Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.

Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99

Recensie van Alleen van kale reizen kom je thuis - Erwin Steyaert

Een krachtige roffel op de borstkas van de taal

Erwin Steyaert
Alleen van kale reizen kom je thuis
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339287
€ 17,50
96 blz.

Alleen van kale reizen kom je thuis is het omvangrijke debuut van Erwin Steyaert. De bijna vierkante bundel met een vrijwel witte omslag doet me denken aan het witte album van de Beatles. Een unicum destijds, zo’n dubbel-lp. Er was blijkbaar materiaal te veel voor een gewoon album, hoewel de heren op de derde en vierde kant af en toe het spoor behoorlijk bijster waren. De bundel van Steyaert kent maar liefst zeven afdelingen, die telkens openen met een cursief gezet titelgedicht. En dan krijgen we ook nog eens een losstaand openingsgedicht en slotgedicht cadeau.

De eerste afdeling is nogal ingehouden van toon. ‘Sedentair’: met een vaste verblijfplaats of standplaats. Zoals zoveel schrijvers onderzoekt Steyaert hier zijn huis van herkomst, met portretten van ‘Moeder’ en ‘Vader’, en het onvermijdelijke vertrek in ‘Leegstand’: ‘Geen steen wrikte ik los. Ik raakte niet / buiten. Dit pand blijft mij kraken.’

De afdeling ‘Cyclus’ gaat over de vrouw, over het vrouwelijke, over hoe de man tegen de vrouw aankijkt (opkijkt). Een geweldige gedichtencyclus. Het tweede gedicht hieruit is gewijd aan Molly Bloom, en wordt uitgebreid besproken op Ooteoote.nl. Laat ik me hier beperken tot de laatste twee gedichten uit deze afdeling: ‘Wat wil ze’ en ‘Wat ze niet wil’. Das Ewig-Weibliche (Goethe), ‘Was will das Weib?’ (Freud). In het hilarische eerstgenoemde gedicht probeert de ‘ik’ zich aan de grillen van zijn geliefde aan te passen, omdat ze hem ge-sms-t had: ‘Ik voel me niet op mijn gemak bij je’. Het eind van het liedje is, dat ‘ik’ gekortwiekt en gemuilkorfd op de bank ligt, terwijl zij zich verlustigt aan zijn dagboeken, ‘Je riep bars mijn naam en braaf en kom.’ Heel anders van toon is het gedicht op de tegenoverliggende bladzij. ‘Ik wil geen dichter, zegt ze.’ Om vervolgens in lyrische taal te schetsen wat ze wel wil: ‘Ik wil een man / die naar de poolnacht reist / op een hengst van licht // en bij zijn thuiskomst het donker / aan mijn voeten legt.’

De keerzijde van het vrouwelijke is het mannelijke. Steyaert durft ook dit onderwerp aan te snijden. Elegant is het, dat hij de afdeling ‘De droefheden van een man’ niet direct op ‘Cyclus’ laat volgen. Tussendoor belanden we in ‘Stalking the dead’, dat merkwaardig genoeg een Engelse titel draagt. In deze afdeling een aantal zeer uiteenlopende gedichten over dood en ouderdom. Het gedicht ‘Alzheimer’ is een ontroerend portret over een zoon en zijn verwarde vader, geschreven als variatie op de ‘Erlkönig’ van Goethe: ‘Een zoon draagt zijn vader, legt hem in bed. / Pillen. Een beker. Zijn hand houdt hem recht. / Vader glijdt kalm in de gleuf van de nacht, / slaapt weerloos zijn slaap, bij leven al dood.’ In het tweeluik ‘Le roi se meurt’ eert de dichter Hugo Claus. Een aparte vermelding verdient ‘Niet de kraaien, Vincent!’ Om nog iets toe te voegen aan alles wat over Vincent van Gogh geschreven is moet je als dichter een behoorlijk bord voor je kop hebben. Of een gezonde dosis lef. Op Steyaert is absoluut het laatste van toepassing. Geen Don McLean-achtige romantiek. Maar een frisse confrontatie met één van Van Goghs laatste werken. ‘De weg slaat een wig in het veld. Geknakt / loopt hij dood in het graan. Geen vogelschrik.’ (…) ‘Niet de kraaien, Vincent. Het is de maaier. / Hij komt uit de verf in het graan.’ De overschakeling naar een ander , meer romantisch ogend schilderij is verrassend. Maar de romantiek is schijn: de maaier is ook de man met de zeis.
Dat de moderne man het niet makkelijk heeft mag duidelijk zijn. Steyaert schetst in krachtige taal de dilemma’s en ontsporingen. Over de man die stiekem naar jongetjes kijkt: ‘Ik veracht mezelf tussen de struiken, / om jongens met geschaafde knieën’. Over de kroonprins die droomt van kracht en macht: ‘Koningschap knettert in mijn knoken. (…) Door het land draven op de volbloed / van mijn lust.‘ In ‘Moordkuil’ wordt een metafoor uitgewerkt die treffend in de eerste regels wordt neergezet: ‘Gesnurk. De man teruggebracht / tot zijn staat van varken.’

Nieuwe mannen

De vaders zijn moe. Altijd de man afzweren
die de kop opsteekt in ochtendstijfheid.
In lunchpauzes vegetarische slaatjes afwerken.
Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.

Als het huis voor hen alleen is, glijdt hun hand
onder hun schort. Hoe glad en haarloos zijn hun dijen.
Ze mijmeren op onopgemaakte bedden
van vrijgevochten dochters: over lot en chromosomen.

Hoe zitten ze gevangen in hun wol. Hoelang kunnen
ze hun haar nog in een staartje. Een gaatje in hun oor.
Met hun kopstem vermanen ze ongetemde zonen,
springen hen voor door brandende hoepels.

Op het aanrecht lezen ze de bijsluiters van pijnstillers.
In het glas bruist de branding van een Pacific.
Vergeefs spoelen ze het zout uit hun migraines.
Een eiland verdwijnt altijd eerst aan de randen,

maar vent zijn blijft een zeer voor het leven.

Van vorm of klank moeten de meeste gedichten het niet hebben. Maar veel beelden zijn sterk, en met een minimum aan middelen neergezet. ‘Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.’ Je ziet de bijpassende man onmiddellijk op je netvlies. Wel zijn er mooie associaties, feitelijk een vorm van beeldrijm. Zoals in de vierde strofe, waarin het bruisen van de pijnstiller een oceaan oproept, en die op zijn beurt weer een eiland. Zo ook staartje – (ver)manen – brandende hoepels.

In de afdeling ‘Trojaanse vrouwen’ vinden we gedichten als ‘Aisha’ (over de steniging van een onschuldig Somalisch meisje dat slachtoffer was van verkrachting), ‘Srebrenica’ en ‘De moeder van Beslan’. Poëzie en wereldpolitiek, kan dat wel samengaan? Bij Steyaert echter geen goedkope knieval naar de actualiteit. Het is eerder de werkelijkheid zelf die met geweld zijn gedichten binnendringt.

De moeder van de zelfmoordterrorist

Ik verzamel hem in mijn bed.
Hoe hij mijn buik opblies en later
hoe hij was als kind, voetbal spelend
met een blik in de steeg, snoep stelen

bij blinde marskramers. Hoe hij begon
te ruiken naar een man, gedachten kreeg
die ik niet begreep. Elke nacht puzzel ik
hem samen. Verwrongen klinknagels

haal ik uit zijn vlees, stapel ze in mijn bed.
De brandgeur spoel ik weg met rozenwater.
Mijn kam vol vragen haal ik door zijn haren.
Ik tel zijn tenen, overtuig mezelf ervan

dat niets ontbreekt. Dan hou ik me stil.
Ik weet: zolang ik niet aan hem denk,
blijft hij gaaf. Goed dat ik hem vergeet
of hij explodeert weer in mijn herinnering.

Adem na adem zoek ik rust op mijn spijkerberg.
Maar steeds opnieuw dat radioverslag:
alleen stoffelijke schade, geen slachtoffers.
Woede davert in de keel. Mijn verzet

haalt de slagpin over. Hoe hou ik hem heel?

Daags na de bloedige aanslag in Manchester komt dit gedicht extra hard binnen. Misschien is bovenstaand gedicht geïnspireerd op de knullige zelfmoordaanslag 24 juli vorig jaar bij een popfestival in Ansbach. De dader was daarbij de enige die het leven liet, in tegenstelling tot de aanslag in Manchester. Indrukwekkend hoe Steyaert dit onderwerp van binnenuit en zelfs met compassie belicht, door in te zoomen op de moeder van de zelfmoordterrorist. Vanaf de dikke buik van haar zwangerschap tot het wanhopige verdriet na zijn dood. Raak gekozen woorden. De ‘blinde marskramers’ roepen direct het beeld van een Oosterse markt op, het ‘blik in de steeg’ schetst de armoe, en het tellen van de tenen roept associaties op met de jonge ouder die kort na de geboorte zijn ogen niet geloven kan (‘Even kreeg ik kriebels in mijn keel / maar je had geen pink teveel’ – Herman van Veen).

En dan hebben we nog twee hele afdelingen tegoed. Jammer. In ‘Koningsmasker’ beschouwingen over het moderne leven met spitse titels als ‘SK8 2 HEAVEN’ en ‘Viagraman’, en een swingend gedicht over slammen: het valt allemaal een beetje uit de toon. ‘Sedimentatie’ grijpt terug op de eerste afdeling, maar ik mis het vuur en de zeggingskracht uit de rest van de bundel: ‘Er valt wat voor te zeggen, / of juist niets, als we zo de trap opgaan, // altijd zo beheerst, zo machteloos / beleefd de ander laten voorgaan.’

Toch is deze witte bundel een buitengewoon geslaagd debuut. Een laat debuut ook, als we kijken naar zijn staat van dienst. Misschien dat daarom ook deze bundel wat uit zijn voegen gegroeid is. Maar wat zou het mooi zijn als Buddingh’ volgend jaar zijn oog op een dichter als Steyaert liet vallen. Niet een man die de taal ontregelt, volgens de regels van de mode van de dag. Niet een fijngeslepen talent van de schrijversvakschool. Maar een man die iets te zeggen heeft, en zijn woorden tot stoere taalbaksels kneedt.

***
Erwin Steyaert (1959, Brugge) studeerde Klassieke Filologie en Filosofie in Gent en Leuven. Hij publiceerde onder andere in de ‘Poëziekrant ‘en ‘Het Liegend Konijn’ en won diverse poëzieprijzen, waaronder de Melopee Poëzieprijs, de prijs voor het beste gedicht dat het voorbije jaar in een Vlaams literair tijdschrift werd gepubliceerd. Veel van de gedichten uit zijn debuut bereikten de Turing Top 100, waar Steyaert in 2013 met maar liefst zeven gedichten in was vertegenwoordigd. Vanaf 2011 maakt hij deel uit van de Belgische dichtersgroep Pazzi di Parole, waarmee hij in 2015 de gezamenlijke bundel ‘Een kier in het rumoer – Handleiding voor het betrappen van stilte’ uitbracht.

Recensie van Erbarme dich - Marleen de Crée

‘Leven is een verblijf’

Marleen de Crée
Erbarme dich
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339263
€ 24,50
83 blz.

Zopas verscheen Erbarme dich, een nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée (1941). Het werk is echter meer dan een dichtbundel, het is een Gesamtkunstwerk. In een intrigerende inleiding gaat Johan van Cauwenberghe op zoek naar de oorsprong van de titel, en hij staat stil bij de relatie tussen lijden, medeleven en kunst. Zijn korte verkenning gaat niet alleen over de gedichten van Marleen de Crée, maar ook over muziek en visuele kunst. In het spoor van Francis Bacon betoogt hij dat elke kunstenaar ‘het mysterie’ moet uitdiepen. Hij verwijst naar o.a. het werk van Bach, Goethe, Goya, Grosz en enkele oorlogsdichters. Kunst is voor de essayist ‘de ultieme plek waar er zinvol weerwerk kan worden geboden tegen elke vorm van onderdrukking en geweld’ (11).

Marleen de Crée zelf gaat een gesprek aan met een aantal sculpturen van Berlinde de Bruyckere (1964), in beeld gebracht door fotografe Mirjam Devriendt (1961), en de gedichten werden in het Engels en het Frans vertaald door Willem Groenewegen en Frans de Haes. Het Gesamtkunstwerk doet me aan middeleeuwse kathedralen denken, sculpturen komen immers tot leven in de ruimte en in de gedichten van De Crée is één van de kernwoorden licht. Licht en schaduw zijn bepalend voor de visuele verbeelding, vooral voor de beleving van sculpturen. In 2000 maakte ik voor het eerst kennis met de verminkte paarden van De Bruyckere in het museum In Flanders’ Fields (Ieper), en daar viel mij al het erbarmen op. Niet alleen de mens heeft geleden in de alles vernietigende offensieven die de Westhoek in een slijk- en bloedvlakte hebben veranderd.

De waanzin van de vernietigende mensenmassa wordt in tien sonnetachtige gedichten aangeboord, en ik citeer meteen enkele centrale begrippen: gescheurd, versmacht, verbeurd (23), het al vernoemde licht (29, 35, 41, 59, 65), dicht (29), schaamte, onschuld, geduld, gedoofd (41), wit (47), de museumkleur par excellence, bloed (53)… en ook stilte en het hart vallen op. In de gedichten vallen binnenrijm en assonantie op: gescheurd / verbeurd / gekleurd (23), licht / dicht, scheurde / gebeurde (29), licht / gewicht (35), hoofd / gedoofd (41), bedacht / nacht, omgespit / wit (47) – klankelementen die de gedichten mee structureren. In die zin zijn de gedichten van Marleen de Crée klassiek, hoewel ze niet voor duidelijke en repetitieve rijmschema’s heeft gekozen. Dichters maken altijd een keuze uit een groot aantal benaderingen van een thema dat hun menselijke gevoeligheid raakt. Erbarmen is één van de vele mogelijke benaderingen van hoe het was te sneuvelen in de IJzervlakte, en die relatie vergt een specifieke woordenschat, die sterk verschilt van het cynische vocabulaire van een toneelauteur als Karl Kraus en van de zakelijkheid van een historicus, zelfs al zouden Kraus en een historicus het met Marleen de Crée eens kunnen zijn dat ‘leven een verblijf is’ (71).
De – in humanistische zin – belangrijke vragen betreffen uiteraard de status van dat verblijf en of die status alleen voor de mens geldt of ook op ander leven van toepassing is. Verschilt het schichtige paard van de schichtige mens die in de loopgraven zijn persoonlijkheid dreigt te verliezen? Is de pijn van de paarden of de honden die een kanon trokken een ander soort pijn dan die van de mens die in zijn ellende naar het niets verlangt: ‘de lichten werden gedoofd / maar gods adem scheurde / hem in repen. hij had // het niet gehaald, dacht hij. / op de vaalt straalde een volgende / dag waarop weer niets gebeurde’ (29). Het net niet drijft zelfs de meest lankmoedige naar de schaduwzijde van het verblijf, de nachtzijde waar de ogen ‘dicht groeien’ (29) en waar de gedachte aan ‘toen was er nog licht’ (29) ondraaglijk wordt.

De vrouwenfiguur op bladzijde 33 (Hanne) is wellicht een ander soort oorlogsslachtoffer. Ze verschuilt zich achter haar lange haren en de beeldhouwster heeft haar in zijprofiel verbeeld. Is ze de strijd tegen haar demonen aan het verliezen? Wie belaagt haar ‘terwijl ze daar in het licht / staat. terwijl, met een gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos. / terwijl er stilte in de wereld lekt. // ze schreeuwde niet. zeg het. iets klopt / in deze kamer op de muur. / terwijl je handen met een leeg gebaar / en zonder kind. ik wil terug. / ik wil voorbij dat witte gewicht / de schaduw plukken uit je haar. / het schroeit de uren dicht, bedekt ons // met een donker en dorstig vuur. / je lied is luid en niet te tillen. / rondom valt het hart in stukken’ (35). De confrontatie met het kwetsbare ik drijft veel mensen in een uitzichtloze eenzaamheid – ook dat is oorlog. En hebben we daar voldoende aandacht voor, voldoende begrip, voldoende erbarmen? En tastbare wonde zet de zintuigen onmiddellijk op scherp, maar een ‘gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos?’ Wie ooit de repetitieve bewegingen van vrouwen met een gladde rug in nu bijna vergeten eilanden der ziel heeft geobserveerd, weet dat de voor de buitenwereld stille vijanden dieper en pijnlijker wonden maken dan een op hol geslagen stormfuselier. De Zweedse historica Karina Johannisson heeft dat overtuigend aangetoond in Den mörka kontinenten (1994) en Den sårade divan (2015). Het leven en het werk van de door haar bestudeerde kunstenaressen tonen aan dat het menselijke lichaam, het leven als verblijf, vaak op drijfzand is gebouwd en dat het erbarmen vaak veel te lang uitblijft. Maar niet alleen vrouwen met een ‘gladde rug’ vechten vaak tevergeefs tegen demonen. Marleen de Crée en Berlinde de Bruyckere hebben ook een man verbeeld die zijn plaaggeesten niet op een veilige afstand kon houden:

‘…
iemand had hem bedacht. ergens
tussen de wolken had hij hem gezien.
met gesloten ogen en open hand
was hij eraan begonnen nacht

over een mens te storten. toen had hij
zich vegist. in al zijn ijver sloop zijn
twijfel, zijn misschien. hoever, hoezeer

een deinend leven hem had omgespit,
hoe hij naakt en opgerold zich nergens
meer kon vinden dan in een vredig wit’ (47).

Sta me toe toch ook aandacht te vragen voor de paarden, die sierlijke dieren met breekbare poten en schuwe ogen. De Bruyckere heeft de dieren in de ruimte geworpen, één en al existentie waaruit de essentie bijna is verdwenen, en De Crée heeft hun aanwezigheid – hun verblijf – als volgt verwoord:

‘paarden hebben de schansen van
de schaamte bestormd. toen. met
vochtige ogen vol transparante onschuld.
het trillend lijf, voorwaarts, nooit terug.

zij vulden leven in op de lijst
van hun wensen, vurig en snel,
met het gewicht van een mens op
de rug. zo werd de wereld licht.

als zij vallen wordt de aarde zwart.
vloeibare manen. het hart verbaasd
wiegen zij het hoofd, zoeken het land.

zij vallen met het onbegrensde geduld
van liefde. leggen de hoofden aan de kant.
aan de hemel worden de sterren gedoofd’ (41).

Voor wie werd ‘de wereld licht’ en voor wie ‘wordt de aarde zwart?’ In hun lijden stijgen ze zelfs boven de pijn uit, want ze vallen ‘met het onbegrensde geduld / van liefde.’ Ook voor hen was leven een (pijnlijk) verblijf. Zonder schaamte, zonder enige terughoudendheid hebben de beeldhouwster en de dichteres die pijnlijke levenswijsheid gevat. Als bewonderaar van visuele kunst en als gedreven lezer ben ik beiden dankbaar voor hun erbarmen.

Recensie van Eistijden - Geert Viaene

Het geheim van de witregels

Geert Viaene
Eistijden
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339201
€ 18
96 blz.

Geert Viaene (1963) won in 2015 met zijn gedicht ‘En dan is alles anders’ de tweede plaats in de bekende Turingwedstrijd. In 2016 kwam zijn bundel Eistijden uit, waarin beslist meer gedichten staan die de moeite waard zijn dan dat ene, aan de hand waarvan ik meende zijn – niet per se Vlaams aandoende – poëzie te kunnen bespreken. Maar ik vrees dat het mislukt is. Hoe kon ik ook denken dat één gedicht als een fractal de hele handtekening van een schrijver kan bevatten! Stom natuurlijk. Niettemin: het kwaad was al geschied. Mijn eerste indruk was gevormd; en die laat zich geen twee keer vormen. Ik moet u verwijzen naar de bundel om meer te lezen. Mijn poging tot een recensie wil ik u echter niet onthouden. Die ging als volgt (voorafgegaan door een ietwat Kuifje-achtige titel):

HET GEHEIM VAN DE WITREGELS

Geert Viaene is een prettige dichter. Je denkt als lezer meestal dat je hem begrijpt en dat geeft zelfvertrouwen. Maar dan lees je nog eens en dan wordt het lastig. Er is iets weerbarstigs, dat zich weigert over te geven aan de gemakzucht van een vanzelfsprekende interpretatie. Something rotten in our state of mind? Misschien… Moeilijk te zeggen, maar gelukkig zijn daar nog de witregels om naartoe te vluchten:

IN DE WITREGELS

is er eerder iets dan niets. Daarom
zwijgen wij er op los. Ik onderbreek

jou nu niet meer, mama, spreek op.
Doe gewoon alsof je ergens anders

bent en dat je mij vergeet, dat je mij
vergat begrijp ik, want jij denkt dat ik

nog steeds jouw kleine jongen ben.
Jij bent even oud als toen de aarde

onder mij verdween. Ik wist, jij blijft
niet in die houten kist. Kwinkslagen

in jouw woordenschat heb jij in mij
geweven. Jij krikt mij op. Jij zweeg.

Zoals er leven vóór de dood is, zo is er ook in de witregels eerder iets dan niets. Een fraaie logica waarmee het mogelijk blijkt – in dit gedicht althans – de doden te laten spreken. Maar dat is niet meteen duidelijk. Aanvankelijk kan een lezer nog denken dat het om een levende moeder gaat. De dichter houdt de spanning erin. Pas bij de zin ‘Jij bent even oud als toen de aarde onder mij verdween’, wordt het menens. En de zin daarna laat er ook geen misverstand over bestaan. Of toch? Ik kom op deze kwestie nog terug.

‘Ik onderbreek jou nu niet meer, mama, spreek op’, schrijft de dichter. Dat lijkt even een heel gewone zin, maar blijkt na het lezen van de rest van het gedicht paradoxaal. Want hoe kan een dode onderbroken worden? Door hem tot leven te wekken misschien? Inderdaad gebeurt dat bijna. ‘Spreek op’ klinkt in zijn aanmoedigende toon haast als een gebiedend ‘sta op’. Een uitspraak die aan het verhaal van Lazarus doet denken.
De ik-persoon maant zijn moeder verder ‘gewoon te doen alsof ze ergens anders is’. Ergens anders ook in de betekenis van ‘anders zijn’ en ‘niet nergens’ zijn. Het grappige van deze zin is dat hij zowel waar als onwaar is. Overdrachtelijk gesproken hoeft de moeder niet eens te doen alsof ze ergens anders is, want dat is ze al (nl. in het fictieve land van de doden). Maar letterlijk bestaat ze niet meer: is ze feitelijk nergens. Dat maakt deze schijnbaar eenvoudige taal verwarrend. Heden en verleden, en bijna alles in dit gedicht loopt door elkaar en de dichter – zoals altijd – speelt zijn kostelijk spel met woorden ten koste van de oriëntatie van de lezer.
Ook de regel die het ‘dood-zijn’ van de moeder ‘onomstotelijk’ zou bevestigen (omdat op het moment dat de aarde onder de voeten van de ik-figuur verdwijnt haar leeftijd voor altijd wordt vastgelegd) blijkt uiteindelijk ambivalent. De aarde verdwijnt ook onder ons als we in een opstijgend vliegtuig zitten en daar zit (meestal gelukkig) helemaal niets dramatisch in. Hoe hoger iemand komt hoe meer de aarde onder hem verdwijnt. Misschien bereidt de dichter met deze beschrijving van een soort ‘hemelvaart’ de laatste regel voor, waarin de ik-persoon wordt ‘opgekrikt’ (omdat zij zweeg).
Om te begrijpen hoe zwijgen iemand kan opkrikken moeten we bedenken dat hoog en laag relatieve begrippen zijn, net als groot en klein. Wie zwijgt maakt zichzelf in zekere zin kleiner (lager), minder belangrijk, en geeft een ander daarmee de kans belangrijker (hoger), groter te lijken. En dat is ook wat witregels doen: ze staan de lezer toe in het nederige ‘niets’ van hun leegte ‘iets’ te lezen; iets misschien wel van hemzelf! En wat is bevredigender dan dat? Een lezer die een beetje het gevoel krijgt zelf aan het woord te mogen komen voelt zich uiteindelijk meer serieus genomen, toch? Zo zwijgt een dichter wat doodgezwegen in ons leeft eruit! Alle geschreven en ongeschreven wereldliteratuur! Nu ja, terug naar het gedicht. Wanneer de dichter het over de kwinkslagen in de woordenschat van zijn moeder heeft weet hij dat hij ze (alleen al door dat te zeggen) in zijn poëzie weeft. Eén van de mooiste bewaarde hij voor het eind: ‘Jij zweeg.’ Een geweldige vondst! De moeder liet haar zoon ooit uitspreken: ze zweeg; ze zweeg ook op het moment dat ze stierf; maar nu, door de verleden tijd van een woord, zwijgt ze in dit gedicht niet meer.