Gedichten

door Joris Denoo (1953)

Hors d’oeuvre

De grootste zwijger schrijft niet.
Hij stapelt woorden als een wering
waarachter het oorverdovend stil blijft.
Dat zwijgen is zeer hevig daar.
Het stuit, uit volle borst.
Aldus is deze stilte zo geletterd,
dat zij alles overstemt.
Want zij is niet opgelegd.
Er is geen zinsverduistering.
Zie: noch de ogen, noch de schreeuw
zijn gesperd.

Vier brieven aan mijn zoon.

1

Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.

2

Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.

3

Inpalmen, ach, waarom en voor wie?
In ‘s hemelsnaam zeer zeker niet.
Evenmin in een andere naam.
De koning is rijk als hij alleen maar kijkt

Met afstandsbediening, brieven en begrip.
Met je doornenkroon om je hoofd gevlochten
en je tatoes van verleden veldslagen.
Laat je niet zalven met psalmen.

Want jij kent de aarde, en de zwaarte
van haar kracht. Die blauwe bol draait
vierkant in het rond, tot nader order.
Ongehoord valt een man overboord.

4

Mondenvol hol modernisme alom.
Tussen steeds nieuwe splinters ben jij te vinden,
te rapen. In boeken tegen het bloeden
spoel je aan als drenkeling, enkeling.

‘Ten aanval': hoe wrang, hoe bang.
Je wereld is schier een eiland.
De golven schuimbekken en bijten.
Landing, last minute of crash: alles kan.

Het waren ook astronauten te Ieper.
Ze floten in banen om hun hoofd,
gehelmd, getekend: negentien.
En nu jij, met de helm verloren

De gedichten komen uit Zwaartekracht (2017), uitgeverij Kleinood & Grootzeer

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Annette Akkerman (1962)

metamorfose

er was een tijd dat ik nog in sprookjes geloofde
elke kikker kuste ik met gesloten ogen
mijn afschuw overwinnend – je moet er iets voor doen
immers

er was geen goede fee die me kleedde voor het bal
geen slechte die mijn collega’s veranderde in varkens
dat werden ze meestal vanzelf bij de vrijdagmiddagborrel
immers

mijn poppen werden nimmer vlinders
en ik zag vogels nooit vissen worden
of andersom – zoals in de tekeningen van Escher
immers

alleen jij liet me zien hoe ik zou kunnen veranderen
en je verfrommelde het plastic bekertje
met een lichte beweging van je hand
je greep me bij mijn strot
figuurlijk – je bent geen onmens
immers

Taco van Peijpe (1946)

HOE EEN MENS TE LEZEN

Het titelblad bevat geen zin
begin daar niet te lezen. Laat
het openvallen, blader door tot
waar je een herkenningsteken vindt.

Ga verder op de tast. Vergeet
waar je gebleven was en lees
de woorden als een vraag
waarop je nog geen antwoord weet,

misschien een wedervraag. Bewaar
de voorgeschreven regelafstand en
onthoud je commentaar. Herlees
alleen een uitgelezen exemplaar.

Pieter Van de Walle  (1992)

Nieuwe habitat voor kleine mensen

we hebben nooit geluisterd naar de wind
nooit meer dan woorden op papier gekregen

het leven tot nu toe hangt als een draad voor ons
een avontuur zonder vrienden, zonder vijand

we kennen elkaar niet
gaan met ons hoofd tegen de muur aan staan

en wachten tot de assimilatie begint:
het huis moet ons iets leren, een taal

tussen onze talen weven, met een breekmes
langs onze randen gaan

Arjen van Meijgaard (1973)

De dag komt terug

De dag komt terug
waarop ik
gelegen op mijn rug
eenzelfde barst
in het plafond bekijk

van wand tot middelpunt
grillig meteen
vanaf de start
met hier en daar een
scherpe hoek
-achteraf goed te verklaren-

rest het beloofde
rechte stuk
voor ik opga in het zwarte gat
waar snoer en lamp uit hangen.

Wim Vandeleene (1972)

gesprek met een kat

ze rekt het drama, miauwt aan de drempel
alsof ze een deurbel ingedrukt houdt tot ik open doe.
ik lok haar naar mijn vingers maar ze geeuwt,
wuift me weg met haar staart.

zegt: ‘pak me niet op,
ik schurk me later wel tegen je aan.’
dan woont ze weer stemloos in haar pels.
mijn oor, een radar die wacht op een radiogolf.
de ether draagt haar stilte. liever speelt ze piano,

free jazz als ze over de toetsen loopt.
ze rolt zich op in de wasmand als op een altaar
waar ze een siësta houdt. ze spint, alsof ze stil brult.
ze zegt: ‘hier is Egypte en jij moet me eren.’

Gedichten

door Babette Groos (1998)
Babette Groos (1998) is van oktober 2017 tot oktober 2019 Jonge Dichter des Vaderlands en won eerder Doe Maar Dicht Maar. Ze stond op het Wintertuinfestival in Nijmegen, hoopt volgend jaar haar (erg verlate) HAVO diploma te halen en heeft twee ratten.
 

(IK WORD NOG STEEDS MISSELIJK ALS IK ERAAN DENK)

ik word wakker en hij                      ligt naast me
het is niet alsof ik het wilde, maar
                                       dat is blijkbaar moeilijk te geloven
mijn tante zegt dat hij niet onaantrekkelijk is, maar dat
                                                                                               verandert
                           wanneer je zijn handen op je lichaam hebt gehad
                                                                                 (ik word nog steeds misselijk als ik eraan denk)
mijn moeder leert me om boosheid in verdriet om te zetten, maar
                                         ik kan dit alleen maar omzetten in gal achterin mijn mond
en ik kan nog steeds voelen hoe hij                   me                      aanraakt
ik voel het nog steeds                          overal
gloria wilt me niet alleen met hem laten
                                                      maar dat ben ik al
                                                                                              elke keer dat ik mijn ogen sluit
en mijn handen stoppen                       niet                   met                    trillen
                                         hij woont zesentachtig-punt-drie kilometer verderop en toch is hij altijd
                            ergens in mijn bed
                            ergens in mijn hoofd
             het gaat goed zolang ik er niet over nadenk
                                                                                    (maar, ik denk er altijd over na, snap je?)
             kijk, ik heb geprobeerd het weg te wassen
                          maar ik krijg hem gewoon niet onder mijn huid vandaan

AUTO

in mijn oorlogslichaam heb jij
je hand op mijn dijbeen en ik
slaap in de auto

op deze slagveld-rit bepalen we niet
waar we heengaan, alleen
weg van deze godvergeten
plek

achter ons laten we een
brandende stad; de
vlammen hoog. zijn wij de
zachtheid niet meer waard? we
proberen de duisternis uit
onze mond te houden

ik zie bloed als
zand; aderen een
zandloper-horloge,
tijd gespreid als een meisje op
mooie lakens en

geen van ons weet iets
van gevaar. is ze dood of
aan het wachten

we vouwen doodskisten met onze
vingers, maken van onze palmen
een rustplaats en
tussen onze ribben,
altijd een moeder, wachtend ons
te vertellen een jas aan te doen

ik slaap nog steeds. ik ben er
nog steeds. in deze versie van
de waarheid ben ik alleen maar
tanden en geen tong. ik verkoop
de huid voordat ik het hert
schiet, lik mijn lippen voordat
ik eet, praat over liefde alsof ik het
gezien heb

opnieuw, bloed als zand,
zandloper-horloge, hand op mijn
dijbeen.
je zegt dat we nergens heen-
gaan maar we zijn
wel
op weg

Gedichten

door Hanneke van Eijken (1981)

Lichtval

Deze middag mag in barnsteen stollen
onze huidnerven
je wervelkolom die als jonge wilgentak buigt, je schouderbladen
als esdoornzaden op je rug gekruld

je ogen die zingen
in een taal die dieren begrijpen

de dag is de palm van een hand
die ons draagt

ik hou ons
tegen het licht en je lacht

Winter

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver
als we kunnen kijken

ik leer je breuken maken
hoe twee cijfers samen een deel van een geheel zijn
we schrijven in condens op de ruiten
je knikt aandachtig en je lijkt te begrijpen hoe
alle getallen samengaan

er is net genoeg licht voor twee mensen
het is koud, buiten
plooit een wintervacht

De adem zingt als een mechanisch vogeltje

Met een beetje geluk heb je honderdtwintig minuten tijd
om een gedicht te schrijven
als je peuter slaapt

je roept snel beelden op van steden, exotische dieren of fruit
dat te lang gelegen heeft, maar wat je hoort
is het ritme van zijn adem die zingt
als een goudversierd mechanisch vogeltje
zo’n vogeltje dat Russische tsaren gehad moeten hebben
de adem zoemt door het speakertje
je denkt aan hoe de beentjes als zachte was gevouwen liggen
armpjes in een statische juichkreet boven het hoofd
de billen parmantig in de lucht

het geluid van de adem doet ook denken aan regen, de regen
die je nog kent van toen je door Azië reisde
de regen die in transparante panelen uit de lucht komt zeilen

letters verschijnen op het scherm als vissersboten
in een baai in de ochtend, nadat de fuiken zijn leeggehaald
de smalle zonen met hun vaders op het dek staan klaar
met touwen om aan te meren
op het strand wachten moeders met manden, de tijd is een deur

die open staat en waar je door naar buiten stapt, de regen in
de loden ochtend aan een verre kust en je telt de sproeten
op je arm, letters
op een leeg vel die alleen te zien zijn in het juiste licht

Gedichten

Apocalypsfee met landkaart

Het ligt hier ergens noordelijk van
maar ik moet even nadenken  
waar de werkelijke zon opkomt
om uit te vinden waar dat is
en daarna vraag ik nog even ecosia
wat in het algemeen in de mogelijkheden  
van opkomende en/of ontploffende/
dovende/ ondergaande zon ligt (flits!)

Toch beeld ik me bij het zien van een oude jurk
nieuwe foto’s in,  draagt het woord ‘tinte’
in zich al het gedicht, met kindergezicht
kleur ik de bekende achtergronden
door de seizoenen heen

Altijd eindigend als de afgevallen apocalypsfee
die in het opnieuw passende ijsvogelblauw
op het dak haar jongen staat te voeren  
alles wetend over de voorbijgaande zon

Ja, zo heel instinctief onnozel
tegen beter weten in te doen
op de bakfiets met een vuurtje
en edelkastanjewangen naar die bunker.

Volle wolfsmelk

1.
Wat streek eerder neer in dit ongerept gebied
de wolf of ons gezin
allereerst klonk het Noorweegse witte wief
dat ons sinds maanden in de auto toezingt
over rennen met de wolven

De zesjarige dochter kent de woorden
ze wijst daar zwemmen we
in meren van spiegelneuronen
draaien buiken wit en vol
als maanvis naar boven

’s nachts vallen de wolven over ons heen
als een sterrenregen
jagend door de golven
van ons veranderlijk gemoed

(Ze janken tussendoor de moeder staan die sporen
van zwanger en eierstokcyste-operatie goed
alleen met littekens van levensbeten  
klopt haar plaatje.)

2.
Zolang ik lippen draag als het enige sieraad
dat ik niet steeds kwijt raak
kan ik een naam tot leven wekken

Wolfsmelk, voedt mij met de vraag
wat kwam eerst,
de gedachte die boomvormig
in de hersenen ontstaat
het woord dat valt als een web van boven
of de ondermaanse plant

Soms voel ik me een dier van vacht
en open mijn uitnodigende warmte.

Mijn kind zit los (het krijsalarm kapot)

Geëmancipeerde godin in de vorm van mijn kind
glipt in hadesmantel door mijn vingers
het glazen huis van de buren binnen
vraagt met grote ogen om een bord
schuift uit de rijstpan de garnalen opzij

Embryo’s uit de zee eet ze niet
ik betreed het glazen nieuwbouwhuis
en zie daar dat ze in die afkeer
toch nog op mij lijkt

Ik heb in ons huis ook een hele wereld toebereid
wil haar met de ingredienten verleiden
maar ze is overal welkom
en een dorp is nodig
voor het opvoeden van een kind , ze klimt
mijn hoofd uit, die vette eik aan moedergedachten

en ik druip af, terug naar de tak waar
mijn tere muis, toen zij drie manen jong
alleen in slaap viel aan mijn borst

of in een doek over haar heen
als ooit mijn huid.

Toen mocht ik, zo beval haar gekrijs,
de kamer waar ze los lag niet uit.

Nooit meer appen

Veerle en ik deden alsof we niet van woorden waren
ineens hadden we zoveel te vertellen
waarom gaan gedachten zoveel sneller
en preciezer dan onze lichamen kunnen gebaren

o ja, spraken we later, ook gebaren is een taal
maar die leefden we niet

toch had het wat, dat niet kunnen vertalen
langzaam werden mijn gedachten trager
het zoemen van de vlieg dacht ik niet langer irritant

ik wilde hem worden met mijn veel te grote hand
werd geboren uit mijn navel en vloog over melodie

ik draaide warmte rond mijn ruggengraat
om te groeien als een gezonde suikerspin

zo stil alles belevend moesten we wel
wakker worden, gapen, in plaats van
appen, apengeluiden maken.