Recensie van enkel tegen enkel - Karim Schelkens

Een kleine selectie uitgelezen pralines

Karim Schelkens
enkel tegen enkel
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015878
€ 17,50
40 blz.

Het poëziedebuut van Karim Schelkens is een bundel naar mijn hart. Een bescheiden aantal korte, compacte gedichten, veelzeggend in hun eenvoud. De titel past hier goed bij: enkel tegen enkel. Er zit iets van eenzaamheid in, gedichten worden meestal alleen geschreven en alleen gelezen. De foto op de voorkant is hier een rake en tegelijkertijd vervreemdende illustratie bij. De flaptekst belooft ons ‘bedrieglijk heldere verzen’. Bij de eerste tekst gaat dit al direct mis:

Hoe moeten we deze tekst lezen, horizontaal of verticaal? En waarom die spelfout in de drieledige titel? ‘Sprake’ kan nog wel, wanneer iets ter sprake komt. En ook ter plekke is een staande uitdrukking. Maar schrijven kan niet zonder de eind-n, al spreken we die niet altijd hoorbaar uit. De woorden onder ‘Plekke’ bevatten aanvankelijk inderdaad plaatsnamen, plekken waar c.q. waarover een gedicht geschreven kan zijn. Maar de laatste drie woorden van de kolom kennen een onheilspellende opbouw: tuin – woestijn – bermbom. Het horizontaal lezen van de woorden biedt weinig aanknopingspunten. Verrassend, hoe hier op het laatst de regel van drie woorden per regel doorbroken wordt, eerst voorzichtig met het tweedelige post-it, en dan dwars tegen alle eenvoud in: ‘volle witte lijn’. De teksten op de volgende bladzijden zijn een stuk helderder, maar vaak inderdaad ‘bedrieglijk helder’. Staat er wel wat er staat? Zorgvuldige lezing en herlezing is geboden.

SCHERMEN

in ons midden
heerst leegstand en kruisen
degens kortstondige tics

de rest is in linten gesnoerd
gehijg achter maskers

en af en toe de schok
van iets dat raakt

Een eenvoudig gedichtje over schermen: degens, maskers, de linten waarmee het schermvest wordt dichtgeregen, de schok bij een touché. Maar eerlijk gezegd dacht ik bij de titel ‘schermen’ totaal niet aan de gelijknamige sport, maar eerder aan de beeldschermen waarachter we ons steeds meer verstoppen. De dichter schrijft: ‘in ons midden / heerst leegstand’. Het ‘gehijg achter maskers’ is natuurlijk niet iets dat alleen van deze tijd is. In de jaren zeventig, met als hoogtepunt de praktijk van de sensitivitytraining, was het nogal ‘in’ om te stellen dat we allemaal een masker dragen. Of zoals Van Kooten en De Bie zongen: ‘Als je nou ‘ns geen masker droeg, zou je dat niet beter staan’ (‘ Zoek jezelf’, 1975). De metafoor van het schermen voor de afstandelijkheid en spaarzaamheid van het menselijk contact treft me als een schok. Met het bedrieglijk eenvoudige woordje ‘schermen’ heeft de dichter mij twee keer op het verkeerde been gezet.

Het motto van de bundel is overigens verre van eenvoudig. Schelkens schotelt ons zonder vertaling een tekst van Martialis voor: ‘Sunt bona sunt quaedam mediocria sunt mala plura quae legis hic: aliter non fit, Auite, liber’. Een onbescheiden vertoon van bescheidenheid. Waarschijnlijk is het Latijn hem zo vertrouwd, dat hij een vertaling overbodig vond. Want hoewel de flaptekst in de eerste plaats melding maakt dat Schelkens teken- en schilderkunst volgde aan de Academies van Lier en Mechelen, studeerde hij later kerkgeschiedenis en promoveerde hij in 2007 met een proefschrift over de geschiedenis van het Tweede Vaticaans Concilie. Tegenwoordig doceert hij hedendaagse religiegeschiedenis aan de universiteiten van Leuven en Tilburg.

Zijn taalgebruik is echter geenszins academisch te noemen. De flaptekst vat het krachtig samen: ‘De woorden zijn herkenbaar en alledaags, lijken losjes op het blad geschud, maar vooral voor wie herleest ontvouwt zich langzaam een verrassende geologie van betekenissen.’ Meerduidigheid wordt in zijn poëzie tot stand gebracht door dubbele betekenissen (zoals bij het woord ‘schermen’), door een compacte syntaxis en door zorgvuldig toegepaste enjambementen. In een enkel geval weet hij bij zijn streven naar meerduidigheid de verleiding van woordspelingen niet te weerstaan. Zo worden in het slotgedicht de ‘horden’ die op de veerpont wachten aangeduid als ‘haveloze kijkcijfers’. Vaker worden we echter getroffen door rake formuleringen, die als smaakexplosies middenin een gedicht kunnen verrassen. In een gedicht over Parijs: ‘triomf bedelt / jichtig onder bogen’. En over de Portugese stad Braga: ‘terwijl verderop in kroegen dieventalen / kapotte ramen beslaan’. Of in ‘Gewoon’: ‘het is waarom, van alle tijden juist / de futur simple mij het moeilijkst lijkt’. Om hieruit één betekenis te laten oplichten: het is van alle tijden, dat we ons zorgen maken over de toekomst. En tot slot van dit rijtje een mooi romantisch citaat uit ‘Wekker’: ‘hier slaap ik, omsingeld / door het lege afgietsel / van je kussen’.

Nog één gedicht dan maar. Wie vindt dat dit naar meer smaakt, verwijs ik graag naar de boekhandel:

LVIV

geen konijn delft
hier nog holen

de grond is te hard en de afstand
haarscherp aanwezig

zelfs duizendblad stelpt niet
langer de wonden

wie in deze streek wortel schoot
had talent als jager

De woorden lijken losjes op het blad geschud. Maar elke keer dat ik het lees proef ik weer iets nieuws. Het ongebruikelijke ‘delft’ verwijst naar de kolenindustrie, die in de streek rond Lviv (Oekraïne) nog in volle bloei is, en zijn sporen in het landschap achterlaat. En de wortel in de voorlaatste regel grijpt ook weer schitterend terug op het (afwezige) konijn. In een Eerste Indruk op ooteoote.nl zal ik dieper op dit gedicht ingaan.

In mijn kerstpakket zat dit jaar een doosje Leonidas bonbons. In het doosje zat een foldertje waarop van elke bonbon precies verteld werd wat erin zat. Bij enkel tegen enkel zitten zelfs twee van dit soort foldertjes. De (on)bescheiden tekst van Martialis : ‘Er zijn goede dingen, bepaalde dingen zijn middelmatig, maar meer dingen, die je hier leest, zijn slecht: op een andere wijze wordt geen boek gemaakt, Avítus.’ En natuurlijk de tekst met de kolommen waar deze bespreking mee geopend werd.

Recensie van Vertraagd stilleven - Dorien De Vylder

Gedurfde eenvoud

Dorien De Vylder
Vertraagd stilleven
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015885
€ 17,95
-/- blz.

Het debuut van Dorien De Vylder is sober uitgegeven. Een roomwitte, bijna vierkante bundel. Grijs de naam van de auteur, de titel van de bundel in reliëf aangebracht, zonder kleur. En wat voor een titel! Terwijl een stilleven per definitie geen beweging kent, spreekt de dichter van een ‘vertraagd’ stilleven.

VROEGSTE HERINNERING

Je zit hier zolang je je kan herinneren.
Al je herinneringen lijken op elkaar.

Als je je verroert, voel je ze
schuren in je liezen.

Het tweede gedicht uit de bundel borduurt voort op het eerste gedicht, dat opent met ‘Je zit hier al altijd.’ De dichter lijkt een mate van stilstand na te streven, eenvoudigweg door te constateren dat die stilstand er is. De tweede persoon enkelvoud ‘je’ lijkt hier een vorm waarmee de dichter zichzelf toespreekt (verhuld ik). Het is ook een manier van schrijven, waardoor de lezer meer uitgenodigd wordt de beschreven ervaring op zichzelf te betrekken. Zou er staan: ‘Ik zit hier zolang ik me kan herinneren. / Al mijn herinneringen lijken op elkaar.’ dan wordt de waarneming veel anekdotischer, en roept deze ook een soort ergernis op: blijf jij maar lekker zitten met je herinneringen, wat heb ik daarmee te maken? Pas wanneer de hoofdpersoon van het gedicht zich beweegt, wordt het gevoel van tijdloosheid doorbroken, en komen de herinneringen boven, hetgeen onderstreept wordt door het enjambement. Deze herinneringen kunnen ‘schuren’, kunnen zeer doen, vragen oproepen. Het ‘schuren’ heeft echter ook een letterlijke betekenis: ‘Vertraagd stilleven’ ontstond tijdens een rondreis door Andalusië in de nazomer van 2015 en een reis door het Atlasgebergte, van Marrakech naar de Sahara, in juni 2016.’ Veel brandende hitte dus in de bundel, en ja, ook veel zand.

De meeste gedichten zijn kort, een regel of acht. Sommige zelfs korter. De stilte of bewegingloosheid die uit veel gedichten spreekt, verdraagt zich slecht met veel woorden. ‘Er zijn dagen dat ik je slechts een zin te zeggen heb. / Een formidabele zin. / Een zin van weinig woorden. / Hoe schik ik de stilte daarrond?’ (uit: ‘Gesprek’). In dit voorlaatste gedicht uit de bundel heeft de ‘je’ opeens een hele andere betekenis gekregen, die van een andere persoon tot wie de dichter zich verhoudt, en die sluipend de bundel binnen is gekomen. Ik kom hier zo dadelijk op terug.
In de vele observaties plaatst de hoofdpersoon zich tegenover het landschap, tegenover de eeuwige natuur. Zij observeert ook mensen, maar dit blijven veelal passanten. De dichter ervaart zich als op zichzelf teruggeworpen. Dergelijke ‘stilstaande’ poëzie is niet zonder risico’s. Voor je het weet beland je bij tegeltjeswijsheden of andere open deuren. Bij Vertraagd stilleven heb ik dat gevoel nooit. Dit zijn niet zomaar regels die eventjes zijn neergeschreven. Misschien zijn de gedichten wel zo kort, omdat de dichter een meester is in het schrappen. Dit lezen we ook terug in het interview dat Laura Demelza Bosma voor Meander met de dichter had. Dorien De Vylder: ‘Ik heb in totaal twee jaren gewerkt aan Vertraagd stilleven: het eerste jaar zijn alle gedichten ontstaan. Vervolgens heb ik nog een jaar geschaafd.’ In één extreem geval heeft dat ertoe geleid, dat het gedicht verdwenen is, en slechts een voetnoot is overgebleven.

Een aantal woorden komt veelvuldig voor in deze bundel: water, rivier, steen, zitten, olijfboom en kuifeend (!). Ook je, ik en mij zijn belangrijke woorden. Een aantal gedichten benadert hetzelfde fenomeen vanuit een verschillende invalshoek, en geeft daarmee commentaar op elkaar. ‘Geduld’ eindigt met de zin: ‘Je zit hier niet te wachten.’ Het gedicht op de tegenoverliggende bladzij opent met de regels: ‘Je zit hier om het wachten voor te zijn. / Je neemt waar.’ In veel gedichten probeert de dichter de dingen te laten wat ze zijn, zonder oordeel, zonder ze in een begrip te willen vangen. Taaltechnisch een lastige opgave, want met elk woord, met elke zin gooi je een net over de werkelijkheid. ‘Je laat de olijfboom / een boom.’ (uit ‘Luchtspiegeling’) ‘Er is niet meer dan je ziet. / Maar er is meer dan je denkt.’ (uit: ‘Werkelijkheid’).

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie?
had ik in je arm gebeten.

Of er madeliefjes groeien in Andalusië of Noord-Afrika weet ik niet, het madeliefje komt verder in het gedicht niet voor. Maar een madeliefje kan ook in gedachten worden gebruikt om te beslissen wat waar is: zij-houdt-van-me / zij-houdt-niet-van-me enz. Zowel in de oosterse filosofie als in de neurowetenschappen wordt benadrukt dat we onze gedachten niet zijn. Victor Lamme, bekend van het boek De vrije wil bestaat niet, spreekt in dit verband van ‘kwebbeldoos’. In meditatie worden we aangespoord gedachten te laten voor wat ze zijn, als een wolk voorbij te laten drijven. De dichter blaast deze discussie nieuw leven in. Met het enjambement aan het eind van de eerste regel komt ook Descartes het gedicht binnenlopen. Het is al eerder gezegd: er is lang geslepen aan deze gedichten. Zo balanceert regel vijf kunstig op twee interpretaties. ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, of dat ik die gedachte niet ben. Of: ‘Je’ had kunnen vragen of ik die gedachte ben, maar ‘je’ had dat ook niet kunnen doen. Het is zoals eerder aangekondigd duidelijk dat de ‘je’ in dit gedicht geen verhuld ik meer is, maar echt een andere persoon, die ‘ik’ in ‘je arm’ kan bijten. Mooie uitsmijter, resonerend aan het in je eigen arm knijpen om na te gaan of je droomt of niet. Er heeft blijkbaar een breuk plaatsgevonden, waarbij één van beiden is gebleven, en de ander verder is gereisd. Het is niet altijd duidelijk wie bleef en wie vertrok: ‘Als je was gebleven, had ik je op den duur / genegeerd’ (uit: ‘Stoorzender’).

De rivier is in deze bundel zowel de rivier die het voortgaan van de tijd symboliseert (het ‘alles stroomt’ van Heraclitus) als de koele, voedende plek in het droge landschap waar de dichter ons naartoe lokt, ‘to her place near the river’. In het slotgedicht vloeit het thema van de rivier samen met twee andere belangrijke thema’s uit deze bundel: identiteit (ik) en relatie (ik-jij).

VORMELOOS

Als ik in de rivier glijd, wijkt het water
telkens ik, in gedachten verzonken, beweeg
past het stante pede zijn vorm weer aan.

Water is er altijd voor de ander, maar verliest nooit
zichzelf. Het zal niet antwoorden
maar wordt de vragen nooit moe

en als ik jou hier bij me uitnodig, zal het willoos
plaatsmaken, zich tot een mal gieten
waarin jij je dan neerlegt.

Alsof het altijd zo geweest is.

De laatste regel uit de bundel sluit naadloos aan bij de openingsregel: ‘Je zit hier al altijd’. Vertraagd stilleven is een sobere bundel, in gedurfd eenvoudige taal geschreven. Een indrukwekkend debuut.

***
Dorien De Vylder (1988) behaalde selecties in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Write Now!, Naft voor Woord, won diverse poëzieprijzen en publiceert nu en dan in literaire tijdschriften. Ze is (eind)redacteur bij Kluger Hans, woont en werkt als huisapotheker in Gent. Vertraagd stilleven werd op 4 oktober gepresenteerd. November jongstleden verscheen reeds de tweede druk.

Voor Ooteoote.nl schreef ik een Eerste Indruk over het gedicht ‘Open grenzen’.

Recensie van Tweelingstrijd - Kim Pauwels

Breekbare, energieke poëzie

Kim Pauwels
Tweelingstrijd
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015229
€ 19,95
72 blz.

Niet dat ik de bundel van Tim Hofman op mijn nachtkastje heb liggen. Ik ken ook maar een paar fragmenten uit zijn poëtische bestseller. En toch moet ik direct aan hem denken bij de korte, woordspelige gedichtjes die ik aan het begin van elk hoofdstuk in Tweelingstrijd aantref. Gevat, geestig, maar vaak net te kort om echt iets voor te stellen. Misschien soms eerder een amuse, waarin de dichter in miniatuurformaat laat zien wat zij in huis heeft: ‘Ik ben alleen / als / ik schrijf’. Met daaronder in zwart-wit een kleine aquarel. Een zoveelste variatie op ‘cogito ergo sum’ van Descartes, maar met de mooie dubbele laag dat de dichter alleen, misschien zelfs eenzaam is wanneer zij schrijft.
De bundel is zorgvuldig geconstrueerd. De elf korte hoofdstukjes worden veelal met één enkel woord aangeduid. En al die woorden achter elkaar vormen een klein gedichtje, dat zich als een credo lezen laat: ‘Ik ben waterverf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim’. Daarmee is niet gezegd, dat er in de bundel sprake is van een duidelijke verhaallijn. De hoofdstukjes verschillen sterk van elkaar, zowel in thematiek als stijl.
In het eerste hoofdstuk draait alles om identiteit:

EEN SNAAR

Een snaar ben ik
klaagt zij eentonig.

Streel mij
ruisloos wakker.

Stem mij
in driekwart hartslagmaat.

Strijk mijn klanken glad.
Plooi een melodie uit mij in jou.

Zing mij zinderend
langs de sleutel
een gebogen weg

naar buiten.

In zijn bespreking van het gedicht ‘Noodlading’, dat ook in deze bundel staat, lanceerde Jeroen van den Heuvel het woord ‘associatie-estafette’. Ook hier is deze techniek duidelijk zichtbaar. De enkele snaar ervaart zichzelf als ‘eentonig’, hetgeen elke snaar natuurlijk is, tot het moment dat zij door het indrukken met een vinger verkort wordt. En vooral in de vierde strofe, waarin vanuit het aanstrijken van de snaar de tegenstelling ‘gladstrijken – plooien’ ontstaat. De derde strofe wringt: een driekwartsmaat is zeer geschikt voor romantische melodieën, maar kan geen richtlijn zijn om een snaar te stemmen. (Wel kunnen we bijvoorbeeld kiezen voor een moderne of juist oude stemming, en –zeker bij een viool– voor een reine of juist gelijkzwevende stemming. Maar ja, maak daar maar eens poëzie van.) Passender zou zijn: ‘Bespeel mij / in driekwart hartslagmaat.’ Als geheel beluister ik in dit gedicht –door alle associaties heen– bovenal een verlangen, een verlangen van de eentonige, eenzame snaar om aangeraakt te worden.

WIJSMAKEN


Wij smaken
naar meer.

In omgang
zit omweg.
In voorbij
nabij zelfs dichtbij.

Neem een hamer
een houten plank
enkele vijzen.

Tracht een schap te plaatsen
onder mijn staat.

Vrijgezel
schap
is toch minder eenzaam.

Vooral met een boek
of twee
erop.

Het gedicht opent hoopvol: ‘Wij smaken / naar meer.’ Maar al snel blijkt, dat de hoofdpersoon (de niet nader genoemde ‘ik’) zichzelf iets probeert wijs te maken. ‘Omgang’ doet denken aan omgangsregeling, zeker met het ‘voorbij’ twee regels verderop. De dichter probeert nog via de associatie ‘voor – na’ dit in het tegendeel te laten verkeren. Maar onmiskenbaar is de nieuwe staat die van de vrijgezel. Met het mij onbekende ‘vijs’ wordt door onze zuiderburen een schroef aangeduid. Of onze zuiderburen deze schroeven ook met een hamer de muur in rammen is mij niet bekend. De hoofdpersoon heeft in ieder geval een doel voor ogen: in de vijfde strofe is het schap letterlijk onder ‘Vrijgezel’ geplaatst, waardoor gezelschap wordt opgeroepen. En met een paar boeken op die plank is het helemaal gezellig geworden. Al denk ik, dat de hoofdpersoon zich met de titel van het gedicht ook realiseert in feite een bord voor de kop te hebben. Het gedicht staat niet voor niets in de afdeling ‘Als’: ‘Ik wals / als een pletwals / over mijn dromen en beloftes’. In deze korte frase (de titelgedichtjes kennen geen interpunctie, als om te benadrukken dat ze geen volledig uitgewerkt gedicht zijn) neig ik ertoe ‘als’ ook als een zelfstandig naamwoord te lezen. Een mooie, grimmige variatie op de volkswijsheden ‘Als m’n oma wielen had was ze een fiets’ en ‘As is verbrande turf’.
Het hoofdstukje ‘Verf’ opent met een raadselachtige tekst: ‘Verf is geen druk inkt / onder stroom’. Ondanks de spatie lezen we: drukinkt. Maar ook: ‘inkt onder stroom’. Is wat geschilderd is niet te vangen in woorden, altijd in beweging? De vier langere gedichten hebben in ieder geval het proces van het schilderen tot onderwerp. Zoals de manier waarop Pierre Bonnard zijn geliefde Marthe schildert: ‘Haar lichaam stroomt verf / zoals fonteinen water.’ Of het abstracte werk van Agnes Martin: ‘Hoewel evenwijdige zielen elkaar altijd zien / maar nooit raken in hun naderingen / treft u me daar / als in een raster even aan.’
Het thema van evenwijdige lijnen, raaklijnen (en ook: rake lijnen) duikt herhaaldelijk op in deze bundel. Het gedichtje op de achterflap filosofeert hierover: ‘Hoe verzoenen wij voorzijde met achterkant / als ook een tweeloop gelijktijdig vuurt / en de banen wel hun doel, maar nooit elkaar raken, // zonder tweelingstrijd?’ In de laatste twee gedichten lezen we ‘Kim / verzon de horizon.’ en ‘Grenzend aan de eigen eindstreep / huilt ze toch dezelfde tranen nat.’ In het interview met Laura Demelza Bosma in Meander zegt de dichter hierover: ‘Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien.’ Vandaar de titel Tweelingstrijd: ‘een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft.’
Tweelingstrijd is zoals gezegd een zorgvuldig geconstrueerde bundel. De vormgeving is bijzonder mooi, met kleine aquarellen en donker gekleurde bladzijden die de afdelingen afbakenen. De thematiek wordt geen keurslijf. Twee gedichten springen eruit. Het barokke ‘Oh Ewaldus’, met duidelijke verwijzingen naar ‘Vera Janacopoulos’: ‘Oh, Ewaldus mijn / wat drijft mij rust’loos aan / dit omlijste raamkozijn?’ En het ontroerende ‘Zusje’, dat we al eerder in Meander konden lezen, met de indringende opening ‘De kleine kist maakt het verdriet groter.’ Ik ben geneigd dit gedicht als een sleutelgedicht op te vatten, als motor van de zoektocht naar een eigen identiteit die in de hele bundel wordt verwoord. Waarbij de dichter in dit gedicht niet spreekt van evenwijdige lijnen, maar van ‘verweefde vlechten’. Alsof door ‘Nog één keer onze lokken / te vervlechten’ de eenzaamheid van de parallelle lijnen wordt doorbroken.

Recensie van Radeloos en betoverd - Pat Donnez

Licht en ontnuchterend

Pat Donnez
Radeloos en betoverd
Uitgever: Vrijdag
2016
ISBN 9789460014994
€ 22,50
96 blz.

Sommige poëzie behoeft geen introductie en zelfs geen verklarende noten. Radeloos en betoverd van Pat Donnez bijvoorbeeld:

Marx had gelijk

Een geschiedenis voltrekt zich altijd in twee fases:
eerst als tragedie vervolgens als farce
Herinner je je nog hoe je me dumpte?
Alleen de hoogste brug in het dorp
vond ik hoog genoeg om vanaf te springen
Een kwarteeuw later glijdt een bootje
waarin wij zitten onder diezelfde brug door
Ze blijkt zo laag dat we ons godverdomme moeten bukken

En om nog maar een greep te doen uit deze lichtvoetige, misschien wat vooropgezette en geregisseerde verzameling:

Wonden

Vergeet nooit hoe
opwindend je het
vond die keer dat ik
nagenoeg je hele mond
aan stukken beet

Nu noem je het al wreed
als ik nog maar naar je lippen
durf te neigen

De tijd heelt helaas alle monden

Raadselachtig wordt het pas als we het omslag bekijken en achterop het volgende commentaar van Yves T’Sjoen lezen: ‘Radeloos en betoverd is poëzie die naar de keel grijpt. Een taalfeest vol geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend en grappig, onthutsend en terneerdrukkend tegelijkertijd. En het sterkst van al: de gedichten horen onmiskenbaar samen.’

Yves T’Sjoen, hoogleraar moderne Nederlandse literatuur, mag zich verheugen in een hoge status als autoriteit op poëziegebied (hij droeg ook bij aan De Volksverheffing, een bekende poëziebloemlezing), maar of deze uitspraken hem eer aandoen waag ik te betwijfelen. Het is natuurlijk een verschijnsel dat wel vaker is op te merken bij nieuwe uitgaven. En ik begrijp dat men een bundel van een vriend(?) of gewaardeerde collega in de kunst niet wil afkraken, maar toch… Het zou de geloofwaardigheid en de inzichtelijkheid van de kwaliteit van de poëzie ten goede komen als men een beetje zou opletten met wat men beweert. Poëzie die naar de keel grijpt? Onthutsend? Terneerdrukkend? De laatste keer dat ik iets onder ogen kreeg dat aan al die kwalificaties voldoet was jaren geleden toen ik dit las (in de vertaling van Theo Hermans):

Ik zal sterven in Parijs bij striemende regen,
op een dag die ik me nu al herinner.
Ik zal sterven in Parijs – en ik heb geen haast –,
wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de herfst.

Een donderdag omdat vandaag, donderdag, terwijl ik
deze regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn
dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien,
omkijk en mijzelf met heel mijn weg alleen vind.

(…)

Een fragment uit het gedicht Zwarte steen op een witte steen van César Vallejo dat wat mij betreft afrekent met alle kletskoek op de achterflap van ‘Radeloos en betoverd’.
Wat zijn dan wél kwalificaties die opgaan voor de poëzie van Pat Donnez? Hij noemt zelf o.a. J.C. Bloem, Walt Whitman en Dylan Thomas als ‘collega’s’, en hoewel ik het hem gun om met hen vergeleken te kunnen worden denk ik dat ook die dichters (om verschillende redenen) tot een iets andere sfeer behoren. Nee, dan komt in mijn hoofd eerder nog de naam van Toon Hermans op. Misschien op poëziegebied niet zó een coryfee, maar qua ‘onthutsendheid’, toch dichter (dichter!) tegen deze parmantige epistels aanschurend dan genoemde ‘collega’s’. De teksten van Pat Donnez hebben een zekere ‘lichtheid van Toon’, al beweegt deze gedeeltelijk sterk aan de actualiteit gelinkte poëzie zich inhoudelijk wel op een ander vlak dan die van de oudere radio- en tv-clown:

Ik wil geen woorden worden

Ik wil geen woorden worden
aangerand door calculerende terriërs
om hun stakeholders naar de
holderdebolderbeurs te praten

Ik wil geen woorden worden
onder een met sterren bezaaid
hemelbed of gereciteerd in een minaret

Ik wil geen woorden worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt

Ik wil mij wegtoveren in taal

Een deuntje dat herhaaldelijk kwinkelerend verdwijnt? Dat doet denken aan een echo. Een echo die wegsterft zodra de waan van de dag – de actualiteit – waaraan ze is gelieerd in de annalen is bijgezet. De geest van Toon Hermans is wel helemaal uit de fles in:

Poly-amoureus

De mooie zeemeermin
wou zo graag meerminnen
maar hoe meer ze minde
hoe minder het haar zinde
zonde

Met de groeten aan Yves T’Sjoen natuurlijk.

Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 
 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90