Recensie van En toch is alles wat we doen natuur - Leo Vroman

Gedichten tegen het bloeden

Leo Vroman
En toch is alles wat we doen natuur
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409023
€ 24,99
292 blz.

Zoals elke recensent spiegel ik nieuw werk (vooral onbewust) aan een persoonlijke, onvoltooide en onvoltooibare canon. Het resultaat van vele jaren indringend lezen kan nooit al het ware, goede en schone bevatten, want een mensenleven is niet meer dan een flits in de duisternis. Tot mijn canon behoren veel gedichten van twee Nederlandse biologen: de hematoloog Leo Vroman (1915-2014) en de evolutiebioloog Dick Hillenius (1927-1987). Hillenius vatte heel goed samen wat leven en scheppen zijn: ‘Elk ontstaan is op grensvlakken / druppels van de ene wereld uitspattend / en aanpassend aan de andere.’ Die samenvatting geeft ook de kern van het recenseren van kunst weer, maar als recensent moet men enige voorzichtigheid in acht nemen. Toen ik een aantal jaren geleden een bundel besprak van een dichter met wie ik al heel lang vertrouwd was, maakte ik een positief bedoelde vergelijking met een poëticaal inzicht van Vroman. Niet lang daarna ontving ik een brief waarin die dichter me liet weten dat hij de vergelijking als een affront opvatte. Het kan verkeren… zei Bredero.

In deze bespreking zal ik zo dicht mogelijk bij het werk van de hematoloog – die ook dichter was – blijven. Als hematoloog schreef Vroman het eerlijke, boeiende en leesbare boek Bloed (Amsterdam, 1968), waarin hij op een fascinerende manier het stollingsproces heeft beschreven. Zonder dat stollingsproces, zowel in letterlijke als figuurlijke zin, had ik nooit een persoonlijke canon kunnen samenstellen. Merkwaardig genoeg gaat het citaat uit het werk van Hillenius ook voor het stollingsproces op. In Vromans nieuwe bundel heeft Mirjam van Hengel ‘de mooiste gedichten over het leven in en rondom ons’ verzameld. De schrijfster is vertrouwd met de wereld en het werk van Vroman, ze publiceerde in 2014 Hoe mooi alles, een boek over Leo en Tineke Vroman. In de inleiding stelt Van Hengel dat Vroman alles als een wonder heeft ervaren. Voor de dichter was niets vanzelfsprekend, tenzij misschien de wind die in vele gedichten als natuurkracht en boodschapper aanwezig is. In zijn gedichten is de natuur nooit een metafoor, want volgens Vroman is ‘natuur het enige waar we echt iets over kunnen zeggen.’ (11)

Het lijkt erop dat de dichter het bestaan van cultuur negeert, want ‘de rest van wat ons beheerst en omringt bestaat niet echt.’ (11) Wie alles vanuit een biologische invalshoek bekijkt, kan cultuur vervangen door het begrip ethologie, en precies die connotatie heeft Vroman opgeroepen in het gedicht ‘Wieltjes en wieltjes’: ‘en toch is alles wat we doen natuur / het hopeloos verdwalen in de mode / het elektrisch flitsend kunsthoutvuur / het gek begraven van gewone doden.’(142) De titel verwijst evenwel naar een voorwerp dat bij uitstek past in een cultuurhistorische benadering van het verleden: een wiel.  Ook dieren maken gebruik van (onveranderlijke) rituelen – baltsen verloopt op een stereotiepe manier –  en hebben oog voor vast verankerde esthetische effecten zoals de grootte van een gewei. Precies daarover gaat het sprookje Het lelijke eendje van Hans Christian Andersen. De rituelen en de esthetiek staan in het teken van de natuur, in casu de voortplanting en het overleven van de soort. De Engelse bioloog Desmond Morris (1928) heeft op een gelijkaardige manier beschreven hoe mensen er op bepaalde tijdstippen alles aan doen om lichamelijk op te vallen. Daarbij maken ze gebruik van hun culturele bagage, en die valt niet samen met wat ethologen als natuur definiëren. Wanneer in de lente vinken hun levensblijheid verkondigen, doen ze dat volgens een vast klankpatroon, mensen maken gebruik van zeer uiteenlopende codes en signalen. De hoofse liefde vereiste een andere woordenschat dan de sms-liefdestaal van de jongeren van vandaag. Wanneer een bever een burcht bouwt, doet hij dat altijd volgens hetzelfde patroon. Mensen bouwen huizen waarin heel verschillende architecturale visies tot uiting komen. Bij Vroman is de poëzie vooral op het leven gericht, maar ‘er waart veel dood, sterven en vergankelijkheid door zijn werk.’ (12)

In het eerste gedicht, ‘Aan een vriend’, is de dood meteen aanwezig in de eerste twee en de laatste twee versregels, die op een woord na identiek zijn: ‘Ach, laten wij geen ogenblik bederven / voor wie van ons het eerst zal moeten sterven.’ (17) De dood kan niemand ontlopen, het heeft dus ook geen zin daar veel woorden aan te besteden. Zolang de leeuwerik zingt, zolang er kersenbomen bloeien, hebben de dichter en zijn vriend nog niemand kwaad gedaan. Het gedicht is in een eenvoudige parlandostijl geschreven en bestaat uit zes disticha met eindrijm. Wat mij vooral opvalt in dit gedicht uit de bundel Gedichten, vroegere en latere (1949) is de versregel: ‘Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten.’ De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen van wie de gruwel had beleefd. De dichter vertrouwde kennelijk op een metafysische gestalte en voegde er aan toe: ‘God zal het allemaal wel weten.’ Ook in het derde gedicht, ‘Hierna’, uit dezelfde bundel, is de dood opvallend aanwezig, en omdat het gedicht een goed voorbeeld is van Vromans taalgebruik, dat o.a. opvalt door de vele neologismen, citeer ik het in extenso:

Jouw jijheid, lieve tedere, is zo in mij verhout
dat al wat een jou kenbaar is mij in mij overleeft.
Wat moet dat worden als mij, jong of oud,
God zegent en van mijn verstand genezen heeft?

Wanneer mijn vliezen zijn vergaan
met het vergaan der jaren
en jouw bedeesde mummie in mij laten staan,
dierbare?

Ik ben geen wolk, ik kan niet wenende ontzijnd,
gebeurloos deze werkelijkheid ontsnappen.
Mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt
en waarop velen mij te hunner tijd betrappen.

(blz. 19)

Het is een existentieel gedicht waarin het kenbare aan het langst eind trekt (‘verhout’), maar het kennende zijn kenfunctie verliest, of zoals de dichter het uitdrukt: ‘van zijn verstand genezen’ werd. Het niet meer zijn, het ‘ontzijnd’ zijn is niet ‘gebeurloos’ – ‘mijn dood is zichtbaar zijn, dat duidelijk verdwijnt’ luidt de logische vaststelling. In dezelfde bundel verscheen ook het lange gedicht ‘Over mensen’, dat uit regelmatige versregels en becommentariërend proza bestaat. In dat gedicht heeft Vroman het over zijn ‘vaagheid’ en zijn ‘mensenvrees’. De dichter is echter niet vaag, en zijn vrees is niet ongegrond: ‘kan men verhinderen door verzen lezen / dat handen andere slaan / en andere handen bedelen?’ (36) Een dichter kan een ideaal nastreven – en dat reikt toch verder dan ethologische concepten –, maar ‘waar vindt zelfs de grootste dichter, / al zeg ik het zelf, normen / om anderen naar te hervormen?’ (36) Neen, niet alles wat we doen is natuur, tenzij het zoeken naar het schone, het ware en het goede deel uitmaken van de menselijke ‘natuur’. Vroman gaf ootmoedig toe: ‘ik weet maar al te vaak dat zelfs ik niet inzie en wil zeggen wat ik zeg.’ (36-37) Het spreken en schrijven onttrekken zich regelmatig aan de directe en de indirecte duiding, en zouden als een inherente dimensie van het menselijk zijn kunnen worden beschouwd. Dus toch natuur? Vat krijgen op de taal is niet altijd mogelijk, ook en vooral wanneer de hand de woorden aan het papier toevertrouwt. Een gedicht leidt een eigen leven, en ‘het enige waar het namelijk om gaat is hoe het woord in ons ontstaat en niet hoe een ander het hoort.’ (37) Het is een aanwijzing voor exegeten en recensenten.

De bundel bestaat niet uit een oneindige reeks idyllische natuurtaferelen, integendeel. Een aantal beschrijvingen van natuurlijke processen, zoals het sterven of de spijsvertering, worden soms rauw beschreven – ik denk aan de gedichten ‘Groente vlees en aardappelen’ (154-156) en ‘Kruimels in bed’ (157-158). Het eerste gedicht wordt afgerond met een zelfbeeld: ‘Eenzaam ben ik op mijn best / een beetje moe een beetje mest / parende met de grond.’ (156) Het is weinig mensen gegeven zich als mest in wording te zien, maar het is een vruchtbare metamorfose, zoals uit de laatste versregel blijkt. De spijsvertering wordt bij Vroman ‘De spijsvertedering’ (255-262), maar verwacht geen tedere beschrijvingen. ‘Mijn dierenleven’ besluit de dichter met het verzoenende kwatrijn: ‘O was ik microscopisch groot / dan kroop ik in mijn eigen buik en / kon die lieve bacteriën ruiken / mompelen over mijn dood.’ (251) In ‘Overschot’ heeft de dichter er vrede mee dat zijn boeken en tekeningen, zijn schoenen en sokken waarin hij zich na de dood nog laat strelen gauw zullen verdwijnen: ‘foto’s, foute zelfportretten, / al het jouwe en het mijne / zal als morgendauw verdwijnen / met het verdampende verdriet.’ (270)

In het bijzonder mooie gedicht ‘Bloedingstijd’ (177) vat hij zijn eigen levensles samen. Hij beseft dat zijn kennis altijd de natuur achterna hinkt: ‘En nog iets: /zo vlug als ik die cellen maak / zo traag weet ik ervan. / Straks als ik, een stokoude man, / meer dan mijn leven achter raak / wat begin ik dan?’ De wetenschapsman heeft tientallen jaren microbiologische processen geobserveerd en als mens heeft hij het eigen zijn en de daarbij horende dood gerelativeerd, maar zijn werk bestaat toch vooral uit gedichten tegen het bloeden of aftakelen en sterven. Tegenover het wetenschappelijk inzicht stond het existentiële aftasten van grenzen en angst. Veel van de gedichten hebben de figuurlijke bloedingstijd en coagulatietijd van de ‘gewonde’ dichter verkort en het onvermijdbare uitgesteld, al was het maar in de tijdelijke vorm van een herfstblad: ‘Mijn hand krom als een herfstblad / ritselt en scharrelt dan nog wat / alsof hij voort wil leven. / Nu weer even.’ (247) Neen, niet alles wat we doen is natuur. Velen verdringen doodsgedachten, anderen spreken er aarzelend over, en een aantal dichters schrijft erover in berijmde taal. Bij Vroman lijkt het denken in versregels samen te vallen met het ademen, maar dan nog blijft het een uiting van cultureel bepaald gedrag, vooral omdat de gedichten werden gebundeld voor een groot lezerspubliek.

Niet alle gedichten zijn beklijvende getuigenissen. Vooral de langere gedichten, zoals ‘De vogel’ (58-61), ‘Lief, lief’ (68-71) en ‘Inleiding tot een leegte’ (46-57), zijn te lang uitgesponnen. Een snoeischaar is geen overbodig instrument in poëzieland. Relatief korte gedichten, zoals ‘Een stille ontmoeting’ (266) en ‘Sluiting’ (267), beide met eindrijm, hebben mij veel meer aangesproken, maar dat was geen ontdekking.

Recensie van De jongenskamer - Willem van Toorn

Onderzoeken wie je bent

Willem van Toorn
De jongenskamer
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409351
€ 17,99
104 blz.

De jongenskamer is een verhaal in gedichten, waarin een oudere dichter zijn jongere ik herschept om te achterhalen wie hij lang geleden was, wie hij nu is en hoe dat zo is gekomen. Die jongere ‘ik’ staat inmiddels zo ver van hem af, dat hij hem in de derde persoon beschrijft. Je kunt de bundel lezen als een autobiografie van Willem van Toorn, maar dat hoeft niet per se: niemand kan immers met zekerheid zeggen wie hij is geweest, want het geheugen is verraderlijk onbetrouwbaar en in die zin is het verhaal exemplarisch. Een reconstructie – fictie dus – kan een middel zijn om dieper in je levensloop door te dringen. Iets dergelijks doet Georges Perec in W ou le souvenir d’enfance, in het Nederlands vertaald onder de titel W of de jeugdherinnering. Uit dit boek is het motto van de bundel afkomstig: Je ne sais où se sont brisés les fils qui me rattachent à mon enfance. (Vrij vertaald: ‘Ik weet niet wanneer de draden naar mijn jeugd zijn gebroken’).

De jongenskamer bestaat uit twee delen. Het eerste beslaat drie vierde van de bundel. De hoofdpersoon heet W, de eerste letter van Van Toorns voornaam en uiteraard een verwijzing naar Perec’s roman – naar de hoofdpersoon Winckler in dit geval, want in het boek is W een eiland. Dat eiland associeer ik met Amsterdam, dat de hele bundel door een belangrijke rol speelt. (Ook andere omgevingen hebben een wezenlijke betekenis voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon). De gedichten over W gaan over karakteristieke momenten in zijn ontwikkeling. Ze zijn strak en helder, hebben een geconcentreerde spanning en de beschreven momenten maken de indruk de enig juiste te zijn. Waarschijnlijk is dat het gevolg van de afstand die de dichter heeft geschapen door het gebruik van de derde persoon enkelvoud, iets wat suggereert dat het gaat om de essentie, met het weglaten van toevalligheden – daar weet de dichter mij in ieder geval te overtuigen. Stukken proza (mijns inziens geen prozagedichten) leiden nieuwe perioden in. Gemiddeld zijn ze een pagina lang.
Het tweede deel heeft een ik-perspectief, vanuit de oudere dichter/schrijver die vanaf de jaren tachtig terugkijkt. Hij zoekt de jongen die hij was in de jaren van voor de oorlog – W is net als Van Toorn geboren in 1935 – tot en met de veertiger in de jaren zeventig. In dit tweede deel is hij de man die hij nog kent, de schrijver en dichter, de ‘ik’ die zich verwondert over wie hij is en hoe hij zo is geworden. Dat wil niet zeggen dat zijn zoektocht definitief tot een einde komt: ‘Je moet van tijd / tot tijd onderzoeken wie je bent, en waar // je zijn wilt (…)’ schrijft de dichter in een van de laatste gedichten.

Het is fascinerend om te zien hoe treffend Van Toorn tijdsbeelden geeft, soms in zeer weinig woorden. In de periode tussen de bevrijding en het begin van de koude oorlog heeft W’s vader, een schoenmaker die als zelfstandige niets van het communisme moet hebben, een aantal helden in een combinatie die alleen in die tijd kon voorkomen: ‘net zulke eenlingen als hij, // Domela, Churchill, de Bach van de cantates / uit de kerk die hij nors heeft verlaten, P.J. Troelstra, / Stalin en Havelaar die streed voor de Javanen // met zijn verheven woord. (…)’. Stalin in zo’n rijtje en bovendien van iemand die anti-communist is: een paar jaar later was dat ondenkbaar. Ook de inhoud van het volgende gedicht is strikt gebonden aan die paar dagen waarop het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog een feit werd.

Het vrolijkste ontbijt ooit. De radiodistributie aan
met jubelende stemmen van overal ter wereld
en W’s vader die lachend zijn ei tegen de rand
van zijn bord tikt: Jongens, nu komt er nooit meer oorlog.

Hoezo niet, vader? Omdat de Amerikanen
de keizer van Japan hebben verslagen met
een nieuwe bom zo vreselijk dat hele steden
wegsmelten in de onbeschrijfelijke hitte,

mensen, dieren, huizen, auto’s en al. Nu zal niemand
het ooit meer wagen zelfs maar aan oorlog te denken.
De foto’s later, de enorme paddenstoel boven
Hiroshima en Nagasaki, de ongetelde doden,

de verschrikking van de straling, het gerucht
dat Hitler hem ook bijna had, en Stalin.
Maar nu vreugde, feest alom, een vrede

die nooit meer zal overgaan. Witbrood uit Zweden,
koffie nog niet, geen boter maar margarine
nog op de bon maar toch. Dit is geluk.

In het eerste deel van de bundel zien we hoe het wereldbeeld van W verandert: van het eenvoudige goed en fout in de oorlog naar een belangrijk inzicht na de Hongaarse opstand in 1956, als hij misschien voor het eerst begrijpt ‘dat geen enkel regime deugt / dat systemen hoger aanslaat dan mensen.’ En het gaat verder. In het laatste gedicht van deel 1 concludeert W, als hij terugdenkt aan de jongenskamer in zijn ouderlijk huis: ‘het wordt nooit meer // zo simpel. Er is geen blauwdruk voor een beter leven / voor iedereen – er is fatsoen en het scherpe besef / te moeten doen wat de hand vindt om te doen.’ (De appel valt niet ver van de stam: niet alleen de vader, maar ook zijn zoon is thuis in de bijbel.)
In het tweede deel, als de ‘ik’ inmiddels een gevestigd schrijver en dichter is geworden, zie je dat engagement onder andere terug in zijn poëzie. Hij is op Poetry International:

De erfenis, het festival, stamde uit de jaren zestig, toen wij meenden
dat kunst en de straat niet elkaars vijanden dienden
te zijn – en dit stenen theater, deze havenstad
waren het podium geworden voor de talen

in hun meest vrije vorm. (…)

In dit gedicht geeft hij mooie citaten van Zbigniew Herbert, Joseph Brodsky, Seamus Heaney, James Fenton, Lucebert, Kouwenaar en Campert. Kouwenaar: ‘Het is een heldere dag het is een donkere wereld / tussen het groene gras is het vlees rood / de mensen laten zich breken voor brood.’ Indrukwekkend.
Het is op dit festival dat de dichter zijn huidige geliefde ontmoet. Het is niet verbazingwekkend dat zijn bij tijd en wijle turbulente liefdesleven een belangrijk motief vormt in de bundel. Zo maakt de eerste keer dat een vriendin een verkering uitmaakt een verpletterende indruk: ‘Hij leert ontsteld / dat in zijn stomverbaasde leven tot nu toe – / oorlog en al, en alle verre doden – / wat hier gebeurt de wreedste verbazing is.’ W beseft als opgroeiende jongen dat er misschien één ander ding is dat het leven even waardevol maakt als liefde en seks: lezen, ‘de andere totale / belevenis die dode gedachten uitwist.’ Ook zijn persoonlijke leesgeschiedenis, een reflectie op en de weerspiegeling van het leven, speelt door de hele bundel.
En het schrijven? W is een jaar of twaalf als hij protestleuzen op muren ziet staan tegen de arrestatie van Ratio Koster, een jonge communist, ‘in de kazerne opgepakt omdat hij / pamfletten heeft uitgedeeld tegen de vuile oorlog / in Indië, om het volk te wijzen op de misdaden // van het kapitaal (…)’. De leuzen maken grote indruk: “‘Hé jongens, Ratio Koster vrij!’ Het staat op muren gekalkt in West, de witte letters uitgedropen over grauwe baksteen. De eerste keer dat W ervaart dat opgeschreven woorden een stem hebben, kunnen schreeuwen.” Ook het dichten wordt een middel tot onderzoek naar wie je bent – deze bundel is daar een gelukkig gevolg van. Opvallend is dat omgevingen in die zoektocht een belangrijke rol spelen. W in het eerste deel:

Verander je ook zelf, en hoe dan wel, als je van plaats
verandert? Wie was je, en is wie je hier wordt
nu wie je werkelijk bent? Of laat je bij elke afslag
van je pad weer mogelijke levens achter

die je nooit meer kunt leiden, van een man
die je ook had kunnen zijn? (…)

In het tweede deel verbindt de dichter deze vraag met het dichterschap:

Ontstaat misschien zo in een kind woordlust
voor een leven lang – door zo diep te ervaren
dat er meer landschappen bestaan en talen
dan de vroegste, dat geen plek volmaakte rust

kan bieden, zodat het kind een passant
moet worden in steeds nieuwe gebieden,
luisterend naar woorden, taalmuziek, tongval

van vreemde tantes en vertellers, de verhalen
van voor de tijd begon, voordat de vaders
en moeders met name genoemd waren.

In Amsterdam West, in de jongenskamer van W en zijn twee broers, ‘het eigen hol van gelach en hees gefluister’, begon dit alles. W vond er veiligheid, hij praatte met zijn broers over hun ‘prille zekerheden’, ‘luistert huiverend’ als zijn oudere broers praten over ‘meisjes vrouwen, haar / dat ze overal hebben, net als de broers, maar W nog steeds maar niet’. Gedachten op verschillende momenten in de tijd laten zien dat de afstand tot de jeugd groter wordt, tot alles definitief voorbij is, zoals blijkt als een ‘toegewijd lezer’ een wandeling organiseert door ‘de onder woorden / gebrachte stad (…) die wereld van W.’ De woning is een wasserette geworden. In zijn ontroering schemert de door Van Toorn bewonderde Kopland door: ‘Dezelfde granieten vloer, tranen / meldden zich, in plaats van de jongenskamer wasautomaten, maar // nog wel de glazen duren naar de stadstuin’. De jeugd, het oude Amsterdam is verhaal geworden. De nieuwe stad herkennen zijn geliefde en hij niet meer. Het is niet voor niets dat zij naar Frankrijk vertrekken: ‘Later in die jaren ontgroeiden wij de stad / als industrie, als pretpark, het gestaag groeiend geweld / van het idee dat alles voor geld te krijgen was in / de ware stad van ons.’

In W ou le souvenir d’enfance wordt het jongetje niet gevonden. Als De jongenskamer een autobiografie is, geldt dat dan ook voor Van Toorn? Alleen hijzelf kan daar antwoord op geven, maar voor mij doet het er niet toe. Sterker nog: ik wil het niet weten. Van Toorn misschien ook niet, tenminste niet voor altijd. ‘Geef mij maar een vraag en geen antwoord’, zei Kopland. Dit citaat vinden we ook terug in deze knappe en ontroerende bundel.

Recensie van Happy - Sasja Janssen

‘De dingen worden pas precies in mijn handen’

Sasja Janssen
Happy
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021407197
€ 16,99
64 blz.

De nieuwe bundel van Sasja Janssen heet Happy. Wie op grond van deze titel en het vertederende kalfje op het voorplat een feelgood-bundel verwacht, komt bedrogen uit. Een van de afdelingen heet ‘Have no fear of happiness’ en in het eerste gedicht daarvan wordt de uitspraak gecompleteerd: ‘Have no fear of happiness, it does not exist’. De bundel is verre van vrolijk, maar dat betekent niet dat je er somber van wordt, integendeel, daarvoor is hij te veelzijdig, zowel naar vorm als inhoud.

De bundel heeft twee motto’s. Het eerste bestaat uit de laatste twee strofen van ‘Het derde land’ van Nijhoff, met de regels: ‘O laat mij zonder herinnering // En zingend het derde land ingaan.’ Wat is dat derde land in dit geval? Een cynische lezer zou kunnen denken aan het leven na de scheiding van de dichteres, een motief in deze bundel. Maar waarschijnlijker is dat het om het land van de poëzie gaat. (Het tweede motto, de  songtekst van Jimi Hendrix’ ‘Little Wing’, wijst ook in die richting. Ik ga daar verder niet op in, dat zou te ver voeren).

Om de inhoud van een gedicht te laten leven, luisteren woordkeuze en vorm heel nauw. Regels als de volgende onderstrepen het belang daarvan: ‘Ik ben een twijfelaar, maar een van de meest zekere / want de dingen worden pas precies in mijn handen’. Het zijn regels uit het lange titelgedicht ‘Happy’. In dit geval gaat het niet om de modieuze term die op de meest uiteenlopende aangename sensaties wordt geplakt, maar om een woord dat de taalkundige Austin gebruikte in verband met taaldaden, zoals een bevel, een belofte of een afspraak. Taaldaden zijn effectief als een uiting binnen de gegeven context kloppend is, ‘happy’. Bij de dichteres is de taaldaad het garanderen van de poëtische voortgang: ‘( … ) zolang mijn zinnen happy worden / zoals John Austin me leerde, doen mijn pennen het’. En zolang haar pennen het doen, kan ze haar leven overeind houden of in ieder geval intensiveren; de existentiële rol die poëzie voor Janssen speelt maakt deze bundel uiterst boeiend. Nog een paar citaten uit dit gedicht:

Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden
of is het juist andersom? Ja, als onze daden happy
zijn, dan onze kauwen, onze bomen, onze doden
jij en ik, geen ons is ons teveel. Natuurlijk hebben we
genoeg mankop voor vergetelheid, zo ken ik je weer.
Wat trillen mijn handen?

(…)

(…) De wereld maak ik gelijk met de taal, wat
verwacht je anders van mij?

(…)

De letter ‘n’ is mijn vader (zijn tengere benen die van jou)
want de vorm is een daad, (…)

Een van de gedichten heet ‘Mindfuck’, een uiterst happy titel wat mij betreft: het gedicht is fascinerend. Vanuit wiens perspectief is dit gedicht geschreven? Neem de eerste strofe, wie zijn die ‘wij’?

Wanneer de koningin zegt het woord naar binnen
te dragen, is weelde ons antwoord, overal werk
slepen met werk, bladkamers bouwen, een weelde
aan werk.
Tot het woord over ons hoofd groeit, de droge zon in.

Ik lees ‘bladkamers’: zijn die ‘wij’ dichters? Of toch wij allemaal? Maar als je even verder leest, kunnen het ook bijen zijn – dwaze bijen? De associatie met Nijhoff dringt zich op – en, als je een paar strofen verder bent, kunnen het ook mieren zijn geweest, compleet met ‘de zang van de krekel’ die wordt gehoond om ‘zijn modieuze mindfuck van het nu’. Het ‘wij’ wordt afgewisseld met ‘ik’, de ene keer de dichter, een andere keer een mier. Wie er aan het woord is, is niet steeds duidelijk. Je idee daarover verandert bij herlezing en misschien is dat ook de bedoeling: de grenzen tussen mens en dier zijn minder duidelijk dan weleens wordt aangenomen, dat zie je vaker in de bundel. Het gedicht als geheel is een reflectie op leven en poëzie en de inzet is hoog:

Ik alleen kan het, me losweken van mijzelf, zoals
een gedicht van zijn maker.
Een camouflagetechniek, die met gemak aan te leren is.
De meeste mensen zijn er huiverig voor, maar willen er alles
van weten, totdat ze me verwijten dat ik geen zedelijk
bewustzijn heb.
Het komt te dicht bij de dood.
Hoewel je die al bij je eerste uur cadeau krijgt.

Een goed gedicht zingt zich los van de maker, zei Nijhoff, maar de ‘ik’ gaat nog een stapje verder: zij maakt zich schijnbaar los van zichzelf. (Ik ga ervan uit dat nu de dichteres aan het woord is, maar noodzakelijk is dat niet). Lijkt zij op een afstandelijke, waardenvrije manier naar de essentie van het leven te kijken? Het schrikt mensen blijkbaar af.

De gedichten in deze bundel zijn lang. Op vier na tellen ze meer dan een bladzij; het langste is ‘Happy’:  vierenhalf.
‘Ginnungagap’ is een proza-achtig gedicht van drieënhalve bladzij, verdeeld in strofen van ongelijke lengte. Het heeft het karakter van een klassiek kort verhaal, waarin ieder woord op zijn plaats staat en meer wordt verzwegen dan verteld, wat het kracht en spanning geeft. Het gedicht is raadselachtig, maar bij herlezing krijg je er greep op, zonder dat je tot een sluitende interpretatie komt – gelukkig niet, zo blijft het boeiend. Het gaat over het verwerken van de scheiding van de ‘ik’ in de vorm van een mythische zoektocht naar inzicht die voert van ‘knopendorp’ Baarlo naar kloosterdorp Steyl, dat bij Venlo aan de overkant van de Maas ‘met het miljoenen jaren oude water’ ligt.
Ginnungagap is ‘de kloof van schijnbare leegte, materievrije ruimte, niets of  vacuüm uit de Noordse mythologie’, lezen we in Wikipedia. Het is de ‘oorspronkelijke gapende afgrond in het scheppingsverhaal van de Edda.’
De dichteres lijdt onder haar scheiding, ze moet geheel opnieuw beginnen met haar leven, zich herscheppen. Het voelt als een terugkeer naar de Ginnungagap: ‘Terug in de Ginnungagap, gapende afgrond die geen ruimte inneemt en / al bestond voordat alles een lengte had, uitvouwbaar werd, net als ons / denken over niets.
De bijnaam ‘knopendorp’ wordt duidelijk als we lezen dat ‘begin en einde (…) de tempelpoort van Tajiri [is]’. Tajiri is de knoopkunstenaar, die zijn woonplaats Baarlo het geografisch middelpunt van Europa noemde. 
Voor de dichteres is niet alleen de scheiding, maar haar hele leven op dat moment een knoop, of beter: een serie knopen die ontward moeten worden. Dat verloopt zeer moeizaam: ‘De samenhang duizelt. De lijnen en hun betekenissen, ze maken van / de knoop een kogel, maar ik ben het zelf die ze verknoopt. Meer lopen, ik / moet lopen, mijn botten uitknijpen, mijn bewustzijn laten verdampen. / Verdriet als handeling.’ Uiteindelijk lukt het: ‘Langzaam weekt het gebied zich los uit elf knooppunten. / Ik benoem ze, ze draaien zich naar me toe, helderder dan ooit’. Dan is de tijd gekomen om de Maas weer over te steken naar het kloosterdorp. Haar verdriet laat zij achter zich: ‘De scherf laat ik in het water achter. / De pont brengt me naar de overkant, naar de roze slotzusters, om de / eeuwigheid te zien. Tot ook zij weer water worden.’

Happy is een heel spannende bundel omdat het welslagen van de gedichten voor de dichteres van essentieel belang lijkt te zijn voor haar leven. Het levert prachtige regels op. De bundel begint met: ‘Doodsengelen schijten op de plek waar een gedicht moet / staan (…) deze nacht werd ik wakker zonder taal’. Na zulke regels kun je de bundel niet meer wegleggen.

***
Sasja Janssen (1968) debuteerde met de roman De kamerling (2001). In 2007 verscheen haar eerste dichtbundel, Papaver, in 2010 Wie wij schuilen (genomineerd voor de Jo Peters poëzieprijs) en in 2014 Ik trek mijn species aan. Deze bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

Recensie van verdere bijzonderheden - Rozalie Hirs

Gedichten om hardop van te genieten

Rozalie Hirs
verdere bijzonderheden
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021408576
€ 16.99
62 blz.

Tijdens het lezen van verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs kwam ik er al snel achter, dat er van de lezer een andere leeshouding gevraagd wordt. Mede door het witte winterlandschap van begin december werd mijn aandacht als eerste getrokken door het ‘polysynthetisch sneeuwalfabet’, dat ergens aan het eind van de bundel met witte inkt op zwarte bladzijden is afgedrukt. De ondertitel ‘[sneeuwdroom anno 2071]’ doet vermoeden, dat het gedicht in een verre, sneeuwloze toekomst is gedacht. Twee bladzijden lang lezen we een opsomming van de meest uiteenlopende sneeuwfenomenen. Ongewone poëzie, maar gezien de regeleindes ook niet echt een prozagedicht te noemen:

sneeuwadem sneeuw in baarden in de vacht
van sneeuwhonden naar binnen gewaaide sneeuw
die blauw lijkt in de vroege morgen weggeblazen
sneeuw sneeuwbloemen sneeuwblokken voor de bouw
onbruikbare sneeuw dageraadsneeuw sneeuwdamp
dorp onder sneeuw bedolven driftsneeuw drijvende
sneeuw sneeuwengel besneeuwde voetafdruk
(…)

De flaptekst – die als enige tekst in de bundel van hoofdletters is voorzien – biedt nuttige wenken: “Ontdek de gedichten hardop, zing ze als het ware, bijvoorbeeld in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, je geliefde, zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing op steeds andere wijze. Op eigen tempo, adem, voelend denkend door de eigen stem.” Dat hardop voorlezen werkt, maar het is nog niet zo eenvoudig. Waar adem te halen? Waar pauzes te nemen, welke woordgroepen horen bij elkaar? Net zoals bij het spelen van een muziekstuk vanaf blad vergt het voorlezen een paar keer oefenen. Misschien is dat wel de bedoeling van de dichter, die tevens componist is. Op Spotify kan ik slechts één track van haar vinden. Maar dat is wel een sleutelstuk. Luister maar even mee: is dit muziek, is dit poëzie? De tekst is niet volledig verstaanbaar, maar duidelijk is dat de twee stemmen door de ritmische voordracht de woorden tot klanken reduceren, en dat anderzijds door de voordracht de woorden een andere betekenis krijgen. Terugkerend naar het sneeuwfragment krijgt de tekst een bezwerend karakter, waarbij de woorden kriskras als sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen.
Naast het genoemde sneeuwgedicht bestaat verdere bijzonderheden uit vijf afdelingen. De afdelingen ‘bewegingslijnen’, ‘je andere onophoudelijk’, ‘varens’ en ‘zeg liefde’ zijn feitelijk gedichtenreeksen, die elk uit een aantal genummerde gedichten bestaan. Alleen de afdeling ‘oneindig breekbare’ bestaat uit gedichten die met een eigen titel in de inhoudsopgave vermeld staan. De thematiek van deze gedichten is wisselend. Centraal lijkt te staan het mens-zijn, waarnemen en waargenomen worden. Misschien verwijst ‘oneindig breekbare’ naar de kwetsbaarheid van het mens-zijn, zoals verwoord in ‘Fragile’ van Sting: ‘On and on the rain will say / how fragile we are’.

je komt uit het niets

je komt uit het niets tevoorschijn noem het liefdesdaad ongelukje
toevalstreffer zomaar zijnde voor zover het verschijnt in enkelvoud al

wat je bent bestemd voor iemand om door iemand waargenomen
te worden zonder meer als zodanig verschijnend aan iemands zijn

of haar werkelijkheid waarheid borgt objectief een jij verdwijnend
in het niets doe jij iets levends toon je dat aan levenden die zich tonen

almaar verdwijnende tijdeloosheid naar het schijnt van dat alles
steeds sneller in de botsing tussen verleden en hoe het komt

een nog-niet en niet-meer samengebracht nu duurt zolang je begrensd
omsloten bent door de wijde stormachtige natuur van het alledaagse

Het ontbreken van hoofdletters en interpunctie maakt deze tekst niet zo makkelijk te duiden. Die meerduidigheid is natuurlijk opzettelijk. De condition humaine zelf is immers raadselachtig en ongrijpbaar. Ik lees, dat de mens ‘zomaar zijnde’ is en ‘verschijnend aan iemands zijn’. Maar is het laatste woord van de tweede strofe wel een werkwoordsvorm? Als we doorlezen staat er opeens ‘zijn of haar werkelijkheid’. Als mens ‘toon je dat aan levenden die zich tonen’, zijn we subject en object tegelijk. In ‘verschijn en wezen’ uit dezelfde afdeling lezen we iets vergelijkbaars: ‘niets verschijnt zonder dit waarnemen / van wie dan ook – hoe dan ook vindt verschijnen plaats / en geen zijnde – voor zover het verschijnt – bestaat in enkelvoud’.

De bundel opent met de uit twintig gedichten bestaande afdeling ‘bewegingslijnen’. Het eerste gedicht hieruit schetst een opdracht: ‘markeer zes bestemmingen naar keuze op de kaart / van je keuze, elk met een heel eigen geschiedenis, leeftijd, / omgeving, inwonertal, soort van snackbar. trek zes paden // van <hier> tot aan iedere bestemming, al met al zesendertig wegen.’ De sterk uiteenlopende gedichten ademen de sfeer van reisimpressies. Af en toe worden concrete plaatsaanduidingen gegeven: parijs, zierikzee, donoussa, carmel, alaska, xiangqi, connecticut (allemaal zonder hoofdletter). Een duidelijke verhaallijn ontbreekt. Er is een verlangen naar ontmoetingen, naar intimiteit: ‘wanneer de gelegenheid zich voordoet of iemand je aandacht / in het bijzonder trekt, en jij de zijne of de hare, in overeenstemming dus, / kus hem of haar op de wang. word gekust, indien gewenst op de mond.’ Een voorzichtige toenadering, geheel in de geest van de wereld na #metoo. Ook hier is de aangesprokene subject en object tegelijk (kus / wordt gekust), een belangrijk thema in deze bundel. Als geheel doen de gedichten uit deze reeks echter ook nogal willekeurig aan, als een fotoalbum waarvan alleen de eigenaar de innerlijke samenhang kent.

[17]

bariton omarmt muziek. direct versieren muzikanten hem allemaal tegelijk.
in samenklinken, zeg maar, beschrijven zijn botten in golven geluid,
bewegingslijnen, zijn organen, huid. geven hem longen om mee te ademen,
een hart slaat. bloed door de tijd heen. woedt het lichaam. voedt. beweegt het,
laat het spreken vanaf het podium. de zaal in. waar het publiek ineens

allemaal tegelijk helemaal zichzelf in het duister. het lichaam uitvoert, stil danst,
opeens. hoe dan ook. wat de gevolgen, onvoorzien, ook zijn. luidsprekers.
in een kleine studio, alleen, in xiangqi, een slaapkamer, alleen, connecticut,
een kitchenette. samen. de luisteraar omarmt. muziek, een daad van luisteren.
verandert het lichaam. door. en door het luisteren zelf. steeds. opnieuw.

Dit is een van de weinige gedichten uit verdere bijzonderheden waarin de achtergrond van Rozalie Hirs als componist duidelijk doorklinkt. De afdelingstitel ‘bewegingslijnen’ krijgt in de eerste strofe een geheel nieuwe dimensie, die van geluidsgolven. Tevens zien we in dit gedicht een kenmerkend en atypisch gebruik van interpunctie. Met name de punten vormen geen afsluiting van een zin, maar eerder een onderbreking van de gedachtegang. De tekst komt daardoor af en toe nogal staccato over.

De reeks ‘je andere onophoudelijk’ is opgedragen aan Stefan Hertmans. Het is een moeilijk te volgen gedachtestroom van drie gedichten, die misschien verwijzingen naar zijn werk bevat, misschien gezamenlijke herinneringen ophaalt: ‘hoe je tegen de berg op springt terwijl regen je oren wast voelen / denken versjouwt laat door de winter een traan en wat beeld binnen’.

De serie ‘varens’ is opgedragen aan Katharina Rosenberger. Het is een vrij prozaïsch onderonsje over het veldwerk en de bestudering van deze plantensoort: ‘als je je een weg door het stof baant, vind je varens. objecten van onderzoek, / van verlangen. varens. een heel leven zoek je varens, streel je ze. / draai je bladeren om. om sporen te zien, poriën. mogelijke parasieten, / klompjes silica’.

De bundel eindigt met de serie ‘zeg liefde’, misschien wel de meest lyrische gedichtenreeks uit de bundel. Vier uit disticha bestaande gedichten, met veel subtiele verwijzingen naar de Griekse mythologie. De relatie met een je/jij is belangrijk, zonder dat volledig duidelijk is hoe deze relatie eruit ziet, zo er al sprake is van een constante. ‘de een heeft werk voor minstens zeven vrachtschepen een ander / stalt honderd mud huizen uit intussen ben jij gewoon hoopvol // gelukkige natuurlijkheid die juist ligt in de verbijstering nu eenmaal / groter naarmate er meer van jou is dan slokt het voelen denken // omdat zij sterker en de meerdere is het lichaam op (…)’

Het is verleidelijk om te constateren, dat de poëzie van Rozalie Hirs in deze bundel evenals veel moderne klassieke muziek moeilijk toegankelijk is. De lezer moet zich enige inspanning getroosten, misschien zelfs door de gedichten als partituur te beschouwen en hardop voor te lezen, tot een eigen interpretatie te komen. Zoals de dichter schrijft in ‘tijd en sintel’: ‘neem dit en lees dit verteer en laat je verteren bewaar het laat je bewaren’. Die lezer wordt zeker beloond.

***
Rozalie Hirs (1965) is een hedendaagse Nederlandse componist en dichter. Haar poëzie en muziek zijn zowel lyrisch als experimenteel. Het avontuur van de luister- en leeservaring en de verbeelding staan centraal. Zij debuteerde als dichter in 1998 met Locus, gevolgd door Logos (2002), [speling] (2005), Geluksbrenger (2008) en gestamelde werken (2012). verdere bijzonderheden is haar zesde bundel bij uitgever Querido. Haar werk is vertaald in het Engels, Duits en Servisch.

Recensie van Garderobe, kleine zaal - K. Schippers

Haast hebben in een begrafenisrij

K. Schippers
Garderobe, kleine zaal
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021407388
€ 17,99
84 blz.

Observatie 1. In het septemberweekend dat in Utrecht de Nacht van de Poëzie jubileert heeft criticus Arjan Peters zeven pagina’s ruimte gekregen in de Volkskrantbijlage ‘Sir Edmund’. Onderwerp: het wantrouwen tegen de poëzie. Arjan wil een aantal aspecten in de poëzie aan de orde stellen en doet dan in de vorm van een briefwisseling met drie dichters: Ellen Deckwitz, Menno Wigman en Laura van der Haar. Aan Ellen vraagt hij provocerend of de poëzie van K. Schippers zichzelf niet heeft overleefd. Hij citeert uit de nieuwe bundel Garderobe, kleine zaal de gedichten waar Schippers vooral met de taal speelt, zoals hij dat vroeger ook zoveel heeft gedaan. Arjan Peters: ‘In de jaren zestig van de vorige eeuw moesten de mensen om deze teksten grinniken. Wat leuk, dat dit ook poëzie mocht zijn. Maar we zijn een halve eeuw verder. De grapjes zijn uitgewerkt.’ Lezers blijven respect tonen voor P.C. Hooftprijswinnaar K. Schippers en Arjan Peters vraagt aan Ellen Deckwitz of zij ook vindt dat de lezers worden belazerd. Het antwoord van Deckwitz is diplomatiek: poëzie belazert de lezer per definitie en er zijn echt veel, vaak beginnende, lezers die wél plezier hebben van de taalvondsten: ‘Poëzie is, hoe je het ook wendt of keert, soms ook entertainment. Ja, ze kan helpen je denken te verscherpen en je inzichten en troost bieden, maar het is soms ook een lekker gestoei met taal.’

Observatie 2: Burgemeester Van der Laan is overleden en Amsterdams stadsdichter K. Schippers mag in het hijgerige cultuurprogramma voor het grote publiek ‘De Wereld Draait Door’ zijn stadsgedicht daarover voordragen. Mooi, denk ik, maar best moeilijk voor ongeoefende lezers / luisteraars. Een fragment: ‘Kan een gat zo groot / worden dat de sok er nauwelijks is, steeds / meer gaten, haast zonder wol? De leegte / rukt op, de burgemeester zit er middenin.’ En verderop: ‘Oh, // E v d L, ben je op elk uithangbord het wit / tussen de woorden, vult je afwezigheid alle / plekken waar Amsterdam steeds opnieuw wordt / beschaduwd, beademd, gespeld, gespeeld.’ Schippers laat de geest van de verscheiden geliefde burgemeester alle leegten in de stad vullen: Eberhard Spatie.

Observatie 3: Dochter komt thuis en ziet bundel liggen van K. Schippers; dochter leest veel maar nauwelijks poëzie: ‘Deze ken ik…’ Schippers’ werk komt veel terug in de poëzieproducten van uitgeverij Plint: bekers, ansichtkaarten en posters. Ze bladert door Garderobe, kleine zaal en concludeert: ‘Maar dit is te moeilijk voor op mijn kussensloop…’

De bundel Garderobe, kleine zaal is niet een partij taalvondsten met een kaftje erom. En ja, ze komen er wel in voor. Je zou ook schrikken als het niet zo was. Ze maken onderdeel uit van het oeuvre van K. Schippers en zijn meer dan een grappig bedoelde vondst. Ze werken mee aan de ontologie van het gedicht, maar ook van de dichter.

Het onderzoek naar grenzen van poëzie is voor Schippers nog niet afgerond. Zoals in zijn roman Eerste indrukken uit 1979 waar vanuit het perspectief van de beginnende nog taalloze mens, een driejarige, de wereld wordt beschouwd, zó kijkt de dichter nog steeds rond in de wereld. Alles moet telkens opnieuw worden geleerd. Waarom is een partij woorden met witregels wél een gedicht en een reeks bonnen van de garderobe dat niet? De website van bol.com weet hoe het zit met het titelgedicht van de bundel: ‘Als jassen uit verschillende werelden bij elkaar in een garderobe, zo gevarieerd zijn de gedichten van K. Schippers.’ Maar wie het gedicht nog eens goed bekijkt, ziet dat er nog maar een paar jassen zijn afgegeven bij de garderobe. Er zit weer eens geen hond in de kleine zaal, er zal wel weer een voordragende dichter op het programma staan. En de paar stumpers die daarop afkomen, houden vaak ook nog hun jassen aan!

Maar Garderobe, kleine zaal gaat verder dan het onderzoek naar de grenzen van het vers. De grenzen van het bestaan worden verkend. Zoals een gedicht kan worden gedefinieerd door de witregels, zo wordt de dichter bepaald door wat er om hem heen gebeurt, door de echo van zijn voetstappen en zijn spiegelbeeld, zoals in het eerste gedicht.

Waar je bent

Je zit in de bus tegenover 
iemand en je denkt ‘t is 
m’n spiegelbeeld

Zo lijkt ook de echo van je 
voetstap op straat van een 
ander te zijn.

Je luister naar wat niet 
meer bij je hoort, het zegt 
waar je bent.

Leen je terloopse gebaren om 
nog te kunnen bestaan een oog 
opslag een hand aan je

kin. Een andere hand met een tas 
voor brood, schommelt 
een zwarte paraplu aan een

arm zo anders nu je ‘m zelf niet 
draagt, verzot op gestoofde 
aal terwijl je het

niet meer proeft, je verspreidt je 
over anderen tot ze de last 
om er te zijn

voor je kunnen dragen zoals jij 
me een keer zag en zei dacht dat 
ik het was.

Ligt m’n bril in de polder, een 
schoen, m’n rechter, op een 
eiland en

een boek in een hotel moet maar 
kijken hoe ik er kom, ik ben 
er niet meer,

anderen maken mijn geluiden, 
door hen word ik zichtbaar. 
Zo is ook dit

gedicht van een ander, iemand 
zegt het zacht op als hij me 
voorbijloopt op straat.

De ‘ik’ is totaal verdwenen en alleen alles om de ‘ik’ heen wijst nog op het oude bestaan. Het is de gat in de sok die de sok definieert. Het is de opsomming van alles wat gewoon doorgaat te gebeuren terwijl er één ding is dat maar niet gebeurt: Chaim Levano kan niet naar Den Haag komen. Het gelijknamige gedicht gaat maar door met het opsommen van feiten, terwijl elke strofe eindigt met het benadrukken van Levano’s afwezigheid. Het is de speurtocht in het gedicht ‘Zoek’ naar de vormen van het zichtbaar niets:

Kun je gaten verzamelen? 
Kun je gaten bewaren? 
Als je ze verplaatst, vullen ze 
zich met andere lucht.

(…)

Het is de droge opsomming van tijdstippen en locaties van de stervende kat in ‘Laatste plekken’ die iets duidelijk maakt over iets anders: afscheid nemen van een geliefd dier, de hulpeloosheid van het liefhebbende kattenbaasje. Het is het uitvergroten van het wit tussen de regels in het gedicht ‘Na’ en ‘Zo’ op een manier dat de woorden nauwelijks meer passen op de pagina. Het gaat niet om de woorden die in het gedicht staan, die woorden zijn als de randen om de ‘O’. De omgeving bepaalt mede de betekenis zoals het bijzonder is om in een begrafenisrij de onrust van haast te voelen terwijl je op weg bent iemand te ondersteunen die zojuist een geliefde is kwijt geraakt aan de eeuwigheid, het tijdloze (‘Maskers’). Schippers legt het uit in het gedicht ‘Definitie’. Waarom iets definiëren dat je al op een andere manier duidelijk hebt gemaakt?

Definitie

Iemand gebruikt het woord 
‘flirt’ op de radio en 
denkt dat het zo moeilijk 
is te zeggen wat het inhoudt.

Dat heeft hij met het woord 
‘flirt’ zelf, je hoort de 
aanhalingstekens, toch juist 
heel beknopt net gedaan?

Garderobe, kleine zaal is noch ‘lekker gestoei met taal’ noch een verzameling als gedichten gepresenteerde grapjes. Het is een sterk samenhangende bundel deelonderzoeken naar de essentie van wat ‘is’. K. Schippers heeft zijn gedichten niet nodig om te kunnen zien. De gedichten hebben hem nodig om gezien te kunnen worden.

***
K. Schippers (Amsterdam, 1936) is schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus met een omvangrijk oeuvre: romans, poëzie, essays, verhalen en een enkel kinderboek. Al vroeg werd hij bekend door het literaire tijdschrift Barbarber, dat hij in 1958 samen met J. Bernlef en G. Brands oprichtte. K. Schippers ontving veel literaire prijzen voor zijn werk; voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs.