Parijs, waar hij contacten had met veel schilders en schrijvers. Hij overleed in 1917 in Rouen. Hij moet een inspirerend man geweest zijn, die zijn werken liet illustreren door George Minne, Theo van Rijsselberghe en Odilon Redon. Hij liet zich onderdompelen in de sfeer van het fin-de-siècle, de decadentie, het doods- en lijdensverlangen en de zelfkwelling, zoals onder andere door Baudelaire was uitgedragen. Ook voelde hij zich thuis bij het symbolisme van Verlaine. Zijn poëzie is soms somber en hermetisch.
Veel Frans schrijvende Vlamingen schreven en leefden weliswaar in het Frans maar hielden van het soms sombere Vlaamse land. Ondanks zijn roem in Parijs, heeft Verhaeren nooit Vlaanderen verloochend. Zijn eerste gedichten verschenen onder de naam Les Flamandes. Diegene die gevoelig is voor de nuances van de Franse taal, herkent soms in de woordkeus en beschrijvingen van Verhaeren de donkerte van Permeke en de harde figuren van het Vlaamse expressionisme. Verhaeren is niet de enige die zijn Vlaamse land soms overdreven verheerlijkt (een oude Franse literatuurgeschiedenis zegt ’il exalte la terre natale’), ook de chansons van Frans-Vlaming Jacques Brel zijn ondenkbaar zonder zijn liefde voor ‘le plat pays’; het kan bijna geen toeval zijn dat hij een chanson schreef en zong dat ‘Les Flamandes’ heet.
Tussen 1888 en 1891 schrijft Verhaeren De zwarte trilogie die bestaat uit: Les Soirs, Les Débâcles en Les Flambeaux noirs (Avonden, Aftochten, Zwarte fakkels), waarin met name de filosofie van Schopenhauer en de poëtica van Baudelaire gevolgd worden over het lijden ‘dat net zo goed als het ascetisme, een weg was naar zelfkennis’ (citaat uit het nawoord van de hier besproken uitgave door em. prof. dr. Christian Berg).
Ik vermoed dat er niet veel lezers in Nederland zijn die nog gevoel hebben voor deze loodzware symboliek, hoe dat in Vlaanderen ligt weet ik niet. Nog onlangs viel mij op, toen ik de biografie van Vasalis las, dat Victor van Vriesland en zij gedichten in feilloos Frans uitwisselden, zoals het nu waarschijnlijk in het Engels gebeurt. Ik vind het jammer, dat wij zicht op de Franse cultuur verloren lijken te hebben. Gelukkig zijn er de ijverige en veel producerende uitgeverij P uit Leuven en Stefaan van den Bremt, die Verhaeren onder de aandacht blijven brengen. Van den Bremt is al aan zijn derde vertaling van Verhaeren bezig na Les Heures claires (De heldere uren) en Les Villages illusoires (Dorpen van zinsbedrog). De huidige uitgave lijkt een kroon op het werk. Ik vind deze vertalingen, waarnaast de oorspronkelijke Franse tekst klein is afgedrukt, een belangrijke culturele daad. Nog afgezien van de literaire, herscheppende kwaliteiten van de vertaler, is het een belangrijk feit dat we in het Nederlands kennis kunnen nemen van een stroming als het symbolisme, die ondanks Verwey, Leopold, Boutens en Van Eijk niet die grote bloei lijkt te hebben doorgemaakt in de Nederlandse literatuur als in de Franse. Ook voor de Nederlandse beeldende kunst uit het begin van de 20ste eeuw is Verhaeren van belang. Met name een schilder als Jan Toorop werd door hem geïnspireerd.
Over het proces van vertalen heb ik al eerder geschreven. Er is een inhoud die wel te begrijpen is als je de taal spreekt. Het belangrijkst is echter de vorm te vinden: de lengte van de regels, het ritme, de accenten, de muzikaliteit van het vers, de plaatsing van de woorden in de zin, het rijm, de enjambementen. Stefaan van den Bremt verdient voor dit monnikenwerk een groot compliment, al ervaar ik soms een beetje rijmdwang, maar dat is met deze veelheid aan sombere, symbolistische poëzie bijna niet te vermijden als je als vertaler getrouw de vorm wilt volgen. Als voorbeeld de laatste strofe van het gedicht ‘Sous les porches’ (‘Onder kerkportalen’), waarbij de vertaling van ‘cerveaux’ als ‘bovenkamer’ een beetje moeizaam is.

On entendait les lourds et tragiques marteaux
Heurter, comme des blocs, les bourdons taciturnes
Et les coups, s’abattaient, les douze coups nocturnes,
    Avec l’éternité, sur nos cerveaux.

Van den Bremt vertaalt deze strofe als volgt:

Men hoorde alleen een zwaar, tragisch gehamer
Met mokerslagen op zwijgzame klokken slaan;
En uit hun slaap zijn twaalf slagen opgestaan
    In eeuwigheid in onze bovenkamer.

Maar er zijn andere prachtige voorbeelden: het gedicht ‘Départ’ (pag.62) kent een aantal klanknabootsingen die de somberheid benadrukken en die Van den Bremt prachtig weergeeft.

DÉPART

La mer choque ses block de flots contre les rocs
Et les granits du quai, la mer démente,
Tonnante et gémissante, en la tourmente
De ses houles montantes.

De assonanties op de -o- in de eerste regel, de prachtige tweede regel, de onvoltooide deelwoorden in de 3e regel, die zo mooi combineren, zijn als volgt vertaald:

AFVAART

De zee botst met geklots en brekers op de rots
En het graniet van kaden, zinneloos, de zee
Die buldert, beukt en kreunt in het noodweer
Met dolle deining op en neer.

Het is geen letterlijke vertaling, maar een vertaling van een dichter. De lezer mag uitmaken wat beter is.
Wat erg mooi is in deze fraai verzorgde uitgave is dat de oorspronkelijke illustraties van Odilon Redon zijn opgenomen. Bovendien is er een zeer verhelderend nawoord van dr. Christian Berg, die op een heldere en beknopte manier ingaat op de trilogie en deze in de literatuur plaatst. Alles bij elkaar: een belangrijke bundel voor diegenen die kennis willen nemen van een meester die in kleuren van een Vlaams expressionist Franse poëzie schrijft. Ik ben niet ingegaan op de vertaling van meerdere Franse gedichten, ik ben geen gallicist (of Romaans filoloog, zoals dat in Leuven heette) maar Frans is mijn favoriete buitenlandse taal die ik nog goed heb leren spreken en schrijven. Jammer, dat Verhaeren slechts op zijn lagere school iets met Nederlands gedaan heeft, anders hadden we een symbolist van wereldklasse in onze Nederlandse literatuur gehad.

***
Stefaan van den Bremt (1941) is dichter, essayist en vertaler. Hij debuteerde als Stevi Braam met zijn dichtbundel Sextant. Hij schreef in het ts. ‘Kreatief’ en kreeg voor zijn gehele oeuvre, waaronder de vertalingen van Verhaeren, de Louis Paul Boonprijs. Zie ook de recensie op Meander van Dorpen van zinsbedrog, Van den Bremts vertaling van Les villages illusoires.

Recensie van Nergens in het bijzonder - Jana Arns

Lichtvoetige zwaarte

Jana Arns
Nergens in het bijzonder
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339515
€ 17
64 blz.

Met haar debuut Status: het is ingewikkeld (2016) won Jana Arns de prijs letterkunde Oost-Vlaanderen 2017. Haar moeder, Astrid Arns, is ook dichter. We kennen haar onder meer als één van de winnaars van de derde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017. En Frouke Arns, stadsdichter van Nijmegen 2015-2016, is eveneens familie. Alle reden dus om met veel belangstelling naar het jongste werk van deze jongste schrijvende Arns uit te kijken.

De bundel bestaat uit zeven verschillende afdelingen, en opent met een losstaand gedicht: ‘Het huwelijk’. Het ligt voor de hand om dan aan Elsschot te denken. Maar terwijl zijn gedicht nadrukkelijk een hoofdpersoon met al zijn teleurstellingen tekent, gaat het gedicht van Jana Arns over het huwelijk zelf. In vijf korte strofen wordt aan de hand van het interieur de opgang (‘Met potten verf naast het bed / kleurden wij hier dromen in’) en de neergang (‘We vernieuwen het meubilair. / Mogelijk elkander’) van een huwelijk geschetst. De eerste afdeling, ‘Meerkeuzedagen’, werkt deze thematiek in zeven gedichten verder uit.

Maandag

Toen ik alarm sloeg
drukte je mijn hoofd in
en keek me aan

met een blik die zei:
zelfs de duurste dagcrème
kan de nacht niet wissen.

We wisten beiden hoe laat het was.
Ik knipperde zo hard met de wimpers
dat mijn ogen open vlogen

en zette de landing in.
Beneden draaide ik het kind
minder luid, berispte de hond

die stond te slapen.
Mij was het liggend weer niet gelukt
en ik maalde mijn brein tot sterke koffie.

Het wolkje melk voorspelde regenvlagen.
Nog een half leven, dacht ik
en het zit erop.

De lichtvoetige woordspeling die tot absurdistische situaties leidt, is het handelsmerk van Jana Arns. En van veel hedendaagse dichters. Ondanks de spottende toon is duidelijk: het gaat niet goed in dit huwelijk. En ook met de ‘ik’ zelf, die in de slotregels elke poging tot humoristische verhulling laat varen. Het wordt er niet beter op in de rest van de week. Op woensdag komt de dochter aan het woord: ‘Zij geeft meerkeuzevragen. / Hebben dino’s borsten?’ Afgezien van het feit dat dit niet echt een meerkeuzevraag is, is duidelijk dat dit fragment ten grondslag ligt aan de titel van de afdeling ‘Meerkeuzedagen’. Op zondag wordt teruggegrepen op het openingsgedicht: ‘Verf bladdert van onze gesprekken.’

De tweede afdeling heet ‘Symfonieën voor een onvoltooid gezin’. De vijf gedichten zijn gewijd aan dochter, vader en moeder(s). De vader is een grote afwezige: ‘Vanaf de Karelsbrug / zwaaide je me toe’. De verwijzing naar Praag past goed bij de voornaam van de dichter. Ook het feit dat ze de achternaam van haar moeder draagt, doet een expliciet biografisch element vermoeden.

Hierna volgen drie wat kortere afdelingen. ‘Nachtbreuk’ snijdt een thema aan dat in Status: het is ingewikkeld ook al nadrukkelijk gepresenteerd werd: ‘Ik bedrijf het wakker liggen met uren uit één cijfer’ en ‘Elk verhaal is eender: / droomballonnen blijven leeg, / een tekenaar houdt het voor bekeken’. ‘Binnenskamers’ borduurt in zes gedichten voort op de relatieproblemen uit de eerste afdeling: ‘Met dit aangetekend schrijven / zet ik je mijn hoofd uit.’ En in ‘Hier blijf je jong tot je sterft’ vinden we twee actuele gedichten over oorlog en vluchtelingen.

Met al dit soort opsommingen dreigt deze recensie een wat schools karakter te krijgen. Zou het werk van Jana Arns hier misschien toe uitnodigen? ‘Teveel ondertiteling’ schreef Emma Burns een jaar geleden in haar recensie van ‘Status: het is ingewikkeld’, ‘Dit blijkt de toon van de bundel te zijn. Het ligt er dik bovenop’. Burns doelde hier op de nadrukkelijke combinatie van beeld en tekst, die in de huidige bundel, waarin geen foto’s zijn opgenomen, natuurlijk afwezig is. Maar ik deel wel de indruk van Burns, dat er weinig aan de verbeelding wordt overgelaten. Soms doen de gedichten van Jana Arns me aan songteksten denken: heel persoonlijk, mooi geformuleerd, met hier een daar een prikkelende dubbelzinnigheid. Maar zodra je de clou te pakken hebt, blijft er weinig meer te raden over.

De twee slotreeksen van de bundel hebben ondanks hun gelijkenis in titel sterk uiteenlopende onderwerpen. ‘Nergens in het bijzonder’ lijkt zich af te spelen in het niemandsland van een verpleeg– of verzorgingshuis: ‘Tegen haar boekensteun / leunen steeds minder woorden: // verzamelde adressen. Straten doorgestreept. / Iedereen is al overgestoken.’ ‘Ergens in het bijzonder’ bezingt in zeven gedichten opnieuw relatieperikelen.

III

Er woont een verkeerde man
in mijn huid.

Als hij op een ander slaapt
vervalt het bed in fantoompijn.

Ik weet nog hoe wij lepelden.
De besteklade is leeg.

Telkens weer die laatste keer.
Handen enkel gebonden aan de fles wijn.

Mocht ik een tuin hebben,
plantte ik een glasbak.

Op www.ooteoote.nl wordt een dezer dagen dieper ingegaan op het gedicht ‘Maandag’ uit deze bundel. 

***
Jana Arns (Gent, 1983) is muzikante, fotografe en dichteres, en dat nooit los van elkaar. Als muzikante is ze verbonden aan het ensemble Aranis, waarmee ze al 15 jaar concerteert in het binnen- en buitenland. Na haar studie klassieke muziek aan het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding fotografie aan het Sask. Ze exposeerde in onder meer de Salons in Sint Niklaas en Museum M in Leuven.

Recensie van Vrije val met hindernissen - Lief Vleugels

Je zwijgende stem tegen de mijne

Lief Vleugels
Vrije val met hindernissen
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339386
€ 17,00
64 blz.

De fraai uitgegeven, vierde dichtbundel Vrije val met hindernissen van Lief Vleugels is evenwichtig opgebouwd. Ze bestaat uit drie afdelingen van elk zestien titelloze gedichten. In de bundel verwerkt de dichteres het verlies van haar dochter, die zichzelf in 2014 van het leven benam door in Tsjechië van een brug te springen. Nadat de dichteres een jaar later zelf van de trap viel – voor haar niet alleen een parallelle, maar ook ‘een hallucinante ervaring’ – ontstond tijdens de ‘ziekenhuisopname en herstelperiode’ deze bundel met gedichten.  

Elke afdeling in deze bundel is vanuit een ander perspectief van drie personen geschreven. In de eerste afdeling staat de moeder centraal met haar rouwproces en alle gevoeligheden die daarbij een grote rol spelen, zoals o.a. het schuldgevoel. In de tweede afdeling is het leven van haar dochter met alle herinneringen en alle dierbare momenten het onderwerp van Vleugels’ poëzie. De relatie tussen hen beiden speelt daarbij voortdurend een rol. In de derde afdeling gaat het om de relatie van de dichteres met haar levenspartner. De vraag is daar: hoe gaat hij om met de situatie waarin zijn vrouw terecht is gekomen na het verlies van haar dochter?       

In de eerste afdeling ‘Met gebroken handen’ ontmoeten we in de gedichten een zoekende dichteres. Ze komt in het rouwproces terecht in een omgeving waarin goed bedoelde adviezen worden gegeven. Ze vraagt zich af wat haar positie als dichteres is, wanneer ze geconfronteerd wordt met zo’n groot verlies. Ze zoekt in haar herinneringen naar gebeurtenissen die haar helpen om afstand te kunnen nemen van het gebeurde. Het zijn vooral de vragen die ze aan zichzelf stelt, die haar gedichten emotionele diepgang geven, temeer omdat je (als lezer) weet dat veel vragen onbeantwoord zullen blijven. Ook gedichten zijn soms niet meer dan pogingen om vat te krijgen op de werkelijkheid, die zich op sommige momenten meedogenloos aan je presenteert. Het zijn vragen als ‘Waar dwaalt ze, het kind dat haar leven gaf?’, ‘waar dwaalt ze de moeder die mij de dood in zoogde?’ en ‘Waar dwaalt het kind dat haar borsten voedde?’. Het zijn de nachten die voor haar bedreigend zijn, maar ‘De nacht zelf geeft geen antwoord / stelt zijn naakte vragen’. De adviezen, de vragen, wie ze is en waar ze staat zijn terug te vinden in het tweede gedicht:

Altijd weer het slapeloze verlangen
om niet te zijn, dit slapeloze lijf.
Waar dwaalt het kind dat haar borsten voedde?
De knokkels tot bloeden geslagen

Niet doen, fluisteren de doden.
Vermijd pijnlijke woorden
ze zeggen niet wat ze tonen.
Wees op je hoede voor alles wat waar is.

Je bloedt niet, dicht het de kamer toe
de schaduw die je zelf geworden bent.
Blijf bij de les en leer met minder zetten
uit te spelen. Weet dat tenslotte de verliezer wint.

Altijd vroeg in de ochtend, de nacht is vergaan
maar niet voorbij. Als de zandman
zich eindelijk ontfermt, blijkt bedrog
en tast zij in het donker naar beduimeld leed

Naast de dichteres als moeder en haar dochter treedt in de gedichten ook ‘De man’ op, die probeert zijn partner te beschermen voor het leed dat haar is overkomen. Hij ‘waakt als een cipier’. Het breuk-motief komt in allerlei hoedanigheden voor in deze afdeling, zoals in ‘Er is meer in haar gebroken / dan haar gebroken lijf’ en ook in relatie tot haar partner: ‘Er zijn geen botten meer / die nog kunnen breken / slechts breuken die nooit zullen helen / wat hij niet kan begrijpen’. Sommige metaforen die de dichteres hanteert, zijn opvallend. Ze verwijzen naar de fantasiewereld van een spelend kind. Het begrip slaap verbeeldt ze met ‘De zandman’ en de werking van de medicijnen verwoordt ze met de omschrijving ‘toen chemische soldaatjes oorlog speelden’.

In de tweede afdeling ‘Matilde’ probeert de dichteres door gedichten te schrijven en daarin de jeugd van haar dochter terug te halen, structuur aan te brengen in haar leven. Dat kan bijdragen aan haar persoonlijke rouwverwerking. Beelden van vroeger hoe ze zich gedraagt, nauwkeurige herinneringen hoe ze er bij zit, woorden die ze spreekt, alles is bruikbaar. De dichteres is voortdurend op zoek naar de dierbare momenten, die in een volgend gedicht in één keer verdwijnen, als haar dochter wordt opgenomen:

Ze hebben haar van de straat geraapt
als een dief, een moordenaar
met loeiende sirenes naar het gekkenhuis.

Achter gesloten muren rammelen tralies
loopt ze van deur naar deur
haal me hier weg, ik ben onschuldig.

Rest het eindeloze wachten van de moeder en de nutteloze pogingen haar vrij te krijgen. Ze denkt aan haar wensen, haar gesprekken, haar uitspraken en haar levensverwachting tot de sprong van haar dochter vanaf de brug in het Tsjechische Horni en later aan haar eigen val van de trap, die zij een ‘Vrije val met hindernissen’ noemt, een ‘vertraagde versie van haar sprong’, de sprong van haar dochter dus. Ze twijfelt of ze naar Horni wil. Dit doet ze met een verwijzing naar de beginregel van ‘De moeder de vrouw’, Nijhoffs beroemde gedicht: ‘Ik wil / naar Horni om de brug te zien.’

‘Panta rhei’ ofwel ‘Alles stroomt’ is de titel van de derde afdeling. Het is een uitspraak, die wordt toegeschreven aan de Griekse filosoof Heraclitus. Het is ook de titel van de in 2015 verschenen roman van haar hand over de dood van Matilde. Het zijn de gedachten van de man die aan het bed van zijn levensgezellin waakt, nadat zij van de trap gevallen is:

Gebroken waakt hij bij het bed, zwijgt
en luistert naar wat ze niet zegt, wacht
op onuitgesproken woorden. Laat het
komen, liefste, alles wat in je brak mag
helen, laat het stromen, Panta Rhei.

De tijd gaat verder (‘Bijna winter alweer’), en de overleden dochter zorgt voor een verwijdering tussen de dichteres als moeder en haar partner: ‘Ze slaapt tussen hen, liefste van zijn geliefde’. En wanneer het Nieuwjaar is, gaan zij op de vlucht voor het jaar dat komen gaat. De tweespalt in hun verhouding wordt duidelijker. De moeder: ‘Zij noteert in een agenda / niet te vergeten dagen’ en de man schrijft ‘dagen om over te slaan’ op. Uiteindelijk wil ze op reis, de man vindt het goed. De voortdurende donkere nachten lijkt ze achter zich gelaten te hebben. Er gloort weer hoop, er dient zich weer een toekomst aan: ‘En dan lacht plots weer de dag / breekt door de nacht’. Het laatste gedicht van de bundel bevat deze wending, dit breekpunt. Eindelijk zijn de negatieve, slapeloze nachten doorbroken. De bundel eindigt aldus: de vrouw wil ver weg, ‘eindeloos ver van hier’. Het ziet ernaar uit dat zij vat gekregen heeft op tijd en ruimte. Ze wil ‘eindeloos / naar het leven happen’.        

Tot slot. Vormtechnisch is in Vrije val met hindernissen het gebruik van het parallellisme opvallend. Door de herhaling aan het begin van een nieuwe strofe in een gedicht wordt de inhoud van een strofe versterkt en krijgt het gehele gedicht de vorm van een litanie. Dit treffen we aan in de eerste afdeling in een gedicht dat is opgebouwd met zes ‘En dan’- strofen, waarin de dichter in de tegenwoordige tijd herinneringen uit het leven de dochter terughaalt. In de twee openingsgedichten (of is het er toch één) krijgt de versregel ‘Alleen maar omdat ik moeder ben’, die vier keer herhaald wordt een bijzondere kracht en geeft het de dichteres een steeds uitzonderlijker positie ten opzichte van haar onderwerp. Ook het herhalen van het woord ‘Hoe’ in drie achtereenvolgende gedichten benadrukt en verbindt het anekdotische van de herinneringen van de dichteres aan haar dochter. Er zijn er nog meer. De herhaling van ‘Gebroken…’, ‘Dat ze moe wil worden,…’ en ‘Dat alles weer…’ in de derde afdeling, geeft de poëzie een evocatieve kracht, omdat Lief Vleugels steeds weer deze stijlvorm blijft gebruiken in haar gedichten. De toepassing van deze stijlvorm is de basis van deze bijzondere, zeer persoonlijke dichtbundel.

***
Lief Vleugels (Herentals, 1953) schrijft romans en poëzie. Ze was als docent verbonden aan de Antwerpse SchrijversAcademie en de Schrijversvakschool in Paramaribo. Haar poëziebundels Getij (2005), In de adem van Zeus (2007) en Mensen (2008) werden uitgebracht door Uitgeverij P in Leuven. Zij publiceerde verhalen en gedichten in diverse bloemlezingen en literaire tijdschriften. In 2015 verscheen de (auto)biografische roman Alles stroomt, over het leven en de zelfdoding van haar dochter.