Rogier de Jong


Rogier de Jong
(1952) weet niet precies hoe hij zijn werk zou moeten classificeren. “Ik voel mij in elk geval niet thuis in de academische c.q. hermetische stroming”.
Hij publiceerde in Tirade (1972) en Ballustrada (2018) en heeft twee poëziebundels in voorbereiding, waaruit hier voorbeelden.

foto: Ria Van den Abeele

 

Bruidssluier

Eigenlijk hebben we het
stadium van de hooizolder
nooit helemaal achter ons gelaten.

Alles beter dan een
doorsneerelatie, die gevangenis
van het patriarchaat.

Je voerde een zachte guerrilla
tegen de gevestigde orde – samen
belichaamden wij een kruistocht tegen

de machohorden – alhoewel het
enige lichaam dat mij bekoorde het
jouwe was en ik de geest van je

feminisme hooguit zag als een spannende
bruidssluier die ik in bed (of daarbuiten)
van je naaktheid mocht trekken.

uit: Memento (bundel in voorbereiding)

 

Het vlakke land

Soms overvalt het mij dat bijna
nergens in Nederland gesteente
boven de grond uitkomt.

Dat de kloven en dalen diep
onder onze voeten bedolven
zijn door een dikke laag grond.

De vlakte waarop wij
leven staat getekend
op ons gezicht.

Effen bezien wij de wolven
aan onze kust. En de golven,
in het Hollandse licht.

Calvijn is niet onze
aartsvader. Wij zijn
geboren uit sediment.

Klei is de god die onze
voetsporen vult en onze
voetstappen dempt.

uit:  Neem de dingen (bundel in voorbereiding)

Peter Prins


Prins bezit twee zwemdiploma’s, een rijbewijs en woordblindheid, en woont in Wladiwostok, een gebouw op een eiland in de haven van de grote stad en loopafstand van het goudeneeuwse centrum. Zijn aankomst op dat eiland die plek in een paar jaar tijd uit de grond gestampt, waar slechts één loods aan vroeger herinnert, met gebouwen die over een enorm gebied met verglijdende grenzen zijn uitgestrooid, was voor hem een onthutsende ervaring.

foto: Giovanna Vivian

 

(Elk gedicht opent met een coördinaat, die de plek aanwijst vanwaar gekeken of geluisterd wordt.)

 

52° 00′ 40” NB, 4° 20′ 14” OL, 07:52 u,

lief inzicht,

I
het station, tas openritsten, schrift op schoot, tunnel in zien, licht, vanuit de richting waar we niet gaan, de tegengestelde,

anderen, onbekenden, eten staand, drinken lopend, hebben een huid waaraan geraakt kan, willen, bedekt, de gesloten ogen, zonder onderscheidt, door de ander, anderen, en zichzelf,

grijs is een kleur, zwart en wit, een verbleekt blauw petje, artistiek of zonder ziel, zo iets heet ook wel zielloos,

vanuit het coupéraam kan je de rode en gele velden, haaks tegen de coniferen, grazend vee, vinex, oude bomen rond het plein, bramen en wegwaaiende pamfletten zien,

ik had mee je willen vragen,

II
over zielenroerselen, het onmogelijke, en stommetje spelen,
een lege maag, een hartslag (54 – 56 p/m), hematocriet 0,55 l/l, haargroei daar waar het een jaar geleden niet was,

III

in de rijdstoelen er achter likt zij een envelop dicht, drukt een minuscule pil uit een groene strip en slikt die, waarschijnlijk, in,

langs het raam aan de andere kant schieten de bomen voorbij, smalle velden met vee, een boerderij, bossages, in het gras slapende schapen, een groep huizen, parken, een veld, breder dan de vorige en wegwaaiende pamfletten,

hoe onderscheiden vinken zich van lijsters, lijsters van hoenderen, en die van kraaiachtigen,

IV
lieve,

moedwillig leg je het hoofd op het zwarte tasje, ogen open, het wordt zonniger, 15:20 u., wandel zonder je jas, rijden we weg vanuit een licht modern aandoend station,

 

52° 56′ 38” NB, 4° 56′ 11” OL, 08:18 u,

lief uitzicht,

zo te zien tast je het besmeurde raam af, mannen op de hydraulische lift, bewapend met een hogedrukspuit maken, in opdracht, de betonnen rand van de borstwering schoon, het wekt geen argwaan, alleen weerzin de ramen opnieuw schoon te moeten maken,

de ver strekkende grasvelden zijn leeg, geen kokmeeuwen, geen kauwen, wit en zwart kleuren om rekening mee te houden, net als het grijs dat er boven hangt, het verhult het grenzeloze er achter, de reuring omdat de bron van goud is gevonden, extase, veel verder ben je niet gekomen,

de zes platanen, vol blad, staan in het veld, je telt ze elke ochtend, als je naar rechts beweegt komt de zevende vanachter de raamlijst vandaan en wordt je aandacht getrokken naar het oranje zwaailicht aan de overkant van de oude binnenhaven, waarschuwingslicht dat in de ramen van het rechthoekige flatgebouw weerkaatst, kleine figuurtjes glijden er van oost naar west,

over het klinkerpad gaat een jonge vrouw op een gele fiets richting het plein, een tweede zet haar fiets in het rek naast het gebouw aan de overkant, ze draagt een rugtas en een dikke zwarte jas, zwart is een kleur, daadkrachtig gaat ze het gebouw binnen,

iemand anders, die van het glooiende pad, richting het klinkerpad, aankwam, besluit halverwege het glooiende pad de flauwe bocht achter de vuilnisbak af te snijden, staand op de trappers zet ze extra vaart om het gras te ontvluchten,

je ziet dat er toch kokmeeuwen neerstrijken in een van de ver strekkende velden, een handvol, 12 stuks tel je twijfelachtig, een enkele vliegt op om bij een ander neer te strijken, de zevende bij de achtste,

over de kade aan de overkant glijden kleine figuurtjes van oost naar west,

van boven klinkt een signaal, de was is klaar,

nu ga je traag, zonder het nemen van een heldere beslissing, de zwarte schoenen aantrekken, de grijze wollen jas kiezen, het gedicht The Glass Essay in een kleine zwarte tas stoppen, om naar het station te lopen,

je gaat lopen om de kwetsuur aan de rug te verhelpen, je weet nu al dat je in de andere stad, aan tafel, de handen in de schoot legt, niet of er een zucht ontsnapt,

Paul Vincent

Paul Vincent gaf in 2010 de bundel ‘In tegenstrijd’ uit met verzen over het door sloop bedreigde polderdorp Doel. In 2014 verscheen de bundel ‘Trommelvuur’, een verzameling gedichten over de Eerste Wereldoorlog.
Ondertussen behaalde hij meerdere poëzieprijzen. Dit jaar de tweede prijs in de Poëziewedstrijd van de Stad Oostende, de eerste prijs in de Hilarion Thans Poëziewedstrijd van de gemeente Lanaken en de tweede plaats in de Gedichtenwedstrijd van de Stad Ronse.

 

foto:  Bart Wynant

 

velo-droom

water zal ik naar je brengen
bloemen plukken uit de
voor ons verboden voortuin

in het zandpad bij de vaart
met mijn hiel de streep
van aankomst trekken

ik wil je sproeten
vrij van modder vegen
de zegepalm aandragen

en trouwen met een tricolore
kampioen die mij voeren kan
achterop zijn fiets

naar de kermis in het dorp

 

de tranen van laurentius

een kater die ons nog kende
van bedorven spek op de stoep
streek toch langs ons heen

zwijgend keken we naar een hemel
die maar niet wou openbreken
voor de regen van vallende sterren

ons in het laatste journaal beloofd
de wensen sinds lang bedacht
verdwenen bij het aantreden

van de nieuwe dag
zo dan moet geluk zijn
een zwellend orkest van vogels

dauw op het ongemaaide gras en wij
daar tussenin zonder een woord
van spijt om wat niet was

(‘de tranen van laurentius’: meteorenzwerm in augustus)

Gedichten Rinske Kegel

Vis

In geen andere ogen dan
de jouwe is het licht
zoals het in de vroege avond
door gesloten luxaflex heen piept

Sijpelend, dansend stof
bijna verdwenen
in het vreemdgaan
in het zuchten over andermans dromen
in de naïeve wens voor eeuwig te willen leven

Zoals een pit in de groenbak
de bijvangst in een visnet
nergens zo tergend hoopvol
zo naar adem happend

 

Crackers

Had ik beter voor ander landen moeten zorgen
met name de gebombardeerde en uitgedroogde
had ik water moeten druppelen op gebarsten lippen
landen zijn net mensen

Ik deed een pak crackers in de zak van Het Leger Des Heils,
ik begreep niet wat ze aan kleding zouden hebben
als ze honger hadden

Ik was een rijk land
ik deelde koekjes uit aan de poppen
iedere pop kreeg evenveel
behalve mijn lievelingspop Rosa
maar ze pasten allemaal in mijn armen

 

Ochtenddauw

Zwart zieltje, kolenfabriekje,
mijnschachtje, riooltje,
vertel wat er is gebeurd.
Wanneer is de kleur vervaagd,
het licht verdrongen.

Was het toen je een kind verwekte
op een natuurkampeerterrein ?
Of veel eerder al, toen je zelf verwekt werd,
je maar een halve wens was,
nog meer iets dat gewoon ontstond
als de ochtenddauw op een blad.
Schitterend als een parel
wachtend op de vernietigende
warmte van de dag.

 

Alles is goed, mama

Ik zag een schip met jou er in, het was een heel groot schip.
Jij was een puntje op dat schip, een enorm schip, de zee nog groter.
Je bestuurde het schip maar dat wist je nog niet.
Je wist wel waarheen maar je zag het nog niet.
Wat leek je klein op die zee, op dat schip. Ik zag de hele zee
met alles erin, de haaien, de kliffen, de ijsbergen,
de stormen die zouden komen, de lekkages, de stroomuitval.
Jij op dat schip zonder zwemvest, zonder iets, helemaal bloot
en koud op dat schip en dat hele schip verroest, het was eigenlijk een vlot,
meer een balk, een plank waar de rot in zat, waar je je
aan vastklampte met je laatste krachten en je zou vast verdrinken.
Ik dacht: wie laat er nou haar eigen kind ten onder gaan, verzuipen
in je eigen hoofd, wie laat haar een metafoor zijn van angst.

Jij bleef gewoon varen, je bleef drijven, je zag de wolken
weerspiegeld in het water, vliegende vissen en eilanden
met groene bossen. Je ging ergens heen en je zou
ergens aanleggen en iemand zou zijn hand uitsteken
om je van boord te helpen, er zou een bed zijn en brood en thee.
Vreemd eten dat naar meer smaakte, nieuwe gewoontes.
Er zouden mensen zijn om verliefd op te worden
en mensen om je aan te ergeren. Iemand die van je
zou winnen met schaken. Je zou een ansichtkaart
sturen met: alles is goed, mama,
ik heb verloren met schaken,
maar ik ben verliefd.

Gedichten Jaap van den Born

Leeg

Het universum om ons heen bestaat
Zoals de vierkantswortel uit -1
Het is er niet, al valt er mee te werken

U ziet dus niets dan leegte om u heen
Al denkt uw geest ook heel wat op te merken
Maar het concept van geest is ook al leeg

Slechts hij die zijn niet-zijn zo kan beperken
Nooit zag, dacht, hoorde, voelde en steeds zweeg
Begrijpt waar het in wezen over gaat

De ware kennis is dus kort gezegd
Slechts voor de ware leeghoofd weggelegd

(Nāgārjuna, circa 150-250)
uit Een hoop genavelstaar, rijmcanon van de Oosterse filosofie

 

O gouden schilden die het kwaad afweren!
Uw dragers zijn verzwolgen door de Tijd
Waarom zou ik dan naar belezenheid
Naar studie en begrijpen gaan begeren:

Het is slechts ondergang waar dit toe leidt
Gods wijsheid liet mij bloeien en floreren
Met slechts één doel: het snoeimes te trotseren
De door hem aangestelde wacht ten spijt

Niets kan de rampen uit ons leven weren
Wij zijn een schip dat op de golven rijdt
En ankert bij de Dood, en eeuwig scheidt
Het leven zich dan van de sterrensferen

De hoge bergen blijven en als krijt
Staat bleek de maan en razend galopperen
Kamelen van het noodlot, zij lanceren
Hun woeste aanval; niemand krijgt respijt

Wie poogt door vlucht zijn kansen te doen keren
Voelt dat de doorn zijn voetzool openrijt
Hij struikelt over schedels – een tapijt
Dat kil een onheilsmaan laat reflecteren

Wie treuzelt bij tumult en wapenfeit
Die staat opeens vooraan bij decoreren
Wie in de slag vooropgaat met chargeren
Die raakt geheid zijn kop-positie kwijt

uit  Uit vrije dwang (Luzum ma la yalzam), vertaalde gedichten van Aboe l-Alaa al-Ma’arri (met de arabist Pieter Smoor, Uitgeverij De vrije gedachte, 2007

 

Dichtwerk

‘Ga toch eens werken man!’
Daar is Euterpe weer
Werken? Ik grijp naar
Mijn waterpomptang

Want als poëet ben je
Waternaarzeedrager
Al wat je weet
Weet de zee al heel lang

(nieuw, primeur voor Meander)