Recensie van Zo kan het niet langer - Paul Bogaert

Hoe dan wel?

Paul Bogaert
Zo kan het niet langer
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102834
€ 19,99
64 blz.

Paul Bogaert is een lastpak, dat was mijn eerste indruk nadat ik zijn Zo kan het niet langer even snel en met groeiende ergernis had doorgebladerd. Ik had gehoopt poëzie in handen te hebben waar ik me aan kon warmen, maar dat bleek een misrekening. Ik kreeg de indruk voor de gek te worden gehouden; de kleren van de keizer. (Paul Bogaert is een gelauwerd dichter, die voor eerdere bundels de Poëzieprijs van de Vlaamse gemeenschap en de Herman de Coninckprijs won en in 2010 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs). Warrige en onzorgvuldig geschreven teksten. En bovendien, de op het achterplat aangekondigde geestigheid kon ik niet ontdekken. De gedichten leken me in een dronken bui zonder zelfkritiek op het papier gesmeten. Geen samenhang, geen houvast.

‘Bierfiets 3’ (Het derde in een cyclus van zes gedichten).

Als na verloop, dus ja,
van tijd  {  Bijlange niet  x2  + Bx
       Ik mix whisky in de whiksymixer  }  een paal

Ons en de gemoederen dwingt
Tot rechtsomkeert in Comic Sans (alles

Héél erg wysiwyg)-  Tè-rug!  Tè-rug!  -zet iemand
    (tot dan al 3 kwartier een dirigent) zijn tanden in
    (Patsy???) de opblaaspop.

Elke rollator lokt een   *Yolo*  uit en één grote
[*door Van Dale in euh… 2012 genomineerd]
Één grote collectieve teug, wie moet de slipmuts nu

Aàn-doen  Aàn-doen!  De wind grijpt

het plastic…weg; scandeert er iemand van
       HOER-over-boord  door door dehandpalmmegafoon.

Anderen werken ondertussen
aan een definitieve visietekst,
leveren goederen
of geven bloed.

Vertwijfeld overwoog ik de bespreking van deze bundel aan een ander over te laten, maar besloot uiteindelijk me er toch in te verdiepen en het zelf te proberen.

En gelukkig, want na het meermalen herlezen van deze poëzie werd stilaan duidelijk dat het alleen de bedoeling is om de lezer te laten delen in Bogaerts dichterlijke manier te breken met de structuur en de samenhang van zowel maatschappelijke gesteldheden als die van de taal. De titel Zo kan het niet langer is niet ironisch bedoeld maar dient serieus in dat licht te worden gelezen.
De titelgedichten, drie stuks, illustreren treffend zijn afkeer van bureaucratie en al wat ingesleten is. Hier een gedeelte van het tweede:


Zo kan het niet langer

Eindelijk, het nieuwe jaarverslag!
De ragfijne terzijdes, de rondzwevende haakjes.
Het constante geschud en gezift. Het gespin
over het zeven van de verbeteringen
en het verbeteren
van de zeven. Het geklingklang aan de mond
van de clichéoven. (…)
De walm rond de vaten met overdatumerrata.
Men overleeft het niet zonder ventielen en zware massages.
Jaja, het is hard werken in de uitsloverij.

De Poëziekrant noemt Bogaert de Messi van de Vlaamse literatuur; een deels rake vergelijking want inderdaad ook Messi ontsnapt graag aan de gangbare wetten, in zijn geval met die van het voetbal, waardoor hij ongrijpbaar wordt; evenwel, hij heeft daar een doel mee, namelijk om te kunnen scoren of een medespeler daartoe in staat te stellen. Ik vraag me af wat het oogmerk van Bogaert is. Is het bij hem niet een doelloze onderneming? Wordt het middel tot doel verheven? Je zou het denken want op het opstandige motto ‘Zo kan het niet langer’ is de vraag gerechtigd ‘Hoe dan wel?’ en daar kreeg ik, afgezien van wat speelse taalprobeersels geen antwoord op.
Deze vraag dus maar laten voor wat hij is en genoegen nemen met zijn pogingen te ontsnappen aan hem beknellende conventies en taboes.
Dat lukte me redelijk; ik kan nu zelfs grinniken om het eerst geciteerde gedicht uit ‘Bierfiets’.

Maar de raadsels blijven en ik ben niet de enige bij wie de gedichten vragen oproepen, Bogaert zelf stelt ze eveneens, veelvuldig zelfs, en zonder deze te beantwoorden: ‘Wat betekenen de kopzorgen (…) Wat behelzen de kwaaltjes (…) Wat stellen de ontgoochelingen voor (…) Wat is het verschil tussen de paniek / van personen met een problematische visionaire geaardheid / en het onbehagen / van personen met een hier-en-nu-verleden?’
En ook komt men herhaalde malen ‘zou je denken’ en ‘wat te doen’ tegen.
Vraagtekenpoëzie van alle kanten.

Onlangs hoorde ik op de cultuurzender radio 4 iemand het hier voor een deel aangehaalde titelgedicht voorlezen. Hij was vol lof zonder uitleg waarom en struikelde tijdens zijn voordracht over woorden als ‘overurenwinkelmandje’ en ‘overdatumerrata’. In ademnood sprak hij de laatste regel uit en was daarna duidelijk opgelucht.   
Ik kon met hem meevoelen.

Recensie van We komen van ver - Carmien Michels

We leven geen kladversies

Carmien Michels
We komen van ver
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102919
€ 19,99
80 blz.

Dit is me na het lezen van de bundel We komen van ver van Carmien Michels duidelijk geworden: deze poëzie moet vooral voorgedragen en beluisterd worden. Het zelf lezen van deze gedichten is daaraan ondergeschikt. Carmien Michels is een uitstekende slammer. Veel gedichten van haar zijn stromen van woorden, die met een persoonlijke dynamiek en toon vanaf het podium gebracht kunnen worden. Ongetwijfeld zullen ze bij een daadwerkelijke performance in een stroomversnelling terechtkomen en reacties vanuit de zaal oproepen. Slammen is per definitie verbaal en visueel spektakel. Maar deze gedichten een voor een lezen werkt vertragend, omdat je als lezer het allemaal in één keer wil begrijpen en verklaren. Voordat je het weet is dan het lot van deze gedichten stilstaande poëzie en dat verdienen de verzen in deze bundel niet. De toegankelijkheid van deze poëzie wordt vooral bepaald door de sfeer, de snelheid en de muzikaliteit. Met deze gedichten moet je de toehoorder overdonderen en ze niet op papier aan de lezer voorleggen. Dit is nou zo’n bundel waarbij ik me afvraag: waarom geen CD of liever nog een CD-ROM uitgegeven, met het tekstboekje erbij als extra? Dat doet meer recht aan deze poëzie. Maar ik weet het: ook de opmerkelijke poëzie van slammers zal in papieren bundels terechtkomen. Het lijkt het lot van elke slammer die bijzondere teksten schrijft en dat doet Carmien Michels zeker.

De gedichten in deze bundel zijn qua onderwerp ondergebracht in tien afdelingen. Het gedicht met de titel ‘Middenrif’ in de derde afdeling ‘Eindelijk aarde’ roept meteen een bekend beeld op:

Een aangespoeld kind in garnaalpose
de golf zo woest dat hij mijn ogen brak
ik keek weg tot alles was opgeruimd
en ingebeeld

De foto van de verdronken driejarige Aylan Kurdi, aangespoeld op het strand van het Turkse Bodrum is de gehele wereld overgegaan. Het beeld dat we allemaal hebben van dit kind in een ‘garnaalpose’ is mooi uitgewerkt in deze strofe met de verschuiving van het breken van de ogen van het slachtoffer naar de ik-figuur en met de dubbele betekenis van ‘ingebeeld’, namelijk ‘in je fantasie denken dat het waar is’ en ‘in beeld brengen’. Ook de Klaagmuur in Jeruzalem (‘een gevierendeelde stad’) in dit gedicht is herkenbaar. De dichteres ziet mogelijkheden: ‘Als je de wereld tot droom verbouwt / heb je geen last van nachtmerries / motief voor de muur’. Dromen blijven overeind, muren kunnen geslecht worden. Ze stelt in het gedicht wel voorwaarden aan deze verbouwing tot droom: ‘Vergeet het indutten’ en ‘We leven geen kladversies’. Aan het eind van het gedicht stelt ze vast

We bouwen muren bij en leren prevelen
van de oude vrouw die briefjes uit gleuven steelt
vrede smeekt en geruchten doodslaat
vliegen die de krantenkoppen niet halen

Carmien Michels laat zich inspireren door de steden Münster, Parijs, Caïro en Montreal waar ze verblijft, graaft diep in haar eigen jeugd en familiegeschiedenis en gaat op een eigenzinnige manier met de liefde om. Aan de ene kant krijgt het toeval bij haar een plaats in haar gedichten, aan de andere kant zoekt ze bewust naar beginpunten waar het met de ontwikkeling van allerlei zaken fout is gegaan. In het gedicht ‘Het begon’ presenteert ze vijf historische data waarop het geweld op verschillende plekken op de wereld begon en de mensen op de vlucht sloegen om uiteindelijk vast te stellen dat al deze momenten door ‘onze aders onze voorvaders’ met elkaar verbonden zijn. Met andere woorden: het geweld houdt nooit op. De geschiedenis bestaat niet uit gewelddadige momenten, maar uit verbindingen van gewelddadige momenten die allemaal op elkaar lijken.

Die zoektocht naar haar voorouders en haar jeugd vindt de lezer niet alleen in de gedichten van de eerste afdeling ‘Vacuümbaby’ terug, maar ook in het gedicht ‘Jimmy’. Het was het openingsgedicht van haar optreden op de Nacht van de Poëzie 2017. Mede door haar bijzondere wijze van presenteren heeft dit gedicht bij veel bezoekers een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het is een van de kerngedichten van deze bundel, niet alleen door de aanstekelijke Vlaamse toon (‘Weet ge nog Jimmy…’), maar het beschrijft de lessen die de ik-figuur en Jimmy in hun jonge jaren geleerd hebben of hadden moeten leren. Er is van hun zijde een behoefte aan rust, aan stilte, maar ze komen beiden terecht in de hectiek van het volle leven. Ze staan ‘op de barricades’ en gooien ‘een stinkbommeke naar de flikken’. Mooi is de geleidelijke ontwikkeling in het gedicht van het kinderlijk naïeve in ‘de vooravond van het echte leven’ naar de felle, opstandige toon aan het slot: ‘De afwijking in het systeem Jimmy / de afwijking zijn wij’. 

In de afdeling ‘Blauwe beloftes’ dicht Carmien Michels in het gedicht ‘In Memoriam’ enigszins berustend: ‘alle vrouwen weten dat ook mannen verwelken’ en ‘dat beloftes op het sterfbed van de liefde altijd ijdel zijn’. Het voortgaan van de tijd is een vijand van de liefde, ‘die ander’ een stoorzender pur sang, maar het is een geluk ‘dat de liefde steeds opnieuw wordt geboren’. Zo ziet Michels dat. Opwekkend zijn de liefdesgedichten, waarvan er enkele in sonnetvorm zijn geschreven bepaald niet. Titels geven dat al aan. ‘Middelmatige mannen’, ‘To kill or not to kill’ en ‘Kreupelhout’ zijn wat dat betreft veelzeggend. Van het gedicht ‘Britse oma’s’ werd ik wel vrolijk:

Die Britse dame
die op zondag aan ballroomdansen deed
zo aan haar wekelijkse wip kwam
in de Royal Festival Hall

Zwiepend met haar kunstheup
ouwe geiten zijn het geilst around noon

Een gedicht met een verrassende afloop. Dit ontdek ik op de valreep. Carmien Michels kan ook de humor als wapen hanteren. In veel gedichten is zij (terecht!) boos op van alles en nog wat, maar vooral op de wereld waar zij met haar levensvisie niet inpast. Zaken relativeren, een satirische benadering van de werkelijkheid kan de dichteres lucht geven. Hier ligt voor haar nog een wereld open. We komen van ver is een opvallende debuutbundel met kwalitatief goede gedichten. Iets strenger selecteren bij de samenstelling van deze bundel zou welkom geweest zijn. Niet alle gedichten overtuigen, sommige blijven echt ontoegankelijk en het verschil tussen de beste en de minder geslaagde gedichten is soms te groot. In de toekomst valt nog veel mooie poëzie van Carmien Michels te verwachten, maar ‘Vlieg niet uit voor de storm / beklim de zon op armkracht’.

***
Carmien Michels (Leuven, 1990) is schrijfster en performer. In januari 2016 werd ze Nederlands kampioen Poetry Slam. Op het wereldkampioenschap Poetry Slam in Parijs haalde ze in mei 2016 de derde plaats. Sinds november 2016 is ze Europees kampioen in deze discipline. Haar debuutroman We zijn water verscheen in 2013. Haar tweede roman Vraag het aan de bliksem kwam in 2015 uit. De bundel We komen van ver is haar poëziedebuut. Carmien Michels ontwikkelde diverse projecten met anderen uit de theater- en museumwereld. Ook richt ze zich als woordkunstenaar op doelgroepen als anderstalige nieuwkomers, kinderen in psychiatrische ziekenhuizen en mensen in armoede.

Recensie van Willem Elsschot. Dichter - Koen Rymenants & Carl de Strycker

De bijvangst van een prozaïst

Koen Rymenants & Carl de Strycker
Willem Elsschot. Dichter
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102902
€ 22,50
304 blz.

Willem Elsschot is nationaal erfgoed. Voor Vlamingen én Nederlanders. De schrijver die zijn werk aan het begin van de 20-ste eeuw maakte, leefde onder zijn echte naam Alfons De Ridder van 1882 tot 1960. Hij wordt beschouwd als één van de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Elsschots werk wordt nog steeds verkocht en nog steeds gelezen. Er wordt ook ontzettend veel óver hem geschreven. Elsschot is een drieëenheid: de huisvader, de zakenman en de schrijver. En al die losse elementen liepen nauwelijks door elkaar, hoewel zijn biograaf Vic van de Reijt daar wat genuanceerder tegenaan kijkt. Hoe dat allemaal werkte en wat zoal zijn werk heeft beïnvloed, overal zijn studies over gemaakt of zijn nog in voorbereiding. Er is zelfs een Willem Elsschot Genootschap  dat elke vorm van studie stimuleert over zowel de persoon Alfons De Ridder als het werk van de auteur Willem Elsschot.

De bundel Willem Elsschot. Dichter, verzorgd door Koen Rymenants & Carl de Strycker past in die reeks publicaties. De auteurs hadden graag een vraagteken achter de titel gezet, want dat is wat wordt onderzocht. Elsschot heeft vooral zijn naam en faam te danken aan zijn proza. Van zijn gedichten is ‘Het Huwelijk’ een monument geworden, maar de rest was vast in de vergetelheid geraakt als Elsschots naam er niet aan was verbonden. In Pfeijffers bloemlezing van 2016 komt Willem Elsschot niet eens voor en dat is gek omdat hij in zijn inleiding aangeeft toch ook wat gedichten opgenomen te hebben die dan wel in zijn ogen ‘objectief slecht’ zijn, maar die zo bekend zijn ‘dat ze tot ons collectieve poëtische geheugen zijn gaan behoren’. Dat geldt natuurlijk zeker voor ‘Het Huwelijk’!

Kijken we naar de omvang van Elsschots dichterlijke oeuvre: mijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk bestaat uit 770 pagina’s. Daarvan zijn er 27 gevuld met poëzie. Dat is minder dan 4%! De samenstellers op pagina 11: ‘Dat Elsschot enkele klassiek geworden, vaak gebloemleesde gedichten schreef én een aantal onsterfelijke regels aan het taalgebruik toevoegde, is des te opmerkelijker omdat hij eigenlijk maar één dichtbundel publiceerde. In zijn oorspronkelijke vorm – Verzen van Vroeger (1934) – bestond die uit slechts tien gedichten, de definitieve versie – het deel Verzen (2004) in de wetenschappelijke editie van het Volledig werk – telt er nauwelijks meer dan twintig. Al met al blijft Elsschots poëzie dus de bijvangst van een prozaïst.’

Over dat oeuvre worden, naast de inleiding, 24 artikelen geschreven, samen goed voor meer dan 300 pagina’s. Elk gedicht krijgt een eigen verhaal vanuit degelijk wetenschappelijk perspectief want de meeste auteurs zijn verbonden aan de universiteiten van België en Nederland en hebben allemaal ervaring met het werk van Willem Elsschot. Die enorme deskundigheid maakt het boekje dan ook wat zwaar te verteren op zijn tijd. Gedichten worden tot op het bot gefileerd, elke afwijking in het ritme heeft een betekenis, elk woord wordt met al zijn betekenissen afgezet tegen het geheel. En niet alleen de gedichten zelf kennen grondige analyses. De auteurs kennen het hele oeuvre en dus worden er verbanden gelegd met het proza. De geest van Laarmans, een van de alter ego’s van Elsschot, komt regelmatig opdraven. Er zitten elementen uit gedichten in Lijmen en in Kaas en dat geldt andersom ook. De dichter Elsschot is interessant vanuit de optiek van de prozaïst Elsschot.

Zelfs het artikel over ‘Het Huwelijk’ van Paul Claes, zelf dichter, is zwaar op de hand en dat terwijl het drie grappig bedoelde bewerkingen behandelt. Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Tom Lanoye schreven gedichten met een duidelijke verwijzing naar het origineel. Ze worden gemangeld: onbeholpen alexandrijnen, platheid, oubollige leukigheid, stroef en clichématig, een kaakslag voor de subtiele stilist Elsschot, ongelukkige wendingen. Claes: ‘Het is een pikant experiment de kwaliteit van het model aan te tonen door het te vergelijken met de imitatie. De beste strofe van Lanoye is de vijfde, waarin maar één woord is veranderd.’ Handen af van meester Elsschot, zelfs een geintje wordt niet gewaardeerd…

Maar hoe subtiel was dichter Willem Elsschot eigenlijk? In zijn proza staat dat buiten kijf maar in zijn gedichten zijn passages aan te treffen die zo uit een smartlap komen wandelen. In de bijdrage van Hans Vandevoorde over ‘Bij het Doodsbed van een Kind’ lezen we dat Elsschot kennis moet hebben gehad van de Rotterdamse zingende volksdichter (singersongwriter noemen we dat tegenwoordig) Koos Speenhoff. In die context krijgen de sentimentele en harde beelden veel meer een betekenis. Over dat stervende kind:

(..)

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of ‘t waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.

En de vierde strofe van ‘Spijt’:

(…)

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vleesch zat er nog aan.

(…)

En dat gaat dan over de moeder van de lyrische ik. Een vrouw die hij bemint en bewondert. Veel van zijn gedichten zijn gericht aan zijn moeder. Zelfs het gedicht gericht aan zijn echtgenoot Fine is eigenlijk gericht aan de moeder Fine, die toch ook een beetje de moeder van de echtgenoot was. En in al die gedichten klinkt spijt door. Spijt voor eerder handelen of juist het uitblijven van handelen. Dezelfde spijt die ten grondslag ligt aan Lijmen en Het been. Daar is veel over te schrijven en dat hebben de deskundigen dan ook gedaan. De Elsschotbibliotheek is uitgebreid met nieuwe inzichten. Boeiend voor Elsschotfanaten, iets minder voor poëzieliefhebbers.

***
Koen Rymenants (1977) promoveerde op het proza van Willem Elsschot en is bestuurslid van het Willem Elsschot Genootschap. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de subfaculteit Literatuurwetenschap van de K.U. Leuven. Carl de Strycker (1981) is directeur van het Poëziecentrum (hét kennis- en expertisecentrum in Vlaanderen en Nederland voor Nederlandstalige poëzie, buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling, Nederlandstalige poëzie vertaald in andere talen en Zuid-Afrikaanse poëzie). En hij is hoofdredacteur van de Poëziekrant.

Poëzie Kort 2017 / 7

 

Jozef Deleu (red), Het liegend Konijn 2017 / 2

Het Liegend Konijn 2017 / 2 voldoet weer aan al mijn verwachtingen. Alleen al bij de ‘B’ tref ik veel van mijn gading aan: Benno Barnard staat erin met zes gedichten die zonder uitzondering uit strofen van drie regels bestaan en daarom traditioneel aandoen. Dat is geen negatief waardeoordeel: ik vind ze heel aantrekkelijk. Uit twee ervan blijkt zijn voorliefde voor het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog, belichaamd in de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije; zijn gedicht over Bob Dylan is scherp en vermakelijk. De gedichten van Maarten Buser doen je verlangen naar een tweede bundel en datzelfde geldt voor die van Hannah van Binsbergen. En over de zes gedichten van Anneke Brassinga hoef ik niets te zeggen.

Zeven van de dichters hebben nog geen bundel gepubliceerd: Julie Beirens, Hester Eymers, Astrid Haerens, Else Kemps, Bartho Kriek, Leen Pil en Tania Verhelst. Else Kemps is de jongste onder hen: ze werd geboren in 1995. Van haar zijn terecht zeven gedichten opgenomen. Drie daarvan vormen een korte serie van drie onder de vrolijk stemmende titel: ‘leren relativeren met Piepmiep Paula en Bikkelboy Bob’. Twee strofen uit gedicht II, dat speelt in het onder schooltijd geopende recreatiebad:

in het diepe hing Agressieve Angelo
wat rond – zijn toegangsverbod verlopen, het hakenkruis
op de kluisjes overgespoten.

we keken hoe zijn handen afdreven
richting bikinitopjes, kochten ijslolly’s
groot genoeg om achter te lachen

Die ijslolly’s. Prachtig. Ziet u die kinderen voor u?

Nog jonger is Jante Wortel (1996). Zij heeft al een bundel gepubliceerd: Als de vogel door het glas vliegt. Een gedicht om te onthouden vind ik ‘mijn vloeibaar’ (wat niet betekent dat de andere gedichten niet goed zijn). Dat zit hem vooral in de laatste regel, die een versterking is van de voorgaande en bovendien dubbelzinnig en daardoor onheilspellend is:

ik zoek naar een lichaam om mijzelf in te bewaren
het omhulsel van wat ooit een meisje was
opengeritst bij haar voetzolen, uitgehold en leeggezogen

ze laat zich hervullen

ik wring mezelf uit om te passen
iets aan te trekken dat niet van mij is
maar dat wel kan worden

één regel
er mag geen loze ruimte overblijven

er mag niets overblijven

Het probleem met een bloemlezing is dat je op veel meer dichters de aandacht wilt vestigen dan mogelijk is. Eentje nog: Maarten Inghels. Hij schreef een serie gedichten over de acht avonden na ‘zijn’ dood, waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten van het ‘Internationaal Genootschap der Officiële Dubbelgangers van Inghels.’ Hij weet hier hilariteit te koppelen aan wat het lyrisch ik als dichter wil en wat voor problemen het daarbij tegenkomt. Het komt allemaal neer op het verlangen ‘om in het geheim gezien te worden en tegelijkertijd / anoniem te blijven ( … ) Mijn dubbelgangers gaven mij de kans te ontsnappen / Mijn dubbelgangers gingen om mij heen staan en vormden een rookgordijn’, schrijft hij in ‘De zesde avond na mijn dood’. Dat lijkt makkelijk, maar is het niet. In ‘De achtste avond na mijn dood’ schrijft hij: ‘Het grootste probleem is echter de beheersing van de verdubbeling / Mijn dubbelgangers zijn voortvluchtige schaduwen / Mijn dubbelgangers zweven als schimmen door mij / Mijn dubbelgangers lopen over mij heen als spookvoetgangers’. Misschien is hij ook de versnipperde dichter in een versnipperde tijd: ‘Ik ben de confetti van de 21e eeuw’, luidt de laatste regel.

Het gaat goed met de Nederlandstalige poëzie.

***
Het Liegend Konijn 2017 / 2. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 237 blz. € 20,00

 

Atze van Wieren, Eeuwig leven

Eeuwig leven is de derde bundel van Atze van Wieren. De bundeltitel doet natuurlijk een religieuze thematiek vermoeden en dat wordt nog versterkt door de titels van de twee afdelingen: ‘Heden en verleden’ en ‘Later’.
Dat is ten dele zo. In de bundel spreekt een dichter met een religieuze jeugd, die in zijn volwassen leven mede is gevormd door de kennis van neurologie, kosmologie en filosofie – aan elk van deze disciplines besteedt hij aandacht. We zien een zoektocht naar een synthese. Zijn religieuze achtergrond laat hij niet achter zich; we zien in het eerste deel op verschillende manieren dat het heden zonder het verleden ondenkbaar is. Wel beseft hij dat het traditionele geloof voor hem verleden tijd is. In het gedicht ‘Kerk te Gerkesklooster’ leidt de kerkvoogd het lyrisch ik rond. Echt levendig is het er niet: ‘een psalm sterft hier door ademnood. // We klimmen omhoog. Op zolder rekwisieten / voor het geloof: de lege kribbe, / de engeltjes van bordkarton.’
Een voorbeeld van de synthese zien we in het gedicht ‘Roepen’ uit het eerste deel. Naar aanleiding van de dood van zijn vader en moeder schrijft de dichter:

God in mij werd alsmaar kleiner,
tot hij – Spinoza zij geloofd –
herrees en alomvattend schijnt te zijn.

Aldoor groter het heelal,
er is geen einde, geen begin,
ik ben een oogwenk nergens tussenin

Het is geen definitief antwoord. Gelukkig niet, want dat zou afbreuk doen aan de bundel. Vooral in de tweede afdeling volgen wij zijn zoektocht. In ‘Vraag’ zie je een van de antwoorden die hij overweegt, maar bevredigend is het niet.

Mijn onderdelen vallen uit elkaar.

Geen nood, atomen maken om
het even waar hun vreugdedans.
Mijn eiwit valt uiteen tot hergebruik.
Een bacterie stribbelt nogal tegen
maar vindt geheid een nieuw tehuis.

Ja, er is veel eeuwigheid in mij.

Maar zeg eens, waarheen gaat de pijn
waar stapelt zich het hartzeer op
waar moet je voor mijn liefdes zijn
en waar blijft het lied in mijn mond,
is er een pakhuis voor dakloos geluk?

Zeg me, waar gaat verlangen heen.

Er zijn ook gedichten waarin deze vragen niet spelen. In ‘Bezoek’ zien we een alledaags tafereel dat de meesten van ons wel kennen: ongewenst bezoek. ‘Hij kent de weg, hij veegt zijn voeten / niet, neemt zonder vragen als vanzelf / sprekend de beste stoel, zet zich breeduit.’ (De enjambementen zijn mooi). En dan komen de verhalen, ‘grijsverteld’. Maar er schemert soms ook radeloosheid bij de blaaskaak door en dat tilt het gedicht boven de anekdote uit.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Het gebruik van eindrijm bijvoorbeeld kan wat oubollig aandoen. De eerste strofe van ‘Foto’: ‘Zij houdt de handen voor haar schoot gevouwen / en kijkt mij met een glimlach aan, / het wemelt van de madeliefjes / die vrolijk rond haar voeten staan. / Een paar narcissen, wit met gele hartjes, / posteren zich brutaal vooraan, / maar achter haar is leeg de hemel / en alle kleur lijkt eruit weggegaan.’ De wrange laatste twee regels contrasteren met de lieflijkheid die door het eindrijm wordt ondersteund. Het is dus functioneel, maar mooi vind ik het niet. Desondanks heb ik deze bundel met plezier gelezen.

***
Atze van Wieren, Eeuwig leven (2017). Uitgeverij IJzer, 77 blz. € 14,50

 

Cees Bolle, Ik kan het altijd denken

‘Ergens, denk je, / staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past’. Deze regels heeft Cees Bolle gebruikt als motto van zijn derde bundel. Het is een citaat uit De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze. Zowel Heytzes citaat als zijn bundeltitel zijn goedgekozen: Bolles bundel Ik kan het altijd denken gaat over het huis van poëzie, dat van de herinnering en uiteindelijk de dood.

De bundel begint met de afdeling ‘Gesloten’, die gaat over de dood van de vrouw van het lyrisch ik. Ze leeft voort in taal –  ‘Noem haar naam / en zij is er nog’ – en in de herinnering. In het laatste gedicht van deze afdeling, Achterzicht, blijken met name gelukkige herinneringen een bijzondere functie te hebben: ‘het verduistert het zicht vooruit’. Mooie regel.

Het is bekend dat het geheugen zeer onbetrouwbaar is: herinneringen staan in dienst van het heden en daardoor worden ze vervormd: ‘het komt weer voor de geest / gevormd vanuit het nu’, schrijft de dichter in het gedicht ‘Herinneringen’. Het staat in de tweede afdeling, ‘Tijdig’ – op tijd, maar ook dat wat voortduurt. De dichter maakt dankbaar gebruik van die kennis. De laatste strofe van ‘Uitzicht’: ‘Ook als het anders was / of nooit zo warm en vol, / ik kan het altijd denken.’ Dit staat in de afdeling ‘Dolend’, over wandelingen, fietstochten en mooie momenten die je moet vasthouden. Tegelijkertijd zijn het ook hier zoektochten naar het verleden.
In ‘Ondergrond’ zien we de altijd aanwezige jeugd van de dichter, de grondtoon. De oorlog, de verwoesting van Rotterdam en de hongerwinter spelen een belangrijke rol. De dood komt in deze afdeling nadrukkelijker naar voren. Een mooi gedicht is ‘Spiegelbeeld’, waarin de ik wordt geconfronteerd met zijn eindigheid, verbeeld door het stromende water en het kevertje. Je denkt uiteraard direct aan Kopland met zijn voorliefde voor de Drentsche Aa en aan ‘Air’ (1671) van Jan Luyken: Droom is ’t leven, anders niet; / ’t Glijdt voorbij gelijk een vliet, / Die langs steile boorden schiet, / Zonder ooit te keren.

Onder de houten brug
de Drentsche Aa
en mijn rimpelig spiegelbeeld.

Pijlkruid buigt gedwee
met de lome stroom
een tak drijft doelloos mee.

Het water vloeit terwijl
een draaikevertje onheilspellend
snel mijn beeld verscheurt.

En in het laatste gedicht de werkelijke dood. Opvallend is dat dit het enige is dat in de derde persoon is geschreven, wat enige afstand schept – mogelijk om identificatie met de persoon Bolle te voorkomen die zich hier zijn einde zou voorstellen. Herinneringen komen nog één keer voorbij en in de laatste regels blijkt de man de zee in te lopen: ‘Zo stil en donker wordt het dan / geen zon meer en geen golf.’ Einde, ook van de bundel.

Een enkel gedicht vind ik minder goed. In ‘In een wolk van stilte’, uit de eerste afdeling, komt het lyrisch ik uit bed. Hij mompelt een ochtendgroet, onzeker, want er is niemand meer. De tweede en laatste strofe luidt:

In een wolk van stilte
kies ik de schakelknop
van het antwoordapparaat.
Dan klinkt een vrouwenstem
‘Er zijn nu geen berichten’.

Ik vind dit op de grens van het sentimentele. Ik kan me de eenzaamheid levendig voorstellen, en ook dat het een voorval kan zijn dat in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Dat kun je echter niet altijd één op één overnemen, in dit gedicht werkt het niet.
Maar dit is een detail. Het is een mooie, sobere bundel. De vier tekeningen van de vorig jaar overleden tekenaar Jan Steen passen er uitstekend bij.

***
Cees Bolle, Ik kan het altijd denken (2017). Uitgeverij kleine Uil, 48 blz. € 15,00

Poëzie Kort 2017 / 4

Erik Brus (samenstelling), Vaan nu. c.b. vaandrager met andere ogen

Het is vijfentwintig jaar geleden dat C.B. Vaandrager overleed. Ter gelegenheid daarvan heeft Erik Brus de bundel Vaan nu samengesteld met ‘bijdragen van dichters die toen hij nog leefde al door hem beïnvloed werden, en schrijvers en dichters die zich door hem anno nu laten inspireren.’ Die invloed geldt zonder enige twijfel voor dichters als Bert Chabot en Jules Deelder – die overigens niet heeft meegewerkt aan de bundel -, maar dat blijkt niet echt uit de opgenomen gedichten: dat zijn vooral hommages in de stijl van Vaandrager. Daarnaast heeft Brus een aantal nog niet gebundelde gedichten van Vaandrager zelf opgenomen en enkele literair- historische artikelen; hijzelf verzorgde een uitstekende inleiding, onder andere over Vaandragers huidige invloed.
Hij zegt terecht dat Vaandrager vooruitliep op zijn tijd door zijn ‘grenzeloze en multidisciplinaire levensgevoel dat nu vanzelfsprekend is geworden’ en dat hij de grenzen van de literatuur trachtte te verleggen door verbinding te zoeken met de ‘pop- en mediacultuur van zijn tijd.’ André ’t Hart laat zien hoe dat in zijn werk kon gaan: zijn artikel gaat over Vaandragers samenwerking met de soulzanger Teddy Treurniet, die met hem optrad in het roemruchte tv-programma ‘Hoepla’ en een nu nauwelijks nog voorstelbare opschudding veroorzaakte door Vaandragers tekst ‘I’m a sexman’ in te zetten: ‘I like it hot, / I’m a sexman. / I’m a social worker. ( … )’. Ook op papier zie je die verbinding. Alek Dabrowski memoreert in zijn artikel de relatie met hip-hop in Vaandragers laatste bundel, Sampleton (1990).

Het is echter de vraag of Vaandrager nog veel wordt gelezen. Voor velen is hij de man van één gedicht: ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant.’ (Uit de Madurodamreeks in Gedichten (1967)). Dat is ook het enige gedicht dat Pfeijffer in zijn recent verschenen bloemlezing heeft opgenomen, terwijl hij per dichter toch een maximum van twaalf hanteerde. Het ligt natuurlijk voor de hand dat een van de opgenomen dichters naar de kroketten verwijst. Ramona Maramis schreef ‘Groot kan natuurlijk ook’:

Mijn ogen zijn aan de grote kant
voor de puntzak met friet XL
die ik kreeg van suikeroom

Gelukkig was mijn mond goed gestift
in de kleur passend bij de mayonaise-emmer

In het Nieuw Groot Verzenboek van Jozef Deleu komt Vaandrager in het geheel niet voor en in Dichters uit de bundel van Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens alleen met het gedicht ‘Madurodam’.

Vaandrager was een fenomeen. De ontwikkeling van zijn poëtica is niet uniek, wel de kracht waarmee hij die uitdroeg. Aanvankelijk ging hij net als zijn ‘mede-bendeleden’ Sleutelaar, Armando en Verhagen uit van het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid: op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera. Maar heb je dan de werkelijkheid te pakken? De gedichten blijven persoonlijk: het is de dichter die de feiten selecteert en rangschikt en het omzetten in taal verduistert het zicht op de naakte werkelijkheid. Dit is de context waarin hij politierapporten citeert in zijn bundel Gedichten. Die rapporten bestaan uit feiten, maar ze zijn ook gebaseerd op getuigenverklaringen. En hoe integer getuigen ook kunnen zijn, hun waarnemingen zijn meestal fragmentarisch – het zijn net mensen. In het reëel bestaande ‘politieboek’ vond hij ook goede raadgevingen. Soms kun je die lezen als een poëticale uitspraak: ‘Geef u rekenschap van de situatie. / Laat de situatie zoveel mogelijk onveranderd.’ (Mijn opmerkingen over de poëtische ontwikkeling van Vaandrager heb ik gebaseerd op het artikel ‘Feiten zijn van belang’ van Bertram Mourits).

Velen herinneren zich Vaandrager nog slechts als de cultfiguur, de junkie-dichter die zijn laatste jaren sleet als zwerver. Hij verdient veel meer. Het is te hopen dat Vaan nu bijdraagt aan een hernieuwde belangstelling.

***
Vaan nu. c.b. vaandrager met andere ogen (2017). Samenstelling: Erik Brus. Studio Kers, 127 blz. € 18,95.

 

Jozef Deleu (red.), Het Liegend Konijn 2017 / 1.

In het eerste Liegende Konijn van 2017 heeft Jozef Deleu vijfendertig dichters een plaats gegeven, onder wie zes die nog geen bundel hebben gepubliceerd: Tina van Baren – gedichten van haar stonden ook in het eerste Konijn van vorig jaar- , Chris Ceustermans, Iduna Paalman, Bert van Raemdonck, David van Reybrouck en Laurine Verweijen. Ook bekende dichters als Abdelkader Benali, Annemarie Estor en Peter Holvoet-Hanssen kregen een plaats. Het is opnieuw een aantrekkelijke, gevarieerde bundel geworden – ik word eentonig, maar in dit geval is dat helemaal niet erg.

In zijn inleiding houdt Deleu een hartstochtelijk pleidooi voor poëzie. Dat blijkt nodig te zijn: poëzie wordt steeds meer naar de marges van de samenleving gedrongen. De laatste twee alinea’s:
‘Ik beschouw het bestaan van dit blad als een daad van verzet tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden die in onze landen belast zijn met de zorg voor onze kunst en cultuur.
Het Liegend Konijn is door zijn compromisloze engagement voor de poëzie ook een ‘wit konijn’ geworden. Het mijdt iedere bedrieglijke lichtbak en blijft in alle vrijheid en onafhankelijkheid de onbegrensde ruimte van poëzie verkennen’.

Ik ben het daar van harte mee eens.

Tijl Nuyts (1993), genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor zijn bundel Anagrammen van een blote keizer (en wat mij betreft wordt hij de winnaar), neemt een zeer opvallende plaats in met een reeks van tien gedichten: ‘Toerist’. Deze reist met de Brusselse metrolijn 5, waaraan het station ligt waar in maart 2016 een van de aanslagen werd gepleegd. De namen van stations zijn gekoppeld aan fasen die een soefi moet doorlopen in de zoektocht naar zijn god, zoals ‘berouw’, ‘onthouding’ en ‘geduld’. Die fasen worden stations genoemd. (Voor de duidelijkheid: het soefisme staat recht tegenover het moslim-extremisme).
Van een ongecompliceerd recht-op-en-neer-engagement is bij Nuyts geen sprake. De toerist is ‘s zomers bezig ‘met de eieren die werden achtergelaten door steden die stierven’ – geschiedenis dus, of in ieder geval niet de actualiteit. ‘Andere dichters hangen in dat seizoen met snoeren en slangen / aan de acute actualiteit: een beademingstoestel / dat wereld naar binnen pompt.’

Bij Iduna Paalman (1991) ligt het anders. Zij is heel direct, en wel op een sarcastische manier. Van een ‘acute actualiteit’ is hier geen sprake: wat zij beschrijft bestaat helaas al een tijd en is voorlopig nog niet verdwenen. De eerste en laatste twee strofen van ‘Ruimte’:

Ruimte-innemers: Lidl, Gamma, Leen Bakker.
Enorme parkeerplaats.
Mensen met domheid geslagen.

Kopen en laden en laten
nabezorgen vragen of het
een witte chauffeur mag zijn.

( … )

er is één televisieploeg die het ze
nog wil vragen, waar ze bang voor zijn
een vrouw zegt: ik weet niet hoor maar
kijk om u heen
de vreemden nemen over

onze huid het enige
om ons nog in te verschuilen.

Niet alle gedichten zijn uit het nest geroofd. Twee van de drie gedichten die Deleu heeft opgenomen van Tim Pardijs, komen uit zijn debuutbundel Dromen die aarde openbreken (2016)  – aantrekkelijke gedichten, daar niet van. Een slordigheidje, denk ik. Het zij Deleu vergeven: het is een enorme prestatie om twee keer per jaar zo’n bijzondere bundel uit te geven.

***
Het Liegend Konijn 2017/ 1. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 266 blz. € 20,00

 

Luis Felipe Fabre, Verdachte omstandigheden

Hoe betrokken je ook bent, je kunt je toch doodergeren aan geëngageerde poëzie. Dat geldt ook voor de Mexicaanse dichter Luis Felipe Fabre (1974). De tweede afdeling van zijn bundel Verdachte omstandigheden (vertaald door Merijn Verhulst) heet ‘Kort register van enkele kunstzinnige gebeurtenissen en andere huiveringwekkende aangelegenheden.’ In het derde gedicht vind je passages als: ‘Maar / waar ze gevoelig voor zijn / daar zijn ze ook echt gevoelig voor: ik ken // hun goede bedoelingen door en door: hun didactische / neigingen, hun therapeutische / verlangens: de aandrang die ze voelen / om ons op te leiden, voor te lichten, te confronteren, wakker te maken / te bevrijden.’ Ook ergert hij zich aan het obligate karakter van veel van deze poëzie. Een passage uit het vierde gedicht van deze reeks: ‘Heb je ook gemerkt dat alle Mexicaanse dichters / al hun gedichtje klaarhebben over het geweld? Nee? Lees / je geen poëzie? ( … )’.
Geëngageerde poëzie kan ook leiden tot misverstanden. De vriendin van de dichter – niet per se Luis Felipe Fabre- , draagt haar gedicht voor over geweld, moord, verkrachting, verdwijningen en andere gruwelijkheden. Mensen applaudisseren, huilen, komen achteraf naar haar toe, maar hij toont geen emotie. Ze is woedend: ‘interesseert het je / niet wat er in dit land gebeurt? Lijd je / niet onder al die doden?, / de duizenden doden? ( … ) ‘Iedereen / die ik een stem geef / in mijn gedicht, geef je niet om hen?’
Vast wel, maar zou het ook kunnen zijn dat haar gedicht gewoon slecht was?

Is de dichter niet geëngageerd? Wel degelijk, maar hij is in de eerste plaats dichter, en een goede ook. Een opgeheven vingertje zul je bij hem niet vinden, wel aanstekelijke humor waaronder je de angstwekkende dreiging van het Mexicaanse geweld voelt. Hij schrijft gedichten als scènes uit horrorfilms – hij begint niet voor niets met twee trailers. Zombies komen uit alle hoeken en gaten, het gerucht gaat dat ze een strategie van de narco’s zijn om de regering schrik aan te jagen, een ander gerucht is dat zij een strategie van de regering zijn om de bevolking schrik aan te jagen en weer een ander gerucht … Het gewicht van vrachtwagens ‘gevuld met uit noodzaak / onthoofde zombies’ doen de baccaratglazen van een opgepeuzelde tante trillen en desondanks zijn er demonstranten (‘Je suis zombie’) die opkomen voor de rechten van de levende doden. Ze worden verslonden ‘zonder dat de politie of het leger hen te hulp schoot.’

Hij geeft dus wel degelijk stem aan degenen die zijn vermoord, ontvoerd, gemarteld en verkracht. Indrukwekkend is ‘Beeld van de onbekende vrouw’:

Een rode schoen met hoge hak

die, in zichzelf,
de schim is van zijn afwezige wederhelft.

Een schoen verloren midden in de nacht,
verloren, tussen de ene
en de andere stap, midden op straat.

Een schoen waaruit je een vrouw kunt opmaken
plotsklaps mank
en waarschijnlijk bedroefd achtergebleven.

Meer nog dan een schoen: een aanwijzing om een misdaad op te lossen.

Een schoen die een vraag is
met de andere schoen als antwoord.

Fabre kan huiveringwekkende gedichten schrijven, terwijl hij je tegelijkertijd regelmatig laat lachen. Een prestatie.

***
Luis Felipe Fabre (2017). Verdachte omstandigheden. Vertaald door Merijn Verhulst. Uitgeverij Karaat, 80 blz. € 17,95