Gedichten

door Rens van Hoogdalem (1995)
Twee jaar geleden is Rens van Hoogdalem (1995) begonnen met het voordragen en performen van zijn poëzie. Zo is hij te vinden op meerdere Poetry-Slams, open podia en was hij onderdeel van Poetry Circle 030. Daarnaast is deze jonge dichter vooral veel te vinden in de collegebanken. Zo rondt hij op dit moment aan de Sorbonne in Parijs zijn laatste jaar van de bachelor Wijsbegeerte af.
 

Rendez-vous

Hij komt zijn moeder tegen
In een ijzeren tafel.

Onwennig
Staan ze tegenover elkaar.
Hij grinnikt omdat ze
Zo glimmen.

Zij weet niet wat te zeggen.
Hij weet niet wat te voelen.

Maar ondersteboven is haar
Hoofd geheven en is zijn
Rug recht.

Zij denkt aan
Armen die als dekens
Nachtmerries bedekken.

Hij denkt aan
Grappen die als pillen
Pijn laten verdwijnen.

Er hangt dikke stilte tussen hen in.
Hetzelfde bloed ruisend naar een
Ander hart.

Aanraken
Voelen
Vingertoppen
Kijken
Eigenlijk alleen maar kijken.  

Samen ontwijken ze elkaars
Blik. Kijken liever naar beneden om
In een ijzeren tafel te zien

Dat haar hoofd geheven is
En zijn rug
Recht.

Kou

In de winter likt hij soms
Een lantarenpaal.
Met zijn tong zo ver mogelijk uit zijn mond
Kijkt hij om zich heen of iemand het ziet.

Wanneer niemand kijkt,
Begint hij er geluid bij te maken.
Hopend op een vrouw met humor
Maakt hij murmelend geluid aan de
Voet van
Een lantarenpaal.

Als het licht van de lantarenpaal aanspringt
Vermant hij zichzelf,
Trekt zijn overhemd strak,
De haren weer glad
En vervolgt daarop zijn weg

Naar zijn vrouw, 2 kinderen en de hond.

In de avond die volgt op de lantarenpaal
Zoent hij zijn vrouw.
Zijn koude tong wordt lauw en wanneer zij
Murmelende geluidjes in z’n oor fluistert
Wordt hij warm.

Wanneer het licht langs hun bed uitgaat
Glipt hij weg,
Doet een overjas aan,
Kijkt om naar zijn vrouw en vertrekt

Naar zijn lantarenpaal, het licht en de voet.

Maar de wind snijdt door zijn pyjamabroek.
Donker, niemandloos,
Zoekt, vindt niets.
Tongafdruk weg en hij twijfelt
Of het niet toch een andere lantarenpaal was.

Het licht springt uit.

Gedichten

door Rinske Kegel (1973), Geert Viaene (1963), Tania Verhelst (1974), Monica Boschman (1965), Elly Stolwijk (1957)
Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Rinske Kegel (1973)

Richtingaanwijzers

Richtingaanwijzers wijzen nooit de weg.
Het is een landschap met bewegende velden,
schijnrivieren, duizend onweerszonnen, de haast
als de afnemende maan. Je raakt verblind
door een lichaam. Brandweerlieden dragen je
een brandend huis in en engelen
beademen je, hun mond op je navel.

Ga op een bankje zitten als het
even niet meer gaat, iemand heeft
dat bankje voor jou gemaakt,
het draagt je.

In de krant las ik dat sommige blinden
de weg vinden door te klakken met hun tong.
Ben ik blind genoeg om jou terug te vinden.

Geert Viaene (1963)

ALLEEN IN EEN MASSA MENSEN, ALLEMAAL SAMEN ALLEEN

het is winter, het is bitter koud, wij stoken al het brandbare op en zelf
verstenen wij, wij glippen van het eiland af en niet eens zo geleidelijk

wij zweven op glazen luchtbellen, de onrust binnenin is ons vreemd
wij proberen het ontmoeten te vermijden en wij werken het verslijten

in de hand, wij wijken af van het tedere treffen, het in het echt dichtbij
zijn of bij te staan wanneer het nodig is, om op te warmen wrijven wij

honing op onze huid en olie, het loopt allesbehalve gesmeerd, in feite
loopt het uit de hand, wij staan er helemaal alleen voor, het is ijskoud

Tania Verhelst (1974)

koning van Stoep

je vouwt een huis uit
oogst de dag in een pet
ooit zat er een inlegkruisje bij
dat je met één vinger las als een blanco briefje braille

benen gaan voorbij
zelf kom je er niet toe om-
valt het op als je even -een gedachtenstreepje lang- gaat liggen
valt het op als je langer streept dan gedacht?

als een man met krijt een lijn rond je tekent
alsof hij zeggen wil: dit is je rijk, je eiland van stoep
niet lang daarna een auto met zwaailichten
speciaal voor jou

ze rapen je op
ze schuiven je in
ze rijden je weg

regen wist het krijt uit
wind dooft een vinger
enkele straten verder breekt de nacht weer op

Monica Boschman (1965)

Onder jouw hoede

Schaduwen in het park, mijn voeten
konden op jouw hoofd staan

en als ik in bad lag wist ik het zeker:
de koppige druppels in mijn navelkuiltje
waren van jou – ik leefde in je verlengde

zit nu naast je, houd mijn adem in
en tel, vals spel, ik kan je niet bijhouden

je bent beter stil dan ik, hebt geen deken
of dromen nodig, geen koffie
je licht is elders

wanneer je voelt, dan leef je
is wat jij altijd zei

Winnend gedicht Plantage Poëzie Prijs 2017

Elly Stolwijk (1957)

de bomen

iemand doet zijn handen voor mijn ogen en zegt
sommige bomen zijn witter dan de andere
en ik zeg wat bedoel je
en hij zegt wat ik zeg.

ik wil het wel maar kan niet geloven
dat de kastanje warmer zou zijn dan een wilg

dat het warmer is wanneer iemand het zachtjes zegt
in je oor nadat hij je muts opzij heeft geschoven
dan wanneer je het zelf zou zien met je bevroren ogen

dat iemand naast je staat met tere taal in plaats van
je een zelfverzonnen waarheid toe te schreeuwen
vanuit een ivoren toren.

opnieuw, ja, opnieuw breekt het hart,
nu als een knop aan het eind van de winter.

Gedichten

Christina Guirlande (1938) is dichter, vertaler en jeugdauteur. Ze schreef reeds een 60-tal boeken. Had honderden publicaties in tijdschriften en bloemlezingen. Talrijke van haar gedichten werden getoonzet. Ze schrijft ook in opdracht voor toondichters. Haar poëzie en jeugdboeken werden dikwijls bekroond. Ze vertaalt poëzie uit en naar het Frans. Geeft lezingen in scholen en voor volwassenen.
Sinds begin 2016 is ze stadsdichteres van Dendermonde. Laureate 14de Prudens Van Duyseprijs. Recentste publicatie: ‘Sporen in een holle weg’, een dichtbundel met eigen illustraties.
 

Diagnose
Voor Th.

1.

Uit luttele dingen had zij
haar wereld gebouwd

rechtlijnig als de afstand
tussen woord en daad

een sterke vrouw volgens
het Boek der Spreuken:

‘de dag van morgen ziet ze
lachend tegemoet’

tot op de dag dat lach
tot grijns verstarde, elk schip
verging, de olie droogde

in de kruiken en de zon bezweek,
hoe één woord plots
haar hele wereld kraakte.

2.

Neem alles weg wat van haar was
zodat er plaats is
voor wat van haar blijft,

verbrand het bed van zoveel
radeloze uren, verwijder bloemen

en hun schuldgevoel, doof
kaarslicht smekend om geduld,

draai de tijd niet terug, veeg
zomers uit en hun gemeen bedrog

roep haar opnieuw voor de geest
als een mens.

Zekerheid

Je weet het wel, alles gaat over: het nieuwe,
het doodgewone, de oude en verse pijn,

het zwijgen, het praten, het vrezen,
de rede, de roep van het bloed,

de stilstand, het nu en het later,
de groei, net het hoofd boven water,

ontgoocheling, overmoed, schaarste
en overvloed, de valstrik verbittering,

de honger, verzadiging, grimassen
van zuur of de glimlach van zoet,

het gaat over, omdat het moet.

Gedichten

MADELIEFJE

Ik ben een gedachte, ik ben
geen gedachte, ik ben die gedachte, ik ben niet die gedachte.

Die drie palmen aan de overkant doen niets dan instemmend knikken.
Was ik maar gebleven,
dan had je me kunnen vragen of ik die gedachte ben, of niet.

Ik ben werkelijk. En als daarop had gevolgd:
Werkelijkheid van wie? had ik in je arm gebeten.

DE SLAPER

Het jongetje slaapt, zoals een rivier
stroomt tussen haar oevers.

Misschien ben jij in zijn droom
wat hij in jouw werkelijkheid is:

een warm lichaam dat ademt.

FOCUS

Je buigt voorover,
raapt een sinaasappel op van de grond,
toont hem in je rechterhand,
slaat je benen over elkaar,
legt je linkerelleboog te rusten op de rugleuning van de bank,

kijkt.

LUCHTSPIEGELING

Je laat de olijfboom
een boom. Een lichtblauwe vrouw
zit in zijn koelte gehurkt, ze lijkt naar je

te willen luisteren. Maar jij hebt niets te vertellen,
niets van belang. Ze leert je
schaduwen schikken in een oogopslag.

Jij vraagt je af hoe groots
een schaduw moet zijn
om er schaduw in te vinden.

Gedichten

door Robin Wim Hutse (1993), Taco van Peijpe (1946), Anne Cockaerts (1962), Robin Kramer (1990)
Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Robin Wim Hutse (1993)

stadschirurg

op bed zijn we de gapende wonde die
Brussel door het open raam naar binnen zuigt, haar merg
haar tweevoudige ziel die zegt

maak hiervan wieg
luchtkasteel, een bedding om elkaar als ratten schoon te likken
onder het filter van straatverlichting en acacia’s

om eindelijk te splijten uit de schil -
als beenhard fruit, om als spierscheur
thuis te komen in elkaars huid

Taco van Peijpe (1946)

Schuilen

Voorbij de laatste boerderij, voorbij
het akkermaalshout waar de hazen spelen
langs de bosrand worden wij gelokt
door klokgeluiden uit het dorre blad.

Hier horen wij, rondom ons sluiten bomen
de gelederen. Warme dieren hebben
in de grond gewroet op zoek naar brood.
Het ruikt naar zoete hars, hier wonen wij,
hier vinden ze ons nooit. En toch

luisteren we alsmaar naar geluid
van buiten, zien wij – als we blijven kijken
zien we straks de hazen weer.

Anne Cockaerts (1962)

ik pluk een jas een paard
en nog wat vrouwentenen

vouw de tuin tot oogstbare stukken
rijg er dan een haag doorheen

voor later als het winteruurt
het afgevallen blad soms namen lispelt

van een boom die mij niet kent

Robin Kramer (1990)

De kunst van het blijven

Blijven zal ik, tot je er helemaal gek van wordt,

aan de grond genadig, mijn voeten zerken,
mensen zullen over de paadjes langs mij heen lopen, gras
zal over mij heen groeien en weerbarstige bloemen

groen van erosie laat ik de erotiek van de autobaan achter mij,
en het blokje om, en het even een sigaretje –

want ook het gaan, zo leerde je mij, zit in jonge hoeken.

Dus voeren zul je me moeten, de puntjes eraf, mijn nagels,
mijn baard –

ik heb gezegd oud te worden, aan plaktogen en
voorstraten, mijn
handen over waxinelichtjes voor doorschijnende
bollingen van beloftes,
en oud zal ik worden, tot je er grijs van wordt.

ik zal een nest van het velours maken, mijn keel schrapen,
praten met vrienden, films zien, patat eten, maar
hier zal ik blijven, buiten heeft geen macht meer over mij

– ik zie de streekbussen, verlengde lichtbakken in het donker,
en sta zwaaiend bij het gordijn.