Interview met Hester Knibbe

Het is een cyclopenoog dat naar de stad kijkt

door Rob de Vos
Lees deze tekst
 

Op 14 mei 2015 is het 75 jaar geleden dat Rotterdam werd gebombardeerd en op 5 mei vieren we in Nederland 70 jaar bevrijding. Dit is de aanleiding voor een bijzondere herdenking. Stichting LOKAAL verzorgt in samenwerking met de Initiatiefgroep 14 mei en Poetry International een bijeenkomst met internationale denkers, dichters en Rotterdamse jongeren. Die vindt plaats op de vooravond van de herdenking van het bombardement, op 13 mei in Kriterion.
Meer informatie hier.

Een van de dichters die bij de herdenking zal zijn is de stadsdichter van Rotterdam, Hester Knibbe.
We stelden haar enkele vragen over Rotterdam en herdenken.

Merk je, als stadsdichter, dat het bombardement van mei 1940 en de gevolgen ervan nog steeds een rol spelen in Rotterdam?
Wat mij opvalt is dat zoveel van wat nog overeind stond later is neergehaald in het kader van de ‘vooruitgang’. Wat dat betreft kun je niet stellen dat Rotterdam trots is op zijn verleden. Maar gelukkig heeft ook deze stad zijn krakers. Daardoor is destijds het een en ander gespaard gebleven, waaronder het hoofdkantoor van de Holland Amerika Lijn, het huidige hotel New York.
Helaas gaat de wederafbraak gaat nog steeds door. Oude wijken worden gesloopt en omgezet in saaie nieuwbouw. Dat is jammer. Er kan ook gekozen worden voor afbraak achter de façades, waardoor de stad zijn gezicht blijft behouden. Natuurlijk, Rotterdam wil zich profileren als Architectuurstad. Maar het is een cyclopenoog dat naar de stad kijkt, niet een twee-oog: één oog voor de oude schoonheid en één voor de vernieuwing.

Veel Rotterdammers, of hun ouders, zijn buiten Nederland geboren. Het zijn mensen met een eigen geschiedenis en ze zullen hun eigen zaken hebben om te herdenken. En ook voor jongeren met Nederlandse ouders is de Tweede Wereldoorlog iets van ver terug. Hoe maak je iets dat ook hen aanspreekt?
Een paar weken terug werd ik als Stadsdichter betrokken bij een project op de basisschool ‘Pierre Bayle’ in Crooswijk. Enkele mensen hadden zich beijverd om bij een monument aan de Boezembocht een steen geplaatst te krijgen met de namen van de mensen die daar op 28 november 1944 zijn gefusilleerd als represaille voor een spoorwegsabotage daar in de buurt. Vijf willekeurige mannen die per ongeluk net voorbij kwamen. De Pierre Bayle school – die leerlingen heeft van alle nationaliteiten die Nederland kent – heeft het monument geadopteerd. De juf van groep zeven is met haar leerlingen een project gestart waarbij ze, na wat informatie van buitenaf, een gedicht schreven over hoe het toch moet zijn om als kind in oorlogsgebied te leven.
Het was ontroerend te merken hoe perfect die kinderen zich wisten in te leven en hoe ze hun best hadden gedaan dat in een gedicht te vangen. Met regels als ‘bang dat mijn vader ’s avonds niet thuiskomt’ en ‘we konden niet buitenspelen’.
Oorlog, het komt elke avond onze huiskamers binnen. En of dat nu de Eerste, de Tweede of de zoveelste is, wat wordt herdacht en door iedereen kan worden meegevoeld is de verschrikking.
In mijn gedicht voor de herdenking van het bombardement heb ik opzettelijk een Rotterdams accent gevlochten: dat van de dierentuin die werd getroffen. Maar bij de rest kun je je zo een stad in bijvoorbeeld Syrië voorstellen:

(…)
het is roet het is as het is
weg en weg kun je niet eventjes meten
of wegen, het is daar en weegt
voor de rest van een leven’.
(…)


Een Duitse dichter bij een herdenking van het bombardement. Kan dat eigenlijk wel?

Bij de herdenking van het bombardement denkt een Duitser allicht aan de bombardementen op eigen steden, zoals Dresden, Hamburg of Kiel, om een paar  voorbeelden te noemen. We staan in het huidige Europa voor een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid: wederopbouw in de ruimste zin van het woord. Toekomstgericht denken, zorgen dat we waar mogelijk – en de mogelijkheden zijn helaas beperkt – met elkaar ook elders een leefbare wereld helpen te realiseren.

Interview met Duitse dichter Norbert Hummelt

Een stukje vrede en verzet

Lees deze tekst
 

Op 14 mei 2015 is het 75 jaar geleden dat Rotterdam werd gebombardeerd en op 5 mei vieren we in Nederland 70 jaar bevrijding. Dit is de aanleiding voor een bijzondere herdenking. Stichting LOKAAL verzorgt in samenwerking met de Initiatiefgroep 14 mei en Poetry International een bijeenkomst met internationale denkers, dichters en Rotterdamse jongeren. Die vindt plaats op de vooravond van de herdenking van het bombardement, op 13 mei in Kriterion.
Meer informatie hier.

De Duitse dichter Norbert Hummelt (1962, Neuss) zal op 13 mei a.s. aanwezig zijn in Rotterdam. Sander de Vaan [email protected] met Hummelt onder meer over het feit dat je een stad ná een verwoestend bombardement nógmaals kunt verwoesten.  

U hebt lange tijd in Köln gewoond. Een van de ‘Coventry-steden’, een Europees verbond van steden die zijn gebombardeerd. In hoeverre hebt u daar nog de gevolgen van de geallieerde bombardementen kunnen zien?
Ik ben opgegroeid in Neuss am Rhein, maar ben in Köln gaan studeren en heb er ruim twintig jaar gewoond. Voor mij is het al sinds mijn jeugd een zeer belangrijke stad. Dat ligt vooral aan de Dom en het feit dat Köln de reputatie van ‘heilige stad’ heeft. Ik kom uit een katholiek nest en het was dan ook logisch dat ik in Köln ging studeren en niet in het dichterbij gelegen Düsseldorf.
Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw trof je in Köln nog zwartgeblakerde muren en halfverwoeste huizen. Op die plekken was de oorlog tastbaar. Maar de verwoesting blijkt nu vooral zichtbaar in de wijze waarop Köln herbouwd is: snel, pragmatisch en met weinig oog voor esthetiek. Ik kan me nog het jaar 1988 herinneren, toen in Köln alle twaalf grote Romaanse kerken (die ouder zijn dan de Gothische Dom en vrijwel allemaal na de oorlog in puin lagen) eindelijk gerestaureerd waren. Op dat moment dacht ik dat de stad weer ‘klaar’ was, maar dat klopte natuurlijk niet, want een stad is altijd een grote bouwplaats.

Er is een foto van Köln aan het einde van WO II, waarbij het hele centrum in puin ligt maar de twee torens van de Dom als zwarte schaduwen overeind staan. Wat vinden de Keulenaren hiervan? Een wonder? Toeval?
 De Keulenaren zien zichzelf graag als een uitverkoren volk en men beschouwde het als een wonder dat de torens nog overeind stonden. Maar er lag natuurlijk vooral een militaire reden aan ten gronde: de Engelse vliegtuigen gebruikten de torens simpelweg als oriënteringspunten. Voor mij geldt dat het intact blijven van de Dom vooral de vernietiging eromheen benadrukt. Als ik naar oude foto’s van het Köln van voor de oorlog kijk, met al die mooie pleinen, waaronder de Barbarossaplatz (niet ver van mijn lievelingswoning in Köln) schiet ik af en toe vol. Maar vervolgens word ik ook boos, niet zozeer op de tegenstanders uit de oorlog, maar veeleer op de ongevoeligheid van de stadplanners, die Köln in architectonisch opzicht verwoest hebben. En die ongevoeligheid duurt voort. Dat zie je bijvoorbeeld aan de nalatigheid bij het bouwen van een nieuwe metrolijn die tot het instorten van het historische stadsarchief heeft geleid. Men heeft het in dit verband vaak over ‘Keuls geklungel’ (met veel vriendjespolitiek en geschuif onder de tafel). Je kunt je echter ook afvragen of de koelte en onverschilligheid jegens de verschijning van de eigen stad niet ook op een oorlogstrauma wijzen.

Het bombardement van Rotterdam was een oorlogsmisdaad, net als dat van Coventry en Londen. Maar het bombardement van Dresden was dat óók. Denkt u dat de wereld voldoende erkend heeft dat er ook ín Duitsland oorlogsmisdaden gepleegd zijn?
 Ik begrijp volkomen dat landen die door Duitsland werden aangevallen er lang over gedaan hebben om in te zien dat hun eigen legers op hun beurt de Duitse bevolking en mijn land veel leed hebben berokkend met hun bombardementen. Maar het is nog moeilijker om daar in Duitsland zelf open over te spreken. Vooral door de gepolitiseerde generatie van 1968 en hun afrekening met hun ouders uit de Nazitijd was het leed van de Duitse bevolking lange tijd een taboe. Er onstond een sterke zelfhaat die iedere vorm van rouw en medelijden onmogelijk maakte. Dankzij boeken als Luchtoorlog en Literatuur van W.G. Sebald werd deze discussie weliswaar nieuw leven ingeblazen, maar dit gebeurde pas laat, terwijl het aantal getuigen uit die tijd steeds kleiner wordt. En hoe meer de tijd voortschrijdt, des te abstracter worden de gebeurtenissen uit die tijd.
Kunst en literatuur hebben hier een rol te vervullen, opdat de draad der herinnering niet breekt. Bij het schrijven van mijn gedicht ‘verdunkelung’, dat de beschadiging van dingen en mensen door de luchtoorlog thematiseert, heb ik gebruik gemaakt van familiedocumenten. Van bijzonder belang was een gesprek met mijn tante, die de luchtoorlog als klein meisje meemaakte. Kort voordat ze stierf, heeft ze één keer heel open met mij daarover gesproken.

Denkt u dat een initiatief als de oprichting van het ‘Coventry-stedenverbond’ de vrede in Europa kan versterken?
Dat hoop ik wel. Belangrijk is dat zo’n initiatief niet alleen over de landsgrenzen heen wordt uitgedragen, maar ook over de verschillende generatiegrenzen. Er zal op dit moment zeker geen nieuwe oorlog komen tussen Duitsland, Engeland en Frankrijk. Duitsland zal evenmin Nederland opnieuw binnenvallen. Maar aan de oost- en zuidgrenzen van het Europese continent ziet het er ietwat anders uit en niemand kan voorspellen hoe lang wij in onze welvarende landen nog van het al zeventig jaar durende vredesgeschenk kunnen genieten. In dit verband is íeder initiatief om van de geschiedenis te leren méér dan welkom.

Bent u optimistisch gestemd? Kan literatuur (en vooral poëzie) hier nog iets betekenen?
Het is lastig hierop te antwoorden. Ik ben niet geneigd de rol van de poëzie te overschatten, want gedichten bereiken slechts weinig mensen. Maar dat is voor mij nog geen reden om de moed op te geven. Integendeel: voor mij is de idee van ‘doorgeven’ erg belangrijk. En de betekenis van poëzie ligt juist in haar weerstand tegen andere media en machten. We leven in een maatschappij waar het louter om economie en efficiëntie gaat, met een wereldwijde informatiestroom waarin amper zicht is op datgene wat het individu zélf heeft vervaardigd. En toch zijn er nog altijd dichters die niets liever willen dan verzen schrijven, teneinde met beeld en klank de lezer innerlijk te raken. Dat alleen is al een stukje vrede en verzet én een reden om optimistisch te zijn.

NK Slamwinnaar Daan Zeijen droomt ervan rapper te zijn

Over liefdes en levensbeschouwelijke gedichten

Lees deze tekst
 

Daan Zeijen (Goirle, 1992) won in januari 2015 het Nederlands Kampioenschap Poetryslam en mag zich nu Slampion 2015 noemen. Daan doet een master Humanistiek en geeft les. Eerder won hij het Rythm & Poetry slam in Delft en stond hij in de jaarfinale van de Utrechtse U-slam (2013). Hij publiceerde in Zzonettenhof en Mooiweerwolken bij uitgever Aquazz.

Hoe was de finale van de NK poetry slam?
Het was waanzinnig. Ongelofelijk spannend. Om de druk er af te halen, dacht ik: 'Als ik de eerste ronde haal, kan ik daarna kijken hoever ik kom'. Twee weken daarvoor was de halve finale. Dat ging heel goed. Dat leverde veel vertrouwen op. Maar in de dagen voor de finale had ik nog twee slams die minder goed gingen.

Hoe ging het daarna?
Ik heb een heleboel interviews gehad. In Met het oog op morgen. Bij Giel Beelen. En heel veel optredens, veel op kleine podia. Ik krijg om de dag wel een mail of ik ergens kan komen. Zo was ik uitgenodigd voor de Dag van de literatuur in Rotterdam. Het is traditie dat als je het NK Slam hebt gewonnen je niet meer mee doet met slamwedstrijden. Dus nu draag ik voor het grootste deel gewoon voor in plaats van te slammen. Er wordt nu over een eigen bundel gesproken.

Zie je jezelf als dichter of als slamdichter?
Ik zie me in eerste instantie als dichter. Maar het zijn nuanceverschillen en het zijn geen van elkaar losstaande werelden de dichterswereld en de slamwereld. Ik ben allereerst student. De poëzie is een hobby van me die uit de hand is gelopen.

Je bent ook rapper?
Ik heb met vrienden een muziekgroep. We repeteren met een aantal groepen. Vooral covers, maar zo nu en dan eigen werk. Ik wil meer gedichten op muziek zetten. Dit staat nog in de kinderschoenen en is dus de volgende fase. Het is een ambitie van me om me als rapper te ontwikkelen en muziek te maken. 
Ik ben altijd bezig met taligheid en nieuwe metaforen verzinnen. Ik merk dat ik goed ben in gedichten schrijven. Wat nog niet betekent dat ik automatisch goed ben in rapteksten. Ik schrijf gecomprimeerd; een gedicht kan kort zijn, er mag geen woord te veel in staan. Als ik een raptekst schrijf, ben ik daarom na één couplet wel klaar, maar dan moet er natuurlijk nog meer komen.
Ik heb wel gedichten waarin ik op een gegeven moment aan het rappen ben, of het zit er dicht tegenaan. Rappen en dichten ligt in elkaars verlengde. Je ziet dat rappers gaan dichten en andersom. Ik bewonder de rapper Typhoon heel erg. Zijn rapteksten zijn voor meerdere interpretaties vatbaar en hij heeft echt authenticiteit. Hij schrijft over wat hem bezighoudt en niet over wat van een rapper verwacht wordt om te doen.

Wanneer ben je met gedichten schrijven begonnen?
Ik weet nog dat ik tien jaar geleden slechte liefdesgedichten aan het schrijven was, maar wanneer het precies begon? Geen idee.
Het werd serieuzer vanaf dat ik een jaar of zestien was. Toen werd ik door een docent benaderd om voor een project gedichten te schrijven. Het project heette 'Wolfsjong', waarbij jongeren een expositie maakten bij een voorstelling.
Ik heb er echt tijd voor gemaakt en toen bleek dat ik het heel leuk vond. Het was de eerste keer dat ik met iets van mijn gedichten naar buiten trad.  Ik schreef gedichten vanuit de personages van de voorstelling. Toen ik zeventien was deed ik mee met de  Doe maar dicht maar jongerenwedstrijd en er werd een gedicht van mij geplaatst in de bundel daarvan.

Heb je wel eens in een dichterscollectief gezeten?
Jazeker. Rond 2013 in het Werktitelcollectief, een groep van zeven jonge dichters. Onder andere Maarten Buser, Jonathan Griffioen en ik. Wat we deden was gedichten op Facebook plaatsen en elkaar dan feedback geven. Dat werkte heel goed. Vijf van de zeven dichters van dit collectief stonden dit jaar in het NK poetry slam. Het was zinnige feedback en een stok achter de deur om te schrijven.

Speelt je studie Humanistiek een rol in je poëzie?
Voor een klein deel bewust en vrij veel onbewust. Soms kies ik ervoor om levensbeschouwelijke thema's te gebruiken in mijn poëzie. Waar zowel in de studie als in de poëzie mijn interesse bij ligt, is hoe mensen betekenis geven aan hun leven. Die interesse kun je invullen door een onderzoek te doen of door een gedicht erover te schrijven.

In je gedichten ben je een goede observator.
Ja, ik denk dat de inspiratie voor een gedicht begint bij iets wat je ziet, wat je merkt, of wat iemand zegt. Ik laat vooral dat soort dingen zien in gedichten. Ik ben spaarzaam met uitleggen, want daardoor wordt het minder krachtig. Bijvoorbeeld, mijn gedicht waarin een persoon vergat te klappen, toen iemand aan haar haar zat, dat heb ik echt gezien. Je kan daar van alles achter zoeken, maar dat hoef je niet uit te leggen.

Je gedichten zijn erg verhalend.
Dat ik een verhalende dichter ben, herken ik wel. Soms schrijf ik prozagedichten. Veel van mijn gedichten zijn verhalend, zonder sluitend narratief te zijn. Observaties in een volgorde waar gaten in zitten. Het gedicht 'Een kleine week geleden' speelt zich af op één avond, maar lang niet alles wat zich toen afspeelde staat in dat gedicht.

Gebruik je soms vaste vormen?
Ik heb wel wat sonnetten geschreven voor een schrijfwedstrijd. Er zijn wel slammers die sonnetten schrijven. Maar ik gebruik die vorm nu niet zo snel meer. Het was wel een goede oefening. Je bent constant aan het leren hoe je je boodschap in zo'n vorm kan gieten.
Maar ook bij het slammen is de vorm heel belangrijk: hoe kan je in drie minuten slam zo goed mogelijk voor het voetlicht komen? Het heeft altijd te maken met de kaders die je hebt en waarbinnen je moet schrijven. Het is leuk om ermee bezig te zijn. Hoe word ik de baas van die vorm in plaats van andersom?
Ik heb ook wel trioletten geschreven en bij de bushalte bedenk ik altijd limericks. Het zijn mooie oefeningen met metrum om daar iets van te maken. Maar eigenlijk schrijf ik bijna geen vaste vormgedichten. Alhoewel ik me bij songteksten vasthoud aan het refrein en het couplet en het aantal maten. Misschien omdat ik daar nog niet zo handig in ben. Het lastige van poëzie is: wanneer is het af? Moet er nog wat bij of moet er iets weg? Bij een sonnet weet je precies hoe lang het wordt en dat kan een hulpmiddel zijn.

Hoe lang ben je met een gedicht bezig?
Dat wisselt nog al. Soms staan in twintig minuten de hoofdlijnen er wel en moet ik alleen nog wat schaven. Maar er zijn ook gedichten waar ik weken aan twijfel. De hoofdlijnen staan er meestal in één zit, maar dan is het nog een heel proces van redigeren en schrappen en dat duurt langer dan het schrijven zelf.

Wie zijn je voorbeelden?
Ik ken wel dichters, maar merk dat ik minder belezen ben dan veel collega-dichters uit de literatuur(wetenschap)hoek.
Bart Moeyaart lees ik graag. Hij is stadsdichter van Antwerpen geweest en bekend als kinderboekenschrijver. Hij schrijft toegankelijke gedichten. Wat voor sommige gedichtenliefhebbers een vies woord is. Maar er zitten genoeg lagen in voor interpretaties. Hij spreekt een groter publiek aan en schrijft ook verhalende gedichten.
Ik vind niet dat alle gedichten toegankelijk moeten zijn, maar de tegenstelling tussen gedichten die ergens over gaan en gedichten die toegankelijk zijn, zie ik niet. Een gedicht moet als je het honderd keer leest nog steeds interessant zijn.
Het hoeft niet zo te zijn, dat als je publiek meteen een voorstelling bij je gedicht heeft, het een slecht gedicht is. Ik heb weinig gedichten geschreven waarvan je aan het begin niks snapt of waar de lezer weinig mee kan. Toch zitten er dingen in die je er niet meteen uithaalt, waardoor het de moeite wordt om het terug te lezen. Goede poëzie heeft meerdere lagen. Het heeft ook te maken met laten zien en niet uitleggen. Het moet niet te voorgekauwd zijn: van dit is het gedicht en dit moet je ervan vinden. De lezer moet ook nog wat te doen hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interview met Renée Luth

Dingen die schuren

Lees deze tekst
 

Renée Luth is documentairemaker, fotograaf en dichter. Ze schreef artikelen, interviews en columns voor het Zij aan Zij magazine. Ze geeft tevens poëzielessen en schrijft momenteel een leerlijn voor lessen in het basisonderwijs. Haar bundel Pingpongtong uit 2011 krijgt in 2015 een opvolger.

Hoe lang schrijf je al poëzie?
Ik schrijf gedichten zolang ik mij kan herinneren. Op de basisschool werd ik erg gepest. Op mijn twaalfde  ontdekte ik de kracht van taal nadat ik voor de klas had voorgedragen, want daarna werd ik een paar maanden minder gepest en een aantal  kinderen bood zelfs excuses aan. Vervolgens kreeg ik op de middelbare school een docente die het stimuleerde dat ik gedichten schreef. Ze vond dat ik talent had en ik wilde graag indruk op haar maken. Ik geloof dat ik stiekem een beetje verliefd op haar was. Vanaf mijn vijftiende ging ik bij een dichtclub in Hengelo en trad ik regelmatig op.

Je maakt ook foto’s en hebt een mooie documentaire gemaakt over twee jonge Groninger dichters. Heeft het maken van een documentaire raakvlakken met het maken van poëzie?
Fotografie is vergelijkbaar met poëzie. Het heeft dezelfde vrijheid  en hoge concentratie van beelden, Je zet iets neer dat in weinig beelden toch een verhaal moet vertellen. Film is meer vergelijkbaar met proza. Bij mijn studiofotografie bouw ik beelden net zo op als gedichten. Metafoor op metafoor. Verwijzing op verwijzing. Er zitten vaak lagen en puzzels in die ik waarschijnlijk alleen zelf snap.  Tegelijk vind ik dat er een primaire laag moet zijn die mensen meteen begrijpen en voelen. Maar het mysterie boeit mij meer dan eenduidigheid. Mijn gedichten zijn vrij muzikaal en ritmisch zodat ze op het podium ook werken
Filmen is voor mij hetzelfde als een roman schrijven. Het vergt vooral een goede verhaallijn en structuur. Voor de documentaire moest ik echt leren scènes uit te bouwen van begin tot eind. Dat doe je in poëzie niet. Filmen vergt overzicht en een duidelijk doel. Terwijl sommige gedichten bijna zichzelf schrijven.

In de zomer van 2015 verschijnt je nieuwe bundel. Hoe gaat die heten en  wat zijn je thema’s?
De titel is  Preparaat. Uitgegeven door Passage. Het wordt een kleurendruk met aan de poëzie gerelateerde foto’s en een harde kaft. Het is als het ware een Wunderkammer of rariteitenkabinet. Een verzameling van herinneringen, fantasieën en feitjes, een uitstalling van fascinaties, met als thema’s de blijvende buitenstaander, de liefde, de dood en mijn jeugd. Er zijn bijvoorbeeld gedichten over Darwin, Madame Curie, Houdini, de dodo, de wandelende tak, mythische zeemonsters als de Kraken. Maar er is altijd een verbinding met mijzelf. Ik vermeng twee verhalen tot een nieuw, enigszins autobiografisch verhaal.

Wanneer ontstaat de inspiratie voor een gedicht bij jou?
Vaak ‘s nachts. Dan lijkt het uit het niets te komen. Een eerste zin dringt zich aan mij op. Dan moet ik ook direct schrijven. Ik kan het moment niet voorbij laten gaan, want dan is het weg.
Tevens raak ik geïnspireerd door bijzondere feiten of verhalen, vooral op biologisch of historisch vlak. Ik lees graag allerlei min of meer wetenschappelijke artikelen en verwerk dat naar een eigen verhaal.
Dat de grootste inktvis daadwerkelijk vijftien meter kan worden, maakte in mijn brein een link met de Kraken. En dat maakte weer een verbinding met een ex-geliefde die zo geweldig was dat ik mij een niksig hoopje ellende ging voelen Zo koppel ik  een persoonlijk thema aan een feit dat ik tegenkom. Dat kan liefdesverdriet zijn of de angst voor sleur. ‘Geluk is gevaarlijk’, zei Kopland al. Dat contrast fascineert mij mateloos.

Wie zijn je voorbeelden?
Vasalis vooral. Die blijft mijn grote heldin.  Ik houd van haar taal.  Wisława Szymborska vind ik geweldig om haar humor en visie. De laatste  tijd merk ik bovendien dat ik mijn oude held Boudewijn Büch met zijn onderzoeksdrift interessant vind en In het Kielzog van Darwin, de bekende VPRO-documentaire over de reis van de Beagle. Als kind verzamelde ik al steentjes, veertjes en botjes en leerde ik dierencyclopedieën uit mijn hoofd. Ik bestudeerde levende vlinders met een loep, legde alles onder mijn kleine microscoop en sleepte alle dieren mee naar huis.
Ik voel mij steeds meer aangetrokken tot een mengelmoes van feit en fictie. Als kind wilde ik bioloog of psychiater worden. Dat lijkt nu meer en meer terug te komen in mijn interesses en mijn werk. Ik houd van duistere, zwarte romantiek. Van Witkin, Diane Arbus, David Lynch, Marc Quin. Dingen die schuren en een bepaald ongemak oproepen. Ik ben ook erg gefascineerd door filosofen: Foucault, Sartre, Nietzsche.

Wat zijn je plannen voor de toekomst?
Documentaires maken, hopelijk daarvoor ook veel reizen, meer bundels schrijven, weer meer optreden en ik geniet momenteel erg van het lesgeven, vooral poëzielessen. Veel lezen, veel zien, veel rust en genieten van alles wat nu op mijn pad komt.

Kun je van het schrijven leven?
Ik kan van de combinatie van schrijven, films maken, fotograferen en lesgeven inmiddels aardig goed leven. Alleen leven van de poëzie gaat vermoedelijk nooit lukken.

Je deed in het leven verschillende dingen. Je werkte in de psychiatrie en je volgde de kunstacademie. Ben je dichter bij je zelf gekomen door wat je nu doet?
Het gaat momenteel erg goed en ik heb het gevoel dat ik mijn draai eindelijk heb gevonden in het leven, de liefde  en mijn werk. Ik heb het gevoel dat ik nu dichter dan ooit bij mijzelf ben gekomen. Door het lesgeven krijg ik zelfvertrouwen en meer plezier in schrijven. Ik leer weer genieten van de taal in een pure vorm, in een uitingsvorm. Door jongeren en kinderen te leren spelen met taal herontdek ik waarom ik ooit zelf begon met schrijven. De dichtwereld is best hard en kritisch en ik ben vooral zelf heel kritisch over wat ik schrijf. Het speelse dreigde er soms wat af te raken. Als ik zie hoe fijn het is om zonder die denkbeeldige hijgende criticus in je nek te schrijven besef ik weer hoe mooi taal en poëzie is en waarom ik er ooit verliefd op ben geworden.
Bovendien geniet ik gewoon erg van de verbinding met mensen. Daarnaast vind ik filmmaken heerlijk omdat daar al mijn  werelden bij elkaar komen. Ik moet een verhaal bedenken, mensen interviewen, ze op hun gemak stellen en ik mag mij visueel uitleven. Elk filmproject lokt mij de grote wereld in en dat is goed voor mij aangezien ik de neiging heb als een kluizenaar te leven. En ook het schrijven is nu dichter bij mijzelf dan ooit. Dat is wel heel eng omdat ik weet dat het risico’s in zich draagt. Het is minder toegankelijk en complexer, wellicht ook pretentieuzer. Ik vind deze bundel uitbrengen dan ook veel enger dan de vorige. Ik weet nu ook veel beter hoe die wereld werkt en hoor de critici constant in mijn achterhoofd. Maar dit moet zoals het moet. Ik wil en kan niet anders.

www.reneeluth.nl

Interview met Joris Lenstra

Een gebeurtenis die een innerlijke snaar raakt

Lees deze tekst
 

Joris Lenstra werkte jarenlang als poëzierecensent bij Meander. Ook schreef hij voor Meander tussen 2006 en 2008 een essayreeks over de verschillende aspecten van poëzie met de titel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. Behalve recensent is hij dichter, schrijver en vertaler van Engelstalige poëzie. Hij vertaalde onder andere ‘Poems in prose’  van Oscar Wilde en gedichten van Walt Whitman en Jack Kerouac. Momenteel is hij bezig met een vertaling van  ‘A Coney Island of the Mind’ (1958) van Lawrence Ferlinghetti, een van de laatste grote dichters van de beatgeneratie. De bundel zal in 2015 in een tweetalige uitgave verschijnen bij uitgeverij Liverse.

Joris LenstraMomenteel werk je aan een vertaling van ‘A Coney Island of the Mind’ (1958) van de Amerikaanse beatdichter Lawrence Ferlinghetti. Hoe is het idee voor dit project ontstaan?
Ik selecteer Engelstalig werk dat in Nederland ten onrechte nog weinig bekendheid geniet. Zo begon ik aan Walt Whitman’s Song of Myself (mijn allereerste vertaling) toen er nog geen recente Nederlandse vertaling was. Whitman is de eerste grote Amerikaanse dichter. Kort na mijn vertaling verschenen er van andere vertalers meer omvangrijke vertalingen bij Querido en twee jaar later nog een bij Wagner & van Santen. Gelukkig kreeg ik voor mijn vertaling positieve recensies in die plotse stormvloed van uitgaven.
Lawrence Ferlinghetti is van dezelfde orde van grootte. Hij is een van de boegbeelden van de Amerikaanse beatgeneratie, de voorlopers van de protestbewegingen in de jaren zestig. De bundel die ik voor Uitgeverij Liverse heb vertaald is zijn bekendste werk. Hij schrijft met veel humor en verbeeldingskracht. Waar ik mij over verbaasd heb, is de culturele kennis die hij tentoonspreidt. Van een dichter uit een generatie die experimenteert met drugs, alternatieve levenswijzen nastreeft en vooral veel zelf wil ervaren, zou je dat niet verwachten.

Je hebt eerder werk van bekende dichters vertaald, waaronder Oscar Wilde en Jack Kerouac. Wat is er zo mooi aan het vertalen van poëzie?
Ik vind het geweldig om aan een tekst te sleutelen totdat hij passend is en loopt, totdat hij op zichzelf staat en je er niet meer aan af kunt lezen dat het een vertaling is. Natuurlijk zonder daarbij tegen de schrijver in te gaan. Het is zaak om erachter te komen wat de schrijver bedoeld heeft en dat zo goed mogelijk in het Nederlands te verwoorden.

Hoe ga je te werk als je een gedicht vertaalt? Denk je dat elk gedicht in beginsel vertaalbaar is of bestaan er ook onvertaalbare gedichten?
Daar zijn vele theorieën over en ik denk niet dat ik daar iets noemenswaardig aan toe te voegen heb. Mijn zienswijze is mooi verwoord in een recensie over mijn Jack Kerouac-vertaling: ‘Hij heeft goed gezien waar de kracht van Kerouacs poëzie zit. Bij vertaalproblemen [kiest hij] consequent voor de flow van het gedicht… Het loopt als een trein en daardoor leest deze bundel ongelooflijk lekker.’

Je was van 2003 tot eind 2014 poëzierecensent bij Meander. Wat vind je het leukste aan het recenseren van een (pas uitgekomen) dichtbundel. Stel dat je gevraagd wordt om een dichtbundel te recenseren waarvan de poëzie je niet aanspreekt    Wat ik zo mooi vind, is dat iedere bundel op eigen wijze het verhaal van de dichter vertelt. Dat verhaal wil ik als recensent voor het voetlicht brengen. Ieder gedicht wil ten slotte iets overbrengen. Ik wil daarvoor openstaan, in plaats van werk te bekritiseren of het een rapportcijfer te geven.

Wie of wat inspireert je bij het schrijven van poëzie?
Ik merk dat ik inspiratie haal uit wat er om mij heen gebeurt. Dat is niet zo eenvoudig als het trappen in een spijker waarna ik een gedicht schrijf over pijn. Een gebeurtenis of gedachte raakt een soort innerlijke snaar, en die versterkt zichzelf en daar komt uit een gedicht uit voort. Dat gedicht kan uiteindelijk over iets totaal anders gaan dan de oorspronkelijke inspiratie. Dit fenomeen is mooi beschreven in ‘Why I am not a painter’ van Frank O’Hara.

Je hebt voor Meander meerdere artikelen geschreven met schrijftips voor beginnende dichters. Je lijkt erg begaan met het onderwerp. Heb je weleens overwogen hierover een boek te publiceren?
Het toeval wil dat ik daar inderdaad mee bezig ben. Ik heb die essayreeks onder de noemer ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ op mijn website gezet, waar ze tot mijn meest populaire pagina’s behoren. Het essay over het waarom van het gedichtenlezen en wie ze dan lezen, is het meest bekeken. Ik ben dus bezig om ze in boekvorm beschikbaar te maken. Op mijn website staat een artikel met de meest voorkomende vergissingen van beginnende dichters, de uitkomst van een thread op een actieve LinkedIn-dichtersgroep. Het was een leuke thread met natuurlijk open deuren en veel herhalingen, maar ook met conflicterende meningen: mag je ze überhaupt wel vergissingen noemen?

In een van je artikelen definieer je poëzie heel mooi als ‘een puzzel van woorden’. Kun je dit uitleggen?
Als je poëzie vanuit een talig perspectief bekijkt kan het een puzzel van woorden zijn. Poëzie wordt dan vaak gedefinieerd als een opzettelijk bemoeilijkte boodschap. Denk aan het werk van Achterberg of Van Ostaijen. Maar even goede dichters hebben dat veel minder of helemaal niet, zoals Kaváfis of Whitman. Soms heb ik de indruk dat alleen moeilijk verstaanbare poëzie echte poëzie genoemd mag worden. Dat vind ik jammer, juist de diversiteit van stemmen en stijlen in de poëzie vind ik erg leuk.

Wat zijn je plannen voor de toekomst, wil je op termijn zelf een dichtbundel uitbrengen?
Uiteraard. Ik ben bezig met een dichtbundel over mijn tijd in Utrecht. Het zou leuk zijn als die uitgegeven zou worden.