Gedichten

door Lia Spitters (1957)
vogels drinken zand
de bomen zijn rood aangelopen
bladeren vallen niet

nu het nooit meer winter wordt
kruipt de kat in zijn bak
stoffig donker dicht
trekt schichtig
korrelsporen naar zijn eten

onze bak hangt boven bomen
stoffig niet meer donker dicht
sinds de zon door ozon straalt
slapen we licht
en open

de zomerslaap brengt natte dromen
ijstijd uit de diepvrieskist
mikken we betonnen kruimels
naar rode kruinen
 

Gemini

ik ruik naar blauwe lucht
jaag op hazen
in een gele prairiezee

ik bouw een burcht van zand
langs oevers
van een verdwenen meer

een oor aan de grond
wacht ik op paardenhoeven
vlag op de toren raadsels

ik ga twee stap voorwaarts
een stap terug

zij
die niet van paarden houdt
weigert rood te dragen
kan niet vliegen

ik drink het bloed
van eeuwig zusterschap
 

de laatste dankbetuiging gaat schuil
onder verse vakantiepost
dat is nog niks

in avondlucht zweven
perzikbomen
een buurvrouw veegt
de dag op een hoop

de voordeur blijft dicht
of iemand anders doet open
ik ben alleen met voetstappen
van nachtdieren op het dak

dood de tijd met jou
 

Gedichten

door Bart Moeyaert (1964)

GEDICHT VOOR GELUKKIGE MENSEN

Van alle mensen die
het lachen is vergaan,
loopt een op de drie blind over je heen
en kijkt dan om.
De wereld is juist niet van iedereen,
dat slag.
De overige twee vallen niet op.
Hun armen bungelen halfstok.
Onder hun tong zit gram.
Ze kennen haast geen zinnen
zonder tss.
Zo zuinig zijn ze op hun lucht.
Je staat erin voor je het weet.
Heb ik iets van je aan misschien
is uit hun mond geen vraag.
Een wenk: kijk naast hun kleren.
Wijs naar elkaar, wijs naar
het water met de zon erboven.
Zeg blije dingen als:
wij moeten zeer de moeite zijn,
als zelfs de zee tot hier komt,
weggaat
en zich weer bedenkt.

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)

 

ZIE:

Niets is voor u. Niets is voor u bedoeld.
U wordt nochtans gewenkt. Onbekend is
onbemind. Dat is de naam voor alles
wat uw leven lastig maakt. Van jassen
vindt u vast de kraag het mooist. Het is
de heg die u graag hebt. Hij dient niet om
er overheen te kijken. Hij houdt uw adem
dichtbij uw gezicht. Van decemberdassen
heeft u er een paar. Het kan niet gauw genoeg
gaan vriezen. Dan mag u kop in kas het waaigat in.
Waarom zo bang. Het is vergissen wat ons bindt.
Het zijn de fouten die ons op elkaar doen lijken.
Zie: de spons erover. Zand. Als u van koud houdt,
denk aan januari. Dat is wat heet een fris begin.

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)

 

VROUW EN KIND

voor D.

Was je niet liever thuisgebleven?
Had je de oceaan niet moeten laten,
breed als hij is, en heb je onze kou
dan nooit gehaat? Dichtbij de evenaar
is de maan een boot, een hand, een kom.
Daar kan wat in. Veel zorg. Hier niet.
Hier wast de maan als een doof oor.
Ze leunt en luistert niet. Je hebt de man
die jong maar moe was niet gekend.
Hij leed waarschijnlijk aan het draaien
van de aarde. Dat moet haast wel, als je
de waarde van de warmte vergeet en
op een middag vindt dat de zon nu
lang genoeg geschenen heeft. "Hoezo
heb je het koud. Last van mijn blik?
Koud om je hart? Koud als je valt?
Jij was hier nog niet eerder, wel.
Went het een beetje onderhand.
Heb je het naar je zin of niet. Vind je
dit land geen land voor jou misschien,
geen land van melk en honing.
Hoor ik je taal, hoor ik je heimwee,
hoor ik je, hoor ik je, het is je geraden,
van wie is dit kind?" Het duurt geen tel
en de stad is veranderd. Dat dacht ik
vannacht toen de maan hier een oog was,
en boven het land van je moeder een hand.
Een boot. Een kom. Ik vroeg me af
of jij ook na je dood blijft zorgen
voor het kind. En zal ik eens in jouw plaats
vragen wat een ander daarvan vindt?

(c) Stadsdgedicht Antwerpen
Uit Gedichten voor gelukkige mensen (uitgeverij Querido, 2008)

 

Gedichten

door Maren Mostert (1965)

schijndood

ze zeiden dat jij het was
tussen rekwisieten
bloemen en gebogen hoofden

we liepen naast onszelf
jij ging ons voor
omdat wij volgden

iemand deed de zon aan
want weet je nog
het was hartje zomer die dag
 

leeggebloed

we gingen verder
stouwden kasten overvol

en bij verjaardagen
kusten we lucht

jij schonk expres
de verkeerde wijn

zo lang heeft het geduurd
voor de dagen dood waren
 

ingerukt

tussen het stof
in de ficus nestelt
een gedoodverfde vogel

hoe ik ook schreeuw, spring
en zwaai met mijn armen
hij knippert niet eens

er waren goede dagen
met de wind door het huis
en vogels buiten

alles op zijn plek
bewoog
 

van papier

binnen de perken
als de hokjes
die ik aanvink

bent u gehuwd
of duurzaam gescheiden?

bent u gek
of gestoord als de rest?

te veel
naar waarheid ingevuld
kan ik niet liefhebben
 

Gedichten

door Nafiss Nia (1968)

Dode vissen

De voetstappen van de nacht
op de veranda van de vergeten lente
zijn ongetwijfeld het neuriën voor het onvindbare.

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is berouwvol dichtbij,
de blikken van mijn zusters
zijn nog altijd in afwachting
en het zout dat de gedachten van de zee
bezig houdt, grijnst
pronkend de dode vissen toe:
"Jullie geheim is veilig bij mij"

Verspreid
de verloren dagen
over de gouden golven van de zon.

De nacht is zo berouwvol dichtbij.

 

Onderweg

Met een vlinderjas
twee goudvissen
en een koffer vol blauw
stap ik de stilte in;
reis rond in de lucht.

Af en toe logeer ik bij de wind
wandel ik met de maan
of schommel op een blad.

Niets is me afgenomen
behalve alles.

Ik reis naar binnen en buiten
dichtbij gefluister en ver van kabaal.
Ik reis dromerig naar mijn einde:

het vliegen.
 

Zonder geel, rood en bruin

Gesloten vensters doen mij
denken aan het verdriet
van de sterrenloze hemel
aan de bruiloft van de doden
aan de thuisloze herfst
zonder geel, rood en bruin.

Gisteren dat in niets op vandaag leek
sloeg de vensters voorgoed dicht,
de morgen die de dood van vandaag uitzwaait
opent de gesloten vensters van gisteren.
 

Herschepping

De zon is nog niet op.

Ik neem afscheid van de tuin
die naar hemeltranen verlangt
en de waslijn die altijd zucht.
Ik groet de kievitskooi van de buren,
de paardenbloem, het gevecht
tussen rode en de zwarte mieren
de pyjama van mijn jeugd, de hoelahoep.
Ik gooi alle seizoenen weg en
de regenboog schrap ik uit het woordenboek.
Ik vlucht van de besproeide veranda, de eikenboom
de speelse spelletjes van toen, het gevoel van vreemdheid

van haar, van hem
en bovenal van mijn moeder.

Ik val in de vijver van
volwassenheid en verdrink.
 

Dwaas

Vleugels die ik niet heb wil ik breken,
het vliegen dat ik niet kan, stoppen
ik wil thee drinken met
de noga die ik niet lust
mijn ogen dichtplakken van licht
afscheid nemen en slapen.

Ik wil terug naar het verloren moment
naar de vergeten lach
naar de tuin en de vijgenboom.

Maar ik ga huiverig voorwaarts
naar het blinde vooruitzicht,
het voorspelbare toeval,
het stille gezelschap,
naar morgen met de hoop een tros druiven
te plukken in het ochtendgloren.