Recensie van Trage nederlaag met volle zeilen - Henri Michaux

Vreemde in eigen land, in Frankrijk op de kaart gezet

Henri Michaux
Vertaler: Bart Vonck
Trage nederlaag met volle zeilen
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 9789056552761
€ 24,90
143 blz.

Zelden zal men een boekwerk tegenkomen waarin door één schrijver zoveel  literatuurgenres worden geëtaleerd  als in de bloemlezing Trage nederlaag met volle zeilen van Henri Michaux : fabels, fictieve verhaaltjes, mythes en legenden, extatische lyriek, narratieve poëzie en zoals vertaler Bart Vonck  ze in zijn nawoord noemt ‘Vormloze vormen’.
Laat ik beginnen met een van de ‘Fabels van de oorsprongen’ die Michaux (1899 – 1984) in zijn jonge jaren schreef en die doen denken aan de sprookjes van indianenstammen uit Midden- en Zuid-Amerika.
(Michaux verbleef lange tijd in Zuid- Amerika, met name in Ecuador).

De oorsprong van de tent

Dwa heeft de tijger gedood,
Hij rijt hem open en eet ervan.
De wind steekt op; en het regent.
De tijgervacht waait op,
En omhult Dwa.
In de tijgervacht regent het niet,
Er staat geen wind. Het is er aangenaam.
Dwa is tevreden.
                          Zo is de Tent ontstaan.

Henri Michaux werd in Namen geboren, groeide daar ook op, maar voelde zich niet thuis in België. Hij vertrok naar Frankrijk en liet zich in 1955 naturaliseren tot Fransman. In die hoedanigheid voelde hij zich meer op zijn gemak, maar niettemin reisde hij de hele aardbol af om dichter bij zijn wezenlijke ik te komen. Hij stierf tenslotte in Parijs.
Bijna zijn hele oeuvre ademt dit rusteloze zoeken naar de eigen identiteit.
In zijn vermakelijke fabels, waar hij er vele van schreef, gaat deze onrust nog schuil achter een eenvoudig  te volgen verteltrant, maar later in 1927 komt Wie ik geweest ben uit, dat behalve  raadsels en gedichten een absurdistische introspectie bevat waarin hij door middel van een dialoog met ‘Wie-ik-geweest-ben’ een beeld geeft van zichzelf en zijn opvattingen over de mens en de wereld  in het algemeen.
Enkele stukjes daaruit:
“Ik word bewoond; ik praat met wie-ik-geweest-ben en wie-ik-geweest-ben praten met mij. Soms voel ik me beklemd, als was ik een vreemdeling. Zij vormen tegenwoordig een echte gemeenschap en het gebeurt soms dat ik mezelf niet meer hoor. (…) De ziel is heel de mens. Ze kan zich verplaatsen en uit vorm raken. De aandacht is de houding, het enige talent van de ziel. (…) ‘Ik wil niet sterven’ zei Wie-ik-geweest-ben. ‘Ik wil niet sterven’en toch is hij sceptisch! Kijk zo bedriegt men zichzelf. En zo loopt men heel wat mis. Men voelt het verlangen om een roman te schrijven, en men schrijft filosofie. Men is niet alleen in zijn vel.’

Van de zojuist aangehaalde tekst denkt men niet direct aan dichtkunst , hoogstens kan men, zeker bij de fabels,  spreken van poëtisch proza en dit laatste geldt ook voor de ‘Raadsels’:

Met wat broodkruim vormde ik een diertje, een soort muis. Ik was nog
          niet klaar met het derde pootje of, kijk, het begon zowaar al te
          rennen…Het vluchtte weg in het donker van de nacht.

In het laatste deel van Wie ik geweest ben komt tenslotte de dichter Michaux aan het woord en wel op een bijzonder experimentele manier, niet alleen wat de inhoud betreft maar ook om de verrassende wijze waarmee hij met de taal omspringt .

SLU en SLI

en slo
en slu
en zoonssloor slikt
sli en slo
en slikt zijn voet
slu en slo
en in zich slik-en-sli-en-slo

(…)

En het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’ begint als volgt: ‘Hij vermoesbrijzelt hem en takelbebeult hem tegen de grond; / Hij kapotscheurt hem en tegensputtert hem tot aan zijn greutel; / Hij prateelt hem en jiboekt hem en romppettert hem krapen; / Hij  knuppelsult en vleeskemelt hem,/ (…)’.

Het is een lang gedicht maar u zult nu al wel begrijpen dat het slecht met ‘hem’ afloopt .

Hoe meer je van Henri Michaux leest, des te pregnanter wordt de vraag wie deze man eigenlijk is, een vraag die hij, zoals eerder gezegd, zichzelf ook voortdurend stelde en wel zo indringend dat je wel met dit onderzoek mee moet gaan. Om in die zoektocht niet te verdwalen (Leed Michaux aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis? Schreef hij om puur hygiënische redenen?) zijn het heldere, diepgravende nawoord en de beschreven levensloop van Michaux door Bart Vonck een goede gids. Hij duidt wat te duiden valt en durft vraagtekens te plaatsen bij teksten waarover hij wat de gelaagdheid betreft zijn twijfels heeft. Hiermee kan de lezer in het spoor  blijven.

De worsteling met zichzelf van Michaux komt vooral naar voren in zijn wijdlopige gedichten waarin hij veelvuldig de anafoor als stijlfiguur gebruikt; zo beginnen bijna alle 200 regels van ERGENS, IEMAND  met ‘Iemand’ : ‘Ergens is iemand een hond en blaft naar de maan / Iemand wordt als Chinese geboren en is nu zeventien / Iemand het is een blondine en haar zuster is levendig, echt uitgelaten / iemand zijn vader is highlander /(…)’. Zes pagina’s verder: ‘Iemand de zon schijnt niet meer op zijn boom / Iemand er gebeurt niets meer in zijn leven, niets meer, niets meer, niets meer dan leegte, niets meer, niets meer / Hij haakt naar stilte, iemand / Iemand  zoekt een nieuw venster.’
Wie dit gedicht achter elkaar leest kan er zowel door in trance als in ademnood van geraken en krijgt mogelijk de indruk dat al die ‘iemanden’ voor ‘niemand’ staan, zeker als men weet dat Michaux bewust heeft uitgedragen dat hij de realiteit wilde ontlopen door niets en niemand te zijn. Hij wilde om die reden ook niet tot een stroming behoren – literaire kringen wilden hem tot de surrealisten rekenen – en weigerde literaire prijzen. Veelbetekenend in dit opzicht is de titel van deze bloemlezing.

Deze selectie uit het werk van Henri Michaux beslaat overigens nog maar het deel dat een beeld schetst van de periode 1922-1946. Het tweede deel (1947-1984) moet nog verschijnen en hoewel ik in deze eerste band niet echt flonkerende poëzie ben tegengekomen (wat Michaux ook niet nastreefde) , lijkt me het vervolg ervan toch iets om naar uit te kijken.

Een gedichtje dat dit staaft:

HET MEISJE VAN BOEDAPEST

In de lauwe nevel van de meisjesadem heb ik plaatsgenomen.
Ik heb mij teruggetrokken, ik heb mijn plaats niet verlaten.
Haar armen wegen niets. Ze voelen als water.
Wat verwelkt is verdwijnt voor haar blik. Alleen haar ogen blijven,
Lange mooie grashalmen, lange mooie bloemen groeiden op onze akker.
Zo’n licht gewicht op mijn borst, zoals jij nu op me leunt,
Je leunt zo zwaar op me, nu je er niet meer bent.

Last but not least: de vertaling. Het moet een heksenwerk zijn geweest, maar Vonck maakt zijn reputatie van meester-vertaler meer dan waar. Souplesse gepaard aan een bijzondere vindingrijkheid waar het de omzettingen betreft van de talrijke Franse neologismen van Michaux die u (nog)niet in de Van Dale zult aantreffen. (Zie de aangehaalde regels uit het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’).
Eigenlijk merk je niet dat het een vertaling is – daarom was ik in eerste instantie vergeten er iets over te zeggen – en dat is m.i. het grootste compliment dat je een vertaler kunt geven.

Recensie van Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017 - Diverse dichters

Slechts weinigen halen de overkant

Diverse dichters
Goudlicht en avondschijn. De 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd 2017
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 978909056553173
€ 7,50
128 blz.

Waar de een iets heeft met het Songfestival, kijk ik zelf ieder jaar weer reikhalzend uit naar de Turing Gedichtenwedstrijd. Enerzijds om zelf weer eens drie of vier gedichten te testen, anderzijds om mij te verheugen over wat er zoal over wordt gemeld op Facebook. Via de mail word je voortdurend door Turing zelf op de hoogte gehouden over de absolute deadline voor inzenden, dus je krijgt ook nog eens een boel gezellige, aansporende mail. Ik houd ervan. En waar loop je nu de kans om zoveel geld te verdienen met zoiets obscuurs als poëzie?

Het meest concrete product van de Turing Gedichtenwedstrijd is de wedstrijdbundel die al helemaal klaarligt op de uitslagenavond. De honderd beste gedichten van het afgelopen jaar staan er in. Dit zijn de honderd waarover de jury zich heeft gebogen; de winnaars staan er niet in vernoemd. Die moet je dan weer even opzoeken op hun website. Voor 2017 waren de drie winnaars van goud naar brons: Jan-Paul Rosenberg uit Zeist, Merel van Slobbe uit Nijmegen en Dan Falck uit Amsterdam. De jury die de honderd gedichten moest beoordelen, bestond dit jaar uit: Tsead Bruinja (juryvoorzitter), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en vast jurylid Françoise Geelen (vanuit de Turing Foundation). Het voorwerk is dan reeds gedaan door mensen die zijn verbonden aan de tijdschriften Awater en de Poëziekrant. Deze poëzieslaven hebben zich geworsteld door de 8.306 anonieme inzendingen van 2.926 dichters om eerst een top duizend en dan een top honderd te maken. Voor wie er in geïnteresseerd is: de top duizend heb ik dit jaar gehaald met twee gedichten. Verder kwam ik niet.

Per fase krijgen de inzenders bericht over hoe zij het hebben gedaan. Gedichten worden ingezonden via een knap opgezette website waarin deelnemers kunnen inloggen om hun eigen werk te zien, door de tijd heen. Sommige deelnemers hebben vaker de top honderd gehaald en die gedichten zijn via de wedstrijd voor iedereen toegankelijk. Winnaar Jan-Paul Rosenberg heeft zelfs een bescheiden biografie toegevoegd aan zijn eigen pagina. Bij elke mededeling over de volgende fase, is het zaak om scherp op Facebook de verschillende dichters te volgen. Dichters van faam, met verschillende bundels op hun naam, spreken hun teleurstelling uit. De anonimiteit heeft ze geen voorsprong (of nadeel) opgeleverd. Hun commentaar levert weer commentaar op over de systematiek van de Turing Toto en uitroepen als ‘ik doe niet mee aan die onzin…’. En sommige dichters doen het anoniem ook gewoon goed getuige de aanwezigheid van Mark Boog in de top honderd.

De wedstrijdbundel is dus een bloemlezing van datgene wat mensen rond Awater en de Poëziekrant de beste gedichten vonden. Een meer thematische lijn zit er ook niet  in. De titel van de wedstrijdbundel is dan ook steevast een schitterende dichtregel uit onze uitgebreide canon van schone verzen, maar zonder enige inhoudelijke band met de inhoud. Vorig jaar Boutens, dit jaar Gorter. ‘Goudlicht en avondschijn’ komt uit een van de Verzen van de grote meester. Volgend jaar wellicht Kloos of een iets minder lang geleden overleden dichter. De binding is de kwaliteit per gedicht, wellicht kan over 50 jaar een wetenschappelijke studie een lijn zien tussen de eerste editie (uit 2009) en de laatste, deze negende editie. En of dat dan een ontwikkeling is in het dichtwerk of meer over de manier waarop werk wordt beoordeeld, dat laat ik dan maar even in het midden.

De (voor)jury heeft goed werk gedaan. Jammer dat ze mijn werk hebben genegeerd, maar wat wél de bundel heeft gehaald is zo bijzonder dat je heerlijk in de bundel kunt verdwalen. Mooie vondsten als ‘Mond – jij sponzende spraakkrater’ van Jaako Jannowitz of ‘LIEFDE KEERT TERUG / TERWIJL WIJ ERAAN SCHRIJVEN’ van Truus Roeygens of ‘daar geloof ik in, als in een verdrietig akkoord / niet van een regering maar van een gitarist’ van Wieger Wobbe Windhorst. Het ene gedicht spreekt vast meer aan dan het andere, maar is dat niet een eigenschap van álle bloemlezingen? Ieder gedicht is beoordeeld zonder dat de jury kennis had van de naam en dan is het natuurlijk helemaal mooi als twee gedichten of meer gedichten bij de Top 100 eindigden. Van maar liefst elf dichters staan twee gedichten in Goudlicht en avondschijn. Eén daarvan is Dorien Dijkhuis.

Overkant

je zet een vinger op de kaart, trekt een lijn
tussen landen, zegt: dit is eerder gedaan
zo gaan we aan boord, varen uit

slechts weinigen halen de overkant, zeg je
weinigen komen ooit in een thuishaven aan

land komt in zicht na dagen van deining
we zien daken van huize, we ruiken
de grond

bomen en mensen die in een vingertop
pasten, nemen algauw je hele hand
hele hart in beslag

wanneer we aan land gaan, gooien we
stenen over onze schouders om te zien
of het een jongetje of meisje wordt

Dorien Dijkhuis

Het respect voor de (voor)jury wordt per gelezen gedicht groter. De gedichten verschillen. De ene is sprankelender dan de ander, de een herbergt bijzondere beelden, de ander ‘zingt’ meer. Toch is het ook deze maal gelukt om een gedicht aan te wijzen als ‘winnaar’. De vijftien minuten van wereldfaam zijn deze dichter gegund. Niet van iedere winnaar horen we later nog iets terug. Jan-Paul Rosenberg lijkt mij iemand die actief is in de poëzie en die vast meer wil. Het prijzengeld kan een duwtje in de goede richting zijn.

Laatste foto van de vrede

Ik bedoel dit letterlijk: verlaat de zoemende foto
nu het nog kan, zelfs uit de ruimte blijkt de verwoesting
onafwendbaar. De man in de kamer hiernaast is al geschiedenis.

Vanuit deze foto leidt de weg naar de ontsnapping, elke poging tot bewegen
wordt beloond. Deze waarschuwing geldt voor iedereen: pretvaders, bonusmoeders,
leenkroost; alles waarop een naam rust, een burgerservicenummer, een cliëntprofiel; alles
wat kan worden afgeluisterd dus alles wat voor evacuatie in aanmerking komt.

De laatste foto van de vrede bloedt als een oprechte, loyale Madonna.
            De staat stuurt een app: de elektriciteit is dood, telefoons/
            computers
afgesneden. Discreet duiken we onder in een tentenkamp.
Paspoorten, sleutelwoorden raken uitgebloeid.

De foto liegt niet. Nog even en dan gaat het los
begint het zoeken met honden naar overlevenden.
Tot dan steken we de koppen in het zand, trakteren we
het gouden kalf op Bach, blijven God door de vingers zien.

 Jan-Paul Rosenberg

 Gerrit Komrij heeft toen hij werd benoemd als Dichter des Vaderland zijn masker van vlijmscherpe cynicus afgezet en is zich gaan inspannen om poëzie in Nederland een podium te geven voor een groter publiek. Zijn inzet vormde de basis voor de Turing gedichten­wedstrijd waarvan het doel is om meer mensen in Nederland en België te inspireren en te enthousiasmeren voor poëzie. Sommige actieve deelnemers publiceren na verloop van tijd hun eigen bundel. Anderen moeten genoegen nemen met publicatie in de wedstrijdbundel. Vorig jaar was ik erbij: de avond van de bekendmaking van de winnaars, een blauwe button op mijn borst. Dat lukt niet ieder jaar. En alleen om die reden kan ik niet anders zeggen dan: schitterende wedstrijdbundel, maar de vorige editie was beter…

***
Goudlicht en avondschijn is de negende editie van de bundel met de honderd beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd. Een jury bestaande uit Tsead Bruinja (juryvoorzitter ), Simone Atangana Bekono, Lies Van Gasse, Sef en Françoise Geelen kozen de drie winnaars uit de Top 100.

Recensie van Gij zijt allemaal welgekomen! - Dirk de Geest

Een papieren bootje op de Leie en het rustige kielzog

Dirk de Geest
Gij zijt allemaal welgekomen!
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056550868
€ 34,99
784 blz.

Vanuit een economische invalshoek is het uitgeven van gedichten een marginale activiteit. Toch verschijnen er in het Nederlands taalgebied jaarlijks tientallen nieuwe bundels, en dat is dus niet om de lieve centen. Het aantal manuscripten dat bij dichters in de kast blijft liggen, is een veelvoud van de publicaties die het wel publiek bereiken. Om de lezer gemakkelijker te bereiken organiseerde Guido Lauwaert in 1973 in Vorst de eerste nacht van de poëzie, twee jaar later gevolgd door een gelijkaardig evenement in de Hallen van Kortrijk. Ik was er als luisteraar bij en ben teleurgesteld naar huis gegaan voor de laatste dichter het woord kreeg. Pas in 2011 ging de vijfde nacht van de poëzie door. Leo Drieghe ging een stap verder: in 1968 en 1971 organiseerde hij met Roland Jooris in Wetteren een poëziemarkt onder het motto ‘Consumeer meer poëzie.’ Louis Paul Boon liet zich opmerken met een bolhoed op het hoofd en andere dichters poseerden gewillig voor reporters. Het waren goed bedoelde initiatieven die helaas een vroege dood stierven. Voor de verzamelbundels die door de poëtische marktkramers werden gevuld, moet men anno 2018 wel flink in de portemonnee tasten.

Veel meer succes hadden de Vlaamse Poëziedagen die van 1937 tot 1956 plaatsvonden in de dorpen Ooidonk en Merendree. De initiatiefnemer was pastoor Basiel de Craene, die ook zelf gedichten schreef. De briefwisseling en andere documenten die door De Craene en Maria Bonquet – de vroegere secretaresse van de poëziedagen en de rechterhand van De Craene in Merendree – werden bewaard, geven inzicht in de ontwikkeling van een aantal individuele dichtersprofielen en het literaire klimaat van die tijd. De Geest wijst erop dat literatuur ‘meer is dan een corpus van teksten, een conglomeraat van genres, een uiting van specifieke literatuuropvattingen. Ze is – zeker in die jaren – evenzeer een kwestie van contacten en discussies, van tijdschriften en groeperingen, van omgangsvormen.’ Even belangrijk als de gepubliceerde bundel ‘is de publieke declamatie, de opvoering, het debat, de beeldvorming, de literaire uitgever, de literaire kritiek, het informele en formele gesprek.’ Het is die ‘sociale praktijk’ (9) die in de monografie gedetailleerd wordt belicht.

De Geest, die moderne Nederlandse letterkunde doceert, heeft een boek van bijna 800 blz. aan die jaarlijkse hoogmis van de Belgische Nederlandstalige poëzie gewijd. Zijn verhaal begint op 10 mei 1956, de dag waarop Basiel de Craene in Merendree is overleden. Op die manier heeft hij verduidelijkt waarom dat kleine dorp enkele dagen later overspoeld werd door dichters en journalisten. Daarna volgt de auteur de gebruikelijke chronologie.

De geschiedenis van de ontmoetingen in het vlakke land nabij de Leie heb ik al eerder gelezen in het tijdschrift Het Land van Nevele, dat in 2000 de monografie ‘Van Bachte-Maria-Leerne tot Merendree. Geboorte en bloei van de Vlaamse Poëziedagen’ van Eddy Vaernewyck heeft gepubliceerd. De monografie van Vaernewyck (jrg. XXXI, nr. 2, 83-188) was eenmanswerk. Dirk de Geest heeft een beroep kunnen doen op studenten, die hebben geholpen bij het inventariseren van het archief van de poëziedagen. In zijn dankwoord (702-703) worden niet alleen die studenten vermeld, maar ook de kritische lezers die zijn werk hebben zien groeien, en Eddy Vaernewyck, die het script in statu nascendi van commentaar heeft voorzien, heeft een bijzondere vermelding gekregen. Het dankwoord is van belang voor wie interesse heeft voor wetenschapssociologische vraagstukken. Het illustreert de inzichten van Bruno Latour, en die gelden ook in de humaniora.

Hoewel De Geest in de proloog onmiddellijk stil blijft staan bij de dag waarop de Craene is overleden, volgt zijn verhaal de organische lijn van kiem naar groei en bloei en uiteindelijk de oogst. De vervalperiode met ontmoetingen in Wemmel, Meise en Deurle, tot de poëziedagen in 1992 in Gent ten grave werden gedragen, en de recente terugkeer naar Bachte-Maria-Leerne, vallen buiten de opzet van de monografie. In de levensschets van De Craene, die op 55-jarige leeftijd de poëziedagen uit het niets heeft geschapen, heeft de auteur de typische valkuilen van de biografie en de clichés van de hagiografie vermeden. Nu en dan is de verteltrant zelfs licht ironisch. Om de werkelijkheid te belichten werd vergelijkend onderzoek verricht. Zo blijkt dat een typoscript van Maria Bonquet over Basiel de Craene identiek is aan een handgeschreven tekst van De Craene zelf, die niet terugdeinsde voor enige opsmuk.

De Craene heeft niet alleen poëzie geschreven, hij heeft als jonge pastoor ook meegewerkt aan een aantal kranten. Hij ondertekende zijn artikelen soms met zijn eigen naam, soms met een pseudoniem. Uit die artikelen werd een eerste zelfstandige publicatie samengesteld. Zijn eerste werk staat los van zijn latere literaire activiteiten, hoewel het op een pedagogische instelling wijst, en die is in Merendree overeind gebleven. Toen hij van 1915 tot 1931 als kapelaan actief was in Kaprijke, heeft hij (reactionaire) opvoedkundige taken vervuld. Ik vraag me af welke zedenverwildering daar bestreden moest worden. In Kaprijke ontmoette hij de onderwijzeres Maria Bonquet, en in die tijd ontwikkelde hij zich als schrijver van religieus proza. Gaandeweg kreeg dat proza een meer literair stempel, zoals in de dubbelroman Simon-Petrus (1928-1929). Voor de uitgave van die werken tastte de kapelaan diep in de eigen portemonnee. In 1931 werd hij pastoor in Bachte-Maria-Leerne, waar hij kunstenaars uit de Leiestreek en de burgemeester, graaf ’t Kint de Roodenbeeke, de eigenaar van het kasteel van Ooidonk, leerde kennen. In die nieuwe omgeving begon hij vrij vlug gedichten te schrijven, en hij kreeg er contact met de pastoors Joris Eeckhout (criticus en essayist) en Camille de Paepe, die aanvankelijk in het Nederlands en later als Camille Melloy in het Frans schreef. In 1931 maakte de bundel Smeltkroes van een andere pastoor, Hubert Buyle of Gery Helderenberg, grote indruk op hem, en vanaf dat ogenblik ging zijn aandacht vooral naar het schrijven van gedichten. In 1933 verscheen zijn debuut: Uit ’t Leye-lisch. Hij gaf het boek zelf uit en schreef aan de drukker dat hij een kunstproduct verwachtte: ‘Mijn begeerte: heel chic; rijk; iets waarmede gij op tentoonstellingen prijken kunt’ (51). De kritiek reageerde verdeeld, en vooral het oordeel van Marnix Gijsen was verpletterend.

Hoewel het besproken boek vooral de poëziedagen belicht, vond ik het nodig om de achtergrond van De Craene uitvoeriger te belichten, want die is medebepalend geweest voor de invloed van de poëziedagen op de Vlaamse poëzie. Ik gebruik het woord Vlaams altijd in een geografische context, maar De Craene en veel dichters die hij ontmoette, gebruikten het woord in de eerste plaats in etnische zin, een gebruik dat remmend heeft gewerkt op de ontvoogding van de poëzie in Vlaanderen. De dichter en criticus Jan Schepens verving wellicht om die reden Vlaamse Poëziedagen door ‘Kermis van de Vlaamse Poëzie’ (541). De Craene verdedigde een instrumentele poëtica, en hij probeerde ‘een energieke kring van priester-dichters uit te bouwen’ (73). Poëzie is echter geen toegepaste kunst. De gedachte dat ‘een vers ontstaat doordat een bepaald inzicht krachtig wordt vormgegeven’ (75) gaat misschien op in een liturgische context, maar staat heel ver af van de expressionistische en vitalistische tendensen die in die periode het tijdsbeeld nog mee vorm gaven. Met de priesterdichters boekte De Craene weinig succes, maar plots verscheen een ster aan het firmament: Blanka Gyselen. Met haar debuutbundel Door roode vuur (1936) maakte ze niet alleen indruk op de pastoor, maar ook op Marnix Gijsen. Haar eerste ontmoeting met Basiel de Craene lag aan de basis van een verdere samenwerking. In die periode zocht De Craene ook contact met de negentienjarige Herwig Hensen van wie hij De vroege schaduw (1936) had gelezen, een bundel waarin volgens Gijsen te nadrukkelijk het voorbeeld van Van de Woestijne werd gevolgd. De Craene zag geen graten in die navolging, maar Hensen nam de bundel toch niet op in de verzamelbundel Gedichten (1947). Na enkele ontmoetingen en brieven heen en weer, nam Hensen afstand van de De Craene, zijn initiatieven en van het declameren van gedichten: ‘wat een slechte gewoonte’ (86). Declameren stond in hoog aanzien in Bachte-Maria-Leerne. De wiskundige Hensen zocht een andere poëtische horizon en het drama op, en na de Tweede Wereldoorlog schreef hij als Diogenes satirische gedichten voor het weekblad Zondagspost.

Het netwerk van De Craene bleef echter groeien en de pastoor ontpopte zich tot poëzieorganisator. Er werd contact genomen met o.a. de schilder en dichter Maurits Bilcke, met de dichters André Demedts, Jan Vercammen en Albe. In 1937 ging in Bachte-Maria-Leerne een eerste Vlaamse Poëziedag door in aanwezigheid van reporters van een aantal dagbladen. Ook Het Volk, Hooger Leven en Ons Land waren vertegenwoordigd. In de tuin van het kasteel van Ooidonk werden gedichten gedeclameerd door o.a. Cyriel Verleyen, Blanka Gyselen en Maria Bonquet. De deelnemers waren met twee motorbootjes vanuit Gent naar hun bestemming gebracht. De boottocht op de schilderachtige Leie heeft veel aandacht gekregen in Hooger Leven. Na de voordracht bezochten de deelnemers een tentoonstelling met werk van een viertal Leieschilders, en in de namiddag lichtte Demedts zijn poëtica toe, waarin ook plaats was voor ‘maakwerk’. De organisatie was een tour de force waarvoor De Craene opnieuw diep in de geldbuidel moest tasten. Daarna volgden jaar na jaar nieuwe ontmoetingen, er werd een literaire prijs in het leven geroepen. Vertegenwoordigers van de Nieuwe Orde probeerden tevergeefs De Craene bij hun cultuurpolitiek te betrekken. Een behoorlijk aantal ‘Vlaamse’ dichters liet zich lijmen, en het was wellicht ‘dramatisch’ voor de organisator ‘dat een van zijn belangrijkste pupillen, Blanka Gyselen […] zich tot een van de belangrijkste propagandisten van de Nieuwe Orde en het nationaalsocialisme’ heeft ontpopt (229). In DeVlag (het maandblad van de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft) publiceerde ze zeer militante, bijna hysterische gedichten. Ze was niet de enige schrijfster uit de kring rond De Craene die haar kritisch vermogen prijs heeft gegeven, en het is precies in die zin dat de Vlaamse Poëziedagen een rem op de ontvoogding van de poëzie hebben betekend. Ik verwijs naar de stelling van Erik Spinoy dat die poëzie ‘is ontstaan in de context van een nog altijd onvoltooide emancipatiegeschiedenis, en dus in de discursieve nasleep van reactionair katholicisme, romantisch nationalisme en de “fascistische verleiding”’ (uit zijn november 2017 gehouden lezing Geen delicatessen, De waarheid van de poëzie). Spinoy, die ooit een leerling was van priester, dichter en leraar Anton van Wilderode – een coryfee van de Vlaamse Poëziedagen – heeft erop gewezen dat het verzameld werk van die dichter ‘de lezer heen en weer smijt tussen ideologische weerzin en lyrische verrukking’ (18). De ‘Vlaamse’ poëzie kon uitgesproken reactionair zijn. Dat de bejaarde De Craene uiteindelijk verruiming zocht door een beroep te doen op Paul Snoek (Gard Sivik) die positief reageerde, en Jan Walravens (De Vlaamse Gids en Tijd en Mens) en Remy C. van de Kerckhove (Tijd en Mens), die hun naam niet met de organisatie wilden verbinden (681-683), kon de remmende invloed van de vorige poëziedagen niet ongedaan maken. Walravens had in 1947 een lezing gehouden tijdens de jaarlijks ontmoeting in Merendree, en hij bleef kritisch voor de aanhangers van ‘klassieke’ poëticale opvattingen. Ook de aanwezigheid van vrijzinnige dichters kwam te laat om de poëziedagen echt te vernieuwen en het ‘etnisch’ karakter ervan op te heffen. Overtuigende poëzie, levensbeschouwing en etnische achtergrond zijn geen noodzakelijke drie-eenheid.

Met deze zeer individuele lezing van de wetenschappelijk gefundeerde monografie, die zeer vlot geschreven en rijk geïllustreerd is, maar meer dan een tikkeltje te omvangrijk is, laat ik de schrijver van dat werk wellicht onvoldoende recht wedervaren. Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de ontwikkeling van de poëzie in Vlaanderen en van de ‘Vlaamse’ poëzie in etnische zin, mag niet aan dit werk voorbijgaan. Mijn bedenkingen betreffen niet het werkstuk, wel het gebeuren dat er aan voorafging.

Recensie van Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie - Peter van Lier

Gefundenes Fressen voor dichters en denkers

Peter van Lier
Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552879
€ 24,99
248 blz.

In de inleiding van de bundel beschouwingen met de intrigerende titel Geachte afwezigen, stelt filosoof en dichter Peter van Lier terecht de even intrigerende vraag waarom iemand gedichten begint te schrijven. Het is een moeilijk te beantwoorden vraag waarop veel dichters het antwoord schuldig blijven. Interviews en autobiografische teksten bevatten vaak attributies en soms ook overtuigende misleidingen, dichters zijn immers vertrouwd met het gebruik en het omzeilen van valstrikken. Hierna parafraseer en becommentarieer ik de inleiding.

Van Liers beginvraag werd niet beantwoord door P.B. Shelley, die in 1821 A Defence of Poetry heeft gepubliceerd. In dat werk heeft hij op het belang van poëzie gewezen. Hij bracht haar in verband met de verbeelding en zag in de poëtische expressie een tegenhanger van de onderzoekende en beschrijvende wetenschap. Als Shelley inderdaad dat denkpatroon heeft gevolgd en tot het besluit is gekomen dat de verbeelding noodzakelijk was om de mens en de wereld te verstaan – en dat is geen equivalent van begrijpen en verklaren –, dan heeft hij twee dingen over het hoofd gezien: (1) de wetenschap is gericht op verklaren en beheersen, en (2) de verbeelding heeft geen eigen onderzoeksobject, maar kan in veel domeinen nuttig zijn, o.a. in de wetenschap. De verbeelding van een kunstenaar is niet gericht op verklaren en beheersen, ze zoekt betekenisvelden op en richt zich op het verstaan, waardoor ze waarheid in het werk kan stellen. Exact en waar zijn geen synoniemen. Maar het is o.a. ook de verbeelding die in de geneeskunde tot de beheersing van ziektebeelden heeft geleid, en dat is slechts één voorbeeld. Het aantonen van het belang van poëzie – en daar kan niet aan getwijfeld worden – is nog steeds geen antwoord op de vraag waarom bijvoorbeeld Shelley zelf of Hölderlin gedichten hebben geschreven.

In 1978 heeft Jacques Hamelink de relatie tussen mens en wereld aan drie elementen gekoppeld: tijd, geschiedenis en sterfelijkheid. Dat zijn zeer ongelijksoortige categorieën. Tijd is een onvatbaar continuüm, geschiedenis is een abstractie die werd bedacht om vat te krijgen op de onvatbare tijd, en sterfelijkheid is onontkoombaar en een door de mens ervaren realiteit. De relatie tussen mens en wereld is niet alleen complex, door het verdwijnen van God, zo luidt het betoog, is het verband ook verstoord. Seamus Heany heeft ervoor gepleit de mens weer overeind te zetten (to redress), en dat is geen evidente taak, want volgens Hamelink heeft de technologie ons een alternatieve wereld voorgeschoteld. Baudrillard ging nog verder en voorspelde het einde van het ‘Reële’, dat kennelijk door virtuele manifestaties zal worden verdrongen. Van Lier heeft nog altijd geen antwoord gevonden op de beginvraag, en vraagt zich af hoe hij in de huidige omstandigheden poëzie kan verdedigen.

Verdediging is voor de essayist een te zwak begrip, hij geeft de voorkeur aan verweer, en dat heeft hij impliciet aangetroffen in het werk van Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar en Kees Ouwens, die zich van de talige poëzie hebben afgewend om opnieuw het concrete leven centraal te kunnen stellen, of zoals Van Lier het zelf heeft geschreven: ‘de woorden [werden] weer betrokken op de dingen en andere fenomenen die zich aan het bewustzijn voordoen.’ (p. 11) In de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn dichters aan bod gekomen die ‘het contact met de werkelijkheid [willen] herstellen, waar dat verloren is gegaan.’ (p. 12)

Gelukkig zijn woorden referentieel, ze verwijzen niet alleen naar andere woorden, maar in de allereerste plaats naar dingen die al vóór de woorden bestonden, al wordt in sommige filosofische benaderingen het woord als constitutief beschouwd. De taak van de dichter en de essayist is dan ook ‘het ontwikkelen van aanwezigheidsstrategieën,’ (p. 14) of de herontdekking van de wereld. Dat zal gepaard gaan met duistere ervaringen, want taal en zijn hebben een duistere oorsprong, en kunnen naar mijn aanvoelen het best benaderd worden vanuit de fenomenologische inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Dat de dingen volgens Kant niet fundamenteel kenbaar zijn, is voor de levenservaring geen probleem, belangrijk is de betekenis ervan voor de individuele en intersubjectieve existentiële ervaring, en die begint met de zintuiglijke aftasting van de wereld door lichaam en geest.

Na de zeer compacte en vrij complexe inleiding richt Van Lier zich op de toepassing van zijn inzichten. Hij neemt het werk van Faverey en Lucebert onder de loep. Zij hebben hun oorspronkelijk op de taal gerichte poëzie ingeruild voor vitaliteit en ontvankelijkheid, zijn is immers meer dan aanwezig zijn (in woorden).

De essayist vindt het echter zinvol om nu en dan ook over eigen werk na te denken, en dan duikt een tweede vraag op: ‘hoe schrijft men goede poëzie?’ (p. 19) Ook op die vraag kan Van Lier geen coherent antwoord bedenken. Hij vertrouwt op de inval en schaaft daarna de gedichten zo weinig mogelijk bij. De inval zorgt ervoor dat ‘de gedichten vrijwel meteen in hun definitieve vorm verschijnen.’ (p. 19) Ikzelf schrijf min of meer op dezelfde manier, en dat betekent dat er heel veel tijd kan verstrijken tussen twee invallen. Goede poëzie is volgens Van Lier het resultaat van de poëtische inval, maar die stelling gaat niet altijd op. Ikzelf gooi meer dan eens ‘invalgedichten’ in de papiermand, andere blijven overeind en sommige worden wat bijgeschaafd. ‘Zinledige’ momenten zouden volgens de essayist bijdragen aan het ontstaan van invallen. Hij heeft aanknopingspunten gevonden in het werk van Hölderlin en onderbouwt zijn stelling nog met Cornelis Verhoevens commentaren in verband met geesteshoudingen. Volgens Verhoeven doen invallen zich voor op het ogenblik dat men ongestructureerd aan het mijmeren is, en men doet er goed aan die opwellende gedachten of beelden meteen te noteren, want anders gaan die verloren. Ik denk meteen aan Kierkegaard die overal papier en een pen klaar had liggen en bijna overal kaarsen liet branden. Kierkegaards invallen waren niet goedkoop. In de beschouwingen over de inval komen de inzichten van Lyotard, Heidegger, Maurice Blanchot en de dichter Francis Ponge aan bod. Voor de geïnteresseerde lezer vermeld ik graag dat Heidegger zelf gedichten heeft geschreven en dat hij bevriend was met de dichter René Char.

Na de filosofisch getinte beschouwingen richt de essayist zich op het werk van Faverey, en maakt hij opnieuw een excursie naar het grensgebied van de filosofie met namen als Nishitani, nogmaals Heidegger, Sartre, Camus en de middeleeuwse filosoof, theoloog en mysticus Meister Eckhart. In een volgende tekst becommentarieert Van Lier zijn eigen werk. Wellicht om verdachtmakingen te voorkomen, verwijst hij naar het werk van de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis, die kennelijk zo veel bedenkingen bij zijn eigen gedichten heeft geschreven dat zijn verzameld werk vooral uit die commentaren bestaat. Al vlug worden hier Immanuel Kant, Samuel Beckett en René Descartes in de tekst binnengeloodst. Ook daarna heeft Van Lier het over zijn eigen werk, en dat is niet verwonderlijk, hij erkent immers dat ‘het schrijven de belangrijkste bezigheid in [zijn] leven is.’ (p. 73) Aan zijn gedicht ‘Wie eenmaal’ hangt hij enkele beschouwingen op over gedichten die in één ‘geut’ het papier hebben bereikt. Het gedicht en het commentaar doen me denken aan het gedicht ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland dat, althans volgens Kopland zelf, ook in één vloeiende beweging het papier veroverde. Van Lier had het in zijn gedicht over een ‘snuitkever’, en het is een door het publiek en de dichter zelf gesmaakte tekst. Minder filosofisch en leuk, maar toch wat aanmatigend zo’n intermezzo. Het zijn overwegingen die eventueel in een dagboek of in een briefwisseling over poëticale opvattingen thuishoren, niet in een bundel essays.

Daarna worden andere registers opengetrokken, de essayist haalt o.a. Willem Bilderdijk en zijn gedicht ‘De krekel’ van onder het stof, en daarna komen Hölderlin (kort) en Kouwenaar (uitgebreid) aan bod. Van de poëzie naar de filosofie is maar een kleine stap, en Van Lier zet die moeiteloos, daarbij gesteund door de terechte overweging of de filosoof Cornelis Verhoeven ‘niet in wezen een dichter was.’ (p. 119) Van Lier vraagt niet alleen meermaals om aandacht voor Verhoeven, maar ook voor Plato, Leibniz en opnieuw Heidegger, die zich afvroeg ‘Waarom is er iets en niet veeleer niets?’ (p. 115) Dat bij de vele verwijzingen naar Heidegger niet één maal de dichteres en filosofe Annie Reniers werd vermeld, verbaast me wel. Daarna komen nog Jan Hanlo, Leo Vroman, de componist Rachmaninov en Kees Ouwens aan bod, en ook daar verheft de filosoof zijn stem: ‘De wetenschappen hebben veel baat gehad bij de scheiding  die Descartes tussen subject en object heeft aangebracht. Kunstenaars zijn dit rationele onderscheid echter als een scheiding in de belevingswereld gaan ervaren.’ (p. 153) Bij dat inzicht sluit ik me graag aan, en wie de scheiding hinderlijk vindt, herinner ik aan de inzichten van Maurice Merleau-Ponty. Ook het werk van F. van Dixhoorn wordt vrij uitvoerig besproken en daarbij wordt ook Guido Gezelle uit het vergeetboek gehaald. Voorts passeren ook nog Elma van Haren en Gerard Reve de revue, altijd met digressies naar andere dichters en denkers.

Het is geen gemakkelijke opgave om het werk van de belezen denker en dichter op een bevattelijke manier voor te stellen. Als recensent heb ik hooguit de mij meest treffende beschouwingen belicht. Voor lezers met een uitgesproken interesse voor wijsgerige uitweidingen én poëtische bespiegelingen is het boek van Van Lier ‘gefundenes Fressen’, of een uitgelezen mogelijkheid die men niet verloren mag laten gaan. Tot slot nog een overweging. Van Liers inspanningen zijn gericht op het herstellen van het verloren contact met de werkelijkheid, en daar past een dubbele wenk van de dichter-criticus  Raymond Herreman bij: vergeet niet te lezen, en vergeet (vooral) niet te leven, dan is het contact met de werkelijkheid verzekerd.

Recensie van Geen delicatessen - Erik Spinoy

‘Een cirkel die geen vicieuze cirkel is’

Erik Spinoy
Geen delicatessen
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552572
€ 7,50
47 blz.

In de tweede Hans Groenewegen-lezing citeert dichter, essayist en literatuurwetenschapper Erik Spinoy uit Paul van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, en op die manier gaat hij vanaf het begin in tegen de kritische en poëticale opvattingen die o.a. in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en in Lieve Scheers’ werk De poëtische wereld van Paul Snoek (1966) werden gehuldigd. De biografische lezing van gedichten moest in de close reading-aanpak wijken voor de opvatting dat poëtische teksten autonoom zijn. Van Ostaijen beschouwde literaire teksten terecht als een soort vingerafdruk van de schrijver of schrijfster. Ze zijn het resultaat van zijn of haar in-de-wereld-zijn, van top tot teen en vanaf het eerste woord dat hij of zij heeft gehoord tot het eerste en het laatste woord dat ze hebben gesproken of geschreven. Taal wordt verworven, er klinken altijd andere stemmen in door. Van Ostaijens verzameld werk is daar een duidelijk bewijs van, denk maar aan zijn belangstelling voor de film en de neerslag daarvan in zijn gedichten, de invloed van de oorlog, enz.

Ondertussen is poëzie een intertekstueel verschijnsel geworden, gedichten zijn transformaties van al bestaande teksten en betekenisvelden, en daardoor zouden ze geen aanspraak kunnen maken op authenticiteit en onwrikbare waarheid. Voor mij betekent dat echter niet dat er geen lyrische waarheid meer bestaat. Volgens Kierkegaard is waarheid subjectief, anders gezegd: er is niet één universele en eeuwigdurende waarheid. In ons huidig tijdsgewricht is dichterlijke waarheid, zoals dat altijd al het geval was, intersubjectief, d.w.z. veranderlijk en afhankelijk van de deelnemers aan het poëtisch gesprek. Enigszins verontrustend is dat translatiepoëticale opvattingen, weliswaar op een andere manier dan bij de essayisten en critici die in Merlyn aan het woord waren, de dichter van vlees en bloed uit het beeld laten verdwijnen. Spinoy verwijst naar o.a. de Franse filosoof Derrida, die naar mijn aanvoelen in een aantal besprekingen, zijn op oorspronkelijk werk geënte commentaren even sterk heeft laten ontsporen als de Merlynisten in hun beschouwingen. De filosoof heeft meermaals uit het oog verloren dat beschouwingen over literatuur of visuele kunst een dienende rol hebben, de criticus of de beschouwer moet zich als een schaduwloper gedragen. Er bestaan nochtans benaderingswijzen die zowel recht doen aan de mens(en) achter het werk en zijn of hun werk, ik denk o.a. aan de analyses van het werk van Paul Celan door de Duitse filosoof Georg Gadamer, de inzichten van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty – met zijn voor de poëziebespreking wellicht vruchtbare inzichten over het ‘lichaam-subject’ – en de commentaren van Martin Heidegger bij het werk van Friedrich Hölderlin.

De depersonalisatie van het poëtisch spreken en de verdringing van het schrijvende ik, komt er volgens Erik Spinoy op neer dat we een illusie koesteren wanneer we denken dat we zelf het woord voeren. Volgens de essayist is de postmoderne tekstverzamelaar-dichter ‘fundamenteel onteigend’. (10) De psychoanalyticus Lacan erkent het menselijke subject als wezen in een onverschillige omgeving, en de erkenning van het subject betekent logischerwijze dat authentiek spreken en schrijven wel mogelijk is. Lacan laat de spreker, de schrijver niet los, terwijl Derrida vooral oog heeft voor teksten die andere teksten voort brengen, bijna zoals in de fysica en de dialectiek waar actie of these en reactie of antithese een ketting vormen. Maar het schrijven, zelfs het intertekstueel schrijven is geen kettingreactie, het subject kan bijna altijd een andere wending geven aan de genese van een nieuwe tekst.

Spinoy keert terug naar de stelling van Paul van Ostaijen en wijst erop dat volgens de dichter de mens wel degelijk aanwezig is in zijn gedichten, maar nooit in zijn totaliteit en nooit volledig zichtbaar en toegankelijk. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik er aan toe dat hij dat ook voor zichzelf en de anderen is in het leven van elke dag. ‘De afwezige “aanwezigheid des dichters” trekt een breed spectrum aan sporen in de tekst.’ (15) En die sporen nemen andere vormen aan tijdens de loop van een dichterleven. Zoals de levenservaring, die niet alleen cumulatieve maar ook prospectieve facetten vertoont, agglutineren de taalregisters en de gesprokkelde tekstfragmenten waardoor het voorwaarts geleefde leven rugwaarts begrepen en voorwaarts geprojecteerd kan worden. Een zinvolle toekomst is in een eerste fase niet meer dan een subjectief verhaal. Wie oog heeft voor de vele facetten van een gedicht ‘stoot op de sporen van een aanwezigheid die méér is dan de som van geschiedenis en samenleving, dan het quotiënt van poëtica, posture en discours.’ (15) Zelfs al is een gedicht nooit geheel toegankelijk, door de talige horizon van de dichter en de lezer is een horizonversmelting, of een zinvolle lezing mogelijk die recht doet aan de dichter of dichteres en de gelezen tekst als tekst, waarin per definitie altijd echo’s meeklinken uit de massa- en de samenspraak. Elke lezer voltooit op zijn of haar manier een gelezen gedicht, en geeft op die wijze ook een (nieuwe) deelinhoud aan het leven van de schrijver achter de tekst.

Er is echter nog een ander element dat door de essayist wordt aangekaart: de problematiek van het onuitspreekbare – en hij wijst erop dat het reiken naar woorden of beelden nooit een volledig bereiken wordt, en die ervaring ‘moet dichters als De Haes en Bartosik er dus toe hebben aangezet steeds vaker het zwijgen dat volgens Van Ostaijen bij de “ogenblikken van volkmaakte volheid” hoort, te verkiezen boven het dichten.’ (30) Zwijgen en witregels zijn inderdaad zeer betekenisvol. De Deense schrijver Martin A. Hansen heeft in veel novellen de onuitspreekbaarheid treffend in aarzelende woorden gevat, en zijn in het Noors schrijvende landgenoot Aksel Sandemose schreef in de roman Ross Dane (1928): ‘Hoe meer ik zou willen zeggen, hoe minder ik het gezegd krijg.’ Het poëtische spreken is uiteindelijk ontoereikend, zowel voor de dichter als voor de lezer. Een gedicht is vaak een monoloog, zelfs wanneer de dichter zich expliciet tot een lezer of aangesprokene richt, en de dialoog die lezer met het gedicht aangaat verloopt indirect en post factum.

De ontoereikendheid is geen reden om definitief te zwijgen, het gaat om ‘een reiken  dat nooit een bereiken wordt. Een cirkel die geen vicieuze cirkel is.’ (37) De essayist voegt er hoopvol aan toe: ‘Fail again. Fail better.’ Het is een tweeledige opgave: zowel de dichter als de lezer moet blijven proberen en blijven falen, om zo telkens wat dichter bij de essentie van de existentiële ervaring te komen. Dat een volledige en herkenbare aanwezigheid onbereikbaar is, ligt voor de hand. Vaak worden de zwarte gaten door metaforen vervangen, en die versterken het onvatbare, want metaforen zijn bruggen én kloven. De lezer die zich over de brug waagt, kan niet tegelijkertijd door de kloof wandelen en omgekeerd. Hij of zij kan dat wel in twee tijden doen, en zo de gelijktijdigheid in een ongelijktijdige benadering ervaren. Dat betekent echter dat men twee verschillende lezingen van een gedicht als waarheidsvinding accepteert.

Het essay van Spinoy vergt enige concentratie, maar het is vlot geschreven en het bevat geen academische hindernissen. Een aanrader voor wie niet alleen interesse heeft voor gedichten, maar ook voor poëziebeschouwelijke teksten. Het impliciete pleidooi voor eerherstel van de gedeeltelijk biografische lezing van gedichten vind ik terecht en nuttig. In de beschouwingen heb ik toch enkele delicatessen ontdekt.