Ruimte waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken

 

Herman Rohaert (1958) is germanist, gewezen redactielid van de literaire tijdschriften Appel en Verba.  Jurylid en winnaar van verschillende literaire wedstrijden, docent schrijfcursus en auteur van talrijke publicaties in een brede waaier van literaire tijdschriften, lid van voormalig dichterscollectief mengmeTTaal.

Na alle opsommingen van prijzen tot redacteurschappen ga ik meteen door naar de beoordelingen op je weblog, ‘het samenspel tussen suggestie en intimiteit en de grote verbeeldingskracht waarmee hij beeld en taal verzoent’. Is zo’n verzoening mogelijk? Noodzakelijk?
Suggestie, beeldenpracht, intimiteit, dit zijn drie grootheden die voor mij in goede poëzie onontbeerlijk zijn, dus ja, ze zijn alle drie heel noodzakelijk. Ik hoop dat de lezer die drie gratiën zelf in mijn poëzie kan terugvinden, in ieder afzonderlijk gedicht liefst.

Een goed gedicht, zeg je in een vraaggesprek met Peter WJ Brouwer in 2006, moet voldoen aan de volgende criteria: dichtheid, eenvoud, sfeer en suggestie, verrassende en vernieuwende beeldspraak, ritme en muzikaliteit. Is dat niet een vreselijke opgaaf?
Nee, eerder een heerlijke uitdaging.

Het boeiendst, zeg je in hetzelfde interview, is het scheppen en schaven aan een gedicht. Het proces loont de moeite. Hoe lang ben je bezig met een gedicht?
Ik begin meestal spontaan aan een gedicht en schrijf een eerste versie op het eerste het beste beschrijfbare materiaal dat ik kan vinden, daarna schrijf ik met de hand over en over met telkens kleine schrappingen, wijzigingen, tot ik het resultaat aanvaardbaar vind. Minimaal zullen dat een tiental versies zijn. Daarna typ ik de laatste versie over op mijn laptop, ook hier volgen dan nog enkele versies, uiteindelijk print ik de meest verdienstelijke. Deze print geef ik enkele dagen, weken of maanden kelder, voldoet die dan is het gedicht af, indien niet dan wordt er verder aan gesleuteld. Een langdurig proces dus meestal.

Brouwer zegt onder meer dat er ‘weinig ruimte is tussen gedicht en lezer’. Gebeurt dat bewust? In hoeverre denk je aan de lezer als je schrijft?
Ik weet niet precies wat Peter Brouwer hiermee bedoelt, ik hoop dat er juist veel ruimte is, dat het gedicht ruimte schept waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, waarin hij ook mag verdwalen. Bij het schrijfproces denk ik hoegenaamd niet aan de lezer, enkel aan wat ik wil zeggen en hoe.

Is een dergelijk contact met een collega onontbeerlijk?
Een contact met een ‘verwant’ collega-dichter is natuurlijk fijn en kan heel inspirerend zijn maar is niet onontbeerlijk, de meeste dichters zijn nogal individualistisch ingesteld.

Wat is er voor jou sinds dat interview in 2006 veranderd?
Niet zo veel, alleen denk en hoop ik dat ik rijper en beter ben geworden, ik voel me zekerder in mijn schrijven, ondervind minder twijfel, ik denk en hoop dat ik wat ‘métier’ heb opgedaan.

Mijns inziens ben je meer naar de media toegegroeid: aan de bundel Lust, last, liefde uit 2017 is een hele voorstelling gewijd die we op YouTube kunnen zien. Ook te zien is hoe je rode pumps in brand steekt met bladeren uit de bundel Gehakt die je met Ivo Konings en Willy Nelissen maakte, december 2017.
Kan een hedendaags dichter bestaan zonder de media?
Dit is een beetje een problematische situatie aan het worden. Een gedicht schrijven en daarna publiceren, hoe mooi het gedicht ook is, is niet meer voldoende, helaas! Er moet tegenwoordig heel veel aan promotie, marketing et cetera gedaan worden, je moet naar buiten treden en de aandacht proberen naar je toe te trekken. Dus wil een dichter tegenwoordig succesvol zijn, moet hij niet enkel mooie en goede gedichten kunnen schrijven, idealiter is hij ook een begenadigd performer, een gewiekst marketeer, een expert in het bespelen van de (sociale) media. Dit heeft soms perverse gevolgen, aan goede dichters die in alle bescheidenheid hun ambacht beoefenen gaat men voorbij, dichters met weinig talent voor het schrijven maar met uitgebreide netwerken en de kennis hoe die te bespelen komen in de aandacht.

Weerkerende thema’s: God, geweld, dood, seks en dan ‘in een dans tussen vanzelfsprekendheid en raadselachtigheid.’ (Brouwer)
Is de suggestie in je werk belangrijker dan de waarheid, bestaat er überhaupt een waarheid?
Een klare en duidelijke waarheid, ik twijfel eraan of die bestaat. Aanwijzingen van, suggesties van waarheid, dat misschien wel.

Huidig jurylid van de Guido Wulmsprijs, Lotte Dodion (1987) is een plaatsgenoot van je. Wat vind je van de nieuwe generatie dichters? In hoeverre is die generatie vernieuwend?
Er zijn heel inspirerende en vernieuwende en frisse jonge dichters, ik bewonder bijvoorbeeld Maud Vanhauwaert en vooral Charlotte Van den Broeck. Er zijn ook jonge, nieuwe dichters die mij minder aanspreken. Of je van een echt ‘nieuwe generatie’ kunt spreken, daar twijfel ik een beetje aan.

De Turing Gedichtenwedstrijd streeft na ‘poëzie een podium te geven voor een groter publiek’. Zijn daar nadelen aan verbonden? Is een wedstrijdelement niet storend?
Ik denk dat ondanks alles en enkele nadelen de Turingwedstrijd toch veel verdiensten heeft. Wanneer je kijkt naar het aantal dichters dat zich voor de wedstrijd inschrijft, is er duidelijk een vraag of noodzaak.

Is poëzie dichter bij de mensen gekomen of is het nog steeds een elitair genoegen? Andersom: zijn er niet veel te veel dichters?
Er zijn misschien te veel dichters maar er zijn vooral te weinig lezers, het aanbod ‘kunst en vrije tijd’ is tegenwoordig zo groot dat poëzie, een genre dat niet zo toegankelijk is en vaak ook energie en toewijding vraagt, een echte nichepositie bekleedt, daardoor ook marginaal of elitair wordt. En ik vrees er een beetje voor dat dit in de toekomst niet gaat beteren.

Je maakte het ‘alfabet van de vrees’ voor de hommage aan Rogi Wieg, uitgegeven door De Knipscheer, juni 2017. Je spelt daarin de woorden Bang en Angst.
Naar mijn aanvoelen was Angst de alles verterende emotie die Rogi’s leven onleefbaar maakte.

Bij het jureren van eerdergenoemde prijs, zei je dat nogal wat gedichten ‘pogingen zijn tot verwerken van persoonlijk leed’. Hoe verhoudt zich dit tot Rogi Wieg? En hebben jouw gedichten geen therapeutische waarde voor jezelf?
Ik denk dat Rogi Wieg een gelukkige uitzondering is, zijn gedichten verheffen zich boven het individuele leed en krijgen een universele waarde. Zelf geloof ik niet zozeer in ‘therapeutisch schrijven’, vaak is therapeutisch schrijven weinig interessant voor de buitenstaander; misschien, hopelijk wel voor de dichter die het gedicht pleegde.

Werk je in opdracht anders? Zoals bijvoorbeeld voor de stad Sint-Truiden?
Natuurlijk is schrijven in functie van een opdracht niet even vrij en ongebonden als wanneer je alles zelf mag bepalen: vorm, inhoud, lengte. Maar aan de andere kant is het ook, om een modewoord te gebruiken, een uitdaging om binnen de opgelegde grenzen toch iets te scheppen waarin je jezelf helemaal kunt uitdrukken, om iets te scheppen dat niet, wat zou dat een ramp zijn, als een dof compromis aanvoelt. En tot op heden heb ik van mijn opdrachtgevers steeds heel veel vrijheid en vertrouwen gekregen zodat ik iets kon maken waar ik ook nu nog helemaal achter sta en gelukkig mee ben. De opdrachtgevers ook trouwens.

In januari werd onthuld het gedicht Borgloon 1018/2018 van 657 kg cortenstaal. Je maakte eerder een bundel van twee in hout gekerfde bladzijden, een project met gedichten op aardewerk. Had je liever kunstenaar willen zijn?
Is een dichter dan geen kunstenaar? Ik vind dichter zijn helemaal o.k., maar ik vind het heel inspirerend om met kunstenaars uit andere disciplines samen te mogen werken, in het ideale geval is het geheel meer dan de som van de delen.

Waarom wilde je absoluut Nederlands studeren? Ik lees dit in de annalen van de KU Leuven
Het leek me heerlijk om me gedurende zes jaar enkel in het vak Nederlands en de Nederlandse literatuur te kunnen verdiepen en verliezen, liever dan mijn aandacht over twee of meerdere talen te moeten verdelen. Zo’n verdieping en concentratie leek en lijkt me een heerlijke luxe. Het werd me helaas niet gegund. Het werd een licentiaatsdiploma in de Germaanse Filologie, zo heette dat toen, dat behaald werd aan de KULeuven.

Interview met Astrid, Jana en Frouke Arns

Op zich wel een bijzonder toeval

 

Van Astrid Arns verschijnt in het najaar een bundel bij uitgeverij P.  Van haar dochter Jana verschenen inmiddels twee bundels. Astrids nicht Frouke publiceert komend najaar een derde bundel, dit keer bij de Arbeiderpers.
Zoveel dichters in een familie: is dat toeval? Alja Spaan interviewde de dichteressen Arns.


Frouke, Jana en Astrid Arns

Astrid Arns (1960) werkt in het bijzonder onderwijs. Publiceerde in de Poëziekrant, Meander, Het gezeefde gedicht, De schaal van digther en De vallei en werd o.a. genomineerd voor de Meanderwedstrijd 2017. Won de derde prijs Poëziewedstrijd Oostende 2017-2018. Debuteert in het najaar 2018 bij uitgeverij P.

Welke overeenkomst zien jullie zelf tussen jullie literair werk?
Jana (J): Ik denk dat we alle drie helemaal anders schrijven. We delen dan wel dezelfde achternaam, onze stemmen zijn heel divers.
Astrid (A): Jana en ik fungeren vaak als toeschouwer in onze gedichten. Er is ook vaak sprake van een zeker gemis. (Een gevoel, een voorbije tijd, een vader…) Frouke schrijft realistischer dan ik, nuchter, onverbloemd. Ik klamp mij vaak vast aan een sfeer.
Frouke (F): Qua beeldtaal en thematiek denk ik dat Astrid en Jana meer overeenkomsten hebben; als moeder en dochter hebben zij natuurlijk een groot gedeeld verleden. Eén van de reservoirs waar je als dichter uit put, lijkt me.
J Frouke en Astrid kunnen veel beter een landschap of stad beschrijven. Mijn thematiek blijft veel compacter. Ik schrijf meestal over de microwereld van mijn/het gezin. Zij zien het groter.

Lezen jullie elkaar en beïnvloeden of stimuleren jullie elkaar?
J Lezen zeker! Mijn moeder en ik mailen elkaar altijd eerste versies door en reviseren elkanders werk. Zij is daar wel een stuk beter in dan ik. Die mailwisselingen werken stimulerend en onrechtstreeks zal er zeker een vorm van beïnvloeding zijn.
A Jana en ik bespreken meestal onze gedichten kritisch voor we ze publiceren. (Per mail want we wonen niet in dezelfde stad) Ik bewonder de humor in Jana’s gedichten, dat maakt ze minder beladen. Jana en ik schrijven ook vaak over het moederschap. Over onze beperkingen maar ook over onze liefde die we ervaren in de nabijheid van onze kinderen.
F We lezen elkaar wel, maar beïnvloeden, nee. We kennen elkaar ook nog niet zo lang. In juli 2014 trad ik bij Poemtata tijdens de Gentse Feesten op in een literair programma, ik werd vlak voordat het programma begon door een vrouw achter mij aangesproken. Het bleek een volle nicht te zijn, Astrid, die in België woonde en die ik nooit heb gekend. Ook haar dochter Jana was daar aanwezig, sindsdien hebben we contact gehouden.

Jana Arns (1983) is muzikante, fotografe en dichteres. Publiceerde in de Poëziekrant, Meander, Deus ex Machina; Gierik & NVT en Het gezeefde gedicht. Enkele gedichten werden opgenomen in de ‘100 beste Nederlandstalige gedichten’ van de VSB Poëzieprijs 2018. Ze won de Prijs Letterkunde Oost-Vlaanderen 2017 en de Literaire Prijzen van de stad Sint-Truiden 2018. Debuteerde in 2016 met Status: het is ingewikkeld bij uitgeverij P. Haar tweede bundel verscheen februari 2018 bij dezelfde uitgever onder de titel Nergens in het bijzonder.

Waar komt dat talent tot schrijven vandaan? Of ben je van mening dat het toeval is.
J
Dat er drie Arnsen zijn die op een bepaald niveau gedichten schrijven, is op zich wel een bijzonder toeval. Vooral omdat we een familie zijn die verder eerder ‘op zichzelf’ is en is verspreid over België, Nederland en Australië. Onderlinge bezoekjes zijn dus niet altijd zo evident.
F Het is wel opvallend dat drie mensen uit eenzelfde kleine familie dichter zijn.

Is schrijven iets dat binnen de opvoeding gekoesterd werd?
J
In mijn geval zeker. Ik heb altijd geweten dat mijn moeder gedichten schreef en toen ze me een reeks gedichten liet lezen die ze had geschreven toen ze zwanger was van mij, herinner ik me dat ik erg was gepakt hierdoor. In diezelfde periode ben ik zelf ook begonnen met dichten en ook al was dat toen nog echt niet goed; ze was altijd positief!
F Mijn liefde voor literatuur en poëzie is van huis uit vooral gevoed door mijn moeder. Maar mijn vader hield van schrijven; iets waar hij zich pas op hoge leeftijd echt toe zette. Hij schreef honderden korte stukjes, Carmiggelt-achtige filosofische bespiegelingen over alledaagse gebeurtenissen.

Frouke Arns (1964) is literair vertaler, tekstschrijver en dichter (Stadsdichter van Nijmegen 2015- 2016). Publiceerde in diverse Nederlandse en Vlaamse literaire tijdschriften en kranten en verzamelbundels. Won diverse prijzen waaronder in 2010 de Meander Dichtersprijs.
Debuteerde in 2013 met Mensen die je misschien kent (Uitgeverij Marmer). De verzamelde stadsgedichten, getiteld Eigen terrein, verschenen in 2017 bij dezelfde uitgever.
De derde bundel verschijnt in het najaar 2018 bij De Arbeiderspers.

Zijn er literaire voorbeelden?
J
Ik heb geen grote literaire voorbeelden. Als tiener kocht ik de bundels van Charles Ducal en was ik zoals zoveel tieners fan van Jotie T’ Hooft. Op dit ogenblik lees ik dan weer erg graag het werk van jonge dichters als Yannick Dangre, Stijn Vranken, Maarten Inghels.
A Literaire voorbeelden: Nolens, Claus, Wigman, Arends.

Hoe gaan jullie om met elkaars successen?
J
‘Successen’ is heel relatief. ;-) Ik denk dat we elkaar alles allemaal heel erg gunnen. Er is zeker niet zoiets als jaloezie. We schrijven alle drie té anders (en zien elkaar daarvoor te graag).
A Heerlijk vind ik dat…Frouke en Jana boeken het ene succes na het andere. We schrijven anders, we zijn ook heel anders. Precies daarom gunnen we elkaar alles, stimuleren we elkaar, vinden elkaar steeds terug in de poëzie.
F Astrid en Jana timmeren flink aan de weg met prijzen, bundels en beurzen. Hartstikke mooi!

Wat is voor ieder van jullie het belang van dichten en hoe betrek je de lezer daarbij?
J
Schrijven is heel belangrijk voor mij. Ik heb echt wel een drang om iets te produceren. Als dat een langere periode niet lukt, ben ik gefrustreerd. Het was wel een lange zoektocht. Eerst heb ik zes jaar klassieke muziek gestudeerd aan het Conservatorium van Antwerpen, maar dat gaf niet de voldoening die ik zocht. Daarna ben ik fotografie gaan volgen en toen ik daarin een bepaalde stijl ontwikkelde, gaf dat wel enige tevredenheid, maar er miste toch nog steeds ‘iets’. Het is pas toen ik het dichten weer oppikte (ongeveer vijf jaar terug), dat het voelde als thuiskomen. Ik geloof ook wel in de kruisbestuiving van de drie kunstvormen. Het zorgt voor een verrijkende afwisseling. Ik hoop nog veel te kunnen ‘mengen’ in de toekomst.
Ik heb samen met mijn man (contrabassist Joris Vanvinckenroye) een muzikaal programma; BASta! Duo, waar we ook poëzie in mixen. Dat werkt wel voor het publiek.
A Van groot belang! Ik werk nog in het onderwijs dus mijn tijd is beperkt maar ik gebruik de tijd voor en na het werk. De woensdagen, de weekends. Het is pas het voorbije jaar dat ik gedichten opstuur voor publicatie. (maar ik schrijf al 30 jaar) Ik voel een soort gedrevenheid nu. Het schrijven vertelt mij wie ik ben. Soms ben ik verwonderd over de inhoud van mijn eigen gedicht. Dan heeft dat gedicht mij onverwachts ergens gebracht waar ik wel of niet wil zijn.
F Schrijven is belangrijk voor me. Niet alleen gedichten, ook proza. Als ik een tijdje niet heb kunnen schrijven , dan word ik onrustig en ook een beetje onuitstaanbaar, haha. Het is een uitlaatklep, en een manier om de wereld en mezelf daarin te leren kennen en begrijpen.

Verandert de vorm naarmate jullie ouder worden?
J
Ik zal het weten te zeggen over tien, twintig jaar. ;-)
F De vorm niet, maar de inhoud wel. Ik merk dat de thema’s waarover ik schrijf in zekere zin pas houden met de levensfase waarin ik mij bevind.
A Naarmate ik ouder word schrap ik nog meer. Ik hou van compacte gedichten. Hoe minder woorden, hoe beter (ik denk aan Jan Arends).

Is er iets waar je niet over kunt schrijven? Kennen jullie schaamte?
J
Gek genoeg lukt het me dus niet om over de natuur te schrijven. Dichter dan een hond in mijn tweede bundel komt het niet. En die slaapt dan nog!
A O jawel. Ik lees best graag erotische gedichten maar zou er geen schrijven. In mijn gedichten schuilen toch wel geheimen (waarover ik mij vaag uitspreek) Voer voor de heel aandachtige lezer.
F Als Stadsdichter heb ik gemerkt dat er eigenlijk niets is waarover je niet zou kunnen schrijven, omdat je in opdracht over thema’s schrijft waar je zelf nooit over geschreven zou hebben.

Moet poëzie ook een maatschappelijke functie hebben?
F
Poëzie moet gelukkig niets. Het is mooi als poëzie kritisch is en mensen aan het denken zet over bepaalde mechanismen en misstanden in de maatschappij, maar ik vind dat geen doel op zich.
J Ik heb veel respect voor een dichter als bijvoorbeeld Charles Ducal die geëngageerde poëzie schrijft (en dat nog eens heel erg goed doet ook!). Ik probeer (hoe moeilijk dat ook is) toch ook politiek actuele thema’s in gedichten te verweven al is dat echt wel uit mijn schulp kruipen.
A Poëzie met een maatschappelijke functie kan best voor mij maar hoeft niet. In ieder geval zou ik niet in opdracht kunnen schrijven. Ik ben ook niet zo gek op moraliserende gedichten. Gedichten met een onderliggende boodschap doen me teveel aan lesgeven denken, vermoed ik.

Twee vragen aan Astrid

Wat is voor jou de kracht van je poëzie?
Ik schrijf suggestief, visueel, gevoelvol, met de weemoed van een 58-jarige… over tijd die al verloren ging.

Je debuteert eerst nu. Is het onderwijs waarin je werkzaam bent belangrijker dan het dichten?
De eerste dichtbundel wordt uitgegeven in het najaar door uitgeverij P.
Ik werk in het bijzonder onderwijs. Het is niet makkelijk om taalarme kinderen poëzie bij te brengen maar ik probeer de kinderen te laten spelen met taal en toon steeds oprechte verwondering. Onlangs zei een kind tegen me: “Mijn mond proeft dorst’. Schitterend vind ik dat. Maar naast lesgeven ligt het schrijven dichter bij wie ik ben. Toch.

Drie vragen aan Jana

In je debuutbundel Status: het is ingewikkeld, staat over je disciplines (muziek, fotografie, schrijven) ‘nooit los van elkaar’, maar waar grijp je het eerst naar?
Bij mijn eerste bundel was er telkens eerst het gedicht. Daarna de foto. Maar het kan in beide richtingen werken. Ik schrijf ook vaak met muziek op. Dat kan van alles zijn, zolang het maar instrumentaal is.

In je bundel heeft het alledaagse (bijvoorbeeld het gebruik van Facebook) een grote rol. Waarom?
Dat behoort tot mijn micro-wereld waaruit ik put om te schrijven. Dat ik zulke zaken verwerk in een gedicht, maakt het ‘herkenbaar’ voor een lezer, vermoed ik.

In de recensie van Sander Meij in Tzum, maart 2017, staat dat er ‘nauwelijks uit de bocht gevlogen wordt’: is het schrijven jouw vorm van controle houden?
Ik ben het hier niet helemaal eens met Sander Meij. Ik denk dat er net serieus uit de bocht gevlogen wordt. Ik denk dat er qua thematiek geen blad voor de mond genomen wordt. Je zou dus kunnen stellen dat ik net ongecontroleerd ben. ;-)

Drie vragen aan Frouke

Je bent ook literair vertaler en tekstschrijver en daarbij ben je gedwongen tot deadlines.
Hoe vrij ben je als dichter?
Ook als stadsdichter had ik vaak te maken met deadlines. Dan moest een gedicht bijvoorbeeld op tijd aangeleverd worden voor een poëziekaart, of bij een bepaalde gelegenheid voorgedragen worden. Ik vind een deadline op zich een prettig gegeven, het geeft houvast en richting. Maar dat geldt vooral voor de vertalingen en commerciële teksten.
In mijn vrije werk heb ik daar gelukkig nauwelijks mee te maken. Ik verzamel meestal eerst allerlei indrukken, regels en fragmenten in mijn hoofd en werk ze pas in laat stadium uit op een scherm of op papier. Ik kan wekenlang niet schrijven, en dan ineens een paar dagen achter elkaar met niets anders bezig zijn dan met gedichten.

Wordt je werk in het sympathieke buurland van je familie anders ontvangen dan hier?
Dat weet ik eigenlijk niet. Af en toe heb ik een publicatie of een optreden in Vlaanderen, zoals binnenkort op 1 maart in de Cultuurloft in Gent. Ik verheug me erop om voor het eerst samen met Astrid en Jana op een podium te staan. Op 24 juni brengen we hetzelfde programma nog eens tijdens Poemtata. En in de najaareditie 2018 van Het Liegend Konijn staan vier gedichten van mij, als voorpublicatie van mijn nieuwe bundel.

Je hebt onlangs een contract getekend bij de Arbeiderspers. Kun je ons iets vertellen over de plannen daar?
Ja, op 31 januari, de laatste dag van de Poëzieweek, heb ik een contract voor mijn derde bundel getekend bij De Arbeiderspers! Er ligt nu een manuscript van ruim 40 gedichten, die ik sinds het verschijnen van mijn debuut, eind 2013, schreef. Naar verwachting zal de bundel, getiteld De camembertmethode, dit najaar verschijnen. Ik kijk er heel erg naar uit!

Interview met Ted van Lieshout

‘omarmend schrijven’

 

Ted van Lieshout (1955) is een veelzijdig kunstenaar. Na zijn studie aan de Gerrit Rietveldacademie werkte hij als illustrator en grafisch ontwerper. Vanaf de jaren tachtig publiceerde hij ook gedichten, jeugdromans, prentenboeken en boekwerken over kinderen en kunst. Hij schreef scènes en liedjes voor NTR-televisieprogramma’s en voor artiesten als Karin Bloemen en Lenette van Dongen. In 2012 verscheen zijn eerste roman voor volwassenen, het spraakmakende boek Mijn meneer. Intussen staat er een indrukwekkende lijst van zo’n 75 publicaties op zijn naam. Voor elke kunstvorm waar hij zich op toelegde ontving hij prijzen, waaronder de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs voor heel zijn oeuvre, de Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied, zeven maal een Zilveren Griffel, zeven keer Vlag & Wimpel, de Woutertje Pieterseprijs voor Driedelig paard.
Ook in 2018 is hij weer genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs met de bundel die medio 2017 verscheen: Onder mijn matras de erwt. Herman Verschuren zegt op Over lezen en schrijven over deze bundel: ‘Ik aarzel niet: ik vind dit een meesterwerk.

‘Een meesterwerk’. Herman Verschuren is niet de enige recensent die onversneden enthousiast is na het lezen van ’ Onder mijn matras de erwt’. Mirjam Noorduijn schrijft in het NRC: ‘Ted van Lieshout doet zijn naam als ‘korte-afstandschrijver’ eer aan. Waar andere auteurs minstens tweehonderd pagina’s en een woordenvloed nodig hebben om een portret van een opgroeiend meisje te schetsen heeft totaalkunstenaar Van Lieshout genoeg aan vijfendertig gedichten.’
Uniek is daarbij dat de gedichten geschreven zijn vanuit het meisje en daardoor een geheel vormen. Hoe ben je tot dit concept gekomen?

Kun je oprecht en integer poëzie schrijven als de ik in je gedicht iemand anders is dan jijzelf? Ik dacht eerst van niet. Of alleen bij uitzondering. Het genre leent zich nu juist voor het hoogst, hóógstpersoonlijke. Maar als je niet uitkijkt ga je navelstaren. De laatste jaren kreeg ik steeds meer behoefte om buiten mijzelf om te kijken. En daar hoorde ook de uitdaging bij: kan ik waarachtige poëzie schrijven vanuit het perspectief van een meisje?

Minstens zo opvallend zijn de originele portretten van vijftien zelfgemaakte poppen, telkens aangekleed met doeken of andere materialen, die zo totaal anders zijn dan poppen die je normaal in het leven van een jong meisje verwacht. Zij hebben hun eigen schoonheid maar de combinatie lijkt vreemd. Wat is de chemie tussen die twee werelden?
De meeste dichters willen geen illustraties of beeldmateriaal, omdat ze het gedicht zelf al een beeld vinden. Daarin hebben ze groot gelijk. Het kan heel storend zijn als een beeldend kunstenaar met zijn interpretatie tussen de dichter en de lezer in gaat staan. Dat gebeurt vaak als het om twee verschillende kunstenaars gaat. Maar ik heb het geluk dat ikzelf zowel de schrijvende als de beeldende kunstenaar ben, en dat maakt mij misschien wel de meest aangewezen persoon om ervoor te zorgen dat de beelden en gedichten elkaar niet in de weg staan. Ze illustreren elkaar niet, maar voegen lagen en lading toe. Ik dwing tekst en beeld tot een soort gedwongen huwelijk, en schuw de schurende kanten niet. Dat valt niet bij iedereen in de smaak. Er zijn mensen die zich afwenden van de gedichten omdat ze dan naar de poppenportretten moeten kijken.

Een groot deel van je werk is voor en over kinderen. Is deze voorliefde terug te voeren op je eigen kindertijd?
Nee. Toen ik hopeloos op zoek was naar een plaats voor mezelf als kunstenaar, vond ik die nergens, behalve in de jeugdliteratuur. Bij de jeugdrubriek De Blauw Geruite Kiel in Vrij Nederland en bij Sesamstraat. Ik was zo dankbaar dat ze me wilden hebben, dat ik heb gezegd: dan blijf ik trouw. Ik ben me toen in het genre gaan verdiepen en al gauw bleek dat ik er goed mijn draai in kon vinden. Vooral de speelsheid ervan is aangenaam. De verbeelding – en dan bedoel ik de fantasie – kan veel verder gaan. Het is ook een fijn genre voor tekenaars die schrijver zijn en schrijvers die tekenaar zijn. Je hebt in de kinderboekenwereld relatief veel beeldend kunstenaars die erbij zijn gaan schrijven. Schrijvers voor volwassenen die hun eigen teksten illustreren zijn schaarser.

Je bent vaak duidelijk zelf aanwezig in wat je schrijft. Vind je openheid een voorwaarde?
Zeker. Je kunt meer met je lezer delen als je open en oprecht bent, dan als je je achter een masker verschuilt.

Ook wat de publicatie van je werk betreft is er grote openheid. Het staat op sites als Poëzie-leestafel en gedichten.nl. Geen last van copyright-angsten?
Het is een groot dilemma. Als mensen je vragen of ze gedichten van je op internet mogen zetten, moet je nee zeggen, omdat je anders niet alleen je eigen rechten verkwanselt, maar ook die van de uitgeverij. Je behoort gewoon een billijk honorarium te ontvangen als iemand van je werk gebruik maakt. Maar het publiek ziet dat niet. Als mensen het níét vragen en je werk illegaal online zetten, zou je moeten ingrijpen, maar dat stuit op veel onbegrip en weerzin. Bovendien is het lastig om voortdurend het internet af te struinen op illegale overnames. In het begin grepen we wel in, maar er was geen beginnen aan. Nu sluit ik er letterlijk en figuurlijk zo veel mogelijk mijn ogen voor, en accepteer noodgedwongen dat de goeden onder de kwaden lijden. Het is een onrecht waarvoor geen oplossing voorhanden is.

Je schrijfstijl wordt als ‘eigen’ gekenmerkt. Om Noorduijn nog maar eens te citeren: ‘…onmiskenbaar van Van Lieshouts hand. En goede poëzie schrijven, dat kan Van Lieshout als geen ander.’ Voel je zelf wel verwantschap met andere dichters of schrijvers?
Mijn heldin is Annie M.G. Schmidt vanwege haar vermogen tot relativeren en ik ben jaloers op Sjoerd Kuyper omdat hij een lyrische schrijftrant heeft die ik vergeefs in mezelf heb gezocht. Ik ben niet dol op schrijvers voor volwassenen die een intellectueel toontje aanslaan of gemaniëreerd poëtisch doen in hun proza.

De diversiteit van je werk is erg groot. Heb je een voorkeur voor bepaalde genres? En ga je bijvoorbeeld telkens anders te werk? Er lijkt geen scherpe scheidslijn tussen schrijven voor kinderen en volwassenen.
Dat verschil is er in feite niet, maar het wordt in stand gehouden door iedereen die er een mening over heeft. – Of nee, verschil is er wel: als ik schrijf voor kinderen houd ik gevaren bij ze weg. Ik omarm ze, als het ware. Bij volwassenen doe ik dat niet. Dat is ook wel een verademing. Schrijven voor kinderen kan verstikkend zijn. Als je voor kinderen schrijft, schrijf je altijd met je armen om hen heen. Omarmend schrijven, noem ik dat wel. Bij volwassenen hoef je dat niet te doen, maar dan mis je tegelijkertijd ook wel de warmte die bij een omarming past.

In de bundel staat een serie gedichten ‘aan tafel. ’ Daar viel me het ongekende observatievermogen van het kind op, van Ted van Lieshout dus eigenlijk. Kun je dat als een van de belangrijkste eigenschappen van een kunstenaar zien?
Die conclusie is niet per se correct. Dat kind en Ted van Lieshout zijn niet per se een en dezelfde persoon. Ik gebruik mijn ervaringen, empathie en inzicht om te observeren, maar ik observeer niet per se mezelf.

Je bent docent geweest, was de vijfde Leonardo-hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, geeft lezingen en workshops. Speelt die achtergrond mee in je werk? Wil je mensen iets ‘meegeven’?
Ik ben kortstondig docent aan een kunstacademie geweest, al met al nog geen drie jaar; ik geef nog wel lezingen en workshops. Ik vind het interessant om kennis door te geven, omdat je dan steeds die kennis moet blijven toetsen: klopt het nog wel wat ik hier sta te beweren? Ik denk zelf dat ik een goede docent ben, maar daar is lang niet iedereen het mee eens. Ik ben behoorlijk streng en trek me weinig aan van tere gevoelens als een student ondermaats werkt. Er is ook bijna altijd wel iemand die moet huilen als ik lesgeef. Dus misschien overschat ik mijn educatieve kwaliteiten een ietsepiets.

Op tedvanlieshout.nu geef je naast een grote hoeveelheid algemene informatie, ook je mening over actuele zaken. Voel je een bepaalde verantwoordelijkheid om je in te zetten voor dingen als verbetering van de positie van kinderboekenschrijvers?
In het verleden meer dan nu. Toen dacht ik nog dat ik er mede voor kon zorgen dat er verbeteringen zouden plaatsvinden, maar alles wat bereikt is ging ook weer verloren. Gelukkig bestaan de Middag van het Kinderboek en de site leesjebeter.nl nog. Dat zijn een jaarlijkse studiedag voor mensen die het kinderboek een warm hart toedragen en een site waar kinderen en volwassenen verhalen kunnen vinden over specifieke aandoeningen. Niet per se zodat een kind met kanker over een ander kind met kanker kan lezen, maar om de mensen rondom dat kind te helpen bij het zich inleven in een jeugdige patiënt.

 

Interview met Lies van Gasse

In taal trek ik schuiven vol beelden open

 

Lies van Gasse (1983) is dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Ze schreef de bundels Hetzelfde gedicht steeds weer, Brak de waterdrager en Wenteling . Met Brak de waterdrager won ze de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen voor poëzie, met Wenteling werd ze genomineerd voor de Pernathprijs. Onlangs verscheen haar jongste bundel Wassende Stad.

Je bent dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Je biografie gaat terug tot je debuut bij de Wereldbibliotheek in 2008. Ik vraag me af wat je voor die tijd deed, hoe ontwikkelde jij je als schrijver en kunstenaar tot dat punt van uitgegeven worden?
Als kind maakte ik al boekjes uit oude agenda’s die ik van mijn grootvader kreeg. Ik schreef daar dan verhaaltjes en gedichten in en illustreerde die. Schrijven was eigenlijk niet iets waar ik me heel bewust van was, maar ik heb het altijd gedaan. Vaak kon ik situaties redden door bijvoorbeeld met een mooi geschreven antwoord te verdoezelen dat ik maar een stuk van mijn toets had geleerd. Ik herinner me dat ik op het einde van het middelbaar gedichten schreef onder elk examen. Ook het tekenen was er altijd al; dat is iets wat ik van mijn vader heb meegekregen. Ik ging naar de academie, waar ik een paar inspirerende leraren heb gehad. Maar eigenlijk was voor mijn achttiende het enige waar ik écht voor gekozen heb, de muziek – en die heb ik dan, oh ironie, toch een beetje laten vallen.
Een van mijn jeugdvrienden omschreef mij enkele jaren geleden als een stille, of was het zachte, anarchist. Dat is ook wel zo. Ik was heel actief bezig om net buiten de lijntjes te kleuren, maar omdat ik wel slim genoeg was om op studiegebied mee te kunnen, viel dat nooit zo heel erg op. Mijn ouders schrokken dus nogal toen ik een kunstopleiding wilde gaan doen. Ik ben Illustratie gaan studeren in Sint Lucas. Toen ik afstudeerde, wist ik niet meer goed welk soort beeldend werk ik wilde doen. Ik had een job nodig en deed veel moeilijke, slecht betaalde baantjes. Tussendoor stuurde ik mijn gedichten naar uitgevers. Gelukkig pikte Wereldbibliotheek me op. Die eerste bundel heeft me toen echt wel op de rails gezet.

Er wordt wel gezegd dat een vis uit een kleine vijver groter groeit als hij in een grotere vijver terecht komt. Uiteraard zijn je successen het resultaat van de kwaliteit van je werk; tegelijk vraag ik me af: heeft het groter worden van de vijver een betere dichter van je gemaakt?
Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik heb niet het gevoel dat de vijver zoveel groter is geworden, al is dat objectief gesproken natuurlijk wel zo. Het is waar: in plaats van één bundel werden het er meer, café-optredens zijn veranderd in internationale festivals, prijzen voor een gedicht werden prijzen voor een bundel… Maar als ik vanuit het schrijven kijk, betekent dat eigenlijk niet zoveel. Wat blijft, is die kwetsbaarheid bij alles wat je maakt. Ik ben dit jaar tien jaar uitgegeven als dichter en nog steeds vraag ik me bij alles wat ik naar mijn uitgever stuur af wat hij ervan zal vinden.
Natuurlijk krijg je meer ontwikkelingskansen. Ik heb heel wat inspiratie gehaald uit bijvoorbeeld residenties die ik gedaan heb. Dat is ook een gevolg van een volwassener auteurschap. En ik krijg de kans om met prachtige mensen samen te werken. Zo heb ik veel geleerd van Hans Groenewegen, die mij bij mijn debuut begeleidde, en later van Matthijs De Ridder en Dirk De Geest. Annemarie Estor en Peter Theunynck bijvoorbeeld zijn zeker van belang geweest in mijn ontwikkeling, maar ook kleinere samenwerkingen, zoals die met Tsead Bruinja voor Duplex, of die met Helen White en Luc Fierens (voor een project dat nog in de steigers staat) hebben zeker hun stempel op mijn ontwikkeling gedrukt.

Hoe verhouden je schrijven en je beeldend werk zich tot elkaar?
Ze vullen elkaar aan, op alle gebied. In het schrijven kan ik misschien meer de ratio kwijt en in het tekenen het gevoel, hoewel dat ook niet helemaal klopt. Zoals er wel eens gezegd wordt dat mijn tekeningen vrolijk en uitbundig zijn en mijn gedichten zwaarmoedig. Ik ben het daar niet mee eens. Voor mij zijn beide kunstvormen onvolkomen, en daarom worden ze elkaars open plek. Wat ik niet kan tekenen, zal ik schrijven en waar de woorden tekortschieten, is een kalligrafische lijn soms heel mooi op zijn plaats.

Je bent jurylid van de Turing-gedichtenwedstrijd. Hoe ervaar je het om gedichten van anderen te beoordelen? Wat kenmerkt volgens jou een goed gedicht? Waar ben je naar op zoek?
Ik vind het heel erg moeilijk om in zo’n jury te zitten. Het is een beetje dubbel. Er wordt gezocht naar een goede dichter, naar vakmanschap. Je ziet daarom veel doorslagjes van of zelfs regelrechte imitaties. Wat ik zelf graag zou vinden, is de vonk. Ik ben op zoek naar iets nieuws, iets dat fris is, authentiek. En dan mogen daar voor mij fouten in zitten. Aan fouten kan gewerkt worden, maar aan dat eigene niet. Je hebt het of je hebt het niet.

Mij valt de scherpte van je gedichten op, de vindingrijkheid. Ik krijg de impressie dat je heel goed kunt observeren, zowel binnen- als buitenwereld. Doe je iets om die scherpte te trainen, kan dit ‘oog’ worden aangeleerd of is het een aangeboren kwaliteit?
Ik ben niet alleen dichter. Ik ben, vaak tot mijn eigen frustratie, ook nog honderd andere dingen: wandelaar, kok van dienst, tekenaar, ontwerpster van geboortekaartjes, leraar, collega, bloemenplanter, geliefde, burger, tooghanger… In elk van die rollen overkomen mij zoveel verschillende zaken, die materiaal bevatten voor gedichten. Mijn leraarschap bijvoorbeeld: ik merk nu pas, na jaren, hoe mijn leraarschap mij zoveel heeft getoond, mij een bepaald inzicht heeft verschaft in types mensen, mij in gebouwen, in andere steden en dorpen heeft laten terechtkomen. De wil om te kijken heb ik altijd al gehad, maar ik voel de laatste tijd wel dat die door mijn ervaringen is aangescherpt.
Natuurlijk heeft ook dat in zekere zin met mijn beeldende opleiding te maken. Als je tekent of schildert, vertrek je eigenlijk altijd vanuit een waarneming. Ik teken bijvoorbeeld vaak uit mijn hoofd, maar in feite gaat daar een enorme geschiedenis van schetsen en waarnemingstekenen aan vooraf, waarbij ik al die verwerkte indrukken heb opgeslagen in een soort visuele databank. Ik denk soms dat hetzelfde is gebeurd in taal: dat ik naast die visuele databank ook een paar schuiven vol beelden-in-taal kan opentrekken die ik ooit heb geregistreerd, maar die met de jaren zijn vormgegeven tot kleine clusters van beelden.

In de Poëziekrant verscheen een artikel over je samenwerking met Charlotte van den Broeck , waarin geschreven staat: ‘Van Gasse verwerkt de geboorte van haar baby’. Op facebook noemde je dit vervolgens een eendimensionale interpretatie. Je schrijft: ‘ is poneren dat het enkel over moederschap gaat niet gewoon een ouderwetse manoeuvre om niet over je werkelijke dichterschap te moeten schrijven?’ Hoe omschrijf jij jouw ‘werkelijke dichterschap’ in deze context?
Ik was heel erg lastig toen ik dat artikel zag. Ik begreep het ook niet. Hoe kon mijn bijdrage zo in één zin samengevat worden, terwijl de desbetreffende gedichten toch ook zoveel meer zijn dan dat? Zo zit er bijvoorbeeld een gedicht bij dat mij heel dierbaar is en waarin ik het heb over de dood van mijn grootmoeder en mijn zus die terwijl zij ziek was in haar huis is gaan wonen en er een baby heeft gekregen. Dat lijkt mij toch iets heel anders. En er staan ook gedichten in die meer filosofisch van aard zijn, die het over dat soort stad hebben dat Beernem is: de stad waar je beter niet blijft om je verder te ontwikkelen.
Toen ik die zin las, voelde ik mij heel erg aangevallen. Je moet weten, ik kom uit een groot gezin met zes kinderen en ik heb thuis gezien welk gewicht een gezin kan hebben op de eigen ontplooiing. Ik moest mij daar echt van losscheuren. Toen ik zelf zwanger was, had ik daar veel zorgen over. Zou ik nog wel kunnen schrijven? Zou ik tijd hebben? Zou het mij niet te veel veranderen? Zo’n zin komt op dat moment als een slag in je gezicht. Terwijl het eigenlijk gewoon een vorm van seksisme is. Als vrouwelijke dichter word je met zo’n zin gewoon afgeserveerd als schrijver en naar de keuken gestuurd.
Nu is die oorspronkelijke woede al wat gaan liggen en intussen heb ik hier ook wel andere ideeën over. Een kind schudt je wereld danig door elkaar. Natuurlijk verandert je dat. De vraag is alleen of dat negatief hoeft te zijn. Ik merk op veel vlakken dat het ook voor verdieping heeft gezorgd. Ik begrijp nu veel beter die laag van ouderschap die veel mensen dragen en zie mijzelf ook meer als dochter-van; ditmaal niet op een afhankelijke manier, maar als een voortdurend in verbinding staan. Daar wil ik nog wel eens wat mee doen. En hoewel het natuurlijk energie vreet, geeft het prille ouderschap je ook een creatieve boost. Ik wou dat iemand mij op voorhand had verteld hoeveel je meeleeft met zo’n kleintje, en welke gevolgen dat voor je eigen ontwikkeling heeft. Het is lang geleden dat ik zo veel en zo argeloos heb geknutseld, heb zitten voelen aan materialen, bewegingen heb gezien en nagedaan, gezongen, blaadjes heb verzameld in het park… Het maakt je weer ontvankelijk voor die kleine dingen, die in ons dagelijkse doen soms naar de achtergrond verschuiven, maar die volgens mij belangrijk zijn voor ons menszijn én ons kunstenaarschap.

Heb je al een voorstelling van wat je zou willen doen op artistiek gebied om aan jouw visie op het thema van ‘die laag van ouderschap’ uiting te geven?
Nee, dat heb ik niet echt. Ik ben wel een periode wat aan het tekenen geweest rond dat thema, en heb een paar dagboekachtige gedachten uitgeschreven over de confrontaties tussen moeder en dichter in dezelfde persoon. Boeiend materiaal denk ik, maar er moet eerst nog wat tijd overheen. Misschien een soort graphic poem ooit, wie weet!

Wassende stad leest als een stadswandeling door het intieme bewustzijn van het lyrische ik. De stad komt tot leven in de gedichten en vormt met de personages een organisch geheel. De stad, de gedichten komen mij hierdoor ook dynamisch voor. Bewegen en leven de gedichten door? Veranderen ze in jou of blijven ze kloppen op het papier?
Het is grappig dat je dat schrijft, want naar aanleiding van die vraag ben ik momenteel een onderzoekje aan het doen rond een aantal thema’s, waarrond ik dan notities maak in functie van een bundel. Het is bijna mijn doel om die notities zo lang mogelijk levend te houden, vooraleer ik ze vastleg. Echte gedichten hoeven het voor mij ook niet te worden. Ik vind dat wel boeiend, die onafheid, dat voortdurend in vorming zijn van tekst en taal.

In welke projecten ben je nu verwikkeld en wat plan of droom je nog voor de toekomst?
Heel concreet ben ik momenteel veel bezig met onze podcast Boeken Toe en met een jeugdboek dat ik illustreerde op basis van een tekst van Peter Theunynck. Het gaat Oma is kwijt heten en wordt een geïllustreerde, poëtische tekst over dementie voor 8- tot 12-jarigen. Er zijn ook minder afgewerkte plannen, gelukkig. Zo ben ik proza aan het schrijven en dat gaat de goede kant uit. Ook droom ik ervan nog eens een graphic poem te maken en te publiceren, een heel beroemde dichter te strikken voor Zwemmen met schrijvers , op de Bahama’s te gaan optreden met De Harde Marge (Jan Klug, Tsead Bruinja, Tonnie Dieleman, Frank Keizer, Els Moors en ik), een kledinglijn uit te brengen met mijn kalligrafische tekeningen, een nieuwe graphic novel te maken met Peter Theunynck en uiteraard zelf ook wereldberoemd en dolgelukkig te worden. Werken, werken, werken!

Interview met Huub Oosterhuis

‘Het waren moeilijke tijden’

 

Huub Oosterhuis (1933) is dichter en theoloog. Hij publiceerde dichtbundels, essays, korte verhalen en liturgische teksten.

In de Rode Hoed, waar beneden de rode loper voor de winnaars van de Turing wedstrijd uitgerold wordt, beklim ik de trappen om Huub Oosterhuis te ontmoeten. Hij zit aan een tafel vol papieren, boeken, notities en zijn laatste bundels; zijn assistent en samensteller van Een weg van dagen, Elte Rauch, aan zijn linkerzijde.
Oosterhuis is zo dikwijls geïnterviewd, heeft zoveel gepubliceerd, had en heeft zoveel te vertellen en is zo bekend met en door tal van zaken dat ik vragen over het dichterschap het liefst verpak in mijn persoonlijke ervaring met zijn poëzie.
Ik vraag zijn reactie op een aantal citaten.
Uit de bundel Gedroomde god uit 1983 die ik in datzelfde jaar kocht:
‘Wat is poëzie, misschien wel eigenlijk alles?’ (Uit ‘ gedroomde god’ 10). Oosterhuis antwoordt: ‘Poëzie is de meest aangewezen poging om zo scherp mogelijk je beleving op het spoor te komen en vervolgens te uiten, tastend, zoekend en soms stellig.’ ‘Is het dan vooral de eigen zoektocht’, vraag ik hem en hij antwoordt bevestigend, maar ‘de lezer is wel aanwezig en zelfs vlakbij.’
‘We moeten wel zorgen voor verstaanbaarheid, een dichter zonder publiek is een nek zonder stropdas’ (Gedroomde god 28): ‘Verstaanbaarheid is belangrijk opdat mensen zich herkennen, de ervaring delen, besef van gemeenschap krijgen en het de lezer in een verband plaatst, vooral met de taal. Goed schrijven is net zo belangrijk als goed lezen, de relatie tussen schrijver en lezer is een heel intieme.’
Ik ben benieuwd of hij zijn gedicht hardop voorleest bij het schrijven. ‘Zoiets gaat misschien ongemerkt,’ zegt hij, ‘ik denk het wel!’
Deze bundel is mijn favoriet, maar voor Oosterhuis was het een moeilijke bundel, zegt hij. ‘Het waren moeilijke tijden.’

Uit Herschreven Gedichten, Geloof:
‘En ook in godsnaam woorden maken, brood uitzaaien op de wind’: ‘Ja, dat is een bijbels thema, het gaat me om de communicatie, woorden als brood, als voedsel voor het gemoed, de ziel.’
Op de achterflap staat dat hij een aantal gedichten moest herzien en dat ze daarna zijn lievelingsgedichten werden, verzameld in deze bundel uit 1973. ‘Dat doe ik nog steeds, gedichten laten liggen en laten rijpen en dan nog eens herzien. Vaak worden ze daarna korter. Soms denk je dat iets af is terwijl dat niet zo is.’
Uit diezelfde bundel, het gedicht De weg, ‘Er staat gedrukt, alsof het de waarheid is’. Dus niet liegen alsof het gedrukt staat maar….’ Deze bundel werd opgedragen aan een vriend die missionaris werd in Libanon en is eigenlijk bedoeld als waarschuwing voor hem. Alles wat geschreven is bevat je eigen ‘voorlopige’ waarheid.’

Uit: Een weg van dagen, januari 2018, bladzijde 42:
‘Lees poëzie. De gedichten van Ida Gerhardt, om je eigen kwetsbaarheid en liefdeskracht te herkennen, te ontmoeten’. Daarboven het feit dat hij zich herkende in een gedicht van Lucebert (- ik ben een uime een moo een mist van toneelhaar-) omdat hij zijn nietigheid, ijdelheid en maskerades herkende in die tekst’. Is schrijven een nederig ambacht?
Oosterhuis denkt na, iets wat hij steeds bij elk citaat zorgvuldig en rustig doet. Elte valt in dat het meer met eerbied te maken heeft. Oosterhuis vindt schrijven zeker een ambacht, het gaat hem erom te ontdekken hoe anderen het doen. Zo begon hij ook. Op zijn vijftiende, na een ziekbed, had hij behoefte aan reflectie, verdieping, stilte en begon hij met het lezen van poëzie. Niet een echt puberaal gedrag, benoem ik. Maar hij heeft die fase overgeslagen, zegt hij, en hij had altijd al een afwijkende mening. Als kind maakte hij al versjes terwijl hij niet met poëzie werd opgevoed.
Ik vraag hem of hij nog steeds veel leest en of er vergelijkingen zijn tussen hem en de dichters van nu? ‘Nou, de VSB-prijswinnende bundel van Joost Baars was uitverkocht maar daar ga ik nog achteraan.’ Als ik het optreden van deze dichter op het literair platform Reuring noem en mijn ontroering daarbij, vertelt Elte enthousiast dat Joost Baars 4 februari gast was in de Ekklesia. ‘U kunt vanavond ook hier blijven en een kijkje nemen bij de uitslag van de Turing-wedstrijd’, opper ik maar Oosterhuis schudt zijn hoofd, ‘daar heeft een Joost Baars denk ik niet aan meegedaan.’
Hij noemt nog het herlezen van bijvoorbeeld Gorter of Henriette Roland Holst, alsook hedendaagse dichters als Naomi Perquin en Willem-Jan Otten.

Bij ‘Die wij denken’, nieuwe gedichten, in het interview in Trouw met Stijn Fens, 22 december jl., heeft Oosterhuis het over de vloed waarin de gedichten nu binnenkwamen. ‘Het was een verrassing dat dit een bundel werd. Woorden roepen andere woorden op, zo ontstaat de constructie van het gedicht.’ Hij is het eens met de volgende omschrijving uit dat artikel: de opdracht voor een dichter is altijd om de taal zuiver en scherp te houden. Om het denken zo te verwoorden dat een gedicht een mate van redelijkheid en een mate van ‘mysterieusheid’ in zich heeft.
‘Dat klopt, daarvoor lees je ook poëzie.’ Hij hoeft er verder niets meer aan toe te voegen.

Op de site NieuwWij stelt Dirk van de Glind in zijn recensie: ‘De weigering zich neer te leggen bij wat onvermijdelijk lijkt, is in deze bundel op iedere pagina voelbaar. De achterflap presenteert deze nieuwe gedichten als ‘geestelijke oefeningen’. Dat brengt ons op de recensie van Hans Puper in Meander die het heeft over ‘enige in zelfkastijding verpakte behaagzucht’. Elte meent dat het uitspreken van de mening, in dit geval ergernis (waarmee Puper de recensie begint) heel erg bij deze tijd hoort. Het gaat om de mening en niet zozeer de inhoud ervan, men eigent zich het recht toe die te delen met 6000 abonnees.
Zelf bestudeert ze de reactie van omstanders op de taal van Oosterhuis en vindt het bijzonder te zien dat haar generatie (Rauch is van 1980) zonder vooroordeel de woorden van Oosterhuis ontvangt. We memoreren de presentatie van Een weg van dagen, 21 januari jl in Splendor, Amsterdam. Mijn ervaring daar was een meditatieve waarbij ik terugkwam in mijn jeugd door de stilte die om de voordracht hing, het zonlicht door het gebrandschilderde raam, het pianospel van Bernd Brackman. Tot haar grote interesse gebeurt iets dergelijks ook bij het publiek op andere plekken; niet per se de terugkeer naar opvoeding of geloof, maar het raakt aan iets wat men nog niet wist. Ze krijgt veel bijzondere reacties per mail of in gesprekken later. Er worden vragen gesteld, het lijkt of er bewuster gekozen wordt.
Oosterhuis herkent zich overigens niet in de kritiek van Puper, denkt dat de recensent de structuur niet herkend heeft en het feit dat het om het leven rond het woord god gaat. Ook wordt het meest centrale gedicht uit de bundel (De Zuidas) niet genoemd. Maar hij trekt het zich niet aan. Hij is altijd omstreden geweest, zegt hij.
Een weg van dagen is bij uitstek geschikt om op ontdekkingsreis te gaan, ook voor de samenstellers. Door de soms onverwachte combinatie van teksten zag Oosterhuis zelf zijn woorden in een andere context terug, kwam er een nieuwe dynamiek in.

Is er iets wat hij niet kan schrijven? Hij begint aarzelend dat hij niet over economie kan schrijven maar ik bedoel eigenlijk of hij gehinderd wordt door bijvoorbeeld het feit dat hij een publiek persoon is? Nee, dat gelooft hij niet, dat feit werkt niet door als hij bezig is. Hij denkt nog wel aan een roman maar kan hij die schrijven? Hij heeft zijn korte verhalen, Wolf en Lam, de essays en eigenlijk, zijn Elte en ik het eens, is dat ook poëzie en is het onderscheid te verwaarlozen. Dus ja, die roman kan er komen. ‘Een uitdaging?’ vraag ik. Piano spelen kan ook een uitdaging zijn, vroeger is hem dat niet gelukt, hij had een nare juf maar met twee muzikale kinderen kan hij misschien een eind vooruitkomen. Net zoals met poëzie moet het tot hem komen.

Het viel me op dat in oude bundels soms geen punten of hoofdletters staan. Is dat bewust gebeurd? Is de vorm belangrijk? ‘Ja, de vorm is zeker belangrijk, het gebruik van witregels met name’, maar in bijvoorbeeld de bundel Gedroomde god was de interpunctie anders dan nu, hij gebruikt nu wel hoofdletters en is zorgvuldig daarin, hoewel…god…met een kleine letter!
Tot slot vraagt Elte nog naar het literair podium Reuring en ik schets een huiskamer waarbinnen ook zij welkom zijn en hoe het iedere keer weer om die ontmoeting gaat tussen schrijver, dichter, muzikant of kunstenaar en hun publiek. Dat past precies bij hen!