Het is een visionair project

 

Els Moors is geboren in Poperinge, 1976.  Ze is net aangetreden als de nieuwe Dichter des Vaderlands van Belgiё. Haar debuut in 2006, de poëziebundel Er hangt een hoge lucht boven ons, werd bekroond met de Herman de Coninckprijs. In 2008 publiceerde zij de roman Het verlangen naar een eiland en in 2010 de verhalenbundel Vliegtijd. Ze ontving de J.C. Bloemprijs voor Liederen van een kapseizend paard (het balanseer/Nieuw Amsterdam, 2013). Naast docent creatief schrijven is ze ook redacteur van het literaire tijdschrift nY.


foto: Guy Kokken


Van harte gefeliciteerd met de benoeming tot derde Dichter des Vaderlands van Belgiё.

Dank voor de felicitaties en de interesse.

In een interview met jou las ik dat je ondanks je bekendheid als dichter liever gewaardeerd zou worden om je proza. Wat is dat toch dat schrijvers hun poëzie onderschatten of anders waarderen dan hun proza. Of zie ik dat verkeerd?
Dat zie je verkeerd. De vorm en de inhoud van mijn romans werden tot nog toe, en op enkele uitzonderingen na, beoordeeld aan de hand van normaliserende, kapitalistische maatstaven. Het is volstrekt normaal dat ik me daar als schrijver tegen verzet. Mijn werk als schrijver bestaat alleen maar uit verzet tegen de norm van het kapitaal. Ik kan toch niet die romans gaan schrijven die de critici willen lezen? Ik ben een schrijver die zijn werk doet. En als ik aan het werk ben, wil ik serieus worden genomen.

Ook las ik in een interview dat je switcht tussen de genres bij het schrijven. Is er voor jou geen onderscheid of een kunstmatig onderscheid?
Elke tekst is voor mij in de eerste plaats een kritisch onderzoek naar het genre zelf. Het verschil tussen de genres is ook het resultaat van een reële historische literaire traditie. Ik verhoud me noodgedwongen tot die traditie, zoals een boer zich tot de grond verhoudt. Er zonder kan ik mijn groenten niet verbouwen. Het onderzoek dat ik in het ene genre voer, besmet vanzelfsprekend het onderzoek dat ik in het andere genre voer. Maar er is nog zoveel: televisie, filosofie, het werk van beeldende kunstenaars, de wereld waarin we leven. Alles is besmettelijk. Om een doorbraak te forceren kan het geen kwaad je te concentreren op het probleem dat voor je ligt.

Je bent Dichter des Vaderlands van België geworden. Wat houdt deze titel in, wat moet je doen en wat zijn je plannen?
Het is een publiek geheim dat België worstelt met zijn politieke geschiedenis en de verschillende talen die er gesproken worden. De titel Dichter des Vaderlands is een initiatief van verschillende poëziehuizen en literaire organisatoren om de verschillende taalgemeenschappen tegen de politieke verdeel- en heerstactieken in, op een constructieve manier met elkaar te verbinden. Pas als poëzie over alle taalgrenzen heen verstaan wordt, kunnen we beginnen te dromen van een solidair België in een solidair Europa in een solidaire wereld die alle op een humane leest werden geschoeid. Het is een visionair project dat ik wil ondersteunen. De gedichten worden ook in het Duits en Frans vertaald (EW). Ik wil vooruit kijken. Met de hulp van verschillende partners wil ik in Brussel een festival van de Arabische Poëzie op poten zetten, het schitterende Zoniënwoud in Brussel poëtisch in kaart brengen enz. Maar dat werk doe ik gelukkig niet alleen. Mijn enige echte plicht en verantwoordelijkheid is over een periode van twee jaar twaalf gedichten schrijven die verband houden met de actualiteit.

Hoe lang ben je Dichter des Vaderlands?
In principe twee jaar, maar ik ben eigenlijk vorig jaar al begonnen als ambassadrice van Laurence Vielle, de toenmalige Franstalige dichter des Vaderlands. Laurence Vielle heeft er zelf al drie jaar opzitten en blijft ook nu nog even aan mijn zijde als ambassadrice. Het is erg leuk dat teamwerk, verschillende talen in een land verenigen heeft zo zijn voordelen.

Je bent een collega van Perquin, vergelijk je je ook met haar of met een andere eerdere Dichter des Vaderlands?
Het afgelopen jaar heb ik als ambassadrice van Laurence Vielle ontzettend veel geleerd, niet alleen omdat Laurence Vielle een geweldige staatsman is, maar ook omdat ze een vrouw is. Op dezelfde manier ben ik er zeker van dat ik ooit met Esther Naomi Perquin een gesprek zal voeren over haar ervaringen. Maar Nederland en België kennen een andere politieke werkelijkheid en daar moeten andere vragen beantwoord worden. Ik leer trouwens van elke dichter iets.

Heb je er een baan naast of ben je anderszins actief?
Naast lezingen, workshops en allerlei losse projecten, geef ik les Creatief Schrijven in Arnhem, Antwerpen en Brussel. Ik moet actief zijn, want Dichter des Vaderlands is geen officiële baan, al is het boeiend werk. Ik kijk of het me lukt om beide zaken blijvend te combineren. Ik word gelukkig van het begeleiden van andere schrijvers, misschien omdat ik de omwegen en valkuilen van het schrijfproces steeds beter leer te begrijpen en ik word ook steeds beter in wat ik doe. Maar ik wil ook blijven schrijven. Dat is wat me echt voldoening schenkt omdat ik er het meest van leer. Het eigen schrijfwerk is taaier en moeilijker, het duurt langer en is onoverzichtelijker, maar de winst is groter.

Wat is je volgende schrijfproject? Wat zijn je toekomstplannen?
Zodra ik de handen vrij heb en de studenten me even niet nodig hebben, ga ik de roman waar ik al een tijd mee bezig ben, afmaken. Daar snak ik naar. Ondertussen heb ik materiaal voor een nieuwe dichtbundel verzameld. Als ik er in slaag beide projecten binnen afzienbare tijd tot een goed einde te brengen, worden het twee belangrijke jaren voor me.

Ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid

 

Guy Commerman (1938), medestichter van literair tijdschrift Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschift (eind 1983), publiceerde poëzie, verhalen, aforismen en essays in talrijke literaire tijdschriften: Gierik & NVT, Deus ex Machina, De Brakke Hond, Raster, Weirdo’s, Opspraak, SchoonSchip, Sources, Archipel, Septentrion, tevens plastisch kunstenaar met ettelijke onderscheidingen en tentoonstellin¬gen in binnen en buitenland.
In 1983 ontving hij de Schaapprijs voor zijn humanistische inzet voor de verdediging van het vrije woord (radio, tv, Vrijuit in humanistisch perspectief) en zijn interdisciplinaire benadering van schoonheid (proza, essay, poëzie, plastische kunsten, illustraties, liederen).
Organisator van tientallen individuele en collectieve poëzievoorstellingen in Vlaanderen, Nederland, Brussel en Wallonië.
Recent verschenen: Dan neem ik alles mee (2014, Demer Uitg.), Getuigenis van zinnen (2015, Kleinood & Grootzeer), Wat het raadsel achterlaat (2017, Kleinood & Grootzeer)

foto: Jan Landau

 

In uw laatste bundel Wat het raadsel achterlaat is de laatste regel in het gedicht Verhaal: ‘Alles kan nog opnieuw gebeuren’. De bundel is een mengeling van het einde en het begin aller tijden, realisme en relativering. Kunt u hier meer over zeggen?

Leven en het toevallig en tijdelijk verblijf op aarde is een voortdurende herhaling van dezelfde gebeurtenissen. Geboorte en dood volgen elkaar zonder verklaring op, niet rekening houdend met leeftijd of stand. Deze vaststelling zet aan om zowat alle feiten, uitspraken, godsdiensten, filosofieën met de nodige argwaan te benaderen, het leren relativeren van de menselijke gedragingen, ook die van zichzelf, is een gezonde manier om wel en wee te overleven. Relativeren betekent echter niet dat men zich van alles afzijdig moet houden, dat zou een té gemakkelijke vlucht voor problemen, strategieën, verwachtingen en utopieën zijn. Om je zelfrespect en dat van diegenen die je lief zijn in stand te houden zijn enige vastberadenheid en strijdlust uiteraard aan te bevelen. Je moet je ‘s morgens in de spiegel in de ogen durven te kijken. Een bezorgde blik kan dan afwisselen met een schalks knipoogje.

De titel van deze bundel komt uit de prachtige regels van het gedicht Oplossing:
‘Ik weet niet wat het raadsel, op het verkreukte laken achterlaat en of ontwaken het begrijpt’. Is begrip noodzakelijk? Komt men uiteindelijk tot een bepaalde slotsom?

Waarvoor staat het raadsel? Een invulling geven op die vraag is al een erg intense onderneming. Het betekent dat je de zin van je eigen leven onder het vergrootglas legt, maar ook je relatie met diegenen die je lief zijn. Weinig of niets is voorspelbaar en een toestand van gemoedsrust en bescheiden voldoening kan van de ene dag op de andere omslaan in wilde paniek, troosteloosheid, ontgoocheling of diep verdriet. Carpe diem dringt zich dus op. Genieten van elke korte stonde dat je jezelf gelukkig voelt. En ook het nodige begrip aan de dag leggen om dat carpe diem aan anderen te gunnen.

Het heeft dezelfde charmante vraagstelling als in het gedicht Egidius waar u zich afvraagt ‘ik vernam dat hij brood brak, maar met wie? Niemand at zijn gevangen vis (…)’. Komt alles dat we geleerd of ervaren hebben terug?

Alles is herhaling en uit de herhaling kan de ervaring bloeien. Gevaren en uitdagingen kunnen omzeild en vermeden worden of men kan ze omzichtig te lijf gaan. Het is een quasi dagelijkse keuze die zich opdringt en naargelang de omstandigheden of de eigen gemoedstoestand zal men voor diverse oplossingen kiezen. De ene keer prijst men zich gelukkig, de andere keer vervloekt men zichzelf. De grootste genoegdoening komt echter van die zaken die men gezamenlijk kan oplossen of realiseren, omdat daar wederzijdse waardering, respect en liefde mee gepaard gaan.

‘In poëzie en verhalen laat de waarheid zich soms even aanraken’, zegt u in een persbericht * over De Zuilen waarin u de poëtische filosofie van Pessoa als uitgangspunt neemt voor uw bijdrage ‘Fado van waarheid’. Bent u al achter het antwoord op de vraag ‘Wat is waarheid?’

Waarheid en leugen zijn twee begrippen die zich voortdurend overlappen. Zij vertegenwoordigen visies die in de loop de tijden totaal kunnen omslaan. Godsdiensten trachten hun waarheid in heilige boeken aan te tonen en aan de gelovigen op te dringen. Wie braaf is, komt in de hemel, wie stout is, komt in de hel. Dat is natuurlijk net iets te simplistisch. En iedere God beweert van zichzelf dat hij de Enige is. Geloof is meestal synoniem voor onderdrukken, de zogezegde waarheid geweld aandoen. Je kunt natuurlijk meestal ook je leugens of wangedragingen afkopen. Zo baart de leugen geld om je een nieuwe waarheid te bezorgen. Eén grote schijnvertoning dus.

Uw laatste bundel is naast een voorbereiding op de toekomst en voortdurende vraagstelling aan uzelf, ook verrassend actueel. In Dingen zegt u ‘Wat geen naam verdient, noemt men dingen. Ook mensen. Zo denken door zichzelf uitverkorenen (….)’. Blijft u maatschappij kritisch?

Niet alleen maatschappijkritisch, maar kritisch in het algemeen, ook voor mezelf. Om over een correcte analyse van een toestand of gebeurtenis of persoon te oordelen moet men over zoveel mogelijk waarachtige data beschikken en dat is niet altijd even evident in deze tijden dat fake news, misleidingen via internet, ondoordachte oppervlakkigheden schering en inslag zijn. Hiervan wordt maar al te dikwijls gretig misbruik gemaakt door machtswellustige individuen. Ze twitteren en kwetteren om het even welke onzin in het rond erop rekenend dat een meerderheid van ondoordachten alles slikken als het nieuwe evangelie. Te veel mensen beperken zich tot het verorberen van de voorgekauwde kost, zelf een mening opbouwen is voor hen te tijdslopend en te vermoeiend.

Het door u opgerichte tijdschrift Gierik & NVT, vanaf mei dit jaar als G. door het leven, omvat ook reacties op o.a. socio-economische en politieke ontwikkelingen. Moet een schrijver zich kunnen uitspreken? Heeft hij/zij een verantwoordelijkheid naar de lezer, buiten die naar zichzelf?

Veel mensen verzinnen een betere wereld, maar zijn daarom nog geen schrijvers. Schrijvers zetten hun ware, of oprechte, of gefingeerde verzinsels op papier en dat worden dan boeken die al dan niet gelezen worden. Of hun gedichten of verhalen verschijnen in literaire tijdschriften. Het is de redactie die bepaalt of er meer of minder aandacht is voor sociologische, economische, filosofische of politieke thema’s. Gierik & NVT is steeds voorstander geweest van de vrije meningsuiting. Het vrije woord was heilig, maar niet gelovig. Haha! Ik kan alleen maar hopen dat de vernieuwde redactie van G. die ongebondenheid, die grenzeloze creativiteit, die eerlijkheid in stand houdt.

U heeft het tijdschrift in 1983 samen met Erik Van Malder opgericht. Hoe is het om het nu te verlaten?

Na 35 jaar de literaire kar van Gierik & NVT te hebben getrokken, heb ik aan de redactie gevraagd om een nieuwe eindverantwoordelijke aan te duiden. Die overgang is niet echt rimpelloos verlopen, zoals bij een scheiding, opdeling der verantwoordelijkheden wel meer de gewoonte is. Ik tracht nog advies te geven achter de schermen en sommige contacten zijn toch overeind gebleven. Wel is er een oceaan van tijd vrijgekomen, ik moet er nog aan wennen.

Ten aanzien van het schrijven lijkt u onzeker over bedoeling en effect. Is dat tegelijkertijd zelfbehoud? Het niet belangrijker te maken dan het is? In Afgrond de regels ‘Soms valt het uit de toon, op aarde, gras en stilte’.

In de loop van 35 jaar Gierik & NVT kom je uiteraard in contact met honderden auteurs die elk hun persoonlijkheid en ambities hebben. Sommigen zijn ware strebers, anderen relativeren, weer anderen manipuleren. Ik vond het een bijzonder boeiende ervaring, waarbij gelukkig ook enkele stevige vriendschappen het licht zagen. Tussendoor publiceerde ik toch een twaalftal dichtbundels en stapels poëzie en verhalen in vele literaire tijdschriften. Ik ben nooit tuk geweest op persaandacht, mediageilheid is mij onbekend. Naambekendheid is erg relatief en rijker word je er al evenmin van.

In de recensie op Meander van voornoemde bundel staat dat vormgeving van uw gedichten steeds belangrijker is geworden. Was dat een bewuste keuze?

Ik hou meer en meer van een zekere gestrengheid in de vorm van de gedichten, het weerhoudt me om in oeverloos overdadig woordgebruik, verduisterende symboliek en metaforengezwets te vervallen. Een woordspeling en de muzikaliteit van het vers zijn mij niet vreemd, ik noem het soms voor mezelf uitbundige gereserveerdheid.

Wat blijft er nog te doen?

Bezig blijven tot de allerlaatste snik. In de hoop dat het lichaam aan de geest gehoorzaamt. Ik heb ook een nieuwe dichtbundel klaar, ik laat hem nog een extra maandje rijpen, dan nijpen we er de laatste, muffe blaadjes af. Dan maar hopen dat een milde uitgever er belangstelling voor heeft.

Je moet verliefd worden als het ware

 

Rinske Kegel (1973) is schrijfster van gedichten, verhalen, columns, theater en ‘alles wat hier tussen in valt’. Zij publiceerde en/of droeg voor bij o.a. Op Ruwe Planken, Revisor, De Gids, Extaze en Het Liegend Konijn. Zij schreef regelmatig snelgedichten voor het programma Dit Is De Dag op radio 1. Ze won tal van prijzen o.a. in maart 2018 de 1e prijs bij de Poëzieprijs van de stad Harelbeke.

foto: Lena Scheurwater

 

Hoe selecteer je uit alle creatieve uitingen?
Als het om gedichten gaat heb ik een mapje in mijn computer met nieuwe gedichten. Daar zet ik alle nieuwe gedichten in. Dan neem ik de tijd om er naar te kijken en ga ik schrappen en schaven en weggooien. Dat gaat vrij intuïtief.

Wat is het laatste dat je gemaakt hebt?
Ik moet eerlijk zeggen dat er al een tijd geen gedichten meer uit mijn vingers kwamen. Gisteren schreef ik voor het eerst weer een gedicht: Vis. Heb het vanochtend nog zitten veranderen. Het staat nog in mijn telefoon, kan nog wel even duren voor het in het goede mapje terechtkomt. Wellicht leg ik het voor aan Frouke Arns en Marijke Hanegraaf met wie ik een feedbackgroepje vorm.

Zit er in alles de relativerende humor die jou kenmerkt?
Dat weet ik niet, dat laat ik aan de lezer over. Maar ik denk dat er wel een bepaalde komische tragiek in mijn werk schuilt, een absurdistische toon soms ook. Zo ervaar ik het leven soms ook, volkomen absurd. Hoewel dat wel veranderd is. Ik word steeds bewuster. Dat maakt ook dat ik mijn eigen gedachten zie als dat wat lijden veroorzaakt. Duale gevoelens zorgden er vaak voor dat ik ging schrijven. Nu ik beter doorheb hoe het werkt, heb ik ook minder van die momenten, daardoor schrijf ik ook minder. Taal is duaal, een eenheidservaring beschrijven is vrijwel onmogelijk.

Is het noodzakelijk dat de lezer je begrijpt?
Vind ik van niet. Het verbaast me soms wat mensen zeggen over mijn gedichten. In de recensie van Johan Reijmerink van mijn eigen bundeltje bijvoorbeeld, las hij dingen in mijn gedichten waarvan ik dacht: goh, je weet meer dan ik. Ik vind dat dan ook weer supergrappig. Het gewichtige van zo’n recensie en tegelijkertijd dat het ook maar iets persoonlijks is.

Wat maakt schrijven belangrijk?
Voorheen was het ergens ook een drang naar erkenning voor mij om te schrijven en om dingen die ik niet begreep te kanaliseren. Nu is die noodzaak een beetje verdwenen, lijkt het. Dus ik weet niet eens of ik schrijven nog zo belangrijk vind. Wie weet verandert dat ook weer. Alles verandert constant. Momenteel bevind ik me in de weetnietfase.

Je wint prijzen, verschijnt in tal van bladen, wordt al lang imponerend genoemd, waar wacht men nog op?
Ik heb werkelijk nog steeds geen idee.
JA, WAAR WACHT MEN NOG OP??

Hoe cruciaal zijn die prijzen voor jezelf?
Het is erkenning. Bevestiging van dat je mensen raakt met wat je schrijft, dat je een dichter bent. Ik ben een dichter, dat is het. En met mijn kleine beurs is het ook belangrijk, ik heb er mijn rijbewijs van gehaald. Waardering in de vorm van geld is belangrijk vind ik. We treden vaak op voor een appel en ei op. Mijn eerste geld dat ik kreeg voor een gedicht in een tijdschrift, dat is gewoon fantastisch en ook niet meer dan normaal.

Je hebt in eigen beheer uitgegeven. Hoe veelzeggend is de titel van die bundel, Als ik win verlies ik mijn reputatie als verliezer?
Inmiddels steeds veelzeggender. Ik realiseer me dat ik allebei ben, een winnaar een verliezer en juist daarin schuilt de essentie. Alles bestaat naast elkaar. Het was toen ergens ook een sneer naar uitgeversland: een bundel uitgeven in eigen beheer met alleen gedichten waarmee ik iets gewonnen had. En bij optreden vroegen mensen steeds naar een bundel. Ze gingen als
warme broodjes en zijn inmiddels op.

Hoe essentieel is het gezien (gelezen) te worden?
Inmiddels dus veel minder belangrijk. Ik geniet nu veel meer van een voordracht op een klein podium met mensen die ik kan raken. Dat wat er dan ontstaat is zo ontzettend mooi. Op het moment dat ik voordraag word ik het gedicht en alle toehoorders worden het gedicht. We zijn dan even nergens anders meer, dat vind ik pure magie.

In een interview met Digther-redacteur Frank Decerf zeg je dat de inhoud vaak minder belangrijk gevonden wordt dan de buitenkant. Heb je een manier gevonden om daar mee om te gaan?
Ja, ik kijk nu meer naar binnen dan naar buiten. Ik kon vreselijk jaloers zijn op anderen die net aan de weg timmerden en dan al werden binnengehaald bij een uitgever. Nu weet ik wat ik waard ben en dat het meer gaat om me goed te voelen bij wat ik doe en dat te volgen. Of het per se goede gedichten oplevert, dat blijkt nog niet, haha, maar ook dat is goed.

In je voordracht is duidelijk dat je ook aan theater doet. Is het contact met het publiek een voorwaarde?
Zoals ik al eerder zei, kan ik daar enorm van genieten. Ik vind het belangrijk dat je een gedicht tot leven laat komen als je het voorleest. Ik kan soms doodmoe worden van sommige voorlezers omdat ze geen contact maken, mompelen, of de bekende slamdreun ten gehore brengen. Bij mij is het elke keer anders. Ik weet hoe helder en verstaanbaar het moet zijn, maar ik breng ook de emoties over die in het gedicht zitten. Als ik boom zeg, zie ik die boom ook, voel ik die boom.

Het is ook bijna alsof je de luisteraar iets wilt meegeven: wat luchtigheid, wat nadenken. Denk je daar bewust over na? Schrijf je met de lezer in gedachten?
Ik weet dat dus niet zo goed. Erik Lindner zei laatst dat ik soms een moraal heb in mijn gedichten. Toen dacht ik: ja misschien wil ik ook iets in beweging zetten, maar ik wil niet mijn visie opdringen. Iets dat aandacht nodig heeft, denk ik. Ik ga daar nog eens goed naar kijken. Nooit te oud om te leren.
Ik lees vaak hardop wat ik schrijf, wil dat een gedicht zowel op papier als op het podium werkt.

Als schrijven een proces is, is het eindresultaat dan minder belangrijk?
Nu ik veel meer in het hier en nu leef is dat zeker zo. Het plezier van het schrijven is veel belangrijker.

Wat is een goed gedicht?
Weet jij het? Ik nog steeds niet helemaal. Er moet iets gebeuren. Je moet verliefd worden als het ware. Je moet denken; ja dat is zo, zo is het. Volkomen subjectief, maar zo is het.

 

Poëzie moet helemaal niets

 

Jaap van den Born (Nijmegen, 1951) is een Nederlandse dichter en illustrator. Als dichter debuteerde hij in 2005 met de bundel 2000 jaren Nijmegenaren, gevolgd door Drs. P revisé, dat hij samen met Drs. P schreef. Van zijn hand zijn inmiddels achttien (papieren) bundels verschenen en ruim tien e-books.
In 2012 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Kees Stip-prijs. Jaap van den Born is hoofdredacteur van Het vrije vers dat in 2008 werd opgericht door dichter Quirien van Haelen. Filosofie, wetenschap en geschiedenis zijn belangrijke thema’s in zijn werk. Lees verder Poëzie moet helemaal niets

Een dichtbundel is een soort inventaris

 

Frank Pollet (1959) schrijft en publiceert. Gedichten, kinderboeken, educatieve werken. Hij is getrouwd met kinderboekenschrijfster Moniek Vermeulen, met wie hij samen de hoofdredactie vormt van Klap, een actuamagazine voor 8-9-jarigen.


Allereerst, hoe is de nieuwe bundel (Turbulenties, Kleinood & Grootzeer, december 2017) ontvangen?
Als je hengelt naar reacties in de pers, dan moet ik het antwoord schuldig blijven; ik heb geen weet van welke recensie dan ook. Blijkbaar vindt niemand het interessant genoeg om eens te bekijken wat ik in de negen jaar na mijn vorige reguliere bundel op poëtisch vlak heb uitgevreten. Anderzijds heb ik heel fijne reacties van lezers in mijn mailbox gevonden. Zal ik dit antwoord hoopvol afsluiten met de boutade dat ik mijn bundel niet voor recensenten, maar voor lezers heb gepubliceerd?

Er zijn slechts 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Is dit een realistische keuze of wilde je voor exclusiviteit gaan?
Die 100 exemplaren, dat was de opzet. Daarvoor heb ik me bij Kleinood & Grootzeer laten inlijven. Gerrit Westerveld maakt heel mooi verzorgde boekjes, zet ze helemaal zelf in elkaar, dat vond ik een meerwaarde. Maar een halfuur na de boekpresentatie was de hele oplage uitverkocht en heeft de uitgever beslist om er nog een oplage tegenaan te gooien. Zelf had ik het liever bij een eenmalige exclusieve druk van 100 exemplaren gehouden, maar ach.

Wat is, vergeleken met je debuut in 1980, de grootste winst van het al jaren schrijven?
Er is geen winst. Ik schreef toen wat ik te schrijven had en dat doe ik nu nog steeds. Er is wel verlies, want er was wel heel veel aandacht voor mijn debuut.

Je bent een literaire duizendpoot. Hoe verhoudt de poëzie zich tot al die andere uitingen? Ga je met haar anders om?
Ik leef van het schrijven, dus staat poëzie de rest eigenlijk in de weg. Ik bedoel: alle tijd die ik in gedichten investeer, kan ik niet in mijn kinderboeken stoppen, en dat is mijn core business, om eens een vreselijk commercieel begrip te gebruiken. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik móét blijkbaar nu en dan gedichten schrijven. Dat stel ik altijd echt zolang uit tot ik als het ware ontplof.

Na 2006 schreef je nog maar mondjesmaat gedichten. In dat jaar kreeg je voor Drie Theremins de Poëzieprijs van Merendree én de Prijs voor de Beste Dichtbundel 2006. Hebben die twee dingen met elkaar te maken?
Nee, het heeft alles te maken met hoelang ik het schrijven van poëzie kan uitstellen. En blijkbaar kan ik dat met de jaren steeds beter. Een dichtbundel is voor mij een soort inventaris. Als er één klaar is, kan ik dat weer achter me laten. En hopen dat ik niet te snel weer moet ontploffen.

Over de nieuwe bundel wordt gezegd dat hij ‘niet vrolijk is’ en ‘een onderzoek naar de onregelmatige wervelende bewegingen in de atmosfeer van het hoofd’; hoe zit het met het hart?
Goed, dank je. Mag ik even melig zijn? Er zit ont-zet-tend veel hart in mijn bundel. Dat hart is de oorzaak van die bewegingen in het hoofd. Het laatste halfjaar heb ik het mentaal erg lastig gehad. Burn-out, depressieve klachten. Als je kijkt wat de oorzaak is, dan kom je bij het hart uit, terwijl het zogezegd allemaal ‘tussen de oren’ zit. Snap je?

In het gedicht Wachtmens * (uit: Dalida, 2004), mijn favoriet, staat ‘hij herkent zich in deze vorm: een vleermuis, of een vis die in een fuik begint te denken’ en ‘wek hem niet, verstoor de klaarte van zijn versvorm niet’. Is het poëzie analyse een dergelijke verstoring? Moeten we wel willen verklaren?
Ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat het rationeel verklaren van poëzie ons ingegeven is door het onderwijs en de maatschappij. We moeten alles kunnen verklaren, uitleggen, … Op school krijgen alle leerlingen elk jaar steevast vragen als: hoe verklaar je…, wat betekent… tot de meest ergerlijke en zinloze vraag: wat heeft de dichter daarmee bedoeld. Terwijl je ook kunt vragen: wat valt je hier op, wat vind je hier interessant, welke woorden / woordcombinaties vind je fijn en waarom, waar kun je van genieten…

Denk je aan de lezer als je gedichten schrijft?
Vroeger wel, maar sinds ik LaDiDa heb geschreven niet meer. Sinds die bundel schrijf ik poëzie voor de ideële lezer, de lezer die heel de Bijbel, en de dikke van Dale kent, die het internet in zijn hoofd heeft zitten, die alles van Spotify kent, … Poëzie is toch spitstaal naar vorm en inhoud? Dan mag je daar toch zo ver mogelijk in gaan?

Op je website staat een aparte categorie poëzie voor jongeren; is dat noodzakelijk? Kunnen jongeren niet uit de voeten met poëzie voor volwassenen?
Mijn doelgroep wat kinder- en jeugdboeken betreft zijn de 10-12-jarigen. Die hebben geen boodschap aan de meeste van mijn volwassengedichten, denk ik. Kinder- en jeugdboeken, ook kinder- en jeugdgedichten schrijf ik altijd heel bewust met de doelgroep in mijn achterhoofd. En dat lijkt me maar logisch, want hun maturiteit is nog niet die van de volwassen ervaren poëzielezer. Kinderen zijn bovendien erg kwetsbare mensen, dus wil ik met hen erg voorzichtig zijn. Wat niet betekent dat ik hen wil betuttelen. Ik behandel hen met heel veel respect.

Nog altijd begint elke dichtregel met een hoofdletter, de vorm kan wel eens verschillen. Doe je dit heel bewust?
Dat heb ik een aantal jaren gedaan ja. Maar ‘Turbulenties!’ betekent onder andere op dat vlak een hele ommezwaai.

Wat zijn de mooiste woorden in het Vlaams? Wat is sowieso de betekenis van taal voor je? Had je dezelfde creativiteit op een ander gebied kunnen hebben?
Ik zeg weleens dat ik het erg jammer vind dat ik niet kan tekenen, zingen of een instrument bespelen. Maar eigenlijk is dat onnodig. Ik ben gewoon een taalmens, altijd geweest. En dus schrijf ik, en daar kan ik best mee leven. Mooiste woorden in het Vlaams? Ik heb er ooit een paar hele mooie ingezonden voor het radioprogramma De Taalstaat op de Nederlandse Radio 1, met presentator Frits Spits. Ik ben toen adoptieouder van het woord nieveranst geworden. Het leverde me, als enige Vlaming tussen negentien Nederlanders, een interview op in het boek 1000 vergeetwoorden om te koesteren (Van Dale Uitgevers, 2015).

Op je site een prachtige vondst voor het schrijven in opdracht: je woorden zijn te huur. In mijn snelheid las ik ‘huurmoorden’. Wie huurt je in?
Vroeger verhuurde ik mezelf vaker. Bijvoorbeeld aan kunstgieterij Art Casting, een keer aan het Hof van Cleve, aan Sensoa, … Als huurwoordenaar ben ik de laatste jaren niet heel erg actief. En da’s maar goed ook, want ik leg liever mijn eigen eieren dan die van anderen.

Je interviewde zelf een aantal kunstenaars die allen, zo zeg je, maniakaal met hun vak of roeping bezig waren. Hoe gedreven ben jij?
Als je in Vlaanderen van je pen wilt leven, ben je per definitie gedreven, want eigenlijk is het min of meer gekkenwerk. We hebben al zo’n klein taalgebied, en ik zit in een niche, de kinderboeken, en dan vooral nog voor 10-12-jarigen. En toch lukt het om uit het schrijven en wat daarmee verband houdt een inkomen te verwerven waarvan netjes te leven valt. Dat is tempowerk: jaarlijks een boek of twee en een kleine honderd auteurslezingen. Eigenlijk gebeurt hier een klein mirakel, want ook mijn Vrouw, de kinderboekenschrijfster Moniek Vermeulen, is een kleine zelfstandige.

In 2016 ontving je de Cultuurprijs van de Stad Sint-Niklaas. Eervol uiteraard, in hoeverre streef je (nog) naar erkenning?
Dat is een heel dubbele vraag. Wie publiceert, is in zekere zin ijdel en wil gelezen en gewaardeerd worden. Je kunt zeggen dat prijzen krijgen je niks doet, maar dan lieg je, want zo’n prijs is een uiting van waardering en daar ben je sowieso blij mee. Ik was content met de Cultuurprijs van de stad waarin ik aan de rand woon, maar ik kan hem best relativeren. Héél erg relativeren…

*
Wachtmens
(Fnuikman)

Haal hem uit zijn schaduw voor
Hij herkent zich in deze vorm:
Een vleermuis, of een vis die in een fuik

Begint te denken. Laat hem door
Zijn polsslag leven, geef hem storm
En van elk woord het vruchtgebruik,

Maar wek hem niet, verstoor
De klaarte van zijn versvorm
Niet. Met rijm dat zijn verbeelding fnuikt.

uit DaLiDa, uitgeverij P., 2004