Gedichten

door Herman Rohaert (1958)

Regennacht

Regen begint aan het einde
van dit vers, aan de rand van
de regen begint de nacht.

De regen prevelt dat je nu
kan gaan slapen.

Naast mijn bed het vleugelgeruis
van een krant, een andere engel
is hier niet.

Ik zal vroeg opstaan, de komende
dag omkopen om goed voor ons te
zijn, dat jouw ogen weer warm als
het bed, alsof de tijd erin gelegen
heeft.

Maar vannacht is de wind een
dolende hond zonder baas die
blind zijn snuffelpad, die weigert
zich neer te vlijen aan je voet.

Stoelen op het terras

Laat mij dan de man zijn die stoelen
openvouwt, uitstrooit over het terras,
één stoel voor elk ding dat hij niet
zegt, voor elke niet-aanraking.

En dan daarheen kunnen gaan, jij, ik,
elk afzonderlijk daar plaats nemen,
even maar, misschien.

En binnensmonds de reeds geplaatste
stoelen tellen, zo het niet-gebeurde
zichtbaar maken, en bezoekbaar, en
droombaar.

Laat mij.

Uitvergroot

Ik heb in jouw foto je oog geselecteerd en ik heb erop ingezoomd en ingezoomd tot het tot over de rand van het beeldscherm krulde, tot aan de uiterste resolutie ben ik gegaan (en die is zo hoog dat ik weer kan geloven dat jij het bent, wel degelijk). Ik vergrootte je linkeroog in de hoop zo, met de laatste klik aan de andere kant te geraken, de ziel van je oog te ontwaren of toch op zijn minst mezelf.
Bij de achtste uitvergroting zag ik mezelf in vage contouren en bij de zestiende de omtrek van mijn camera, alleen herkenbaar voor mezelf, wellicht. En daarna niets meer dan grijze staafjes, netjes geordend als tegels in een vloer, stenen in een muur die ik nu liefkozend betast, dag en nacht, om zo de voegen ervan te doen springen, met dit gedicht.

Uit de bundel Lust, Last, Liefde, uitgeverij P , 2017

Gedichten

Carmien Michels (1990) danst tussen pen en podium, tussen urban en klassiek. Ze studeerde Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. Ze organiseert, presenteert, performt, jureert en doceert en werkt samen met artiesten van alle slag. Ze schreef de romans We zijn water (2013) en Vraag het aan de bliksem (2015). In 2016 won ze het Nederlands en Europees Kampioenschap Poetry Slam en haalde ze brons op het Wereldkampioenschap in Parijs. In november 2017 verscheen haar poëziedebuut We komen van ver bij Uitgeverij Polis.

 

Pennenvriend

Dag liftkooibewoner in het station
die ik nooit aanspreek omdat ik bang ben
voor je gedachten als ik je geld geef
je lijkt op mijn pennenvriend van toen ik veertien was
die ik een foto van mijn tepel stuurde in ruil
voor een Kiplingaapje en een zak ribbelchips die ik niet kreeg
mijn tepel kon ik niet terugnemen
en zo blijf je een stille vriend
aan wie ik brieven schrijf
in de landschappen die ik voorbijrijd

De bierdrinkers met lege blikjes
in de stiltecoupé vloekend op vertraging
weten beter dan ik
wat ze wensen
als ze in de wolken een olielamp zien
een slok bier binnen handbereik

Metropool

Roosters in de stoepen vermoeden een ondergrondse stad
boven de straatspiegel dansen rookpluimen
en mensen met plooifietsen
 
Voor elk exemplaar belooft de aarde een ondermens
die op de metro stapt zich tegen anderen perst

Gebroken harten hervinden intimiteit
in andermans plooien
bagage te vergeten bij bestemming bereikt
 
Boven drommen toeristen om een verkleumde zwerver
hedendaagse mummie zonder museum

Voor iedere metro die boven water komt
duikt elders een tram de diepte in
meldingen van dreiging wekken een koor van zuchten
 
’s Nachts komt iedereen samen op pleinen en daken
de stad kreunt met open ogen
zomer opzuigen uit je tegenpool
om je eigen winter te vergeten

Mijn moeder mijn dochter

Die droom waarin ik zwanger was
van mijn moeder
haar er niet over durfde te bellen

Of toen mijn vader zei
ik wil een meisje zijn

Eindelijk zie ik en
wreef over mijn buik
om te verifiëren
of mijn moeder het had gehoord

Ze schopte heviger dan ooit
net zolang tot mijn vader
kromp en kramp
in zijn glimlach kreeg

Deze drie gedichten komen uit We komen van ver, uitgeverij Polis, 2018.

Gedichten

door Astrid Arns (1960), Jana Arns (1983), Frouke Arns (1964)

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht.
Je ziet een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.
Niets is ooit voorbij of stil.

Nostalgie

Er woont een meisje in me met een smal gezicht.
Ik proef de woorden op mijn tong die zij vergat te spreken.

Wij dragen hetzelfde rood.
Schrijven onze naam in het stof van de vensterbank.
Er is geen plek waar zij niet is. Zij waait me schoon
en houdt de ramen open in mijn hoofd.

Ik laat haar mijn lege handen zien.
Ik wil haar troosten voor wat komen gaat.

Jana Arns

Het huwelijk

Het huis werd om ons heen gebouwd.
Met potten verf naast het bed
kleurden wij hier dromen in.

Kasten gevuld met lege flessen
voor als we niets wilden drinken.
We hadden niet veel,

niet veel nodig.
Maar ook een grote mensentand
komt wel eens los te zitten.

Tussen muren van glazuur,
een wisseling van woorden.
We kluiven op restanten,

knarsen op ons kunstgebit.
We vernieuwen het meubilair.
Mogelijk elkander.

Uit: Nergens in het bijzonder, uitgeverij P, 2018

Donderdag

is als een slecht weerbericht.
De paraplu is overspannen.
Het nieuws lekt door het scherm:

kind met gebroken arm,
man met wankel huwelijk,
spitsuur in eigen huishouding

en jij:
dubbel geparkeerd in mijn hoofd.
Ik schrijf geen boete uit,

ben geen dichter die moet bekennen
dat wij tegen de richting in sliepen
op een donderdag als deze.

En hoe daar niets op rijmde.
Nee, ik wacht tot een andere bui.
Jij trekt wel over.

Frouke Arns

Plattegrond

Berlijn was jong aan haar oevers, het bier liep over straat.
Op een bank zat een vrouw te bellen, haar vlees hing
aan alle kanten over, haar stem kristalhelder in de nacht.
 
Ik werd aangesproken in het Spreepark door een Penner
die me wegwijs wilde maken; in ruil daarvoor hield hij zijn hand op.
Bij Zenner dansten dames met watergolven zich terug hun jeugd in.
 
Blote heren lagen in het Tierpark op beladen gras. Augustus, de stad was open-
gebroken en klam, overal resten van muur en wespen. Eentje stak;
ik voelde het gif de hele nacht gonzen.
 
Later zag ik hoog vanuit de koepel wat de stad niet prijsgeeft
-sprakeloos lag zij aan mijn voeten- van scheiding geen sprake.
Wolken dreven de dag uiteen.
 
Bij het monument
had iemand gevraagd wat het gekost heeft en
iemand had geantwoord: miljoenen.

Met distantie heeft dat niets te maken

Op een Rastplatz vraagt een lifter
naar je reisdoel, op zijn bordje staat Irgendwo.
De kuiltjes in zijn wangen doen je denken aan golven, aan kust.

Om ergens te komen zul je eerst moeten vertrekken.
Je hebt geen idee van destinatie, dus neem je hem mee.
Duitsers fietsen anders, zegt hij, ze geven

korte rukjes aan het stuur alsof ze de verte
naar zich toe willen trekken. Ze hebben Fernweh,
hun afstanden zijn groter, net als hun woorden.

Het zijn carnivoren;
wat zegt dat over oude koeien,
het steeds weer herkauwen.

Zijn lach verkort de tijd; op het kruispunt
laat je hem gaan. Hij verdwijnt in je buitenspiegel
naamloos, wie weet heet hij Wolfgang.

Je bewaart nog altijd de post-it die niet wilde hechten
met daarop: Irgendwie bist Du süß.
Misschien spraken jullie elkaars taal.

Gedichten

door Monica Boschman (1965)
Monica Boschman (1965) is tekstschrijver, schrijfdocent en dichter. Van 2012 tot 2014 was zij de eerste regiodichter van de Noordelijke Maasvallei. Monica kreeg diverse eervolle vermeldingen bij poëziewedstrijden in Nederland en België. In 2017 won zij de Plantage Poëzie Prijs. Op www.52gedichten.nl combineert ze haar gedichten met beeldend werk van Handan Arik. In Cuijk organiseert en presenteert ze het Poëtisch Ontbijt van Wereldtuin Verdeliet.
 

Afgewend

Onder het dekbed met de kraanvogels
leerden we vliegen, de nek volledig uitgestrekt
steeds hoger. We voegden naar elkaars vorm
en vroegen niets, gaven ruggengraat.

Op zwijgend satijn barst jouw lijf
alleen je taille vindt nog ademruimte
een uitsparing onder het laken. We zoeken
raakvlakken voorbij het broedseizoen.

Het is niet klaar: ik kan je nog laten lopen
in woorden, me optrekken aan jouw taal.
Ik strijk mijn veren in de holte van jouw rug
tussen de schouders waar ik vleugels waande.

Van deze of gene

Je ziet het aan de rugzak die danst
of met banden in schouders snijdt.
Hoe belast je bent, het staat geschreven

in de genen:
erfrecht, erfpacht, erfzonde.

Vallen, ik ken nog steeds de formule
van Newton uit mijn hoofd en las
van een appel en een boom.

Neerwaarts en opwaarts, herwaarts
en derwaarts klemt het soms
tussen voorgangers en naoogst.

Gezegend het zijvak en de regenhoes.
Uitgedokterd om gebutst vermogen
te beschermen, tegen de keer.

Gedichten

door Ted van Lieshout (1955)

Glazen schoentjes

Ik dacht dat ik glazen muiltjes droeg.
Ik weet zeker dat ik glazen schoentjes
had! Een prins die mij kwam redden
uit dit dal, weg van mijn moeder die
mij zelfs geen zevenmijlslaarzen gunt,
galoppeerde mij tegemoet op het paard
dat ik tegen wilde houden. Maar het
rende me voorbij. Ik riep nog: papa,
ik sta hier! Maar hij had in de verte
een stiefmoeder gezien met grote borsten.

(Uit: Onder mijn matras de erwt
Leopold, Amsterdam 2017)

Glas 

Elke morgen stond ze voor het raam te wuiven. 
Ik zwaaide terug, maar wist niet wie ze was. 
Buiten ging het leven door, maar ‘t hare 
ging niet verder dan het glas. 

Als ik terug van school kwam keek ik even; 
het vierde raam, begane grond: 
een witte muur met stille plooien, 
alsof de vrouw niet echt bestond. 

En toen kwam ik haar buiten tegen, 
haar gang voorzichtig als op glas. 
Ik groette haar; ze liep op scherven. 
Ze wist ineens niet wie ik was. 

(Uit: Jij ben mijn mooiste landschap267 andere gedichten en tekeningen.
Leopold, Amsterdam 2003)

Brood

Beloof me dat ik me nooit opzij laat schuiven, 
al is het maar dat ik mijn mond opendoe 
tegen iemand die voordringt bij de bakker. 

Maar mannen en vrouwen hebben altijd haast, 
willen graag even voor, kinderen hebben zogenaamd 
tijd genoeg (Beloof dan dat als ik mijn beurt 

heb opgeëist, ik niet vergeten ben wat voor 
brood ik moet.) Dat ik niets durf te zeggen is 
mijn schuld. Hardop schaam ik me nu eenmaal; 

als iedereen naar me kijkt zwijg ik vanzelf. 
Beloof dat ik me er doorheen elleboog, 
zoals kinderen moeten langs al dat beterweet.

(Uit: Och, ik elleboog me er wel doorheen 
Leopold, Amsterdam 1988)