Recensie van Ik herhaal je - Ingrid Jonker

De achttiende druk en toch een recensie. Waarom?

Ingrid Jonker
Vertaler: Gerrit Komrij
Ik herhaal je
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599125
€ 19,99
221 blz.


Het leven van Ingrid Jonker
(1933 – 1965) blijft velen tot de verbeelding spreken, misschien juist in
deze tijd. Het bevatte alle dramatische elementen voor een  succesvolle film  en mede dankzij Boulevard-achtige aanbevelingen (‘Meeslepende en ontroerende liefdesbrieven laten je proeven van de immense schoonheid en pijn van het bestaan’, stond er bijvoorbeeld in de kwaliteitskrant Trouw*) werd  Vlam in de sneeuw, haar onstuimige briefwisseling met André Brink, goed verkocht. Het verbaast daarom niet dat er een achttiende druk is verschenen van Ik herhaal je, bestaande uit een ruime, tweetalige selectie van haar gedichten en een biografie.
Omdat de fascinatie voor Jonkers leven onverminderd groot blijft, is het goed om nog eens aandacht te besteden aan haar werk. Ik doe dat voornamelijk aan de hand van een exemplarisch gedicht.

Haar oeuvre is niet groot: bij leven heeft ze de bundels Ontvluchting (1956) en Rook en oker (1963) gepubliceerd; Kantelson verscheen postuum in 1966. De selectie en vertaling van de gedichten is van Gerrit Komrij, de biografie die ook in deze bundel is opgenomen van Henk van Woerden.
De gedichten zijn sterk autobiografisch en dat zorgde voor de betrokkenen soms voor veel ongemak. Toch hoef je over haar leven niet veel te weten, want namen gebruikt ze nauwelijks en de gedichten hebben over het algemeen een wijder bereik dan het strikt persoonlijke. En, nog belangrijker, ondanks haar schijnbare nonchalance was ze een meester van de vorm: haar gedichten zijn klankrijk en ritmisch, ze schreef beeldend en haar woordkeus is aantrekkelijk. Dat beleef je pas echt als je de gedichten in het Afrikaans leest (de bundel is gelukkig tweetalig), want, met alle respect, in de vertaling van Komrij gaat veel verloren.
Om beide te demonstreren citeer ik het bekende gedicht ‘Bitterbessie dagbreek’ zowel in het origineel als in vertaling. Daarnaast laat ik aan de hand van dit gedicht de werking zien van een paar beelden die door haar hele werk spelen.

BITTERBESSIE DAGBREEK

Bitterbessie dagbreek
bitterbessie son
’n spieël het gebreek
tussen my en hom

Soek ek na die grootpad
om daarlangs te draf
oral draai die paadjies
van sy woorde af

Dennebos herinnering
dennebos vergeet
het ek ook verdwaal
trap ek in my leed

Papegaai-bont eggo
kierang kierang my
totdat ek bedroë
weer die koggel kry

Eggo is geen antwoord
antwoord hy alom
bitterbessie dagbreek
bitterbessie son

BITTERVRUCHT VAN DAGERAAD

Bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon
een spiegel is gebroken
tussen mij en hem

Wil ik langs de hoofdweg
rennend op een draf
telkens slaan er paadjes
van zijn woorden af

Dennenbos herinnering
dennenbos vergeet
waar ik ook verdwaal
trap ik in mijn leed

Papegaai-bonte echo
lacht me, lacht me uit
totdat ik bedrogen
op het spotwoord stuit

Echo is geen antwoord
antwoordt hij alom
bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon

Wat betreft de vertaling: neem de eerste strofe van het origineel. De herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘s’ in combinatie met het ritme (‘Bitterbessie dagbreek / bitterbessie son) en het gekruiste rijm met de afwisseling van vol- en halfrijm, zorgen voor een speelsheid die tegengesteld is aan de inhoud, die daardoor des te schrijnender overkomt. Bij Komrij vind je daar niets meer  van terug. En in de tweede strofe: het tentatieve ‘Soek ek’ bij Jonker is veel sterker dan het wat verongelijkte ‘Wil ik’ bij Komrij. En ook het ‘oral’ (overal) past beter bij de verwarring waarin de ‘ik’ verkeert dan het ‘telkens’ bij Komrij. ‘Telkens’ is alleen maar irritant hinderlijk voor iemand die langs de hoofdweg wil draven.

Alles verkeert in zijn tegendeel in dit gedicht. Hier is ‘dagbreek’ geen belofte, zoals in gedichten als ‘Moenie slaap nie’ (‘Slaap niet’):

Moenie slaap nie, kyk!
Agter die gordyne begin die dag dans
met ’n pouveer in sy hoed                                                        pauwenveer

En in ‘Bitterbessie’ zijn de paden dwaalwegen, in andere gedichten uitwegen. Dennenbossen vormen herinneringen aan een gelukkige jeugd – voordat ze bij haar vader kwam te wonen, tenminste – , in ‘Bitterbessie’ is het : ‘dennebos vergeet’.
Een spiegel verbeeldt de verdubbeling ten gevolge van de liefde: ‘Mijn omhelzing heeft me verdubbeld (…) // in een kamer ver weg / achter de gemorste herfst / kijken je ogen verdwaasd / naar de spiegel van je lijf’ schreef ze in een gedicht dat ze opdroeg aan André Brink. Hoewel in dit gedicht ook geen sprake is van puur geluk, in ‘Bitterbessie’ is de spiegel gebroken.
Puur geluk vind je in het gedicht ‘Ik herhaal je’. Hier is niet zozeer sprake van verdubbeling, maar van een overvloeien in elkaar: ‘Ik herhaal je / zonder begin of einde / herhaal ik jouw lichaam/ (…) met mijn borsten / die de holtes van jouw handen imiteren’.  (In het Afrikaans luidt die laatste regel: ‘wat die holtes van jou hande namaak’. Ook hier is het origineel weer mooier; vertalen kan ondankbaar werk zijn).

Ook in haar geëngageerde gedichten, als ze zich tegen de Apartheid keert, is de liefde sterk aanwezig. Nelson Mandela maakte haar gedicht ‘Het kind dat is doodgeschoten door soldaten in Nyanga’ wereldberoemd door het (in het Engels) voor te lezen tijdens zijn inauguratie als president in 1994. (Het origineel en de Nederlandse en Engelse vertaling vindt u hier). De laatste regel van dit gedicht, ‘Zonder een pas’, verwijst naar de beruchte pasjeswetten. Bij de demonstraties daartegen schoot een soldaat het kind in zijn moeders armen een kogel door zijn hoofd – Jonker identificeerde zich met de moeder, het kind had haar dochter Simone kunnen zijn, maar, zoals ik al eerder zei, nodig voor het begrip van dit gedicht is deze wetenschap niet. Het heeft een veel wijder bereik.

Het tweede deel van Ik herhaal je, de biografie ‘De dag kent een smalle schaduw’, is onevenwichtig en schetsmatig: zo telt het deels in verhaalvorm gegoten gedeelte tot en met haar elfde jaar twintig bladzijden en de daaropvolgende twaalf jaar tot haar debuut in 1956 acht. Dat kun je Henk van Woerden niet aanrekenen. In zijn verantwoording uit 2000 schrijft hij dat de controverse waartoe Jonker tijdens haar leven aanleiding had gegeven nog steeds actueel was, het Jonker-archief angstvallig werd bewaakt door de erven, op de vier ongepubliceerde  proefschriften over haar een embargo rustte en dat het gedeelte van het archief dat in het bezit was van een neef alleen voor een grote som geld beschikbaar zou worden gesteld. In een noot vermeldt de uitgever dat er na het overlijden van Van Woerden in 2005 veel informatie is vrijgegeven. Een herziene versie van de biografie zou daarom welkom zijn geweest. Ook een volledige uitgave van haar gedichten is wenselijk, maar niettemin is het goed dat er een nieuwe druk van Ik herhaal je is uitgekomen.

***
*Geciteerd in de aanbeveling ‘Lees ook’ in Ik herhaal je.

Recensie van Het wolkenreparatieatelier - Peter Swanborn

Over neteldrift en perelaar

Peter Swanborn
Het wolkenreparatieatelier
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599118
€ 17,50
64 blz.

Peter Swanborn (1963) is één van die Nederlandse dichters die in kleine kring bekend is, zonder echt ‘naam’ gemaakt te hebben zoals bijvoorbeeld Heytze, Perquin, Vegter of Wigman. Door critici werden zijn bundels echter wel opgemerkt. Zijn debuut, Bij het zien van zijn lichaam (2007), werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en zijn tweede bundel, Tot ook ik verwaai (2009), werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Als ‘monument voor een dementerende moeder’ trok deze tweede bundel mijn bijzondere aandacht. Na Het huis woont in mij (2013) verschijnt nu zijn vierde bundel: Het wolkenreparatieatelier.
De bundel kent drie afdelingen: ‘Neteldrift’, ‘Het wolkenreparatieatelier’ en ‘Wantsdagen’. De titels zijn ontleend aan gedichten uit de verschillende afdelingen. Inhoudelijk is het onderscheid tussen de verschillende afdelingen niet zo duidelijk. In alle afdelingen zoomt de dichter in op de vaak stadse natuur. Het is af en toe net een raadspelletje voor de lezer: over welk dier of plantje heeft de dichter het deze keer? Daarnaast zijn een aantal gedichten meer introspectief van aard. Het derde gedicht in de bundel is het eerste dat me vol in het gezicht treft:

Waanidee

Zeven uur stipt. Gezicht onder koude kraan. Pil
nummer één. Krant van de mat. Ontbijtgranen tot
op gram gewogen. Pil twee. Koffie straf in vaste kop.

Acht uur dertig precies, eerste poging tot bestaan
vangt aan. Kaken geschoren, hemd gestreken, klaar
om chaos met orde te wreken. Dwangneuroot, systeem-

fetisjist, ik ben de gevangene die blijft als de wacht
is vertrokken. Die grepen telt, ritme slaat, het raadsel
der schepping in zesentwintig letters denkt te vangen.

Opvallend is het woordje ‘ik’ in r.7. Is dit slechts een ‘lyrisch ik’? Het is het enige persoonlijk voornaamwoord in het hele gedicht. Als portret van een dwangneuroot lag ‘hij’ meer voor de hand. In de laatste twee regels is overduidelijk dat het over een dichter gaat. Een dichter die strijdt tegen al te veel dwang: hij breekt een woord af tussen twee strofen, telt ‘grepen’ in plaats van ‘lettergrepen’ en zondigt tegelijkertijd tegen dit tellen met een regellengte die varieert van twaalf tot vijftien lettergrepen. Een echo van dit portret vinden we terug in enkele verspreid over de bundel staande gedichten. In ‘Weerzien’ lezen we: ‘Vijftig plus, nog woon ik in een wezen voor felheid / van leven bevreesd. Ochtend, middag, deur niet uit.’ In ‘Deductie’: ‘Daal af in het kind dat geen woorden kent, alleen / jij kan erbij.’ En in ‘Zelfportret’: ‘Midden op het plein steigert mijn vuist hoog in / de lucht. Ik roep, wijs, takel liters woede uit talige / bron, maar niemand blijft staan, niemand neemt notie.’ De bundel eindigt met ‘Alle begin is moeilijk’, waarvan de laatste regel luidt: ‘Mij vergapen aan moed en kleur en levenslust.’

Zoals gezegd buigt de dichter zich regelmatig over de kleine natuur. In ‘Vandaag gezien’: ‘bleke, spitse bollensnuit stuwt / omhoog’. In ‘Zwiepslag’: ‘Als puntig geklopt eiwit drijven hun achterlijven / kwartslag gekiept, over weglopende rimpelgolven.’ Dat leidt soms tot niet al te opzienbarende conclusies: ‘Het is allemaal gewoon, niets bijzonders. / Toch is het aanwezig. Zo volmaakt als / het alledaagse kan geen wonder zijn.’ Dit zijn de laatste drie regels uit ‘Hier en nu’, een titel die feitelijk boven elk gedicht kan staan. De dichter belicht de strijd tussen cultuur en natuur, bezingt de veerkracht van de natuur, zoals het zaadje in ‘Hoogwerker’ dat zich ‘tegen de donkerbruine gevel van / het negentiende-eeuwse herenhuis’ heeft ‘genesteld en is uitgegroeid tot / composiet, de lange stengel hol en kaal.’

Pomologie

Hoogstambrigade treurt om winstjagend
dempen van oergenenpoel. Via via volgt
tip over halfdode perelaar in aanstonds

te decimeren bogaard. Entmes in weitas
spoeden broeders pomologen op vroege
zondagochtend richting Achterhoek,

treffen Zoete Brederode aan, decennia
verloren gewaand. Kloofhanden tasten
eerbiedig de eens majestueuze stam, als

een mannenstem aanvangt, een tweede
invalt, in zuivere canon: ‘Schurft aan
dwergteelt! Sijsjespeer in erfgoedsfeer!’

Een braaf cultuurkritisch gedicht, met humoristisch einde. Even googelen leert, dat er verspreid over Nederland diverse hoogstambrigades actief zijn, organisaties die zich inspannen voor het behoud van hoogstamfruitboomgaarden. Op de ‘oergenenpoel’ valt natuurlijk af te dingen, de ‘Zoete Brederode’ is een stoofpeer die waarschijnlijk rond 1800 ontstaan is. Zoals het gezegde luidt: God schiep de wereld, maar de Nederlanders maakten hun eigen land. De dichter gebruikt veel jargon (perelaar, entmes, weitas), dat het gedicht de nodige couleur locale verschaft. Het woord decimeren blijft lastig. Het wordt zo vaak verkeerd gebruikt, dat de intuïtieve betekenis van ‘tot een tiende terugbrengen’ nog wel eens in de Dikke Van Dale opgenomen kan worden.

In een van de laatste gedichten uit de bundel, ‘Residu’, lezen we: ‘Als ik de hele dag rondjes door mijn kamer loop, / heb ik dan tegen middernacht de Vierdaagse gehaald?’ En een paar regels later: ‘wat maakt de wolk tot wolk, het gedicht / tot meer dan de nauwkeurige opeenvolging van zijn regels?’ Nu, dat was precies de vraag die bij het lezen van Het wolkenreparatieatelier zich steeds sterker aan mij opdrong. Volgens het achterplat “bezingt Peter Swanborn de vitaliteit van de natuur, in stad en land”. Maar juist die vitaliteit, de urgentie en levenskracht mis ik in veel van deze gedichten. Er wordt netjes gebinnenrijmd, geallitereerd en aan taal geknutseld (met vondsten als ‘mussenhangplek’, ‘dikbevolkte stad’, ‘ratelend rolkoffergevaar’ en natuurlijk ‘wolkenreparatieatelier’). Daarmee geeft de dichter woorden aan opvallende observaties en inzichten, maar vaak komt een en ander als mooischrijverij, of soms nogal uitleggerig over. Een wat persoonlijk gekleurde conclusie misschien. Hopelijk zijn er lezers die zich meer herkennen in de poëzie van Swanborn, of na het lezen van Het wolkenreparatieatelier met andere ogen door de stad lopen.

***

Lees ook de bespreking van het gedicht ‘Deductie’ op ooteoote.nl

 

 

Recensie van De zee heeft honger - Kira Wuck

De troost van het ongerijmde

Kira Wuck
De zee heeft honger
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057598647
€ 17,50
56 blz.

Is dit genoeg, een stuk of wat gedichten? Wie heeft ooit bedacht, dat je ‘de dingen van je af kunt schrijven’? De teksten in De zee heeft honger stemmen weinig vrolijk. Eenzaamheid, uitzichtloosheid, gebrekkig verlangen, gemis aan intimiteit. ‘Dit zijn zinnen die ik wil lezen voor het slapengaan’ schreef Arnon Grunberg over Finse meisjes, het veelgeprezen debuut van Kira Wuck. Ik ben benieuwd of hij dat ook van deze bundel vindt.

De bundel is onderverdeeld in vier afdelingen: ‘We nemen ons voor te vertrekken’, ‘Levens die door anderen zijn achtergelaten’, ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’, ‘Nachtdieren’. In elke afdeling is een onderliggende thematiek te ontwaren. In de eerste afdeling komen reizen en verte vaak terug, en natuurlijk de uitgestrekte zee:

De zee heeft honger

Als je wilt weten waar mensen wachten
dan moet je peuken zoeken
op het strand liggen
kleine dromen als opgevouwen briefjes

wachten is als de zee
tijd komt naar ons toe
maar kan zich ook van ons keren
als een uitgestrekte droogte

dorst is zo groot dat we hem niet benoemen
zout water kunnen we niet drinken
niemand weet hoelang de zee slaapt
haar dijen zijn altijd koud en gewillig

alles wat we bezitten nemen we mee
beneden zwemmen kinderen zonder honger
het liefste willen we teruggaan naar het moment
voordat alles begon te wankelen

toen wachten nog dromen betekende en
de zee geen honger had

Een sterk beeldend openingsgedicht, met een onderstroom van pijn. Verloren onschuld, een verloren tijd waar we niet meer naar terug kunnen gaan. De slotregels van het driedelige gedicht waar de afdeling haar naam aan ontleent liegen er niet om: ‘we nemen ons voor te vertrekken / maar haken steeds om de beurt af’. De vorm van de gedichten is wisselend. De meeste gedichten bestaan uit meerdere strofen, zonder vaste regellengte of eindrijm. Elke gedicht begint met een hoofdletter, geen punten, slechts hier en daar een komma of dubbele punt. De inhoud staat voorop: ‘Het uitzicht veranderde nauwelijks en / lag er loodzwaar bij’. Of zoals het in ‘Herhaling’ staat: ‘je kunt elke dag / precies dezelfde route lopen (…) een zwerver negeren / onder invloed raken / iemand vinden die eenzamer is dan jij’. Alleen in het gedicht ‘Vlakte’ wordt nadrukkelijk met de vorm gespeeld. De regels staan rechts uitgelijnd, en na de vijfde regel (‘voortaan alles achterstevoren doen’) worden de regels in omgekeerde volgorde herhaald, waarbij door de veranderde volgorde een betekenisverschuiving optreedt. De slotregel verschilt subtiel van de openingsregel: ‘hoe moet je een aanloop nemen als je niet weet waar de vlakte eindigt’ verandert in ‘hoe moet je een aanloop nemen als je niet weet waar de vlakte begint’. Eind en begin zijn omgedraaid, de machteloosheid blijft.

De afdelingstitel ‘Levens die door anderen zijn achtergelaten’ is de enige van de vier die niet letterlijk in één van de gedichten terugkomt. Eenzaamheid en onvermogen spelen een belangrijke rol, zowel van de ik-persoon als van andere personages. In ‘Vachtdieren’ lezen we: ‘terwijl de dood aan me hangt houd ik de moed erin’. En in het volgende gedicht: ‘Ik verzin brieven / zo uitvoerig dat ik ze nooit schrijf’. Een paradoxale frase, want door de bundel worden we van veel onzegbaars deelgenoot gemaakt: ‘wanneer wilde ik voor het laatst iets zo graag / dat ik er beschadigd door zou kunnen raken’. De laatste twee gedichten van de afdeling hebben wel iets van een tweeluik. Het gedicht op de linkerpagina heet ‘Minste van beide’, het gedicht op de rechterpagina is titelloos. In beide gedichten zwaait de ik (links) of moeder (rechts) uit het raam, beiden lijken te verlangen naar en te worstelen met intimiteit.

De derde afdeling heet ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’. Deze titel komt terug in het titelloze openingsgedicht:

Vroeger ging ik vaak naar het asiel
geblaf scheen als lichtstralen door de tralies
het verlangen om aangelijnd te worden

nog somberder werd ik
van vrouwen die zorgeloos van de zonnebank kwamen
onder hun huid het breken nabij
een weeïg gevoel van schaamte welde op

ook keek ik toe hoe moeders die niet de mijne waren
op hun dochters wachtten
Laika die de ruimte in werd gestuurd en niet meer terugkwam

De omslag in de vierde regel, met de tegenstelling ‘lichtstralen’ – ‘nog somberder’, is zo sterk, dat het gebrek aan logica van regel drie niet snel opvalt. De formulering ‘het verlangen om aangelijnd te worden’ is een menselijke projectie van het lyrisch ik. De jankende honden verlangen naar vrijheid, ‘aangelijnd te worden’ komt in de verste verte niet in hen op. De hierna volgende cyclus ‘Beloftes over eten en gegeten worden’ is de meest romantische uit de hele bundel. De titel De zee heeft honger klinkt op de achtergrond door in regels als ‘Hier kunnen we elke dag zeewier tussen de rotsen uit trekken’ en het wrange slot ‘je jaagt me de zee in als een dier / met beloftes over eten en gegeten worden’.

De titel van de laatste afdeling is een subtiele variatie op die van het eerder aangehaalde gedicht ‘Vachtdieren’. ‘Nachtdieren’ handelt over pijn en tekortschieten, en natuurlijk over slapeloosheid. In ‘Insomnia’ heet het ‘We weten ons geen raad met de hoeveelheid licht / die onder onze huid jeukt’. Het slotgedicht vat de verschillende thema’s van de bundel kernachtig samen:

Ik wring mij tussen ribben en
leef dankzij de goedheid van anderen
zo verplaats ik mij van lichaam tot lichaam
als een ziekte die zich langzaam verspreidt
zit ik onder je leden
en laat niet meer los

kon ik maar slapen als een dier
diep en toch paraat

De zee heeft honger is geen fijne lectuur voor het slapen gaan. Eerder is het een verslag van een voortgaande worsteling met de ongerijmdheid van het bestaan. De taal is daarbij een hulpmiddel, die slechts af en toe op de voorgrond treedt, zoals in ‘als iedereen sliep haalde je Dostojevski en whisky tevoorschijn’, een binnenrijm waar Annie M.G. Schmidt jaloers op zou zijn. Of de plotselinge alliteratie in ‘Hanoi’: ‘In een goedkoop hotel, waar de muren met je meebewegen / kijken katten koortsachtig uit hun ogen’. Maar we vinden ook slordige enjambementen, zoals in de eerste regel van bovenstaand gedicht. En het feit dat slechts zestien van de zesentwintig gedichten een titel dragen komt ook enigszins als een zwaktebod over. Was het niet mogelijk om een geschikte titel te vinden voor die tien verweesde verzen? De kracht van de poëzie van Wuck ligt in de rake observaties en onverwachte schakelingen. De voorkant van de bundel brengt de absurditeit scherp in beeld. Fragmenten van schoonheid, waar we nog lang wakker van kunnen liggen.

***
Kira Wuck is Nederlands Kampioen Poetry Slam 2011. Zij debuteerde in 2012 met Finse meisjes, waarvoor zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs ontving. In 2015 verscheen haar verhalenbundel Noodlanding. De zee heeft honger is haar tweede poëziebundel.

Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Mammie - Ronelda S. Kamfer

Er was altijd leven in mijn moeders huis

Ronelda S. Kamfer
Vertaler: Alfred Schaffer
Mammie
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598739
€ 21,50
128 blz.

Er zijn dichters die gedichten schrijven vanuit hun herinneringen zonder dat ze die verzen verfraaien met metaforen, rijm- en metrumvormen en allerlei stijlfiguren. De werkelijkheid die zij in hun poëzie publiceren, is op zich al bijzonder of schokkend genoeg. Hun gedichten behoeven geen aankleding of decoratie, ze confronteren de lezer direct met hun eigen persoonlijke historische realiteit. Mammie van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer is zo’n dichtbundel. De uitgesponnen, soms haast prozaïsche teksten presenteren een meedogenloze, rauwe wereld, waarin de dichteres de dood van haar moeder probeert te verwerken en er betekenis aan te geven. En dat in een land waar de dood op allerlei wijzen voortdurend op de loer ligt.

Ronelda Kamfer is een dichteres die midden in de culturele wereld van nu staat. Dat blijkt al meteen uit de motto’s die aan de bundel meegegeven zijn. Engelstalige fragmenten uit songs van REM (‘Nightswimming’), Elbow (‘The night will always win’) en van de jong gestorven rapper Tupac Shakur (‘Dear Mama’) leiden de bundel in. Ook in de gedichten zelf zijn talloze verwijzingen naar namen van personen in deze tijd, zoals in ‘Vetste vliegen’, een gedicht over ‘een nieuwe species / van bruine meisjes in vintagekleren’. Kamfer noemt de zwarte auteurs Idris Elbas en Alice Walker, de zangeressen Grace Jones en Jill Scott, actrice en filmmaakster Lupita Nyong’o en Michelle Obama. Echter, de meeste gedichten gaan over het leven en de dood van haar moeder, haar eigen jeugd, de opvoeding door haar grootouders en de broze relatie met haar zus. Haar moeder is een voorbeeld voor haar. Ze heeft veel, zo niet alles van haar geleerd:

Lage levens

er was een vrouw in mijn leven
die zo vaak was verraden
dat haar hart een cirkel was
ze wreef haar vernederingen
samen met haar badolie
in haar huid
ze was mijn moeder
en ze leerde mij
om niet van mezelf
te houden

Veel gedichten gaan over het moment van het sterven van Kamfers moeder zelf. De beleving, het verdriet en de rouw bepalen de sfeer van die gedichten. Voortdurend wordt daarin het gemis van de moeder voelbaar. In het gedicht ‘Moeder’ is het onder andere haar man die haar mist: ‘mijn vader doet zijn best een goede moeder te zijn / hij koopt geregeld een heleboel groente / maar er is niemand die kookt’. Haar afkomst, haar grote familie, het gewelddadige leven in Zuid-Afrika, haar school, de schoonmaakbanen en de gevangenis zijn onderwerpen die in de poëzie van Ronelda Kamfer op epische wijze uitgewerkt worden. Ook godsdienst, discriminatie, criminaliteit, seksualiteit en haar schrijverschap dat zich plots ontwikkelt, zijn vervlochten met de persoonlijke belevenissen van de dichteres.

Een enkele maal zet Ronelda Kamfer gebeurtenissen uit haar jeugd tegenover het heden, zoals in het slotgedicht met de titel ‘Wees lief voor elkaar, pas op haar, Neldie, ze is je zus…’. De titel heeft het karakter van een letterlijke uitspraak van de moeder van Ronelda. Het eerste deel gaat over het weglopen van haar zus Allisen – ze is nog heel jong – uit een speelgoedwinkel. De paniek van haar moeder is groot, ze bedreigt Ronelda: ‘ik herinner me dat mijn moeder terugkwam / me vastgreep en zei / als Allisen weg is maak ik je dood’. Het tweede deel, dat jaren later plaatsvindt, is confronterend. Weer is haar zus weg, maar nu zijn de omstandigheden anders:

mijn zus is nu al twee maanden vermist
ze is aan de drugs
ze steelt
ze papt aan met gangsters
ze heeft haar kind bij mij achtergelaten

En weer hoort de dichteres haar moeder dreigen wanneer ze de slaap niet kan vatten. De angst, het verdriet, het geweld, het houdt nooit op, niet in de werkelijkheid van alledag, niet in haar herinneringen, niet in haar dromen en dus ook niet in haar gedichten. Mammie is de willekeurige stapeling van gedichten die de chaos in het leven van Ronelda Kamfer verwoordt, zonder opsmuk en al helemaal niet chronologisch. Mooi is het citaat van haar moeder, dat voorafgaat aan de gedichten: ‘Ronelda, je bent en blijft mijn kind tot de dag dat de maan een andere naam krijgt’.

De bundel, die 77 gedichten bevat, is niet ingedeeld in afdelingen. Na de gedichten die door Alfred Schaffer vertaald werden, zijn in een kleiner lettertype de Zuid-Afrikaanse verzen geplaatst. Een versie met de oorspronkelijke gedichten links en de vertaling op de rechter pagina ernaast, zou functioneler geweest zijn. De lezer moet zeker de moeite nemen om deze poëzie in het Zuid-Afrikaans te lezen, het is een prachtige taal. Waarschijnlijk heeft de uitgever dat naast elkaar plaatsen van de gedichten niet gedaan om de kosten te drukken. Achterin de bundel is een handzame, verklarende woordenlijst opgenomen. Ik begrijp dat de uitgever de bundel van deze nog niet zo bekende dichteres wil promoten, maar de voor- en achterkaft vol zetten met aanprijzende citaten van Adriaan van Dis, Antjie Krog, Christine Otten en Maartje Wortel, stoort me. De poëzielezer is heel goed in staat de hoge kwaliteit van deze toegankelijke gedichten zelf te ontdekken, zonder al deze aanbevelingen.

***
Ronelda Kamfer werd in 1981 in Blackheath in Kaapstad geboren. Vanaf haar derde jaar groeide ze op bij haar grootouders, op haar dertiende ging ze weer bij haar ouders wonen in Eersterivier, een township op de Kaapse Vlakte. De gedichten in Noudat slapende honden (2008) handelen over het dagelijkse leven. In de dichtbundel grond/Santekraam (2011) vertelt ze het verhaal van haar familie en de wereld waaruit deze met geweld verdreven werd. Hammie (Mammie), waarin haar overleden moeder een belangrijke rol speelt, verscheen in 2016. Ronelda Kamfer heeft een dochter, Seymour. Haar laatste twee bundels zijn door Alfred Schaffer vertaald in het Nederlands.