Recensie van Vleugels van cement - Edith de Gilde

We hebben geen idee

Edith de Gilde
Vleugels van cement
Uitgever: De Witte Uitgeverij
2012
ISBN 9789461071385
€ 10,00
78 blz.

In ‘Heesterbuurt’, een van de gedichten uit de korte ‘Haagse’ afdeling van Vleugels van cement van Edith de Gilde, laat een ongenoemd gebleven waarnemer zijn fantasie de vrije loop bij een aantal dingen die hij ziet bij de huizen waar hij langs loopt: een lampenkap wordt een losbrekend luipaard, een lavalampje een uitbarstende vulkaan, een cementen adelaar verlaat een voortuin voor een hoge vlucht. Drie keer wordt dat ingeleid met ‘als': als dát, dát en dát zou gebeuren, dan zou de verbeelding de werkelijkheid volstrekt veranderen. Dat het niet gebeurt, blijft impliciet, maar is natuurlijk evident – de onmogelijkheid zit in de materie van de vleugels al opgesloten, cement is niet de stof van onze dromen.

In een ander gedicht, ‘Passage’, staat de ik-figuur voor de deur waarachter zich de tuin bevond waar Alice Liddell, de kleine muze van Lewis Carroll, ooit speelde. Het is, zou je kunnen stellen, de plek van de ultieme verbeelding, maar de wonderwereld blijft gesloten, want Ofwel je drinkt en krimpt en kunt niet bij de sleutel/ of eet en groeit en kunt niet door de deur/ Hoe dan ook, je gaat maar door met leven.

Die discrepantie tussen verbeelding en werkelijkheid en vooral de nuchtere vaststelling dat het leven je geen andere keus laat dan dit te accepteren, is een belangrijk thema van deze bundel. Het komt meteen al in het eerste gedicht aan de orde:

VERBRANDE TURF

Was ik nog kind, mijn moeder
hield me thuis vandaag.
Veilig ziek onder de dekens
zou ik haar bezig horen in het huis.

Er ligt sneeuw op mijn nieren, alles wat ik aanraak
is koud of veel te heet. Ik wil mijn moeders
warme chocolademelk, haar koele hand.

As is verbrande turf – zij zou de eerste zijn geweest
om dat te zeggen, groot geworden in een harde tijd.

As is mijn moeder.

‘Als’-vragen zijn zinloos, de realiteit is zoals zij is, de gewenste of gedroomde werkelijkheid kan nooit anders zijn dan illusoir.
Het is niet alleen qua inhoud een kenmerkend gedicht. Er is mooi aan te demonstreren hoe in dit vrije vers vormaspecten op een onnadrukkelijke manier de samenhang bepalen. Allereerst is er het klankpatroon, dat gedomineerd wordt door de liefst twaalf a‘s van as en het daarin verborgen als, en de zes klagende aa‘s; daarnaast is er acht keer de ei-klank, die mijn koppelt aan veilig en tijd en valt nog op hoe sterk hield, ziek en nieren in klank verbonden zijn.
Naast al die assonanties zijn er de alliteraties, die zich evenmin opdringen, maar wel voor een subtiel verband zorgen, zoals mijn – moeder, vandaag – Veilig, koud – chocolademelk – koele.
Er is meer. Let op het mooie chiasme in de tweede strofe, zie hoe het lyrisch ik met ik, me en mijn de overhand heeft over haar, zij, moeder. En let vooral op de aflopende lengte van de strofen: na de vierde, na de As, kan er niet anders dan niets zijn.

In vrijwel al haar gedichten (het zijn er 54, onderverdeeld in vijf afdelingen) toont Edith de Gilde eenzelfde beheersing van haar materiaal. Taal is dienstbaar, maar wordt nooit ondergeschikt. Blijkens een aantekening achterin werden de gedichten geschreven in de periode 1998-2011; opvallend is dan de consistentie van de bundel, die een duidelijke eenheid vormt en geen moment de indruk vestigt van een soort grabbelton.

De Gilde heeft het talent haar gedichten als volkomen vanzelfsprekend te laten overkomen. Zij is nooit cynisch of bitter of zelfs maar onverschillig, al brengt haar nuchterheid wel een zekere distantie mee die aan een haast klassieke gemoedsrust doet denken.
Neem het experiment dat in het gelijknamige gedicht wordt uitgevoerd: Men zou me open kunnen snijden en op zoek/ gaan naar wat mij tot mij maakt. Mijn vermogen/ vinden om mijn schouders op te halen. Als het weggenomen gen bij een ander wordt ingeplant, zouden diens voeten ineens de aarde raken. En dan vervolgt het gedicht: Men zou zich opblazen van trots. Naar mij/ zou dan al maanden niemand hebben omgekeken./ Vraag is of het me zou deren. Vraag is of het ertoe doet.

Of neem het ‘experiment’ dat zij zelf doet in ‘Geen idee’. In de eerste strofe is op haar raam een vlieg geland en dan vervolgt het gedicht zo:

Ik pak een liniaal. Vier millimeter lang
ben je, vlieg. Er zit glas tussen ons, maar
je merkt iets, loopt weg, vliegt op.

Ik meet doorgaans geen vliegen. Waarom nu?
Iemand trof me. Daarna deed ik het. Zo gaat dat.
Wat er omgaat in een hoofd, wat we elkaar
aandoen, vliegje, vliegje, we hebben geen idee.

Geen idee van wat er in eigen hoofd of in dat van anderen omgaat? Geloof de dichters niet, want juist als zij zeggen het niet te weten, zijn zij het duidelijkst; ‘geen idee’ blijft lang nazeuren, bijvoorbeeld in een latere regel als In het verdwaalhoofd dat het mijne is, of in ‘Verloop’ (een heel zuiver lamento): iets was er/ iets was er altijd/ altijd was er/ iets waar je niet bij kon// […] // en je zat en je wachtte/ en jij was het wachten/ je zat en je wachtte/ je wachtte op iets.

Vleugels van cement is een rijke bundel. Ook een wijze. ‘Omtrekkende beweging’, met acht terzinen niet alleen het langste gedicht uit de bundel, maar ook het onbetwistbare hoogtepunt, bewijst het. De openingsregel is: Niemand had de goden verteld dat ze niet bestonden. En dan luidt het slot:

[…] Of je nou mens of god bent,
iets wat zich aan je greep onttrekt, terwijl je weet
dat het je nodig heeft, daar kan je gek van worden.

Misschien maar beter niet zo hard te jagen, de vragen
te omarmen, de woorden te vergeven, die dwaalgeesten
waar we niet buiten kunnen. Vraag het de dichters maar.

Het is jammer dat Edith de Gilde niet veel eerder veel meer gepubliceerd heeft. Als ze op jongere leeftijd bundels had laten verschijnen, had zij wellicht een grote naam in de Nederlandse poëzie kunnen worden. Het kan natuurlijk nog altijd. Als… Maar we weten inmiddels in welk perspectief we dat woord moeten plaatsen.


***
Edith de Gilde (Den Haag, 1945) studeerde Nederlands in Leiden en was daarna enige jaren lerares Nederlands. Ze werkte vervolgens bij Oxfam Novib en had een yogastudio. Zij was van 2000 tot 2005 redactrice van Meander en is nu bestuurslid van de Haagse Kunstkring. Ze publiceerde in 1998 in eigen beheer de bundel Zeilschip Zondag en was in 2001 medeauteur van Mogen we éven @frekenen? De tweetalige bundel Verloop / Verlauf met vertalingen in het Duits van Hans v.d. Veen is uit 2011. 
Weblog: http://edithdegilde.blogspot.com
In 2008 had Elly Woltjes voor Meander een interview met haar.

Recensie van als zand in plooien van een olifant - Theo Monkhorst

waar mijn taal geboren werd

Theo Monkhorst
als zand in plooien van een olifant
Uitgever: De Witte Uitgeverij ,De Witte Uitgeverij ,De Witte Uitgeverij
2012
ISBN 9789461071316
€ 19,50 - met cd
52 blz.

December 2011 maakte Theo Monkhorst met zijn vrouw een tiendaagse toeristische rondreis langs enkele natuurgebieden in noordelijk Tanzania: Lake Manyara, Lake Eyasi, Karatu, Ngorongoro Krater en Serengeti.
Terug in Nederland schreef hij een een aantal losse gedichten over wat hij daar als volstrekt anders ervaren had: de zon, de maan, het water, de acaciaboom, de wilde dieren en vogels, de geuren, de taal, de muziek en het geluid. De losse gedichten voegde hij vervolgens samen tot een doorlopende strofische poëziecyclus van 118 regels die de tweetalige titel kreeg Als zand in plooien van een olifant / as sand in wrinkels of an elephant, want er werd direct ook een Engelse vertaling van gemaakt.

Tijdens zijn reis maakte Monkhorst dagelijks een foto van de lucht en een foto van de aarde op de plek waar hij op dat moment stond. Op die manier wilde hij telkens de plaats markeren waar hij was, de datum en zijn aanwezigheid op dat moment – dus een voetprent behouden van zijn aanwezigheid. Deze foto’s, die het uitsluitend van de gedachte erachter en zeker niet van enige artistieke waarde moeten hebben, staan ook in het boek, twintig in totaal, twee per pagina – de hemel boven, de aarde onder – en twee keer afgedrukt, zowel bij de Nederlandse als de Engelse tekst. In het hart van de bundel staat tussen de Verantwoording en de Acknowledgments over twee pagina’s dan nog een foto van een geplooide olifantshuid, sprekend gelijkend op een ingedroogde modderbodem.

Dit alles leverde een mooie uitgave op, waarbij de hier te beantwoorden vraag is of de bundel ook poëtisch gezien de moeite waard is, al is dat aspect misschien ondergeschikt aan het hele project.

Monkhorst, van wie ik niet eerder iets had gelezen, schrijft poëzie waarin hoofdletters en interpunctie ontbreken en waarin evenmin plaats is voor poëtische middelen als eindrijm en metrum. De versregels zijn van ongelijke lengte en hij doorbreekt vaak de grammaticaliteit van zijn zinnen met beknopte constructies en door op syntactisch onverwachte plaatsen ineens met bijvoorbeeld een opsomming of een pregnante observatie te komen. Het is eigenzinnige poëzie waar een opvallende kracht vanuit gaat, omdat zij er in slaagt de concentratie over te brengen waarmee de dichter haar geschreven heeft. Voorwaarde is wel dat de lezer bereid moet zijn de losse elementen die Monkhorst soms iets al te achteloos uitstrooit, zelf te verbinden.

Dit is het begin:

waar alles heden is geen morgen alleen ochtend
als de grote gouden doder levenschepper opstaat en alles wekt
licht de plaats inneemt van tijd

onder de reuzendoder
levenwekkend
boven alles
vader van vuur
zichtbaar in de schaduw die hij niet is
in wat hij verwekt en sloopt
kokende huid dampend bloed
broer van liefelijke sikkel droomkoningin licht strooiend
over sluimeraars en sluipers als hij slaapt
hitte voor blinden schepper van doodsangst
genoemd liefde
want alles groeit door hem
levende paradox

En zo eindigt de cyclus:

ondermijnt mijn verleden
nog steeds het pad van mieren
of sterkt mijn trots de burcht van de termieten

het bloed van dit land in mijn aderen
voeten in aarde hoofd in hemel
op deze plaats waar mijn taal geboren werd tot Ik?

rest overgave zonder antwoord
langzaam knielen
zonder zelf
verloren
in de ruimte

voor de grote gouden doder levenwekkend
die de wereld inpakt in zijn schaduw
waar dood onbekend is
alleen sterven een naam heeft
tijd verdwijnt en ontbreken ontbreekt

Monkhorst had tijdens die korte vakantiereis door Tanzania kennelijk het vermogen om zich enerzijds over te geven aan de overweldigende ervaring die dat land hem bezorgde, en anderzijds zich van zichzelf bewust te blijven en waar te nemen, te registreren wat het met hem deed. Hij vond er een aansprekende vorm voor.

***
De Engelse vertaling as sand in wrinkels of an elephant is van Joy Misa. De in Den Haag wonende Engelse componist Kerry Woodward maakte hierop een compositie, die op de bijgeleverde cd wordt uitgevoerd door de mezzosopraan Janneke Schaareman. Op de cd staan ook de voordrachten van de cyclus door de acteurs Joop Keesmaat (Nederlands) en Donald van der Maaten (Engels).
Theo Monkhorst (1938) publiceerde o.a. in Hollands Maandblad en Poëziekrant . In eigen beheer gaf hij twee kleine bundels uit: City of Glass (1960) en In het voorbijgaan (1998). Bij BZZToH verscheen in 2000 Poging tot benadering en in 2010 bij De Witte Uitgeverij Omdat er iets ontbrak.
Monkhorst schrijft verder columns op de website www.haagsecolumnisten.nl, romans (Brieven aan mijn liefste, 2005, Vuil bloed, 2010) en toneel (King Dik, nar en koning, 2010).

Recensie van De zee niet gezien vandaag - Mieke C. Vermeulen

een vaal zwart vlak

Mieke C. Vermeulen
De zee niet gezien vandaag
Uitgever: De Witte Uitgeverij

ISBN 9789461071231
€ 10,00
88 blz.

Bij het lezen van De zee niet gezien vandaag moest ik vaak denken aan het woord ‘vondsten’: gezochte beelden die het niet altijd doen. Er kleven namelijk nogal wat pluisjes aan de interpunctieloze sprookjes van Vermeulen en dat geeft regelmatig een wollig resultaat, zoals in ‘Dierbaar’: ‘twee drachtige ezelinnen / die na het lange binnen / zich te buiten gingen.’ In ‘Mist end’, een tekst met natuurbeelden, kom je de volgende ‘vondst’ tegen: ‘hun langgerekte V trekken boven / volkenvrijheid van meningsuiting / en schapenwolken.’
En op de verkeerde manier romantisch is Vermeulen in het gedicht ‘Meer’: ‘op ’n een nacht zong verlangen / het lied van haar dromen.’

Vermeulens natuurbeschrijvingen en poëtische sprookjes komen niet uit de verf. De observaties zijn vlak, spreken niet tot de verbeelding en bovendien is het allemaal eerder gedaan en beter. Ik heb het idee dat zij zo moet worstelen met haar materiaal, dat zij aan de beheersing ervan niet toekomt. Neem bijvoorbeeld ‘Storeyboard’ (moet dat geen ‘Storyboard’ zijn? – KG):

Middenin een vaal zwart vlak
uitgestrekt als een decennium
dun en verschoten tot een onbestemd
grijs dat lijkt te verdoezelen waar
hechtingen verwijderd draden versleten
zomen losgelaten zijn

het leven een lappendeken van
aan elkaar genaaide flarden stof
onderling verschillend van textuur en tint
afgezet met bonte linten welke
grenzen van tijd aanduiden waarin
soms een gat moest vallen
als een wak in het ijs
waarover een bloedrode strook ligt die
oorsprong met eindigheid verbindt

ritmisch daaronder een duivelsdozijn
van vierkanten waarop een enkele zon
een halve maan een leeuw
een witte ram en een steenbok
gestempeld staan rondom een staaltje van
stierenvechten in roestvlekken

zou bij wijze van voering
aan de achterkant van deze doek
een heel leven steek voor steek en
stap voor stap ervaring op belevenis
– liefde verlies geluk en ongeluk –
gelittekend kunnen worden tot aan
het moment van signeren

Moeizaam, een ander woord heb ik er niet voor.
Wel fraai is de eerste strofe van ‘Engelen der vrijheid’; in dit afscheidsgedicht meandert de melancholie losjes langs de regels en komt tot een climax in het laatste woord:

Juist op deze morgen van vertrek
in het bruin doorleefde trappenhuis
bij vrienden in Berlijn
vliegt er een duif binnen
door één van de kleine witte raampjes
die op elke verdieping openstaan
om lucht te geven aan vijf etages somberte

De bundel bestaat uit negen afdelingen en bevat 38 gedichten. Op het achterplat staat: ‘Mieke C. Vermeulen is dichter en docent. Haar leefomgeving gaf haar de beelden, een opleiding aan de kunstacademie gaf de uitingsvormen. Intuïtie liet haar niet in de steek. […] Haar grootste leermeester is Toon Tellegen, haar machtige voorbeeld: Tjitske Jansen.’ Bij een volgende bundel moet het dus goed komen.


Recensie van Niet vast te leggen - Joke Schrijvers

Intieme bezweringen


Zoals de eerste indruk bij kennismaking met iemand de doorslag geeft, is dat ook bij een dichtbundel meestal het geval.
In het eerste gedicht van deze bundel stuit de ik-figuur, waar eertijds een pad liep, op een hek dat een veld afsluit. Daar staat ze. Realiseert zich dat de hazen geen weet hebben van tralies, en dagdromen draven haar voeten voorbij, zigzaggend, deinend boven het gras.
Terwijl ik las, stond ik daar zelf, verstild, en realiseerde mij haar bewustzijn van innerlijke vrijheid, de vreugde waarmee zij alles waarnam, de versmelting van buiten- en binnenwereld, stilstand en beweging.

Mooi!, dacht ik, mooi! En bij het volgende gedicht, en bij het volgende. Het kon niet op. Zoveel goede gedichten, en toen gebeurde het: aan het einde van de lijvige bundel, bij het op één na laatste gedicht gingen mijn haren overeind. Het was lang geleden dat lezing van een gedicht dit tot gevolg had. ‘Toonzetting’ heet het.

Ik moest denken aan de foto van een putdeksel van Walker Evans waarover hij schreef: ‘[…] it is Baudelairian. I wish he was alive tot see it. The secret of photography is, the camera takes on the character and the personality of the handler. The mind works on the machine.’

De camera van Joke Schrijvers kijkt dikwijls het verleden in, maar zonder nostalgie. Regelmatig gebeurt hetzelfde als in het eerste gedicht. De ik figuur versmelt het verleden met het heden, zichzelf met de omringende (herinnerde) natuur. En hoe ! Nuchter. Subtiel. Fijnzinnig.
Er worden nogal wat plekken bezocht: Het land van Maas en Waal, Albigue, Schiermonnikoog, La Brenne, Besalú, Assen, de blauwe moskee, het Ankor complex in Cambodja, enz. Ze nam mij zo vanzelfsprekend mee, dat ik na lezing van de bundel het gevoel had op vakantie te zijn geweest, en hem opnieuw begon te lezen; bepaalde plekken wilde ik opnieuw zien. Andere sloeg ik over, die hadden minder indruk gemaakt. Niet altijd weet zij te verleiden, enkele gedichten zijn slechts beschrijving, bleven anekdote.
En er is veel kunst in haar gedichten, werk van Chagall, Giaccometti, Paul Citroen. Veel muziek die zij oproept:

Hier wordt noot tegen noot
uitgewerkt, onverminderd
zoals -

Het is de laatste zin van het gedicht ‘Afgebroken’, dat over het onvoltooide ‘Die Kunst der Fuge’ van J.S. Bach gaat, maar ook een zelfbewuste poëtica is.

Ik had mij eigenlijk voorgenomen om uit haar gedichten geen losse regels te citeren. Het is een genoegen de gedichten stuk voor stuk in hun geheel te lezen; ze zijn compact, solide, muzikaal. Eenvoudig, zonder simpel te worden. Bescheiden, met een natuurlijke diepgang en met in een groot aantal gedichten het zeldzame vermogen om te betoveren. Integer.

Laat ik tot slot een voorbeeld geven:

Vroeg in de ochtend

De halve maan vliesdun
tegen de hemel, zo luchtig
zaten we op het achtererf

Brandnetels staken uit de heg
het houten kippenschuurtje
opgelapt tot onderkomen

Kopwilgen fluisterden, ze bogen
hun toppen met de wind
meegaand op rechte stammen

Zo keken we en luisterden
gespreksflarden fijne draden
die om de ramen bleven hangen

Dit is een met liefde en vakvrouwschap geschreven debuut.

*****
Joke Schrijvers (1944) werd opgeleid tot cultureel antropoloog. Voor haar poëzie volgde zij (privé)lessen bij Jos Versteegen, Martin Reints en Elly de Waard. Zij participeert in verschillende schrijfgroepen en is sinds de oprichting eind jaren ’90 lid van het Leids Dichtersgilde. In 1999 won zij de 2e prijs bij de RABO Cultuurwedstrijd in Leiden. In dat jaar bracht zij ook haar eerste dichtbundel Onderhuids uit. Zij publiceerde verder in verschillende bloemlezingen en op de poëziesites van Krakatau en De Contrabas.


Recensie van Ook dit is een vorm van geluk - Joop Scholten

Nieuwsgierig naar de Chinese meisjes

Joop Scholten
Ook dit is een vorm van geluk
Uitgever: De Witte Uitgeverij ,De Witte Uitgeverij ,De Witte Uitgeverij ,De Witte Uitgeverij
2011
ISBN 9789461070784
€ 10,00
74 blz.

De werkelijkheid ligt altijd achter het scherm van clichés waarmee wij dagelijks leven. Zij geven een gevoel van zekerheid, geborgenheid, dat we zo hard nodig hebben, dat elke vernieuwing al snel wordt ingekapseld en verwordt tot een nieuw cliché. Wat ooit vernieuwend was in de poëzie ( tachtigers, vijftiger, tieners) is nu gemeengoed. Toch blijven dichters proberen om de feiten van het dagelijks bestaan door middel van hun verbeelding op nieuwe manieren te verkennen en te verbinden. Echte dichters.

Joop Scholten is zich helaas al te zeer bewust van die achterliggende werkelijkheid. Hij benoemt haar al in het eerste gedicht van de eerste reeks ‘Al die chinese meisjes’, dat ik in zijn geheel citeer, omdat het typerend is voor vrijwel alle gedichten in de bundel:

Dat je eindeloos slaapt
eindeloos wakker wordt
dat je denkt

er moeten nog andere werelden bestaan
zwevende waarin ontdaan van zwaarte wij
opstijgen neerdalen versierd
met pauwenstaarten
met de geluiden van bevriende dieren

maar ditmaal van een zoveel hoger
reikende werkelijkheid een zoveel dieper
gewortelde dan de onze
dat iedereen zich wel moet afvragen
of dit – mijn vriend – de echte wereld is en waar

komen al die chinese meisjes vandaan
die slechts lucht spiegelen
heen en weer zwaaiend met hun trapezes

zo licht alsof de dood ermee speelt
zo opgewekt dat deze wereld elke dag
opnieuw iets virtueler lijkt
je denkt
nog in het vallen een vangnet.

Afgezien van de Chinese meisjes die mij opvrolijken door met hun trapezes te zwaaien, maakt het mij moedeloos alleen maar zijn pauwenveren te zien, en echo’s te lezen van gedichten waarin onze wereld de ware niet is, maar waar het ondertussen knus vertoeven is tussen al de clichés waarvan zelfs de dood er één is. Nog speels ook. De dood gereduceerd tot een woord zonder band met de werkelijkheid.

In het gedicht ‘Het nabestaan’ schrijft Scholten er zo over:

Als haar minnaar sterft neemt zij het dode
lichaam draagt het naar een open plek

zij roept de geesten van het luchtruim aan

en de grote vogels komen en zweven
lang boven hem strijken neer
de vogels vreten hem kaal tot op
het laatste bot zij neemt het dode lichaam

als haar minnaar sterft en zij verbergt het
in een linnen zak zij vaart de zee op
tot er niets meer is dan de zee

zij roept de wind aan en de golven

en de zee opent zich de golven
omarmen haar minnaar dragen hem ver
in de diepte zij alleen keert terug
naar het land het dode lichaam

van haar minnaar neemt zij als hij sterft
en brengt het in haar meest intieme kamer
sluit de ramen en de luiken voor de ramen

en het wordt stil

zij roept de duisternis aan

en de duisternis komt en omringt haar
de duisternis neemt haar in zich op
gelijk drie minnaars troost haar de duisternis.

Vergelijk het met volgende gedichtje van de Poolse dichteres Anna Świrszczyńska (1909-1984):

Kom me halen

Toen hij gestorven was,
kwam ik afscheid van hem nemen.
Hij lag stil, rustte
van zijn sterven.

Ik zei

– Als ik doodga,
kom me dan halen


Vertaling Gerard Rasch
uit: Bittere oogst, De Bezige Bij, Amsterdam, 2000
 

Goddank is er echte poëzie.