Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Mammie - Ronelda S. Kamfer

Er was altijd leven in mijn moeders huis

Ronelda S. Kamfer
Vertaler: Alfred Schaffer
Mammie
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598739
€ 21,50
128 blz.

Er zijn dichters die gedichten schrijven vanuit hun herinneringen zonder dat ze die verzen verfraaien met metaforen, rijm- en metrumvormen en allerlei stijlfiguren. De werkelijkheid die zij in hun poëzie publiceren, is op zich al bijzonder of schokkend genoeg. Hun gedichten behoeven geen aankleding of decoratie, ze confronteren de lezer direct met hun eigen persoonlijke historische realiteit. Mammie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer is zo’n dichtbundel. De uitgesponnen, soms haast prozaïsche teksten presenteren een meedogenloze, rauwe wereld, waarin de dichteres de dood van haar moeder probeert te verwerken en er betekenis aan te geven. En dat in een land waar de dood op allerlei wijzen voortdurend op de loer ligt.

Ronelda Kamfer is een dichteres die midden in de culturele wereld van nu staat. Dat blijkt al meteen uit de motto’s die aan de bundel meegegeven zijn. Engelstalige fragmenten uit songs van REM (‘Nightswimming’), Elbow (‘The night will always win’) en van de jong gestorven rapper Tupac Shakur (‘Dear Mama’) leiden de bundel in. Ook in de gedichten zelf zijn talloze verwijzingen naar namen van personen in deze tijd, zoals in ‘Vetste vliegen’, een gedicht over ‘een nieuwe species / van bruine meisjes in vintagekleren’. Kamfer noemt de zwarte auteurs Idris Elbas en Alice Walker, de zangeressen Grace Jones en Jill Scott, actrice en filmmaakster Lupita Nyong’o en Michelle Obama. Echter, de meeste gedichten gaan over het leven en de dood van haar moeder, haar eigen jeugd, de opvoeding door haar grootouders en de broze relatie met haar zus. Haar moeder is een voorbeeld voor haar. Ze heeft veel, zo niet alles van haar geleerd:

Lage levens

er was een vrouw in mijn leven
die zo vaak was verraden
dat haar hart een cirkel was
ze wreef haar vernederingen
samen met haar badolie
in haar huid
ze was mijn moeder
en ze leerde mij
om niet van mezelf
te houden

Veel gedichten gaan over het moment van het sterven van Kamfers moeder zelf. De beleving, het verdriet en de rouw bepalen de sfeer van die gedichten. Voortdurend wordt daarin het gemis van de moeder voelbaar. In het gedicht ‘Moeder’ is het onder andere haar man die haar mist: ‘mijn vader doet zijn best een goede moeder te zijn / hij koopt geregeld een heleboel groente / maar er is niemand die kookt’. Haar afkomst, haar grote familie, het gewelddadige leven in Zuid-Afrika, haar school, de schoonmaakbanen en de gevangenis zijn onderwerpen die in de poëzie van Ronelda Kamfer op epische wijze uitgewerkt worden. Ook godsdienst, discriminatie, criminaliteit, seksualiteit en haar schrijverschap dat zich plots ontwikkelt, zijn vervlochten met de persoonlijke belevenissen van de dichteres.

Een enkele maal zet Ronelda Kamfer gebeurtenissen uit haar jeugd tegenover het heden, zoals in het slotgedicht met de titel ‘Wees lief voor elkaar, pas op haar, Neldie, ze is je zus…’. De titel heeft het karakter van een letterlijke uitspraak van de moeder van Ronelda. Het eerste deel gaat over het weglopen van haar zus Allisen – ze is nog heel jong – uit een speelgoedwinkel. De paniek van haar moeder is groot, ze bedreigt Ronelda: ‘ik herinner me dat mijn moeder terugkwam / me vastgreep en zei / als Allisen weg is maak ik je dood’. Het tweede deel, dat jaren later plaatsvindt, is confronterend. Weer is haar zus weg, maar nu zijn de omstandigheden anders:

mijn zus is nu al twee maanden vermist
ze is aan de drugs
ze steelt
ze papt aan met gangsters
ze heeft haar kind bij mij achtergelaten

En weer hoort de dichteres haar moeder dreigen wanneer ze de slaap niet kan vatten. De angst, het verdriet, het geweld, het houdt nooit op, niet in de werkelijkheid van alledag, niet in haar herinneringen, niet in haar dromen en dus ook niet in haar gedichten. Mammie is de willekeurige stapeling van gedichten die de chaos in het leven van Ronelda Kamfer verwoordt, zonder opsmuk en al helemaal niet chronologisch. Mooi is het citaat van haar moeder, dat voorafgaat aan de gedichten: ‘Ronelda, je bent en blijft mijn kind tot de dag dat de maan een andere naam krijgt’.

De bundel, die 77 gedichten bevat, is niet ingedeeld in afdelingen. Na de gedichten die door Alfred Schaffer vertaald werden, zijn in een kleiner lettertype de Zuid-Afrikaanse verzen geplaatst. Een versie met de oorspronkelijke gedichten links en de vertaling op de rechter pagina ernaast, zou functioneler geweest zijn. De lezer moet zeker de moeite nemen om deze poëzie in het Zuid-Afrikaans te lezen, het is een prachtige taal. Waarschijnlijk heeft de uitgever dat naast elkaar plaatsen van de gedichten niet gedaan om de kosten te drukken. Achterin de bundel is een handzame, verklarende woordenlijst opgenomen. Ik begrijp dat de uitgever de bundel van deze nog niet zo bekende dichteres wil promoten, maar de voor- en achterkaft vol zetten met aanprijzende citaten van Adriaan van Dis, Antjie Krog, Christine Otten en Maartje Wortel, stoort me. De poëzielezer is heel goed in staat de hoge kwaliteit van deze toegankelijke gedichten zelf te ontdekken, zonder al deze aanbevelingen.

***
Ronelda Kamfer werd in 1981 in Blackheath in Kaapstad geboren. Vanaf haar derde jaar groeide ze op bij haar grootouders, op haar dertiende ging ze weer bij haar ouders wonen in Eersterivier, een township op de Kaapse Vlakte. De gedichten in Noudat slapende honden (2008) handelen over het dagelijkse leven. In de dichtbundel grond/Santekraam (2011) vertelt ze het verhaal van haar familie en de wereld waaruit deze met geweld verdreven werd. Hammie (Mammie), waarin haar overleden moeder een belangrijke rol speelt, verscheen in 2016. Ronelda Kamfer heeft een dochter, Seymour. Haar laatste twee bundels zijn door Alfred Schaffer vertaald in het Nederlands.

Recensie van Een steen openvouwen - Alexis de Roode

‘Ik ben vandaag in dienst getreden van het goede’

Alexis de Roode
Een steen openvouwen
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598517
€ 17,50
80 blz.

Alexis de Roode timmert al een kleine 15 jaar aan de weg met zijn poëzie. Een steen openvouwen is zijn eerste bundel in zeven jaar, na Gratis tijd voor iedereen (2010). In deze zeven jaar heeft hij overigens geenszins stilgezeten. Samen met Daniël Dee en Benne van der Velde bracht hij vorig jaar de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is uit. Op hekelvers wordt dit project voortgezet. Ook is hij actief lid van het Utrechts Stadsdichtersgilde, waar hij van 2014 tot 2016 gildemeester van was. Hoe belangrijk en geliefd ook, de stad is hem vaak te benauwd. De spanning tussen mens en natuur is een belangrijk thema in zijn werk, nadrukkelijk verkend in zijn tweede bundel Stad en land (2008). De natuur is bij De Roode een oerkracht, een mythische en doorleefde aanwezigheid, zoals we die eerder aantreffen in het door hem geliefde Zweden dan in het kille, aangeharkte Nederland. Toch kenden zijn eerste drie bundels verder een gevarieerde samenstelling waarin ook veel aandacht voor persoonlijke beslommeringen en wel en wee in de liefde.
Een steen openvouwen heeft een motto van Comte de Lautréamont: ‘Ach, wat is dan toch goed en kwaad! Is het een en hetzelfde (…)’. Het eerste gedicht sluit hier direct op aan: ‘Ik ben vandaag in dienst getreden van het goede, / met inzet van al mijn beperkte middelen, / om de wereld tot een betere planeet te maken.’

VRIJDAGAVOND

Mijn baan is fantastisch. Ik meen dit
wat ik eerder ook gezegd moge hebben.
Vanochtend verliet ik gebroken mijn huis,
maar als een koning keer ik terug.

Gedurende acht uren nam een weten bezit
van mijn wezen: dat ons doel een goed doel is.
O taken die aansnellen als vrolijke kinderen,
kwetterend, licht hysterisch! Als vanzelf

kwamen ze naar me toe en evenzo vanzelf
voerde ik ze uit. Glinsterende vissenscholen,
lokkend en verschietend. Geweldig bedankt!
E-mailtjes fluisteren dat ik onmisbaar ben.

In de file naar huis glijden koude slangetjes
langs mijn ruggengraat omhoog, hun gevorkte
tongen schieten uit en likken mijn cerebellum,
briljant, ik zie nu hoe briljant dit bedrijf is,

het is geen vlees, het is een nieuw bewustzijn,
we zijn echt een beweging en het knettert
in mijn hoofd ter hoogte van de Meernbrug
heb ik een geniaal idee voor een viral

straks thuis nog even uitwerken na het eten
en voor middernacht naar mijn baas mailen
ik wil dat hij zijn grote glimlach lacht (briljant)
het doet bijna pijn om naar huis te gaan.

Het enthousiasme van deze kantoormedewerker laat zinsbouw en interpunctie ontsporen, en werkt aanstekelijk. Wie kent dat gevoel niet: ‘E-mailtjes fluisteren dat ik onmisbaar ben.’ Maar de totale toewijding van deze werknemer wekt ook argwaan. Wat is het niet benoemde doel van het bedrijf? En hoe ziet de baas er uit, met zijn briljante glimlach?
Veel gedichten hebben een donkere, om niet te zeggen donkerroode ondertoon. De achterflap spreekt van ‘de meest sardonische en lyrische gedichten’ die De Roode tot nu toe schreef. De dichter geeft woorden aan de schutter van Columbine, en schotelt ons een enthousiaste introductiebrief van een nieuwe medewerker in Treblinka voor: ‘Ik heb er veel zin in! Doen waar ik voldoening uit haal bij een bedrijf dat bij mijn waarden aansluit.’ Wrange grappen. Maar ook teksten die voelbaar maken dat zelfs deze zwarte bladzijden in de geschiedenis door gewone mensen met hun eigen kleine overwegingen en behoeften geschreven zijn. En omgekeerd: dat misschien de gewone man met zijn kantoorbaan een radertje is in een groot, vernietigend systeem.

De bundel kent vier afdelingen: ‘De Dwaas’, ‘De Heerser’, ‘De Duivel’ en ‘Het Oordeel’. We herkennen hierin vier speelkaarten uit het Tarotspel. Toch kent de bundel een minder duidelijke thematische opbouw dan deze titels doen verwachten. De worsteling met goed en kwaad en de thematiek van het kantoorleven als metafoor voor de moderne mens zijn in meerdere afdelingen terug te vinden. Mooi is de overeenkomst tussen het eerste en het laatste gedicht van ‘De Heerser’. In ‘De jongen in het gras’ wordt de wereld een kwartslag gedraaid: ‘Recht tegenover hem stond het heelal. / Achter hem de muur van de groene planeet. (…) // Hangend aan de aarde, buik naar de afgrond, / blik naar beneden, zag hij miljoenen / sterrenstelsels als lichtgevende draakvissen / wegzinken in de diepte.’ Het laatste gedicht van de afdeling, tevens titelgedicht van de bundel, nodigt uit een soortgelijke beweging te maken: ‘Kantel de regels om het riet te zien. / Ga staan met je rug tegen de grond, / en kijk de sterren recht in de ogen, / tot ze op je af komen stormen. / Open je mond. Slik ze in.’ In ‘Schepping, week 2’, het tweede gedicht van deze afdeling, bouwt de dichter voort op het thema mens en natuur. Voor de afwisseling een vormvast gedicht, zeven strofen van zeven regels, waarin het scheppingsverhaal op hilarische wijze vanuit het standpunt van de mens wordt bekritiseerd:

De mens sprak: De dieren en planten behoren aan mij,
maar zij gehoorzamen aan tijd. Ze bloeien in de lente
en geven zaadvruchten in de herfst. De vogels leggen
eieren naar hun aard, maar in de winter leggen ze niks.
Ik zal de planten een huis van glas geven en in de kippenstal
zal ik een helder licht branden. Ik zal eieren eten in december.
Weer werd het avond en morgen: de derde dag.

In de derde afdeling, ‘De Duivel’, staat het kwaad volledig centraal. Het gedicht ‘Chandler Grafner’ vertelt ons over de gruwelijke dood van dit zevenjarige Amerikaanse jongetje (2000 – 2007). ‘En de dag is een flinterdun vliesje over de nacht, een laagje cellofaan / met het leven van een kind erop geprint.’ Het dunne laagje beschaving, de beestachtigheid die misschien wel in ons allemaal schuilgaat. Confronterend. En minstens zo confronterend is het gedicht dat hierop volgt: een opsomming van tientallen namen van kinderen die door hun ouders of verzorgers zijn vermoord. Is dit nog poëzie? Is het een aanklacht? Het getuigt ook van een obsessieve interesse van de dichter in deze gitzwarte materie. In het gedicht ‘Scott’ beschrijft De Roode even verderop in nuchtere en gedetailleerde bewoordingen de moord op een driejarig jongetje door zijn moeder en een vriend, vanuit het gezichtspunt van een huisgenoot. De dichter lijkt te onderzoeken hoe ver hij kan gaan, niet alleen in zijn verbeelding maar juist in de weergave van een werkelijkheid die onze ergste voorstelling te boven gaat. Het doet denken aan de poëtische wederwaardigheden van Gottfried Benn (1886 –1956) in het lijkenhuis. Maar zit de lezer hier wel op te wachten?

Gelukkig zijn er ook gedichten, waarin De Roode in lyrische en heldere stijl misstanden aan de kaak stelt. Gedichten zonder overdadige ironie, zonder dubbelzinnige flirt met het kwaad.

VRIJHEID

Vrijheid, o opgerekt, uitgelubberd woord,
uitgetrokken tot een flinterdun vlies
over ijskoude Hollandse luchten,

woekerend woord in dit steenrijke land
waar de mensen vet van vrijheid zijn,
vrijheid van vrije markt en vrije jongens,

vrijheid om door de brievenbus te pissen,
vrijheid om een kopstootje uit te delen,
vrijheid om je zwangere vrouw in elkaar te slaan,
vrijheid om kinderen in een cel op te sluiten,

o vrijheid, ploertendoder van Kapitein Krijsbek
vrijbrief voor vreemdelingenhaat,
moordenaar van gelijkheid en broederschap,

claim je Franse naam terug,
kruip uit de monden van de ratten
en klim op ladders de hemel in,
schijn op alle mensen, verwarm dit bange land.

Wat een schitterende oneliner: vrijheid, moordenaar van gelijkheid en broederschap. Laten we deze allemaal retweeten. Laten we Kapitein Krijsbek uitnodigen zijn partij om te dopen in Partij voor de Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Omdat het één niet zonder het ander kan. Laat vrijheid weer klinken zoals in het gedicht van Paul Eluard: Liberté!

Recensie van Voor de liefste onbekende - Ingmar Heytze

Een voedzame maaltijd voor een hongerige lezer

Ingmar Heytze
Voor de liefste onbekende
Uitgever: Podium
2016
ISBN 9789057597718
€ 17,50
428 blz.

Een dichter kan zijn verzen obscuur maken door zich te verliezen in een taal die voornamelijk naar zichzelf verwijst. Dat zou de honger van de lezer moeten stimuleren, terwijl hij zoekt maar niet vindt. Heldere passages met verwijzingen naar de werkelijkheid van alledag daarentegen zouden hem verzadigen en loom en traag maken. Niets wat er door de lezer uit obscure poëzie kan worden opgediept, ontstijgt echter de kennis die in de meest heldere teksten kan worden teruggelezen. Daarom concludeert René Huigen in zijn essay Dageraad der duisterlingen terecht dat we poëzie zo dienen te begrijpen dat ze onze honger stimuleert, en ons ook iets te eten geeft. Dit laatste gaat in beider opzicht volkomen op voor de poëzie van de dichter Ingmar Heytze in zijn nieuwe verzamelbundel Voor de liefste onbekende (2016).
Als ik zijn poëzie lees, hoor ik zijn fysieke stem erin opklinken. Op de avond van de presentatie in De Kleine Komedie werd opnieuw mijn indruk bevestigd dat deze dichter op en top een entertainer in de goede zin van het woord is. Of je nu zijn verzen leest of dat je ze hoort uitgesproken worden door hemzelf, hij weet zichzelf en zijn publiek te enthousiasmeren. Hij is zeer in staat aan zijn poëzie ritme en welluidendheid mee te geven. Hij weet dicht bij de adem van de spreektaal te blijven. Dat draagt er mede toe bij dat je je sterk betrokken voelt bij wat hij te vertellen heeft. Zijn vorm, metaforiek en inhoud zijn helder. In zijn lichtvoetigheid en directheid van zeggen heeft hij me opnieuw in de ban van zijn vakmanschap weten te brengen.
Laat ik zijn helderheid, zijn metaforiek, zijn achteloosheid en trefzekerheid illustreren aan de hand van enkele gedichten uit zijn verzamelbundel. Deze poëzie kan, zoals de dichter zelf zegt op de achterflap, op verloren momenten worden gelezen op vliegvelden en stations en kan worden meegenomen in handtas of rugzak.

Zoals hij in de bundel Sta op en wankel (1999) zijn wankelmoedigheid op het pad der liefde in het openingsgedicht ‘Hart voor steen’ verwoordt, hult het in zijn uitbeelding niets in duisternis. Hij werkt hier de situatie zeer bewegelijk en in emotionele kleurschakeringen uit, zoals die ‘jonge goden met te veel talent’ en ‘de plundering van hunkering / in onverwachte meisjesogen’:

Vliegende kameleons en vlinders
die van kleur verschieten,
jonge goden met te veel talent
voor de verkeerde dingen,
- wanhoop, twijfel, duizelingen –
dat is het probleem met ons.

De plundering van hunkering
in onverwachte meisjesogen
valt voortdurend zwaarder
dan verwacht – één nacht
van scherp genot is goed
voor weken zelfverwijt.

Het zelfverwijt en het zelfinzicht van het lyrisch subject strijden hier om de voorrang: ‘lachen door je tranen heen/ en drinken tot je niets meer voelt -/ steen voor hart en hart voor steen.//’.
Dit ‘dichtertje’ kijkt in het gedicht ‘Noach’ uit dezelfde bundel angstig om zich heen, trekt zich bij tijd en wijle uit de wereld terug: ‘Je maakt gelukkig weinig mee,/ je steelt het leven bij elkaar uit boeken/ mijmert rustig voor je uit/ en vouwt wat bootjes van papier.//’ Hoe poëzie tot stand komt, heeft hem zijn hele dichterschap telkens weer gefascineerd. In de bundel Aan de bruid (2000) staat het gedicht ‘Hang- en sluitwerk’. Daarin gaat Heytze daarop in door heel doordacht verzen te construeren of ze ogenschijnlijk achteloos uit de pen te laten vloeien:

Hoeveel manieren van dichten
kent de wereld, of hoe weinig maar:
superieur ingenieurswerk met woorden,
de kosmisch bewogen gevoelige snaar,
de inktvraat van het onttoverd citaat
of schaarse woorden in een wit ravijn.

Men kan ook, met minder omhaal,
van de taal een werkplaats maken,
verzen hup in haken hangen,
kloppen aan ritme en vijlen aan klank,
iets fluiten tegen verzwegen pijn,
zo nu en dan gelukkig zijn.

Heytze draagt beide werkwijzen in zich. In het proza-achtige gedicht ‘Parfum of palfium’ uit dezelfde bundel zegt hij het nog eens op een andere manier:

Luister naar de dichter, want ik sta met je te praten & ik zeg
je jij doet dingen die je ook had kunnen laten ik woon niet
in een getto & ik leef niet als een schurk met een strot vol
grote woorden & de diepgang van een kurk ik hou niet van
die dieventaal waar jij je van bedient

Heytze wil zo’n dichter zijn, die dicht bij zijn hoorders en lezers staat. Niet de duisternis maar de helderheid van woorden moeten het resultaat zijn van zijn slaan op het aambeeld van de taal.
Op ludieke maar doeltreffende manier weet Heytze zijn worsteling met het scheppen en uitzeggen van poëzie speels, verrassend en beeldrijk neer te zetten. Het gedicht ‘Poëtisch spreekuur’ is daarvan eveneens een mooi voorbeeld:

Meneer ik heb zo’n last van een enjambement
bij mijn knie en zeg ik A dan volgt vanzelf
het hele alfabet dwangmatig brakend ook
vermoed ik een elisie bij mijn huig wanneer
ik hier druk rijmt het daar want aandrang
rijmdwang hoort u wel daar ging ik waar weer
alliteratie word ik haast Homerisch van

Alsof hij een gewone lezer aanspreekt – zo komt hij dikwijls zijn gedicht binnen – blijkt in het gedicht ‘In deze tuin’ uit de bundel Ademhalen onder de maan (2012) het geval te zijn:

Ik heb de wereld lang vertrouwd, mevrouw.
Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd
en alles was wel vreemd maar toch bekend
genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik het
vaak een half uur later weer en anders deed
het er niet toe. Er waren nog de grote vragen
waarop niemand ooit een antwoord krijgt,
Die keek ik aan van dag tot dag.

Hoewel in de tweede strofe van het gedicht de mevrouw uit de eerste strofe te verstaan wordt gegeven dat het geen zin meer heeft foto’s te maken van de wereld, karakteriseert de ik in de bovenstaande eerste strofe een situatie die overeenstemt met de dichter en de hem omringende werkelijkheid. Hij staat met een been in de wereld maar schept zich ook een wereld in zijn hoofd. Die laatste positie kan ertoe bijdragen dat hij een ander zicht op de wereld kan bieden dan de meeste lezers ervan hebben. Daarin ligt een belangrijke rechtvaardiging om poëzie te schrijven, én te lezen.
Iets van dat arrangement van de werkelijkheid lees ik ook in het gedicht ‘Schaduwen’ uit dezelfde bundel. De vergankelijkheid en het verdriet dat daaruit voortvloeit, krijgen daarin een aards maar transcenderend slotakkoord:

Wat moet er van ons overblijven – wat van onze dagen,
nachten, alle malen dat we samen ademhalen en de plannen

die we maken. Wie kijkt er later om naar de papieren
die we nauwgezet bewaren om bestaan, bezit en plaatsen

op de eerste rij mee te bewijzen. Bij jou vergeet ik bijna
dat we samen maar één leven krijgen, dat we evengoed

op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren
in de donkere archiefkast van de aarde. Dit is het bericht

dat ik achterlaat in een huizenhoge kluis, brandvrij,
een boodschap, die verder komt dan wij – deze datum,

onze namen in de kerfstok van de tijd. Wie dit leest
moet weten dat wij samen en gelukkig waren.

In dit gedicht wordt het naderend einde teruggebracht naar het besef van het aanwezige geluk in heden en verleden. De troost van de poëzie betekent hier niet een vlucht naar voren, naar hoger sferen, naar zweven zonder houvast, maar naar wat nog voelbaar is op het moment dat de gedachte aan het ‘onbestaan’ en de zekerheid van de vergankelijkheid zich onomkeerbaar aan een mens manifesteert. Heytze stimuleert in deze verzamelbundel onze honger, geeft ons voldoende te eten, omdat hij helder denkt en diep voelt.

***

Ingmar Heytze (1970) publiceerde vijftien bundels, drie dagboeken en een bundel met miniaturen. In 2009 werd hij aangesteld als eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Ademhalen onder maan (2012) werd bekroond met de Hugues C.Pernathprijs.

Recensie van Regentonvariaties - Jan Wagner

Buitencategorie

Jan Wagner
Vertaler: Ria van Hengel
Regentonvariaties
Uitgever: Podium
2016
ISBN 9789057597671
€ 19,90
108 blz.

De reden om deze bundel te bespreken:
Goede vertalers zou men heilig moeten verklaren, zeker als zij van het niveau zijn van als bijvoorbeeld August Willemsen(†) en Peter Verstegen.
Kort geleden vernam ik dat Ria van Hengel tot dit illustere gezelschap behoort, maar had nog nooit iets van haar onder ogen gehad. Vandaar.
De dichter was mij onbekend.

Om te beginnen twee quotes over Jan Wagner en deze bundel:
‘De beste dichter van zijn generatie, een van de sterkste en origineelste stemmen in de Duitse, hedendaagse literatuur’.
(Süddeutsche Zeitung)
‘Dit is eenvoudigweg grandioze, adembenemende poëzie’.
(Frankfurther Allgemeine)
Enige argwaan is geboden bij zulke superlatieven, maar bij deze lof is dat niet het geval. Want inderdaad, het is een grandioze bundel en dat Jan Wagner de beste dichter van zijn generatie is geloof ik graag, al ken ik het werk van zijn generatiegenoten niet; hij won als eerste dichter ooit de Preis der Leipziger Buchmesse en van Regentonnenvariationen werden er meer dan dertigduizend exemplaren verkocht! (Kom daar eens om in Nederland).

Wat maakt deze gedichten zo bijzonder?
Prachtige beelden :

[…]
de kaketoe, die ons spoor
van maiskorrels had gevolgd,
met al zijn wit op de kroonlijst,
zijn slimme jeneverbes –ogen
en een gele kuif van veren,
die hij opensloeg
als goochelaars hun kaarten,
de danseres haar waaier;
zeeanemonenhoofd
[…]

Ten tweede de muzikaliteit; ritme en rijm zijn speels en variërend , nergens knelt het, wat de gedichten lucht en licht geeft. Ten derde de ogenschijnlijk alledaagse voorwerpen ( tennisballen, een theekopje, een stuk zeep) die Wagner dikwijls als titel en uitgangspunt neemt en onverwachte dimensies weet te geven.
Ter illustratie de tweede strofe uit ‘verhandeling over zeep’ : ‘woog als een steen in je vuist/schuimde op, werd zachter/je waste je van kain tot abel’
En tenslotte is het de manier waarop de dichter de vorm aanpast aan de inhoud.
Een voorbeeld hiervan toont het openingsgedicht:

sluipgeer (zevenblad)

niet te onderschatten: de sluip-
geer, met de begeerte al in de naam, daarom
de bloemen die zo zwevend wit zijn, kuis
als een tirannendroom.

komt steeds terug als een oude schuld,
kruit door het duister zijn smokkelwaar
onder het gras door, onder het veld,
totdat een nieuwe witte verzetshaard

ergens weer opduikt achter het tuinhuis,
bij de struiken, tussen de kruiden:
sluipgeer als bruisen zonder geluid,

dat schuimend opspuit, langs puien omhoogkruipt, totdat sluipgeer
alle ruimte gebruikt om uit te spruiten, tot overal sluipgeer
over sluipgeer schuift, de tuin verslindt met uitsluitend sluipgeer.

Wat de vertaling betreft, deze is voor mij beperkt te beoordelen, omdat de bundel op het openingsgedicht na, helaas alleen de vertaling toont en niet het origineel daarnaast. Maar die ene vertaling vind ik uitzonderlijk goed, nauwgezet waar mogelijk, vindingrijk indien een letterlijke vertaling zou storen. De vertaalster Ria van Hengel won in 2007 de Martinus Nijhoff- prijs.
Opdat u zelf kunt oordelen nogmaals het openingsgedicht, nu in het Duits:

Giersch

nicht zu unterschätzen: der giersch
mit dem begehren schon im namen – darum
die blüten, die so schwebend weiss sind, keusch
wie ein tyrannentraum.

kert stets zurück wie eine alte schuld,
schickt seine kassiber
durchs dunkel unterm rasen, unterm feld,
bis irgendwo erneut ein weisses wider-

standnest emporschiesst. hinter der garage,
beim knirschenden kies, der kirsche: giersch
als schäumen, als gisch, der ohne ein geräusch

geschieht, bis hoch zum giebel kriecht, bis giersch
schier überall spriesst, im ganzen garten giersch
sich über giersch schiebt, ihn verschlingt mit nichts als giersch.

Valt er dan niet iets minder positiefs over deze bundel te melden? (Een recensent moet toch wat te zeuren hebben). Wat de gedichten en de vertaling betreft, ik zou het niet weten, maar gelukkig valt de gerenommeerde Uitgeverij Podium wel iets te verwijten en dat is niet mals: hoe fraai het omslagontwerp ook en hoe aangenaam rustig de typografie, de bundel is beschamend slecht gebonden; al na een eerste lezing zat ik met losse bladzijden op schoot. Foei!

Maar poëzieliefhebber, laat dit u er niet van weerhouden deze bundel aan te schaffen; een must.

***

Jan Wagner (1971, is vertaler, essayist en dichter. Zijn eerste bundel, Probebohrung im Himmel, verscheen in 2001. Voor Regentonnenvariationen (2014) ontving hij de eerste Preis der Leipzicher Buchmesse (2015).
Ria van Hengel (1939) vertaalde onder andere werk van W.G. Sebald, Elfriede Jelinek, Novalis en Heinrich von Kleist. Ze kreeg onder andere de Martinus Nijhoffprijs (2007) voor haar vertalingen uit het Duits.