Recensie van Het Liegend Konijn 2018/1 - Jozef Deleu

De stand van zaken

Jozef Deleu
Het Liegend Konijn 2018/1
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463103145
€ 20,00
256 blz.

Jozef Deleu laat in het eerste nummer van Het Liegend Konijn opnieuw zien hoe gevarieerd het Nederlands/Vlaamse poëzielandschap is. De bundel begint en eindigt met lange geëngageerde gedichten van respectievelijk Obe Alkema en Arno Van Vlierberghe. Alkema is de dichter die een weg moet zien te vinden in de kakafonie van het huidige leven. ‘Verhalen van Europa’ begint als volgt: ‘Mannen. / Midden jaren tien liep ik vast in besluiteloosheid. / De fictie (hopen te kunnen) onderscheiden van de officiële /                  geschiedenis en je dan het omgekeerde realiseren.’ Het gedicht ‘mark baumer is dood’ van Arno Van Vlierberghe is drie bladzijden lang. Uit de inhoudsopgave begreep ik dat het een fragment is van een groter geheel. Het begint met de regels: ‘Hier staan we dan, in ons zelfgekozen nu. / Het einde helder, grotesk in zicht. / Een plompverloren schuld, die ons vertaalt, verspreidt, uitdunt.’ Het eindigt met: ‘Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? / Hier staan, in ons zelfgekozen nu.’ En tussen deze begin- en eindregels vraagt hij zich onder andere af hoe te dichten in een wereld waarin Mark Baumer, dichter en milieuactivist, werd doodgereden toen hij blootsvoets door de Verenigde Staten trok om de aandacht te vestigen op de klimaatverandering.  ‘Hoeveel Mark Baumers kunnen we dit jaar nog verliezen? / Ik wil een vuurtoren bouwen met de schedels van alle Mark / Baumers die we in 2017 verloren. / Het bloedrode licht kilometers ver de wereld in knuppelen. / Branden op het gevoeligste netvlies, de fijnste zenuwuiteinden van / de economie dichtschroeien.’ Maar hoe?

De bundel bevat relatief hermetische gedichten van Giuseppe Minervini en Peggy Verzett, maar ook het vertrouwde parlando van Luuk Gruwez. Ik moest lachen om zijn hekeldicht ‘Afscheid van een recensent’. Ik kan het niet laten om het in zijn geheel over te nemen.

Eindelijk, eindelijk kunnen we rustig slapen.
Ik hou er maar mee op mezelf en jullie nog
te kwellen, slaafs aan oordelen te onderwerpen,
want zelfs een blindeman kan zien dat dit
waarachtig nergens meer toe dient.

Heb ik mij dan vergist, ten onrechte mijn data
op de oneindigheid geplakt, beduusd door wat
er over jullie wonderlijke ik te melden viel?
En kwam het op mijn inzicht echt niet aan, maar
op de hevigheid waarmee ik jullie op wou vrijen?

Slechts enkelen werden gekoesterd, soms stuntelig,
met heel mijn literaire libido. En ook dacht ik:
men blijft bestaan zolang men weet hoe laat het is.
Nu kunnen jullie, net als ik, op beide oren slapen.
Niet langer zal ik jullie liefhebben of haten.

De beeldspraak van Sara Haven is goed getroffen en humoristisch (en tragisch, maar dat ligt in elkaars verlengde). Het gaat me om het garneren in de derde strofe van ‘het feest waarvan ik droomde’:

het feest waarvan ik droomde
toen ik nog geloofde
in einden en beginnen

is niet gekomen
dus ik berg de stoelen
met de gasten

haal de kippen uit hun ren
en garneer ze
met het onaangeroerde eten

Ook dichters als Charles Ducal, Eva Gerlach, Delphine Lecompte, Willem Thies en Mustafa Stitou kregen een plaats. Ik had me niet gerealiseerd dat Tempel, de laatste bundel van Stitou, al in 2013 is verschenen. Het is tijd voor een nieuwe.

‘Memento’ van Peter Mangel Schots zou je kunnen lezen als een illustratie bij het befaamde essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner. Mangel Schots keert zich zowel tegen ‘in brons gegoten’ gedichten die zijn voorbestemd voor de eeuwigheid als tegen de taal van ‘billboards en barnum’ die ‘een onwankelbare / twijfelloze zekerheid [afficheren], volmaakt geluk als wet / van Meden en van Perzen’.  Het gaat hem om heel iets anders. De laatste drie strofen van het gedicht:

ik moet beginnen
zonder voornemen iets te maken
waar niet aan te tornen valt, duizend woorden
mogen het eerste zijn, geen onwrikbaar begin
geen monolithisch midden
nauwelijks een eind

elk falen is een zegen
een absolutie van het absolute
het volstrekte wonder dat te zien

ik breek nu vazen om ze weer te kunnen lijmen
en te leren uit de onbeholpen naden
hoe het licht naar binnen sluipt

Elk falen is een zegen: het doet denken aan het ‘Fail again. Fail better’ van Samuel Beckett, iets waarop ook Lerner varieert in zijn essay. Ik citeer uit mijn recensie van 26 februari 2017: “Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om [zo schrijft Lerner] voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf.” Bij Mangel Schots: tussen de naden van de gebroken (taal)vazen kan iets van dat virtuele naar binnen sluipen. Mooi is de paradox: juist door niet naar een eeuwigheidswaarde van zijn gedichten te streven, roept hij een vermoeden van dat virtuele op. Zijn beeld bracht me trouwens een mooie regel van Gerbrandy in herinnering: ‘Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg’ (Voegwoorden, p.627).

Ik vermoed dat Jozef Deleu het gedicht ‘Memento’ in zijn achterhoofd heeft gehad bij het schrijven van zijn inleiding ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn.’ Hij beroept zich expliciet op Lerner: alleen met een zeer kritische houding ‘waarmee men de eigen discipline en haar beoefenaars te lijf durft te gaan’ kan men poëzie beschermen, want ‘poëzie of wat ervoor door wil gaan [surft] al te vaak [mee] op het modieuze gebabbel van commentatoren die haar via parafrases of slappe performances van haar dubbele bodem en diepgang ontdoen.’ Stuitend vindt hij dat. ‘Op die manier verwordt poëzie tot een lichtekooi die wat vertier moet brengen in een sombere wereld. Ze wordt een hapklare brok voor handige reclamemakers, een stimulerend middel voor de consumptie.’
Deleu heeft gelijk, maar er klinkt wel veel wanhoop op uit zijn inleiding. Dat blijkt uit het welhaast bezwerende gebruik van het werkwoord ‘moeten’: ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn’ (de vraag wat gevaarlijke poëzie dan in vredesnaam is, laat ik hier in het midden); het essay van Ben Lerner ‘geeft de richting aan waarin gedacht moet worden’; in goede poëzie ‘moet de taal passie, ontregeling, inzicht en visie verwoorden’; poëzie ‘moet aan onze ervaringen en inzichten perspectief en diepgang verlenen.’ (De cursiveringen zijn van mij).
Laat ik hier nog een moetje aan toevoegen: nog niet gebundelde poëzie moet een goed zichtbaar podium hebben. Deleu biedt dat keer op keer.

Recensie van Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin - Peter Holvoet-Hanssen

Op weg naar het zuivere dichterschap

Peter Holvoet-Hanssen
Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102674
€ 19,99
101 blz.

Cees Nooteboom spreekt in zijn Dagenboek 533 (2016) over dichters in wier werk veel onduidelijk blijft. Dat is iets wat mij bij eerste lezing van de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) ook overkwam. Holvoet-Hanssen is echter wel een dichter, zoals dat voor Nooteboom Lucebert was, met ‘een druïdische zingzang […]. Je laat je mee wiegen op een stem en een ritme omdat je weet dat die stem bij iemand hoort die volstrekt zeker is van zichzelf en zich in zijn eigen universum bevindt. Je vertrouwt de melodie, je ratio heb je weggestuurd om ergens op een parkbank te rusten, deze taal wil eerst gehoord worden.’ Er lijkt een betovering van dit voorlezen uit te gaan die voorafgaat aan het begrijpen.
Tezamen met de bundel Gedichten voor de kleine reus (2016) vormt de nieuwe bundel Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) een nieuw begin van zijn dichterschap. Alles wat hij in voorgaande jaren zich aan taal en (droom)werelden heeft eigen gemaakt, zet hij opnieuw maar in verhevigde mate in deze bundels voort. Daarin is hij overmoedig en eigenzinnig. Dat zit hem niet alleen in de grote associatieve salto’s die hij zijn lezers laat maken, maar ook in de niet te onderdrukken behoefte thematiek uit de boven- en de onderwereld, het dagelijkse en het buitenissige, de dag- en de droomwereld, de buiten- en de binnenwereld, de hoge en lage literatuur, het mythische en het realistische soms wat al te schielijk met elkaar te verbinden. Desalniettemin onderkent Holvoet-Hanssen zijn nietigheid, ‘een zandkorrel in een ooghoek’ te zijn, ‘een traan op de wang van het heelal’. Hoezeer hij ook het verlangen naar een allesomvattende eenheid najaagt, hij beseft tegelijkertijd de vergeefsheid ervan.
Holvoet-Hanssen schept zich een eigen universum waarin alles met alles samenhangt. Dat laatste geeft hem houvast ondanks het feit dat hij ook wel weet dat er heel wat slagen in de lucht gemaakt worden, voordat je het zelf gaat geloven. Hij opereert nogal eens als een circusclown die zijn eigen overmoed beseft maar daaraan gedurende zijn act niet wil toegeven. Hoe het ook zij, hij gelooft sterk in zijn eigen optreden, in de verwachting dat zijn publiek ermee in zal stemmen. Er zijn momenten dat je gefrappeerd wordt door zijn durf in het samenbrengen van woorden en beelden, maar even zovele malen heb je het gevoel met luchtfietserij van doen te hebben. Het werk lijkt dan ‘geen goedgekeurd engagement / of onschadelijke melkschuimauthenticiteit’ te bezitten. Je verliest als lezer nogal eens de vaste grond onder de voeten. Je voelt je hier en daar verloren in een verbeeldingswereld die wel elementen uit de bekende werkelijkheid en de traditie bevat, maar die niet altijd doeltreffend in een gepresenteerde samenhang zijn gebracht. Al voordat hij losbarst, heeft de dichter, zoals hij in zijn ‘Toegankelijk gedicht’ uit de afdeling ‘nachtmatroos’ aangeeft, zelf even de behoefte er maar het zwijgen toe te doen: ‘warmte en wifi een zeldzaam gezonde / bries van stilte zwijg liever zwijg toch / tot in het negende octaaf’.
Het is een omvangrijke bundel geworden. Holvoet-Hanssen kent opnieuw in deze bundel een zeer vrije omgang met de versvormen, de regellengtes, de bladspiegel, de typografie en de omvang van de verzen. Daarin volgt hij zijn grote voorbeeld: Paul van Ostaijen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarbij verschillende gedichten uit onderafdelingen bestaan. Het karakter van zijn poëzie heeft een sterk narratieve en beeldrijke inslag waaraan hij elementen uit zijn (auto)biografie en de literaire traditie toevoegt waarbij hij ‘de zaden van het kwaad tot bloemen noodt’, om in de geest van Baudelaire te spreken. Hoewel poëtische stijlfiguren als herhaling, parallellisme en opsomming veelvuldig terug te vinden zijn in deze bundel, schrijft Holvoet-Hanssen overwegend proza-achtige poëzie.
In de tweede afdeling ‘Kleine reuzin’ gebruikt hij beelden die hij ontleent aan beelden van zijn kleine reuzin Anna Roza Holvoet. Deze gedichten spelen zich af in een droomachtige sfeer. De droomwereld is een verbeeldingsomgeving waarin Holvoet-Hanssen zich zeer thuis voelt:

Ze danste in het gebroken wit van de zon,
tekende gedichten als danseressen
met dromen groter dan het heelal.
Haar slagschaduw. De sterren sterven mee
naar het andere einde.

Hij stelt zijn kosmische werkelijkheid op scherp om haar in het oog te krijgen: ‘Grote Beer staat op zijn kop, ziet in de ogenglans / van de moeder zorgen om haar Kleine Beer’. Hij wil zo snel mogelijk ‘het ontdroomde land’ achter zich laten om zoveel mogelijk te kunnen toeven in die droomwerkelijkheid. In deze dubbelheid verkeert Holvoet-Hanssen permanent. Het gaat voor hem uiteindelijk om de vergetelheid waarin vadertje Tijd het laat afweten: ‘weet dat het te pas en te onpas / om de liefde gaat, de dromenstaat.’ Hij gaat voortdurend een gevecht aan met de tijd en wenst zich een verblijf op ‘een eiland waar de tijd in cirkels loopt’, waar de liefde kan zegevieren. Daar beklimt hij zijn Grote Reuzin en ziet er voor het eerst de dreiging van de Goleman. Het is ook de plaats waar hij voor het eerst het lied van het maanzeemeisje hoort.

In de andere kamer hoor ik je donderen, zwart kruipend lijk
naar de aarde gebogen als regen die hangt aan omgedraaide molens.
Sokken in de kom van je soep.
Vadertje Tijd, wees een levende wolk in de vergetelheid.
Als engelen zingen om je aandacht
weet dat het te pas en te onpas
om de liefde gaat, de dromenstaat.
Vaar in een stralend wit hemd in een bloemenboot
maar niet naar de overkant van de rivier.
Niet naar de andere kamer. Daar moet ik groot worden.
En ik ben nog liever dood.

In ‘De Ballade van Gérardie Byarvoi’ speelt Holvoet-Hanssen met de traditie van de vagantenliederen, de hoofse poëzie van Hooft en Huygens, de modernistische poëzie en moderne rapteksten. Hoge en lage literatuur zijn met elkaar vervlochten, want ‘ware poëzie’ is in de ogen van deze dichter ‘rebellie’. Hij wenst niet te investeren in ‘stiekeme poëtica’s’ maar in ‘speelse natuur’, want die is veel ‘resistenter’ tegen de duisternis van deze wereld.
Zijn bundel Blauwboek moet ‘een talisman met veel gezichten’ zijn. Daarmee kun je de Goleman, het monster, het onheil met een gerust hart tegemoet treden. Door alle duisternis heen blijft de sprokenverteller geloven in dit leven. Zoals bij het beeld Miracolo in het Middelheimmuseum te Antwerpen de ruiter op het paard van Marino Marini steeds blijft duren, zo zal ‘na dood het leven uitweg’ zoeken.
De belangrijkste afdeling uit de bundel is die van ‘de vijftien staties naar het grote blauw’. Hij bevat een oproep je kruis op te nemen en je dromendief een brief te sturen om zodoende op weg te gaan naar het azuur, ‘het blauw gedicht’. De wolk van de zwarte god hangt boven Watou, de plek waar jaarlijks de poëzie samenkomt: Hugo Claus, Eddy Van Vliet, Gerrit Kouwenaar en vele anderen. Holvoet-Hanssen volgt op eigenzinnige wijze de nieuwtestamentische staties en geeft er een humanistische, eigentijdse en soms bizarre betekenis en kleuring aan. De ik plaatst zich in de rol van Jezus en probeert een hedendaagse aankleding van het lijden van de hedendaagse mens te schetsen, in het bijzonder zijn eigen rol als dichter in een duistere wereld vol dreiging, geweld en vernietiging.
De ik wil dat het dodenland weer door een dans bevlogen raakt. Uit de diepte van ellende klinkt een grondtoon op. Jezus verschijnt in bizarre eigentijdse beelden om de verlatenheid van de hedendaagse mens uit te drukken: ‘verlaten straat, alleen de camera’s waken – dan kijkt hij / naar omhoog: Het is oneindig, en maar goed ook.’ Misschien is de vierde statie wel de meest cruciale in deze profane reeks met religieuze connotaties: de poëzie als blauwdruk kan de pijn niet stillen, want ‘verdraaid vernuftig was het dichtersconcentraat’. De afstand tussen ik en jij blijft immers bestaan. De hoop blijft dat anderen hulp kunnen bieden. Holvoet-Hanssen voert Maria Magdalena als publieke vrouw op die op het strand met een veel te kleine beha probeert de laatste lust bij Jezus los te maken. We verplaatsen ons daarop naar een hemelse tuin. Ondertussen gaan we onze ondergang tegemoet. Deze kruisgang mondt uit in een verdediging van het eigen dichterschap en de waarde die zij voor de mensheid kan hebben.
De ik vereenzelvigt zich met Jezus als visser van mensen, maar noemt zich ‘een verzenvisser zonder sleepnet.’ Holvoet-Hanssen, de ik, verwoordt tevens de kritiek die net als in het geval van Jezus vanwege zijn eigenzinnige manifestatie op hem is afgevuurd: ‘ik werd beschuldigd van esoterie, numerologie, HET MAKEN VAN CRYPTOGRAM, / te brede gedichten en nachtwinderige rede’. Hoe het ook zij: voor een ieder is er ‘geen leven na de dood’. En toch is de conclusie ‘er is geen dood: alles leeft de dood leeft en de rotsen stromen, strrrrrrr’. In de elfde statie valt de veroordeling, de kruisiging. Hij verafschuwt de fraaipraters van de bewierookte poëzie van Leonard Nolens. Toch zullen we allen transformeren. De stervende dooft uit, maar ‘Het sterven is geboren worden in het staalblauw, de hellevaart voorbij.’ Er volgt een grote sprong, ten slotte een lamento. Hoewel Blauwbaard je de hals omdraait, vindt er een transformatie plaats tot een nieuw mens. Moraal van het verhaal: reik elke dag de hand’ en ‘Laat het leven landen als een koninginnenpage op je dikke teen.’
Holvoet-Hanssen is een dromer, een middeleeuwse sprokenverteller, een fabulist, een trieste maar vrolijke artiest in een duistere wereld. Hij blijft op weg gaan naar het zuivere dichterschap, schoongewassen en gedroogd door de ‘Speed Queen’ van zijn taalwasmachine, met als risico dat we na zijn centrifugale werking zwijgen ‘in een taal die niemand spreekt’.

Recensie van Zo kan het niet langer - Paul Bogaert

Hoe dan wel?

Paul Bogaert
Zo kan het niet langer
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102834
€ 19,99
64 blz.

Paul Bogaert is een lastpak, dat was mijn eerste indruk nadat ik zijn Zo kan het niet langer even snel en met groeiende ergernis had doorgebladerd. Ik had gehoopt poëzie in handen te hebben waar ik me aan kon warmen, maar dat bleek een misrekening. Ik kreeg de indruk voor de gek te worden gehouden; de kleren van de keizer. (Paul Bogaert is een gelauwerd dichter, die voor eerdere bundels de Poëzieprijs van de Vlaamse gemeenschap en de Herman de Coninckprijs won en in 2010 werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs). Warrige en onzorgvuldig geschreven teksten. En bovendien, de op het achterplat aangekondigde geestigheid kon ik niet ontdekken. De gedichten leken me in een dronken bui zonder zelfkritiek op het papier gesmeten. Geen samenhang, geen houvast.

‘Bierfiets 3’ (Het derde in een cyclus van zes gedichten).

Als na verloop, dus ja,
van tijd  {  Bijlange niet  x2  + Bx
       Ik mix whisky in de whiksymixer  }  een paal

Ons en de gemoederen dwingt
Tot rechtsomkeert in Comic Sans (alles

Héél erg wysiwyg)-  Tè-rug!  Tè-rug!  -zet iemand
    (tot dan al 3 kwartier een dirigent) zijn tanden in
    (Patsy???) de opblaaspop.

Elke rollator lokt een   *Yolo*  uit en één grote
[*door Van Dale in euh… 2012 genomineerd]
Één grote collectieve teug, wie moet de slipmuts nu

Aàn-doen  Aàn-doen!  De wind grijpt

het plastic…weg; scandeert er iemand van
       HOER-over-boord  door door dehandpalmmegafoon.

Anderen werken ondertussen
aan een definitieve visietekst,
leveren goederen
of geven bloed.

Vertwijfeld overwoog ik de bespreking van deze bundel aan een ander over te laten, maar besloot uiteindelijk me er toch in te verdiepen en het zelf te proberen.

En gelukkig, want na het meermalen herlezen van deze poëzie werd stilaan duidelijk dat het alleen de bedoeling is om de lezer te laten delen in Bogaerts dichterlijke manier te breken met de structuur en de samenhang van zowel maatschappelijke gesteldheden als die van de taal. De titel Zo kan het niet langer is niet ironisch bedoeld maar dient serieus in dat licht te worden gelezen.
De titelgedichten, drie stuks, illustreren treffend zijn afkeer van bureaucratie en al wat ingesleten is. Hier een gedeelte van het tweede:

Zo kan het niet langer

Eindelijk, het nieuwe jaarverslag!
De ragfijne terzijdes, de rondzwevende haakjes.
Het constante geschud en gezift. Het gespin
over het zeven van de verbeteringen
en het verbeteren
van de zeven. Het geklingklang aan de mond
van de clichéoven. (…)
De walm rond de vaten met overdatumerrata.
Men overleeft het niet zonder ventielen en zware massages.
Jaja, het is hard werken in de uitsloverij.

De Poëziekrant noemt Bogaert de Messi van de Vlaamse literatuur; een deels rake vergelijking want inderdaad ook Messi ontsnapt graag aan de gangbare wetten, in zijn geval met die van het voetbal, waardoor hij ongrijpbaar wordt; evenwel, hij heeft daar een doel mee, namelijk om te kunnen scoren of een medespeler daartoe in staat te stellen. Ik vraag me af wat het oogmerk van Bogaert is. Is het bij hem niet een doelloze onderneming? Wordt het middel tot doel verheven? Je zou het denken want op het opstandige motto ‘Zo kan het niet langer’ is de vraag gerechtigd ‘Hoe dan wel?’ en daar kreeg ik, afgezien van wat speelse taalprobeersels geen antwoord op.
Deze vraag dus maar laten voor wat hij is en genoegen nemen met zijn pogingen te ontsnappen aan hem beknellende conventies en taboes.
Dat lukte me redelijk; ik kan nu zelfs grinniken om het eerst geciteerde gedicht uit ‘Bierfiets’.

Maar de raadsels blijven en ik ben niet de enige bij wie de gedichten vragen oproepen, Bogaert zelf stelt ze eveneens, veelvuldig zelfs, en zonder deze te beantwoorden: ‘Wat betekenen de kopzorgen (…) Wat behelzen de kwaaltjes (…) Wat stellen de ontgoochelingen voor (…) Wat is het verschil tussen de paniek / van personen met een problematische visionaire geaardheid / en het onbehagen / van personen met een hier-en-nu-verleden?’
En ook komt men herhaalde malen ‘zou je denken’ en ‘wat te doen’ tegen.
Vraagtekenpoëzie van alle kanten.

Onlangs hoorde ik op de cultuurzender radio 4 iemand het hier voor een deel aangehaalde titelgedicht voorlezen. Hij was vol lof zonder uitleg waarom en struikelde tijdens zijn voordracht over woorden als ‘overurenwinkelmandje’ en ‘overdatumerrata’. In ademnood sprak hij de laatste regel uit en was daarna duidelijk opgelucht.   
Ik kon met hem meevoelen.

Recensie van We komen van ver - Carmien Michels

We leven geen kladversies

Carmien Michels
We komen van ver
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102919
€ 19,99
80 blz.

Dit is me na het lezen van de bundel We komen van ver van Carmien Michels duidelijk geworden: deze poëzie moet vooral voorgedragen en beluisterd worden. Het zelf lezen van deze gedichten is daaraan ondergeschikt. Carmien Michels is een uitstekende slammer. Veel gedichten van haar zijn stromen van woorden, die met een persoonlijke dynamiek en toon vanaf het podium gebracht kunnen worden. Ongetwijfeld zullen ze bij een daadwerkelijke performance in een stroomversnelling terechtkomen en reacties vanuit de zaal oproepen. Slammen is per definitie verbaal en visueel spektakel. Maar deze gedichten een voor een lezen werkt vertragend, omdat je als lezer het allemaal in één keer wil begrijpen en verklaren. Voordat je het weet is dan het lot van deze gedichten stilstaande poëzie en dat verdienen de verzen in deze bundel niet. De toegankelijkheid van deze poëzie wordt vooral bepaald door de sfeer, de snelheid en de muzikaliteit. Met deze gedichten moet je de toehoorder overdonderen en ze niet op papier aan de lezer voorleggen. Dit is nou zo’n bundel waarbij ik me afvraag: waarom geen CD of liever nog een CD-ROM uitgegeven, met het tekstboekje erbij als extra? Dat doet meer recht aan deze poëzie. Maar ik weet het: ook de opmerkelijke poëzie van slammers zal in papieren bundels terechtkomen. Het lijkt het lot van elke slammer die bijzondere teksten schrijft en dat doet Carmien Michels zeker.

De gedichten in deze bundel zijn qua onderwerp ondergebracht in tien afdelingen. Het gedicht met de titel ‘Middenrif’ in de derde afdeling ‘Eindelijk aarde’ roept meteen een bekend beeld op:

Een aangespoeld kind in garnaalpose
de golf zo woest dat hij mijn ogen brak
ik keek weg tot alles was opgeruimd
en ingebeeld

De foto van de verdronken driejarige Aylan Kurdi, aangespoeld op het strand van het Turkse Bodrum is de gehele wereld overgegaan. Het beeld dat we allemaal hebben van dit kind in een ‘garnaalpose’ is mooi uitgewerkt in deze strofe met de verschuiving van het breken van de ogen van het slachtoffer naar de ik-figuur en met de dubbele betekenis van ‘ingebeeld’, namelijk ‘in je fantasie denken dat het waar is’ en ‘in beeld brengen’. Ook de Klaagmuur in Jeruzalem (‘een gevierendeelde stad’) in dit gedicht is herkenbaar. De dichteres ziet mogelijkheden: ‘Als je de wereld tot droom verbouwt / heb je geen last van nachtmerries / motief voor de muur’. Dromen blijven overeind, muren kunnen geslecht worden. Ze stelt in het gedicht wel voorwaarden aan deze verbouwing tot droom: ‘Vergeet het indutten’ en ‘We leven geen kladversies’. Aan het eind van het gedicht stelt ze vast

We bouwen muren bij en leren prevelen
van de oude vrouw die briefjes uit gleuven steelt
vrede smeekt en geruchten doodslaat
vliegen die de krantenkoppen niet halen

Carmien Michels laat zich inspireren door de steden Münster, Parijs, Caïro en Montreal waar ze verblijft, graaft diep in haar eigen jeugd en familiegeschiedenis en gaat op een eigenzinnige manier met de liefde om. Aan de ene kant krijgt het toeval bij haar een plaats in haar gedichten, aan de andere kant zoekt ze bewust naar beginpunten waar het met de ontwikkeling van allerlei zaken fout is gegaan. In het gedicht ‘Het begon’ presenteert ze vijf historische data waarop het geweld op verschillende plekken op de wereld begon en de mensen op de vlucht sloegen om uiteindelijk vast te stellen dat al deze momenten door ‘onze aders onze voorvaders’ met elkaar verbonden zijn. Met andere woorden: het geweld houdt nooit op. De geschiedenis bestaat niet uit gewelddadige momenten, maar uit verbindingen van gewelddadige momenten die allemaal op elkaar lijken.

Die zoektocht naar haar voorouders en haar jeugd vindt de lezer niet alleen in de gedichten van de eerste afdeling ‘Vacuümbaby’ terug, maar ook in het gedicht ‘Jimmy’. Het was het openingsgedicht van haar optreden op de Nacht van de Poëzie 2017. Mede door haar bijzondere wijze van presenteren heeft dit gedicht bij veel bezoekers een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het is een van de kerngedichten van deze bundel, niet alleen door de aanstekelijke Vlaamse toon (‘Weet ge nog Jimmy…’), maar het beschrijft de lessen die de ik-figuur en Jimmy in hun jonge jaren geleerd hebben of hadden moeten leren. Er is van hun zijde een behoefte aan rust, aan stilte, maar ze komen beiden terecht in de hectiek van het volle leven. Ze staan ‘op de barricades’ en gooien ‘een stinkbommeke naar de flikken’. Mooi is de geleidelijke ontwikkeling in het gedicht van het kinderlijk naïeve in ‘de vooravond van het echte leven’ naar de felle, opstandige toon aan het slot: ‘De afwijking in het systeem Jimmy / de afwijking zijn wij’. 

In de afdeling ‘Blauwe beloftes’ dicht Carmien Michels in het gedicht ‘In Memoriam’ enigszins berustend: ‘alle vrouwen weten dat ook mannen verwelken’ en ‘dat beloftes op het sterfbed van de liefde altijd ijdel zijn’. Het voortgaan van de tijd is een vijand van de liefde, ‘die ander’ een stoorzender pur sang, maar het is een geluk ‘dat de liefde steeds opnieuw wordt geboren’. Zo ziet Michels dat. Opwekkend zijn de liefdesgedichten, waarvan er enkele in sonnetvorm zijn geschreven bepaald niet. Titels geven dat al aan. ‘Middelmatige mannen’, ‘To kill or not to kill’ en ‘Kreupelhout’ zijn wat dat betreft veelzeggend. Van het gedicht ‘Britse oma’s’ werd ik wel vrolijk:

Die Britse dame
die op zondag aan ballroomdansen deed
zo aan haar wekelijkse wip kwam
in de Royal Festival Hall

Zwiepend met haar kunstheup
ouwe geiten zijn het geilst around noon

Een gedicht met een verrassende afloop. Dit ontdek ik op de valreep. Carmien Michels kan ook de humor als wapen hanteren. In veel gedichten is zij (terecht!) boos op van alles en nog wat, maar vooral op de wereld waar zij met haar levensvisie niet inpast. Zaken relativeren, een satirische benadering van de werkelijkheid kan de dichteres lucht geven. Hier ligt voor haar nog een wereld open. We komen van ver is een opvallende debuutbundel met kwalitatief goede gedichten. Iets strenger selecteren bij de samenstelling van deze bundel zou welkom geweest zijn. Niet alle gedichten overtuigen, sommige blijven echt ontoegankelijk en het verschil tussen de beste en de minder geslaagde gedichten is soms te groot. In de toekomst valt nog veel mooie poëzie van Carmien Michels te verwachten, maar ‘Vlieg niet uit voor de storm / beklim de zon op armkracht’.

***
Carmien Michels (Leuven, 1990) is schrijfster en performer. In januari 2016 werd ze Nederlands kampioen Poetry Slam. Op het wereldkampioenschap Poetry Slam in Parijs haalde ze in mei 2016 de derde plaats. Sinds november 2016 is ze Europees kampioen in deze discipline. Haar debuutroman We zijn water verscheen in 2013. Haar tweede roman Vraag het aan de bliksem kwam in 2015 uit. De bundel We komen van ver is haar poëziedebuut. Carmien Michels ontwikkelde diverse projecten met anderen uit de theater- en museumwereld. Ook richt ze zich als woordkunstenaar op doelgroepen als anderstalige nieuwkomers, kinderen in psychiatrische ziekenhuizen en mensen in armoede.

Recensie van Willem Elsschot. Dichter - Koen Rymenants & Carl de Strycker

De bijvangst van een prozaïst

Koen Rymenants & Carl de Strycker
Willem Elsschot. Dichter
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102902
€ 22,50
304 blz.

Willem Elsschot is nationaal erfgoed. Voor Vlamingen én Nederlanders. De schrijver die zijn werk aan het begin van de 20-ste eeuw maakte, leefde onder zijn echte naam Alfons De Ridder van 1882 tot 1960. Hij wordt beschouwd als één van de beste schrijvers van het Nederlands taalgebied. Elsschots werk wordt nog steeds verkocht en nog steeds gelezen. Er wordt ook ontzettend veel óver hem geschreven. Elsschot is een drieëenheid: de huisvader, de zakenman en de schrijver. En al die losse elementen liepen nauwelijks door elkaar, hoewel zijn biograaf Vic van de Reijt daar wat genuanceerder tegenaan kijkt. Hoe dat allemaal werkte en wat zoal zijn werk heeft beïnvloed, overal zijn studies over gemaakt of zijn nog in voorbereiding. Er is zelfs een Willem Elsschot Genootschap  dat elke vorm van studie stimuleert over zowel de persoon Alfons De Ridder als het werk van de auteur Willem Elsschot.

De bundel Willem Elsschot. Dichter, verzorgd door Koen Rymenants & Carl de Strycker past in die reeks publicaties. De auteurs hadden graag een vraagteken achter de titel gezet, want dat is wat wordt onderzocht. Elsschot heeft vooral zijn naam en faam te danken aan zijn proza. Van zijn gedichten is ‘Het Huwelijk’ een monument geworden, maar de rest was vast in de vergetelheid geraakt als Elsschots naam er niet aan was verbonden. In Pfeijffers bloemlezing van 2016 komt Willem Elsschot niet eens voor en dat is gek omdat hij in zijn inleiding aangeeft toch ook wat gedichten opgenomen te hebben die dan wel in zijn ogen ‘objectief slecht’ zijn, maar die zo bekend zijn ‘dat ze tot ons collectieve poëtische geheugen zijn gaan behoren’. Dat geldt natuurlijk zeker voor ‘Het Huwelijk’!

Kijken we naar de omvang van Elsschots dichterlijke oeuvre: mijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk bestaat uit 770 pagina’s. Daarvan zijn er 27 gevuld met poëzie. Dat is minder dan 4%! De samenstellers op pagina 11: ‘Dat Elsschot enkele klassiek geworden, vaak gebloemleesde gedichten schreef én een aantal onsterfelijke regels aan het taalgebruik toevoegde, is des te opmerkelijker omdat hij eigenlijk maar één dichtbundel publiceerde. In zijn oorspronkelijke vorm – Verzen van Vroeger (1934) – bestond die uit slechts tien gedichten, de definitieve versie – het deel Verzen (2004) in de wetenschappelijke editie van het Volledig werk – telt er nauwelijks meer dan twintig. Al met al blijft Elsschots poëzie dus de bijvangst van een prozaïst.’

Over dat oeuvre worden, naast de inleiding, 24 artikelen geschreven, samen goed voor meer dan 300 pagina’s. Elk gedicht krijgt een eigen verhaal vanuit degelijk wetenschappelijk perspectief want de meeste auteurs zijn verbonden aan de universiteiten van België en Nederland en hebben allemaal ervaring met het werk van Willem Elsschot. Die enorme deskundigheid maakt het boekje dan ook wat zwaar te verteren op zijn tijd. Gedichten worden tot op het bot gefileerd, elke afwijking in het ritme heeft een betekenis, elk woord wordt met al zijn betekenissen afgezet tegen het geheel. En niet alleen de gedichten zelf kennen grondige analyses. De auteurs kennen het hele oeuvre en dus worden er verbanden gelegd met het proza. De geest van Laarmans, een van de alter ego’s van Elsschot, komt regelmatig opdraven. Er zitten elementen uit gedichten in Lijmen en in Kaas en dat geldt andersom ook. De dichter Elsschot is interessant vanuit de optiek van de prozaïst Elsschot.

Zelfs het artikel over ‘Het Huwelijk’ van Paul Claes, zelf dichter, is zwaar op de hand en dat terwijl het drie grappig bedoelde bewerkingen behandelt. Adriaan van Dis, Kees van Kooten en Tom Lanoye schreven gedichten met een duidelijke verwijzing naar het origineel. Ze worden gemangeld: onbeholpen alexandrijnen, platheid, oubollige leukigheid, stroef en clichématig, een kaakslag voor de subtiele stilist Elsschot, ongelukkige wendingen. Claes: ‘Het is een pikant experiment de kwaliteit van het model aan te tonen door het te vergelijken met de imitatie. De beste strofe van Lanoye is de vijfde, waarin maar één woord is veranderd.’ Handen af van meester Elsschot, zelfs een geintje wordt niet gewaardeerd…

Maar hoe subtiel was dichter Willem Elsschot eigenlijk? In zijn proza staat dat buiten kijf maar in zijn gedichten zijn passages aan te treffen die zo uit een smartlap komen wandelen. In de bijdrage van Hans Vandevoorde over ‘Bij het Doodsbed van een Kind’ lezen we dat Elsschot kennis moet hebben gehad van de Rotterdamse zingende volksdichter (singersongwriter noemen we dat tegenwoordig) Koos Speenhoff. In die context krijgen de sentimentele en harde beelden veel meer een betekenis. Over dat stervende kind:

(..)

En heeft een uwer een ervaren
en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
hij zegge mij of ‘t waar kan zijn
dat haar de wormen zullen sparen.

En de vierde strofe van ‘Spijt’:

(…)

Maar de jaren zijn verstreken
en de kansen zijn verkeken.
Moest die kist weer opengaan
geen stuk vleesch zat er nog aan.

(…)

En dat gaat dan over de moeder van de lyrische ik. Een vrouw die hij bemint en bewondert. Veel van zijn gedichten zijn gericht aan zijn moeder. Zelfs het gedicht gericht aan zijn echtgenoot Fine is eigenlijk gericht aan de moeder Fine, die toch ook een beetje de moeder van de echtgenoot was. En in al die gedichten klinkt spijt door. Spijt voor eerder handelen of juist het uitblijven van handelen. Dezelfde spijt die ten grondslag ligt aan Lijmen en Het been. Daar is veel over te schrijven en dat hebben de deskundigen dan ook gedaan. De Elsschotbibliotheek is uitgebreid met nieuwe inzichten. Boeiend voor Elsschotfanaten, iets minder voor poëzieliefhebbers.

***
Koen Rymenants (1977) promoveerde op het proza van Willem Elsschot en is bestuurslid van het Willem Elsschot Genootschap. Hij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de subfaculteit Literatuurwetenschap van de K.U. Leuven. Carl de Strycker (1981) is directeur van het Poëziecentrum (hét kennis- en expertisecentrum in Vlaanderen en Nederland voor Nederlandstalige poëzie, buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling, Nederlandstalige poëzie vertaald in andere talen en Zuid-Afrikaanse poëzie). En hij is hoofdredacteur van de Poëziekrant.