Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Recensie van enkel tegen enkel - Karim Schelkens

Een kleine selectie uitgelezen pralines

Karim Schelkens
enkel tegen enkel
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015878
€ 17,50
40 blz.

Het poëziedebuut van Karim Schelkens is een bundel naar mijn hart. Een bescheiden aantal korte, compacte gedichten, veelzeggend in hun eenvoud. De titel past hier goed bij: enkel tegen enkel. Er zit iets van eenzaamheid in, gedichten worden meestal alleen geschreven en alleen gelezen. De foto op de voorkant is hier een rake en tegelijkertijd vervreemdende illustratie bij. De flaptekst belooft ons ‘bedrieglijk heldere verzen’. Bij de eerste tekst gaat dit al direct mis:

Hoe moeten we deze tekst lezen, horizontaal of verticaal? En waarom die spelfout in de drieledige titel? ‘Sprake’ kan nog wel, wanneer iets ter sprake komt. En ook ter plekke is een staande uitdrukking. Maar schrijven kan niet zonder de eind-n, al spreken we die niet altijd hoorbaar uit. De woorden onder ‘Plekke’ bevatten aanvankelijk inderdaad plaatsnamen, plekken waar c.q. waarover een gedicht geschreven kan zijn. Maar de laatste drie woorden van de kolom kennen een onheilspellende opbouw: tuin – woestijn – bermbom. Het horizontaal lezen van de woorden biedt weinig aanknopingspunten. Verrassend, hoe hier op het laatst de regel van drie woorden per regel doorbroken wordt, eerst voorzichtig met het tweedelige post-it, en dan dwars tegen alle eenvoud in: ‘volle witte lijn’. De teksten op de volgende bladzijden zijn een stuk helderder, maar vaak inderdaad ‘bedrieglijk helder’. Staat er wel wat er staat? Zorgvuldige lezing en herlezing is geboden.

SCHERMEN

in ons midden
heerst leegstand en kruisen
degens kortstondige tics

de rest is in linten gesnoerd
gehijg achter maskers

en af en toe de schok
van iets dat raakt

Een eenvoudig gedichtje over schermen: degens, maskers, de linten waarmee het schermvest wordt dichtgeregen, de schok bij een touché. Maar eerlijk gezegd dacht ik bij de titel ‘schermen’ totaal niet aan de gelijknamige sport, maar eerder aan de beeldschermen waarachter we ons steeds meer verstoppen. De dichter schrijft: ‘in ons midden / heerst leegstand’. Het ‘gehijg achter maskers’ is natuurlijk niet iets dat alleen van deze tijd is. In de jaren zeventig, met als hoogtepunt de praktijk van de sensitivitytraining, was het nogal ‘in’ om te stellen dat we allemaal een masker dragen. Of zoals Van Kooten en De Bie zongen: ‘Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan’ (‘ Zoek jezelf’, 1975). De metafoor van het schermen voor de afstandelijkheid en spaarzaamheid van het menselijk contact treft me als een schok. Met het bedrieglijk eenvoudige woordje ‘schermen’ heeft de dichter mij twee keer op het verkeerde been gezet.

Het motto van de bundel is overigens verre van eenvoudig. Schelkens schotelt ons zonder vertaling een tekst van Martialis voor: ‘Sunt bona sunt quaedam mediocria sunt mala plura quae legis hic: aliter non fit, Auite, liber’. Een onbescheiden vertoon van bescheidenheid. Waarschijnlijk is het Latijn hem zo vertrouwd, dat hij een vertaling overbodig vond. Want hoewel de flaptekst in de eerste plaats melding maakt dat Schelkens teken- en schilderkunst volgde aan de Academies van Lier en Mechelen, studeerde hij later kerkgeschiedenis en promoveerde hij in 2007 met een proefschrift over de geschiedenis van het Tweede Vaticaans Concilie. Tegenwoordig doceert hij hedendaagse religiegeschiedenis aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.

Zijn taalgebruik is echter geenszins academisch te noemen. De flaptekst vat het krachtig samen: ‘De woorden zijn herkenbaar en alledaags, lijken losjes op het blad geschud, maar vooral voor wie herleest ontvouwt zich langzaam een verrassende geologie van betekenissen.’ Meerduidigheid wordt in zijn poëzie tot stand gebracht door dubbele betekenissen (zoals bij het woord ‘schermen’), door een compacte syntaxis en door zorgvuldig toegepaste enjambementen. In een enkel geval weet hij bij zijn streven naar meerduidigheid de verleiding van woordspelingen niet te weerstaan. Zo worden in het slotgedicht de ‘horden’ die op de veerpont wachten aangeduid als ‘haveloze kijkcijfers’. Vaker worden we echter getroffen door rake formuleringen, die als smaakexplosies middenin een gedicht kunnen verrassen. In een gedicht over Parijs: ‘triomf bedelt / jichtig onder bogen’. En over de Portugese stad Braga: ‘terwijl verderop in kroegen dieventalen / kapotte ramen beslaan’. Of in ‘Gewoon’: ‘het is waarom, van alle tijden juist / de futur simple mij het moeilijkst lijkt’. Om hieruit één betekenis te laten oplichten: het is van alle tijden, dat we ons zorgen maken over de toekomst. En tot slot van dit rijtje een mooi romantisch citaat uit ‘Wekker’: ‘hier slaap ik, omsingeld / door het lege afgietsel / van je kussen’.

Nog één gedicht dan maar. Wie vindt dat dit naar meer smaakt, verwijs ik graag naar de boekhandel:

LVIV

geen konijn delft
hier nog holen

de grond is te hard en de afstand
haarscherp aanwezig

zelfs duizendblad stelpt niet
langer de wonden

wie in deze streek wortel schoot
had talent als jager

De woorden lijken losjes op het blad geschud. Maar elke keer dat ik het lees proef ik weer iets nieuws. Het ongebruikelijke ‘delft’ verwijst naar de kolenindustrie, die in de streek rond Lviv (Oekraïne) nog in volle bloei is, en zijn sporen in het landschap achterlaat. En de wortel in de voorlaatste regel grijpt ook weer schitterend terug op het (afwezige) konijn. In een Eerste Indruk op ooteoote.nl zal ik dieper op dit gedicht ingaan.

In mijn kerstpakket zat dit jaar een doosje Leonidas bonbons. In het doosje zat een foldertje waarop van elke bonbon precies verteld werd wat erin zat. Bij enkel tegen enkel zitten zelfs twee van dit soort foldertjes. De (on)bescheiden tekst van Martialis : ‘Er zijn goede dingen, bepaalde dingen zijn middelmatig, maar meer dingen, die je hier leest, zijn slecht: op een andere wijze wordt geen boek gemaakt, Avítus.’ En natuurlijk de tekst met de kolommen waar deze bespreking mee geopend werd.

Recensie van Vertraagd stilleven - Dorien De Vylder

Gedurfde eenvoud

Dorien De Vylder
Vertraagd stilleven
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015885
€ 17,95
-/- blz.

Het debuut van Dorien De Vylder is sober uitgegeven. Een roomwitte, bijna vierkante bundel. Grijs de naam van de auteur, de titel van de bundel in reliëf aangebracht, zonder kleur. En wat voor een titel! Terwijl een stilleven per definitie geen beweging kent, spreekt de dichter van een ‘vertraagd’ stilleven.

VROEGSTE HERINNERING

Je zit hier zolang je je kan herinneren.
Al je herinneringen lijken op elkaar.

Als je je verroert, voel je ze
schuren in je liezen.

Het tweede gedicht uit de bundel borduurt voort op het eerste gedicht, dat opent met ‘Je zit hier al altijd.’ De dichter lijkt een mate van stilstand na te streven, eenvoudigweg door te constateren dat die stilstand er is. De tweede persoon enkelvoud ‘je’ lijkt hier een vorm waarmee de dichter zichzelf toespreekt (verhuld ik). Het is ook een manier van schrijven, waardoor de lezer meer uitgenodigd wordt de beschreven ervaring op zichzelf te betrekken. Zou er staan: ‘Ik zit hier zolang ik me kan herinneren. / Al mijn herinneringen lijken op elkaar.’ dan wordt de waarneming veel anekdotischer, en roept deze ook een soort ergernis op: blijf jij maar lekker zitten met je herinneringen, wat heb ik daarmee te maken? Pas wanneer de hoofdpersoon van het gedicht zich beweegt, wordt het gevoel van tijdloosheid doorbroken, en komen de herinneringen boven, hetgeen onderstreept wordt door het enjambement. Deze herinneringen kunnen ‘schuren’, kunnen zeer doen, vragen oproepen. Het ‘schuren’ heeft echter ook een letterlijke betekenis: ‘Vertraagd stilleven’ ontstond tijdens een rondreis door Andalusië in de nazomer van 2015 en een reis door het Atlasgebergte, van Marrakech naar de Sahara, in juni 2016.’ Veel brandende hitte dus in de bundel, en ja, ook veel zand.

De meeste gedichten zijn kort, een regel of acht. Sommige zelfs korter. De stilte of bewegingloosheid die uit veel gedichten spreekt, verdraagt zich slecht met veel woorden. ‘Er zijn dagen dat ik je slechts een zin te zeggen heb. / Een formidabele zin. / Een zin van weinig woorden. / Hoe schik ik de stilte daarrond?’ (uit: ‘Gesprek’). In dit voorlaatste gedicht uit de bundel heeft de ‘je’ opeens een hele andere betekenis gekregen, die van een andere persoon tot wie de dichter zich verhoudt, en die sluipend de bundel binnen is gekomen. Ik kom hier zo dadelijk op terug.
In de vele observaties plaatst de hoofdpersoon zich tegenover het landschap, tegenover de eeuwige natuur. Zij observeert ook mensen, maar dit blijven veelal passanten. De dichter ervaart zich als op zichzelf teruggeworpen. Dergelijke ‘stilstaande’ poëzie is niet zonder risico’s. Voor je het weet beland je bij tegeltjeswijsheden of andere open deuren. Bij Vertraagd stilleven heb ik dat gevoel nooit. Dit zijn niet zomaar regels die eventjes zijn neergeschreven. Misschien zijn de gedichten wel zo kort, omdat de dichter een meester is in het schrappen. Dit lezen we ook terug in het interview dat Laura Demelza Bosma voor Meander met de dichter had. Dorien De Vylder: ‘Ik heb in totaal twee jaren gewerkt aan Vertraagd stilleven: het eerste jaar zijn alle gedichten ontstaan. Vervolgens heb ik nog een jaar geschaafd.’ In één extreem geval heeft dat ertoe geleid, dat het gedicht verdwenen is, en slechts een voetnoot is overgebleven.

Een aantal woorden komt veelvuldig voor in deze bundel: water, rivier, steen, zitten, olijfboom en kuifeend (!). Ook je, ik en mij zijn belangrijke woorden. Een aantal gedichten benadert hetzelfde fenomeen vanuit een verschillende invalshoek, en geeft daarmee commentaar op elkaar. ‘Geduld’ eindigt met de zin: ‘Je zit hier niet te wachten.’ Het gedicht op de tegenoverliggende bladzij opent met de regels: ‘Je zit hier om het wachten voor te zijn. / Je neemt waar.’ In veel gedichten probeert de dichter de dingen te laten wat ze zijn, zonder oordeel, zonder ze in een begrip te willen vangen. Taaltechnisch een lastige opgave, want met elk woord, met elke zin gooi je een net over de werkelijkheid. ‘Je laat de olijfboom / een boom.’ (uit ‘Luchtspiegeling’) ‘Er is niet meer dan je ziet. / Maar er is meer dan je denkt.’ (uit: ‘Werkelijkheid’).

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie?
had ik in je arm gebeten.

Of er madeliefjes groeien in Andalusië of Noord-Afrika weet ik niet, het madeliefje komt verder in het gedicht niet voor. Maar een madeliefje kan ook in gedachten worden gebruikt om te beslissen wat waar is: zij-houdt-van-me / zij-houdt-niet-van-me enz. Zowel in de oosterse filosofie als in de neurowetenschappen wordt benadrukt dat we onze gedachten niet zijn. Victor Lamme, bekend van het boek De vrije wil bestaat niet, spreekt in dit verband van ‘kwebbeldoos’. In meditatie worden we aangespoord gedachten te laten voor wat ze zijn, als een wolk voorbij te laten drijven. De dichter blaast deze discussie nieuw leven in. Met het enjambement aan het eind van de eerste regel komt ook Descartes het gedicht binnenlopen. Het is al eerder gezegd: er is lang geslepen aan deze gedichten. Zo balanceert regel vijf kunstig op twee interpretaties. ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, of dat ik die gedachte niet ben. Of: ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, maar ‘je’ had dat ook niet kunnen doen. Het is zoals eerder aangekondigd duidelijk dat de ‘je’ in dit gedicht geen verhuld ik meer is, maar echt een andere persoon, die ‘ik’ in ‘je arm’ kan bijten. Mooie uitsmijter, resonerend aan het in je eigen arm knijpen om na te gaan of je droomt of niet. Er heeft blijkbaar een breuk plaatsgevonden, waarbij één van beiden is gebleven, en de ander verder is gereisd. Het is niet altijd duidelijk wie bleef en wie vertrok: ‘Als je was gebleven, had ik je op den duur / genegeerd’ (uit: ‘Stoorzender’).

De rivier is in deze bundel zowel de rivier die het voortgaan van de tijd symboliseert (het ‘alles stroomt’ van Heraclitus) als de koele, voedende plek in het droge landschap waar de dichter ons naartoe lokt, ‘to her place near the river’. In het slotgedicht vloeit het thema van de rivier samen met twee andere belangrijke thema’s uit deze bundel: identiteit (ik) en relatie (ik-jij).

VORMELOOS

Als ik in de rivier glijd, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt.

Alsof het altijd zo geweest is.

De laatste regel uit de bundel sluit naadloos aan bij de openingsregel: ‘Je zit hier al altijd’. Vertraagd stilleven is een sobere bundel, in gedurfd eenvoudige taal geschreven. Een indrukwekkend debuut.

***
Dorien De Vylder (1988) behaalde selecties in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Write Now!, Naft voor Woord, won diverse poëzieprijzen en publiceert nu en dan in literaire tijdschriften. Ze is (eind)redacteur bij Kluger Hans, woont en werkt als huisapotheker in Gent. Vertraagd stilleven werd op 4 oktober gepresenteerd. November jongstleden verscheen reeds de tweede druk.

Voor Ooteoote.nl schreef ik een Eerste Indruk over het gedicht ‘Open grenzen’.

Recensie van Tweelingstrijd - Kim Pauwels

Breekbare, energieke poëzie

Kim Pauwels
Tweelingstrijd
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015229
€ 19,95
72 blz.

Niet dat ik de bundel van Tim Hofman op mijn nachtkastje heb liggen. Ik ken ook maar een paar fragmenten uit zijn poëtische bestseller. En toch moet ik direct aan hem denken bij de korte, woordspelige gedichtjes die ik aan het begin van elk hoofdstuk in Tweelingstrijd aantref. Gevat, geestig, maar vaak net te kort om echt iets voor te stellen. Misschien soms eerder een amuse, waarin de dichter in miniatuurformaat laat zien wat zij in huis heeft: ‘Ik ben alleen / als / ik schrijf’. Met daaronder in zwart-wit een kleine aquarel. Een zoveelste variatie op ‘cogito ergo sum’ van Descartes, maar met de mooie dubbele laag dat de dichter alleen, misschien zelfs eenzaam is wanneer zij schrijft.
De bundel is zorgvuldig geconstrueerd. De elf korte hoofdstukjes worden veelal met één enkel woord aangeduid. En al die woorden achter elkaar vormen een klein gedichtje, dat zich als een credo lezen laat: ‘Ik ben waterverf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim’. Daarmee is niet gezegd, dat er in de bundel sprake is van een duidelijke verhaallijn. De hoofdstukjes verschillen sterk van elkaar, zowel in thematiek als stijl.
In het eerste hoofdstuk draait alles om identiteit:

EEN SNAAR

Een snaar ben ik
klaagt zij eentonig.

Streel mij
ruisloos wakker.

Stem mij
in driekwart hartslagmaat.

Strijk mijn klanken glad.
Plooi een melodie uit mij in jou.

Zing mij zinderend
langs de sleutel
een gebogen weg

naar buiten.

In zijn bespreking van het gedicht ‘Noodlading’, dat ook in deze bundel staat, lanceerde Jeroen van den Heuvel het woord ‘associatie-estafette’. Ook hier is deze techniek duidelijk zichtbaar. De enkele snaar ervaart zichzelf als ‘eentonig’, hetgeen elke snaar natuurlijk is, tot het moment dat zij door het indrukken met een vinger verkort wordt. En vooral in de vierde strofe, waarin vanuit het aanstrijken van de snaar de tegenstelling ‘gladstrijken – plooien’ ontstaat. De derde strofe wringt: een driekwartsmaat is zeer geschikt voor romantische melodieën, maar kan geen richtlijn zijn om een snaar te stemmen. (Wel kunnen we bijvoorbeeld kiezen voor een moderne of juist oude stemming, en –zeker bij een viool– voor een reine of juist gelijkzwevende stemming. Maar ja, maak daar maar eens poëzie van.) Passender zou zijn: ‘Bespeel mij / in driekwart hartslagmaat.’ Als geheel beluister ik in dit gedicht –door alle associaties heen– bovenal een verlangen, een verlangen van de eentonige, eenzame snaar om aangeraakt te worden.

WIJSMAKEN

Wij smaken
naar meer.

In omgang
zit omweg.
In voorbij
nabij zelfs dichtbij.

Neem een hamer
een houten plank
enkele vijzen.

Tracht een schap te plaatsen
onder mijn staat.

Vrijgezel
schap
is toch minder eenzaam.

Vooral met een boek
of twee
erop.

Het gedicht opent hoopvol: ‘Wij smaken / naar meer.’ Maar al snel blijkt, dat de hoofdpersoon (de niet nader genoemde ‘ik’) zichzelf iets probeert wijs te maken. ‘Omgang’ doet denken aan omgangsregeling, zeker met het ‘voorbij’ twee regels verderop. De dichter probeert nog via de associatie ‘voor – na’ dit in het tegendeel te laten verkeren. Maar onmiskenbaar is de nieuwe staat die van de vrijgezel. Met het mij onbekende ‘vijs’ wordt door onze zuiderburen een schroef aangeduid. Of onze zuiderburen deze schroeven ook met een hamer de muur in rammen is mij niet bekend. De hoofdpersoon heeft in ieder geval een doel voor ogen: in de vijfde strofe is het schap letterlijk onder ‘Vrijgezel’ geplaatst, waardoor gezelschap wordt opgeroepen. En met een paar boeken op die plank is het helemaal gezellig geworden. Al denk ik, dat de hoofdpersoon zich met de titel van het gedicht ook realiseert in feite een bord voor de kop te hebben. Het gedicht staat niet voor niets in de afdeling ‘Als’: ‘Ik wals / als een pletwals / over mijn dromen en beloftes’. In deze korte frase (de titelgedichtjes kennen geen interpunctie, als om te benadrukken dat ze geen volledig uitgewerkt gedicht zijn) neig ik ertoe ‘als’ ook als een zelfstandig naamwoord te lezen. Een mooie, grimmige variatie op de volkswijsheden ‘Als m’n oma wielen had was ze een fiets’ en ‘As is verbrande turf’.
Het hoofdstukje ‘Verf’ opent met een raadselachtige tekst: ‘Verf is geen druk inkt / onder stroom’. Ondanks de spatie lezen we: drukinkt. Maar ook: ‘inkt onder stroom’. Is wat geschilderd is niet te vangen in woorden, altijd in beweging? De vier langere gedichten hebben in ieder geval het proces van het schilderen tot onderwerp. Zoals de manier waarop Pierre Bonnard zijn geliefde Marthe schildert: ‘Haar lichaam stroomt verf / zoals fonteinen water.’ Of het abstracte werk van Agnes Martin: ‘Hoewel evenwijdige zielen elkaar altijd zien / maar nooit raken in hun naderingen / treft u me daar / als in een raster even aan.’
Het thema van evenwijdige lijnen, raaklijnen (en ook: rake lijnen) duikt herhaaldelijk op in deze bundel. Het gedichtje op de achterflap filosofeert hierover: ‘Hoe verzoenen wij voorzijde met achterkant / als ook een tweeloop gelijktijdig vuurt / en de banen wel hun doel, maar nooit elkaar raken, // zonder tweelingstrijd?’ In de laatste twee gedichten lezen we ‘Kim / verzon de horizon.’ en ‘Grenzend aan de eigen eindstreep / huilt ze toch dezelfde tranen nat.’ In het interview met Laura Demelza Bosma in Meander zegt de dichter hierover: ‘Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien.’ Vandaar de titel Tweelingstrijd: ‘een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft.’
Tweelingstrijd is zoals gezegd een zorgvuldig geconstrueerde bundel. De vormgeving is bijzonder mooi, met kleine aquarellen en donker gekleurde bladzijden die de afdelingen afbakenen. De thematiek wordt geen keurslijf. Twee gedichten springen eruit. Het barokke ‘Oh Ewaldus’, met duidelijke verwijzingen naar ‘Vera Janacopoulos’: ‘Oh, Ewaldus mijn / wat drijft mij rust’loos aan / dit omlijste raamkozijn?’ En het ontroerende ‘Zusje’, dat we al eerder in Meander konden lezen, met de indringende opening ‘De kleine kist maakt het verdriet groter.’ Ik ben geneigd dit gedicht als een sleutelgedicht op te vatten, als motor van de zoektocht naar een eigen identiteit die in de hele bundel wordt verwoord. Waarbij de dichter in dit gedicht niet spreekt van evenwijdige lijnen, maar van ‘verweefde vlechten’. Alsof door ‘Nog één keer onze lokken / te vervlechten’ de eenzaamheid van de parallelle lijnen wordt doorbroken.

Recensie van Radeloos en betoverd - Pat Donnez

Licht en ontnuchterend

Pat Donnez
Radeloos en betoverd
Uitgever: Vrijdag
2016
ISBN 9789460014994
€ 22,50
96 blz.

Sommige poëzie behoeft geen introductie en zelfs geen verklarende noten. Radeloos en betoverd van Pat Donnez bijvoorbeeld:

Marx had gelijk

Een geschiedenis voltrekt zich altijd in twee fases:
eerst als tragedie vervolgens als farce
Herinner je je nog hoe je me dumpte?
Alleen de hoogste brug in het dorp
vond ik hoog genoeg om vanaf te springen
Een kwarteeuw later glijdt een bootje
waarin wij zitten onder diezelfde brug door
Ze blijkt zo laag dat we ons godverdomme moeten bukken

En om nog maar een greep te doen uit deze lichtvoetige, misschien wat vooropgezette en geregisseerde verzameling:

Wonden

Vergeet nooit hoe
opwindend je het
vond die keer dat ik
nagenoeg je hele mond
aan stukken beet

Nu noem je het al wreed
als ik nog maar naar je lippen
durf te neigen

De tijd heelt helaas alle monden

Raadselachtig wordt het pas als we het omslag bekijken en achterop het volgende commentaar van Yves T’Sjoen lezen: ‘Radeloos en betoverd is poëzie die naar de keel grijpt. Een taalfeest vol geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend en grappig, onthutsend en terneerdrukkend tegelijkertijd. En het sterkst van al: de gedichten horen onmiskenbaar samen.’

Yves T’Sjoen, hoogleraar moderne Nederlandse literatuur, mag zich verheugen in een hoge status als autoriteit op poëziegebied (hij droeg ook bij aan De Volksverheffing, een bekende poëziebloemlezing), maar of deze uitspraken hem eer aandoen waag ik te betwijfelen. Het is natuurlijk een verschijnsel dat wel vaker is op te merken bij nieuwe uitgaven. En ik begrijp dat men een bundel van een vriend(?) of gewaardeerde collega in de kunst niet wil afkraken, maar toch… Het zou de geloofwaardigheid en de inzichtelijkheid van de kwaliteit van de poëzie ten goede komen als men een beetje zou opletten met wat men beweert. Poëzie die naar de keel grijpt? Onthutsend? Terneerdrukkend? De laatste keer dat ik iets onder ogen kreeg dat aan al die kwalificaties voldoet was jaren geleden toen ik dit las (in de vertaling van Theo Hermans):

Ik zal sterven in Parijs bij striemende regen,
op een dag die ik me nu al herinner.
Ik zal sterven in Parijs – en ik heb geen haast –,
wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de herfst.

Een donderdag omdat vandaag, donderdag, terwijl ik
deze regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn
dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien,
omkijk en mijzelf met heel mijn weg alleen vind.

(…)

Een fragment uit het gedicht Zwarte steen op een witte steen van César Vallejo dat wat mij betreft afrekent met alle kletskoek op de achterflap van ‘Radeloos en betoverd’.
Wat zijn dan wél kwalificaties die opgaan voor de poëzie van Pat Donnez? Hij noemt zelf o.a. J.C. Bloem, Walt Whitman en Dylan Thomas als ‘collega’s’, en hoewel ik het hem gun om met hen vergeleken te kunnen worden denk ik dat ook die dichters (om verschillende redenen) tot een iets andere sfeer behoren. Nee, dan komt in mijn hoofd eerder nog de naam van Toon Hermans op. Misschien op poëziegebied niet zó een coryfee, maar qua ‘onthutsendheid’, toch dichter (dichter!) tegen deze parmantige epistels aanschurend dan genoemde ‘collega’s’. De teksten van Pat Donnez hebben een zekere ‘lichtheid van Toon’, al beweegt deze gedeeltelijk sterk aan de actualiteit gelinkte poëzie zich inhoudelijk wel op een ander vlak dan die van de oudere radio- en tv-clown:

Ik wil geen woorden worden

Ik wil geen woorden worden
aangerand door calculerende terriërs
om hun stakeholders naar de
holderdebolderbeurs te praten

Ik wil geen woorden worden
onder een met sterren bezaaid
hemelbed of gereciteerd in een minaret

Ik wil geen woorden worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt

Ik wil mij wegtoveren in taal

Een deuntje dat herhaaldelijk kwinkelerend verdwijnt? Dat doet denken aan een echo. Een echo die wegsterft zodra de waan van de dag – de actualiteit – waaraan ze is gelieerd in de annalen is bijgezet. De geest van Toon Hermans is wel helemaal uit de fles in:

Poly-amoureus

De mooie zeemeermin
wou zo graag meerminnen
maar hoe meer ze minde
hoe minder het haar zinde
zonde

Met de groeten aan Yves T’Sjoen natuurlijk.