Recensie van Meridianen van de doling - Serge Delaive

De spinnende schrijver (over de poëzie van Serge Delaive)

Serge Delaive
Vertaler: Katelijne De Vuyst
Meridianen van de doling
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551162
€ 23,50
104 blz.

Taal is een web en een schrijver is een spin, die vliegen probeert te vangen. Die vliegen zijn wij, de lezers, die – als het een goed web is – blijven kleven aan de woorden, die de spinnende schrijver voor ons heeft gesponnen tot een verhaal of tot een gedicht. Zijn schrijvers immuun voor hun eigen web? Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Een schrijver kan ook blijven kleven aan zijn eigen web. Laat ik een voorbeeld geven. Een collega-recensent beweerde nog niet zo erg lang geleden in een bespreking van Tonnus Oosterhoffs nieuwste bundel het volgende:

‘Een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’. 
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vastknopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.’

Geen touw aan vastknopen? Dwaasheid? Dat ben ik niet helemaal met mijn collega eens. Met dat ‘uitdreig’ (wat een soort anglicisme is, vgl. ‘outrun’ ) en ‘geen beveiliger die me nog beveiligen wil’ is er wel degelijk een touw aan deze regels vast te knopen. Ze hebben een vrij hoog (anti) Geert Wilders gehalte.
Maar wat ik zeggen wilde: Tonnus Oosterhoff lijkt mij bij uitstek een schrijver die aanleg heeft om in zijn eigen web te blijven hangen. Zijn ongewone taalgebruik is persoonlijk en zeer herkenbaar, maar loopt door de opvallendheid ervan ook sneller gevaar vervelend en irritant te worden. Brood heeft niet zo’n sterke smaak: het is iets gewoons, we eten het elke dag. Maar we kunnen het op den duur beter verdragen dan iets wat een sterke smaak heeft, zoals kaviaar. Werkt het ook niet zo met taal? Een woord als ‘globomspannende’ associeert met ‘globalisering’ en ‘bom’, maar doet intussen ook al denken aan eerdere versprekingen (verspellingen) die de dichter met zijn ‘hersenmutor’ maakte. En omkeringen als: ‘We zitten aan ons steeltje vast, we zitten vast aan ons steeltje’ (uit WARE GROOTTE) en bijvoorbeeld die in het gedicht ‘Transport’ (uit LEEGTE LACHT) geven mij als lezer een gevoel van herhaling. Alsof er een soort taaltrukendoos bestaat, waarvan de dichter gebruik maakt wanneer hem dit zo uitkomt.
Niet dat ik wil zeggen dat Tonnus Oosterhoff niet goed schrijft. Dáárover gaat dit niet. Maar hij is een voorganger van een trend waarin taalgebruik dreigt door te schieten van kunst naar gekunsteldheid. Het omgekeerde van wat Martinus Nijhoff in zijn tijd voorstond, die een meer natuurlijk taalgebruik nastreefde. Nijhoff wordt nog steeds gelezen. Hoe zal dat met Tonnus Oosterhoff over 100 jaar zijn? Nog steeds 14 lezers? Toegegeven: het lijkt vandaag de dag moeilijk om origineel te zijn zonder de ‘gewone’ taal geweld aan te doen. Helder schrijven over moeilijke onderwerpen is een beetje ‘uit’, en moeilijk schrijven over alledaagse onderwerpen ‘in’. Maar dat kan natuurlijk niet zonder consequenties blijven. Wanneer we er als lezer na een tijd puzzelen eindelijk achter zijn wat er zou kunnen staan (niemand behalve – waarschijnlijk – de schrijver zelf weet wat er wordt bedoeld) valt dat qua betekenis niet zelden tegen. En om nou na elke ‘aha-erlebnis’ de oneliner ‘is that all there is?’ weer van stal te moeten halen… Nou ja, gelukkig valt het ook weleens mee.

Waar wil ik naartoe? Misschien naar een nieuwe tweedeling. En nu eens niet tussen ‘modern en ouderwets’, of ‘vorm en vent’ en zelfs niet tussen ‘goed en slecht’, maar tussen dichters met een korte golflengte, en dichters met een lange. Tonnus Oosterhoff reken ik tot de dichters met een korte golflengte. De dichter wiens bundel ik in deze recensie (is het nog wel een recensie?) wil bespreken reken ik tot de dichters met een lange golflengte: Serge Delaive.
Serge Delaive is, zoals de achterflap van zijn nieuwe bundel Meridianen van de doling vermeldt, een Luiks dichter, romancier en fotograaf. Hij publiceerde tot op heden meer dan twintig werken in alle literaire genres, waaronder 4 romans en 13 dichtbundels. Zijn nieuwe roman Nocéan, poëtisch mozaïek van een onmogelijke liefde, verscheen in 2016 bij de Brusselse uitgeverij Maelström.
Normaal gesproken sla ik de info op de achterflap van een bundel liefst zo snel mogelijk over (ik wil me door die verkooppraatjes niks laten wijsmaken). De geïnteresseerde lezer kan het trouwens zelf allemaal terugvinden: ook in deze bundel, die ‘een onbestendige cartografie, een neerslag van een jaar uit een dichterleven’ wil zijn, zoals de achterflap verder vertelt. Maar nu maak ik een uitzondering omdat eruit blijkt dat Delaive ook (en misschien zelfs in de eerste plaats) een romancier is, en dus niet alleen ervaring heeft met poëzie. Aha, hoor ik iemand denken: dus die tweedeling van een korte en een lange golflengte is op niets anders gebaseerd dan de oude controverse tussen poëzie en proza!
Ja, zou kunnen. Maar toch niet helemaal. Ik kom hier later op terug. Eerst een voorbeeld van een gedicht van Delaive:

Onze schaduw

De lage zon zweeft op onze schouders
aan het eind van een leeg strand zeg je ‘kom’
en neem je mijn hand tussen je vingers
we zien onze lange schaduw snellen en
zweten hij holt voor het volle licht uit
wanneer we buiten adem neerstorten
in de rollende neergestorte golven
in het tegenlicht strooit je gebalde vuist het zand uit
de korrels stromen tussen je zandlopervingers
je zegt ‘haast je weldra is de tijd
over onze gestorven schaduw gerold
en vergat je alweer van mijn ontwrichte
in profiel gelegde lijf te genieten’
terwijl je praat blinken mijn ogen
ik luister en trek aan de draad die leidt
naar je zo ongehoorzame vliegerende lijf.

(51°51’39’’N, 4°03’25”E)

Onder elk gedicht in de bundel staan de coördinaten waar het tot stand kwam (in dit geval dus ergens in Engeland). Maar dit is geen absoluut gegeven (verzekert ons het voorwoord), want er worden ook plaatsen beschreven waar Delaive alleen in zijn verbeelding is geweest (niets bijzonders bij een doling, denk ik).

Het gedicht zelf behoeft niet veel uitleg. Een eigenschap van dichters die met een lange golflengte dichten: je denkt vaak dat je ze bij eerste lezing al begrijpt. Maar dit terzijde. Ik haal dit gedicht (in de vertaling van Katelijne De Vuyst, zoals alle gedichten van de bundel) niet alleen aan als een voorbeeld van de stijl van Delaive, maar ook om de term ‘zandlopervingers’. Net als ‘verschrikvolkelijke’ of ‘globomspannende’ ook een onbestaand woord. Maar wat een verschil! Men zou er haast overheen lezen, zo natuurlijk als dit woord komt aanwaaien. De oorzaak is – meer dan waarschijnlijk – te danken aan het feit dat het ‘onbestaande’ woord van Delaive (of zijn vertaler) simpelweg is samengesteld uit twee al bestaande woorden, terwijl bij Tonnus Oosterhoff de ‘onbestaande’ woorden een ingewikkelder indruk maken. Oosterhoff gebruikt een ander soort taal, die om meer aandacht vraagt. Een taal die we langzamer en preciezer moeten lezen dan we normaliter gewend zijn. Alsof de contouren van zijn poëzie, die zich zeer scherp aftekenen, vooral bepaald worden door kleine details (op letterniveau).
Hoe anders is dat bij Serge Delaive! Romanschrijver van nature, kunnen zijn contouren nooit haarscherp zijn. Zijn poëzie moet stromen: ‘bewegen om stil te staan’, zoals hij het zelf zegt. Geheel in lijn daarmee gebruikt hij ook zo weinig mogelijk leestekens. Die zouden de lezer immers alleen maar ophouden. Ja, zijn lezers mogen eigenlijk nooit stilstaan, want dat zou hetzelfde effect opleveren als het stilzetten van een film: een onscherp beeld; een beeld dat minder nauwkeurig, en met een grovere golflengte tot stand lijkt gekomen.
Een tamelijk paradoxaal plaatje, wat deze vergelijking oplevert: Delaive, die naast zijn literaire bezigheden ook nog actief is als fotograaf, lijkt in zijn taalgebruik op een filmmaker; en Tonnus Oosterhoff, die op het computerscherm ‘woorden liet bewegen’, blijkt in zijn poëzie toch meer overeenkomst te vertonen met een fotograaf…

Nogmaals: het gaat hier niet om een waardeoordeel. Enkel om een verschil met consequenties voor de inhoud van een tekst, die er nog altijd óók moet zijn (al willen enkele lieden dat ontkennen). Sommige zaken laten zich nu eenmaal beter afbakenen dan andere. Ik citeer nog één gedicht van Delaive om e.e.a. toe te lichten:

Episch

De blinde Homerus had alles gezien
de bard dichtte in een taal
allegorische bron van de gulden
keten die geen einde kent
wat miljarden mensen als Odysseus
moeten verdragen tijdens hun arme
en verheven schier dagelijkse epen
initiële maar al met al niet zo
romaneske avonturen van ons leren
wij die onze penelope’s moe zijn
gebruiken de uitvlucht van de zee
en zeilen op haar omschrijvend schuim
om zeven jaar bij kalypso’s te schuilen
bij kirke’s rijk aan toverlisten
bij nausikaä’s ontzet door onze wanstaltigheid
of sirenen die onze zinnenlust kastijden
voor we beduusd in de spinnenarmen belanden
op het eiland van een gestage weefster
die ons vergeeft en opneemt
in de stugge stof van haar weefsel
tenzij een onderschepte sms of mail
ons wegstuurt eenzaam en verlaten
smachtend naar ongewisse afrodite’s
op amper mythologische kusten.

(36°44’57”N, 24°25’13”E)

Dit is het gedicht van een doler. Delaive identificeert zich met Odysseus, die andere doler, die zo lang van huis zich door geen enkel ding liet tegenhouden om toch weer thuis te komen. En dit brengt me op de lange en korte golven terug: van lange golven is bekend dat ze zich niet door obstakels laten tegenhouden. Ze buigen overal omheen. Een goed voorbeeld zijn geluidsgolven die achter een gebouw of muur toch nog te horen zijn. Geluidsgolven zijn veel langer dan lichtgolven. Een muur maakt een duidelijke schaduw en houdt licht tegen, maar geluid meestal niet. En zo is het ook met de dichter-doler Delaive: obstakels houden hem niet tegen. Precies waarom hij ook altijd een doler zal zijn! Zijn vele vrouwen kunnen hem niet blijvend vasthouden, want het zit in zijn natuur, en in die van zijn gedichten, om te bewegen, te reizen.
Vanzelfsprekend zijn mensen geen golven, maar er is iets in hun manier van benaderen van dingen, in de manier waarop hun aandacht werkt, dat golfeigenschappen lijkt te hebben.
En met diezelfde aandacht worden gedichten geschreven, die met een korte golf-, of met een lange golf-aandacht geconcipieerd lijken te zijn. Niet zo zwart-wit natuurlijk, maar met de klemtoon op één van beide. En in dit verband durf ik te beweren dat Tonnus Oosterhoff van nature géén doler of reiziger is. Wat toevallig door zijn poëzie bevestigd wordt, want hij blijft al schrijvend vaak ‘dichter’ bij zichzelf (zijn huis, zijn lichaam).

Blijft over het geheim van Penelope. De enige vrouw die de doler Odysseus echt aan de haak heeft weten te slaan (en die dus in zekere zin als een onneembaar obstakel is op te vatten). Delaive heeft het in zijn gedicht over ‘de stugge stof van haar weefsel’ (karakteristiek voor hem: dolers waarderen het niet als de stof te stug is, waarin ze worden opgenomen). Stugge weefsels zijn niet soepel, ze hebben iets weerbarstigs. Net als weerbarstige taal. Taal, zoals die wordt geschreven door Tonnus Oosterhoff en enkele andere (spinnende) dichters, die een ‘dolende lezer’ willen vasthouden. Maar er moet een evenwicht zijn. Een goed gedicht is geen glijbaan, en ook geen puzzel (want anders is er zelfs geen sms of mail meer nodig om onze aandacht weg te sturen). Kunst: was dat niet iets wat onze dolende aandacht vasthoudt?

Ik kijk naar de foto op het omslag van Meridianen van de doling. Een foto die door Serge Delaive zelf gemaakt is. Hij is erop te zien, of liever: zijn schaduw is erop te zien, vermoedelijk terwijl hij een camera vasthoudt. Maar het beeld is niet helemaal scherp. Wazige contouren laten het nodige te wensen over en doen vermoeden, vermoeden wat zijn poëzie me ook vermoeden deed: dat er een hand is die dit deed, dit maakte, en me mee laat tasten in het schemerduister dat geen obstakel kent.

Recensie van Zwembad de verbeelding - Tom Van de Voorde

Het uitgebroken Zwembad

Tom Van de Voorde
Zwembad de verbeelding
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551063
€ 24,95
79 blz.

Bij alles wat wij ontmoeten zoeken wij in eerste instantie naar het ons bekende. Dat betekent veiligheid. Elk gezicht wordt geijkt op wat ons bekend voorkomt, elk landschap waarin wij ons bewegen, maar ook elk boek dat wij lezen. Sommige mensen houden zich hun leven lang met maar één genre bezig, anderen, nieuwsgieriger, verdiepen zich in alles wat ze tegenkomen en zijn daarbinnen op zoek naar datgene wat hen vertrouwd voorkomt, én naar wat daaraan is toegevoegd: het vernieuwende. Het is de enige manier waarop wij orde kunnen en willen scheppen in de wereld. Tezelfdertijd geeft het een gevoel van beperking, en dat is irritant. Het vertrouwde mag dan veiligheid betekenen, het beperkt je beleving ook en geeft het gevoel niet ten volle te leven. In Rotterdam rijdt een vuilniswagen waarop de dichtregel: ‘Als het nieuwe tussen ons maar niet verdwijnt’ (Ahmed Suwaylim), waarin de samenhang tussen het vertrouwde en het nieuwe prachtig is uitgedrukt. Leven betekent beweging, binnen bepaalde grenzen: verandering.

Tom Van de Voorde (1974) heeft zijn nieuwe bundel Zwembad de verbeelding genoemd. Wat doe je in een zwembad? Je trekt je baantjes of je speelt er. Ernaast blaas je uit, liggend in je strandstoel. Leisure life. Even geen zorgen aan je kop, weg van de dagelijkse discipline. Maar ook verveling. Ook dat hoort bij een zwembad. De eerste reeks gedichten van de bundel heeft als titel: ‘oases van uitgestelde bekommernis’ meegekregen.

Al in het eerste gedicht van de bundel kom je alles tegen waarover ik het hierboven heb gehad:

De lucht is scherp
en de eksters haken
in de takken

Alles staat klaar
om uit een gevel te stappen

Wij verbergen ons
schrikbarend op zoek
naar een vulkaan

Vroeger leek het
groener hier
zeg je – ik streel
als versteend een hond

Een schommel breekt
ongewis muziek

en laat een glimlach diep
openwaaien

Er kleeft honing
aan een zegen

Ik wikkel me in
een toevertrouwd deken
en lig naast je
als een gekneusde pols

Zoeken naar een vulkaan en niet bewegen. (Bewegen doet pijn!) Leven en veiligheid blijken tegenstellingen. Maar ook de vulkaan is natuurlijk bekend, al is het voor de meesten van ons: op veilige afstand.

Tom Van de Voorde voert in de bundel Zwembad de verbeelding een gevecht tegen de bestaande orde. Soms lijkt hij wild om zich heen te schoppen tegen alle verstarde vormen die hij tegenkomt. Dat blijkt onder andere uit de derde reeks van de bundel (hij bevat er zes): ‘het conservatorium van moskou tijdens de koude oorlog’.
Het wordt vaak vergeten dat De Koude Oorlog ook een culturele oorlog was, met de ijzeren discipline van de Sovjet-staten tegenover de zogenaamde vrijheid van het Westen. Zij hadden het klassieke ballet, wij de abstract-expressionisten. Wat Van de Voorde in deze reeks tevoorschijn tovert heeft minder met muziek te maken dan met juist alles wat de muziek verzwijgt. Vooral de lichamelijke aspecten van het menselijke. Het zijn geen mooie, esthetische gedichten, integendeel: het lijkt of Van de Voorde, met terugwerkende kracht, zijn eigen kleine koude oorlog aan het voeren is tegen een esthetiek die het menselijke buiten beschouwing laat. Woede, onmacht, minachting en meedogenloosheid, gericht tegen alles wat het menselijke ondergeschikt maakt aan kunst en ideologie. Seks als belangrijkste wapen. Het is alleen jammer dat je een beetje ingewijd moet zijn in de wereld van de klassieke muziek, om te weten waarover en over wie hij het heeft. Je moet je bijvoorbeeld Sviatoslav Richter voor de geest kunnen halen, zijn kale, melancholieke kop, je moet weet hebben van zijn zelfhaat om het gedicht dat Tom Van de Voorde aan hem wijdde ten volle te kunnen waarderen.

Dat bezwaar kleeft aan meer gedichten, maar ik weet eigenlijk niet of ik dat als bezwaar moet aanmerken. Kennis van zaken schiet per definitie tekort. We kunnen bijvoorbeeld het werk van Van Gogh jarenlang hebben bestudeerd, zijn brieven hebben gelezen, en toch nauwelijks beseffen wat hem gedreven heeft, wanneer wijzelf geen religieuze achtergrond hebben. We kunnen de poëzie van Judith Herzberg waarderen, maar geen besef hebben van haar Joodse achtergrond, en hoe die haar poëzie heeft beïnvloed. We kunnen eerdere bundels van Van de Voorde gelezen hebben, en dan teleurgesteld zijn omdat wij in Zwembad de verbeelding niet de dichter ontmoeten die wij dachten te kennen. Maar moet de dichter niet vrij zijn om zijn hart te volgen en te experimenteren, andere gevoelslagen aan te boren dan welke wij tot nu toe van hem kenden? Is het noodzakelijk de poëzie van Kees Ouwens te kennen om ‘kees ouwens gaat dood’ te kunnen waarderen? Ik betwijfel het. Het lijkt erop dat Van de Voorde in zijn gedichten de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alles wil aantonen. Het lijkt wel alsof hij in de gedichten de grenzen ervan wil overschrijden, ze bij stukjes en beetjes meer in de door willekeurig wie ervaren werkelijkheid wil plaatsen:

(..)
Na je dood kwam ik te weten dat
je, eenzaam bovendien, in je aanschijn
een rusteloze verpozing had gezocht
in zoiets eenvoudigs als het branden
van bladeren in de herfst,
ongedurig in je herderlijke moed
het moment te willen verkennen
waarop het bewustzijn een waarheid wordt
van atmosferische omstandigheden
(..)

Hoe exact kun je vervagende grenzen aangeven?

De onderlinge verbondenheid waar ik net over schreef komt sterk tot uitdrukking in prozagedichten als ‘Het windgat’, dat uitgaat van een foto in een door de Chinese schrijversbond uitgegeven boekje met een tweetalig onderschrift. ‘Licht’, heette die foto, waarvan het Chinese karakter hem doet denken aan een kruiwagen, of liever nog, aan een tuintafeltje met een kromme poot. Daarmee is hij terug in zijn jeugd. Het eindigt zo:

(..) Ik heb niets met dat litteken te maken, maar ik kan nu eenmaal geen littekens zien, zonder te denken aan speelgoedpistolen, kruiwagens, natte handschoenen, mijn broer en nu ook aan het Chinese karakter voor licht, dat eigenlijk op een tuintafel lijkt, maar mij toch vooral herinnert aan het begin van de winter, toen wij vaders melancholie moesten bestrijden door de bladeren in de tuin op te ruimen.

Om daarmee licht te scheppen is zijn vaders betrokken geest.

Hoe langer ik mij verdiepte in de bundel Zwembad de verbeelding hoe meer waardering ik er voor kreeg. Juist het feit dat hij je soms maar weinig houvast geeft jaagt je door zijn gedichten heen, op zoek naar meer houvast. Maar het beetje dat hij je gemakkelijk geeft is genoeg, en bevredigt omdat hij genoeg nieuws biedt, genoeg ruimte schenkt voor associaties. Eén van de bijzondere zaken van deze poëzie: ze is alles, behalve vaag. De dichter heeft exact verwoord wat hij bedoelde, en dirigeert je in de door hem bedoelde richting. Met niet te vergeten de humor waarop hij de lezer regelmatig vergast.
Soms had ik maar één woord in gedachten, waarin alles vervat is waarmee een gedicht als het volgende mij raakte:

Zanger in het trapportaal

Ik verzin een tekst

op een bestaand lied
en zing van de afgebroken tak

de volle zak perziken
die eraan hangt

als ik het raam open zet
en het oudste zicht
groen en vrolijk maak

weigert het stof

weg te waaien
uit de windstreek

die ik trouw
maar moedeloos
bezworen heb

Mooi!

Recensie van Vanwaar kom je beeld - Dimitri Casteleyn

Pan’s paradox

Dimitri Casteleyn
Vanwaar kom je beeld
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056550769
€ 19,90
64 blz.

In de Griekse mythologie verdragen diepzinnigheid en erotiek elkaar goed. De Belgische dichter Dimitri Casteleyn bevestigt dit maar weer eens in zijn bundel Vanwaar kom je beeld. Ik citeer hier het eerste gedicht uit een reeks met de naam Hooghout:

Pan

Zo onbereikbaar als jij bent voor mij,
als ik ben voor jou, zo onbereikbaar
is de lieve nimf Syrinx voor Sater Pan,
de lelijke Sater Pan.

Vluchten kan niet meer, en toch,
onkuisheid trouw veranderen water-
zusters haar in moedig moerasriet
verander jij in jezelf, ik in mezelf.

Het klagen was voor daarna, in het lenig
wuivende riet, riet dat dient om een fluit
van te maken. Niet zomaar een fluit van niets,
maar een rietfluit klagelijk zacht, met licht
frivole wijsjes op Pans fluit.

Zolang we iemand niet goed kennen kunnen we de meest fantastische ideeën over die persoon koesteren. We maken als het ware een gedroomde versie van die persoon. Maar door onze ervaring worden we genoodzaakt die droom bij te stellen. Onherroepelijk neemt wat we ‘realiteit’ noemen het over. Een realiteit die doet beseffen dat Syrinx altijd al moerasriet is geweest? Ja, misschien was Syrinx wel een droom van Pan, die uiteindelijk letterlijk naar zijn liefde kan fluiten! Pikant is dan nog dat het mannelijk geslachtsorgaan ook wel een fluit wordt genoemd en frivole wijsjes bijna als frivole meisjes klinkt.
‘Onkuisheid trouw’ is een leuke en paradoxale woordcombinatie, die een sleutelpositie inneemt in dit gedicht. Ervaring (onkuisheid) maakt ons wijzer, maar ondermijnt het droombeeld dat we hadden. De ‘gedroomde ander’ blijkt onbereikbaar en maakt plaats voor een meer ‘realistische ander’, waarvan we dus in zekere zin kunnen zeggen dat die ’in zichzelf verandert’.
Daarna is het klagen. Klagen omdat het allemaal niet is zoals we dachten. Klagen met een Panfluit, die de herinnering aan Syrinx – die vluchtige droom – levend houdt.

Is dit een plausibele interpretatie van het gedicht? Misschien. Opmerkelijk is in elk geval dat de onbereikbaarheid waarvan in de eerste regel gesproken wordt iets onvermijdelijks en definitiefs heeft. Een effect dat door de melancholieke laatste strofe nog wordt versterkt. Syrinx is zowel vóór als ná de verandering onbereikbaar voor Pan. Ervóór omdat een droombeeld nooit goed aansluit bij de werkelijkheid, erná omdat iemand, door geheel zichzelf te worden, zichzelf in feite incompatible maakt.

Dat laatste moet ik uitleggen. Contact bestaat bij de gratie van gemeenplaatsen, van iets dat we met anderen delen. Maar daarvoor betalen we een prijs. De gemeenplaats die (bijvoorbeeld) het woord is, heeft nooit betrekking op één ding en stuurt ons het bos in (één bepaalde berk staat altijd onvindbaar in een berkenbos). Ons voorstellingsvermogen geeft ons wel het gevoel dat we weten om welke boom het gaat, maar dat is bedrog (en dus een kwestie van dromen). Bij iemand die in zichzelf is veranderd hoeven we helemaal niet (meer) te dromen. Die is herkenbaar en zelfs uniek in al de facetten van zijn herkenbaarheid. Maar ook daar betalen we een prijs voor: de compleet ‘andere’ ander sluit op geen enkele manier meer bij ons aan en is daardoor al net zo onbereikbaar als zijn gedroomde counterpart! Om bij elkaar te passen en te kunnen samenleven moeten we schipperen. Contact lijkt een kwestie van balans, van een optimum zoeken in een labiele situatie.

Een parallel van dit probleem bestaat in de kwantummechanica. Daar vertellen ons de onzekerheidsrelaties dat wanneer de snelheid van een deeltje bekend is, we de plaats niet weten; dat wanneer de plaats bekend is, we de snelheid niet weten (beide uitslagen even onbevredigend). Pan lost het probleem op door van het plaatsgebonden riet een rietfluit te maken die opnieuw vluchtig doet dromen met licht frivole wijsjes.

Er lijkt overigens niets aan te doen dat iemand langzaam ‘in zichzelf verandert’, zoals de dichter dat zo cryptisch zegt. Iemand wordt noodzakelijkerwijs steeds meer zichzelf doordat hij wordt ervaren (door zichzelf en anderen) en doordat de gedroomde tijd die we de toekomst noemen steeds korter wordt. We zijn voorbestemd onszelf te worden, of we willen of niet! Een vooruitzicht dat door oude mensen beaamd lijkt te worden. Ouderen zijn immers vaak erg zichzelf (en óp zichzelf).

Terug naar Dimitri Casteleyn. Leunend op de mythen boeit hij, maar vormtechnisch vind ik het geciteerde gedicht niet zo sterk. Vorm is m.i. meer dan het afbakenen van een alinea met lege regels. Casteleyn doet wat zoveel dichters vandaag de dag doen: gewoon de regels afbreken waar het hem uitkomt. Misschien is het in dit verband aardig om eens te vertellen hoe een vriend van mij gedichten leest. Hij plakt alle regels achter elkaar tot ze de volle breedte van een pagina vullen als een prozatekst en begint dan pas met lezen. Heel veel neppoëzie valt zo door de mand (zegt hij). Heeft hij een punt? Ik moet erbij zeggen dat diezelfde vriend ook regelmatig tv kijkt en dan het geluid uit zet.

Op zoek naar nieuwe invalshoeken is dit gedicht uit de reeks Dozijn wellicht informatief:

11

De maanden zijn donker, de zeden zacht
buiten zegt de natuur koud

nat, drassig, kaal
vallen, sterven, plaats maken

onze blikken ontmoeten mekaar
in de cocon van ons gezin

jij licht op, veert op, verzet je,
bent op zoek naar wie je bent
meer dan naar wie je wordt

De dichter houdt er blijkbaar van om in reeksen te schrijven. Mij spreekt dat niet zo aan. Ik bekijk ieder gedicht liever op zichzelf. Apart aan deze reeks van twaalf is dan weer wel dat de reeks met gedicht nummer 9 begint en met gedicht nummer 8 ophoudt (om het cyclische van ons bestaan te benadrukken?). Wat me in dit gedicht vooral intrigeert is de laatste strofe, die misschien het credo van deze hele bundel weergeeft. Na wat regels die het pessimisme van het eerder geciteerde gedicht Pan weer oppakken door het overduidelijk te maken dat wie je wordt ook niet alles is (met dat ‘vallen, sterven, plaats maken’), lijkt het zeker niet onzinnig om méér op zoek te zijn naar wie je bent dan naar wie je wordt. Maar levert deze logica geen schijnvoordeel op? Ik bedoel: kan je erachter komen wie je bent zonder te veranderen in iemand anders (iemand anders die dan natuurlijk is wie je wordt)? Uit de kwantummechanica is bekend dat de waarneming van iets dat iets beïnvloedt. Beïnvloedt de waarneming van onszelf ons ook? Het lijkt erop. We weten pas wie we zijn als we het niet meer zijn en iemand anders zijn geworden! Men zou zelfs staande kunnen houden dat ‘leven’ precies dát is: erachter komen wie je bent (letterlijk: in de tijd áchter wie je bent komen).

Die klemtoon op wie je bent (op je zichtbare, aanwezige ‘zijn’) komt vaker voor in deze bundel. Een voorbeeld is de laatste strofe van het gedicht Bevrijding (ook eentje uit een reeks):

De taoïste moet opgemerkt hebben
dat het me zichtbaar plezier deed
en lachte naar mij.

Ik had, terwijl ik dit las, de neiging om ‘zichtbaar’ te schrappen. De taoïste kan toch niet iets opmerken dat niet zichtbaar is, dus waarom dat nog extra zeggen? Het plezier, dat hier ‘twee keer’ benadrukt wordt, geeft me (vanuit een esthetisch oogpunt) geen dubbel plezier. Maar bij nader inzien twijfel ik toch. De klemtoon op het bewuste ogenblik wordt er wel door versterkt. Met andere woorden: Casteleyn benadrukt weer het ‘zijn’. Leuk is dan ook nog dat van de grootste taoïst van allemaal, Lao Tse, de volgende spreuk bekend is: zij die weten spreken niet; en zij die spreken weten niet (wat een analogie is van de onzekerheidsrelaties).
In één gedicht weet Casteleyn de balans tussen zijn en worden (bijna) perfect te vangen. Ik vind dit gedicht het mooiste van de bundel en het staat niet eens in een reeks:

Zondags trio

Een zondagse fietser,
een kind spelend met een rups
en de man van één straat verder.

De fietser blijft fietsen,
het kind spelen met de vlinder
de man de man.
Maar altijd verder weg
altijd minder zondag.

De zondagse fietser blijft een fietser, maar steeds minder zondags. Het kind speelt met een rups die ook een vlinder is. We blijven onszelf en tegelijk ook niet onszelf: de grote paradox van ons bestaan.

***
Dimitri Casteleyn (1966) is schrijver, dichter, televisiemaker en theaterdirecteur. Zijn eerste bundel, Omgekeerd, verscheen in 2005. Daarnaast schreef hij twee romans en een verhalenbundel.

Recensie van Nimbus - Albert & Thierry Bontridder

Vader en zoon

Albert & Thierry Bontridder
Nimbus
Uitgever: Poëziecentrum
2016
ISBN 9789056553265
€ 19,90
42 blz.

Enkele maanden geleden verscheen bij Poeziëcentrum Gent een heruitgave van de bundel Nimbus van de dichter en architect Albert Bontridder, waarmee tegemoet werd gekomen aan diens laatste wens. Hij maakte deze uitgave echter zelf net niet meer mee want hij overleed op 94-jarige leeftijd in maart 2015.

Albert Bontridder was een bijzondere man, in Nederland weliswaar vrij onbekend maar in België een begrip; hij was voorzitter van PEN Vlaanderen en de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie, behoorde tot de redactie van Tijd en Mens en gaf vele bundels uit. Als architect werkte hij onder meer met Jacques Depuis aan paviljoenen voor de Expo van 1958 en vrienden als Louis-Paul Boon en Hugo Claus vroegen hem een huis voor hen te (ver)bouwen. Verder was hij was vrijmetselaar van nature, een zogenaamde ‘broeder zonder schootsvel’.

In zijn vroege poëzie beteugelt hij zijn seksuele driften bepaald niet en geeft die vorm in keurig nette sonnetten.

De maat mijner dromen
(Eerste en laatste strofe).

Wat ik bij dage vlucht moet ik des nachts begeeren,
en hoe ik haar ook schuw: dit meisje wordt de prooi
waarop ik mij in droom gelijk een wilde gooi
en zal zij schreeuwend zich met hand en tand verweren.

( … )

Bezit ik nooit geheel den schoot waarin zich griften
de prikkels die het oog doorstralen met een traan,
toch sla ik in mijn drift haar edelste orgaan.

Gaandeweg echter worden vorm en toon losser, de regels korter en hoewel het lijfelijke duidelijk aanwezig blijft, is de inhoud meer verweven met zijn levensbeschouwing. Bescheidenheid vindt hij een van de grote deugden: ‘Het is verwaand om achterom te kijken en te zeggen: dit of dat heb ik gepresteerd. Zoiets is overdreven en heeft geen impact op het zijn.’

De bundel Nimbus bevat tien handgeschreven, maar te ontcijferen gedichten in het Nederlands en tien hertalingen daarvan in het Frans met een volkomen eigen constructie en gevoelswaarde; men kan ze ook afzonderlijk van de in het Nederlands geschreven versies lezen.
Zijn zoon Thierry, met wie Albert een nauwe band had, illustreerde behalve het voor- en achterplat alle gedichten met een Jugendstilachtige pentekening. Ze zijn licht en verfijnd, een beetje zweverig maar toch goed samenvallend met de sfeer van de poëzie. Het geheel is van een betoverende eenvoud.
Zo’n tekening kan jammer genoeg niet geplaatst worden in deze recensie, u moet het hier doen met het een gedicht uit de bundel.

Reiger: regel, rust en rouw
aan de ronde lippen
van oorsprong en begin.

Roof de alfa uit het blauw
van onderzeese klippen
ruil geen schilfers van de zon
voor nevelflarden aan de kim.

Red de omega uit de snavel
der dronken watersnippen.

Laat parels
cirkelen rond de navel,
het speeksel vloeien
langs de kin,

laat worden wat begon.

Het zijn regels van iemand die intuïtief met woorden omgaat, zonder dat dit leidt tot cryptische raadselachtigheid; ook de niet-ingewijde kan begrijpen wat hier staat en waarom het gaat. In alle gedichten beeldt de dichter op pregnante wijze de verhouding tussen man en vrouw uit en die tussen licht en donker.
De bundel is zeer verzorgd uitgegeven, boeiend om te lezen en bovendien iets moois om een ander cadeau te geven.

Voor de bibliofielen nog iets interessants. Naast de reguliere bundel die ik hierboven besprak, is er ter gelegenheid van de vijfennegentigste geboortedag van Albert Bontridder in facsimile een uitgave in beperkte oplage verkrijgbaar van de oorspronkelijke samenwerking van vader Albert en zoon Thierry, begin jaren zeventig, getiteld Momenten. Flarden herinneringen 1923-2013.
Niet goedkoop, 175 euro, maar elke bundel bevat dan ook naast de gedichten een originele tekening van Thierry Bontridder.

Poëzie Kort 2016 / 12

 

Hester Knibbe, Oogsteen

(Door Paul Roelofsen)

In 2009 werd de verzamelbundel Oogsteen van Hester Knibbe uitgegeven en Johan Reijmerink schreef daar voor Meander een doorwrocht analytische en lovende recensie over. Het betrof een selectie door de dichteres uit gedichten die zij schreef tussen 1982 en 2008.
Nu, eind 2016, verschijnt een nieuwe versie van Oogsteen, waarin ook gedichten van na 2008 zijn opgenomen.
Wil men over de gehele bundel worden geïnformeerd, lees dan zowel de recensie van Reijmerink als deze die in het kort de poëzie van Knibbe na 2008 belicht.

Wie mondjesmaat gedichten van Hester Knibbe leest, kan niet anders dan razend enthousiast worden: het lenige taalgebruik, de verrassende enjambementen, het evocatieve afbreken van zinnen, de diepgang. (Deze dichteres is niet voor niets veelvuldig gelauwerd: VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs, Anna Blamanprijs, Adriaan Roland Holstprijs).
Leest men meerdere gedichten van voor 2009 uit deze bundel achter elkaar dan kan er nog iets gebeuren; ik werd er enigszins neerslachtig van, ondanks de schoonheid van deze poëzie hangt er een zweem van somberheid over. Van een herhaald en herhaald zoeken maar niet vinden, van een vergeefse ‘worsteling met de vergankelijkheid’ zoals Reijmerink het noemt.
Maar in de toegevoegde poëzie in deze verzamelbundel, de integraal opgenomen bundels Het hebben van Schaduw en Archaïsch de dieren, trekt Knibbe de grijssluier op, de zin- en toonzetting worden directer, omwegen worden vermeden, de lezer krijgt lucht. En inhoudelijk verandert er ook iets: waar de floers verdwijnt, dringt een persoonlijke, grote ongerustheid binnen omtrent het dier Mens, tot alles in staat, ook tot wereldwijde (zelf)vernietiging. Uit ‘Pro domo’: ondanks je zachtheid ben je / geschapen voor de verwoesting.
De inleiding van deze afdeling:

En ze zeiden dat

zegenen helpen betekent, maar er waren die nacht
zoveel wonden op de wereld dat mijn ogen
en benen verlamden. En ik was

bang, bang voor bloed aan mijn handen en
dat ik daarmee dan over mijn gezicht buik
en armen. Daarom riep ik

zegen mij zegen mij de angstige.

Hoe knap en geserreerd het eerste deel van dit werk ook is, de laatste twee bundels die er in zijn opgenomen vormen het absolute hoogtepunt.
Daarom: al heeft men reeds de editie van 2009, dan toch opnieuw naar de boekwinkel om ook deze aangevulde Oogsteen aan te schaffen.

***
Hester Knibbe (2016). Oogsteen. De Arbeiderspers, 454 blz. € 29,99

 

James Joyce, Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik

(Door Hans Puper)

Een traditionele bundel van Joyce is wel het laatst wat je zou verwachten, maar Pomes Penyeach (1927), door Paul Claes vertaald als Poëzie voor een prik, is dat wel degelijk. Het is zijn tweede bundel; Chamber Music, even traditioneel, verscheen in 1907.

Het eerste gedicht stamt uit 1904, het laatste uit 1924; de overige gedichten werden geschreven tussen 1912 en 1918. De bundel is tweetalig. Naast zijn vertaling voorzag Claes hem van een nawoord en aantekeningen bij ieder gedicht. Hij bewijst de lezer daar een dienst mee, want de gedichten zijn sterk autobiografisch. Joyce’s vriend Ezra Pound wees ze om die reden al voor de publicatie af met de woorden: ‘They belong in the Bible or in the family album with the portraits.’ Het is romantische poëzie over de onherroepelijk voortschrijdende tijd, vervlogen of bestaande liefde – altijd weemoedig makend – en daarnaast het verval: in zijn geval de angst voor blindheid door groene staar.

De titel Pomes Penyeach betekent letterlijk ‘Gedichten voor een penny per stuk’. Claes in zijn nawoord: ‘Het werkje kostte één shilling, dus twaalf penny. In werkelijkheid bevat hij niet twaalf, maar dertien gedichten: het dertiende gedicht is een extraatje. De spelling ‘pomes’ imiteert de slordige uitspraak van ‘poems’. Omdat het woord klinkt als het Franse ‘pommes’ (appels), kreeg het [door Sylvia Beach van boekhandel Shakespeare and Company] in Parijs uitgegeven boekje een appelgroene kaft.’

De gedichten zijn eerder vertaald in het Frans door Georges Pelorson. Joyce vroeg hem het ritme van het Engels te handhaven en dat is wat Claes met zijn Nederlandse vertaling ook heeft geprobeerd. Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt. De eerste strofe van ‘On the beach of Fontana’:

Wind whines and whines the shingle,
The crazy pierstakes groan;
A senile sea numbers each single
Slimsilvered stone

Wind giert langs gierend grind,
De pier kreunt in ’t getij
De zee telt als ontzind
Elke slibsilveren kei.

Een enkele keer vind ik de vertaling gewrongen. Een voorbeeld. Joyce schrijft in ‘Bahnhofstrasse’, het gedicht dat gaat over Joyce’s eerste ervaring met staar, de regels: ‘The eyes that mock me sign the way / Whereto I pass at eve of day, // Grey way whose violet signals are / The trysting and the twining star’. Claes vertaalt het tweede distichon met: ‘De grauwe baan verlichten fel / De sterren van weerzien en vaarwel.’ Ik lees dit als: ‘de sterren van de grauwe baan verlichten hem fel.’ Ik heb moeite met de volgorde van Claes’ regel.

Maar dit zijn kleinigheden. Claes leert ons – mij tenminste – een traditionele Joyce kennen in een kleine, goed verzorgde uitgave.

***
James Joyce (2016). Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik. Vertaling en nawoord door Paul Claes. Koppernik, 44 blz. € 15

 

Martin Knaapen, Ik, mijn broer

(Door Hans Puper)

Als ik Martin Knaapen lees, denk ik aan blues. Relaties zijn moeizaam, de ‘ik’ is soms een underdog, het dagelijks leven zwaar, het verleden kun je het best vergeten en het verval is onherroepelijk. Neem de laatste drie strofen van ‘steeg’, eenvoudig, illusieloos:

het bankje in de kleine steeg
duwt rauwe latten
diep in mijn vlees

wanneer ik ga staan
strekt mijn lijf
zich oud versleten

en nestelt
de nieuw verloren dag
zich pijnlijk in mijn botten

Maar een depressief makend debuut is dit niet. Knaapen is ook de dichter van de schoonheid en ruimte van het Hoogeland in het noordoosten van Groningen, het land dat onverbrekelijk is verbonden met de weemoed van Ede Staal. Knaapen: ‘dit is het land van kleischilders / dromers en poters / van aardappelen en vis’. Maar idyllisch is het bij hem nooit. Hij vervolgt: ‘en de lucht van armoe en uitbuiting / van incest en drankmisbruik / en eenzame doden in de modder’. Het gedicht ‘vorst tot de dooi’ lijkt een uitzondering te vormen. In het lege landschap schaatst het lyrisch ik met ruime wind over zwart ijs, de omstandigheden zijn ideaal: ‘groter word / ik niet / dit is mijn rijk / ik ben vorst / tot de dooi.’ Eerder in het gedicht heeft hij gezegd dat hij al schaatsend de mens heeft verlaten; kennelijk is dat een voorwaarde voor zijn kortdurende geluk, maar na de dooi zal hij echter tot hen terug moeten keren.

De gedichten zijn eenvoudig, weerbarstig soms – het werkwoord ‘schuren’ komt in verschillende gedichten voor – en dat werkt goed. Je kunt uitgebreid vertellen dat je het verleden achter je wilt laten, maar je kunt het ook zo zeggen: ‘ik heb een minimaal verleden / en het liefst lees ik alleen / de laatste pagina’. Mooi.

***
Martin Knaapen (2016). Ik, mijn broer. Uitgeverij Stanza, 66 blz. € 15,-

 

Renaat Ramon, Draagvlak en vizier

(Door Hans Puper)

Draagvlak en vizier brengt je in een goed humeur. Dat komt door het robuuste, ritmische en heldere taalgebruik van Ramon. Zo zegt hij in het gedicht ‘Woordwisselwoord’ over de poëzie van Marc Insingel onder andere:

Er is zin
tussen de regels
er is
        tussenzin.

Zo worden zinnen
geregeld
tegen regels in

Anderen hebben voor zo’n typering enkele bladzijden ingewikkeld proza nodig.

Een ander gedicht heet ‘Stadhouderslaan 41’, wat het bekende eenregelige gedicht van K. Schippers in gedachten brengt: ‘Stadhouderskade 42’, het adres van het Rijksmuseum. Laat Stadhouderslaan 41 nu het adres van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn!

De bundel kent drie afdelingen. ‘Dierbare vrienden’ is de eerste. De gedichten zijn zonder uitzondering opgedragen aan vrienden als Jozef Deleu, Claudius Asnedius Montanus (in wie ik door Ramons dichtregels H.C. ten Berge meen te herkennen), Ludo Frateur en anderen. De dichter kenschetst hen, suggereert een dialoog of houdt een monoloog. Het laatste gedicht van die afdeling heet ‘Reunie’. De pauze na de retorische vraag is een vermakelijke demonstratie van de bovengenoemde ‘zin / tussen de regels’:

( … )
Hebben we niet al te vaak
Naar versierde stemmen geluisterd?

Juist. ( … )

‘Memorandum is de titel van de tweede afdeling – niet vreemd voor een dichter die onlangs tachtig is geworden. Ramon gedenkt hierin dichters als Marc Braet en Marcel van Maele, maar bijvoorbeeld ook de zestiende-eeuwse filosoof en Copernicusaanhanger Giordano Bruno.

Het derde deel, ’Grand Café Parnas’, bestaat uit een cyclus van vijf gedichten. Hierin laat de dichter – zelf toeschouwer – vier totaal verschillende dichters bij elkaar komen. Over een van hen zegt hij: ‘Een middelvinger / klopt regelmaat op het tafelblad. / Duidelijk iemand die van amfibrachen / houdt en het raadsel ritmisch vergroot.’ Dat zijn regels die ik zonder moeite onthoud.

***
Renaat Ramon (2016). Draagvlak en vizier. PoëzieCentrum Gent, 48 blz. € 19,95