Recensie van Voor de liefste onbekende - Ingmar Heytze

Een voedzame maaltijd voor een hongerige lezer

Ingmar Heytze
Voor de liefste onbekende
Uitgever: Podium
2016
ISBN 9789057597718
€ 17,50
428 blz.

Een dichter kan zijn verzen obscuur maken door zich te verliezen in een taal die voornamelijk naar zichzelf verwijst. Dat zou de honger van de lezer moeten stimuleren, terwijl hij zoekt maar niet vindt. Heldere passages met verwijzingen naar de werkelijkheid van alledag daarentegen zouden hem verzadigen en loom en traag maken. Niets wat er door de lezer uit obscure poëzie kan worden opgediept, ontstijgt echter de kennis die in de meest heldere teksten kan worden teruggelezen. Daarom concludeert René Huigen in zijn essay Dageraad der duisterlingen terecht dat we poëzie zo dienen te begrijpen dat ze onze honger stimuleert, en ons ook iets te eten geeft. Dit laatste gaat in beider opzicht volkomen op voor de poëzie van de dichter Ingmar Heytze in zijn nieuwe verzamelbundel Voor de liefste onbekende (2016).
Als ik zijn poëzie lees, hoor ik zijn fysieke stem erin opklinken. Op de avond van de presentatie in De Kleine Komedie werd opnieuw mijn indruk bevestigd dat deze dichter op en top een entertainer in de goede zin van het woord is. Of je nu zijn verzen leest of dat je ze hoort uitgesproken worden door hemzelf, hij weet zichzelf en zijn publiek te enthousiasmeren. Hij is zeer in staat aan zijn poëzie ritme en welluidendheid mee te geven. Hij weet dicht bij de adem van de spreektaal te blijven. Dat draagt er mede toe bij dat je je sterk betrokken voelt bij wat hij te vertellen heeft. Zijn vorm, metaforiek en inhoud zijn helder. In zijn lichtvoetigheid en directheid van zeggen heeft hij me opnieuw in de ban van zijn vakmanschap weten te brengen.
Laat ik zijn helderheid, zijn metaforiek, zijn achteloosheid en trefzekerheid illustreren aan de hand van enkele gedichten uit zijn verzamelbundel. Deze poëzie kan, zoals de dichter zelf zegt op de achterflap, op verloren momenten worden gelezen op vliegvelden en stations en kan worden meegenomen in handtas of rugzak.

Zoals hij in de bundel Sta op en wankel (1999) zijn wankelmoedigheid op het pad der liefde in het openingsgedicht ‘Hart voor steen’ verwoordt, hult het in zijn uitbeelding niets in duisternis. Hij werkt hier de situatie zeer bewegelijk en in emotionele kleurschakeringen uit, zoals die ‘jonge goden met te veel talent’ en ‘de plundering van hunkering / in onverwachte meisjesogen’:

Vliegende kameleons en vlinders
die van kleur verschieten,
jonge goden met te veel talent
voor de verkeerde dingen,
- wanhoop, twijfel, duizelingen –
dat is het probleem met ons.

De plundering van hunkering
in onverwachte meisjesogen
valt voortdurend zwaarder
dan verwacht – één nacht
van scherp genot is goed
voor weken zelfverwijt.

Het zelfverwijt en het zelfinzicht van het lyrisch subject strijden hier om de voorrang: ‘lachen door je tranen heen/ en drinken tot je niets meer voelt -/ steen voor hart en hart voor steen.//’.
Dit ‘dichtertje’ kijkt in het gedicht ‘Noach’ uit dezelfde bundel angstig om zich heen, trekt zich bij tijd en wijle uit de wereld terug: ‘Je maakt gelukkig weinig mee,/ je steelt het leven bij elkaar uit boeken/ mijmert rustig voor je uit/ en vouwt wat bootjes van papier.//’ Hoe poëzie tot stand komt, heeft hem zijn hele dichterschap telkens weer gefascineerd. In de bundel Aan de bruid (2000) staat het gedicht ‘Hang- en sluitwerk’. Daarin gaat Heytze daarop in door heel doordacht verzen te construeren of ze ogenschijnlijk achteloos uit de pen te laten vloeien:

Hoeveel manieren van dichten
kent de wereld, of hoe weinig maar:
superieur ingenieurswerk met woorden,
de kosmisch bewogen gevoelige snaar,
de inktvraat van het onttoverd citaat
of schaarse woorden in een wit ravijn.

Men kan ook, met minder omhaal,
van de taal een werkplaats maken,
verzen hup in haken hangen,
kloppen aan ritme en vijlen aan klank,
iets fluiten tegen verzwegen pijn,
zo nu en dan gelukkig zijn.

Heytze draagt beide werkwijzen in zich. In het proza-achtige gedicht ‘Parfum of palfium’ uit dezelfde bundel zegt hij het nog eens op een andere manier:

Luister naar de dichter, want ik sta met je te praten & ik zeg
je jij doet dingen die je ook had kunnen laten ik woon niet
in een getto & ik leef niet als een schurk met een strot vol
grote woorden & de diepgang van een kurk ik hou niet van
die dieventaal waar jij je van bedient

Heytze wil zo’n dichter zijn, die dicht bij zijn hoorders en lezers staat. Niet de duisternis maar de helderheid van woorden moeten het resultaat zijn van zijn slaan op het aambeeld van de taal.
Op ludieke maar doeltreffende manier weet Heytze zijn worsteling met het scheppen en uitzeggen van poëzie speels, verrassend en beeldrijk neer te zetten. Het gedicht ‘Poëtisch spreekuur’ is daarvan eveneens een mooi voorbeeld:

Meneer ik heb zo’n last van een enjambement
bij mijn knie en zeg ik A dan volgt vanzelf
het hele alfabet dwangmatig brakend ook
vermoed ik een elisie bij mijn huig wanneer
ik hier druk rijmt het daar want aandrang
rijmdwang hoort u wel daar ging ik waar weer
alliteratie word ik haast Homerisch van

Alsof hij een gewone lezer aanspreekt – zo komt hij dikwijls zijn gedicht binnen – blijkt in het gedicht ‘In deze tuin’ uit de bundel Ademhalen onder de maan (2012) het geval te zijn:

Ik heb de wereld lang vertrouwd, mevrouw.
Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd
en alles was wel vreemd maar toch bekend
genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik het
vaak een half uur later weer en anders deed
het er niet toe. Er waren nog de grote vragen
waarop niemand ooit een antwoord krijgt,
Die keek ik aan van dag tot dag.

Hoewel in de tweede strofe van het gedicht de mevrouw uit de eerste strofe te verstaan wordt gegeven dat het geen zin meer heeft foto’s te maken van de wereld, karakteriseert de ik in de bovenstaande eerste strofe een situatie die overeenstemt met de dichter en de hem omringende werkelijkheid. Hij staat met een been in de wereld maar schept zich ook een wereld in zijn hoofd. Die laatste positie kan ertoe bijdragen dat hij een ander zicht op de wereld kan bieden dan de meeste lezers ervan hebben. Daarin ligt een belangrijke rechtvaardiging om poëzie te schrijven, én te lezen.
Iets van dat arrangement van de werkelijkheid lees ik ook in het gedicht ‘Schaduwen’ uit dezelfde bundel. De vergankelijkheid en het verdriet dat daaruit voortvloeit, krijgen daarin een aards maar transcenderend slotakkoord:

Wat moet er van ons overblijven – wat van onze dagen,
nachten, alle malen dat we samen ademhalen en de plannen

die we maken. Wie kijkt er later om naar de papieren
die we nauwgezet bewaren om bestaan, bezit en plaatsen

op de eerste rij mee te bewijzen. Bij jou vergeet ik bijna
dat we samen maar één leven krijgen, dat we evengoed

op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren
in de donkere archiefkast van de aarde. Dit is het bericht

dat ik achterlaat in een huizenhoge kluis, brandvrij,
een boodschap, die verder komt dan wij – deze datum,

onze namen in de kerfstok van de tijd. Wie dit leest
moet weten dat wij samen en gelukkig waren.

In dit gedicht wordt het naderend einde teruggebracht naar het besef van het aanwezige geluk in heden en verleden. De troost van de poëzie betekent hier niet een vlucht naar voren, naar hoger sferen, naar zweven zonder houvast, maar naar wat nog voelbaar is op het moment dat de gedachte aan het ‘onbestaan’ en de zekerheid van de vergankelijkheid zich onomkeerbaar aan een mens manifesteert. Heytze stimuleert in deze verzamelbundel onze honger, geeft ons voldoende te eten, omdat hij helder denkt en diep voelt.

***

Ingmar Heytze (1970) publiceerde vijftien bundels, drie dagboeken en een bundel met miniaturen. In 2009 werd hij aangesteld als eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Ademhalen onder maan (2012) werd bekroond met de Hugues C.Pernathprijs.

Recensie van Regentonvariaties - Jan Wagner

Buitencategorie

Jan Wagner
Vertaler: Ria van Hengel
Regentonvariaties
Uitgever: Podium
2016
ISBN 9789057597671
€ 19,90
108 blz.

De reden om deze bundel te bespreken:
Goede vertalers zou men heilig moeten verklaren, zeker als zij van het niveau zijn van als bijvoorbeeld August Willemsen(†) en Peter Verstegen.
Kort geleden vernam ik dat Ria van Hengel tot dit illustere gezelschap behoort, maar had nog nooit iets van haar onder ogen gehad. Vandaar.
De dichter was mij onbekend.

Om te beginnen twee quotes over Jan Wagner en deze bundel:
‘De beste dichter van zijn generatie, een van de sterkste en origineelste stemmen in de Duitse, hedendaagse literatuur’.
(Süddeutsche Zeitung)
‘Dit is eenvoudigweg grandioze, adembenemende poëzie’.
(Frankfurther Allgemeine)
Enige argwaan is geboden bij zulke superlatieven, maar bij deze lof is dat niet het geval. Want inderdaad, het is een grandioze bundel en dat Jan Wagner de beste dichter van zijn generatie is geloof ik graag, al ken ik het werk van zijn generatiegenoten niet; hij won als eerste dichter ooit de Preis der Leipziger Buchmesse en van Regentonnenvariationen werden er meer dan dertigduizend exemplaren verkocht! (Kom daar eens om in Nederland).

Wat maakt deze gedichten zo bijzonder?
Prachtige beelden :

[…]
de kaketoe, die ons spoor
van maiskorrels had gevolgd,
met al zijn wit op de kroonlijst,
zijn slimme jeneverbes –ogen
en een gele kuif van veren,
die hij opensloeg
als goochelaars hun kaarten,
de danseres haar waaier;
zeeanemonenhoofd
[…]

Ten tweede de muzikaliteit; ritme en rijm zijn speels en variërend , nergens knelt het, wat de gedichten lucht en licht geeft. Ten derde de ogenschijnlijk alledaagse voorwerpen ( tennisballen, een theekopje, een stuk zeep) die Wagner dikwijls als titel en uitgangspunt neemt en onverwachte dimensies weet te geven.
Ter illustratie de tweede strofe uit ‘verhandeling over zeep’ : ‘woog als een steen in je vuist/schuimde op, werd zachter/je waste je van kain tot abel’
En tenslotte is het de manier waarop de dichter de vorm aanpast aan de inhoud.
Een voorbeeld hiervan toont het openingsgedicht:

sluipgeer (zevenblad)

niet te onderschatten: de sluip-
geer, met de begeerte al in de naam, daarom
de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis
als een tirannendroom.

komt steeds terug als een oude schuld,
kruit door het duister zijn smokkelwaar
onder het gras door, onder het veld,
totdat een nieuwe witte verzetshaard

ergens weer opduikt achter het tuinhuis,
bij de struiken, tussen de kruiden:
sluipgeer als bruisen zonder geluid,

dat schuimend opspuit, langs puien omhoogkruipt, totdat sluipgeer
alle ruimte gebruikt om uit te spruiten, tot overal sluipgeer
over sluipgeer schuift, de tuin verslindt met uitsluitend sluipgeer.

Wat de vertaling betreft, deze is voor mij beperkt te beoordelen, omdat de bundel op het openingsgedicht na, helaas alleen de vertaling toont en niet het origineel daarnaast. Maar die ene vertaling vind ik uitzonderlijk goed, nauwgezet waar mogelijk, vindingrijk indien een letterlijke vertaling zou storen. De vertaalster Ria van Hengel won in 2007 de Martinus Nijhoff- prijs.
Opdat u zelf kunt oordelen nogmaals het openingsgedicht, nu in het Duits:

Giersch

nicht zu unterschätzen: der giersch
mit dem begehren schon im namen – darum
die blüten, die so schwebend weiss sind, keusch
wie ein tyrannentraum.

kert stets zurück wie eine alte schuld,
schickt seine kassiber
durchs dunkel unterm rasen, unterm feld,
bis irgendwo erneut ein weisses wider-

standnest emporschiesst. hinter der garage,
beim knirschenden kies, der kirsche: giersch
als schäumen, als gisch, der ohne ein geräusch

geschieht, bis hoch zum giebel kriecht, bis giersch
schier überall spriesst, im ganzen garten giersch
sich über giersch schiebt, ihn verschlingt mit nichts als giersch.

Valt er dan niet iets minder positiefs over deze bundel te melden? (Een recensent moet toch wat te zeuren hebben). Wat de gedichten en de vertaling betreft, ik zou het niet weten, maar gelukkig valt de gerenommeerde Uitgeverij Podium wel iets te verwijten en dat is niet mals: hoe fraai het omslagontwerp ook en hoe aangenaam rustig de typografie, de bundel is beschamend slecht gebonden; al na een eerste lezing zat ik met losse bladzijden op schoot. Foei!

Maar poëzieliefhebber, laat dit u er niet van weerhouden deze bundel aan te schaffen; een must.

***

Jan Wagner (1971, is vertaler, essayist en dichter. Zijn eerste bundel, Probebohrung im Himmel, verscheen in 2001. Voor Regentonnenvariationen (2014) ontving hij de eerste Preis der Leipzicher Buchmesse (2015).
Ria van Hengel (1939) vertaalde onder andere werk van W.G. Sebald, Elfriede Jelinek, Novalis en Heinrich von Kleist. Ze kreeg onder andere de Martinus Nijhoffprijs (2007) voor haar vertalingen uit het Duits.

Recensie van Meer mensen dan reddingsvesten - Willem Thies

‘In het late lamplicht wikt iemand zijn taal.’

door Hans Puper
Willem Thies
Meer mensen dan reddingsvesten
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057597435
€ 16,50
56 blz.

In een titelloos prozagedicht uit zijn nieuwe bundel stelt Thies zich een paradijs voor waarin geen ‘stinkende herinnering’ bestaat, omdat er helemaal niets te vergeten valt: de bewoners zijn leeg. Hij besluit met: ‘schaarste is een aards begrip, niets plant zich voort, niets hecht zich, nooit zal ik nog sidderen in dit dictatoriale licht.’ Gelukkig is het niet meer dan een fantasie, want ook de noodzaak tot dichten doet zich in zo’n saai paradijs niet voor.
De dichter kijkt met de ogen van een vreemde naar het leven om hem heen, zijn eigen leven inbegrepen. Dat leven is vaak moeizaam, herinneringen zijn zelden aangenaam. Dat betekent niet dat Meer mensen dan reddingsvesten een loodzware bundel is, want daarvoor is zijn taalgebruik te beweeglijk.

Afstand kenmerkt het merendeel van de gedichten: tot medemensen, de leefomgeving en de bevreemdende en soms bedreigende wereld, maar ook in de manier waarop de dichter zichzelf waarneemt.
Al in de eerste strofe zet hij de toon van de hele bundel. Na een heftig begin kunnen de geliefden elkaar niet meer bereiken en hij toont die afstand met een vondst: ‘Zijn warmte’ in regel vier is een correcte verwijzing naar het lichaam van een vrouw:

Het mag zijn dat je lichaam mij bekend is,
het is mij niet langer welgezind. Het ademt
naast mij onder de lakens, als iets verdwaalds.
Zijn warmte is de mijne niet, de rug een wand.

(‘Indringer’)

Andere voorbeeld: niet een ‘zij’, maar ‘Haar lichaam schrikt van een geringe / aanraking.’ Op een van de weinige momenten van geluk is het lichaam prominent aanwezig, maar hij spreekt nu wel over ‘zij’: ‘Ze staat voor me, naakt als een brood. Een en al dijen, borsten, schouders, hals’. Het is de uitzondering die de regel bevestigt.
De dichter beschouwt ook zichzelf van een afstand. Hij suggereert dat dit de enige manier is om over zichzelf te schrijven. ‘In het late lamplicht wikt iemand zijn taal’, zegt hij over zijn weerkerende angst voor het lege papier

De metaforen zijn helder, effectief en blijven hangen in het geheugen. Het lege vel van de angstige dichter ‘smaalt / in de diepte’, hij noemt het ‘de spierwitte schrik van de veteraan’. Onbemande graafmachines, bulldozers en betonmolens zijn de ‘onherroepelijke voorhoede / van buitenaardse indringers.’ Vanaf nu kan ik geen grootschalige bouwprojecten meer zien zonder aan dit beeld te worden herinnerd.

Een enkel gedicht schreef Thies op verzoek. In zijn Verantwoording schrijft hij onder andere: ‘Het gedicht ‘Stronk’ schreef ik voor Schroot, samengesteld door Tsead Bruinja, met 32 linosnedes van Hans Wap en bijdragen van 30 dichters (De Weideblik, 2014). De lino’s tonen autokerkhoven, vliegtuigmassagraven en scheepswrakken; de gedichten zijn gecentreerd rondom hetzelfde thema van groot afval, het stoffelijk overschot van transportmiddelen.’
Bij Thies ziet zo’n gedicht er zo uit:

Kauwen pikken de letters uit een krantenpagina,
een flessenhals glanst onder de bank, het omhooggestoken
wiel van een fiets naast het pad als de hand om hulp, een schoen
zonder veter, het molenrad dat zijn schaduw werp op de kant.

Nachtkoele poel, luchtbellen borrelen, vochtig gras,
een tribune zwammen tegen een boomstronk, nee de romp
van een bemoste jongen, alles ruikt naar levensdwang.

Een plaats van verval, waar ‘alles ruikt naar levensdwang’ – het woord ‘ruikt’ vind ik in deze context heel goed gekozen. Een dode boomstronk noemt hij een ‘bemoste jongen’, een fietswiel een omhooggestoken hand om hulp. Zijn dat personificaties en daarom beelden van leven? Of beschrijft de dichter tevens een wrede dood? Hij wekt associaties met een ongeluk dat al een tijd geleden heeft plaatsgevonden, met zwammen als stille getuigen.

In dit soort schijnbaar terloopse, maar bij nadere beschouwing geladen formuleringen is Thies een meester. Een liefdevolle meester, want de taal volgt hem graag.

***

Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat en redacteur van cultureel jongerenmagazine Simpel, waarvoor hij ook schreef. Zijn debuut Toendra (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Zijn tweede bundel, Na de vlakte (2008) werd genomineerd voor de J.C. Bloemprijs. In maart 2012 verscheen zijn derde bundel, Twee vogels één kogel.

Recensie van De man die ophield te bestaan - Ingmar Heytze

Je maakt een kind

Ingmar Heytze
De man die ophield te bestaan
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057596988
€ 16,50
56 blz.

De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze is de geheimzinnige titel van de tiende, of elfde bundel van Ingmar Heytze. Heytze (1970) publiceert veel en staat in mijn gedachten nog steeds bekend als de stadsdichter van Utrecht, al is hij dat officieel niet meer. De veertig van Heytze, de persoonlijke bloemlezing, zijn eigen ‘draagbare jukebox’, is een verzameling die ik met plezier heb gelezen.

Er zijn weinig dichters die op mij zo sympathiek en menselijk overkomen als Heytze. Daarmee bedoel ik dat hij eerlijke en heldere poëzie schrijft, zonder poeha of pretenties. Hij is zelfs zo bescheiden dat hij achterin de man die ophield te bestaan een aantal regels en passages dat niet helemaal uit zijn eigen koker komt, verantwoordt.

Waakliedje

Mijn god · het kind · is een vergiet · aan alle kanten loopt het leeg · huilt in
je oor · waarom bestaan als het zó moet · je houdt het · voor je uit · boven de
grond die rustig wacht · op jou en haar · en wie nog komen gaat ·je armen
worden stijf · je geest stijgt op · voorbij de handen die de aarde dragen ·
bevend soms · van boven klinkt al eeuwenlang · gemummel dat we niet
verstaan · God heeft een zaklamp in zijn mond · die noemen we de maan

Achterin de bundel vermeldt Heytze dat de regel ‘God heeft een zaklamp in zijn mond’ verwijst naar een uitspraak van een astronaut van de Apollo 13. De opdeling van het gedicht werd hem ingegeven door een gedicht van Ramsey Nasr. Het voelt bijna als biechten: ‘Ik heb het echt niet allemaal zelf bedacht hoor.’ Heel zorgvuldig, ik vind het bijna jammer om achter deze geheimpjes te komen.

De man die ophield te bestaan beschrijft geen magische gebeurtenis, geen stervensproces, maar de geboorte van een vader in al zijn facetten, de romantische, maar vooral ook de aardse en alledaagse.  Het gedicht ‘Dochter’ begint zo: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / dat we alle drie tegelijk geboren worden./’ Treffender kun je het proces niet beschrijven. De eerste regel is trouwens identiek aan het begin van een minder bekend liedje van Herman van Veen: ‘Langzaamaan begin ik te begrijpen / waar het allemaal om draait / alles draait om jou en mij / en wij, we draaien overal omheen. //’ Dit wist Heytze vast niet, anders had hij het wel in de verantwoording vermeld.

In heel gewone woorden raakt de dichter grote thema’s aan. Gewone woorden in krachtige, kernachtige zinnen. Maar o zo invoelbaar. Ja, ik houd van Heytze, een fijne dichter.

Nekplooi 

Wanneer ben je maar beter dood?
Hoe groot is de kans op panisch kalm
een rolstoel door de straten sturen,
kwijlend op een trommel slaan,
op kreupel, gek, of half zo oud.
 
Hoeveel vingers steek ik op?
 
Je maakt een kind om te vergaan.
Ik was er zelfs soms liever niet geweest.
Maar dan, wie weet wie later naar
de sterren springt, de redeloze aarde
redt. Wie de nieuwe Breivik baart.
 
Vingers, zei ik. Vingers graag.

 

Recensie van Medeweten - Antjie Krog

Goedschikse verkloters

Antjie Krog
Medeweten
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057596971
€ 25,-
260 blz.

Medeweten luidt de titel van de nieuwste bundel van Antjie Krog. Het is een begrip dat veel verder gaat dan ‘medeleven’, dat weker is, slapper; invoelend en goed bedoeld, maar ontdaan van de verantwoordelijkheid die mede-weten door de rationele component wel impliceert. En over verantwoordelijkheid en bewuste stellingname – betrokkenheid vanuit politiek bewustzijn en doorleefde menselijkheid – gaat het in dit werk, of het nu maatschappelijke verhoudingen of menselijke relaties betreft. Alles is een kwestie van zich rekenschap geven, consequenties doorzien, betekenis toekennen, deelnemen, partij zijn en daarvoor kan de aanleiding zowel in het heden liggen, bijvoorbeeld een schokkende misstand ten gevolge van het ongelijkheidsdenken en falende rechtspraak, maar ook in het verleden, zoals bij een sterfgeval (er wordt in de bundel ruimhartig gestorven).

Het opvallendste kenmerk van Krogs poëzie is de intensiteit ervan. Zij verstaat de kunst woorden te doen zinderen van spanning. Het zit in de scherpte waarmee zij scènes tekent, de vrijmoedigheid waarmee zij schrijft, haar directheid, vooral de absolute overgave aan de taal. Het is poëzie die in alle opzichten geëngageerd is en waarin zij zelf dus volop aanwezig is.

In zijn Volkskrant-column van 28 februari wijdde Remco Campert bewonderende regels aan ‘om bemin te word deur ‘n digter’ (blz. 224). Feilloos wees hij daarmee op wat inderdaad een van de beste gedichten van de bundel is. In de krant liet Campert zes regels weg, hier volgt het helemaal:


bemind worden door een dichter


vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf
bruin haar     scheve baret     laarzen jas

hoe gaat het? ze vertrekt haar mondhoek
even maar alsof het er niet toe doet

haalt haar schouders op en knikt we groeten
en lopen ieder een andere kant op

ik kijk nog eens om maar ze is al verdwenen
gewoon tussen de anderen als de anderen

en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld
door goddelijke hersenen dat zij gerafeld

van passie uit haar lakens is getuimeld dat
zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd

zoveel landschappen tussen haar benen open
gesnorkeld zijn dat elke dag elke kant op kon kantelen

gestuwd werd zij door
een begaafde onder de goden

nu is hij dood      ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan
en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen

(Antwerpen 2008)


Een overrompelend realistisch gedicht, waarin Krog zich in volstrekte vrijheid het onderwerp – de haast goddelijke erotische oerkracht van de dichter – volledig toe-eigent. Zij lijkt in de korte ontmoeting met de wat schuw reagerende weduwe Claus op afstand te blijven, als óók een gewoon mens, maar in wezen gaat het om wat zij in zichzelf ervaart en teweeg zou willen brengen. Dat maakt de haast schokkende kracht ervan uit.

Krogs poëzie lezen vereist concentratie; zij is een talige dichteres, met een zich virtuoos vernieuwende woordenschat. De vorm zet zij naar haar hand: in de versregels staan vaak extra spaties om woorden of zinsfragmenten apart te zetten, op die in eigennamen na ontbreken hoofdletters, komma’s zijn een zeldzaamheid en eindpunten ontbreken ook, hoewel punten soms wel binnen de versregel opduiken. Het maakt dat iedere keer weer de volledige nadruk op de woorden valt.

Medeweten begint imponerend met de dertiendelige cyclus ‘die werf’ (‘het erf’), waarin de geschiedenis verteld wordt van de ‘plaas’ (de boerderij) die sinds 1861 familiebezit was. Het eerste gedicht, ‘ek wil ‘n graf hê om van om te draai’, doet in tien strofen van zes regels beeldend verslag van de begrafenis van haar vader:

‘ik wil een graf hebben om van weg te gaan’

de lijkwagen rijdt langzaam door rijpwit winterveld
binnenin hobbelt de grenenhouten    kist de zoons en kleinzoons
van mijn vader      zakdoek om de hand gewonden
tillen de kist aan touwen op en dragen hem naar het graf
waar drie dagen over gedaan is om het in basaltsteen
uit te houwen                                  een ijzige zuidenwind snijdt

door ons gezan: nader, naderbij
mijn broers huilen als afgesnedenen     de dood
duwt ineens in ieders rug     U doorgrondt
en kent mij      er valt een pasgeschoren schapenvacht
over de kist     de dominee leest de Oude
Vertaling zoals mijn moeder opgedragen heeft

Krog beschrijft verder hoe het ‘in het snijdend koude Vrystaatse schitterlicht’ is alsof er ‘iets zuchtends’ uitgaat ‘van ons Afrikaner geweten onze taligheid onze witheid’. Het schrijnt dan ook, als Hendrik Nakedi ‘in een van Pa’s oude ribfluwelen jasjes’ naar voren komt ‘met grond in zijn eeltige hand’ en even later Kapi, ‘pa’s trekkerrijder’ integen stelling tot de broers wél met de schop kan omgaan om het graf te dichten.
De slotstrofe verwoordt indringend het sprakeloze onvermogen dat onlosmakelijk aan de situatie verbonden is:

hij is weg en we drijven al uiteen      wat
we ook al wilden       elk treurend woord
elke vergiffenis elke liefdesverklaring die we wilden
afgeven komt te laat jeetje Pa stuur iets                      gewoon iets
waaruit blijkt dat je het vóélt: de keiharde onstuitbare
kielhaalaard                  van rouw

Ik vind Krog het sterkst in deze heel sobere, directe gedichten. Ze ademen urgentie. Maar ze heeft ook een lyrische kant en dan krijgt haar poëzie iets exuberants, wordt haar taal van een bijna orgastische weelderigheid. Een mooi voorbeeld daarvan is het begin van ‘leef de mythe’, het zesde gedicht van de ‘Erf’-cyclus:

hoe oneindig duizelt het uiteinde van de grond-als-die-van-ons
eucalyptus-wilg- populiermonogrammen van wij-zijn-hier
geplant     de beek lauw ‘s avonds van amandellicht en hier geboren
sterren parelhoenders en kieviten die al eeuwen uit het gras zwemen

Of lees hoe zij in ‘Verlies’ geëmotioneerd afscheid neemt van haar zoon die het huis verlaat:

[…]

hij draait zich om naar zijn tassen
en mijn lijf scheurt van voren naar voren open
de naden van mijn armen barsten open

en kwetsen bloedend achter zijn liefhebbende nabije lijfelijkheid aan
zijn lijfzijnde lijfheid die uit mij geworden is
uit alles wat gloeiend als kool in mij was en onbevaren
onaflosbaar openbarend was zijn lijvende geliefdheid

dit kind dat ik ook met mijn armen heb gekoesterd
en zijn luidkeelse heelhuids zingende wangen

kind
kind van mijn borst
laat me niet alleen
mij en dit brandende ontworde onuitgesproken godvergalde vaderland

De laatste regel roert een van de belangrijkste thema’s aan van de bundel, de in te nemen positie tegenover het geliefde maar zo getormenteerde vaderland. Indrukwekkend is hoe zij uit naam van slachtoffer Cynthia Ngewu in ‘hou jou oor teen die skeur van my land’ schrijft over ‘verzoening’, hoe zij in ‘mirakel’ stelt ‘ik behoor toe aan dit land/ het heeft mij gemaakt// ik heb geen ander land/ dan dit land’, terwijl zij weet: ‘maar onze begraafplaatsen blubberen van de veronachtzaamde/ geïnfecteerden de vermoorden de verkrachten de diepbedroefden’.
Van ongemene kwaadheid getuigt ‘Vrouwe Justitia geblinddoekt’, dat keihard en met alle grofheid die nodig is niet alleen de misstanden in Zuid-Afrika aan de orde stelt, maar vooral wat er politiek-maatschappelijk mis is in de hele wereld. Machthebbers zijn verkrachters, hebben een leugentronie, zijn Heer Edelachtbare Boerenlul, Hoogwelgeboren Droplul, Weledelgestrenge Oetlul (respectievelijk ‘Boerpiel’, ‘Soutpiel’, ‘Akkerpiel’). Het zijn geen woorden die je in een poëziebundel verwacht, maar daar heeft Krog duidelijk lak aan, ze straalt iets uit van ‘als het je niet bevalt, lees je het maar niet’ en weet zich daarbij gesteund door de schrijvers (o.a. Coetzee) op wier teksten zij zich baseert. Ze besluit de tekst tamelijk illusieloos met

[…] uiteindelijk blijven, waar je ook bent, de
fundamenten waarop alles rust corruptie en medeplichtigheid
maar de gevaarlijkste van deze zijn de schone handen

Zelf haar handen in onschuld wassen, is wel het laatste wat ze zou willen. Wit, hoog opgeleid, behorend tot de bezittende klasse, het zadelt je op met een maatschappelijke schuld die niet de jouwe is maar waarvoor je wel de verantwoordelijkheid draagt. Het is de spagaat waarin Krog zich regelmatig aantreft en die ze indringend verwoordt.
‘Grond hoort niemand toe’, schrijft ze enkele malen, maar ze is met hart en ziel in haar Afrikaanse land geaard.

Medeweten is een rijke bundel, bijna overdadig. De 66 vaak lange gedichten snijden een veelheid van thema’s aan: familie en (klein-)kinderen, de verhouding baas-bazin, landschap en natuur, erotiek en seksualiteit, de kwetsbaarheid van het eigen lichaam, de dood (met bijna heiligende gedichten voor Mandela). Daarbij durft ze volop te experimenteren met de versvorm en is het duidelijk dat ze er zelf van geniet de grenzen van de taal op te zoeken, zoals ze dat met name in de laatste gedichten doet, ‘pogungen tot linguïstische synaps-opsporing’. De tussen haakjes geplaatste slotregel daarvan is onthutsend: ‘we behoren uitgeroeid te worden liefste/ als zintuigloze haatdorvende gierschijtende dozen goedschikse verkloters)’.

Medeweten werd vertaald door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer. Er wordt niet verantwoord wie wat deed, ze zullen dus als vertalerscollectief gezien willen worden. Op de even bladzijden links staat steeds de Nederlandse tekst, rechts het origineel. Haast automatisch lees je daardoor de gedichten twee keer en voelt het Afrikaans al snel vertrouwd.

In ‘een mens te eten geven’ stond eerder: ‘voedsel in gulheid te wikkelen is een morele daad’. Zo zou je het aanbieden van zoveel bijzondere poëzie ook wel kunnen beschouwen.
Dank, Antjie Krog!


***
Antjie Krog (1952), die al op haar achttiende debuteerde met de dichtbundel Dogter van Jefta is uitgegroeid tot een van de belangrijkste dichters van Zuid-Afrika.
Naar aanleiding van de verschijning van Medeweten en aan de vooravond van Poëzieweek had Sander de Vaan voor Meander een gesprek met haar. Lees hier het interview en hier een drietal gedichten uit de bundel.