Recensie van Kozijnen van krijt - Hanneke van Eijken

Zoet en rauw hand in hand

Hanneke van Eijken
Kozijnen van krijt
Uitgever: Prometheus
2018
ISBN 9789044628272
€ 19,99
56 blz.

Kozijnen van krijt is een bundel die zacht en verlokkend opent, met de afdeling  ‘We gaan gelukkig slapen’. Terwijl het eerste gedicht, ‘Baai’, wel het onheilspellende element bevat van vroege bijensterfte, wiegen de schone, beeldende woorden. Er zit zoveel liefde voor het zintuigelijk ervaren van het leven in deze gedichten. Met woorden als ‘nerven’, ‘barnsteen’ en ‘ademteugen’ wordt de lezer meegenomen de natuur in en die natuur schetst haar verhaal. Van Eijken laat zo zien dat haar tedere observaties geen uitleg behoeven. Ik zie ze, voel ze en wil daarbij net zo gretig verder lezen als leven.

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis 
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver 
als we kunnen kijken

(….)

er is net genoeg licht voor twee mensen 
het is koud, buiten 
plooit een wintervacht. 

De liefde van een vrouw voor haar gezin is ijzersterk in al haar kwetsbaarheid. Dat raakt me. Ik krijg te zien, te voelen en weet het ook allang dat alles vergankelijk is en tóch kan deze liefde niet kapot. 
Er is zelfs tederheid in de wreedheid. Krabben die werden stukgeslagen door de meeuwen op de rotsen worden met een kind veranderd in ‘slingers in de eindeloze tuin, tinkelend als belletjes’.

Het lijkt de leegte te zijn, de stilte, de uitgestrektheid van een landschap waarin alles al besloten ligt. De liefde, de herinneringen.

Ik las ooit dat gieren in een halfuuur tien kilo vlees kunnen eten
het stelt me in zekere zin gerust
dat er weinig overblijft
om naar terug te keren.

De tweede afdeling heet ‘Tafel, Zee, Tijd’. Een tussentitel die ik ervaar als een gedicht an sich. Ik blijf kijken naar die tafel, de zee, de tijd die verstrijkt. Het gebeurt in het wit van de pagina en ik droom er bij weg.  Zo vier ik de vergankelijkheid, op een mooie, melancholische manier.
Er schuiven familieleden aan in de vorm van vier gedichten: ‘Vader’, ‘Moeder’, ‘Broer’ en ‘Zus’ en dan volgt het gedicht ‘alles op de juiste schaal’. Weer is de toon liefdevol, inzoomend, uitzoomend. Koesterend en tegelijk relativerend. Vereeuwigd maar in de vorm van krijt, dat wegsmelt als je het in de zee gooit.

In de volgende drie afdelingen van de bundel, ‘De vacht is een huis zonder muren’, ‘De angst voor het vallen is erger dan het vallen zelf’ en ‘Spatieruis’ worden de eerder genoemde thema’s voortgezet, maar er komen nieuwe, onverwachte motieven en perspectieven bij die ik deels wat uit de toon vind vallen. Het is me niet overal meer zo duidelijk wat de ‘ik’ voor persoon is, zodat ik het nog maar moeilijk aan een gezin in een vergankelijk huis aan zee kan koppelen en dat was het beeld, de sfeer waar ik toch inmiddels zo verliefd op was geworden. Tegelijk is deze afwisseling ook een sterke kant van de bundel, er blijft zo veel ruimte voor de lezer voor eigen interpretaties.

Fragment ‘geen gebrek aan motivatie’ .

Ik laat me graag fotograferen, liggend
op een sofa of piano
of liever nog met twee messen, een geweer
in elke hand, een koalabeertje
op mijn arm

Ik vraag me bij dit gedicht zoveel af. Wie zegt dit? Waarom twee messen en een geweer? Waarom een koalabeertje? Ik beleef een confrontatie met mezelf als dichter en vraag me af sinds wanneer het zo belangrijk voor me is geworden gedichten te kunnen begrijpen.

om geen meisje meer te zijn
wil ze haar schone kern vinden

Bij bovenstaand citaat uit het gedicht ‘Landschap’ blijf ik steken omdat ik meisje en schoon (ongerept) juist met elkaar associeer. Bedoelt de dichter deze zin hier dan ironisch, wil het meisje datgene vinden wat ze al is? Dat thema vind ik poëtisch en dramatisch zeer interessant, maar daar zou ik dan meer van willen weten om er echt zeker van te zijn dat dit is wat hier bedoeld wordt. In hetzelfde gedicht ‘wonen apen met ingewikkelde namen’. Liever had ik die namen daadwerkelijk gelezen, dan had ik ze kunnen beleven en was ik meegegaan.

De gedichten die bij mij blijven hangen zijn ‘Parijs’ en ‘De adem zingt als een mechanisch vogeltje’, waarin het duidelijk is dat een moeder over haar kind schrijft of haar direct aanspreekt. Die kwetsbare, ijzersterke liefde wekt de dichterlijke kwaliteiten van Van Eijken werkelijk bijzonder prachtig op.

Het openingsgedicht van ‘Een vacht is een huis zonder muren’ met haar glasheldere thematiek, de verbinding die de mens kan voelen met wilde dieren, reken ik ook tot mijn lievelingen. Een mooi beeld wordt consistent uitgebouwd en er staat geen woord teveel in.

er jaagt vaak nog een kudde
door mijn hoofd, met teerzwarte staarten
ze stampen in het ritme
van een woeste zee

schuimkoppen glimmen
op hun lippen

ik hoef alleen maar
een haakje los
een deur van slot te laten

In de laatste afdeling, ‘De dagen zijn open handen die ons dragen’, ben ik weer om en ga ik weer helemaal mee. De liefde en de vergankelijkheid spelen hun eenvoudige doch diepgaande en tijdloze rollen uit tegen de achtergrond van een sfeervol landschap. Zoet en rauw gaan hier realistisch hand in hand.

jaren later kent mijn lichaam structuren
die je nooit gezien hebt, geulen
trekken over huid, van kant naar kant
als op een meer, waar vele boten varen

 In Kozijnen van Krijt  staan talloze gevoelvolle gedichten. Bijzonder vind ik dat de authenticiteit van dit werk niets af doet aan de herkenbaarheid, wat Van Eijkens werk geschikt maakt voor een groot publiek.  

***
Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met de bundel Papieren veulens, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2014. In 2015 ontving zij de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs.

Recensie van Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd - Madelon de Keizer

Zes vriendschappen en één liefde

Madelon de Keizer
Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635201
€ 39,99
767 blz.

Wanneer je denkt aan de Tachtigers en aan de beginjaren van het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, dan komen er ogenblikkelijk drie namen bovendrijven wanneer het om de prominente dichters van deze generatie gaat: Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey. De jong gestorven dichter Perk wordt gezien als de voorloper van Tachtig, Kloos als de voorman van deze beweging. Van deze twee zullen veel belangstellenden ook wel enkele versregels en gedichten kennen, maar hoe zit dat met Albert Verwey? Voor velen van ons is Verwey niet meer dan een naam, een van de redactieleden van De Nieuwe Gids. Anderen zullen zich herinneren dat hij betrokken was bij het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XXe Eeuw en De Beweging, zonder te weten waarvoor indertijd deze tijdschriften precies stonden. Wat weten we van globaal van hem? Een poging: hij was als dichter zeer jong begonnen, hij was bevriend met Kloos, kreeg ruzie met hem, ging zijn eigen weg door enkele tijdschriften te beginnen, trouwde met de aantrekkelijke Kitty van Vloten en werd zonder wetenschappelijke opleiding hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. Zie hier in één lange zin de levensloop van Verwey, waarin titels van gedichten of uitgegeven bundels ontbreken, dat moet eerlijkheidshalve opgemerkt worden.  

De aanpak

Madelon de Keizer heeft met haar biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd de beschrijving van het leven van Verwey anders aangepakt dan we bij een biografie gewend zijn. Ze geeft geen lineaire levensloop, maar in haar boek staan zeven relaties van Albert Verwey centraal. Het zijn bijzondere, langdurende contacten met andere kunstenaars en literatoren, waar overigens bij een aantal van hen na verloop van tijd de klad in komt. Ze heeft deze uitgewerkt in zeven hoofdstukken, waar in elk hoofdstuk de chronologie wel een plaats krijgt. En zo worden in zeven hoofdstukken zeven belangrijke personen die in het leven van Albert Verwey een belangrijke rol hebben gespeeld besproken. Het zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter-criticus Willem Kloos, zijn echtgenote Kitty van Vloten, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en Maurits Uyldert. Deze laatste was dichter, journalist en een persoonlijke vriend. Na zijn dood schreef hij een driedelige biografie over Verwey.     

De biografe begint haar boek met een heldere en in mijn ogen vooral slimme inleiding om de lezer het boek in te trekken. Ze gaat op de stoel van de lezer zitten, die zich met dit volumineuze boek van 767 pagina’s in de hand zal afvragen wat de betekenis van Albert Verwey is geweest voor de Nederlandse literatuur. In de ‘Inleiding’ schrijft De Keizer dat bij het overlijden van Albert Verwey in 1937 weliswaar in de kranten en tijdschriften een groot aantal herdenkingsartikelen van gerenommeerde dichters, schrijvers en critici verscheen, maar tegelijkertijd stelden deze auteurs vast dat zijn werk slechts in een kleine kring in binnen- en buitenland bekend was. Kort gezegd, de lezer hoeft zich niet te schamen dat hij zo weinig van Verwey weet en wordt met deze biografie op zijn wenken bediend. De Keizer heeft geen literaire, maar een cultuurhistorische biografie geschreven. Het leven van Verwey, zijn relaties en positie in het literaire en culturele krachtenveld staan daarin centraal. De biografie gaat ook in op nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en de standpunten die Verwey daarin inneemt. Voor mij is de kern van de biografie zijn ontwikkeling als dichter, die vanaf zeer jonge leeftijd in contact komt met Willem Kloos (hoofdstuk 2) en na de breuk een vriendschap en samenwerking met Lodewijk van Deyssel opbouwt (hoofdstuk 4). De ‘Literatuurlijst’ achter in het boek maakt duidelijk dat er veel bronnenmateriaal in de vorm van persoonlijke briefwisselingen tussen de verschillende dichters en kunstenaars beschikbaar is. Deze correspondentie maakt het mogelijk om allerlei kwesties, die spelen in het literaire landschap vanuit verschillende perspectieven te belichten. Het derde hoofdstuk, dat de titel ‘Zo gelukkig als klaar water. Albert Verwey en Kitty van Vloten’ meekreeg, gaat in op Verweys huwelijk met Kitty van Vloten. Zijn levenslange, stabiele relatie met haar speelt een cruciale rol in de beeldvorming van de dichter in relatie tot zijn kunstzinnige vrienden. Wanneer Verwey ruzie krijgt met Willem Kloos en later met Lodewijk van Deyssel, dan krijgen we die conflicten vanuit verschillende gezichtspunten door De Keizer voorgeschoteld. Natuurlijk vanuit het perspectief van de direct betrokkenen, maar de intensieve briefwisseling die Verwey onderhoudt met zijn vrouw Kitty geeft een eerlijk – en in veel gevallen een ander – beeld van hoe Verweij een bepaald probleem ervaart. En omdat allerlei anderen, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Frank van der Goes, ook met elkaar corresponderen en zich uitlaten over de handel en wandel van wie dan ook, wordt iets als waarheidsvinding tamelijk ingewikkeld. Het levert wel boeiende leesstof op, dat moet gezegd worden. Later blikken ook zijn broer Christoffel en enkele van zijn kinderen via brieven en andere publicaties terug op het leven van hun vader, waardoor we weer een andere kijk op bepaalde zaken krijgen. Ondanks dat veel correspondentie verloren is gegaan, stel ik toch vast dat van alle kanten het leven van Verwey belicht kan worden. Madelon Keizer heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen. Ik was er al van overtuigd dat de periode 1880-1920 op literair gebied uitermate boeiend en dynamisch was. Als een meeuw op de golven benadrukt dat alleen maar.   

De uitwerking

De dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars bespreken in hun correspondentie aan elkaar en in hun kritieken de meest uiteenlopende onderwerpen. Er wordt serieus ingegaan op de kwaliteiten van elkaars werk en er heerst afgunst ten opzichte van elkaar als het gaat om mogelijkheden om te publiceren, niet in het minst omdat geldtekort voor veel dichters een groot probleem was. Soms maakt men elkaar ronduit af in de tijdschriftkritieken of in de briefwisselingen. In veel gevallen komt het niveau van de correspondentie niet boven de eenvoudige dorpsroddel uit. Als lezer ervaar ik het op sommige momenten als kleinzerig. Ik zucht wel eens diep, maar ik geef volmondig toe dat het boek boeiend blijft om te lezen. Dat komt omdat Madelon de Keizer op het juiste moment overstapt op een nieuw cultuurhistorisch onderwerp, de alledaagse perikelen laat voor wat ze zijn en al te grote banaliteiten vermijdt. Daarbij heeft ze een toegankelijke stijl van schrijven, een stijl die zich richt op een breed lezerspubliek. Zowel de belangstellenden voor oudere literatuur als degenen die zich beroepsmatig bezighouden met de letterkunde kunnen met deze biografie goed uit de voeten.

De biografie geeft de lezer ook toegang tot de poëzie van Albert Verwey. In alle hoofdstukken worden feiten uit zijn leven of gebeurtenissen waarbij hij zich betrokken voelt niet alleen beschreven, maar ook voorzien van gedichten of fragmenten van gedichten. Zo bevat deze biografie gedichten – veelal sonnetten – over Oudjaar, zijn overspannenheid die enkele malen opstak, over Kitty, over het Alhambra, over de Boerenoorlog en naar aanleiding van een kritische recensie van Van Eeden op zijn bundel Het Zichtbaar Geheim om de variëteit aan onderwerpen te laten zien. Ook de poëzie van anderen, waarmee hij contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld de Duitse dichter Stefan George, wordt afgedrukt in dit boek. Een aantal gedichten getuigt van de invloed van de ideeën van Spinoza, die hij steeds meer ging bestuderen. In 1893 verscheen een reeks van twaalf sonnetten in Van Nu en Straks. In 1894 de gedichten publiceerde hij bovendien ‘Tot het leven’ en De natuurlijke aarde’ die refereren aan het ideeëngoed van Spinoza, zodat Verwey met recht een spinozist genoemd kan worden. De Keizer laat goed zien dat Verwey zich ontwikkelt tot een breed georiënteerde letterkundige, die schrijvers als Potgieter en Vondel herlas en bestudeerde. Dat leidde tot de uitgave van een biografie van Potgieter in 1902 en een nieuwe editie van Vondels werken in 1937. Uiteindelijk leidden zijn letterkundige studies, zijn vertalingen en zijn edities tot een hoogleraarschap in Leiden. Dat was bijzonder voor iemand zonder wetenschappelijke opleiding, die overigens van de Groningse universiteit in 1914 wel een eredoctoraat had ontvangen, omdat hij een culturele bijlage had geleverd aan de bouw van de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Albert Verwey woonde met Kitty en zijn zeven kinderen in de op een duin gelegen Villa Nova, van waar zij over Noordwijk konden uitkijken. De villa was een grote woning, waarin veel gasten gastvrij ontvangen werden en voor langere tijd konden logeren. Vanuit deze belvédère bespeelde hij het literaire veld met zijn op schrift gestelde opvattingen in de vorm van gedichten, kritieken en studies in de verschillende tijdschriften. Het tijdschrift De Beweging dat hij vanaf 1905 leidde, kan gezien worden als zijn meest persoonlijke medium. De Keizer wijst erop dat enig arrogant gedrag hem niet vreemd was. Gedurende zijn leven publiceerde hij talloze dichtbundels met soms zonderlinge titels als De kristaltwijg (1903), Het blank heelal (1908), Het eigen rijk (1912), Het zwaardjaar (1916), De getilde last (1927) en Het lachende raadsel (1935) om er enkele te noemen. Het boek Als een meeuw op de golven geeft de lezer nieuwe feiten en een goed overzicht van wat zich in de culturele wereld tijdens het leven van Verwey allemaal afspeelde. De afzonderlijke hoofdstukken zijn tevens te beschouwen als korte biografieën van zijn vrienden en van zijn echtgenote. Na lezing van deze biografie stel ik vast dat de opbouw ijzersterk is, ondanks dat de uitwerkingen van bepaalde kwesties op sommige momenten in een hoofdstuk wat algemeen zijn en dan enigszins los komen te staan van de twee personen, waarvan Verwey er altijd een is. Zo komt de paragraaf ‘De biografie van Potgieter’ in het vijfde hoofdstuk ‘Een dichterschap over de grenzen. Albert Verwey en Stefan George’ over als een wat vreemd intermezzo in een relaas over zijn vriendschap met een gewaardeerde Duitse dichter.      

Het portret

Er loopt af en toe een bijzondere rode draad door een hoofdstuk. De ziekte tbc slaat in de jonge jaren van Albert Verwey in de familie meedogenloos toe. Geldtekort is bij schrijvers en kunstenaars, zoals ik al zei, een voorwerp van aanhoudende zorg. Het verschil in godsdienstige opvattingen tussen protestanten en katholieken komen bij tijd en wijle aan de oppervlakte. Politieke tegenstellingen tussen verschillende ideologieën steken geregeld de kop op. Een mooi uitgewerkte lijn is te vinden in het eerste hoofdstuk ‘Het portret. Albert Verwey en Jan Veth’. Het toont dat Madelon de Keizer een prima schrijfster is. Jan Veth, schilder in opleiding, had aan de negentienjarige Albert Verwey gevraagd om voor hem te poseren. Het portret, dat ook de omslag van deze biografie siert, was in 1885 klaar en werd op een tentoonstelling van kunstenaarsvereniging Arte et Amicitiae gepresenteerd. Het kreeg veel aandacht in de besprekingen. Veel literatoren en kunstenaars vroegen zich af wie de afgebeelde jongeman was en Verwey zelf legde steeds meer contacten in de wereld van de beeldende kunst. Toen het tot een breuk kwam met Jan Veth, die in Bussum woonde, verhuisde het portret van Veths kamer naar zijn atelier. De vriendschap tussen beiden werd hersteld en na Verweys huwelijk kwam het portret in zijn huis in Noordwijk te hangen. De reis van het schilderij is de rode draad in dit hoofdstuk over Verwey en Jan Veth, die zich ontwikkelde tot een portretschilder met een hoog aanzien. Nu hangt de afbeelding van Verwey in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar in 1927 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling ter ere van Jan Veth in Dordrecht. Jan Slagter, recensent van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, beschreef Veths portret van de jonge dichter Albert Verwey. Hij zag een ‘…nog wat slungelige jongeman in zijn onvoorname kleren, maar met een kop vol sterke eigenzinnigheid en vol plannen, idealen en poëzie, met een paar ogen die helder vooruitzien naar de toekomst en tegelijk zoo teder van uitdrukking…’. In 1885 is hij afgebeeld met dit uiterlijk, met deze expressie en met deze uitstraling van ambities. Echter, ook in deze moderne biografie kun je Albert Verwey, zijn vrienden en zijn echtgenote nog steeds zo ontmoeten.

***
Madelon de Keizer (1948) is historicus, biograaf en beeldend kunstenaar. Ze studeerde geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Ze promoveerde in 1991 cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd. Vanaf 1982-2013 was ze als onderzoeker verbonden aan het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies). Madelon de Keizer publiceerde o.a. biografieën over de schrijfster Carry van Bruggen (2006) en de journalist-politicus Frans Goethart.

Recensie van Handschrift - Jean Pierre Rawie

Het tenue de ville van de dichter

Jean Pierre Rawie
Handschrift
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635102
€ 15,00
72 blz.

Wie de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie aanschaft krijgt voor vijftien euro daadwerkelijk waar voor zijn geld. Geen slappe kaft met catchy foto, maar een boekwerk met stevige goudkleurige kaft, die onder een karmozijnen boekomslag met gekalligrafeerde gouden letters schuilgaat. Ook geen slappe flapteksten: de achterzijde van de bundel is leeg, zeker als we de ontsierende sticker met streepjescode hebben mogen verwijderen. Ook aan de binnenzijde van de boekomslag geen lovende citaten uit eerdere kritieken of verwijzing naar vroeger werk, slechts een gestileerde roodgouden foto van de auteur. De boodschap is duidelijk: deze bundel moet zichzelf verkopen. En dat zal de nieuwe Rawie, tot afgrijzen van de heersende kritiek, dan ook zeker doen. Zijn vorige bundel, De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (1), was met ruim 15.000 verkochte exemplaren met afstand de best verkochte dichtbundel van 2012.
Arjan Peters, recensent bij de Volkskrant, ging onlangs in een kritisch stuk over hedendaagse poëzie uitgebreid op het succes van Rawie in. ‘Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft / in onbenulligheid verdwijnt; / al wat een schitterend begin heeft / wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’
Stilstaan bij de vergankelijkheid is al in het vroege werk van Rawie één van zijn belangrijkste thema’s. In die zin is hij misschien een vroegoude dichter. In Onmogelijk geluk, verschenen toen de dichter net de veertig was gepasseerd, lezen we al frasen als ‘Bij elke zin / houd ik de laatste adem in’ en ‘Ach wat ik ook / op deze tocht / ten grave zocht / was wind en rook’.
Liefhebbers van de melancholie komen vooral in de eerste gedichten van Handschrift goed aan hun trekken. ‘Je nam geboden kansen slecht te baat / en hebt tot slot het minste deel verkoren, / en het geluk komt karig en te laat.’ (in: ‘Geluk’). ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ (eerste én laatste regel uit ‘Zo’n dag’). ‘Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg. / Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras. Ik ben al bijna weg.’ (in: ‘Boven het gras’) (2). Maar juist als je als lezer denkt ‘nu weet ik het wel’ neemt de bundel een verrassende wending.

NOTABEL

Ik ga steevast gekleed
in een tenue
de ville, zoals dat heet.
Men noemt mij u.

Gelegenheden waar
ik wat verteer
ontvangen met egards
zo’n deftig heer.

Ik word alom met zwier
gegroet op straat:
dan is het mij of hier
mijn vader gaat.

Voor velen vorm ik deel
der upper ten,
waar ik gewiekst verheel
hoe ’n beest ik ben.

Rawie lijkt hier de spot te drijven met zijn identiteit. Hij kiest voor een overdreven deftig taalgebruik, met woorden als egards, zwier, verteer en upper ten. De slotregel is opmerkelijk, zowel vanwege de wat onbeholpen ritmiek (probeer dit maar eens hardop te lezen) als de inhoud. Zouden we een in dit vers een sleutelgedicht kunnen zien? Drijft Rawie met dit gedicht impliciet de spot met de critici die zijn werk te serieus nemen? In de loop van de eerste en tweede afdeling komt hij af en toe heerlijk humoristisch, soms zelfs buitengewoon melig uit de hoek. Alsof hij zeggen wil: het is niet alleen maar de vergankelijkheid waar ik mijn verzen aan wijd. We lezen in ‘Stal’ over de drukte rond de kribbe, vanuit het perspectief van de pasgeboren Jezus, die van de weersomstuit ‘zijn knuistjes in zijn oren’ doet. In ‘Inhuldiging’ worden we deelgenoot van de griep die zijn geliefde trof ten tijde van de inauguratie van Willem Alexander, venijnig verwoord als ‘een persoonlijk onderbuikgevoel’. Zowel aan Gerrit Komrij als aan Willem Wilmink is een In memoriam gewijd. Beide gedichten hebben min of meer dezelfde clou. Over Komrij lezen we: ‘Hij had een boel meer vrienden dan hij wist. / Ik kon niet laten me hem voor te stellen, / Gerrit, sardonisch grijnzend in zijn kist.’ En ook op de begrafenis van Wilmink bleken er opeens verrassend veel literatoren ‘die al die jaren al in Willem waren / en tot op heden nog in Willem zijn!’ Nee, de critici mogen dan geen hoge pet op hebben van Rawie, het omgekeerde is ook het geval.

Traditiegetrouw bestaat de derde afdeling van de bundel uit vertalingen. Rawie presenteert ons een exclusieve selectie Portugese, Spaanse, Ierse, Russische en Braziliaanse poëzie uit de 16e tot de 20e eeuw. De oorspronkelijke tekst staat telkens op de linkerpagina afgedrukt, wat respect afdwingt voor de vertaler die van zoveel markten thuis blijkt te zijn. De meeste dichters zijn geestverwanten die het tijdloze thema van vergankelijkheid c.q. sterfelijkheid op telkens andere wijze bezingen. De gedichten zijn chronologisch geordend. Het eerste gedicht is van Portugals grootste klassieke dichter, Luís de Camões (1524 – 1580).

WERELDS ONGERIJMDHEID

Ik zag goedwillenden gedwee
steeds onheil ondergaan op Aarde,
en, daar zat ik het meeste mee,
dat slechteriken op een zee
van louter voorspoed spelevaarden.

Ik dacht mijn eigen voordeel bij
die wanverhouding te behalen,
maar moest mijn misstap duur betalen.
De Wereld bleek alleen voor mij
niet van de normen af te dwalen.

De eerste strofe daarvan wordt veel geciteerd. Rawie schenkt ons het hele gedicht. Ik moet eerlijk zeggen, dat de clou van de laatste twee regels mij volledig ontgaat. In de eerste drie regels van de tweede strofe wordt gesuggereerd, dat het lyrisch ik het slechte pad op is gegaan, maar daarvoor niet beloond werd met geluk. De clou zou begrijpelijk worden, wanneer we het woordje ‘niet’ aan het begin van de laatste regel weglaten (hetgeen overeenkomt met de Engelse vertalingen die op internet te vinden zijn). Ik houd me aanbevolen voor reacties van lezers die het Portugees machtig zijn.

Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden. Ik citeerde aan het begin van deze recensie al enkele pareltjes. Daarnaast is er wat meer ruimte voor humor en anekdotiek, waarbij we zelfs de naam van een geliefde tegenkomen, met wie hij Zeeland bezoekt of naar het zuiden vliegt. Dit laatste blijkbaar zo frequent, dat zij, nog voor hij over de Alpen waar ze overheen vliegen kan opmerken ‘Zo ziet God ze ook’, hem voor is: ‘Dat zeg je elke keer!’.
Misschien staan er wat minder gouden regels (3) in Handschrift dan in zijn vroegere werk. De tijd zal het leren.

***
Meer lezen:

(1)  Recensie door Joop Leibbrand van De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag voor Meander.
(2)  De bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘Boven het gras’ uit Handschrift in het kader van de reeks Eerste Indrukken vindt u op Ooteoote.
(3)  Bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘ Voorgoed’ voor de reeks Meander Klassiekers.

Recensie van Ik was een hond - Thomas Möhlmann

Wij en ik

Thomas Möhlmann
Ik was een hond
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044633139
€ 19,99
72 blz.

Ik was een hond, de vierde bundel van Thomas Möhlmann, bestaat uit twee afdelingen: ‘Spaar ze allemaal’ en ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan.’ Het proza-achtige titelgedicht van tweeënhalve bladzijde lang gaat daaraan vooraf. Qua vorm past het bij de eerste afdeling, die een minder strakke indruk maakt dan de tweede: het zijn gedichten van verschillende lengte, al dan niet strofisch en met soms een schijnbaar willekeurige regelafbreking.
In zekere zin zou je dit eerste gedicht een samenvatting van de bundel kunnen noemen: het is een vogelvlucht over de wereld waarin het lyrisch ‘ik’, dat tussendoor kan overgaan in een onbestemd ‘wij’, voortdurend verandert: in een dar, in jagers, hun vrouwen, in vaders, dochters et cetera en die beelden komen terug in afzonderlijke gedichten. De veranderingen getuigen van inlevingsvermogen; een kenmerkende passage uit het titelgedicht in dit verband is: ‘[we vlogen] de horizon tegemoet, we vlogen geestdriftig / tot het onderscheid tussen ons en de horizon / verdween, we werden één met alles wat zich netjes / buiten het blikveld bevond ( … )’.
Het gebruik van ‘wij’ in de bundel kan verwarrend zijn. Je weet niet altijd wat je daaronder kunt verstaan: de dichter en een ander, de dichter en een kleine groep mensen of iedereen.

We zien een dichter die midden in de wereld staat: hij schrijft niet alleen over zichzelf en de mensen om hem heen, maar ook over de buitenwereld waarvan hij deel uitmaakt: zijn woonwijk, de aarde die door opwarming wordt bedreigd, waar oorlog heerst en die tallozen dwingt te vluchten. Hoe sta je daar tegenover? Wat doet het met je? Wat de buitenwereld betreft: we zien sarcasme, angst, machteloze woede, maar ook mededogen en hoop op een betere wereld, want alles verandert voortdurend en dat kan ook ten goede zijn. De laatste regels van het titelgedicht luiden: ‘We leven nog, alles wat je denkt, alles wat / je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.’ Of is ‘wat mij betreft’ een addertje onder het gras? Dat hangt af van de context waarin je zoiets schrijft of zegt.
Sterk vind ik het gedicht ‘Kate Middleton looks radiant after birth’. Daarin lijkt een persoon aan het woord te zijn die hardnekkig in sprookjes wil geloven – in dit geval dat van de stralende jonge moeder, getrouwd met William, de droomprins die ooit een gevierd koning van het Britse rijk zal zijn. Deze persoon lijkt zich te verdedigen tegen zwartkijkers die hem de storende werkelijkheid door de strot willen duwen. Hij is niet bang dat zijn sprookjesachtige wereldbeeld aangetast kan worden – of juist wel? Dat zou kunnen blijken uit de gevarieerde herhalingen van ‘Kom dan’ die dan het karakter van een bezwering hebben:

Kate Middleton looks radiant after birth

Kom dan, als je het zo graag zo wilt spelen
kom op dan met je stijgende zeespiegel
je middellandse hoopdoden, je water-
tekort in Nepal, Syrië overal eigenlijk
schijnt haar glimlach ons tegemoet

kom en breng je promotieteam mee
schuif je kanonnen naar voren, leg ons
nog eens overtuigend de gevaren die we
niet kennen kunnen uit, de ongekende
onbekenden zien haar stralen net als wij

kom dan op je befaamde kousenvoeten
kom met je spleetjes van ogen, als de minst
mislukte versie, de meest vredelievende van
alle mogelijke vertegenwoordigingsvormen

ze lacht en straalt en legt iedereen het zwijgen op
dus kom vergiftig ons water, leg onze verkeersaders
lam, sla vlotten terug het open water op, kom met
je eeuwige gelijk en talloze gebreken, kom maar op.

Het is intrigerend om te zien hoever Möhlmann met die herhalingen kan gaan. Het gedicht ‘We zullen’ heeft er een opzwepend ritme door gekregen dat de gretigheid van de verteller ondersteunt:

Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen

alle vogels die hun vleugels uitslaan, tegelijk, niet om te willen
vliegen maar uit pure schrik, ze zullen net als wij mijn lief

maar voor het zover is, zullen we, zullen wij, wat we zouden
in die hele rij van gezegende jaren die we nog hebben, zullen we.

‘We zullen’ is het laatste gedicht van de tweede afdeling, die een aanmerkelijk strakkere vorm heeft dan de eerste. Het gaat om zesentwintig gedichten, ieder van zes disticha. Zonder uitzondering bestaan de titels uit een onderwerp en persoonsvorm: ‘We ademen’, ‘We blijven’, ‘We citeren’ ( … ); dat ‘we’ in de titel impliceert uiteraard een ik-verteller, die in veel gedichten ook expliciet aanwezig is. Möhlmann ging met zijn werkwoorden het hele alfabet langs. Hij heeft daar wel een beetje mee gesmokkeld: de ypsilon heeft hij vervangen door ‘ij’. Begrijpelijk; in Het Groene Boekje (2007) stond maar één werkwoord dat begint met een ‘y’: yellen.
Ieder gedicht is geschreven voor of dankzij een dichter, singer-songwriter, musicus en, in het eerste en laatste gedicht van de afdeling, de geliefde van de dichter. Met die opdrachten is iets eigenaardigs aan de hand: Möhlmann heeft de namen niet bij de gedichten zelf vermeld, maar in de aantekeningen. Dat zou kunnen betekenen dat een lezer niet per se hoeft te weten aan wie het gedicht is opgedragen om het te snappen. Wie die ‘wij’ zijn, bepaal je per gedicht; zoals gezegd is dat soms lastig.
Zou er per gedicht echter wel hebben gestaan aan wie het is opgedragen, dan was de lezing waarschijnlijk anders, specifieker: je identificeert die ‘wij’ dan mogelijk als de dichter en de genoemde persoon. En echt grappig wordt het als je mensen het aan hen opgedragen gedicht op YouTube ziet voorlezen: de ‘wij’ blijven hetzelfde, maar je identificeert de ‘ik’ nu niet met de dichter als het gedicht daartoe uitnodigt, maar met degene die voorleest.

Ik was een hond is een goede bundel. Sommige gedichten geven zich moeizaam prijs, maar een geduldige, aandachtige lezer wordt ruimschoots beloond. Het eerste gedeelte vind ik boeiender dan het tweede, omdat de variabele lengte en losse vorm goed passen bij de soms als heftig ervaren tegenstelling tussen de veiligheid van de kleine, vertrouwde omgeving en het dreigend onheil in de buitenwereld. Gedichten uit het tweede deel komen door het keurslijf soms wat geforceerd over – maar dat is betrekkelijk: zie het geciteerde gedicht. 

Recensie van De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten - Ilja Leonard Pfeijffer

Een opvolger van Komrij: De Dikke Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer
De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten
Uitgever: Prometheus
2016
ISBN 9789044631975
€ 25,00
1434 blz.

De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer is de opvolger van de bloemlezing Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21e eeuw in 2000 en enige gedichten uit 2004. Komrij was eigenzinnig en daarom wilde Pfeijffer, juist uit respect voor hem, even eigenzinnig zijn eigen pad volgen. Dichters die bij Komrij wel voorkomen, heeft Pfeijffer geschrapt, ook dichters van wie je dat niet zou verwachten. Dat laatste geldt ook voor sommige dichters die hij wel opneemt en dat is een van de dingen die de bundel interessant maken. (In zijn Poëzie-encyclopedie heeft Bart FM Droog hiervan met de van hem bekende snelheid een heldere vergelijking gemaakt – om deze reden ga ik daar nu niet op in).
Pfeijffer vermeldt dat zijn titel misleidend is: het gaat om niet om specifiek Nederlandse, maar om Nederlandstalige poëzie, de twintigste eeuw laat hij bij de Tachtigers beginnen en hij heeft veel meer dan duizend gedichten opgenomen. De bundel eindigt halverwege 2016 met het gedicht ‘Jonge rokers’ uit de bundel Kwaad gesternte van Hannah van Binsbergen.

Een bloemlezing geeft een tijdsbeeld. In De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten uit 1979 wilde Komrij onder andere afrekenen met de hegemonie van de Vijftigers of liever gezegd: van hun epigonen. Hij legde het accent onder andere op vakmanschap, op gedichten die het verstand scherpen en amuseren. ‘Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’ In de herziene bloemlezing uit 2004 voelde hij zich als eerste Dichter des Vaderlands echter geroepen een representatief beeld te geven van de Nederlandstalige poëzie.
Dat de bloemlezing van Pfeijffer herkenbaar zal blijven als een bloemlezing van de huidige tijd, zie je niet alleen aan de criteria volgens welke hij de gedichten heeft geselecteerd, maar ook aan een formulering als ‘zich verhouden tot’. In deze tijd verhoudt het merendeel van de dichters, lezers, beschouwers en wetenschappers zich tot bijna alles wat zich aandient; als je slechts een positie bepaalt of inneemt, ben je hopeloos ouderwets.

Welke criteria hanteerde Pfeijffer? Avontuurlijke gedichten wilde hij, ‘waarbij begrip vaker wel dan niet een vorm van vermoeden is, zoals zo vaak in het echte leven.’ Hij wilde gedichten waarin iets op het spel staat, waarin de taal wordt omgewoeld: poëzie die niet raar is, is bijna nooit goed. Verstilde gedichten over ‘gierzwaluwen en universele gevoelens’ hebben niet meer de voorkeur boven gedichten ‘die zich verhouden tot de politiek, de actualiteit en de smerige wereld buiten het gedicht (…)’. Maar bovenal ‘kunnen we niet genoeg benadrukken dat het onderwerp van het gedicht onbelangrijk is. Het gaat erom dat er iets wordt gezegd zoals het nooit eerder is gezegd.’

Een dichter als Maarten van der Graaff, van wie hij achttien pagina’s heeft opgenomen, voldoet aan deze criteria. Het gekke is dat het enige gedicht van hemzelf – een bloemlezer moet bescheiden zijn – verre van ‘raar’ is. De taal wordt niet omgewoeld, maar in alexandrijnen en gepaard rijm opgediend en daarmee plaatst Pfeijffer zich in een aloude traditie. Maar ‘Idylle 7’, uit zijn laatste bundel Idyllen. Nieuwe poëzie (2015), is een goed gedicht. Er staat veel op het spel:

(…)
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. We moeten onder ogen zien
dat onze knusse niche steeds knusser dreigt te worden.
Terwijl de broze poort belaagd wordt door de horden,
gaat ons debat erover hoe te masturberen.
(…)
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
De winter komt en hij zal vele jaren duren.
De dichters zullen zingen bij de bange vuren
of niet meer dichters zijn. We moeten alles weten
wat googelende vingers dagelijks vergeten.
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
(…)

Tot slot moeten gedichten muzikaal zijn en daarom heeft hij zonder enig bezwaar liedteksten opgenomen, ‘De commensaal’, Dodenrit’ en ‘Veerpont’ van Drs. P. bijvoorbeeld.
Uiteindelijk was kwaliteit het enige criterium en daarin volgde hij geheel zijn eigen smaak.

Dat Pfeijffer een persoonlijke selectie heeft gemaakt is zijn goed recht. Het lijkt problematisch te worden als hij zegt ook een aantal bekende, maar ‘objectief slechte’ klassieke gedichten te hebben opgenomen, omdat een bloemlezing als deze ook een naslagwerk is. Mijn eerste reactie was dat deze functie onverenigbaar is met een persoonlijke selectie, omdat een aantal dichters die hij nu heeft weggelaten in een representatieve bundel wel zouden zijn opgenomen. Maar het aardige is, dat hij die ‘objectief slechte’ gedichten niet noemt; de lezer mag zelf bepalen welke dat zijn. Hij heeft er één prijsgegeven in De Volkskrant: ‘Jonge sla’ van Kopland. Een aantal van de lezers die dit gedicht ‘objectief goed’ vinden, zullen hierover ongetwijfeld zeer verontwaardigd zijn. Van Elsschot heeft hij helemaal niets opgenomen; de meest bekende klassieker ‘Het huwelijk’ moet daarom wel héél ‘objectief slecht’ zijn. Hij gaat met deze klassiekers dus net zo eigenzinnig om als met de andere gedichten en dan klopt het weer. De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten is met dit soort grappen niet alleen een imposante, eigenzinnige bloemlezing, maar ook een amusante.