Gedichten Els Moors

(geen titel)

een twee drie vier vijf stoelen
in een kamer ‘s ochtends

een vrouw die door de wereld schrijdt

de verweesden die in de metro
van de trappen glijden
omhoog wellende trappen
als zoemende golven

kauwgum kleeft tussen de stoffige
lijnen in het zwarte metaal

ach de eenzamen
ach de doorkijkposten

verslaafd aan het in plastic gebottelde water
de knorrende televisie-einde’s op de bank
de stalen punten
en het gebrek

aan bewegingsvrijheid

wij zoeken haar schoot
met devote ogen
de brocante zal worden
afgesloten met

een barbecue

het vlees verschroeid
elke man getemd
aan de hand van

een slinkse pirouette

 

(geen titel)

na het vertrek naar het platteland
zijn de straten van de stad het einde
van mijn laatste verzuchting en de hoop
op jouw omhelzing

op het slagveld

de vogels klaarwakker de zon klaarwakker
de bossen vullen zich met kostbaar getokkel

en jeuk in de oren

verhef het democratisch verkozen volk
de intelligentsia en de fietsers

die bloemen slurpen in de velden

voor het blote oog van de pijnbomen
die het licht vangen met hun rode stammen
de pijnbomen die onze esthetische verlangens

bevredigen

ik ben zo goed
dat ik je met een enkel schot

 

(geen titel)

weet ik nog heel goed
hoe aan de kades
witte plastic bekers gevuld
met rosé en getimmerde
schepen het strand
imiteerden

‘s avonds toeterden
de brandweermannen luidruchtig
en de vrouw
tegenover mij
kleedde zich uit

samen doorstonden we
het dramatisch gefluit
van het onzichtbaar
gespetter

kansloos

bij elke nieuwe schram of vlekje
waste ik met de hand
droogde ik op de vensterbank
kuierde in het bos

verschoonde de bak

en zorgde voor het verminkte dier
dat verdwaalde

in de morsige gang

Paul Soete


Paul Soete
(1956) werd geboren in Oostende en woont daar nog altijd tussen zon en zee. Behaalde meerdere prijzen in de poëziewedstrijden van Harelbeke, Tongeren en Oostende, en won de Concept poëzieprijs. Hij publiceerde Van de rug af gezien (2016, in eigen beheer), een reeks beeldgedichten over schilderijen, sculpturen en foto’s in musea en steden, en Karl Houtteman, photography & Paul Soete, gedichten (2017, ZigZag), waarin de ruimte van de zee centraal staat. Een aantal gedichten verschenen ook in Poëziekrant en Het Gezeefde Gedicht. Zee, beeldende kunst en muziek zijn de vaste compagnons de route.
 
 

foto: Yvon Poncelet

 

Nachtwandelaar
        triptiek voor Leon Spilliaert

1.

Zeegroen achter regenglas van wolken. Wateradem.
Nevelkamer van de taal met het geduld van zout.

Een wandelaar een zwemmer, ver in winterweer
en waterwind, vindt arm over arm het ritme
van de golven uit.

Vaste grond onder de voeten, dat willen meeuwen niet.
Zij eten aan de lucht en wonen tussen vlinderslag en vallen.

Langs de rillijn in je hoofd daagt dat mateloze blauwe.
Een rafelrandje bladstorm.

Dronken als een spiegeldrinker
weten waar de dag wou zijn.

 

Zinkgaten

      ‘Rage, rage against the dying of the light’, Dylan Thomas

Zinkgaten zijn net als bomen visionair, ze weten
dat de lente komt. Niets wordt iets en kloven dichten kloven.

Zinkgaten in zee tonen vluchtroutes van groter droogte.
In het diepe komt hongersnood en sterfte. Inktvissen en neteldieren
smokkelen – uit leefzuchtigheid – hogere waterlagen leeg.

En toch. Het uitdrogen van zee is een kussen van traagschuim.
Verbindt alsnog de lente met het anderland. Dode zee
wordt humanitaire zee. Dwingt vissen die kant op te gaan
van wolken en van regen.

Tijd voor lange nachten vol geschaarde gesprekken. Hoogtij
voor scholen vol achterhoedevechters.

Nelleke Lamme-den Boer

Nelleke Lamme-den Boer (1955) is schrijfdocent en ongebundelde dichter. Ze geeft vanuit haar bedrijf Tekstkwartier in Amsterdam cursussen en workshops creatief schrijven. Ze slentert graag in Noord-Friesland langs de zeedijken.


foto: Anja Robertus

 

wantij

wantij warrelt over
je naakt
in slik gedrenkt karkas

het geeft niet
dat je vroeger veren droeg

de wind ronselt een dekbed
van losgeslagen zeekraal

men overwintert hier
zo diep

 

de weerbarstige muur

je moet eerst het cement
tussen de stenen uitlikken
je kapotte handen vuil maken

de kieren toefluisteren
de vrijheid in- en uitademen
tot het gat groot genoeg is

dan

geef je het kind door
aan wildvreemde armen

welwillende
het goud welgevallige

 

(zonder titel)

de dwarrelvogel danst
’s morgens vroeg
mijn vleugels lam

boort borstdiep onheil aan
tot weesrijm
mij een stem geeft

ik tussen de weeuwkroppen
durf uitkruipen

houvast vind
bij de roomzachte schutting
schuildier zonder poten

Antoon Van den Braembussche

Antoon Van den Braembussche (1946) is filosoof, kunstcriticus, essayist en dichter. Hij doceerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Jan van Eyck Academie en de Vrije Universiteit Brussel. Als filosoof publiceerde hij onder meer Denken over Kunst. Recentelijk verscheen De stilte en het onuitsprekelijke (A’pen, Epo, 2016).
Als dichter debuteerde hij in 1979 onder het pseudoniem Tonko Brem met de bundel Liefdesverklaring in de legendarische Yang Poëziereeks. Daarna verschenen: In het Voorbijgaan (Antwerpen, Contramine, 1985) en Verzwegen Verleden (Gent, J&J, 1995). Meer recent verschenen onder zijn eigen naam een drietal bundels bij Uitgeverij P : Kant-tekeningen (2007), Het uur van de wolf (2014) en Alles komt terug. Over de eeuwige terugkeer van het gelijke (2018).

foto: Jimmy Kets

 


Regen, misschien wel sneeuw

Er is regen, misschien wel sneeuw op komst.
Zo zei je. Alsof je iets anders wilde zeggen.

Iets dat vanuit de diepte kwam.
Nergens meer thuishoorde.

Je wist hoezeer ik van je hield. En toch
keek je strak de andere kant uit.

De bomen zwegen aan de horizon.
Boven de maïsvelden hing ijl de mist.

 

Ouroboros

Voor Rico Sneller

Zo heb ik het schreeuwen verleerd.
In dagdonkere wanhoop.
In woorden die bevroren in mijn mond.

Als ijskristallen. Ongeboren.

Zo heb ik de taal uitgevonden
van het vergeten en het naamloze,
het onpeilbare verdriet.

En tegelijk ontdekte ik de
achterzijde van elke taal.

Het onuitsprekelijk besef
dat alles uiteindelijk zichzelf
als een slang verslindt,
zijn eigen staart opeet.

De kringloop voltrekt.
Zichzelf opnieuw uitvindt.

Tot in het oneindige.

uit: Alles komt terug. Over de eeuwige terugkeer van het gelijke, uitgeverij P, 2018

Gedichten Guy Commerman

Oplossing

Ik weet niet wat het raadsel
op het verkreukte laken achterlaat
en of ontwaken het begrijpt.

Het leeft stil en ritselt,
het hecht zich aan de ademtocht.

De eerste woorden van de dag
beraden zich, vergissen zich,
op losse schroeven het scenario.

 

Afgrond

Een gedicht leeft in een tuin,
hangt te rijmen in een kerselaar.
Soms valt het uit de toon
op aarde, gras en stilte.

Ik luister naar het zingen
van gedachten, naar de rebelse psalm
van een schaamteloos, profaan gebed,
naar een spinet dat in de verte spint.

Alles wordt hete honger naar aanraken,
plechtig begin van ongerijmde weelde.

De uil weet niet waarheen, noch waarom
en oehoet maar wat: voorwaar een gedicht.

 

Vogelvrij

Misschien raak ik dan onwetend een ster,
misschien ontmoet ik een argeloos dwaallicht,
mijn reis is geen geheim, maar doorzichtig.

Iemand meent te mogen lachen,
iemand roept, iemand vindt
een boodschap uit, allen ongewapend.

Misschien bevrijd ik vogelvrij het netvlies,
verzoen ik vuur met het wenen
van enkele mensen, zodat ze zich herkennen
in de late vacht van middernacht.

 

Overleven

Alles komt terug, zoals de tevreden nacht,
zoals een glimp van blijdschap,
zoals het languit lachen in de naakte zon,
de buigzame muziek van spetterend water.

Wat niet terugkomt, is nooit geweest,
elk verhaal is lichaam, elke zoen is afzondering.

Alleen herrijzenis is wanhopig, goddelijk bedrog,
een steen blijft steen, een wortel groeit,
een schaduw stoeit, overleven is dodelijk eenmalig.

 

uit: Wat het raadsel achterlaat
(2017, Kleinood & Grootzeer)