Interview met Huub Oosterhuis

‘Het waren moeilijke tijden’

 

Huub Oosterhuis (1933) is dichter en theoloog. Hij publiceerde dichtbundels, essays, korte verhalen en liturgische teksten.

In de Rode Hoed, waar beneden de rode loper voor de winnaars van de Turing wedstrijd uitgerold wordt, beklim ik de trappen om Huub Oosterhuis te ontmoeten. Hij zit aan een tafel vol papieren, boeken, notities en zijn laatste bundels; zijn assistent en samensteller van Een weg van dagen, Elte Rauch, aan zijn linkerzijde.
Oosterhuis is zo dikwijls geïnterviewd, heeft zoveel gepubliceerd, had en heeft zoveel te vertellen en is zo bekend met en door tal van zaken dat ik vragen over het dichterschap het liefst verpak in mijn persoonlijke ervaring met zijn poëzie.
Ik vraag zijn reactie op een aantal citaten.
Uit de bundel Gedroomde god uit 1983 die ik in datzelfde jaar kocht:
‘Wat is poëzie, misschien wel eigenlijk alles?’ (Uit ‘ gedroomde god’ 10). Oosterhuis antwoordt: ‘Poëzie is de meest aangewezen poging om zo scherp mogelijk je beleving op het spoor te komen en vervolgens te uiten, tastend, zoekend en soms stellig.’ ‘Is het dan vooral de eigen zoektocht’, vraag ik hem en hij antwoordt bevestigend, maar ‘de lezer is wel aanwezig en zelfs vlakbij.’
‘We moeten wel zorgen voor verstaanbaarheid, een dichter zonder publiek is een nek zonder stropdas’ (Gedroomde god 28): ‘Verstaanbaarheid is belangrijk opdat mensen zich herkennen, de ervaring delen, besef van gemeenschap krijgen en het de lezer in een verband plaatst, vooral met de taal. Goed schrijven is net zo belangrijk als goed lezen, de relatie tussen schrijver en lezer is een heel intieme.’
Ik ben benieuwd of hij zijn gedicht hardop voorleest bij het schrijven. ‘Zoiets gaat misschien ongemerkt,’ zegt hij, ‘ik denk het wel!’
Deze bundel is mijn favoriet, maar voor Oosterhuis was het een moeilijke bundel, zegt hij. ‘Het waren moeilijke tijden.’

Uit Herschreven Gedichten, Geloof:
‘En ook in godsnaam woorden maken, brood uitzaaien op de wind’: ‘Ja, dat is een bijbels thema, het gaat me om de communicatie, woorden als brood, als voedsel voor het gemoed, de ziel.’
Op de achterflap staat dat hij een aantal gedichten moest herzien en dat ze daarna zijn lievelingsgedichten werden, verzameld in deze bundel uit 1973. ‘Dat doe ik nog steeds, gedichten laten liggen en laten rijpen en dan nog eens herzien. Vaak worden ze daarna korter. Soms denk je dat iets af is terwijl dat niet zo is.’
Uit diezelfde bundel, het gedicht De weg, ‘Er staat gedrukt, alsof het de waarheid is’. Dus niet liegen alsof het gedrukt staat maar….’ Deze bundel werd opgedragen aan een vriend die missionaris werd in Libanon en is eigenlijk bedoeld als waarschuwing voor hem. Alles wat geschreven is bevat je eigen ‘voorlopige’ waarheid.’

Uit: Een weg van dagen, januari 2018, bladzijde 42:
‘Lees poëzie. De gedichten van Ida Gerhardt, om je eigen kwetsbaarheid en liefdeskracht te herkennen, te ontmoeten’. Daarboven het feit dat hij zich herkende in een gedicht van Lucebert (- ik ben een uime een moo een mist van toneelhaar-) omdat hij zijn nietigheid, ijdelheid en maskerades herkende in die tekst’. Is schrijven een nederig ambacht?
Oosterhuis denkt na, iets wat hij steeds bij elk citaat zorgvuldig en rustig doet. Elte valt in dat het meer met eerbied te maken heeft. Oosterhuis vindt schrijven zeker een ambacht, het gaat hem erom te ontdekken hoe anderen het doen. Zo begon hij ook. Op zijn vijftiende, na een ziekbed, had hij behoefte aan reflectie, verdieping, stilte en begon hij met het lezen van poëzie. Niet een echt puberaal gedrag, benoem ik. Maar hij heeft die fase overgeslagen, zegt hij, en hij had altijd al een afwijkende mening. Als kind maakte hij al versjes terwijl hij niet met poëzie werd opgevoed.
Ik vraag hem of hij nog steeds veel leest en of er vergelijkingen zijn tussen hem en de dichters van nu? ‘Nou, de VSB-prijswinnende bundel van Joost Baars was uitverkocht maar daar ga ik nog achteraan.’ Als ik het optreden van deze dichter op het literair platform Reuring noem en mijn ontroering daarbij, vertelt Elte enthousiast dat Joost Baars 4 februari gast was in de Ekklesia. ‘U kunt vanavond ook hier blijven en een kijkje nemen bij de uitslag van de Turing-wedstrijd’, opper ik maar Oosterhuis schudt zijn hoofd, ‘daar heeft een Joost Baars denk ik niet aan meegedaan.’
Hij noemt nog het herlezen van bijvoorbeeld Gorter of Henriette Roland Holst, alsook hedendaagse dichters als Naomi Perquin en Willem-Jan Otten.

Bij ‘Die wij denken’, nieuwe gedichten, in het interview in Trouw met Stijn Fens, 22 december jl., heeft Oosterhuis het over de vloed waarin de gedichten nu binnenkwamen. ‘Het was een verrassing dat dit een bundel werd. Woorden roepen andere woorden op, zo ontstaat de constructie van het gedicht.’ Hij is het eens met de volgende omschrijving uit dat artikel: de opdracht voor een dichter is altijd om de taal zuiver en scherp te houden. Om het denken zo te verwoorden dat een gedicht een mate van redelijkheid en een mate van ‘mysterieusheid’ in zich heeft.
‘Dat klopt, daarvoor lees je ook poëzie.’ Hij hoeft er verder niets meer aan toe te voegen.

Op de site NieuwWij stelt Dirk van de Glind in zijn recensie: ‘De weigering zich neer te leggen bij wat onvermijdelijk lijkt, is in deze bundel op iedere pagina voelbaar. De achterflap presenteert deze nieuwe gedichten als ‘geestelijke oefeningen’. Dat brengt ons op de recensie van Hans Puper in Meander die het heeft over ‘enige in zelfkastijding verpakte behaagzucht’. Elte meent dat het uitspreken van de mening, in dit geval ergernis (waarmee Puper de recensie begint) heel erg bij deze tijd hoort. Het gaat om de mening en niet zozeer de inhoud ervan, men eigent zich het recht toe die te delen met 6000 abonnees.
Zelf bestudeert ze de reactie van omstanders op de taal van Oosterhuis en vindt het bijzonder te zien dat haar generatie (Rauch is van 1980) zonder vooroordeel de woorden van Oosterhuis ontvangt. We memoreren de presentatie van Een weg van dagen, 21 januari jl in Splendor, Amsterdam. Mijn ervaring daar was een meditatieve waarbij ik terugkwam in mijn jeugd door de stilte die om de voordracht hing, het zonlicht door het gebrandschilderde raam, het pianospel van Bernd Brackman. Tot haar grote interesse gebeurt iets dergelijks ook bij het publiek op andere plekken; niet per se de terugkeer naar opvoeding of geloof, maar het raakt aan iets wat men nog niet wist. Ze krijgt veel bijzondere reacties per mail of in gesprekken later. Er worden vragen gesteld, het lijkt of er bewuster gekozen wordt.
Oosterhuis herkent zich overigens niet in de kritiek van Puper, denkt dat de recensent de structuur niet herkend heeft en het feit dat het om het leven rond het woord god gaat. Ook wordt het meest centrale gedicht uit de bundel (De Zuidas) niet genoemd. Maar hij trekt het zich niet aan. Hij is altijd omstreden geweest, zegt hij.
Een weg van dagen is bij uitstek geschikt om op ontdekkingsreis te gaan, ook voor de samenstellers. Door de soms onverwachte combinatie van teksten zag Oosterhuis zelf zijn woorden in een andere context terug, kwam er een nieuwe dynamiek in.

Is er iets wat hij niet kan schrijven? Hij begint aarzelend dat hij niet over economie kan schrijven maar ik bedoel eigenlijk of hij gehinderd wordt door bijvoorbeeld het feit dat hij een publiek persoon is? Nee, dat gelooft hij niet, dat feit werkt niet door als hij bezig is. Hij denkt nog wel aan een roman maar kan hij die schrijven? Hij heeft zijn korte verhalen, Wolf en Lam, de essays en eigenlijk, zijn Elte en ik het eens, is dat ook poëzie en is het onderscheid te verwaarlozen. Dus ja, die roman kan er komen. ‘Een uitdaging?’ vraag ik. Piano spelen kan ook een uitdaging zijn, vroeger is hem dat niet gelukt, hij had een nare juf maar met twee muzikale kinderen kan hij misschien een eind vooruitkomen. Net zoals met poëzie moet het tot hem komen.

Het viel me op dat in oude bundels soms geen punten of hoofdletters staan. Is dat bewust gebeurd? Is de vorm belangrijk? ‘Ja, de vorm is zeker belangrijk, het gebruik van witregels met name’, maar in bijvoorbeeld de bundel Gedroomde god was de interpunctie anders dan nu, hij gebruikt nu wel hoofdletters en is zorgvuldig daarin, hoewel…god…met een kleine letter!
Tot slot vraagt Elte nog naar het literair podium Reuring en ik schets een huiskamer waarbinnen ook zij welkom zijn en hoe het iedere keer weer om die ontmoeting gaat tussen schrijver, dichter, muzikant of kunstenaar en hun publiek. Dat past precies bij hen!

Interview met Joris Denoo

Een pijnlijke bundel

 

Joris Denoo (Torhout, 1953) is een Vlaams germanist, dichter, proza-en toneelschrijver. Van hem verscheen in augustus 2017 de poëziebundel Zwaartekracht bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer in een oplage van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Joris Denoo schrijft al decennia. Zijn verhalen stonden eens in het vroegere Meander, maar zijn proza is meestal totaal anders dan zijn poëzie, zoals hij hier vertelt.

Je hebt een omvangrijk oeuvre opgebouwd en je beoefent alle genres. Je zou dus kunnen zeggen dat je taalkundige, letterkundige en taalkunstenaar bent. Van dichter tot prozaschrijver of toneelschrijver tot jeugdboekenauteur . Wat schrijf je met het meeste plezier?
Ik schrijf het liefst korte verhalen en novellen (en ook wel columns) voor een volwassen publiek. Het korte proza boeit me Bijvoorbeeld mijn Miljarden Flarden op Facebook en op mijn blogs. Jammer genoeg is het aartsmoeilijk om korte verhalen in boekvorm gepubliceerd te krijgen. Ik zocht vroeger mijn toevlucht tot literaire tijdschriften (De Brakke Hond, DW&B, Kreatief, Lava, Mens & Gevoelens, Hollands Maandblad, De Gids); heden ten dage doe ik dat digitaal. (Zie de links onder het interview.)

Is het zo dat al je bezigheden samenkomen in de poëzie, bijvoorbeeld in je nieuwe bundel Zwaartekracht? Als een soort verdichting. Of is dat te mooi gedacht?
Mijn ‘oeuvre’ helt wat over naar de positieve luchtige kant (satire, humor, fantasie), maar ik heb ook – noodgedwongen – wat ‘probleemboeken’. Vallen en opstaan en Een blauwe plek bijvoorbeeld zijn twee jeugdboeken die over epilepsie gaan. Zwaartekracht is een hoogstpersoonlijke poëziebundel die eigenlijk over mijn zoon gaat (… en dus ook over epilepsie). Maar je kunt die ook op een algemeen plan lezen, bv. over oorlog. Enkele jaren geleden las ik er (in manuscriptvorm) passages uit voor in Flander’s Fields Ieper, ter gelegenheid van de herdenkingen in het kader van WO1. In de Vier brieven aan mijn zoon kon ik niet om de beeldspraak van een oorlog heen. De dichters Benno Barnard en Geert Van Istendael waren er ook en raadden publicatie aan, want ze waren, zeiden ze, onder de indruk. Jaren later zette ik de stap. Het is eigenlijk niet prettig om over zulke zaken te schrijven, maar soms helpt het wat.

Om welke thema’s gaat het in de bundel Zwaartekracht ? Religie, Jezus aan het kruis, ouder worden? De bundel sprak me heel erg aan omdat er pijn voelbaar is.

Alleen maar zwaartekracht, pijn en epilepsie. Uitdrukkelijk epilepsie. Zelfs de Jezusthematiek: de doornenkroon verwijst in dit gedicht alleen maar naar het encefalogram (dat mijn zoon zo vaak heeft moeten ondergaan), en de rouwende vrouw(en) naar de moederfiguur. Leven met moeilijk behandelbare epilepsie is leven onder permanente terreurdreiging. We zijn al meer dan dertig jaar ‘ervaringsdeskundig’, zoals dat dan heet. Een eufemisme voor ‘in staat van beleg’.

Hoe is je bundel ontvangen en zijn er al recensies over Zwaartekracht ?
Ik heb al diverse mondelinge reacties gekregen. Omdat sommige mensen heel goed beseffen waar het over gaat, gaan die heel diep. Het is een pijnlijke bundel. Ze proberen dit dan op een gepaste manier te verwoorden. Er wordt ook wel uit deze bundel gebloemleesd, omdat diverse gedichten eruit passen in een bepaalde (pijnlijke) context. Klassieke geschreven recensies in de papieren pers heb ik nog niet gezien. De oplage van de bundel is daar te klein voor. Ik heb ook liever dat de bundel bij de juiste mensen terechtkomt, en niet bij een boekbespreker uit het ons-kent-ons-circuit of een zogenaamde ‘recensent’ die zichzelf via namedropping of een bête voorkeur voor ‘grote’ uitgeverijen z’n eigen persoontje omhoog probeert te schrijven.

Was het samenstellen van de bundel zwaar voor je?
Ik kan niemand echt vertellen hoe ‘erg’ de bundel Zwaartekracht eigenlijk is.
De bundel heeft inderdaad veel tijd nodig gehad om te verschijnen. Ik heb lang getwijfeld. Het verschijnen van gelijkaardige boeken haalde me over de streep. Toch meen ik dat het nog voldoende ‘verhullend’ is; ik gebruik bijvoorbeeld nergens het woord ‘epilepsie’.

Leid je nog jonge leraren op of verricht je andere arbeid ?
Ik werkte in de lerarenopleiding als docent Taal, Literatuur, Taalbeschouwing, Taalmuzische Vorming, Spelling, Expressie, Grammatica. Ik heb ook het statuut van schrijver (‘in bijberoep’, zoals dat in Vlaanderen dan heet). Mijn voordrachten in dat verband bestaan momenteel uit workshops voor leraren (Taalmuzische Vorming, Omgaan met Gedichten) en luchtig literaire causerieën voor volwassenen. Sporadisch trek ik er nog op uit met mijn jeugdboeken. Dan heb ik het over liefde voor de boeken, het zoeken en vinden van ideeën, de hobbels bij het schrijven en over hoe uitgevers omgaan met je aanbod.

Waar ben je op het ogenblik qua schrijven mee bezig en wat zijn je toekomstplannen ?
Er staat momenteel een biotrilogie getiteld Upperdog op stapel bestaand uit Upperdog, Upper Class en Uppercut. Upperdog bestaat uit biografische en semi-biografische verhalen. Upper Class evoceert op hilarische wijze mijn stad en dorp (Kortrijk en Heule). Uppercut is een thriller waarin mijn anderik/alter ego Bjarne Donderdag, het pseudoniem waar ik jarenlang gebruik van maakte, de hoofdrol speelt. Upperdog verschijnt 2018 bij uitgeverij Bibliodroom.

Interview met Hanneke van Eijken

Het verdwijnen in fictieve kaders

 

Hanneke van Eijken (1981) is docent Europees Recht aan de universiteit van Utrecht en dichter. In die laatste hoedanigheid viel zij al op in de jaren na 2010 door publicaties in literaire tijdschriften als Tirade en Deus ex Machina en haar optredens op literaire podia, de Nacht van de Poëzie en festivals als Lowlands en De Parade.
Haar debuutbundel
Papieren veulens verscheen bij Uitgeverij Prometheus in het voorjaar van 2013. De recensies waren lovend en de Zeeuwse boekenprijs 2013 bekroonde Papieren veulens met de accolade voor het beste debuut. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddinghprijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut in 2014. Daarna volgde de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2015.
Op 7 januari 2018 is de presentatie van haar tweede bundel:
Kozijnen van krijt. Vanaf 8 januari ligt hij in de boekhandel.

Het komt niet vaak voor dat een debuutbundel zo juichend ontvangen wordt en meteen een aantal prijzen wint. In het Parool stond hij zelfs vermeld bij de beste boeken van 2013. Het schept verwachtingen voor het vervolg. Dat kan stimuleren of belemmeren. Hoe werkt het succes voor jou?
Eerlijk gezegd waren de eerste positieve recensies een enorme opluchting. Debuteren wilde ik heel graag, maar ik voelde me vlak voordat de bundel daadwerkelijk uitkwam wel bij vlagen en in dezelfde mate doodsbang en zelfverzekerd. Ik herinner me het eerste interview dat ik over Papieren veulens gaf. De interviewer was enigszins kritisch in zijn vraagstelling. Daar lag ik echt wakker van.
Die eerste positieve recensies waren dus zeker welkom. Vooral als ik het gevoel had dat de recensent mijn bundel goed had begrepen, zoals Janita Monna in Trouw.
Tegelijkertijd vond ik het ook moeilijk om nieuw werk te schrijven. Dat ik de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs won is een enorme eer, maar die prijs wordt toegekend als stimulans voor nieuw werk (help!). Na Papieren veulens was het mapje gedichten op mijn computer leeg. Ik heb toen zeker een jaar geen goed gedicht meer geschreven. Uiteindelijk schreef ik achter elkaar een cyclus van zes gedichten.
De inspiratie komt vaak als ik non-fictie lees, grappig genoeg. De National Geografic bijvoorbeeld. Daar stond een artikel in over twaalf hagedissen die in barnsteen waren gestold. Dat gegeven heb ik verwerkt in het gedicht ‘Lichtval’. Ook kan jurisprudentie een bron van inspiratie vormen. Het woord ‘grasland’ uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie was de aanzet tot het gedicht ‘Winter’. Ik probeer me vooral te focussen op het schrijfproces zelf.

In je eerste bundel waren grenzen een belangrijk thema. De grenzen van de stad, je huis, kamers, jezelf.
Heb je in de nieuwe bundel grenzen aangehouden of verlegd?
Ja, grenzen zijn een heel belangrijk thema voor me. Je komt in mijn nieuwe bundel die thematiek zeker tegen. De kozijnen van krijt, als verzonnen context, kader, zijn ook fictieve grenzen. Daar speelt de bundel erg mee, met het idee dat je je eigen veilige kader kunt verzinnen. De vraag is hoe fictief die veiligheid dan eigenlijk is. Vanuit mijn werk als Europees recht onderzoeker hou ik me bezig met het vrije verkeer van EU-burgers en met Europees asielrecht. Eerder werkte ik in een dak- en thuislozenopvanghuis, waar de grenzen van het huis verdwenen zijn. Die fascinatie voor verschillende vormen van grenzen zit ook in mijn tweede bundel.
In Kozijnen van krijt verleg ik mijn eigen poëtische grenzen. Qua vorm ben ik iets losser geworden. Tegelijkertijd zijn de gedichten scherper, volwassener. Het proces is ook anders geweest. Ik begon echt vanaf nul, met een lege poëziemap. Het zit conceptueel sterker in elkaar denk ik, omdat ik met een bepaald basisidee begon te schrijven.

Je hebt twee goed lopende carrières, als jurist en als dichter. Of eigenlijk drie, want je bent ook moeder van twee kinderen. Waar haal je de rust vandaan om te schrijven?
Voor mij is schrijven een kader creëren voor mijzelf, een soort happy place. Dus ondanks de volheid van mijn leven, geeft schrijven mij rust. Als ik schrijf kan ik iedereen zijn en zijn er geen echte beperkingen. Dus na een dagje kleikoekjes bakken of jurisprudentieonderzoek vind ik schrijven heerlijk. Dan ben ik een oude man, of overambitieuze wanna-be wereldleider, een verliefde tiener. Alles kan.
Mooie teksten doen iets met me, dan gaat er iets zingen. Dat heb ik als ik schrijf, maar ook als ik goede bundels lees van andere dichters. Er ontstaat dan echt meer ruimte in mijn hoofd. Een soort poëzie-kamer, als een Harry Potter kamer die zich opent en waar een hele wereld in past.
Het moederschap is overigens wel een grote rol gaan spelen in mijn gedichten. De angsten van een moeder klinken door de bundel heen. Hoe bescherm je een kind tegen de buitenwereld, zonder dat je een kind juist belemmert? Welke kaders moet je scheppen en waar ga je de grens over naar gekte?
Lees ook het gedicht ‘En de adem zingt als een mechanisch vogeltje’. Dat is een soort making-of-gedicht. Dit gedicht schreef ik letterlijk toen mijn zoontje sliep. Ik maakte er een gewoonte van om eens per week tijdens zijn slaapje poëzie te schrijven. Dit gedicht is precies opgehouden toen hij wakker werd. Het past ook heel goed in de bundel: het verdwijnen in fictieve kaders.

Je was jarenlang als projectcoördinator en programmeur bij de literaire organisatie Het Poëziecircus in Utrecht betrokken. Een tegenbeeld voor dat van de eenzame dichter op zijn zolderkamertje?
Ik vrees dat ik zelf het tegenbeeld ben van een eenzame dichter op een zolderkamer. Dat zou ik soms wel willen! Heerlijk lijkt me dat. Al vrees ik dat ik op dag 3 weer een of ander project aan het bedenken ben.
In mijn tijd bij het Poëziecircus heb ik vrijwel iedere Nederlandse dichter geprogrammeerd en horen voordragen. Tsjebbe Hettinga en Neeltje Maria Min traden bij ons op, maar ook tal van jonge dichters, zoals Joris Miedema en Lieke Marsman, vlak nadat haar debuutbundel verscheen en Simon Vinkenoog. Ik herinner me nog levendig dat Gerrit Komrij bij ons kwam optreden. Hij had mijn mobiele nummer, voor het geval er iets mis zou gaan. Die middag werd ik gebeld ‘Hallo, met Gerrit, Gerrit Komrij, spreek ik met Hanneke?’. Ik dacht dat een van mijn vrienden een grap uithaalde en reageerde dus met ‘Haha, yeah right’. Gerrit kon er wel om lachen later. Maar goed, ik heb heel veel toffe dichters gezien en gehoord en daardoor heb ik mijn eigen smaak goed kunnen ontwikkelen.
Buiten dat ik veel geleerd heb – dat weet je pas achteraf – was het sowieso heel gaaf om met een groep vrienden literaire programma’s te maken. Alles hoorde erbij: het maken van flyers, posters plakken in cafés, draaiboeken maken. Het ging geregeld mis, want we hadden nog niet veel verstand van techniek, om maar eens wat te noemen. En we zeulden met enorme decorstukken door de stad na afloop, want niemand had een rijbewijs of auto. Op een gegeven moment leenden we een bakfiets via via. Dat was een enorme vooruitgang, zeker voor onze fysieke gesteldheid. Uiteindelijk werd het allemaal steeds professioneler, maar die eerste dagen waren wel memorabel.

In vrijwel iedere bespreking van je werk gaat het over de ‘opmerkelijke beheersing van het dichterlijk metier’ zoals het juryrapport van de C.W. van der Hoogtprijs meldde. Aangeboren, aangeleerd?
Wat mij betreft is dichten/schrijven een ambacht. Dat betekent niet dat je als je talentloos bent alsnog kunt leren om goed te schrijven, maar ik geloof wel dat je heel veel moet schrijven en beter nog, heel veel moet lezen, om goed te kunnen schrijven. Ik ben daarnaast behoorlijk streng voor mezelf, zoals de meeste dichters die ik ken. Ieder woord, iedere komma, iedere witregel wordt gewogen.

Interview met Laura Demelza Bosma

Schrijven als pijn en extase

 

Laura Demelza Bosma (1986) –Demelza als tweede naam omdat er tijdens haar schrijfopleiding nog een Laura was – debuteerde in 2007 met de bundel Zo vliegen de walvissen . In 2010 verhuisde ze door liefde gedreven naar Oostenrijk en kreeg daar drie kinderen. Komend jaar zou haar tweede bundel verschijnen, maar het liep helaas anders. Laura blijft echter vol verwachting. Zeker nu ze haar rijbewijs heeft gehaald.
Kinderloze Rob de Vos probeerde te achterhalen wat zijn Meandercollega nu toch eigenlijk bedoelt met ‘barend schrijven’.

In 2007 verscheen je debuutbundel. Hoe zag je leven er toen uit?
Ik was tweedejaars student Writing for Performance aan de HKU maar de stad Utrecht was eigenlijk nog wat te indrukwekkend voor mij. In het eerste jaar reisde ik nog met de trein op en neer vanuit Friesland waar ik woonde met mijn toenmalige vriend. Tijdens dat tweede jaar vond ik een kamer in Utrecht maar ik ging nog steeds elk weekend naar huis. Ik had moeite met spreken in de klas, dacht veel te veel na over mezelf en anderen.

Hoe belandde je op die HKU?
Mijn uitgangspunt was vanaf het begin poëzie schrijven. Omdat ik als achttienjarige de landelijke Kunstbendefinale categorie taal en de Slauerhoff poëzieprijs had gewonnen en een voorronde van Writenow! besloot ik met mijn studie Creatieve Therapie te stoppen om me in het schrijven verder te kunnen ontwikkelen en daar mijn beroep van te maken. Het theaterschrijven en vooral ook de theaterwereld was nieuw voor me maar het schrijven lag me wel. Ik had een duidelijke eigen stem op papier en die groeide genoeg om de studie met succes af te kunnen ronden. Het ‘socializen’ kreeg ik in dat vierjarige tijdsbestek helaas niet onder de knie. Ik droeg trouwens wel graag en regelmatig op allerlei podia voor en deed ook mee aan poetry-slams, dus in die wereld had ik wel leuke contacten. Achter de woorden die ik schreef kon ik heel krachtig staan.

We zijn nu tien jaar verder en inmiddels woon je met man en drie kinderen in Oostenrijk, in een huis op het platteland met een grote tuin. Al die veranderingen hebben je poëzie vast beïnvloed. Op welke manieren, denk jij?
Door verschillende ervaringen in mijn privéleven gedurende het vierde studiejaar ging ik heel anders in het leven staan en kreeg ik ook heel andere interesses, bijvoorbeeld yoga, blotevoetendansfeestjes en naar de ashram gaan. Het gekwelde kind uit Zo vliegen de walvissen begon helemaal op te bloeien en dit had een directe invloed op mijn poëtische stem. De nieuwe stem was van iemand die simpelweg smoorverliefd was geraakt op het leven. Ik bleef voordragen op dezelfde podia maar kreeg van tijd tot tijd het gevoel niet meer op de juiste plaats te zijn. Ik voelde me als een mens die plots ontdekt naakt op het podium te staan.

Hoe bedoel je dat?
Ik kon alles doen waar ik van hield en wat ik wilde maar fladderde uiteindelijk alleen maar wat rond en ik miste daarbij een paar geaarde voeten. Daarom genoot ik ook zeer van mijn bijbaantje in de biowinkel want daar voelde ik de aarde wel. Ook als ik kookte en mijn kamer mooi maakte. In die situaties begon ik me een moeder te voelen en over het schrijven dacht ik: ‘ Ik wil eerst moeder worden want dan gaat mijn schrijven pas echt weer ergens over, en dan is dat werkelijke belangrijker voor me dan het schrijven. Ik wilde eerst een leven en dan daarover schrijven, in plaats van andersom.’

Is geen vreemde gedachte toch?
Op de academie werden veel van die mythen juist ontkracht, je hoeft datgene waar je over schrijft niet zelf te hebben beleefd. Maar zoals ik al zei, ging ik door die persoonlijke ervaringen heel snel in een hele andere richting. Ik werd ineens het soort mens dat kan zeggen: ‘Ik schrijf vanuit mijn baarmoeder.’ Dus hoe is mijn schrijven veranderd? Het heeft voeten gekregen. Ik vind dat mijn werk rijker is geworden en veelzeggender op een minder theatrale, dramatische manier. Er is nu veel meer liefde dan verlangen hoewel ik wat dat betreft niet positief discrimineer. Met dat laatste wil ik zeggen dat ik de scherpe gedachten en grillige beelden nog steeds waarneem en neerpen. Ik zie het een niet per se als beter dan het ander. Mijn kinderen en thuis behoren nu zeker ook tot mijn favoriete thema’s, waarbij ik het zorg willen dragen ook graag doortrek naar globaal niveau. Zo komt het moederinstinct in een gedicht naar boven om aan de Apocalyps zin te geven.

‘Schrijven vanuit je baarmoeder’ oftewel ‘barend schrijven’, zoals ik het je ook wel eens heb horen noemen: kun je aan mij als kinderloze man uitleggen wat je daarmee bedoelt?
Als je kijkt naar het metafysische concept van de chakraleer, dan zie je dat ter hoogte van de onderbuik vlak onder de navel het tweede chakra zit. In Sanskriet wordt dit chakra Swadhistana (zoetheid) genoemd en het is verbonden met het uiten van emoties, sensualiteit, seksualiteit en creativiteit. Dat zowel baby’s als creatieve uitingen daar ontstaan is dus zeker niet een heel nieuw door mij bedacht idee. Lichaam en geest zijn volgens deze filosofie een eenheid en daarom zijn beide onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Een gedicht komt uit mijn binnenste en moet daar groeien. Ik kan niet over wat ik in de wereld waarneem schrijven voordat ik het heb verinnerlijkt alsof het een deel van mezelf is. Voor ik een gedicht schrijf, voel ik me vaak onrustig, echt letterlijk alsof er een ei komt. Ik moet me ervoor afzonderen anders komt het niet en zo heeft een vrouw tijdens de weeën ook behoefte aan die rust. Zet er een tl-lamp en vijf dokters bij en de weeën ebben hoogstwaarschijnlijk weg. Soms ben ik ineens bang dat ik het niet meer kan, dat schrijven maar de drang is uiteindelijk altijd groter dan dit bedachte zelf. Zo bereiken vrouwen tijdens de bevalling ook vaak een punt dat ze denken ‘Ik kan dit niet’, maar de drang te baren laat zich niet zo gemakkelijk stop zetten. Schrijven is voor mij zowel met pijn als met extase verbonden; wat een alledaagse, hoog geconcentreerde zwoeghouding niet uitsluit trouwens. Ik schaaf en herschrijf. Als je kinderen met gedichten wilt vergelijken kun je zeggen dat het herschrijven de opvoeding is. Als moeder voed ik niet alleen mijn kinderen op maar vooral ook mijzelf als mens in het algemeen.

Is barend schrijven genderneutraal?
Ja, in die Oosterse termen hebben alle mensen daar hun chakra voor creativiteit zitten. Er zijn vast en zeker mannen die zichzelf buikschrijver zouden noemen, als ze mochten kiezen tussen hart, hoofd of buik. Helene Cixous sloot trouwens in haar theorie over het vrouwelijk schrijven, Écriture féminine, ook de man niet uit en noemt James Joyce als een voorbeeld. Als afstudeerthema aan de HKU koos ik surrealistische theaterteksten, teksten zonder opbouw of een totaal andere dan een klassiek drama, die meeslepend zijn in plaats van voortstuwend. Deze teksten zou ik als ‘gebaard’ kunnen benoemen en ze stamden alle vier van de hand van een man. (Antonin Artaud, Federico Garcia Lorca, Jan Fabre en Peter Verhelst)

Wil je met je gedichten ook andere mensen opvoeden?
Nee, opvoeden is ook niet een woord dat ik normaal voor volwassenen zou gebruiken, dat klinkt wat belerend. Een andere reden dat ik moeder wilde worden en later doula (coach van de vrouw tijdens zwangerschap, geboorte en daarna) is dat ik er geen vinger op kon leggen wat het effect is van mijn gedichten en ander schrijfwerk. ‘Verontrustend’ was een compliment dat ik kreeg voor mijn werk en daar heb ik over gepiekerd. Wil ik verontrusten? Is dat iets goeds? Als het kunst betreft blijkbaar wel en ja ik zoek die gelaagde beleving zelf ook in kunst, maar toch wilde ik op een meer directe manier iets goeds doen voor mensen. Inmiddels lukt het me steeds beter het eventuele effect van mijn werk bij de lezer te laten. Natuurlijk hoop ik wel dat ik ergens een welluidende en het liefst ook ecologisch verantwoorde snaar raak, inspireer, dat die vlam wordt doorgegeven maar of dit nou wel of niet gebeurt, verandert niets aan de kwaliteit van mijn creatieve expressie op het moment dat ik het schrijf of voordraag. Eigenlijk wil ik vooral mijn kinderen laten zien dat het mogelijk is je eigen weg te gaan door ze dat voorbeeld te geven en dat doe ik o.a. door het schrijven van poëzie. Zo gezien is het feit dat ik schrijf en schilder en daar duidelijk zichtbaar voldoening in vind, ook deel van de opvoeding van mijn kinderen. Mijn verloofde zei op een moment dat ik me onzeker voelde over hoe mijn werk ontvangen zou worden: ‘Beeld je in dat je het voor je kinderen maakt’ en die gedachte heeft me inderdaad geholpen bij het loslaten van de verdere bestemmingen van mijn werk.

Je bent al een hele tijd bezig met het maken van illustraties voor een prentenboek voor kinderen over thuis geboren worden, Born at home . Kun je iets meer vertellen over dat boek?
Born at home bedacht ik met mijn kennis als doula en de ervaring van de drie geboortes van mijn kinderen. Ik ontdekte dat er weinig prentenboeken te vinden zijn over de geboorte die thuis plaats vindt. Ik ben mijn hele leven al gek op prentenboeken, mijn moeder geeft ze me ook nog steeds cadeau. In het illustreren en schilderen kan ik mijn liefde voor kleur kwijt en daar ervaar ik dan een simpel geluksgevoel bij. In tegenstelling tot het schrijven wringt er helemaal niets bij het schilderen, misschien omdat daar door het ontbreken van een academische achtergrond het vergelijken met anderen en de onzekerheid ontbreekt. Het verhaaltje van het boek is simpel: Robin krijgt een broertje of zusje dat thuis geboren zal worden. Hij wordt bij de voorbereidingen van een natuurlijke thuisgeboorte betrokken, leeft daardoor (samen met zijn draak) mee en leert de geboorte als iets moois te zien. Het boek zal waarschijnlijk net als mijn onlangs verschenen Engelstalige dichtbundel verschijnen bij de Australische Tandava Press en dan meteen in drie talen, Duits, Engels en Nederlands, verkrijgbaar zijn.

Van welke poëzie ben je ondersteboven?
Lorca, Deborah Digges, Mebdh McGuckian, Marije Langelaar en Dorien de Vylder zijn nu de eerste vijf waar ik aan denk.
Vraag me morgen weer en het zou er weer net wat anders uit kunnen zien.

Je tweede Nederlandstalige bundel zou komend jaar verschijnen bij uitgeverij Stanza, maar dat ging vanwege de gezondheid van Ton van ‘t Hof niet door. Hoe heb je dat ervaren?
Toch wel als een schok, een rare cocktail van emoties. Medeleven voor Ton van ‘t Hof maar tegelijk toch ook een grote teleurstelling voor mezelf. Door Stanza’s ‘ja’ voor mijn manuscript voor Volle Wolfsmelk stelde ik me voor dat de deur naar het Nederlandse poëziewereldje voor mij weer open stond. Ik dacht al vooruit, over de kaft, de bundelpresentatie en was wekelijks aan het bijschaven. Als ik nu terugkijk is het toch vooral een goede lenigheidsoefening voor mijn vertrouwen geweest, dat die tweede bundel er echt wel gaat komen. Dat vertrouwen heb ik nu, al heb ik nog geen idee van het hoe en wat.

Door je verhuizing naar Oostenrijk ben je het directe contact met het Nederlandstalige poëziewereldje min of meer verloren. Welke gevolgen heeft dat?
Ik vind het vooral erg jammer dat ik niet meer voor kan dragen, dat deed ik bijzonder graag. Misschien dat een dichter die regelmatig voordraagt ook interessanter is voor een uitgeverij, omdat op die manier meer boekjes verkocht kunnen worden? Gelukkig is er het internet en kunnen verminderde mogelijkheden ook een bijdrage leveren aan het vergroten van de creativiteit. Nu ik mijn rijbewijs heb kan ik sparen voor een paar technische snufjes om op voordraag- en ook zanggebied meer via het internet te kunnen doen. Dat ik vrijwilligster ben voor Meander heeft de verbinding met het circuit trouwens wel al verbeterd en als de bundel er is, kom ik sowieso ook weer voordragen in Nederland.

Publicaties van Laura Demelza Bosma

  • Laura Demelza Bosma – Zo vliegen de walvissen (2007)
    Uitgeverij Holland, ISBN 9789025110284
  • Heath R. Thompsom (words) en Laura Demelza Bosma (art) – The Path That Weaves Through Clouds (2016)
    Tandava Press, ISBN 9780994377975
  • Laura Demelza Bosma – The Call Of The Ink Bird (2017)
    Tandava Press, ISBN 9780995358157
Interview met Hans Tentije

‘als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt’

 

Het werk van Hans Tentije (Beverwijk, 1944) werd veelvuldig bekroond, onder andere met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs, de Guido Gezelleprijs, de Karel van de Woestijneprijs en onlangs met de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Nadat ik Hans Tentije gefeliciteerd heb met de Constantijn Huygensprijs, vraag ik hem of hij erdoor verrast was. ‘Ja en nee’, zegt hij ‘ik denk dat ik het wel eens verwacht had gezien de goede recensies en de eerdere onderscheidingen. Ik ben er natuurlijk erg blij mee, ook voor de uitgever (de Harmonie) waar ik nog steeds zeer tevreden over ben, maar het verandert mijn leven niet. Een prijs is zo afhankelijk ook van de leden die in de jury zitten.’
Ik kijk hem vragend aan. ‘Ik schrijf niet in de eerste plaats voor de lezer. Inhoud en vorm zijn even belangrijk. Van tevoren is er geen duidelijk plan, het ene beeld lokt het andere uit en van te voren weet ik niet waar het eindigen zal. Ik ben steeds bezig de woorden te schikken, het ene eruit te gooien, het juiste woord op de juiste plek te zetten. Ik beleef ontzettend veel plezier in het maken, het ontdekken van dingen voor mezelf.’

Joop Leibbrand zei het in Meander (Al het teloorgegane, 7 december 2013) zo: ‘De zoektocht als vraag, de bundel als antwoord’. Hij grinnikt. ‘In die zin schrijf ik wel naar de lezer toe maar dichten is vooral uiten. Het dichten komt me ook niet aangewaaid. Je kunt niet aan het gedicht zien hoeveel moeite de schrijver ermee had. Ik had eigenlijk graag schilder willen zijn, de beeldtaal van een schilderij is veel directer. Ik had trouwens ook graag muziek gemaakt. Ik ben net als anderen van mijn generatie een jazzliefhebber.’
Hans Franse zegt in Meander (Een prachtig oeuvre in namiddagkleuren, 29 februari 2016) dat je blijvend ontroert. ‘Dat is mooi. Ik wil wel voor ontroering zorgen maar het moet niet opgeklopt zijn en er teveel bovenop liggen. Ik sta argwanend tegenover gevoel.’

We praten over die unieke generatie van toen. ‘De vriendschap met bijvoorbeeld een geweldig dichter als H.H. ter Balkt. Of dat wat ik met Bernlef deelde: het oog voor detail, de aandacht voor het onaanzienlijke. Toch heb ik geen heimwee naar vroeger, ik ben geen nostalgisch mens maar ik realiseer me terdege het belang van een goede omgeving.’
Is hij nog betrokken bij de hedendaagse poëzie? Zou er bijvoorbeeld nog een samenwerkingsverband kunnen ontstaan zoals hij die met Bernlef had? ‘Nee, ik zou niet weten met wie. Ik heb door lezen zoveel geleerd. Verwantschap met de jonge dichters is niet echt aanwezig. De generatie van toen was uniek.’

Zijn werk begon met cynisme, later kenmerkt het zich door onbestemdheid. Als er meer achter je ligt dan voor je qua jaren, hoe zit het dan met die onbestemdheid? ‘Ik heb het idee dat ik meer de diepte inga, er is meer levenservaring. De dood wacht altijd maar ik ben niet per se somber, die perioden heb ik wel gekend. Teruglezend kun je die depressieve neigingen wel vinden. In het schrijven ben ik op mijn eerlijkst. Het heeft me een aardig oeuvre opgeleverd.’ Hij lacht vriendelijk. ‘Dichten is ook discipline en ik schrijf elke dag.’

Volgens Hanz Mirck in Tzum (recensie Om en Nabij, 19 december 2016) is het werk van Tentije ongrijpbaar. Een gedicht is ‘licht dat alles verheldert maar niets verklaart’. Hij ontleedt het pseudoniem tot ‘ten tijden’ of ‘in die dagen’. Volgens hem is er dus een plan. ‘Dat ziet hij wel goed. Het ongrijpbare blijft. Het is wel mooi dat hij mijn werk zo ervaart.’ Ik haal uit dezelfde recensie de beeldspraak van Mirck aan, ‘de dichter gaat zelf verscholen in de melancholische poëzie en de recensent staat ergens op het strand, kijkt in de richting van zijn wijzende vinger, draait zich om en hoort niets dan het ruisen van de wind op een donkere avond.’ Zo voelt de lezer zich dus maar hij legt zich er niet bij neer.
Ik moet beslist nog zijn lievelingsschrijvers noteren, zegt hij: de herinnering aan het lezen van W.F. Hermans bij 10 graden vorst, wachtend bij de bushalte, hoe hij onder de schoolbanken stiekem verder las. Hij wordt enthousiast bij het noemen van de Zweedse auteurs die ook Bernlef als favoriet had, Gustafsson met name, Tomas Tranströmer of de Ierse dichter Seamus Heaney. O, die Vijftigers natuurlijk! Schrijvers als Enzensberger, Faulkner, Céline. Hij zegt ook graag te herlezen. Hedendaagse schrijvers noemt hij: Buwalda, Tepper met zijn Eeuwige Jachtvelden, Hertmans met Oorlog en Terpentijn, Modiano, schrijver van weemoed en detail, en zeker ook: W.G. Sebald!

Ik vraag naar zijn opvoeding. ‘Ik ben niet cultureel opgevoed maar mijn ouders hebben me ook nooit tegengewerkt in mijn keuzes en voorliefde. En wat scheelt, ik had en heb veel vrienden die beeldend kunstenaar zijn, David Kouwenaar, Rob Verkerk (die schilderijen maakte bij de gedichten in ‘Hoe het leven geleefd wordt’), Peter Bes met wie ik onder andere ‘In de tussentijd’ maakte, geïnspireerd door de foto’s van hem.
En vergeet het reizen niet: je blik verruimen, de grote steden bezoeken!’

Ik breng het roodfluwelen gordijn ter sprake dat vroeger bij de ingang van de kroeg hing waar we in zitten, nu is het geheel versierd met sloophout. Opgeleukt, grinniken we.
We komen niet meer zo vaak in een kroeg. Ik vergelijk het prijzengeld van de Constantijn Huygensprijs even met de Turing. Hij gaat er trouwens van op reis, heeft hij bedacht, na de officiële ceremonie.
Bij het 500-jarig bestaan van onze Grote Kerk maakt hij een gedicht . ‘Ambieer je het stadsdichterschap van Alkmaar’ vraag ik hem. ‘Soms is een opdracht leuk maar nee, ik moet er niet aan denken stadsdichter te zijn. Ik wil niet op de voorgrond, ik zit verscholen in mijn gedichten.’

Publicaties van Hans Tentije verschenen bij uitgeverij De Harmonie

  • Alles is er
  • Wat ze zei en andere gedichten
  • Nachtwit
  • Schemeringen
  • De innerlijke bioscoop
  • Drenkplaatsen – gedichten 1975-1987
  • Van lente en sterfte
  • Wisselsporen
  • Verloren speelgoed
  • Wat het licht doet
  • Deze oogopslag
  • Uit zoveel duisternis
  • In de tussentijd (bij foto’s van Peter Bes)
  • Als het ware
  • In omgekeerde richting (met Bernlef)
  • Gissingen, gebeurtenissen
  • Hoe het komt – gedichten 1994-2010
  • Om en nabij