Recensie van Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd - Madelon de Keizer

Zes vriendschappen en één liefde

Madelon de Keizer
Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635201
€ 39,99
767 blz.

Wanneer je denkt aan de Tachtigers en aan de beginjaren van het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, dan komen er ogenblikkelijk drie namen bovendrijven wanneer het om de prominente dichters van deze generatie gaat: Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey. De jong gestorven dichter Perk wordt gezien als de voorloper van Tachtig, Kloos als de voorman van deze beweging. Van deze twee zullen veel belangstellenden ook wel enkele versregels en gedichten kennen, maar hoe zit dat met Albert Verwey? Voor velen van ons is Verwey niet meer dan een naam, een van de redactieleden van De Nieuwe Gids. Anderen zullen zich herinneren dat hij betrokken was bij het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XXe Eeuw en De Beweging, zonder te weten waarvoor indertijd deze tijdschriften precies stonden. Wat weten we van globaal van hem? Een poging: hij was als dichter zeer jong begonnen, hij was bevriend met Kloos, kreeg ruzie met hem, ging zijn eigen weg door enkele tijdschriften te beginnen, trouwde met de aantrekkelijke Kitty van Vloten en werd zonder wetenschappelijke opleiding hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. Zie hier in één lange zin de levensloop van Verwey, waarin titels van gedichten of uitgegeven bundels ontbreken, dat moet eerlijkheidshalve opgemerkt worden.  

De aanpak

Madelon de Keizer heeft met haar biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd de beschrijving van het leven van Verwey anders aangepakt dan we bij een biografie gewend zijn. Ze geeft geen lineaire levensloop, maar in haar boek staan zeven relaties van Albert Verwey centraal. Het zijn bijzondere, langdurende contacten met andere kunstenaars en literatoren, waar overigens bij een aantal van hen na verloop van tijd de klad in komt. Ze heeft deze uitgewerkt in zeven hoofdstukken, waar in elk hoofdstuk de chronologie wel een plaats krijgt. En zo worden in zeven hoofdstukken zeven belangrijke personen die in het leven van Albert Verwey een belangrijke rol hebben gespeeld besproken. Het zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter-criticus Willem Kloos, zijn echtgenote Kitty van Vloten, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en Maurits Uyldert. Deze laatste was dichter, journalist en een persoonlijke vriend. Na zijn dood schreef hij een driedelige biografie over Verwey.     

De biografe begint haar boek met een heldere en in mijn ogen vooral slimme inleiding om de lezer het boek in te trekken. Ze gaat op de stoel van de lezer zitten, die zich met dit volumineuze boek van 767 pagina’s in de hand zal afvragen wat de betekenis van Albert Verwey is geweest voor de Nederlandse literatuur. In de ‘Inleiding’ schrijft De Keizer dat bij het overlijden van Albert Verwey in 1937 weliswaar in de kranten en tijdschriften een groot aantal herdenkingsartikelen van gerenommeerde dichters, schrijvers en critici verscheen, maar tegelijkertijd stelden deze auteurs vast dat zijn werk slechts in een kleine kring in binnen- en buitenland bekend was. Kort gezegd, de lezer hoeft zich niet te schamen dat hij zo weinig van Verwey weet en wordt met deze biografie op zijn wenken bediend. De Keizer heeft geen literaire, maar een cultuurhistorische biografie geschreven. Het leven van Verwey, zijn relaties en positie in het literaire en culturele krachtenveld staan daarin centraal. De biografie gaat ook in op nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en de standpunten die Verwey daarin inneemt. Voor mij is de kern van de biografie zijn ontwikkeling als dichter, die vanaf zeer jonge leeftijd in contact komt met Willem Kloos (hoofdstuk 2) en na de breuk een vriendschap en samenwerking met Lodewijk van Deyssel opbouwt (hoofdstuk 4). De ‘Literatuurlijst’ achter in het boek maakt duidelijk dat er veel bronnenmateriaal in de vorm van persoonlijke briefwisselingen tussen de verschillende dichters en kunstenaars beschikbaar is. Deze correspondentie maakt het mogelijk om allerlei kwesties, die spelen in het literaire landschap vanuit verschillende perspectieven te belichten. Het derde hoofdstuk, dat de titel ‘Zo gelukkig als klaar water. Albert Verwey en Kitty van Vloten’ meekreeg, gaat in op Verweys huwelijk met Kitty van Vloten. Zijn levenslange, stabiele relatie met haar speelt een cruciale rol in de beeldvorming van de dichter in relatie tot zijn kunstzinnige vrienden. Wanneer Verwey ruzie krijgt met Willem Kloos en later met Lodewijk van Deyssel, dan krijgen we die conflicten vanuit verschillende gezichtspunten door De Keizer voorgeschoteld. Natuurlijk vanuit het perspectief van de direct betrokkenen, maar de intensieve briefwisseling die Verwey onderhoudt met zijn vrouw Kitty geeft een eerlijk – en in veel gevallen een ander – beeld van hoe Verweij een bepaald probleem ervaart. En omdat allerlei anderen, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Frank van der Goes, ook met elkaar corresponderen en zich uitlaten over de handel en wandel van wie dan ook, wordt iets als waarheidsvinding tamelijk ingewikkeld. Het levert wel boeiende leesstof op, dat moet gezegd worden. Later blikken ook zijn broer Christoffel en enkele van zijn kinderen via brieven en andere publicaties terug op het leven van hun vader, waardoor we weer een andere kijk op bepaalde zaken krijgen. Ondanks dat veel correspondentie verloren is gegaan, stel ik toch vast dat van alle kanten het leven van Verwey belicht kan worden. Madelon Keizer heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen. Ik was er al van overtuigd dat de periode 1880-1920 op literair gebied uitermate boeiend en dynamisch was. Als een meeuw op de golven benadrukt dat alleen maar.   

De uitwerking

De dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars bespreken in hun correspondentie aan elkaar en in hun kritieken de meest uiteenlopende onderwerpen. Er wordt serieus ingegaan op de kwaliteiten van elkaars werk en er heerst afgunst ten opzichte van elkaar als het gaat om mogelijkheden om te publiceren, niet in het minst omdat geldtekort voor veel dichters een groot probleem was. Soms maakt men elkaar ronduit af in de tijdschriftkritieken of in de briefwisselingen. In veel gevallen komt het niveau van de correspondentie niet boven de eenvoudige dorpsroddel uit. Als lezer ervaar ik het op sommige momenten als kleinzerig. Ik zucht wel eens diep, maar ik geef volmondig toe dat het boek boeiend blijft om te lezen. Dat komt omdat Madelon de Keizer op het juiste moment overstapt op een nieuw cultuurhistorisch onderwerp, de alledaagse perikelen laat voor wat ze zijn en al te grote banaliteiten vermijdt. Daarbij heeft ze een toegankelijke stijl van schrijven, een stijl die zich richt op een breed lezerspubliek. Zowel de belangstellenden voor oudere literatuur als degenen die zich beroepsmatig bezighouden met de letterkunde kunnen met deze biografie goed uit de voeten.

De biografie geeft de lezer ook toegang tot de poëzie van Albert Verwey. In alle hoofdstukken worden feiten uit zijn leven of gebeurtenissen waarbij hij zich betrokken voelt niet alleen beschreven, maar ook voorzien van gedichten of fragmenten van gedichten. Zo bevat deze biografie gedichten – veelal sonnetten – over Oudjaar, zijn overspannenheid die enkele malen opstak, over Kitty, over het Alhambra, over de Boerenoorlog en naar aanleiding van een kritische recensie van Van Eeden op zijn bundel Het Zichtbaar Geheim om de variëteit aan onderwerpen te laten zien. Ook de poëzie van anderen, waarmee hij contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld de Duitse dichter Stefan George, wordt afgedrukt in dit boek. Een aantal gedichten getuigt van de invloed van de ideeën van Spinoza, die hij steeds meer ging bestuderen. In 1893 verscheen een reeks van twaalf sonnetten in Van Nu en Straks. In 1894 de gedichten publiceerde hij bovendien ‘Tot het leven’ en De natuurlijke aarde’ die refereren aan het ideeëngoed van Spinoza, zodat Verwey met recht een spinozist genoemd kan worden. De Keizer laat goed zien dat Verwey zich ontwikkelt tot een breed georiënteerde letterkundige, die schrijvers als Potgieter en Vondel herlas en bestudeerde. Dat leidde tot de uitgave van een biografie van Potgieter in 1902 en een nieuwe editie van Vondels werken in 1937. Uiteindelijk leidden zijn letterkundige studies, zijn vertalingen en zijn edities tot een hoogleraarschap in Leiden. Dat was bijzonder voor iemand zonder wetenschappelijke opleiding, die overigens van de Groningse universiteit in 1914 wel een eredoctoraat had ontvangen, omdat hij een culturele bijlage had geleverd aan de bouw van de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Albert Verwey woonde met Kitty en zijn zeven kinderen in de op een duin gelegen Villa Nova, van waar zij over Noordwijk konden uitkijken. De villa was een grote woning, waarin veel gasten gastvrij ontvangen werden en voor langere tijd konden logeren. Vanuit deze belvédère bespeelde hij het literaire veld met zijn op schrift gestelde opvattingen in de vorm van gedichten, kritieken en studies in de verschillende tijdschriften. Het tijdschrift De Beweging dat hij vanaf 1905 leidde, kan gezien worden als zijn meest persoonlijke medium. De Keizer wijst erop dat enig arrogant gedrag hem niet vreemd was. Gedurende zijn leven publiceerde hij talloze dichtbundels met soms zonderlinge titels als De kristaltwijg (1903), Het blank heelal (1908), Het eigen rijk (1912), Het zwaardjaar (1916), De getilde last (1927) en Het lachende raadsel (1935) om er enkele te noemen. Het boek Als een meeuw op de golven geeft de lezer nieuwe feiten en een goed overzicht van wat zich in de culturele wereld tijdens het leven van Verwey allemaal afspeelde. De afzonderlijke hoofdstukken zijn tevens te beschouwen als korte biografieën van zijn vrienden en van zijn echtgenote. Na lezing van deze biografie stel ik vast dat de opbouw ijzersterk is, ondanks dat de uitwerkingen van bepaalde kwesties op sommige momenten in een hoofdstuk wat algemeen zijn en dan enigszins los komen te staan van de twee personen, waarvan Verwey er altijd een is. Zo komt de paragraaf ‘De biografie van Potgieter’ in het vijfde hoofdstuk ‘Een dichterschap over de grenzen. Albert Verwey en Stefan George’ over als een wat vreemd intermezzo in een relaas over zijn vriendschap met een gewaardeerde Duitse dichter.      

Het portret

Er loopt af en toe een bijzondere rode draad door een hoofdstuk. De ziekte tbc slaat in de jonge jaren van Albert Verwey in de familie meedogenloos toe. Geldtekort is bij schrijvers en kunstenaars, zoals ik al zei, een voorwerp van aanhoudende zorg. Het verschil in godsdienstige opvattingen tussen protestanten en katholieken komen bij tijd en wijle aan de oppervlakte. Politieke tegenstellingen tussen verschillende ideologieën steken geregeld de kop op. Een mooi uitgewerkte lijn is te vinden in het eerste hoofdstuk ‘Het portret. Albert Verwey en Jan Veth’. Het toont dat Madelon de Keizer een prima schrijfster is. Jan Veth, schilder in opleiding, had aan de negentienjarige Albert Verwey gevraagd om voor hem te poseren. Het portret, dat ook de omslag van deze biografie siert, was in 1885 klaar en werd op een tentoonstelling van kunstenaarsvereniging Arte et Amicitiae gepresenteerd. Het kreeg veel aandacht in de besprekingen. Veel literatoren en kunstenaars vroegen zich af wie de afgebeelde jongeman was en Verwey zelf legde steeds meer contacten in de wereld van de beeldende kunst. Toen het tot een breuk kwam met Jan Veth, die in Bussum woonde, verhuisde het portret van Veths kamer naar zijn atelier. De vriendschap tussen beiden werd hersteld en na Verweys huwelijk kwam het portret in zijn huis in Noordwijk te hangen. De reis van het schilderij is de rode draad in dit hoofdstuk over Verwey en Jan Veth, die zich ontwikkelde tot een portretschilder met een hoog aanzien. Nu hangt de afbeelding van Verwey in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar in 1927 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling ter ere van Jan Veth in Dordrecht. Jan Slagter, recensent van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, beschreef Veths portret van de jonge dichter Albert Verwey. Hij zag een ‘…nog wat slungelige jongeman in zijn onvoorname kleren, maar met een kop vol sterke eigenzinnigheid en vol plannen, idealen en poëzie, met een paar ogen die helder vooruitzien naar de toekomst en tegelijk zoo teder van uitdrukking…’. In 1885 is hij afgebeeld met dit uiterlijk, met deze expressie en met deze uitstraling van ambities. Echter, ook in deze moderne biografie kun je Albert Verwey, zijn vrienden en zijn echtgenote nog steeds zo ontmoeten.

***
Madelon de Keizer (1948) is historicus, biograaf en beeldend kunstenaar. Ze studeerde geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Ze promoveerde in 1991 cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd. Vanaf 1982-2013 was ze als onderzoeker verbonden aan het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies). Madelon de Keizer publiceerde o.a. biografieën over de schrijfster Carry van Bruggen (2006) en de journalist-politicus Frans Goethart.

Recensie van Handschrift - Jean Pierre Rawie

Het tenue de ville van de dichter

Jean Pierre Rawie
Handschrift
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635102
€ 15,00
72 blz.

Wie de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie aanschaft krijgt voor vijftien euro daadwerkelijk waar voor zijn geld. Geen slappe kaft met catchy foto, maar een boekwerk met stevige goudkleurige kaft, die onder een karmozijnen boekomslag met gekalligrafeerde gouden letters schuilgaat. Ook geen slappe flapteksten: de achterzijde van de bundel is leeg, zeker als we de ontsierende sticker met streepjescode hebben mogen verwijderen. Ook aan de binnenzijde van de boekomslag geen lovende citaten uit eerdere kritieken of verwijzing naar vroeger werk, slechts een gestileerde roodgouden foto van de auteur. De boodschap is duidelijk: deze bundel moet zichzelf verkopen. En dat zal de nieuwe Rawie, tot afgrijzen van de heersende kritiek, dan ook zeker doen. Zijn vorige bundel, De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (1), was met ruim 15.000 verkochte exemplaren met afstand de best verkochte dichtbundel van 2012.
Arjan Peters, recensent bij de Volkskrant, ging onlangs in een kritisch stuk over hedendaagse poëzie uitgebreid op het succes van Rawie in. ‘Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft / in onbenulligheid verdwijnt; / al wat een schitterend begin heeft / wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’
Stilstaan bij de vergankelijkheid is al in het vroege werk van Rawie één van zijn belangrijkste thema’s. In die zin is hij misschien een vroegoude dichter. In Onmogelijk geluk, verschenen toen de dichter net de veertig was gepasseerd, lezen we al frasen als ‘Bij elke zin / houd ik de laatste adem in’ en ‘Ach wat ik ook / op deze tocht / ten grave zocht / was wind en rook’.
Liefhebbers van de melancholie komen vooral in de eerste gedichten van Handschrift goed aan hun trekken. ‘Je nam geboden kansen slecht te baat / en hebt tot slot het minste deel verkoren, / en het geluk komt karig en te laat.’ (in: ‘Geluk’). ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ (eerste én laatste regel uit ‘Zo’n dag’). ‘Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg. / Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras. Ik ben al bijna weg.’ (in: ‘Boven het gras’) (2). Maar juist als je als lezer denkt ‘nu weet ik het wel’ neemt de bundel een verrassende wending.

NOTABEL

Ik ga steevast gekleed
in een tenue
de ville, zoals dat heet.
Men noemt mij u.

Gelegenheden waar
ik wat verteer
ontvangen met egards
zo’n deftig heer.

Ik word alom met zwier
gegroet op straat:
dan is het mij of hier
mijn vader gaat.

Voor velen vorm ik deel
der upper ten,
waar ik gewiekst verheel
hoe ’n beest ik ben.

Rawie lijkt hier de spot te drijven met zijn identiteit. Hij kiest voor een overdreven deftig taalgebruik, met woorden als egards, zwier, verteer en upper ten. De slotregel is opmerkelijk, zowel vanwege de wat onbeholpen ritmiek (probeer dit maar eens hardop te lezen) als de inhoud. Zouden we een in dit vers een sleutelgedicht kunnen zien? Drijft Rawie met dit gedicht impliciet de spot met de critici die zijn werk te serieus nemen? In de loop van de eerste en tweede afdeling komt hij af en toe heerlijk humoristisch, soms zelfs buitengewoon melig uit de hoek. Alsof hij zeggen wil: het is niet alleen maar de vergankelijkheid waar ik mijn verzen aan wijd. We lezen in ‘Stal’ over de drukte rond de kribbe, vanuit het perspectief van de pasgeboren Jezus, die van de weersomstuit ‘zijn knuistjes in zijn oren’ doet. In ‘Inhuldiging’ worden we deelgenoot van de griep die zijn geliefde trof ten tijde van de inauguratie van Willem Alexander, venijnig verwoord als ‘een persoonlijk onderbuikgevoel’. Zowel aan Gerrit Komrij als aan Willem Wilmink is een In memoriam gewijd. Beide gedichten hebben min of meer dezelfde clou. Over Komrij lezen we: ‘Hij had een boel meer vrienden dan hij wist. / Ik kon niet laten me hem voor te stellen, / Gerrit, sardonisch grijnzend in zijn kist.’ En ook op de begrafenis van Wilmink bleken er opeens verrassend veel literatoren ‘die al die jaren al in Willem waren / en tot op heden nog in Willem zijn!’ Nee, de critici mogen dan geen hoge pet op hebben van Rawie, het omgekeerde is ook het geval.

Traditiegetrouw bestaat de derde afdeling van de bundel uit vertalingen. Rawie presenteert ons een exclusieve selectie Portugese, Spaanse, Ierse, Russische en Braziliaanse poëzie uit de 16e tot de 20e eeuw. De oorspronkelijke tekst staat telkens op de linkerpagina afgedrukt, wat respect afdwingt voor de vertaler die van zoveel markten thuis blijkt te zijn. De meeste dichters zijn geestverwanten die het tijdloze thema van vergankelijkheid c.q. sterfelijkheid op telkens andere wijze bezingen. De gedichten zijn chronologisch geordend. Het eerste gedicht is van Portugals grootste klassieke dichter, Luís de Camões (1524 – 1580).

WERELDS ONGERIJMDHEID

Ik zag goedwillenden gedwee
steeds onheil ondergaan op Aarde,
en, daar zat ik het meeste mee,
dat slechteriken op een zee
van louter voorspoed spelevaarden.

Ik dacht mijn eigen voordeel bij
die wanverhouding te behalen,
maar moest mijn misstap duur betalen.
De Wereld bleek alleen voor mij
niet van de normen af te dwalen.

De eerste strofe daarvan wordt veel geciteerd. Rawie schenkt ons het hele gedicht. Ik moet eerlijk zeggen, dat de clou van de laatste twee regels mij volledig ontgaat. In de eerste drie regels van de tweede strofe wordt gesuggereerd, dat het lyrisch ik het slechte pad op is gegaan, maar daarvoor niet beloond werd met geluk. De clou zou begrijpelijk worden, wanneer we het woordje ‘niet’ aan het begin van de laatste regel weglaten (hetgeen overeenkomt met de Engelse vertalingen die op internet te vinden zijn). Ik houd me aanbevolen voor reacties van lezers die het Portugees machtig zijn.

Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden. Ik citeerde aan het begin van deze recensie al enkele pareltjes. Daarnaast is er wat meer ruimte voor humor en anekdotiek, waarbij we zelfs de naam van een geliefde tegenkomen, met wie hij Zeeland bezoekt of naar het zuiden vliegt. Dit laatste blijkbaar zo frequent, dat zij, nog voor hij over de Alpen waar ze overheen vliegen kan opmerken ‘Zo ziet God ze ook’, hem voor is: ‘Dat zeg je elke keer!’.
Misschien staan er wat minder gouden regels (3) in Handschrift dan in zijn vroegere werk. De tijd zal het leren.

***
Meer lezen:

(1)  Recensie door Joop Leibbrand van De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag voor Meander.
(2)  De bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘Boven het gras’ uit Handschrift in het kader van de reeks Eerste Indrukken vindt u op Ooteoote.
(3)  Bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘ Voorgoed’ voor de reeks Meander Klassiekers.

Recensie van Ik was een hond - Thomas Möhlmann

Wij en ik

Thomas Möhlmann
Ik was een hond
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044633139
€ 19,99
72 blz.

Ik was een hond, de vierde bundel van Thomas Möhlmann, bestaat uit twee afdelingen: ‘Spaar ze allemaal’ en ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan.’ Het proza-achtige titelgedicht van tweeënhalve bladzijde lang gaat daaraan vooraf. Qua vorm past het bij de eerste afdeling, die een minder strakke indruk maakt dan de tweede: het zijn gedichten van verschillende lengte, al dan niet strofisch en met soms een schijnbaar willekeurige regelafbreking.
In zekere zin zou je dit eerste gedicht een samenvatting van de bundel kunnen noemen: het is een vogelvlucht over de wereld waarin het lyrisch ‘ik’, dat tussendoor kan overgaan in een onbestemd ‘wij’, voortdurend verandert: in een dar, in jagers, hun vrouwen, in vaders, dochters et cetera en die beelden komen terug in afzonderlijke gedichten. De veranderingen getuigen van inlevingsvermogen; een kenmerkende passage uit het titelgedicht in dit verband is: ‘[we vlogen] de horizon tegemoet, we vlogen geestdriftig / tot het onderscheid tussen ons en de horizon / verdween, we werden één met alles wat zich netjes / buiten het blikveld bevond ( … )’.
Het gebruik van ‘wij’ in de bundel kan verwarrend zijn. Je weet niet altijd wat je daaronder kunt verstaan: de dichter en een ander, de dichter en een kleine groep mensen of iedereen.

We zien een dichter die midden in de wereld staat: hij schrijft niet alleen over zichzelf en de mensen om hem heen, maar ook over de buitenwereld waarvan hij deel uitmaakt: zijn woonwijk, de aarde die door opwarming wordt bedreigd, waar oorlog heerst en die tallozen dwingt te vluchten. Hoe sta je daar tegenover? Wat doet het met je? Wat de buitenwereld betreft: we zien sarcasme, angst, machteloze woede, maar ook mededogen en hoop op een betere wereld, want alles verandert voortdurend en dat kan ook ten goede zijn. De laatste regels van het titelgedicht luiden: ‘We leven nog, alles wat je denkt, alles wat / je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.’ Of is ‘wat mij betreft’ een addertje onder het gras? Dat hangt af van de context waarin je zoiets schrijft of zegt.
Sterk vind ik het gedicht ‘Kate Middleton looks radiant after birth’. Daarin lijkt een persoon aan het woord te zijn die hardnekkig in sprookjes wil geloven – in dit geval dat van de stralende jonge moeder, getrouwd met William, de droomprins die ooit een gevierd koning van het Britse rijk zal zijn. Deze persoon lijkt zich te verdedigen tegen zwartkijkers die hem de storende werkelijkheid door de strot willen duwen. Hij is niet bang dat zijn sprookjesachtige wereldbeeld aangetast kan worden – of juist wel? Dat zou kunnen blijken uit de gevarieerde herhalingen van ‘Kom dan’ die dan het karakter van een bezwering hebben:

Kate Middleton looks radiant after birth

Kom dan, als je het zo graag zo wilt spelen
kom op dan met je stijgende zeespiegel
je middellandse hoopdoden, je water-
tekort in Nepal, Syrië overal eigenlijk
schijnt haar glimlach ons tegemoet

kom en breng je promotieteam mee
schuif je kanonnen naar voren, leg ons
nog eens overtuigend de gevaren die we
niet kennen kunnen uit, de ongekende
onbekenden zien haar stralen net als wij

kom dan op je befaamde kousenvoeten
kom met je spleetjes van ogen, als de minst
mislukte versie, de meest vredelievende van
alle mogelijke vertegenwoordigingsvormen

ze lacht en straalt en legt iedereen het zwijgen op
dus kom vergiftig ons water, leg onze verkeersaders
lam, sla vlotten terug het open water op, kom met
je eeuwige gelijk en talloze gebreken, kom maar op.

Het is intrigerend om te zien hoever Möhlmann met die herhalingen kan gaan. Het gedicht ‘We zullen’ heeft er een opzwepend ritme door gekregen dat de gretigheid van de verteller ondersteunt:

Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen

alle vogels die hun vleugels uitslaan, tegelijk, niet om te willen
vliegen maar uit pure schrik, ze zullen net als wij mijn lief

maar voor het zover is, zullen we, zullen wij, wat we zouden
in die hele rij van gezegende jaren die we nog hebben, zullen we.

‘We zullen’ is het laatste gedicht van de tweede afdeling, die een aanmerkelijk strakkere vorm heeft dan de eerste. Het gaat om zesentwintig gedichten, ieder van zes disticha. Zonder uitzondering bestaan de titels uit een onderwerp en persoonsvorm: ‘We ademen’, ‘We blijven’, ‘We citeren’ ( … ); dat ‘we’ in de titel impliceert uiteraard een ik-verteller, die in veel gedichten ook expliciet aanwezig is. Möhlmann ging met zijn werkwoorden het hele alfabet langs. Hij heeft daar wel een beetje mee gesmokkeld: de ypsilon heeft hij vervangen door ‘ij’. Begrijpelijk; in Het Groene Boekje (2007) stond maar één werkwoord dat begint met een ‘y’: yellen.
Ieder gedicht is geschreven voor of dankzij een dichter, singer-songwriter, musicus en, in het eerste en laatste gedicht van de afdeling, de geliefde van de dichter. Met die opdrachten is iets eigenaardigs aan de hand: Möhlmann heeft de namen niet bij de gedichten zelf vermeld, maar in de aantekeningen. Dat zou kunnen betekenen dat een lezer niet per se hoeft te weten aan wie het gedicht is opgedragen om het te snappen. Wie die ‘wij’ zijn, bepaal je per gedicht; zoals gezegd is dat soms lastig.
Zou er per gedicht echter wel hebben gestaan aan wie het is opgedragen, dan was de lezing waarschijnlijk anders, specifieker: je identificeert die ‘wij’ dan mogelijk als de dichter en de genoemde persoon. En echt grappig wordt het als je mensen het aan hen opgedragen gedicht op YouTube ziet voorlezen: de ‘wij’ blijven hetzelfde, maar je identificeert de ‘ik’ nu niet met de dichter als het gedicht daartoe uitnodigt, maar met degene die voorleest.

Ik was een hond is een goede bundel. Sommige gedichten geven zich moeizaam prijs, maar een geduldige, aandachtige lezer wordt ruimschoots beloond. Het eerste gedeelte vind ik boeiender dan het tweede, omdat de variabele lengte en losse vorm goed passen bij de soms als heftig ervaren tegenstelling tussen de veiligheid van de kleine, vertrouwde omgeving en het dreigend onheil in de buitenwereld. Gedichten uit het tweede deel komen door het keurslijf soms wat geforceerd over – maar dat is betrekkelijk: zie het geciteerde gedicht. 

Recensie van De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten - Ilja Leonard Pfeijffer

Een opvolger van Komrij: De Dikke Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer
De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten
Uitgever: Prometheus
2016
ISBN 9789044631975
€ 25,00
1434 blz.

De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer is de opvolger van de bloemlezing Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21e eeuw in 2000 en enige gedichten uit 2004. Komrij was eigenzinnig en daarom wilde Pfeijffer, juist uit respect voor hem, even eigenzinnig zijn eigen pad volgen. Dichters die bij Komrij wel voorkomen, heeft Pfeijffer geschrapt, ook dichters van wie je dat niet zou verwachten. Dat laatste geldt ook voor sommige dichters die hij wel opneemt en dat is een van de dingen die de bundel interessant maken. (In zijn Poëzie-encyclopedie heeft Bart FM Droog hiervan met de van hem bekende snelheid een heldere vergelijking gemaakt – om deze reden ga ik daar nu niet op in).
Pfeijffer vermeldt dat zijn titel misleidend is: het gaat om niet om specifiek Nederlandse, maar om Nederlandstalige poëzie, de twintigste eeuw laat hij bij de Tachtigers beginnen en hij heeft veel meer dan duizend gedichten opgenomen. De bundel eindigt halverwege 2016 met het gedicht ‘Jonge rokers’ uit de bundel Kwaad gesternte van Hannah van Binsbergen.

Een bloemlezing geeft een tijdsbeeld. In De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten uit 1979 wilde Komrij onder andere afrekenen met de hegemonie van de Vijftigers of liever gezegd: van hun epigonen. Hij legde het accent onder andere op vakmanschap, op gedichten die het verstand scherpen en amuseren. ‘Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’ In de herziene bloemlezing uit 2004 voelde hij zich als eerste Dichter des Vaderlands echter geroepen een representatief beeld te geven van de Nederlandstalige poëzie.
Dat de bloemlezing van Pfeijffer herkenbaar zal blijven als een bloemlezing van de huidige tijd, zie je niet alleen aan de criteria volgens welke hij de gedichten heeft geselecteerd, maar ook aan een formulering als ‘zich verhouden tot’. In deze tijd verhoudt het merendeel van de dichters, lezers, beschouwers en wetenschappers zich tot bijna alles wat zich aandient; als je slechts een positie bepaalt of inneemt, ben je hopeloos ouderwets.

Welke criteria hanteerde Pfeijffer? Avontuurlijke gedichten wilde hij, ‘waarbij begrip vaker wel dan niet een vorm van vermoeden is, zoals zo vaak in het echte leven.’ Hij wilde gedichten waarin iets op het spel staat, waarin de taal wordt omgewoeld: poëzie die niet raar is, is bijna nooit goed. Verstilde gedichten over ‘gierzwaluwen en universele gevoelens’ hebben niet meer de voorkeur boven gedichten ‘die zich verhouden tot de politiek, de actualiteit en de smerige wereld buiten het gedicht (…)’. Maar bovenal ‘kunnen we niet genoeg benadrukken dat het onderwerp van het gedicht onbelangrijk is. Het gaat erom dat er iets wordt gezegd zoals het nooit eerder is gezegd.’

Een dichter als Maarten van der Graaff, van wie hij achttien pagina’s heeft opgenomen, voldoet aan deze criteria. Het gekke is dat het enige gedicht van hemzelf – een bloemlezer moet bescheiden zijn – verre van ‘raar’ is. De taal wordt niet omgewoeld, maar in alexandrijnen en gepaard rijm opgediend en daarmee plaatst Pfeijffer zich in een aloude traditie. Maar ‘Idylle 7’, uit zijn laatste bundel Idyllen. Nieuwe poëzie (2015), is een goed gedicht. Er staat veel op het spel:

(…)
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. We moeten onder ogen zien
dat onze knusse niche steeds knusser dreigt te worden.
Terwijl de broze poort belaagd wordt door de horden,
gaat ons debat erover hoe te masturberen.
(…)
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
De winter komt en hij zal vele jaren duren.
De dichters zullen zingen bij de bange vuren
of niet meer dichters zijn. We moeten alles weten
wat googelende vingers dagelijks vergeten.
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
(…)

Tot slot moeten gedichten muzikaal zijn en daarom heeft hij zonder enig bezwaar liedteksten opgenomen, ‘De commensaal’, Dodenrit’ en ‘Veerpont’ van Drs. P. bijvoorbeeld.
Uiteindelijk was kwaliteit het enige criterium en daarin volgde hij geheel zijn eigen smaak.

Dat Pfeijffer een persoonlijke selectie heeft gemaakt is zijn goed recht. Het lijkt problematisch te worden als hij zegt ook een aantal bekende, maar ‘objectief slechte’ klassieke gedichten te hebben opgenomen, omdat een bloemlezing als deze ook een naslagwerk is. Mijn eerste reactie was dat deze functie onverenigbaar is met een persoonlijke selectie, omdat een aantal dichters die hij nu heeft weggelaten in een representatieve bundel wel zouden zijn opgenomen. Maar het aardige is, dat hij die ‘objectief slechte’ gedichten niet noemt; de lezer mag zelf bepalen welke dat zijn. Hij heeft er één prijsgegeven in De Volkskrant: ‘Jonge sla’ van Kopland. Een aantal van de lezers die dit gedicht ‘objectief goed’ vinden, zullen hierover ongetwijfeld zeer verontwaardigd zijn. Van Elsschot heeft hij helemaal niets opgenomen; de meest bekende klassieker ‘Het huwelijk’ moet daarom wel héél ‘objectief slecht’ zijn. Hij gaat met deze klassiekers dus net zo eigenzinnig om als met de andere gedichten en dan klopt het weer. De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten is met dit soort grappen niet alleen een imposante, eigenzinnige bloemlezing, maar ook een amusante.

Recensie van Slordig met geluk - Menno Wigman

Blaren op een droom

Menno Wigman
Slordig met geluk
Uitgever: Prometheus
2016
ISBN 9789044623635
€ 14,95
56 blz.

Wigman laat er ook in deze bundel geen twijfel over bestaan: hij is een romantisch dichter. Dat blijkt al uit het motto, dat wordt toegeschreven aan Theresia van Ávila: ‘Er zijn meer tranen vergoten om verhoorde gebeden / dan om onverhoorde gebeden.’ Met andere woorden: de vervulling is het einde van de droom.
De bundel is doortrokken van seks en dood – de romantiek is bij Wigman zwart. Seksualiteit is geen onverdeeld genot. Zo eindigt het humoristische sonnet ‘De man die uit een vulva viel’ – een geboorte – met de regels: ‘Nog dertig jaar van dun geluk. Dan zakt / hij moe in een vermoeide scheur terug.’ Daartussen speelt zich zijn leven af: hij ‘verpleegt / de blaren op zijn droom met seks – veel seks. ( … ) Hoe lang nog voor hij aan de kater went? / Van bed naar bed, zo gaat het jaar na jaar. / Het at de kleur op van zijn haar.’
Het doodsbesef is voor hem een voorwaarde om te schrijven. Pas als hij voor het eerst geconfronteerd wordt met de dood, kan hij dichten. In ‘Toen ik begon te schrijven’ zegt hij dat expliciet:

Ik geselde mijn geest, zocht het bij Proust en Yeats,
verloor me in muziek en viel toen stil. – Later,
veel later. De dood stond aan mijn autodeur te rukken

en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal.
Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot
en kwam ik grimmig zingend op verhaal.

Gedichten geven de angst vorm en die is daardoor beheersbaar. Het gedicht ‘Geluk heeft een adres’ lijkt in eerste instantie een beschrijving van geluk:

De zon schuift voor de zon, A day in bed,
hoe heet dat boek ook weer? Niet denken nu,
rust uit. Je hebt vandaag geen mens beschaamd,
               laat staan jezelf. Rust uit, het gaat je best:
                              geluk heeft een adres.

Opeens, heel vreemd, een woensdag van oud licht,
je moet naar school en ’s ochtends wrijft een hand
met spuug de slaap uit je ogen, de rij,
                de rekenles en daarna water, wit
                              en heilig zwem je weg.

De zon schuift voor de zon. Het is een dag
van koffie, kamerjassen en geluk
om niks. Het water kust de kaden schoon.
                 Een klas loopt door het licht. Toch mooi dat dit
                             gedicht niet nodig is.

Bij herlezing zie je dat het gedicht wel degelijk nodig is. A day in bed is geen boek, maar het ontroerende gedicht van Katherine Mansfield over een klein meisje dat ziek in bed ligt en bang is voor de harde wind met zijn onheilspellende geluiden. ‘I wish I was not so afraid; / It’s horrid to be small.’ Ze is bang dat iedereen is weggegaan, ‘And oh! I cannot go to sleep / Although I am in bed. / The wind keeps going creepy-creep / And waiting to be fed.’
De dichter lijkt zijn angst te bezweren. Hij doet het voorkomen alsof er een zon voor de zon schuift: de zon in hemzelf is zo sterk dat die voor de echte schuift. Maar direct daarna slaat de angst toe. In parafrase: ‘Niet denken nu, rust uit, het gaat goed, niets aan de hand, rust uit!’
In de tweede strofe herinnert hij zich ‘heel vreemd’ – hij houdt zichzelf voor de gek – ‘een woensdag van oud licht’ en dat is iets totaal anders dan een heldere zon van geluk. De dichter suggereert dat hij na school of, parallel aan de klas in de derde strofe, onder schooltijd te water is geraakt: ‘wit / en heilig zwem je weg.’ Wit, de kleur van de dood: hij leek uit het leven te zwemmen, hij verdronk bijna.
In de derde strofe loopt er opnieuw een klas, vlak bij het water. Niet in ‘oud licht’ dit keer, maar in ‘het licht’, een actuele dreiging dus. Het zien van het klasje wordt gepresenteerd als een van de voorbeelden van een weldadig ‘geluk / om niks’, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Het betekent hier: er is niks waarmee je gelukkig kunt zijn.
‘Toch mooi dat dit / gedicht niet nodig is’ – maar het is er toch en we weten nu waarom.
Dit soort paradoxen gebruikt hij vaker: ‘Ik wilde deze zomer niet. / Ik wilde een gedicht. // Maar iets met lipstick haalt me neer.’ Hoe weten we dat? Door dit gedicht – het is er tóch.
‘Geluk heeft een adres’ is een knap gedicht. Het demonstreert bovendien nog eens – net als in de meeste andere gedichten – dat Wigman een meester is van de vorm. Zo ondersteunt het jambische metrum in bovenstaand gedicht de schijn van rust; de antimetrieën ‘Rust uit’ – dat ook nog eens wordt herhaald – ‘heel vreemd’ en ‘oud licht’ ondersteunen de onrust. De antimetrie ‘Toch mooi’ heeft een andere functie: een nadrukkelijk, ook weer bezwerend begin van een tevreden conclusie. Daarnaast is het inspringen van de laatste regels van de strofen heel functioneel: ze zijn daardoor direct met elkaar verbonden.

Wigman plaatst zich zowel naar vorm als inhoud in een traditie. Je hoort verre echo’s van onderling zeer verschillende romantische dichters als Baudelaire, Paaltjens, Bloem, Slauerhoff en Weemoedt. Hij speelt daarmee. Zo laten zowel gefrustreerde ik-figuren van Wigman als van Piet Paaltjens zich op een vergelijkbare manier uit over hun geliefden. Paaltjens in het hilarische ‘Aan Betsy’: ‘Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog / Van ’t lachen.’ Wigman (‘Iets met lipstick’): ‘Dat ligt nu hard te lachen op / het strand, het drinkt en klinkt en lacht / zich hees.’

Niet alle gedichten zijn even sterk. ‘We pizzen op je hond’, over lastige Marokkaanse jongens in Slotervaart, zal ongetwijfeld als stadsgedicht zijn gewaardeerd, maar in deze bundel hoort het mijns inziens niet thuis. De tweede strofe: ‘Wie zich verveelt moet zelf vervelend zijn. / Dus zizzen we wat mokkels na / en roepen dat we pizzen op je hond.’ Opvallend is ook dat de gedichten over eigen leed – zoals een opname op de intensive care wegens ernstige hartproblemen – wat vlak zijn. Een kwestie van te weinig afstand? De gedichten die hij als dichter voor de ‘Eenzame uitvaart’ schreef zijn sterker. Een strofe uit ‘Aarde, wees niet streng’: ‘Aarde, wees niet streng / voor deze man die honderd sleutels had, / nu zonder reiskompas een weg aftast / en hier zijn eerste nacht doorbrengt.’

Maar al met al is het een goede bundel van een vaardig dichter die rake, blijvende regels schrijft. In ‘Waar ik woon’: ‘Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten.’ In ‘Vandaag is iedereen mooi’, opgedragen aan Maarten van Roozendaal: ‘De ene helft van zijn leven had hij weggezopen, / de andere ging op aan katers.’ En: ‘Drinken is doodgaan en weer opstaan uit de dood.’

***

De laatste twee bundels van Menno Wigman (1966), die al vanaf 1984 publiceert, waren Mijn naam is Legioen (2012) en Harde modder (2014). In 2002 ontving hij de Gedichtendagprijs voor het gedicht ‘Misverstand’ uit de bundel Zwart als kaviaar. Voor deze bundel kreeg hij in hetzelfde jaar de Jan Campert-prijs; in 2015 ontving hij de A. Roland Holst-Penning. Hij was onder andere Stadsdichter van Amsterdam (2012 – 2104).