Je moet verliefd worden als het ware

 

Rinske Kegel (1973) is schrijfster van gedichten, verhalen, columns, theater en ‘alles wat hier tussen in valt’. Zij publiceerde en/of droeg voor bij o.a. Op Ruwe Planken, Revisor, De Gids, Extaze en Het Liegend Konijn. Zij schreef regelmatig snelgedichten voor het programma Dit Is De Dag op radio 1. Ze won tal van prijzen o.a. in maart 2018 de 1e prijs bij de Poëzieprijs van de stad Harelbeke.

foto: Lena Scheurwater

 

Hoe selecteer je uit alle creatieve uitingen?
Als het om gedichten gaat heb ik een mapje in mijn computer met nieuwe gedichten. Daar zet ik alle nieuwe gedichten in. Dan neem ik de tijd om er naar te kijken en ga ik schrappen en schaven en weggooien. Dat gaat vrij intuïtief.

Wat is het laatste dat je gemaakt hebt?
Ik moet eerlijk zeggen dat er al een tijd geen gedichten meer uit mijn vingers kwamen. Gisteren schreef ik voor het eerst weer een gedicht: Vis. Heb het vanochtend nog zitten veranderen. Het staat nog in mijn telefoon, kan nog wel even duren voor het in het goede mapje terechtkomt. Wellicht leg ik het voor aan Frouke Arns en Marijke Hanegraaf met wie ik een feedbackgroepje vorm.

Zit er in alles de relativerende humor die jou kenmerkt?
Dat weet ik niet, dat laat ik aan de lezer over. Maar ik denk dat er wel een bepaalde komische tragiek in mijn werk schuilt, een absurdistische toon soms ook. Zo ervaar ik het leven soms ook, volkomen absurd. Hoewel dat wel veranderd is. Ik word steeds bewuster. Dat maakt ook dat ik mijn eigen gedachten zie als dat wat lijden veroorzaakt. Duale gevoelens zorgden er vaak voor dat ik ging schrijven. Nu ik beter doorheb hoe het werkt, heb ik ook minder van die momenten, daardoor schrijf ik ook minder. Taal is duaal, een eenheidservaring beschrijven is vrijwel onmogelijk.

Is het noodzakelijk dat de lezer je begrijpt?
Vind ik van niet. Het verbaast me soms wat mensen zeggen over mijn gedichten. In de recensie van Johan Reijmerink van mijn eigen bundeltje bijvoorbeeld, las hij dingen in mijn gedichten waarvan ik dacht: goh, je weet meer dan ik. Ik vind dat dan ook weer supergrappig. Het gewichtige van zo’n recensie en tegelijkertijd dat het ook maar iets persoonlijks is.

Wat maakt schrijven belangrijk?
Voorheen was het ergens ook een drang naar erkenning voor mij om te schrijven en om dingen die ik niet begreep te kanaliseren. Nu is die noodzaak een beetje verdwenen, lijkt het. Dus ik weet niet eens of ik schrijven nog zo belangrijk vind. Wie weet verandert dat ook weer. Alles verandert constant. Momenteel bevind ik me in de weetnietfase.

Je wint prijzen, verschijnt in tal van bladen, wordt al lang imponerend genoemd, waar wacht men nog op?
Ik heb werkelijk nog steeds geen idee.
JA, WAAR WACHT MEN NOG OP??

Hoe cruciaal zijn die prijzen voor jezelf?
Het is erkenning. Bevestiging van dat je mensen raakt met wat je schrijft, dat je een dichter bent. Ik ben een dichter, dat is het. En met mijn kleine beurs is het ook belangrijk, ik heb er mijn rijbewijs van gehaald. Waardering in de vorm van geld is belangrijk vind ik. We treden vaak op voor een appel en ei op. Mijn eerste geld dat ik kreeg voor een gedicht in een tijdschrift, dat is gewoon fantastisch en ook niet meer dan normaal.

Je hebt in eigen beheer uitgegeven. Hoe veelzeggend is de titel van die bundel, Als ik win verlies ik mijn reputatie als verliezer?
Inmiddels steeds veelzeggender. Ik realiseer me dat ik allebei ben, een winnaar een verliezer en juist daarin schuilt de essentie. Alles bestaat naast elkaar. Het was toen ergens ook een sneer naar uitgeversland: een bundel uitgeven in eigen beheer met alleen gedichten waarmee ik iets gewonnen had. En bij optreden vroegen mensen steeds naar een bundel. Ze gingen als
warme broodjes en zijn inmiddels op.

Hoe essentieel is het gezien (gelezen) te worden?
Inmiddels dus veel minder belangrijk. Ik geniet nu veel meer van een voordracht op een klein podium met mensen die ik kan raken. Dat wat er dan ontstaat is zo ontzettend mooi. Op het moment dat ik voordraag word ik het gedicht en alle toehoorders worden het gedicht. We zijn dan even nergens anders meer, dat vind ik pure magie.

In een interview met Digther-redacteur Frank Decerf zeg je dat de inhoud vaak minder belangrijk gevonden wordt dan de buitenkant. Heb je een manier gevonden om daar mee om te gaan?
Ja, ik kijk nu meer naar binnen dan naar buiten. Ik kon vreselijk jaloers zijn op anderen die net aan de weg timmerden en dan al werden binnengehaald bij een uitgever. Nu weet ik wat ik waard ben en dat het meer gaat om me goed te voelen bij wat ik doe en dat te volgen. Of het per se goede gedichten oplevert, dat blijkt nog niet, haha, maar ook dat is goed.

In je voordracht is duidelijk dat je ook aan theater doet. Is het contact met het publiek een voorwaarde?
Zoals ik al eerder zei, kan ik daar enorm van genieten. Ik vind het belangrijk dat je een gedicht tot leven laat komen als je het voorleest. Ik kan soms doodmoe worden van sommige voorlezers omdat ze geen contact maken, mompelen, of de bekende slamdreun ten gehore brengen. Bij mij is het elke keer anders. Ik weet hoe helder en verstaanbaar het moet zijn, maar ik breng ook de emoties over die in het gedicht zitten. Als ik boom zeg, zie ik die boom ook, voel ik die boom.

Het is ook bijna alsof je de luisteraar iets wilt meegeven: wat luchtigheid, wat nadenken. Denk je daar bewust over na? Schrijf je met de lezer in gedachten?
Ik weet dat dus niet zo goed. Erik Lindner zei laatst dat ik soms een moraal heb in mijn gedichten. Toen dacht ik: ja misschien wil ik ook iets in beweging zetten, maar ik wil niet mijn visie opdringen. Iets dat aandacht nodig heeft, denk ik. Ik ga daar nog eens goed naar kijken. Nooit te oud om te leren.
Ik lees vaak hardop wat ik schrijf, wil dat een gedicht zowel op papier als op het podium werkt.

Als schrijven een proces is, is het eindresultaat dan minder belangrijk?
Nu ik veel meer in het hier en nu leef is dat zeker zo. Het plezier van het schrijven is veel belangrijker.

Wat is een goed gedicht?
Weet jij het? Ik nog steeds niet helemaal. Er moet iets gebeuren. Je moet verliefd worden als het ware. Je moet denken; ja dat is zo, zo is het. Volkomen subjectief, maar zo is het.

 

Poëzie moet helemaal niets

 

Jaap van den Born (Nijmegen, 1951) is een Nederlandse dichter en illustrator. Als dichter debuteerde hij in 2005 met de bundel 2000 jaren Nijmegenaren, gevolgd door Drs. P revisé, dat hij samen met Drs. P schreef. Van zijn hand zijn inmiddels achttien (papieren) bundels verschenen en ruim tien e-books.
In 2012 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Kees Stip-prijs. Jaap van den Born is hoofdredacteur van Het vrije vers dat in 2008 werd opgericht door dichter Quirien van Haelen. Filosofie, wetenschap en geschiedenis zijn belangrijke thema’s in zijn werk. Lees verder Poëzie moet helemaal niets

Een dichtbundel is een soort inventaris

 

Frank Pollet (1959) schrijft en publiceert. Gedichten, kinderboeken, educatieve werken. Hij is getrouwd met kinderboekenschrijfster Moniek Vermeulen, met wie hij samen de hoofdredactie vormt van Klap, een actuamagazine voor 8-9-jarigen.


Allereerst, hoe is de nieuwe bundel (Turbulenties, Kleinood & Grootzeer, december 2017) ontvangen?
Als je hengelt naar reacties in de pers, dan moet ik het antwoord schuldig blijven; ik heb geen weet van welke recensie dan ook. Blijkbaar vindt niemand het interessant genoeg om eens te bekijken wat ik in de negen jaar na mijn vorige reguliere bundel op poëtisch vlak heb uitgevreten. Anderzijds heb ik heel fijne reacties van lezers in mijn mailbox gevonden. Zal ik dit antwoord hoopvol afsluiten met de boutade dat ik mijn bundel niet voor recensenten, maar voor lezers heb gepubliceerd?

Er zijn slechts 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Is dit een realistische keuze of wilde je voor exclusiviteit gaan?
Die 100 exemplaren, dat was de opzet. Daarvoor heb ik me bij Kleinood & Grootzeer laten inlijven. Gerrit Westerveld maakt heel mooi verzorgde boekjes, zet ze helemaal zelf in elkaar, dat vond ik een meerwaarde. Maar een halfuur na de boekpresentatie was de hele oplage uitverkocht en heeft de uitgever beslist om er nog een oplage tegenaan te gooien. Zelf had ik het liever bij een eenmalige exclusieve druk van 100 exemplaren gehouden, maar ach.

Wat is, vergeleken met je debuut in 1980, de grootste winst van het al jaren schrijven?
Er is geen winst. Ik schreef toen wat ik te schrijven had en dat doe ik nu nog steeds. Er is wel verlies, want er was wel heel veel aandacht voor mijn debuut.

Je bent een literaire duizendpoot. Hoe verhoudt de poëzie zich tot al die andere uitingen? Ga je met haar anders om?
Ik leef van het schrijven, dus staat poëzie de rest eigenlijk in de weg. Ik bedoel: alle tijd die ik in gedichten investeer, kan ik niet in mijn kinderboeken stoppen, en dat is mijn core business, om eens een vreselijk commercieel begrip te gebruiken. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik móét blijkbaar nu en dan gedichten schrijven. Dat stel ik altijd echt zolang uit tot ik als het ware ontplof.

Na 2006 schreef je nog maar mondjesmaat gedichten. In dat jaar kreeg je voor Drie Theremins de Poëzieprijs van Merendree én de Prijs voor de Beste Dichtbundel 2006. Hebben die twee dingen met elkaar te maken?
Nee, het heeft alles te maken met hoelang ik het schrijven van poëzie kan uitstellen. En blijkbaar kan ik dat met de jaren steeds beter. Een dichtbundel is voor mij een soort inventaris. Als er één klaar is, kan ik dat weer achter me laten. En hopen dat ik niet te snel weer moet ontploffen.

Over de nieuwe bundel wordt gezegd dat hij ‘niet vrolijk is’ en ‘een onderzoek naar de onregelmatige wervelende bewegingen in de atmosfeer van het hoofd’; hoe zit het met het hart?
Goed, dank je. Mag ik even melig zijn? Er zit ont-zet-tend veel hart in mijn bundel. Dat hart is de oorzaak van die bewegingen in het hoofd. Het laatste halfjaar heb ik het mentaal erg lastig gehad. Burn-out, depressieve klachten. Als je kijkt wat de oorzaak is, dan kom je bij het hart uit, terwijl het zogezegd allemaal ‘tussen de oren’ zit. Snap je?

In het gedicht Wachtmens * (uit: Dalida, 2004), mijn favoriet, staat ‘hij herkent zich in deze vorm: een vleermuis, of een vis die in een fuik begint te denken’ en ‘wek hem niet, verstoor de klaarte van zijn versvorm niet’. Is het poëzie analyse een dergelijke verstoring? Moeten we wel willen verklaren?
Ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat het rationeel verklaren van poëzie ons ingegeven is door het onderwijs en de maatschappij. We moeten alles kunnen verklaren, uitleggen, … Op school krijgen alle leerlingen elk jaar steevast vragen als: hoe verklaar je…, wat betekent… tot de meest ergerlijke en zinloze vraag: wat heeft de dichter daarmee bedoeld. Terwijl je ook kunt vragen: wat valt je hier op, wat vind je hier interessant, welke woorden / woordcombinaties vind je fijn en waarom, waar kun je van genieten…

Denk je aan de lezer als je gedichten schrijft?
Vroeger wel, maar sinds ik LaDiDa heb geschreven niet meer. Sinds die bundel schrijf ik poëzie voor de ideële lezer, de lezer die heel de Bijbel, en de dikke van Dale kent, die het internet in zijn hoofd heeft zitten, die alles van Spotify kent, … Poëzie is toch spitstaal naar vorm en inhoud? Dan mag je daar toch zo ver mogelijk in gaan?

Op je website staat een aparte categorie poëzie voor jongeren; is dat noodzakelijk? Kunnen jongeren niet uit de voeten met poëzie voor volwassenen?
Mijn doelgroep wat kinder- en jeugdboeken betreft zijn de 10-12-jarigen. Die hebben geen boodschap aan de meeste van mijn volwassengedichten, denk ik. Kinder- en jeugdboeken, ook kinder- en jeugdgedichten schrijf ik altijd heel bewust met de doelgroep in mijn achterhoofd. En dat lijkt me maar logisch, want hun maturiteit is nog niet die van de volwassen ervaren poëzielezer. Kinderen zijn bovendien erg kwetsbare mensen, dus wil ik met hen erg voorzichtig zijn. Wat niet betekent dat ik hen wil betuttelen. Ik behandel hen met heel veel respect.

Nog altijd begint elke dichtregel met een hoofdletter, de vorm kan wel eens verschillen. Doe je dit heel bewust?
Dat heb ik een aantal jaren gedaan ja. Maar ‘Turbulenties!’ betekent onder andere op dat vlak een hele ommezwaai.

Wat zijn de mooiste woorden in het Vlaams? Wat is sowieso de betekenis van taal voor je? Had je dezelfde creativiteit op een ander gebied kunnen hebben?
Ik zeg weleens dat ik het erg jammer vind dat ik niet kan tekenen, zingen of een instrument bespelen. Maar eigenlijk is dat onnodig. Ik ben gewoon een taalmens, altijd geweest. En dus schrijf ik, en daar kan ik best mee leven. Mooiste woorden in het Vlaams? Ik heb er ooit een paar hele mooie ingezonden voor het radioprogramma De Taalstaat op de Nederlandse Radio 1, met presentator Frits Spits. Ik ben toen adoptieouder van het woord nieveranst geworden. Het leverde me, als enige Vlaming tussen negentien Nederlanders, een interview op in het boek 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Van Dale Uitgevers, 2015).

Op je site een prachtige vondst voor het schrijven in opdracht: je woorden zijn te huur. In mijn snelheid las ik ‘huurmoorden’. Wie huurt je in?
Vroeger verhuurde ik mezelf vaker. Bijvoorbeeld aan kunstgieterij Art Casting, een keer aan het Hof van Cleve, aan Sensoa, … Als huurwoordenaar ben ik de laatste jaren niet heel erg actief. En da’s maar goed ook, want ik leg liever mijn eigen eieren dan die van anderen.

Je interviewde zelf een aantal kunstenaars die allen, zo zeg je, maniakaal met hun vak of roeping bezig waren. Hoe gedreven ben jij?
Als je in Vlaanderen van je pen wilt leven, ben je per definitie gedreven, want eigenlijk is het min of meer gekkenwerk. We hebben al zo’n klein taalgebied, en ik zit in een niche, de kinderboeken, en dan vooral nog voor 10-12-jarigen. En toch lukt het om uit het schrijven en wat daarmee verband houdt een inkomen te verwerven waarvan netjes te leven valt. Dat is tempowerk: jaarlijks een boek of twee en een kleine honderd auteurslezingen. Eigenlijk gebeurt hier een klein mirakel, want ook mijn Vrouw, de kinderboekenschrijfster Moniek Vermeulen, is een kleine zelfstandige.

In 2016 ontving je de Cultuurprijs van de Stad Sint-Niklaas. Eervol uiteraard, in hoeverre streef je (nog) naar erkenning?
Dat is een heel dubbele vraag. Wie publiceert, is in zekere zin ijdel en wil gelezen en gewaardeerd worden. Je kunt zeggen dat prijzen krijgen je niks doet, maar dan lieg je, want zo’n prijs is een uiting van waardering en daar ben je sowieso blij mee. Ik was content met de Cultuurprijs van de stad waarin ik aan de rand woon, maar ik kan hem best relativeren. Héél erg relativeren…

*
Wachtmens
(Fnuikman)

Haal hem uit zijn schaduw voor
Hij herkent zich in deze vorm:
Een vleermuis, of een vis die in een fuik

Begint te denken. Laat hem door
Zijn polsslag leven, geef hem storm
En van elk woord het vruchtgebruik,

Maar wek hem niet, verstoor
De klaarte van zijn versvorm
Niet. Met rijm dat zijn verbeelding fnuikt.

uit DaLiDa, uitgeverij P., 2004

Ruimte waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken

 

Herman Rohaert (1958) is germanist, gewezen redactielid van de literaire tijdschriften Appel en Verba.  Jurylid en winnaar van verschillende literaire wedstrijden, docent schrijfcursus en auteur van talrijke publicaties in een brede waaier van literaire tijdschriften, lid van voormalig dichterscollectief mengmeTTaal.

Na alle opsommingen van prijzen tot redacteurschappen ga ik meteen door naar de beoordelingen op je weblog, ‘het samenspel tussen suggestie en intimiteit en de grote verbeeldingskracht waarmee hij beeld en taal verzoent’. Is zo’n verzoening mogelijk? Noodzakelijk?
Suggestie, beeldenpracht, intimiteit, dit zijn drie grootheden die voor mij in goede poëzie onontbeerlijk zijn, dus ja, ze zijn alle drie heel noodzakelijk. Ik hoop dat de lezer die drie gratiën zelf in mijn poëzie kan terugvinden, in ieder afzonderlijk gedicht liefst.

Een goed gedicht, zeg je in een vraaggesprek met Peter WJ Brouwer in 2006, moet voldoen aan de volgende criteria: dichtheid, eenvoud, sfeer en suggestie, verrassende en vernieuwende beeldspraak, ritme en muzikaliteit. Is dat niet een vreselijke opgaaf?
Nee, eerder een heerlijke uitdaging.

Het boeiendst, zeg je in hetzelfde interview, is het scheppen en schaven aan een gedicht. Het proces loont de moeite. Hoe lang ben je bezig met een gedicht?
Ik begin meestal spontaan aan een gedicht en schrijf een eerste versie op het eerste het beste beschrijfbare materiaal dat ik kan vinden, daarna schrijf ik met de hand over en over met telkens kleine schrappingen, wijzigingen, tot ik het resultaat aanvaardbaar vind. Minimaal zullen dat een tiental versies zijn. Daarna typ ik de laatste versie over op mijn laptop, ook hier volgen dan nog enkele versies, uiteindelijk print ik de meest verdienstelijke. Deze print geef ik enkele dagen, weken of maanden kelder, voldoet die dan is het gedicht af, indien niet dan wordt er verder aan gesleuteld. Een langdurig proces dus meestal.

Brouwer zegt onder meer dat er ‘weinig ruimte is tussen gedicht en lezer’. Gebeurt dat bewust? In hoeverre denk je aan de lezer als je schrijft?
Ik weet niet precies wat Peter Brouwer hiermee bedoelt, ik hoop dat er juist veel ruimte is, dat het gedicht ruimte schept waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, waarin hij ook mag verdwalen. Bij het schrijfproces denk ik hoegenaamd niet aan de lezer, enkel aan wat ik wil zeggen en hoe.

Is een dergelijk contact met een collega onontbeerlijk?
Een contact met een ‘verwant’ collega-dichter is natuurlijk fijn en kan heel inspirerend zijn maar is niet onontbeerlijk, de meeste dichters zijn nogal individualistisch ingesteld.

Wat is er voor jou sinds dat interview in 2006 veranderd?
Niet zo veel, alleen denk en hoop ik dat ik rijper en beter ben geworden, ik voel me zekerder in mijn schrijven, ondervind minder twijfel, ik denk en hoop dat ik wat ‘métier’ heb opgedaan.

Mijns inziens ben je meer naar de media toegegroeid: aan de bundel Lust, last, liefde uit 2017 is een hele voorstelling gewijd die we op YouTube kunnen zien. Ook te zien is hoe je rode pumps in brand steekt met bladeren uit de bundel Gehakt die je met Ivo Konings en Willy Nelissen maakte, december 2017.
Kan een hedendaags dichter bestaan zonder de media?
Dit is een beetje een problematische situatie aan het worden. Een gedicht schrijven en daarna publiceren, hoe mooi het gedicht ook is, is niet meer voldoende, helaas! Er moet tegenwoordig heel veel aan promotie, marketing et cetera gedaan worden, je moet naar buiten treden en de aandacht proberen naar je toe te trekken. Dus wil een dichter tegenwoordig succesvol zijn, moet hij niet enkel mooie en goede gedichten kunnen schrijven, idealiter is hij ook een begenadigd performer, een gewiekst marketeer, een expert in het bespelen van de (sociale) media. Dit heeft soms perverse gevolgen, aan goede dichters die in alle bescheidenheid hun ambacht beoefenen gaat men voorbij, dichters met weinig talent voor het schrijven maar met uitgebreide netwerken en de kennis hoe die te bespelen komen in de aandacht.

Weerkerende thema’s: God, geweld, dood, seks en dan ‘in een dans tussen vanzelfsprekendheid en raadselachtigheid.’ (Brouwer)
Is de suggestie in je werk belangrijker dan de waarheid, bestaat er überhaupt een waarheid?
Een klare en duidelijke waarheid, ik twijfel eraan of die bestaat. Aanwijzingen van, suggesties van waarheid, dat misschien wel.

Huidig jurylid van de Guido Wulmsprijs, Lotte Dodion (1987) is een plaatsgenoot van je. Wat vind je van de nieuwe generatie dichters? In hoeverre is die generatie vernieuwend?
Er zijn heel inspirerende en vernieuwende en frisse jonge dichters, ik bewonder bijvoorbeeld Maud Vanhauwaert en vooral Charlotte Van den Broeck. Er zijn ook jonge, nieuwe dichters die mij minder aanspreken. Of je van een echt ‘nieuwe generatie’ kunt spreken, daar twijfel ik een beetje aan.

De Turing Gedichtenwedstrijd streeft na ‘poëzie een podium te geven voor een groter publiek’. Zijn daar nadelen aan verbonden? Is een wedstrijdelement niet storend?
Ik denk dat ondanks alles en enkele nadelen de Turingwedstrijd toch veel verdiensten heeft. Wanneer je kijkt naar het aantal dichters dat zich voor de wedstrijd inschrijft, is er duidelijk een vraag of noodzaak.

Is poëzie dichter bij de mensen gekomen of is het nog steeds een elitair genoegen? Andersom: zijn er niet veel te veel dichters?
Er zijn misschien te veel dichters maar er zijn vooral te weinig lezers, het aanbod ‘kunst en vrije tijd’ is tegenwoordig zo groot dat poëzie, een genre dat niet zo toegankelijk is en vaak ook energie en toewijding vraagt, een echte nichepositie bekleedt, daardoor ook marginaal of elitair wordt. En ik vrees er een beetje voor dat dit in de toekomst niet gaat beteren.

Je maakte het ‘alfabet van de vrees’ voor de hommage aan Rogi Wieg, uitgegeven door De Knipscheer, juni 2017. Je spelt daarin de woorden Bang en Angst.
Naar mijn aanvoelen was Angst de alles verterende emotie die Rogi’s leven onleefbaar maakte.

Bij het jureren van eerdergenoemde prijs, zei je dat nogal wat gedichten ‘pogingen zijn tot verwerken van persoonlijk leed’. Hoe verhoudt zich dit tot Rogi Wieg? En hebben jouw gedichten geen therapeutische waarde voor jezelf?
Ik denk dat Rogi Wieg een gelukkige uitzondering is, zijn gedichten verheffen zich boven het individuele leed en krijgen een universele waarde. Zelf geloof ik niet zozeer in ‘therapeutisch schrijven’, vaak is therapeutisch schrijven weinig interessant voor de buitenstaander; misschien, hopelijk wel voor de dichter die het gedicht pleegde.

Werk je in opdracht anders? Zoals bijvoorbeeld voor de stad Sint-Truiden?
Natuurlijk is schrijven in functie van een opdracht niet even vrij en ongebonden als wanneer je alles zelf mag bepalen: vorm, inhoud, lengte. Maar aan de andere kant is het ook, om een modewoord te gebruiken, een uitdaging om binnen de opgelegde grenzen toch iets te scheppen waarin je jezelf helemaal kunt uitdrukken, om iets te scheppen dat niet, wat zou dat een ramp zijn, als een dof compromis aanvoelt. En tot op heden heb ik van mijn opdrachtgevers steeds heel veel vrijheid en vertrouwen gekregen zodat ik iets kon maken waar ik ook nu nog helemaal achter sta en gelukkig mee ben. De opdrachtgevers ook trouwens.

In januari werd onthuld het gedicht Borgloon 1018/2018 van 657 kg cortenstaal. Je maakte eerder een bundel van twee in hout gekerfde bladzijden, een project met gedichten op aardewerk. Had je liever kunstenaar willen zijn?
Is een dichter dan geen kunstenaar? Ik vind dichter zijn helemaal o.k., maar ik vind het heel inspirerend om met kunstenaars uit andere disciplines samen te mogen werken, in het ideale geval is het geheel meer dan de som van de delen.

Waarom wilde je absoluut Nederlands studeren? Ik lees dit in de annalen van de KU Leuven
Het leek me heerlijk om me gedurende zes jaar enkel in het vak Nederlands en de Nederlandse literatuur te kunnen verdiepen en verliezen, liever dan mijn aandacht over twee of meerdere talen te moeten verdelen. Zo’n verdieping en concentratie leek en lijkt me een heerlijke luxe. Het werd me helaas niet gegund. Het werd een licentiaatsdiploma in de Germaanse Filologie, zo heette dat toen, dat behaald werd aan de KULeuven.

Interview met Astrid, Jana en Frouke Arns

Op zich wel een bijzonder toeval

 

Van Astrid Arns verschijnt in het najaar een bundel bij uitgeverij P.  Van haar dochter Jana verschenen inmiddels twee bundels. Astrids nicht Frouke publiceert komend najaar een derde bundel, dit keer bij de Arbeiderpers.
Zoveel dichters in een familie: is dat toeval? Alja Spaan interviewde de dichteressen Arns.


Frouke, Jana en Astrid Arns

Astrid Arns (1960) werkt in het bijzonder onderwijs. Publiceerde in de Poëziekrant, Meander, Het gezeefde gedicht, De schaal van digther en De vallei en werd o.a. genomineerd voor de Meanderwedstrijd 2017. Won de derde prijs Poëziewedstrijd Oostende 2017-2018. Debuteert in het najaar 2018 bij uitgeverij P.

Welke overeenkomst zien jullie zelf tussen jullie literair werk?
Jana (J): Ik denk dat we alle drie helemaal anders schrijven. We delen dan wel dezelfde achternaam, onze stemmen zijn heel divers.
Astrid (A): Jana en ik fungeren vaak als toeschouwer in onze gedichten. Er is ook vaak sprake van een zeker gemis. (Een gevoel, een voorbije tijd, een vader…) Frouke schrijft realistischer dan ik, nuchter, onverbloemd. Ik klamp mij vaak vast aan een sfeer.
Frouke (F): Qua beeldtaal en thematiek denk ik dat Astrid en Jana meer overeenkomsten hebben; als moeder en dochter hebben zij natuurlijk een groot gedeeld verleden. Eén van de reservoirs waar je als dichter uit put, lijkt me.
J Frouke en Astrid kunnen veel beter een landschap of stad beschrijven. Mijn thematiek blijft veel compacter. Ik schrijf meestal over de microwereld van mijn/het gezin. Zij zien het groter.

Lezen jullie elkaar en beïnvloeden of stimuleren jullie elkaar?
J Lezen zeker! Mijn moeder en ik mailen elkaar altijd eerste versies door en reviseren elkanders werk. Zij is daar wel een stuk beter in dan ik. Die mailwisselingen werken stimulerend en onrechtstreeks zal er zeker een vorm van beïnvloeding zijn.
A Jana en ik bespreken meestal onze gedichten kritisch voor we ze publiceren. (Per mail want we wonen niet in dezelfde stad) Ik bewonder de humor in Jana’s gedichten, dat maakt ze minder beladen. Jana en ik schrijven ook vaak over het moederschap. Over onze beperkingen maar ook over onze liefde die we ervaren in de nabijheid van onze kinderen.
F We lezen elkaar wel, maar beïnvloeden, nee. We kennen elkaar ook nog niet zo lang. In juli 2014 trad ik bij Poemtata tijdens de Gentse Feesten op in een literair programma, ik werd vlak voordat het programma begon door een vrouw achter mij aangesproken. Het bleek een volle nicht te zijn, Astrid, die in België woonde en die ik nooit heb gekend. Ook haar dochter Jana was daar aanwezig, sindsdien hebben we contact gehouden.

Jana Arns (1983) is muzikante, fotografe en dichteres. Publiceerde in de Poëziekrant, Meander, Deus ex Machina; Gierik & NVT en Het gezeefde gedicht. Enkele gedichten werden opgenomen in de ‘100 beste Nederlandstalige gedichten’ van de VSB Poëzieprijs 2018. Ze won de Prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen 2017 en de Literaire Prijzen van de stad Sint-Truiden 2018. Debuteerde in 2016 met Status: het is ingewikkeld bij uitgeverij P. Haar tweede bundel verscheen februari 2018 bij dezelfde uitgever onder de titel Nergens in het bijzonder.

Waar komt dat talent tot schrijven vandaan? Of ben je van mening dat het toeval is.
J
Dat er drie Arnsen zijn die op een bepaald niveau gedichten schrijven, is op zich wel een bijzonder toeval. Vooral omdat we een familie zijn die verder eerder ‘op zichzelf’ is en is verspreid over België, Nederland en Australië. Onderlinge bezoekjes zijn dus niet altijd zo evident.
F Het is wel opvallend dat drie mensen uit eenzelfde kleine familie dichter zijn.

Is schrijven iets dat binnen de opvoeding gekoesterd werd?
J
In mijn geval zeker. Ik heb altijd geweten dat mijn moeder gedichten schreef en toen ze me een reeks gedichten liet lezen die ze had geschreven toen ze zwanger was van mij, herinner ik me dat ik erg was gepakt hierdoor. In diezelfde periode ben ik zelf ook begonnen met dichten en ook al was dat toen nog echt niet goed; ze was altijd positief!
F Mijn liefde voor literatuur en poëzie is van huis uit vooral gevoed door mijn moeder. Maar mijn vader hield van schrijven; iets waar hij zich pas op hoge leeftijd echt toe zette. Hij schreef honderden korte stukjes, Carmiggelt-achtige filosofische bespiegelingen over alledaagse gebeurtenissen.

Frouke Arns (1964) is literair vertaler, tekstschrijver en dichter (Stadsdichter van Nijmegen 2015- 2016). Publiceerde in diverse Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften en kranten en verzamelbundels. Won diverse prijzen waaronder in 2010 de Meander Dichtersprijs.
Debuteerde in 2013 met Mensen die je misschien kent (Uitgeverij Marmer). De verzamelde stadsgedichten, getiteld Eigen terrein, verschenen in 2017 bij dezelfde uitgever.
De derde bundel verschijnt in het najaar 2018 bij De Arbeiderspers.

Zijn er literaire voorbeelden?
J
Ik heb geen grote literaire voorbeelden. Als tiener kocht ik de bundels van Charles Ducal en was ik zoals zoveel tieners fan van Jotie T’ Hooft. Op dit ogenblik lees ik dan weer erg graag het werk van jonge dichters als Yannick Dangre, Stijn Vranken, Maarten Inghels.
A Literaire voorbeelden: Nolens, Claus, Wigman, Arends.

Hoe gaan jullie om met elkaars successen?
J
‘Successen’ is heel relatief. ;-) Ik denk dat we elkaar alles allemaal heel erg gunnen. Er is zeker niet zoiets als jaloezie. We schrijven alle drie té anders (en zien elkaar daarvoor te graag).
A Heerlijk vind ik dat…Frouke en Jana boeken het ene succes na het andere. We schrijven anders, we zijn ook heel anders. Precies daarom gunnen we elkaar alles, stimuleren we elkaar, vinden elkaar steeds terug in de poëzie.
F Astrid en Jana timmeren flink aan de weg met prijzen, bundels en beurzen. Hartstikke mooi!

Wat is voor ieder van jullie het belang van dichten en hoe betrek je de lezer daarbij?
J
Schrijven is heel belangrijk voor mij. Ik heb echt wel een drang om iets te produceren. Als dat een langere periode niet lukt, ben ik gefrustreerd. Het was wel een lange zoektocht. Eerst heb ik zes jaar klassieke muziek gestudeerd aan het Conservatorium van Antwerpen, maar dat gaf niet de voldoening die ik zocht. Daarna ben ik fotografie gaan volgen en toen ik daarin een bepaalde stijl ontwikkelde, gaf dat wel enige tevredenheid, maar er miste toch nog steeds ‘iets’. Het is pas toen ik het dichten weer oppikte (ongeveer vijf jaar terug), dat het voelde als thuiskomen. Ik geloof ook wel in de kruisbestuiving van de drie kunstvormen. Het zorgt voor een verrijkende afwisseling. Ik hoop nog veel te kunnen ‘mengen’ in de toekomst.
Ik heb samen met mijn man (contrabassist Joris Vanvinckenroye) een muzikaal programma; BASta! Duo, waar we ook poëzie in mixen. Dat werkt wel voor het publiek.
A Van groot belang! Ik werk nog in het onderwijs dus mijn tijd is beperkt maar ik gebruik de tijd voor en na het werk. De woensdagen, de weekends. Het is pas het voorbije jaar dat ik gedichten opstuur voor publicatie. (maar ik schrijf al 30 jaar) Ik voel een soort gedrevenheid nu. Het schrijven vertelt mij wie ik ben. Soms ben ik verwonderd over de inhoud van mijn eigen gedicht. Dan heeft dat gedicht mij onverwachts ergens gebracht waar ik wel of niet wil zijn.
F Schrijven is belangrijk voor me. Niet alleen gedichten, ook proza. Als ik een tijdje niet heb kunnen schrijven , dan word ik onrustig en ook een beetje onuitstaanbaar, haha. Het is een uitlaatklep, en een manier om de wereld en mezelf daarin te leren kennen en begrijpen.

Verandert de vorm naarmate jullie ouder worden?
J
Ik zal het weten te zeggen over tien, twintig jaar. ;-)
F De vorm niet, maar de inhoud wel. Ik merk dat de thema’s waarover ik schrijf in zekere zin pas houden met de levensfase waarin ik mij bevind.
A Naarmate ik ouder word schrap ik nog meer. Ik hou van compacte gedichten. Hoe minder woorden, hoe beter (ik denk aan Jan Arends).

Is er iets waar je niet over kunt schrijven? Kennen jullie schaamte?
J
Gek genoeg lukt het me dus niet om over de natuur te schrijven. Dichter dan een hond in mijn tweede bundel komt het niet. En die slaapt dan nog!
A O jawel. Ik lees best graag erotische gedichten maar zou er geen schrijven. In mijn gedichten schuilen toch wel geheimen (waarover ik mij vaag uitspreek) Voer voor de heel aandachtige lezer.
F Als Stadsdichter heb ik gemerkt dat er eigenlijk niets is waarover je niet zou kunnen schrijven, omdat je in opdracht over thema’s schrijft waar je zelf nooit over geschreven zou hebben.

Moet poëzie ook een maatschappelijke functie hebben?
F
Poëzie moet gelukkig niets. Het is mooi als poëzie kritisch is en mensen aan het denken zet over bepaalde mechanismen en misstanden in de maatschappij, maar ik vind dat geen doel op zich.
J Ik heb veel respect voor een dichter als bijvoorbeeld Charles Ducal die geëngageerde poëzie schrijft (en dat nog eens heel erg goed doet ook!). Ik probeer (hoe moeilijk dat ook is) toch ook politiek actuele thema’s in gedichten te verweven al is dat echt wel uit mijn schulp kruipen.
A Poëzie met een maatschappelijke functie kan best voor mij maar hoeft niet. In ieder geval zou ik niet in opdracht kunnen schrijven. Ik ben ook niet zo gek op moraliserende gedichten. Gedichten met een onderliggende boodschap doen me teveel aan lesgeven denken, vermoed ik.

Twee vragen aan Astrid

Wat is voor jou de kracht van je poëzie?
Ik schrijf suggestief, visueel, gevoelvol, met de weemoed van een 58-jarige… over tijd die al verloren ging.

Je debuteert eerst nu. Is het onderwijs waarin je werkzaam bent belangrijker dan het dichten?
De eerste dichtbundel wordt uitgegeven in het najaar door uitgeverij P.
Ik werk in het bijzonder onderwijs. Het is niet makkelijk om taalarme kinderen poëzie bij te brengen maar ik probeer de kinderen te laten spelen met taal en toon steeds oprechte verwondering. Onlangs zei een kind tegen me: “Mijn mond proeft dorst’. Schitterend vind ik dat. Maar naast lesgeven ligt het schrijven dichter bij wie ik ben. Toch.

Drie vragen aan Jana

In je debuutbundel Status: het is ingewikkeld, staat over je disciplines (muziek, fotografie, schrijven) ‘nooit los van elkaar’, maar waar grijp je het eerst naar?
Bij mijn eerste bundel was er telkens eerst het gedicht. Daarna de foto. Maar het kan in beide richtingen werken. Ik schrijf ook vaak met muziek op. Dat kan van alles zijn, zolang het maar instrumentaal is.

In je bundel heeft het alledaagse (bijvoorbeeld het gebruik van Facebook) een grote rol. Waarom?
Dat behoort tot mijn micro-wereld waaruit ik put om te schrijven. Dat ik zulke zaken verwerk in een gedicht, maakt het ‘herkenbaar’ voor een lezer, vermoed ik.

In de recensie van Sander Meij in Tzum, maart 2017, staat dat er ‘nauwelijks uit de bocht gevlogen wordt’: is het schrijven jouw vorm van controle houden?
Ik ben het hier niet helemaal eens met Sander Meij. Ik denk dat er net serieus uit de bocht gevlogen wordt. Ik denk dat er qua thematiek geen blad voor de mond genomen wordt. Je zou dus kunnen stellen dat ik net ongecontroleerd ben. ;-)

Drie vragen aan Frouke

Je bent ook literair vertaler en tekstschrijver en daarbij ben je gedwongen tot deadlines.
Hoe vrij ben je als dichter?
Ook als stadsdichter had ik vaak te maken met deadlines. Dan moest een gedicht bijvoorbeeld op tijd aangeleverd worden voor een poëziekaart, of bij een bepaalde gelegenheid voorgedragen worden. Ik vind een deadline op zich een prettig gegeven, het geeft houvast en richting. Maar dat geldt vooral voor de vertalingen en commerciële teksten.
In mijn vrije werk heb ik daar gelukkig nauwelijks mee te maken. Ik verzamel meestal eerst allerlei indrukken, regels en fragmenten in mijn hoofd en werk ze pas in laat stadium uit op een scherm of op papier. Ik kan wekenlang niet schrijven, en dan ineens een paar dagen achter elkaar met niets anders bezig zijn dan met gedichten.

Wordt je werk in het sympathieke buurland van je familie anders ontvangen dan hier?
Dat weet ik eigenlijk niet. Af en toe heb ik een publicatie of een optreden in Vlaanderen, zoals binnenkort op 1 maart in de Cultuurloft in Gent. Ik verheug me erop om voor het eerst samen met Astrid en Jana op een podium te staan. Op 24 juni brengen we hetzelfde programma nog eens tijdens Poemtata. En in de najaareditie 2018 van Het Liegend Konijn staan vier gedichten van mij, als voorpublicatie van mijn nieuwe bundel.

Je hebt onlangs een contract getekend bij de Arbeiderspers. Kun je ons iets vertellen over de plannen daar?
Ja, op 31 januari, de laatste dag van de Poëzieweek, heb ik een contract voor mijn derde bundel getekend bij De Arbeiderspers! Er ligt nu een manuscript van ruim 40 gedichten, die ik sinds het verschijnen van mijn debuut, eind 2013, schreef. Naar verwachting zal de bundel, getiteld De camembertmethode, dit najaar verschijnen. Ik kijk er heel erg naar uit!