Gedichten

door Gerard Scharn (1946)
vals!

je speelt viool zeg je
en voelt je zigeunerin
je speelt met verve
zwarte ogen
en wat Roma pop

ben je ooit vaginaal gevisiteerd
door geile douaniers
en teruggestuurd naar waar
je niet welkom bent
draag jij ook het lood
van een kampverleden
hoor je nog het
dichtslaan van de deuren
van de veewagons?




in plaats van de Heer

somber tuurt hij in zijn glas
en kijkt mij daarna vorsend aan
geen mens, zo zegt hij donker
met een stem doorrookt en hees
moet zo lijden als ik nu lijd
hij neemt een slok
en nog een tweede

de Boze is in mij
ik ben door de drank bezeten




In zeven Japanse kleuren

een getatoeëerde roos laat langzaam los
als ze boven water komt
haar lichaam uit de modder losgezogen
haar identiteit blijft daar beneden
het is slechts een naamloos lijk
dat aan komt drijven


Gedichten

Introduction to Poetry

I ask them to take a poem
and hold it up to the light
like a color slide

or press an ear against its hive.

I say drop a mouse into a poem
and watch him probe his way out,

or walk inside the poem’s room
and feel the walls for a light switch.

I want them to water-ski
across the surface of a poem
waving at the author’s name on the shore.

But all they want to do
is tie the poem to a chair with rope
and torture a confession out of it.

They begin beating it with a hose
to find out what it really means.



Inleiding in de poëzie


Ik vraag hen een gedicht te nemen
en het tegen het licht te houden
als een kleurendia

of een oor tegen zijn bijenkorf te drukken.

Ik zeg: laat een muis in een gedicht vallen
en kijk hoe hij zijn weg naar buiten zoekt,

of loop rond in de kamer van het gedicht
en tast langs de muren naar een lichtknopje.

Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van een gedicht
zwaaiend naar de naam van de dichter aan de kant.

Maar het enige dat ze willen
is het gedicht met touw vastbinden op een stoel
en er een bekentenis uit martelen.

Ze beginnen het met een eind slang te slaan
om uit te vinden wat het werkelijk betekent.



The Lesson


In the morning when I found History
snoring heavily on the couch,
I took down his overcoat from the rack
and placed its weight over my shoulder blades.

It would protect me on the cold walk
into the village for milk and the paper
and I figured he would not mind,
not after our long conversation the night before.

How unexpected his blustering anger
when I returned covered with icicles,
the way he rummaged through the huge pockets
making sure no major battle or English queen
had fallen out and become lost in the deep snow.



De les

Toen ik Geschiedenis ’s morgens
hevig snurkend op de bank aantrof,
haalde ik zijn overjas van de kapstok
en hing het gewicht om mijn schouders.

Het zou mij beschermen tegen de koude tocht
naar het dorp voor melk en krant
en ik dacht dat hij het niet erg zou vinden,
niet na ons lange nachtelijk gesprek.

Hoe onverwacht zijn stormachtige woede .
toen ik terugkwam, overdekt met ijspegels.
Zoals hij woelde door zijn reuzenzakken
om zeker te zijn dat er geen grote veldslag of Engelse koningin
uit was gevallen en verloren geraakt in de diepe sneeuw.



Another Reason Why I Don’t Keep A Gun In The House

The neighbours’ dog will not stop barking.
He is barking the same high, rhythmic bark
that he barks every time they leave the house.
They must switch him on on their way out.

The neighbours’ dog will not stop barking.
I close all the windows in the house
and put on a Beethoven symphony full blast
but I can still hear him muffled under the music,
barking, barking, barking,

and now I can see him sitting in the orchestra,
his head raised confidently as if Beethoven
had included a part for barking dog.

When the record finally ends he is still barking,
sitting there in the oboe section barking,
his eyes fixed on the conductor who is
entreating him with his baton

while the other musicians listen in respectful
silence to the famous barking dog solo,
that endless coda that first established
Beethoven as an innovative genius.



Nog een reden waarom ik geen geweer in huis heb

De hond van de buren houdt niet op met blaffen.
Hij blaft diezelfde hoge, ritmische blaf
die hij altijd blaft als ze het huis verlaten.
Ze zetten hem zeker aan bij het weggaan.

De hond van de buren houdt niet op met blaffen.
Ik sluit alle vensters in het huis
en draai een Beethovensymfonie op vol volume
maar ik hoor hem nog gedempt door de muziek heen
blaffen, blaffen, blaffen,

en nu kan ik hem zien zitten in het orkest,
zijn kop vol vertrouwen geheven alsof Beethoven
een partij voor blaffende hond heeft toegevoegd.

Zelfs als de plaat eindelijk afloopt blaft hij nog,
hij blaft daar in de hobosectie,
zijn ogen gericht op de dirigent die hem
bezweert met zijn baton

terwijl de andere musici in eerbiedige stilte
luisteren naar de beroemde solo voor blaffende hond,
die eindeloze coda die voor het eerst
Beethovens roem van grote vernieuwer vestigde.



Shoveling snow with Buddha


In the usual iconography of the temple or the local Wok
you would never see him doing such a thing,
tossing the dry snow over a mountain
of his bare, round shoulder,
his hair tied in a knot,
a model of concentration.

Sitting is more his speed, if that is the word
for what he does, or does not do.

Even the season is wrong for him.
In all his manifestations, is it not warm or slightly humid?
Is this not implied by his serene expression,
that smile so wide it wraps itself around the waist of the universe?

But here we are, working our way down the driveway,
one shovelful at a time.
We toss the light powder into the clear air.
We feel the cold mist on our faces.
And with every heave we disappear
and become lost to each other
in these sudden clouds of our own making,
these fountain-bursts of snow.

This is so much better than a sermon in church,
I say out loud, but Buddha keeps on shoveling.
This is the true religion, the religion of snow,
and sunlight and winter geese barking in the sky,
I say, but he is too busy to hear me.

He has thrown himself into shoveling snow
as if it were the purpose of existence,
as if the sign of a perfect life were a clear driveway
you could back the car down easily
and drive off into the vanities of the world
with a broken heater fan and a song on the radio.

All morning long we work side by side,
me with my commentary
and he inside his generous pocket of silence,
until the hour is nearly noon
and the snow is piled high all around us;
then, I hear him speak.

After this, he asks,
can we go inside and play cards?

Certainly, I reply, and I will heat some milk
and bring cups of hot chocolate to the table
while you shuffle the deck.
and our boots stand dripping by the door.

Aaah, says the Buddha, lifting his eyes
and leaning for a moment on his shovel
before he drives the thin blade again
deep into the glittering white snow.



Sneeuwruimen met Boeddha


In de gebruikelijke iconografie van de tempel of de plaatselijke Chinees
zou je hem nimmer zoiets zien doen,
droge sneeuw over de berg
van zijn naakte, ronde schouder werpen,
zijn haar in een knot gebonden,
een schoolvoorbeeld van concentratie.

Zitten is meer zijn tempo, als dat het woord is
voor wat hij doet, of niet doet.

Zelfs het seizoen is het verkeerde voor hem.
Is het bij al zijn verschijningsvormen niet warm en klam?
Ligt dat niet verscholen in zijn serene gelaatsuitdrukking,
die glimlach die zo breed is dat hij zich rond het middel van het universum windt?

Maar hier zijn we, ons een weg banend langs de oprit,
schep voor schep.
We werpen de lichte poeder in de heldere lucht.
We voelen de koude nevel op onze gezichten.
En met elke schep verdwijnen we
en raken voor elkaar verloren
in deze plotselinge wolken van eigen makelij
deze fonteinuitbarstingen van sneeuw.

Dit is zoveel beter dan een preek in de kerk,
zeg ik hardop, maar Boeddha blijft scheppen.
Dit is de ware godsdienst, de godsdienst van de sneeuw,
en zonlicht en winterse gakkende ganzen in de lucht,
zeg ik, maar hij is te druk bezig om me te horen.

Hij heeft zichzelf op sneeuwruimen geworpen
alsof dat het doel van het bestaan is,
alsof het een teken van volmaakt leven is
dat je met de auto gemakkelijk achteruit kunt rijden
over een schone oprit, op weg
naar de ijdelheden van de wereld
met een kapotte ventilator en een liedje op de radio.

De hele morgen werken we zij aan zij,
ik met mijn commentaar
en hij gehuld in de gulle buidel van zijn zwijgen,
tot het bijna middag is
en de sneeuw hoog opgetast om ons heen ligt;
dan pas hoor ik hem spreken.

Kunnen we hierna, vraagt hij,
naar binnen gaan en een potje kaartspelen?

Zeker, antwoord ik, en ik zal wat melk opwarmen
en koppen chocolademelk op tafel zetten
terwijl jij de kaarten schudt,
en onze laarzen druipend bij de deur staan.

Aaah, zegt Boeddha, zijn ogen opheffend
en een ogenblik op zijn schep leunend
voor hij het dunne blad weer
diep in de glinsterende witte sneeuw drijft.



Constellations


Yes, that’s Orion over there,
the three studs of the belt
clearly lined up just off the horizon.

And if you turn around you can see
Gemini, very sensible tonight,
the twins looking off into space as usual.

That cluster a little higher in the sky
is Cassiopeia sitting in her astral chair
if I’m not mistaken.

And directly overhead,
isn’t that Virginia Woolf
slipping along the river Ouse

in her inflatable canoe?
See the wide-brimmed hat and there,
the outline of the paddle, raised and dripping stars?



Sterrenstelsels

Ja, daarginds staat Orion,
de drie knoopjes van de riem
helder op een rij boven de horizon.

En als je je omdraait kan je
Gemini zien, heel lichtgeraakt vannacht,
de tweelingen kijken weer eens van ons weg, de ruimte in.

Dat groepje, wat hoger in de lucht,
is Cassiopeia, zittend in haar astrale stoel
als ik me niet vergis.

En recht boven ons,
is dat niet Virginia Woolf
die de Ouse afzakt

in haar opblaasbare kano?
Kijk, de breedgerande hoed en daar,
de omtrek van de peddel, geheven, druipend van sterren.



Love

The boy at the far end of the train car
kept looking behind him
as if he were afraid or expecting someone

and then she appeared in the glass door
of the forward car and he rose
and opened the door and let her in

and she entered the car carrying
a large black case
in the unmistakable shape of a cello.

She looked like an angel with a high forehead
and somber eyes and her hair
was tied up behind her neck with a black bow.

And because of all that,
he seemed a little awkward
in his happiness to see her,

whereas she was simply there,
perfectly existing as a creature
with a soft face who played the cello.

And the reason I am writing this
on the back of a manila envelope
now that they have left the train together

is to tell you that when she turned
to lift the large, delicate cello
onto the overhead rack,

I saw him looking up at her
and what she was doing
the way the eyes of saints are painted

when they are looking up at God
when he is doing something remarkable,
something that identifies him as God.



Liefde


De jongen aan het andere eind van de treinwagon
bleef over zijn schouder kijken
alsof hij bang was of iemand verwachtte

en toen verscheen zij in de glazen deur
van de voorste wagon en hij stond op
en opende de deur en liet haar binnen

en ze betrad de wagon met
een grote zwarte kist
met de onmiskenbare vorm van een cello.

Ze oogde als een engel met een hoog voorhoofd
en donkere ogen, haren in haar nek
bijeengebonden met een zwarte strik.

En vanwege dit alles
scheen hij een beetje onhandig
in zijn geluk om haar te zien,

terwijl zij er gewoon was,
volmaakt schepsel
met een zacht gezicht , dat cello speelde

En de reden dat ik dit schrijf
op de achterkant van een manilla envelop
nu zij de trein samen hebben verlaten .

is dat ik je wil vertellen dat –
toen zij zich omdraaide om de grote,
kwetsbare cello in het bagagerek te tillen-

ik zag dat hij opkeek naar haar
en wat ze deed,
zoals de ogen van heiligen zijn geschilderd

als zij opkijken naar God
als hij iets wonderbaarlijks verricht,
iets dat hem tot God maakt.


Verantwoording

De gedichten zijn gekozen uit Sailing Alone Around the Room, Random House Trade Paperbacks, New York 2002, The Trouble With Poetry And Other Poems, Random House Trade Paperbacks, New York, 2005 en Nine Horses, Picador, 2003, allen copyright van Billy Collins.
Bij de vertaling hebben wij er naar gestreefd de speelse, losse parlando-toon van de gedichten te handhaven en zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke betekenis te blijven. We hebben vrijheid genomen waar klank en ritme in het Nederlands dat nodig maakten.

Vertaling: Chris Coolsma en Marijke Oomen

Gedichten

door Daniel Bras (1962)
als je meemaakt
wat ik heb meegemaakt

als je een vinger uitsteekt
en je krijgt er een hand
voor terug

als je lichaam gewend is geraakt
en je niet langer opmerkt
wanneer zij

van je af is gegleden
alsof er een knik in de tijd is geduwd
en deze alsmaar een en hetzelfde uur aangeeft

het uur
waarop elke zenuw
door de poriën van je huid

lijkt te zijn gestoken
alsof haar aanwezigheid is verstomd
en jij jezelf hebt vergeven

niet naar haar op zoek te zijn gegaan



alsof een stip tegen de branding vaart
de nek van de golven breekt
en aanspoelt

je wilt jezelf
uit een bed zien tuimelen
duimen breder dan de aarde

je wilt
wat hij nog in je ziet

de balken onder de pier
zijn zwarte tanden
waarop

met gele verf
vierkante vlakjes land zijn geschilderd

ERBOVEN

in nette telnummers
het cijfer voor zee

er kan gemakkelijk nog een catastrofe bij



als je me vergelijkt
vergelijk jij me
met

een geparkeerde auto
waarvan de deuren zijn opengelaten

iedereen kan me stelen
ze stelen
alleen

de radio
de zittingen
het asbakje

mij laten ze
bij je achter


Gedichten

door Willemien Mensinga (1955)
Buitenstebinnen

de zon stak
verdoofde mijn lichaam draaide zijn as
benen en armen zakten op het gras

ik zag dat het licht veranderd was
de omgeving krulde vreemd op
als een oude foto

langs een vaart trok een man aan touwen
een sjofele schuit kromde zijn lijf
een opstapplaats dacht ik later

en ik werd zijn enige passagier
schreef brieven die bewogen
een reisverhaal op schaal

het water rook, verbrande turf
jeneverflessen en dronkenmanliederen
handen zochten er het harde brood

ik sloot de ogen, voelde de zon om het veen
verlangen schuilde



dagreisje

in mij zijn letters gedrukt
ik ben niet van gisteren

dwars gevouwen
zwart-wit gedachten

glijden door de gleuf
van het huis op de hoek

hoe mijn huid kreukelt
als ik gevonden word

uitgelezen wachten

tot een hand mijn kop pakt
zinnen in stukken scheurt

dan spoel ik met wat nat
door een donker gat



zinloosheid?

ik wist niet dat uilen
naar Athene werden gedragen

op oude gebogen ruggen
de ogen groot en wijs
het in de verte kunnen zien

wie wegwijzer zou zijn
mocht kronkelen, zo’n dode tak
het lot wees mij aan

er werden ballen gebraakt
– veren, haar en botten -
benige mannen met eelt
bleven achter om te schaven

ik kraste de tocht op perkament
later zongen we
wijs geworden liederen

– dat was al in Athene -

Gedichten

door Marc Tritsmans (1959)
Kakofonie

Leg toch even, als je durft, je oor te luisteren
bij deze kakofonie van miljoenen door elkaar
heenschreeuwende moleculen, overal en uit
alle tijden lukraak vandaan gegeten, gedronken,

geademd. En ondertussen alweer bezig met
afscheid te nemen op weg naar een ander
lichaam, een riool, een boomblad, een rivier.
Vertel mij hoe het kan dat zich in deze chaos

een kern, een zwaartepunt bevindt waarrond
alles wentelt, wemelt als een sterrenstelsel.
Dat door anderen wordt herkend. En hoe elk
van ons dit zootje ongeregeld hardnekkig en

met bedrieglijke kalmte bij elkander houdt.



Openbaring

Niets ooit zo fel en blauw
en adembenemend als hij
in paniek net voor mijn voeten

uit de oever schiet rakelings
over water scheert en louter
door zijn voorbijgaan

alle kleur uit het landschap
wegzuigt, de wereld gedurende
één lange seconde in zwart

en wit achterlaat. Wie dit
heeft gezien weet voortaan
dat openbaringen bestaan.



Kairouan (1914)

Zoekende was je al lang maar in de woestijn
in de bloedhete zon voor de poorten van
Kairuan gebeurde het, dat je verbeten bezig
aan aquarel 1914 216, precies zoals Saulus

die door de bliksem werd getroffen, door zoiets
efemeers als louter kleur van je sokken werd
geblazen waarna je nooit meer dezelfde want
ze had je te pakken: “Ik en de kleur zijn één.

Ik ben schilder.” Zo wordt men dus geroepen,
bij dag of bij nacht, één enkele maal, mag men
niet aarzelen, moet men zijn op die ene plek in de
wereld waar het leven als een vuurpijl ontbrandt.


Uit: Man in het landschap