Recensie van Het regent in de trompetten - Pierre Kemp

Dagen en nachten plukken en bedachtzaam omkijken

Pierre Kemp
Het regent in de trompetten
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043475
€ 19,95
168 blz.

Wiel Kusters en Ingrid Wijk hebben een aantrekkelijke bloemlezing samengesteld uit het werk van Pierre Kemp (1886-1967). Kusters, die in 2010 Kemps biografie publiceerde, sluit de bundel af met een boeiend nawoord. Hoewel een criticus of een bloemlezer een schaduwloper is en dat ook moet zijn, had Kusters het nawoord wellicht beter als voorwoord gepresenteerd, vooral voor lezers die nooit eerder werk van Kemp hebben gelezen. De bloemlezers hebben het werk thematisch geordend in tien hoofdstukken, en dat is een ‘didactisch’ verantwoorde aanpak. Ik geef de voorkeur aan een chronologische opbouw, maar dat is een keuze die zoals elke andere aanpak voor- en nadelen heeft.

Kemps werk heeft me steeds geboeid om de zachte ironie die zijn werk zo vaak typeert. Hij hield ervan in stilte de dag en de nacht te plukken en verlangde kennelijk niet naar een langdurige gelukservaring: ‘Waar de liefde niet langer dan de lente is / en de zomer niet verschroeit het feest, / … / ben ik steeds gaarne geweest.’ (70) De houdbaarheidsdatum van een gelukservaring is beperkt. Het gedicht ‘In de bladeren gezegd’ getuigt ook van Kemps bescheidenheid. In dat gedicht signaleert hij dat de ‘roerende’ woorden die hij aan de stam en de bladeren van een boom heeft toevertrouwd hem verbaasden. Hij rondde de bekentenis af met de vaststelling ‘dat de spraak [hem] de adem benam.’ (70) En toch had hij die woorden alleen aan de bladeren toevertrouwd, niet aan een lezer of luisteraar. In ‘Dit grote’, het gedicht dat voorafgaat aan ‘In de bladeren gezegd’, vraagt hij met klem toevallige voorbijgangers te zwijgen over zijn gesprek met een boom. De ironie en het relativerende zelfbeeld zijn duidelijk in de bomengedichten verwerkt.

‘Met mijn armen heb ik in de blauwe lucht geslagen, / of ik dus de bomen weer bloesems kon doen dragen.’ (65) Quod non. Kemp wist dat dromen bedrog waren, maar hij noteerde dat veel eleganter: ‘In dromen staan dingen geschreven / en andere gedrukt, / die in het eenvoudige leven / mij nooit zijn gelukt.’ (64) De dromen hebben hem niet bij de neus genomen, hij besefte deemoedig en weemoedig dat hij te klein was voor de dromen. Hij ging op in het ogenblik, het plukte het en genoot ervan in stilte. Maar hij besefte ook dat de som van de dagen ‘versmalling’ betekent. (49) In die kijk heeft een omkering van het gebruikelijke perspectief plaatsgevonden. Het verlangen naar de vrouw versmalt het leven. De krimp gaat gepaard met een verbreding en een verdieping – ondanks alles – en is de voorbode van de onomkeerbare trechtergang op weg naar het levenseinde.

Al is de mannenwereld maar
een vrouwenlichaam breed
binnen de begrenzing van haar haar
en de behandeling door haar greep en beet,
toch treur ik, wijl mij dit heelal,
waar de sterren der ogen dus in zwerven,
met het meerderen van mijn dagen werd zo smal
dat ik eraan moet sterven.

(49)

Kemps zelfrelativering en zijn ongewone dialogen met bomen en bloemen betekenen niet dat hij geen oog had voor vitaliteit, wel integendeel. In het gedicht ‘De lente is nog eens’ herinnerde hij zich de argeloze vitaliteit waarmee hij als jongen ‘tussen de meisjes sprong / en kinderliedjes zong.’ (41, mijn cursivering) En toch wordt die vitaliteit enigszins ontkracht door de kinderliedjes: de sprong was maar een spel, de inzet was niet beslissend. Naast de vitaliteit valt ook de bestendige aanwezigheid van het naderende afscheid op. De beelden zijn soms verrassend ondeugend en ontwapenend zoals in ‘Mooie voetjes’, het gedicht dat mij het meeste aanspreekt:

Ik ben de dichter met de mooie voetjes!
Word ik verpleegd, de zusters tillen zoetjes
de dekens van mijn tenen, en slaan ze op.
Ze komen meest alleen, soms ook met paren
En kijken vanonder hun wenkbrauwharen
Elkaar begrijpend aan met liefelijk ontzag.
Het komt het dat onder zulk een oude kop
Nog zulke mooie voetjes slapen.

(154)

Let vooral op het diminutief  ‘voetjes’. De dichter heeft niet op grote voet geleefd. Deze acht versregels zijn als ironisch zelfportret onovertroffen, al komt ‘Gramophone DB 4930’ aardig in de buurt. In dat gedicht ‘bugelden’ de wangen van de dichter mee bij het beluisteren van de muziek, maar hij doorprikte dadelijk de illusie: ‘Ik glimlach om mijn prille waan / te menen, dat ik fel heb meegedaan.’ (53) Niet dus, maar wat was ‘dit nu ook eigenlijk geweest / wel anders dan een kort en simpel feest, / te blazen voor ’n denkbeeldig compagnie, / als ik in vermiljoen de dingen zie?’ (53) Een enkele keer vind ik het eindrijm te nadrukkelijk, maar in de overgrote meerderheid van de geselecteerde gedichten versterkt het rijm de communicatie en de vorm. Er zijn ook gedichten zoals ‘Avondstemming’, ‘Verwaaid’ en ‘Avondrood’ die minder strak in het rijmkeurslijf zitten en toch zeer herkenbaar blijven als werk van de dichter met ‘de mooie voetjes’.

Het werk van Kemp valt op door een zekere (nagestreefde) eenvoud, maar dat betekent niet dat zijn werk ‘simpel’ is. Als lezer moet men rekening houden met de vele meervoudige betekenissen van woorden als trompetten, venushaar, Licht en Jeuk (beide met hoofdletter). Jeuk is niet alleen een gewaarwording, het is ook een plaatsnaam, en daar heeft Kemp op zijn eigen manier gebruik van gemaakt in het gedicht ‘Tour de Nez’ dat hem langs de ‘Singel van de Reuk’, de ‘Laan der Duizend Weken’, en ‘de Schouwburg van de Jeuk’ en de ‘Buurt der Reuken van Matronen’ voert. Hij stelt ‘belang in Duizendschonen’ formaat’ (49) – met hoofdletter –, een plant waarvaan de blaadjes eetbaar zijn. De dichter sluit zijn wandeling af met het gevoel dat ‘bij alles wat [hij] constateer[t], / … die glimlach over [hem] vergaat.’ (49) De homo ludens beseft ook de ernst van het leven en van het spel met vele bodems.

Een recensie kan nooit meer dan een korte voorstelling zijn, en ik moet helaas de veel gebruikte verwijzingen naar licht, zon, maan en planten  hier buiten beschouwing laten. Ter afronding citeer ik de vier laatste versregels uit ‘Penenstuk’: ‘Ik houd ook van een gering geluk, / van grote zon om een klein behagen / en dingen die ook zonder ruk / van vervoering niet klagen.’ (104) Dan toch één keer de zon, de zon van Kemp. Indrukwekkend, maar op een andere manier dan in het grafisch werk van Frans Masereel. Lieflijker, minder zwart en wit, want Kemp heeft met veel verve ook de kleuren van zijn wonderbaarlijke palet gebruikt. Niet met de zotskap van het Maaslandse carnaval, maar met de koksmuts van de leerjongen op het hoofd geef ik Kemp en zijn bloemlezers drie sterren in de gids voor poëzieproevers. De Amerikaanse criticus en literatuurwetenschapper Harold Bloom heeft er in Poetry and Repression (1980) op gewezen dat elke lezing een ‘inter-reading’ is, d.w.z. een lezing waarin vaak onbewust andere leeservaringen een rol spelen, en het is precies tegen die achtergrond dat mijn bijzondere waardering voor het werk van Pierre Kemp tot stand is gekomen.

Recensie van Verzen - Willem Kloos

De goddelijke klanken van het sonnet

Willem Kloos
Verzen
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043239
€ 19,95
159 blz.

Met het verschijnen van de biografie Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! van Peter Janzen en Frans Oerlemans voorziet de uitgeverij van dit boek tevens in een editie van Kloos’ Verzen. De bundeling van Kloos’ gedichten is behoudens enkele aanpassingen analoog aan de eerste uitgave van de Verzen in 1894 van Versluys in Amsterdam. Deze uitgave is grofweg opgebouwd uit (1) een afdeling gedichten, hoofdzakelijk sonnetten en enkele sensitivistische liedjes over de dood, (2) een tweetal dramatische fragmenten en een episch fragment op rijm en (3) een afdeling gedichten, veelal scheldsonnetten. Een door de uitgever toegevoegde inhoudsopgave wordt in deze editie node gemist. Echter, het maakt deze bundel ook tot een uitdagend zoek- en bladerboek, waarin je je als lezer telkens laat verrassen. Zo bevat deze dichtbundel ook Duits- en Franstalige verzen en enkele ‘In memoriam’-sonnetten. Kloos’ Verzen heeft de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van Anna Cornelia Amelse, mijn moeder’ meegekregen. 

Klankgod

Op de flaptekst van de bundel wordt Willem Kloos de ‘klankgod’ van het sonnet genoemd en daar is veel voor te zeggen. Zijn bundel Verzen is lang gezien als de bijbel van de Tachtigers. Van de gedichten van Willem Kloos restten enkel nog wat beginregels die de meeste lezers zich herinneren, zoals ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten’ en ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’. Maar er valt meer te genieten. Het vorm-en-inhoud-zijn-één-principe en het ‘l’art pour l’art’-idee van de Tachtigers zijn moeiteloos in de bundel terug te vinden. Een prachtig voorbeeld, waarin Kloos’ opvatting betreffende het schrijven van sonnetten zich manifesteert, is onderstaand gedicht. De kenners van het werk van Kloos zal het bekend voorkomen (VI, p. 7):

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
    De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid.., Rust – o, wonder-vreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
        Al zachter en zachter – alles wordt zoo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
        Altijd maar luider, en niet rusten wil.   

Meer nog dan de gebeurtenissen die plaatsvinden, wordt in dit gedicht de sfeer van de avond weergegeven. Dit sonnet, dat vijfvoetige jambische versregels heeft, is ritmisch fraai opgebouwd. De vervagende beelden en het verdwijnende geluid hebben een vertragende werking die leidt van intense rust tot absolute stilte. In de laatste strofe, die geen beschrijving meer van de natuur is, wordt de ik-figuur zich bewust van het steeds luider kloppen van zijn hart. Dan treedt een versnelling van het ritme op. Kenmerkend voor de poëtica van de Beweging van Tachtig is het gebruik van klankherhalingen in de vorm van alliteraties en assonanties; deze maken het gedicht tot een mooi voorbeeld van stemmingskunst. In vrijwel alle gedichten van Kloos zijn deze vormaspecten terug te vinden, en dan altijd in samenhang met de inhoud.

De fragmenten

‘Rhodopis. Dramatisch fragment’ is een toneeltekst in vijfvoetige jamben zonder eindrijm, al in 1878 geschreven. De stijl die Kloos hanteert is geïnspireerd op het werk van Shelley en Keats, twee Engelse dichters die hij bewonderde. Onder de lijst van ‘Personen’ staat vermeld: ‘De handeling heeft plaats te Saïs. Tijd 658 v. Chr.’ Het fragment is een confrontatie tussen de oosterse, de Griekse en de westerse levensbeschouwing in één menselijke ziel, namelijk die van Rhodopis, een ‘hetaere’ ofwel een publieke vrouw. De levensbeschouwingen zijn terug te vinden in drie personages. Myrrha is de oosterse ziel, zij is de vriendin van Rhodopis en is bezeten door aardse schoonheid en door lichtzinnigheid. De Griekse Charaxes is legeraanvoerder en minnaar van Rhodopis, hij is een standvastige en evenwichtige figuur. In dit fragment treedt hijzelf nog niet op, maar wel zijn bode ‘Een Grieksch krijgsman’. Mylitta, zoogzuster van Rhodopis, wier leven beheerst wordt door levensmoeheid en vergankelijkheidsbesef, vertegenwoordigt het moderne leven. Over de betekenis van de drie personages in relatie tot Rhodopis in deze pantheïstische tekst is in de loop der jaren onder critici en onderzoekers veel te doen geweest.

‘Okeanos. Episch fragment’ volgt in drie zangen het verhaal van de slapende, beeldschone herdersjongen Ganymedes. Zeus laat hem elke avond door een arend roven om hem als wijnschenker op de Olympus aan het werk te zetten. In zijn dromen ervaart Ganymedes zijn status in deze omgeving als goddelijk. De fragmenten zijn in vijfvoetige jamben geschreven, de tekst is geïnspireerd door ‘Hyperion’ van John Keats. De taal van deze poëzie is rijk aan klank, het begrip woordmuziek is zeker niet misplaatst. ‘Sappho. Dramatisch fragment’, in alexandrijnen berijmd, behandelt het schoonheidsideaal, zoals dat in de lyrische poëzie van de Griekse dichteres Sappho tot uiting komt. De aardse wellust staat tegenover het verheven liefdesideaal, al dan niet in een homo-erotische context. De conclusie na het lezen van deze drie fragmenten is dat ze inhoudelijk gezien weinig toegankelijk voor de moderne lezer zijn. Wel valt net als bij de sonnetten en andere gedichten de rijkdom aan klank en ritme op.

De scheldsonnetten

De scheldsonnetten doen qua venijn niet onder voor de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Of ze de lezer van nu nog aanspreken is de vraag, want die is via de moderne media wel een en ander gewend. Kloos’ mede-Tachtigers moeten het bij hem ontgelden. Hij ziet Herman Gorter als ‘een ellendig knoeier’. Psychiater Van Eeden wordt met ‘Klein slechtaardje, dom doktertje, onbenoemlijk’ en ‘verkrachter van veel vrouwen-zielen’ ook niet gespaard. Verwey wordt weggezet als een gespierd dichtertje: ‘gij musculeus poëetken’, Couperus als een ‘zoet, zelf-vergenoeglijk kind’. Pieter Lodewijk Tak, die na Van der Goes enige tijd de financiën deed van De Nieuwe Gids, wordt spottend aangesproken met ‘gij vriendelijk gastje’. Toch is mijn conclusie dat de scheldsonnetten te vrijblijvend en te cabaretesk overkomen, Kloos’ dichterschap wordt hier teveel een kunstje. Zijn belangrijkste stijlmiddel om de spot te drijven is een overdadig gebruik van het verkleinwoord en deze simpele truc roept irritatie op. Kloos pakt anderen meedogenloos aan, maar laat intussen veel van zijn eigen frustrerende onmacht zien. De arts Aletrino, van Sefardische (Spaans-Portugees-Joodse) afkomst werkte veel in armoedige volkswijken en streed voor de erkenning van homoseksualiteit. In literaire kringen stelde hij zich als persoon bescheiden op, zijn werk heeft een zwaarmoedige toon. Hij bewonderde Willem Kloos, maar desondanks komt hij bij hem ook aan de beurt om beschimpt te worden. De eerste twee kwatrijnen (CLXIX, p. 141) klinken als volgt:

O Aletrinootje, gij valsch, Moors Vorsje,
     Dat ferm zit op ’t belachelijkste troontje
     Pas op, dáár gaat ‘t, uw waggelende kroontje
Valt van uw kopje, och kereltje, wat dorst je

IJdlijkjes je verheffen op één toontje
     Om schijnen wat gij niet zijt, ridderborstje
     Schijnbaar, daar gij niet zijt dan een hansworstje,
O fierlijk om u blikkend, gij gewoontje,

Soms is Kloos belerend, zoals in het sonnet over Jan Veth die dichter, schilder en hoogleraar kunstgeschiedenis was. Kloos geeft hem op hekelende wijze les in een van de principes van de beweging van Tachtig. De eerste strofe luidt (LXXXV, p. 44):

Inhoud en vorm, in kunst als in natuur,
     Zijn Eén. Je twijfelt? Ken je zelf toch, Vethje, –
De hand op ’t hart, – ben jij niet een secuur
     Broekje, o Jan Veth, ben jij geen binnen-vetje? 

Tot slot

In het ‘Nawoord’ geven Peter Janzen en Frans Oerlemans een overzicht van de kritieken die Verzen kreeg. Ook hebben de auteurs aandacht over de vermeende homoseksuele gevoelens van Kloos, dit in relatie tot zijn gedichten. Uiteraard komt de vraag aan de orde waarom Kloos in de scheldsonnetten ‘zijn oude vrienden en voormalige redacteuren zo meedogenloos en publiekelijk’ met de grond gelijk gemaakt heeft. De schuld moet gezocht worden bij hen die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van De Nieuwe Gids. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘Hij [Kloos. HM] was ervan overtuigd dat zij De Nieuwe Gids als een stel laffe burgermannen, als ‘verdorden’ hadden afgebroken; het monument dat Kloos om ‘Gods zuivere wil’ had opgericht.’ Het nawoord eindigt met een kort overzicht van de drukgeschiedenis van Verzen. Het boek bevat bovendien een lijst van ‘Geraadpleegde literatuur’ en een ‘Verantwoording’ van deze heruitgave. Het maakt deze deskundig verzorgde editie compleet.

Willem Kloos’ Verzen is geen dichtbundel om in één keer van begin tot het einde te lezen. Voor lezers die van sonnetten houden is de bundel ontegenzeglijk de moeite waard. Het is een boek om veelvuldig in te grasduinen. Je moet het thuis ergens in het zicht leggen, want dan pak je het geregeld om op zoek te gaan naar een bijzonder gedicht of een opmerkelijke versregel. De lezer die zich openstelt voor de poëzie van deze Tachtiger zal altijd iets fraais vinden, zeker in het eerste gedeelte. Tip: lees eens een sonnet hardop, dan ervaar je de muzikaliteit van zijn poëzie.

***
Willem Kloos (1859-1938) was dichter en een belangrijke voorman van de Beweging van Tachtig. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift De Nieuwe Gids, waarin hij zijn gedichten publiceerde en zijn voornaamste literaire principes uiteenzette. In 1894 verscheen Verzen, een bundeling van zijn gedichten, waarvan de meeste in De Nieuwe Gids waren verschenen. Naast dichter was hij ook een vooraanstaand en scherp criticus.

 

Recensie van Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! - Peter Janzen en Frans Oerlemans

‘O, ’t waar zoo schoon geweest, dat Lied van ’t Leven’

Peter Janzen en Frans Oerlemans
Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog!
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043222
€ 29,50
407 blz.

Vijf jaar na In dit gevreesd gemis (2012) van Bart Slijper verschijnt er weer een biografie van Willem Kloos, nu van de historicus Peter Janzen en de neerlandicus Frans Oerlemans. De ondertitel is een wanhoopskreet van Kloos in een brief (d.d. 20 oktober 1881) van hem aan Carel Vosmaer, waarin hij schrijft dat Jacques Perk zeer ziek is en waarin hij zich afvraagt of de dichter en zijn naaste familie dat wel beseffen: ‘Ik geloof echter dat de oudelui niet geheel weten, hoe erg het is, en hy zelf vermoedt er niets van. O God, waarom schynt de zon nog!’ (p. 63). De biografie opent met ‘Bij wijze van inleiding’. In kort bestek wordt Willem Kloos als psychiatrisch patiënt, alcoholist, armoedzaaier en ruziezoeker neergezet. De mistroostige foto van Kloos op de omslag, gemaakt door zijn financiële steun en toeverlaat Willem Witsen, bevestigt dit beeld. Ondanks deze problemen had Kloos vanaf 1885 een hoog aanzien in literaire kringen. Daar beschouwde men hem als een virtuoos dichter en een scherp criticus. Na deze korte inleiding is de toon van het boek gezet.

Structuur van het boek

De auteurs hebben deze biografie een heldere opbouw gegeven, wat de leesbaarheid bevordert. Daarbij bevat ze een schat aan authentiek fotomateriaal, dat hoofdzakelijk op de linker pagina’s is afgebeeld en deze pagina’s geheel vult. De foto’s ondersteunen de tekst en zijn met zorg geselecteerd. Het boek bevat niet alleen portretten van de dichter zelf, van familieleden en literaire vrienden, maar ook foto’s van locaties waar Kloos geweest is en van opmerkelijke documenten, zoals drukproeven, boekomslagen, brieven, schoolrapporten en kattenbelletjes. De korte hoofdstukken – elk hoofdstuk omvat een klein tijdvak van een of enkele jaren – zijn onderverdeeld in korte paragrafen met titels, die de kenner van het leven van Kloos direct kan plaatsen. Meestal is zo’n bovenschrift een naam van een persoon, een locatie of de titel van een gedicht. De lezer die voor het eerst kennismaakt met deze voorman van de Tachtigers, kan stapsgewijs de wereld van Kloos veroveren. De auteurs bouwen hun biografie zo zorgvuldig op dat voorkomen wordt dat de lezer naast allerlei feiten en wetenswaardigheden verstrikt raakt in Kloos’ wispelturige standpunten en opvattingen. In de leefwereld van Kloos werden vrienden gemakkelijk vijanden of anderen die hij bekritiseerde van het ene op het andere moment personen die hij bewonderde.

Natuurlijk is dit boek, dat op authentieke brieven, dagboeken en aantekeningen gebaseerd is, niet alleen een biografie van Kloos, maar omdat de auteurs aandacht hebben voor de literaire kringen waarin hij verkeerde, is het bovendien een kleine literatuurgeschiedenis van de Beweging van Tachtig. Met name de ontwikkeling van het tijdschrift De Nieuwe Gids en alle redactionele, literaire en financiële perikelen daaromheen krijgen een prominente plaats in het boek. 

Inhoudelijke aspecten

Beide biografen zijn voorzichtig met het koppelen van feiten uit het leven van Kloos aan de inhoud van de gedichten, zeker wanneer het gaat om Kloos’ wankele verliefdheden, zijn psychische en financiële problemen, zijn levensstijl en moeilijke karakter. Daarmee nemen ze afstand van te gemakkelijke interpretaties van Kloos’ poëzie vanuit zijn levensloop. In de loop van de vorige eeuw zijn heel wat van die dubieuze denkbeelden aan het papier toevertrouwd. Toch is deze biografie niet sturend, het boek biedt de lezer een open ruimte die daar in alle vrijheid mee aan de slag kan. Dat maakt het boek geschikt voor een breed publiek. Op rustige wijze, zonder het sensationele van de gebeurtenissen uit Kloos’ leven te accentueren, geven Janzen en Oerlemans de feiten aan de hand van bronteksten weer. Enkele voorbeelden. 

De ontmoeting van Kloos met Jacques Perk, hun reis naar de Ardennen en de hechte, maar kortdurende vriendschap die daaruit voortkomt, presenteren de auteurs aan de hand van reisbeschrijvingen en brieffragmenten. Het zijn met name de langere citaten die het boek een eigen sfeer geven. Je krijgt als lezer inzicht in de literaire wereld van de late negentiende eeuw, waar aan de ene kant tussen literatoren allerlei formele omgangsvormen gebezigd werden en aan de andere kant de kritiek van de schrijvers op elkaar niet mals was. De grens tussen het werk van een auteur en de persoon van de auteur zelf was soms flinterdun, maar bij Kloos leidde dat niet tot gewetensbezwaren om deze te overschrijden. Bijzonder blijft zijn schrijven aan Vosmaer na het condoleancebezoek aan de familie Perk d.d. 3 november 1881, waarin hij subtiel de uitgave van de gedichten van Perk naar zich toetrekt, hoewel de vriendschap met Perk verbroken was. Een fragment (p. 65):

Men spreekt erover zijn gedichten uit te geven. […] Die uitgave is altijd een van zijn pia vota geweest, die ik nu zoo gaarne als een laatste liefdesdienst, zou vervuld hebben. […] Hyzelf heeft zich over de zaak in het geheel niet geuit, maar ik weet, dat hij ze ’t liefste in mijn handen zou zien.

Uiteindelijk zijn er drie personen bij de uitgave betrokken. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘De dominee [de vader van Jacques Perk. HM] meende dat hij de zaak in handen van Vosmaer had gegeven, Vosmaer wilde de uitgave samenstellen met de hulp van Kloos, maar Kloos wilde eigenlijk alles alleen doen.’ Het is een korte, maar rake typering van deze egocentrische karaktertrek van Kloos.

‘Het Boek van Kind en God. Een Passie-spel’ dat de kern vormt van 29 gedichten en dat onder andere de breuk tussen de vriendschap van Kloos met Verwey als onderwerp heeft, komt uitvoerig aan bod. Enkele sonnetten uit de reeks zijn volledig in de biografie opgenomen. Terecht, ze behoren tot de mooiste die hij geschreven heeft, zeker het openingsgedicht ‘Kind en God’ en het afsluitende, bekende sonnet ‘Van de Zee’, dat niet diepgaand geanalyseerd wordt. Integendeel, een interpreterende ontleding blijft achterwege, gelukkig maar: ze zou niet passen in deze biografie. Wel mag je als lezer meedeinen op de golven van de alexandrijnen (p. 167):

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
      De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, 
      Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

De vriendschap tussen Kloos en Verwey ontaardt na de breuk in een manipulerende wraakoefening van Kloos. Dat roept bij mij vraag op of Kloos wel zuiver op de graat was. Aan de ene kant is de kwestie pikant, omdat de rijke en aantrekkelijke Kitty van Vloten, de geliefde van Albert Verwey, ook bemind werd door anderen uit literaire kringen, waaronder Willem Kloos zoals Van Deyssel in een brief aan Frans Erens beweert. Dat bevorderde de vriendschap tussen Kloos en Verwey niet. Aan de andere kant is de zaak geruchtmakend, omdat Kloos wil voorkomen dat Verwey het secretariaat van De Nieuwe Gids definitief overneemt – hij is er financieel afhankelijk van! – en daarom van zijn mederedacteuren eist dat ze zich uitspreken voor Verwey of voor hem. Het merendeel van de redactie kiest om uiteenlopende redenen voor Kloos. Ondertussen blijft deze doorgaan met de strijd tegen Verwey met als dieptepunt het volledig afbranden van de uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1889) in De Nieuwe Gids. Volgens de auteurs heeft ongetwijfeld jaloezie een rol gespeeld bij Kloos’ meedogenloze kritiek op zijn vroegere protegé, omdat zijn eigen poëzie die tot dan toe in tijdschriften was verschenen nog steeds op bundeling wachtte. In 1889 verschenen er toch weer vier sonnetten van Verwey in De Nieuwe Gids, de kou leek uit de lucht, maar Verwey had de redactie van De Nieuwe Gids verlaten.  

De Nieuwe Gids heeft een bredere opzet dan alleen een literair tijdschrift. Er is bijvoorbeeld aandacht voor binnenlandse politieke ontwikkelingen. Frank van der Goes was betrokken bij socialistische beweging. Hij leverde geregeld politieke teksten voor het tijdschrift. Progressief-liberale standpunten als kiesrechtuitbreiding, de schoolstrijd en de grondwetsherziening waren actuele onderwerpen in de jaren 1885-1888. Het hoofdstuk ‘Politiek en literair rumoer 1890-1892’ laat zien dat deze biografie ook een tijdsbeeld geeft van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw.

Het twaalfde hoofdstuk gaat over Kloos’ drankverslaving en de analyse van dr. Jelgersma, zijn voortdurende geldtekorten, zijn zelfmoordpoging, zijn opnames in het Wilhelmina gasthuis en later in een Utrechtse kliniek, waar hij elektrotherapie onderging. Tijdens zijn verblijf correspondeerde hij met auteur-arts-psychiater Frederik van Eeden, die hem bezocht en later in zijn huis in Bussum opnam. Het laatste gedeelte van de biografie gaat in zijn verliefdheid op de jonge Lucie Broedelet, zijn Haagse jaren (1898-1900) en de moeizame instandhouding van De Nieuwe Gids in de periode 1900-1938. Bij de ontvangst van een hoge Belgische onderscheiding, had hij blijkbaar de behoefte het beeld dat velen van hem hadden in zijn dankwoord bij te stellen (p. 330-331):

‘Mijn heele leven heb ik moeten hooren dat ik niet werk en dat ik altijd maar wat deed, in plaats van mijn best te doen. En toch staan de feiten zóó […]: ik heb meer geschreven, en zelfs meer boeken in het licht gezonden dan allen, die zoo spraken of schreven. Maar toch zei men vroeger maar aldoor dat ik luierde, en mijn genoegen op andere wijze zocht.’

Het zestiende en laatste hoofdstuk ‘God-op-aard’ geeft een overzicht met boeiende citaten van de blijken van waardering en de kritiek die Kloos aan het einde van zijn leven ontving. Zijn zeventigste verjaardag in 1929 staat daarin centraal. Met de paragraaf ‘De laatste dag van maart’ – 31 maart 1938 is zijn sterfdag – eindigt deze levensbeschrijving van Willem Kloos.

Tot slot

In het ‘Nawoord’ wijzen de auteurs erop dat men op grond van allerlei bronnen gemakkelijk verleid kan worden ‘tot smakelijke uitspraken over zijn exuberante gedrag’. Ze vermelden dat Kloos door zijn generatiegenoten gezien werd als ‘de grootste dichter van zijn tijd’. Dit ‘Nawoord’ is een fraaie samenvatting van zijn gecompliceerde persoonlijkheid en zijn stroeve omgang met vrienden en schrijvers. De auteurs benoemen zijn problematiek op moderne wijze: het ‘borderlinesyndroom’. In het tweede gedeelte van het ‘Nawoord’ gaan zij in op Kloos’ seksuele geaardheid, zijn moeizame relaties met zijn ‘verloofdes’ en zijn ‘vermeende ongelukkige jeugd’. Als lezer kun je ook goed eerst dit nawoord lezen en dan vooraan in het boek beginnen, het ‘Nawoord’ fungeert dan als leidraad. Willem Kloos [1859-1938] O God, waarom schynt de zon nog! is een rijke, geslaagde biografie van een dichter-criticus, die een bewogen leven leed, richting gaf aan de ontwikkeling van de letteren, een aantal prachtige gedichten schreef en uiteindelijk aan het eind van zijn leven alom gewaardeerd werd. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: hij werd ‘als een ‘dichter des vaderlands’ avant la lettre op het schild gehesen en met ridderorders omhangen. Zijn status was legendarisch.’ (p. 344)

***
De auteurs Peter Janzen (historicus ) en Frans Oerlemans (neerlandicus) zijn in 2013 beiden bij Marita Mathijsen (UvA) gepromoveerd op het proefschrift De Amsterdamse jaren van Willem Kloos. Beiden hebben een deel van het leven en werk van Kloos onderzocht, Peter Janzen de jaren 1859-1888, Frans Oerlemans de periode 1888-1900. In de vorm van artikelen is veel van het onderzoeksmateriaal vanaf 1998 gepubliceerd in het tijdschrift De Parelduiker. Janzen en Frans Oerlemans schreven ook het nawoord bij de heruitgave van Kloos’ Verzen (Uitgeverij Vantilt 2017), die gelijktijdig met deze biografie verscheen.

Recensie van Dichters van het nieuwe millennium - Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre (red.)

Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw

Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre (red.)
Dichters van het nieuwe millennium
Uitgever: Vantilt
2016
ISBN 9789460042669
€ 19,95
320 blz.

De essaybundel Dichters van het nieuwe millennium (redactie Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre) bestaat uit bespreking van poëtische ontwikkelingen vanaf 2000 en vierentwintig essays over Vlaamse en Nederlandse dichters die na de eeuwwisseling debuteerden. Het overgrote deel van de auteurs is als promovendus, wetenschappelijk medewerker of hoogleraar verbonden aan een Vlaamse of Nederlandse universiteit. In iedere beroepsgroep vind je vreemde vogels, dus ook in deze populatie. Zo lezen we in de ‘Personalia’ dat Dirk De Geest (hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde en poëzietheorie aan de KU Leuven) al vele jaren lang elke dag gedichten leest. Kennelijk is dat zo bijzonder dat het vermeldenswaard is. Maar hoe het ook zij, het is een goed boek, mede dankzij De Geest.

In hun inleiding wijzen de redactieleden erop dat het huidige poëzieveld zeer heterogeen is, maar er toch drie tendensen zichtbaar zijn die zij in het vervolg uitstekend uitwerken: ‘hedendaagse poëzie zoekt uitdrukkelijk de publieke ruimte op, beweegt zich tussen verschillende media en wil zich niet beperken tot de Nederlandse taalgrens.’ Aan het eind van de 20e eeuw zag je die tendensen ook al, maar met name het aandeel van de poëzie in de publieke ruimte is veel intenser geworden. Daartoe moet je ook de digitale ruimte rekenen: dichters twitteren, gebruiken Facebook en Instagram, publiceren, zetten filmpjes van poetry slams en andere optredens op Youtube, lezers geven feedback en debatten spelen zich op sociale media af. Daarnaast hebben digitale platforms als De Reactor en Tzum voor een deel de poëziekritiek in dag- en weekbladen overgenomen. Samplekanon en Meander geven veel nog onbekende dichters gelegenheid gedichten te publiceren, wat voor hen heel aantrekkelijk is: ze kunnen rekenen op veel lezers. (Terzijde: Erik Spinoy zegt in zijn essay over Bart Van der Straeten dat Meander Magazine zich laat voorstaan op zijn ‘onacademische antecedenten’. Ik wist dat niet – zo leer je nog eens wat). Het multimediale van de poëzie uit zich onder andere in de wisselwerking tussen verschillende dragers: papier, websites, video’s, muurgedichten et cetera.

Over hun criteria voor de opname van dichters zijn de samenstellers niet echt duidelijk. We moeten de selectie niet beschouwen als een canon voor de vroege 21e eeuw, maar als een overzicht van ‘de verschillende stemmen die sinds 2000 hebben bijgedragen tot de poëzie in Nederland en Vlaanderen.’ Dat is wel erg algemeen, maar een bladzijde eerder hebben zij gewezen op het pedagogische belang van de nieuwe poëzië – het verlangen naar ‘nutscap ende waer’ steekt altijd zijn kop weer op – en dan krijg je een indruk van de stemmen die zij horen: ‘De tegen-bewegende dichters van de 21e eeuw nodigen uit tot nieuwe retorische savvie. Ze leggen geen burgerzin op, maar laten zien hoe taal en maatschappij, en ander en ik, in elkaar kunnen haken. Ze tonen hoe dezelfde wereld tegelijk ontzettend ingewikkeld en doorzichtig in elkaar steekt. Ze leren ontmanagen door temporaliteiten te ontvouwen waarvoor nog weinig rituelen bestaan. Ze leren kijken. En ze tonen hoe Nederlandstalige poëzie een verschil maakt in de wereld. Jeroen Mettes’ poëtisch project met kritiek op de premissen van de laatkapitalistische maatschappij, bijvoorbeeld, resoneert in Engelstalige teksten over Occupy. ‘Nothing has less street cred than representation’: als dat geen pedagogische por is!’

Pedagogische wensen wijken nogal eens af van de weerbarstige werkelijkheid en dat is ook hier het geval: zo laat Spinoy zien dat Bart Van der Straeten – een bewonderaar van T.S Eliot, Kouwenaar en Faverey – zich met zijn debuut Onbalans in een modernistische traditie plaatst, met alle twijfel van dien over de mogelijkheid om met taal de werkelijkheid weer te geven en te duiden. Maar dat engagement in deze essaybundel een belangrijke rol speelt, staat buiten kijf. Vrijwel alle dichters vragen zich af hoe zij in de wereld staan, wat engagement precies is, wat dat voor hen betekent en of poëzie hierin een rol kan of moet spelen. (In dit verband wordt zeer vaak de formulering ‘zich verhouden tot’ gebruikt. Hou daar toch eens mee op! Nog even en het betekent helemaal niets meer).
Een paar voorbeelden. Obe Alkema gaat in zijn essay ‘Publiek bezit’ onder andere in op het politieke engagement van Ramsey Nasr, die waarschuwt, vermaant en zijn lezer aan het denken wil zetten. In het openingsgedicht haalt hij zijn roskam over Jan Pieter Balkenende: ‘ZO, JP, hoe voelt het om te liegen / en dan te moeten zien dat het gedrukt staat?/ hoe voelt dat, om als christendemocraat / de zijde van herodes te verkiezen // en honderdduizend kinderen te doden / omwille van één koning? volkenrecht?’
Mischa Andriessen zet zijn vraagtekens bij dit soort engagement. Jeroen Dera laat in ‘Het gedicht maakt het verhaal’ zien dat Andriessen ‘betwijfelt of dichters een politieke boodschap kunnen prediken in hun werk, omdat dit veronderstelt dat het ‘lyrische ik’ [bij Nasr is dit vaak impliciet – zie het citaat hierboven] een afspiegeling van de dichter vormt. De relatie van het poëtische ‘ik’ tot de wereld is echter hoogst ingewikkeld. ( … ) Engagement kan dan ook nooit aan een ‘ik’ worden toegeschreven – het ontstaat veeleer in het interactieve samenspel tussen dichter, lezer en tekst.’
Ook Jos Joosten schrijft over dit problematische ‘ik’ in zijn boeiende essay ‘Ik ben er! Ik ben er! Ik ben er!’ over Maarten van der Graaff. Aan de hand van zijn dichterschap laat hij zien dat ‘kennis van de geschiedenis van en verhoudingen binnen het [poëtische] veld’ een absolute noodzaak is; de positionering van der Graaffs ‘ik’ is daar een onderdeel van. Joosten noemt hem een vertegenwoordiger van het contra-engagement: hij wijst engagement niet af, maar hunkert naar ‘zuivere kunst’ in het besef dat zoiets niet mogelijk is ‘door de noodzaak van betrokkenheid op de wereld waarin hij leeft.’ Dat betekent niet dat hij naïef is: hij is zich zeer bewust van de onmogelijkheid van eendimensionaal engagement en een eenduidig ‘ik’.

Niet iedere dichter leent zich voor een diepgaande bespreking, maar als dat wel het geval is en de onderzoeker en dichter bovendien goed bij elkaar passen, levert dat prachtige essays op. Zo schrijft Sarah Posman in ‘.interval. Helène Gelèns tegen de tijd’ de memorabele zin: ‘Gelèns maakt tegenbewegingen: het dansen van de vorm staat in het teken van een rebellie tegen systemen die het leven uniformiseren en aan bepaalde ritmes onderwerpt.’ Die zin werkt ze op een intrigerende wijze uit.

Aan een van de essays heb ik me geërgerd: ‘Een voluit hybride dichterschap’ van Fabian Stolk over Annemarie Estor. Voor het overgrote deel bestaat dat uit de weergave van recensies, flapteksten en uitspraken van de dichter in interviews en essays. Dat is nog tot daar aan toe, maar ik stoor me aan de wijze waarop hij critici onderuit probeert te halen die niet in zijn betoog passen. In een overwegend positieve recensie schrijft Tom van Deel dat Estors debuut Vuurdoorn me wellicht minder ‘poëtische aanstellerij’ had bevat als zij wat meer zelfkritiek had betracht. Onzin, vindt Stolk. (In zijn formulering: ‘Van Deels kanttekening mag opmerkelijk heten’). Hij geeft een paar drogredenen om zijn oordeel aannemelijk te maken: Estor heeft de bundels samengesteld uit gedichten die zij gedurende een periode van tien jaar heeft geschreven en bovendien liet ze haar gedichten vooraf lezen en becommentariëren door de dichters Pieter Theunynck en Peter Holvoet-Hanssen, criticus Joris Gerits en ‘Wereldbibliotheek-redacteur en dichter wijlen Hans Groenewegen’. Hoe kwam Van Deel tot zijn vreemde oordeel? Stolk: ‘Met een understatement kan gezegd worden dat Van Deels eigen poëzie doorgaans wat ingetogener is dan die van Estor, wat misschien zijn kritiek mede verklaart.’ Let op dat ‘misschien’: pin Stolk niet op zijn bewering vast.
De recensente Nikkie Dekker hoeft ook niet serieus genomen te worden: ‘Er zijn wel wat ondergeschikte bedenkingen, maar er is slechts één louter zurige recensie, die van Nikki Dekker op 8weekly, dat evenwel geen vooraanstaand literair-kritisch orgaan kan genoemd worden.’ (De onderstreping is van mij). Wat een nonsens. Is Stolks artikel verwaarloosbaar als de Utrechtse faculteit Geesteswetenschappen als niet-vooraanstaand wordt beschouwd? En is het belangwekkend als die faculteit als excellent bekend staat? Het lijkt me dat je dit artikel op zijn merites moet beoordelen, net als de recensie van Dekker.

De essayisten beschrijven in Dichters van het nieuwe millennium ontwikkelingen waar we nog middenin zitten. Een echt overzicht hebben we daarom nog niet, maar dat is geen probleem. De kracht van het boek ligt in de aanzet tot reflectie en debat.

Recensie van Hans Faverey en de liefde - Jan Oegema

Meedogenloze schoonheid

Jan Oegema
Hans Faverey en de liefde
Uitgever: Vantilt
2015
ISBN 978949460042041
€ 19,95
248 blz.


Essayist Jan Oegema (1963), onder meer de auteur van Lucebert, mysticus (1999), schreef met Hans Faverey en de liefde een prikkelend boek over de poëzie van Hans Faverey (1933-1990). De grote verdienste ervan is dat Oegema’s sterk persoonlijke invalshoek (het is ook zijn eigen Werdegang die beschreven wordt) en zijn aandacht voor de biografie van de dichter – wie was Hans Faverey buiten zijn poëzie? – volledig in dienst staan van het doordringen in en ontsluieren van dit unieke dichterschap, dat in een superieure artistieke Alleingang de wereld ogenschijnlijk reduceerde tot taal en niets dan taal, maar daarbij een oeuvre opbouwde dat, hoe vormbewust en gedisciplineerd ook, tot de meest intieme van de Nederlandstalige literatuur behoort.

Faverey was, zoals Oegema stelt, vanaf het begin een dichter met een missie, die zich ten doel stelde een volledig eigen poëtische dictie te verwerven, een medium waarbinnen hij zijn intuïties omtrent het absolute kon verkennen en tot wasdom kon laten komen. Maar Oegema stelt het algemene en door de dichter ook zelf uitgedragen beeld bij als zou diens poëzie niet anders zijn dan permanente taalfilosofie-in-actie en de biografische invalshoek zich zou beperken tot zijn fascinatie voor stilstand, leegte, tijd en dood. In Favereys poëzie gaat het, zo weet Oegema overtuigend aannemelijk te maken, óók en misschien wel in de eerste plaats om de omgang met en de verwoording van de liefde. Een onverwachte invalshoek, omdat ‘het verhaal van Hans Faverey en de liefde’ altijd onbesproken is gebleven. Toch kunnen van de 471 gedichten die Faverey tijdens zijn leven publiceerde, er zeker 75 als liefdesgedicht gekwalificeerd worden. Een verrassend hoge score voor een thema dat niet in zijn ‘systeem‘ lijkt te passen, maar Oegema maakt duidelijk hoe gaandeweg Favereys dichterschap diens fascinatie voor leegte en zijn intellectuele gevoeligheid voor het fenomeen liefde parallel lopen en hoe de metafysicus in Faverey uiteindelijk samenvalt met de mysticus voor wie eenwording met de leegte ten diepste vervulling is door liefde – de liefde als de meest verbluffende verschijningsvorm van het niet-zijnde.

Voor hij tot die conclusie komt, heeft Oegema een groot aantal van Favereys gedichten behandeld. Om de lezer optimaal bij zijn verkenningen te betrekken, start hij met een bloemlezing van vijftien gedichten waarbij hij korte, sturende leesimpressies schrijft en later bespreekt hij een serie van zeven gedichten uitvoeriger. In totaal citeert hij uit 127 gedichten waarvan hij er zo’n veertig volledig opneemt. Een ware onderdompeling dus.

Rob Schouten schreef ooit over Favereys poëzie ‘je verstand staat er graag bij stil’ en Oegema brengt dat in praktijk. Centraal staat de zoektocht naar wat Oegema Favereys ‘daimoon‘ noemt: het dwingende van zijn eigen aard, de innerlijke stem waaraan hij heeft te gehoorzamen. Deze vindt hij in Favereys drang tot ‘vernietigen’, het te willen doordringen in het gebied waar taal en denken geen toegang hebben.

Oegema beschrijft de invloed van de pre-socratici Parmenides en Heraclitus, gaat in op Meister Eckhart, legt relaties met de Zen-boeddhistische mystiek én met Surinaamse folklore, toont hoe Faverey zich gespiegeld heeft aan de modernisten als Mallarmé en Celan, welke overeenkomsten er zijn met Lucebert en Simone Weil en hoe dicht hij bij Hadewijch komt. Op een bepaald moment vraagt hij de lezer ‘Is dit te volgen?’ Het antwoord is ‘ja!’, want hij leidt deze spannende exercitie met vaste hand. De culminatie ligt in de behandeling van Favereys ‘famous last poem‘:

Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.


Hoewel Jan Oegema zich met Hans Faverey en de liefde ten doel stelde een van de opmerkelijkste dichters uit de Nederlandstalige literatuur een nieuw lezerspubliek te bezorgen, lezers die zijn poëzie onbevangen en onbekommerd tegemoet treden en hem bevrijden uit de specialistische inkapseling door de beroepslezers, zal dit boek natuurlijk toch vooral degenen bedienen die min of meer met Favereys werk vertrouwd zijn. Zij worden door Oegema meegenomen op een literaire ontdekkingsreis door werk dat je dacht te kennen, maar dat zich nu op een verrassend nieuwe manier openstelt. Een heerlijk boek, en wat veel waard is: zeer toegankelijk geschreven. Oegema legt vanaf de beginpagina’s contact met de lezer en weet dat met dank aan Favereys fascinerende poëzie te behouden. Zeer aanbevolen dus!