Gedichten van de Griekse Stella Timonidou

Moedig en bevlogen

 
Kees Klok

Op 26 december 2007 overleed de Griekse docente, dichter en vertaalster Stella Timonidou in Dordrecht. Op verzoek van Meander schreef haar man, Kees Klok, een korte biografische schets en koos een aantal representatieve gedichten van Stella Timonidou voor deze aflevering van Wereldpoëzie.

Stella Timonidou werd geboren in Thessaloniki, maar bracht haar lagereschooltijd door in het dorp Laganas in Noord-Griekenland. Zij volgde de middelbare school in Thessaloniki en studeerde daarna Engelse en Griekse taal- en letterkunde aan de Aristotelisuniversiteit in dezelfde stad.
Nadat ze in 1970 een jaar in Londen had gewoond, keerde zij terug naar Griekenland, waar zij werkte als docente Engels, aanvankelijk in Goumenissa, later in haar geboortestad aan de prestigieuze Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki. Daarnaast publiceerde zij artikelen over onderwijs en taalkunde in Griekse vaktijdschriften. In 1987 verbleef zij enige tijd met een Fulbrightbeurs aan de Universiteit van Minnesota. Daar ontmoette zij de Nederlandse dichter en historicus Kees Klok, met wie zij in 1990 trouwde.

Na haar huwelijk werkte ze een aantal jaren bij de inspectie voor het Griekse onderwijs in Duitsland, op het consulaat van Griekenland in Düsseldorf, waarna zij zich in 1995 in Nederland vestigde. Al in Duitsland was ze begonnen met het leren van de Nederlandse taal. Vervolgens behaalde zij in snel tempo het diploma NT2, waarna zij zich verder bekwaamde in de Nederlandse taal- en letterkunde.
Al spoedig beheerste zij deze taal in zo’n mate dat ze begon te vertalen vanuit het Nederlands naar het Grieks en, samen met haar echtgenoot, vanuit het Grieks naar het Nederlands. Zij publiceerde vertalingen uit het werk van Kees Buddingh’, Jan Eijkelboom, Kees Klok en de Engels-Pakistaanse dichteres Moniza Alvi in een aantal Griekse literaire tijdschriften. In de nabije toekomst zullen nog gedichten volgen van Judith Herzberg en verhalen van F.B. Hotz en Levi Weemoedt.

Haar eigen poëzie, zowel in Griekse als in Nederlandse tijdschriften gepubliceerd, schreef zij aanvankelijk in het Grieks, maar de laatste twee jaar van haar leven direct in het Nederlands. Voor uitgeverij Germanos in Thessaloniki werkte zij aan de vertaling van de Max Havelaar in het Grieks. Door haar overlijden is deze vertaling vooralsnog onvoltooid gebleven. In 2005 publiceerde uitgeverij University Studio Press haar vertaling van Kees Kloks Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de prehistorie tot heden, eerder dat jaar in Utrecht verschenen. De vertaling werd in de Griekse pers geprezen. In 2004 publiceerde zij samen met haar echtgenoot bij Kruispunt in Brugge een vuistdikke bloemlezing van Cypriotische literatuur onder de titel Wij wonen in een taal. Eerder was zij medesamenstelster van het speciale nummer van Kruispunt over de geschiedenis en cultuur van Thessaloniki (Brugge, 1992).
Haar poëzie en vertalingen uit het Grieks verschenen in Nederland in diverse tijdschriften (Maatstaf, De Tweede Ronde, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ballustrada) en bloemlezingen (Zielslocker, Alzheimer Hotel). Ook publiceerde zij artikelen over taal- en letterkunde in het tijdschrift Lychnari.

In september jongstleden werd bij haar een gemetastaseerd maagcarcinoom vastgesteld. Ondanks het feit dat zij met grote moed en beslistheid de strijd tegen de kanker aanging, kreeg de ziekte aan het einde van het jaar de overhand. Zij overleed op tweede kerstdag 2007. Op 31 december werd zij onder grote belangstelling vanuit de Agia Sophia in Thessaloniki begraven.

Interview met Bart Moeyaert

'De stad zit nu echt onder mijn huid'

 

Bart Moeyaert schrijft al zijn hele leven gedichten, maar kreeg pas op latere leeftijd de behoefte om ze te bundelen. Tussen het verschijnen van zijn eerste jeugdroman, het autobiografische Duet met valse noten, en zijn eerste dichtbundel Verzamel de liefde zit twintig jaar. Slechts een kleine drie jaar na het verschijnen van dit debuut werd hij uitgeroepen tot stadsdichter van Antwerpen voor een periode van twee jaar. Nu die twee jaar bijna om zijn, blikt Meander samen met Moeyaert terug.

(c) Diego Franssens

‘Het is als met de verhalen die ik als achtjarige schreef, en het boek dat ik op mijn twaalfde en mijn veertiende schreef. Er was geen waarom. Daarom’, is het antwoord van Moeyaert op de vraag waarom hij dicht. ‘Ik heb altijd al gedichten geschreven.’ Het resultaat is in de bundel Verzamel de liefde te lezen, verschenen in 2003. Daarin staan – hoe kan het ook anders – gedichten over de liefde. Die gedichten kunnen natuurlijk rekenen op herkenning bij een groot publiek, maar volgens Moeyaert is dat alleen niet voldoende voor een goed gedicht: ‘A1s het bij een gedicht alleen bij ‘herkenning’ blijft, vind ik het vaak niet de beste poëzie. Er moet méér zijn: verrassing, verbazing, ontregeling ook, of mysterie. Het mooiste is het als een gedicht zich pas na een paar keer lezen voor je opent, omdat je nieuwe dingen ontdekt, of ineens de essentie ziet.’
Moeyaert is naast dichter een bekende kinderboekenschrijver. Hij beaamt dat het schrijven van kinderboeken het dichten beïnvloedt, maar veel meer wil hij daarover niet kwijt: ‘Sinds enige tijd leg ik niet meer uit hoe het precies met mijn boeken zit, en welke boeken ik dan wel schrijf. Ik heb mijn verhaal al vijfentwintig jaar lang herhaald, en dat is een kwart eeuw. Weinig mensen begrijpen blijkbaar dat ik me op geen enkel moment wil beperken. Ik ga ervan uit dat alles wat ik geschreven heb en geleerd heb bij het schrijven, in mijn gedichten zichtbaar is of wordt.’

Stadsdichter van Antwerpen
Het stadsdichterschap van Antwerpen is niet te vergelijken met dat van een andere willekeurige stad. Nergens anders lijkt de stadsdichter zo zijn stempel te kunnen drukken op het culturele leven. ‘Ik ben er niet van op de hoogte hoe het er precies aan toegaat in andere steden, omdat ik niet in die steden woon, maar ik heb inderdaad ‘van horen zeggen’ dat het stadsdichterschap nergens zo’n impact heeft als in Antwerpen’, licht Moeyaert toe. ‘Daarvan kan ik ook getuigen: het stadsdichterschap leeft, mensen spreken me aan. Het heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het ambt vanaf het begin een status meekreeg, en dat wie stadsdichter wordt, die functie ook op zijn of haar manier ten volle uitdraagt.’ Maar ook in tal van andere steden in Nederland en Vlaanderen geniet het fenomeen stadsdichter steeds meer populariteit. Moeyaert vindt dit een goede zaak: ‘Daarbij denk ik niet aan de stad zelf, maar aan de poëzie: gedichten komen dichter bij de mensen, die anders misschien nooit met poëzie zouden worden geconfronteerd.’
Door het stadsdichterschap is zijn band met Antwerpen hechter geworden: ‘De stad zit nu echt onder mijn huid. Als mens ben ik ook veranderd. Ik ben — tijdelijk — cynischer geworden. Tijdelijk, dat benadruk ik. Het lachen is me een beetje vergaan, maar dat komt terug. Mag ik hopen.’

Gedichten voor gelukkige mensen
In januari verschijnt Gedichten voor gelukkige mensen. In deze bundel zullen alle achttien stadsgedichten en andere gedichten voor gelukkige mensen staan. ‘Het eerste gedicht verwijst naar zeven jaar geleden, toen ik uit mijn vorige leven stapte. Ik heb toen een aantal beslissingen genomen die alles hebben omgegooid, soms zonder dat dat zichtbaar was. Het gedicht ‘Nu’, waarmee de bundel eindigt, zegt: ‘Ik ben blij dat ik besta’. En daar moest het ook mee eindigen. De bundel vat voor mij de afgelopen zeven jaar samen, maar niemand heeft daar een boodschap aan’, zegt Moeyaert. De heftigste periode was zonder twijfel die van de moord op Luna en Oulemata, door de achttienjarige Van Themssche. ‘Ik zat in de auto, kwam van een lezing en was onderweg naar Antwerpen, toen ik op de radio een vrolijke presentatrice zichzelf hoorde onderbreken. Er volgde een lichtgewicht verslag met de verzuchting ‘goh wat erg, twee moorden!’. En ze gooiden er Shakira tegenaan, bij wijze van spreken. Die nacht kreeg ik een mail van de grootmoeder voor wie ik op de Antwerpse Boekenbeurs voor Luna een boek heb gesigneerd. En alsof alles plotseling in mijn gezicht sloeg, heb ik al mijn afspraken van die vrijdag afgebeld. Ik wist meteen waar mijn beginregels lagen, het gedicht (‘Vrouw en kind’) viel als een puzzel in elkaar. Het kwam met grote heftigheid naar boven.’

Veel aan de gang
Nu hij bijna aan het eind van zijn stadsdichterschap is, blikt hij met tevredenheid terug. ‘Ik kijk naar de gedichten die ik wel heb geschreven, ik kijk niet naar de gedichten die ik niet heb geschreven’, zegt Moeyaert, ‘In een stad en in een mens is er altijd veel aan de gang, dus maak je als dichter altijd de keuze van dat moment, een keuze die je met je gevoel maakt.’
De naam Bart Moeyaert komt nu in het rijtje te staan van Lanoye en Nasr. ‘Of er een wezenlijk verschil is tussen mij als stadsdichter en mijn voorgangers? Als u mijn bundel Gedichten voor gelukkige mensen leest, dan merkt u dat ik net zo sociaal en politiek geëngageerd ben als zij, maar het spreekt voor zich dat mijn stem, mijn toon, mijn aanpak anders is.’
Zijn opvolger is Joke van Leeuwen, volgens Moeyaert een goede keuze. Hij wil haar een goede raad meegeven: ‘Toen ze mij vertelden dat het stadsdichterschap druk was, zag ik daar de agenda bij die ik van mezelf kende: veel te doen. Maar het is totaal anders. Het is ongelooflijk druk en slopend. Twee jaar is lang, erg lang, om een constante deadline te hebben voor het volgende gedicht, en daarna het volgende. Dus: blijf rustig.’

Interview met Lia Spitters

Het gedicht een reis, het dichten een levenswijze

 

Lia Spitters (1957) schrijft droomgedichten: ze bestaan uit associatieve beelden die door de woorden in surrealistische kleuren aan elkaar worden geregen. Met dit weerbarstige werk publiceert ze nu in Meander.

Een dichterschap begint niet bij een bundel. Wanneer begon het jouwe?
Uit mijn herinnering, maar niets is zo bedrieglijk: ik was een jaar of tien, na het avondlijk ritueel bij heldere luchten. Eerst vanuit mijn bed onder het raam naar de sterren kijken tot ik het te koud kreeg en dan met het schemerlampje onder de deken wat krabbelen in een klein boekje. Mijn ouders moesten denken dat ik sliep. De volgende ochtend de krabbels netjes overschrijven en zie daar: een gedicht! Ik weet niet meer wat het precies was, maar het ging vast over reizen. Ik heb altijd de wens gehad verder de wereld in te kijken, meer te proeven, te horen, te ruiken. Toen waren het nog dromen, niet met het idee dat ze ooit werkelijkheid zouden worden. Later heb ik ze gelukkig in de praktijk kunnen brengen en uitgebreid kennisgemaakt met andere culturen. Reizen is een inspiratiebron gebleven, en een centraal thema in mijn poëzie.

Hoe is je poëzie het best te omschrijven, denk je?
De zinnen die ik schrijf blijken toch maar woorden te zijn, een vinger wijzend naar de maan. De maan zelf blijft uiteindelijk buiten beeld. Poëzie is wat je ziet als je bij mij naar binnen kijkt, en mij kun je niet vangen. Maar mijn gedichten zijn wel te duiden, in de zin dat de lezer of toehoorder er een gevoel of beeld bij krijgt. Of dat hetzelfde beeld is dat ik heb als dichter, is niet zo belangrijk. Het is juist boeiend dat poëzie je de ruimte biedt om je eigen gang te gaan, je eigen reis te maken. Het is een uitdaging je in die reis door de woorden te laten meevoeren.

Wat probeer je vooral in woorden te vangen?
Een gedicht is toch die vingerwijzing waarbij de dichter en de lezer een eigen beeld krijgen van de maan? Misschien is het wel een nieuwe maan! De werkelijkheid is niet te vangen. Dat is precies het boeiende en verrassende: de nieuwe wereld die opengaat wanneer de werkelijkheid juist niet zichtbaar is. Net zoals je een gedicht waar je niet uitkomt een poos laat liggen om het dan weer te lezen, en zie: daar is een ander woord, een andere komma, witregel; de maan vanuit een ander gezichtspunt. Zo is dichten een levenswijze, is dichten leven.
Het aardige is: het is dan ook jouw leven. Bij de poëziewerkplaats in Delft, waarvan ik al een aantal jaren lid ben, zien we onmiddellijk, zonder de naam te weten, van wie een gedicht is.

Een poëziewerkplaats, wat moeten we ons daarbij voorstellen?
De poëziewerkplaats van de Vrije Akademie Delft bestaat uit een groep dichters die onder begeleiding van een meer ervaren dichter (nu is dat Anne Vegter) probeert eigen en andermans werk naar een hoger niveau te tillen. We werken aan de hand van een specifieke opdracht: dat kan een gegeven zin zijn, een woord, een titel of een eerder verschenen gedicht. Na twee weken bespreken we elkaars werk, waarbij we zoveel mogelijk aspecten bekijken: van ritme tot woordgebruik, van vorm tot de helderheid van het opgeroepen beeld. Omdat het om zeer recent werk gaat dat nog dichtbij je staat, is het belangrijk dat er een sfeer van vertrouwen is waarin alles gezegd kan worden vanuit een positief kritische invalshoek. Soms werken we samen met andere afdelingen van de Akademie, bijvoorbeeld door gedichten te schrijven bij schilderwerken.

Kun je een indruk geven van je werkwijze? Hoe verloopt je schrijfproces?
Er zijn gedichten die klaarliggen en die ik alleen maar op hoef te schrijven, maar die zijn zeldzaam. Vaker schieten me opeens regels of woorden te binnen, maar dat blijken vaak de darlings te zijn die uiteindelijk uit het gedicht moeten verdwijnen. Meestal schuif en schrap ik, heb ik tijd nodig om afstand te kunnen nemen. Bij dat schrappen helpt de werkplaats me vaak: de collega-dichters halen juist die woorden uit het gedicht waar ik zelf al over twijfelde, maar waar ik wel aan gehecht was. En soms kom ik tot de conclusie dat de vorm niet geschikt is om datgene over te brengen wat ik wil. Dan is het gewoon opnieuw beginnen.

Waar haal je je inspiratie vandaan?
Uit de krant, gesprekken die ik opvang, teksten uit boeken en dichtbundels, en beelden van televisie tot kunst. Wat betreft dichters komen er een paar namen in me op: Philip Hoorne, Anneke Brassinga, Judith Herzberg – maar vaker zijn het losse gedichten die indruk maken, enkele gedichten uit een oeuvre die blijven hangen. Verder zijn mijn werkplaatsgenoten een belangrijke bron van inspiratie. We buigen ons over hetzelfde thema en dichten zo een veelheid van invalshoeken op dat thema bij elkaar. Dat is ongelooflijk verfrissend en verrijkend.

Treed je vaak op met je poëzie en wat is jouw stijl wanneer het om voordracht gaat?
Ja, ik treed regelmatig op. Ik heb voorgedragen in literaire cafés in Delft en Rotterdam, in de bibliotheek van Delft en op een poëziemiddag in een botanische tuin in Rotterdam, met als thema de natuur. In mijn woongebied is jaarlijks het evenement ‘Poëzie in de Polder’, ook daar ben ik van de partij geweest. Hoogtepunt van 2007 was het optreden bij Onbederf’lijk Vers in Nijmegen, waar ik het podium mocht delen met Cees Nooteboom. Wij hebben beiden het reizen als belangrijke inspiratiebron en dat was dan ook een bijzondere ervaring.
Ik heb een rustige manier van voordragen. Mijn werk is niet altijd eenvoudig te lezen. Sommige gedichten komen bij een voordracht niet tot hun recht, omdat ze de toehoorders te weinig gelegenheid bieden de woorden op hen in te laten werken. Natuurlijk draagt presentatie en intonatie wel bij aan het begrip. Het lezen en luisteren is een gezamenlijke onderneming van dichter en toehoorder. Interactief noem je dat toch?

Interview met Maren Mostert

'Plezier in het taalspel is het belangrijkste'

 

Taal loopt als een rode draad door het leven van dichteres Maren Mostert (Amsterdam, 1965). Ze studeerde Nederlands en Algemene Taalwetenschappen, is momenteel werkzaam in het onderwijs en vertaalt onder andere fantasyromans van Mel Odom. Ze publiceerde op Schrijfnet.nl en Volkskrantblog. In 2006 was ze een van de genomineerden voor de HC-trofee van SLAU Utrecht. Tijdens haar optreden bij de uitreiking in Hoog Catharijne droeg ze haar gedichten op een bakfiets voor.

Welke belangrijke dichters hebben je beïnvloed?
Dichten is een van de weinige dingen die uit mijzelf komen. Een ‘leermeester’ heb ik niet echt. Wel bewonder ik Bernlef. Ook de verzamelbundel Gebruikspoëzie van Lizzy Sara May heeft lang geleden indruk gemaakt. Ogenschijnlijk eenvoudig associatief taalgebruik met valkuilen naar de diepte, waar je als lezer onverwacht in tuimelt. Misschien ben ik onbewust door hen beïnvloed. Verder ben ik vooral geïnspireerd geraakt door het lezen van poëziewebsites. Het analyseren van gedichten van anderen heeft mij bewuster en met meer afstand naar mijn eigen gedichten doen kijken.

Wanneer schreef je je eerste gedicht?
Ik was dertien en een ‘moeilijke’ puber, of liever gezegd: de wereld deed moeilijk en daar moest ik over schrijven. Mijn eerste gedicht ging over een enge docent met een drankhoofd en een vette babylok.

Treed je wel eens op bij poëziefestivals of slamwedstrijden? Hoe belangrijk is dit voor jou?
Ik zou wel willen, maar als moeder van drie kinderen en kostwinner heb ik het erg druk. Mijn hoofd moet leeg zijn om voor te dragen en dat is meestal niet zo. Die tijd gaat nog komen. Eén keer heb ik, bij die uitreiking van de HC-Trofee, mijn gedichten voorgedragen. Ik heb ervan genoten, omdat voordracht onmiskenbaar iets toevoegt aan het gedicht zoals het op papier staat. Maar op dit moment is optreden niet belangrijk voor mijn gedichten en is het mooi dat de beelden zonder stem hun weg vinden. Ik vind dat gedichten ook in stilte iets moeten doen.

In je gedichten schets je met weinig woorden rake beelden die niet van humor ontbloot zijn. Wat is jouw uitgangspunt bij het schrijven van een gedicht?
Mijn uitgangspunten zijn associatieve beelden en intense beschouwingen. Ik zie in taal, of het nu om de bijsluiter van pijnstillers gaat of een lullig formulier, soms absurde beelden. De bijwerkingen van het leven, de momenten die ongezien voorbijgaan, daar dicht ik over en inderdaad het liefst met enige humor en weinig woorden of ingetogen eenvoudig. Ik houd niet van zwaar en heb weinig geduld voor veel woorden.

Je bent vertaalster van beroep en hebt onder andere werk van de fantasyschrijver Mel Odom uit het Engels vertaald. Hoe ben je bij het vertaalwerk terechtgekomen?
Plezier in het taalspel is het belangrijkste bij dichten en vertalen. Een bevlogen docent op de middelbare school bracht mij de liefde voor vertalen bij. Een mooie manier om met taal te spelen. Dichten en vertalen voeden elkaar wederzijds omdat vertalen – soms werken op de vierkante millimeter – een goede vingeroefening is voor het dichten. En vertalen zonder oefening in dichterlijke creativiteit is voor mij ondenkbaar.

Zijn je vaardigheden als vertaalster vergelijkbaar met die van een dichter in het creatief schrijfproces?
Ja, deels. Aangezien letterlijk vertalen uitgesloten is, moet je steeds zoeken naar de juiste woorden. Het is belangrijk om af te wegen welke betekenisnuance past in de sfeer die geschetst wordt en daarnaast moet je oog hebben voor het ritme van de zinnen die elkaar opvolgen. Dat doe ik bij het dichten ook, alleen gaat het dan meer vanzelf. Bij dichten gaat het om het ‘vertalen’ van mijn eigen beelden en niet om de tekst van een ander. In die zin is dichten makkelijker. Bij het vertalen van bijvoorbeeld (plaats)namen gaat het vooral om associaties, net als bij dichten. Dat zijn de krenten in de pap. De plaatsnaam ‘Greydawn Moors’ met ‘Nevelveen’ vertalen maakt me vrolijk vanwege de klank, om maar iets te noemen.

‘Poëzie schept een andere werkelijkheid zoals die net niet is’ merkte je op bij het inzenden van je gedichten naar Meander. Kun je deze werkelijkheid nader omschrijven?
Goede vraag, daar moet ik nog eens een boek over schrijven… Deze werkelijkheid kan ik alleen omschrijven met een van de ontelbare voorbeelden die voor het oprapen liggen: als ik een instantie bel, zes keer mijn sofinummer intoets en de stem aan de andere kant van de lijn stoïcijns blijft volhouden dat er geen nummer is ontvangen, dan treedt bij mij ernstige vervreemding op, waar ik hartelijk om kan lachen. Ik speel mee in een absurdistisch toneelstuk!, denk ik dan. Vanuit dit perspectief tracht ik vervreemding te verbeelden en toch dicht op de huid te blijven. Bijvoorbeeld een zin als ‘jij schonk expres/ de verkeerde wijn’ (uit mijn gedicht ‘Leeggebloed’) zegt meer dan welke beschrijving van relatieproblemen dan ook, los van iedere werkelijkheid.

Je hebt tot nu toe drie dichtbundels in eigen beheer uitgebracht. Is dat een bewuste keuze geweest?
Ja, toen wel. Mijn laatste bundel, Stadsmeeuwen en Hoongelach, verscheen in 2000. Het zijn gedichten die vooral voor vrienden en bekenden geschreven zijn, puur als hobby. Daarna ben ik op internetsites gaan publiceren voor een onbekend publiek.

Welk gedicht heeft op jou de meeste indruk gemaakt?
Er zijn twee gedichten die veel indruk op me gemaakt hebben. Het ene is ‘Blue’ van Lizzy Sara May, dat ik las toen ik vijftien was: ‘verberg je/ want niemand mag het weten/ leg de vinger op de lippen/ als je de vinger op de wonde legt’ en: ‘verberg je/ want wat is pijn/ als de hoed van mededogen/ alleen voor de doden wordt afgenomen’
Het andere gedicht is een recent gedicht van Joyce Derrix, te vinden op haar hyvesblog: ‘Vertel me, wat/ dacht je/ in die laatste momenten// Rookte je, toen je/ de laatste hand/aan de laatste knoop?// Zat je tussen het/zorgvuldig gekozen groen/ en bedacht je wat mooi was?// Met je rode bloesje/ dat je hing/ als een vrucht/ die anders is/ dan alle andere// Vertel me/ wat dacht je/dood?’
Zo verbeeldt poëzie de momenten die ongezien voorbijgaan.

Interview met Peter W.J. Brouwer

'In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken'

 

Peter W.J. Brouwer (1965, Eindhoven) is vertaler en schrijver. Hij woont in Velp met zijn vrouw, zoon en dochter. Hij treedt regelmatig op en publiceerde in tijdschriften als Dighter, Krakatau en Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift. Daarnaast jureert hij diverse schrijfwedstrijden, waaronder de Guido Wulmsprijs en de Hendrik Prijs-prijs.

Het gedicht ‘Over grootouders’ lijkt me voor jou belangrijk te zijn. Schreef je dat uit persoonlijke ervaring?
Mijn grootouders zijn al enige jaren dood, maar ik droom nog wel eens over hen en dan lijkt hun verschijning niet aan een bepaalde tijd gebonden. ‘Over grootouders’ ontstond in dat schemergebied waar beelden van ‘elders’ het ‘hier en nu’ binnendringen. Hun aanwezigheid vormde een ideale ervaring waarbij woorden uit de kindertijd zich onthechtten en een eigen leven zijn gaan leiden. Uiteindelijk ontstond dit gedicht waarin ik de beelden, die er altijd al waren, heb overgenomen en opnieuw heb vormgegeven: een appelboom tot klokhuis bedenken is allereerst een ‘talige’ vondst die vervolgens een nieuw beeld oplevert.

Zijn er nog andere aanleidingen waardoor jij aan het schrijven slaat?
Ik heb zo vaak geprobeerd om er speciaal voor te gaan zitten, maar bij mij ontstaat het schrijven meestal onder spanning van andere bezigheden. Ook door een gemoedstoestand dringen scherpe regels zich soms aan me op. Of ik bent met iets eenvoudigs bezig en er doet zich een verrassend idee aan me voor waar ik dan toch voor moet gaan zitten. Zo ongeveer.
Natuurlijk gaat het altijd om een persoonlijke ervaring; het is altijd autobiografisch, direct of indirect en vaak tegen beter weten in. Gedichten over tijd en ‘altijd’, de dood die iemand heel stilletjes komt halen, of een liefdesrelaas dat verkeerd afloopt. Het gaat over een ander, maar uiteindelijk over mezelf. Ik kan een muze nemen om aan het schrijven te raken, maar ik ben toch de persoon die het allemaal bedenkt en beschrijft. Ik denk: dit moet gezegd worden, en dan schrijf ik het op. Of ik denk op een dag: ik heb dit zus of zo beleefd en dat was uniek. En al heb ik er geen woorden meer voor, ineens zie ik het in een regel voor mijn ogen ontstaan.

‘Wanneer je poëzie gaat benoemen, onttrekt het zich aan je.’ Bij het inzenden van je gedichten antwoordde je met deze stelling op onze vraag wat poëzie is. Wat bedoel je daar precies mee?
Poëzie heeft de merkwaardige eigenschap dat de inhoud van een gedicht de lezer bekend en tegelijk vreemd kan voorkomen. Alleen al in vorm is ze, in vergelijking met proza, heel gecomprimeerd. Het moet zich allemaal in enkele regels afspelen, het moet in luttele regels gezegd. Maar die schaal is bedrieglijk. Een verhaal laat zich nog verklaren, benoemen, er is altijd wel iets waar je de vinger achter kunt krijgen, waarvan je zegt: kijk, het thema. Maar in de poëzie bestaan er gedichten waarin de boodschap zich onttrekt zodra je haar wilt benoemen.
In een goed gedicht wordt het onnoembare uitgesproken. Wanneer je het een naam wilt geven, vlucht het voor je uit. Het stroomt weg. Wanneer je een gedicht leest, ontvouwt de taal zich in beelden, maar die beelden zijn niet altijd ‘van hier’. Iets bevreemdt, ontroert, of verontrust. Rutger Kopland heeft in die context eens het onderscheid ‘geestelijke wereld’ versus ‘reële wereld’ gemaakt. Dat betekent dat beelden van ‘daar’ in het idioom van ‘hier’ belanden.
Als dichter vertel ik je waarschijnlijk niets nieuws. Ik kan je de dingen die je weet of die jij vermoedt, of waarnaar je nieuwsgierig bent wel opnieuw vertellen, op mijn manier en in nieuwe zinnen. En wanneer jij dan denkt: ‘hé, dat is …’, onttrekt het zich alweer aan je.
Dat is wat ik bedoelde: we voelen en vermoeden antwoorden meer dan dat we het zeker weten. Antwoorden roepen nieuwe vragen op, dat is een essentieel kenmerk van poëzie.

Je treedt af en toe op. Vind je dat al je gedichten voor het podium kunnen dienen of heb je voor optredens een speciale selectie gedichten?
Ik ben niet in de eerste plaats een performer en al helemaal geen podiumbeest. Ik heb wel het voordeel dat ik als muzikant voor publiek heb gestaan, waardoor ik iets begrijp van een spanningsopbouw. In heb laatst in Amsterdam opgetreden, op een open podium, en daar kreeg ik het publiek stil. Dat had alles te maken met de keuze die ik vooraf had gemaakt en waardoor ik overtuigend kon overkomen.
Misschien kan een rasperformer om het even wat voordragen. Onlangs zag ik iemand ‘De blijde boodschap’ van Gerard Reve met veel elan voordragen. Hij deed dat helemaal niet onverdienstelijk, met humor en de juiste dictie. Toch had ik een dubbel gevoel bij de vrijblijvendheid waarmee hij voordroeg.
Heb je Ingeborg Bachmann wel eens zien optreden? Zij bracht haar werk alsof het een noodzaak betrof, alsof haar hele wezen ervan afhing. Ik vond dat leerzaam. Ik vind het belangrijk om een gedicht voor te dragen dat geen enkele vrijblijvendheid in zich draagt. Dat gedicht moet bovendien over mij gaan, het moet mij op het lijf geschreven zijn, dat ben ik en als ik het voordraag moet dat zo gebeuren dat het jou stil maakt. En het moet uitnodigen om het te gaan lezen en opnieuw te gaan lezen.

Je speelde ook professioneel piano, begin jaren negentig. Je stopte toen met het schrijven van gedichten. Hoe verhoudt het muzikale zich met het schrijftalent?
Ik ben een multitalent in die zin dat ik naast het schrijven een muzikaal talent heb en daarnaast ook niet onverdienstelijk schilder. Maar ik merk dat ik als schrijver de lat automatisch hoger leg. Hoe meer ik op het muzikale vlak vorderde en lof ontving vanuit professionele hoek, des te meer ik me met de teksten of onvolkomenheden in teksten van anderen ging bemoeien. Dat is toch een wat vreemde reactie, vind je niet? Tot ik op een punt belandde waar ik ook mijn onvolkomenheden als muzikant leerde inzien en begreep dat ik eigenlijk liever wilde schrijven. Ik heb toen bewust een keuze gemaakt, en sta daar nog steeds achter. Ik maak nog steeds muziek, maar heb niet meer die ambitie.
Wat ik ook heb ingezien is dat talenten zich niet noodzakelijkerwijs op één niveau bevinden: iemand is niet ‘simpelweg’ een dubbel of trippel getalenteerd kunstenaar, ik geloof daar niets van. Om voor mezelf te spreken: ik ben een redelijk getalenteerd pianist en een voortreffelijk begeleider, maar ik ben geen musicus ‘pur sang’. Ik heb dat in de loop van de jaren moeten ervaren en ontdekken, en bevriende kunstenaars die ouder waren dan ik hadden me daar eerder al fijntjes op gewezen. Omgekeerd kan ik wel zeggen dat mijn muzikaliteit en mijn vermogen om in beelden te denken me bij het schrijven van pas komen, sterker nog: in woorden komen ze echt tot hun recht. En mocht de toekomst toch andere dingen in petto hebben, merk ik dat ook wel.

Hugo Verstraeten onderwierp je gedichten ooit aan ‘een kritische lezing’, waarvan een verslag staat op je website. Hoe ga jij in het algemeen met kritiek om?
Of het nu opbouwende of afbrekende kritiek betreft: alles beter dan helemaal geen oordeel of een onverschillig oordeel. Je schrijft toch ook om te worden gelezen? En ik vind het wel prettig als ik opval.
De een valt voor de toegankelijkheid van mijn gedichten, een ander roemt de afwezigheid van het overdreven ‘poëticale’. Weer een ander ontgaat de worsteling die aan een schijnbaar eenvoudige verwoording voorafgaat en mist de ‘verdichting’. Ik neem ieders woord serieus, zolang het op argumenten is gestoeld. Ik ben altijd nieuwsgierig naar de argumenten. Waar ik niet tegen kan, is een oordeel als ‘weliswaar enkele geslaagde zinnen, maar (…)’ of ‘leest als een gedicht zonder het werkelijk te worden’. Dergelijke kritiek wordt nergens concreet, en je verdenkt een criticus ervan dat hij die intentie ook niet heeft. Als ik over een ander schrijf, zou ik hem of haar een dergelijk arrogant oordeel nooit willen aandoen. Je raakt ervan aan het malen in plaats van dat het je tot denken aanzet.

Als een lezer een gedicht helemaal anders leest dan jij bedoelt, vind je dan dat het gedicht mislukt is of de lezer niet goed wijs?
Nee, integendeel. Als een lezer een gedicht heel anders leest dan ik bedoelde, ben ik pas echt wakker. Want het betekent dat het gedicht in zichzelf niet statisch is maar beelden oproept en voor iedere lezer een eigen gezicht krijgt. Zo heb ik gemerkt dat het gedicht ‘De bezoekers’ telkens anders wordt uitgelegd. Daardoor is het gedicht allerminst mislukt. Het wordt opgemerkt en het is ook vaker in tijdschriften geplaatst, om uiteenlopende redenen, en steeds in een andere context. In Gierik en Nieuw Vlaams Tijdschrift verscheen het binnen een religieuze context. Meestal wordt het als mystiek ervaren, terwijl het gaat om een groep mensen en het allemaal draait om het begrip ‘mens’. ‘De bezoekers’ wordt volgens mij wel als stellig ervaren, en misschien dat lezers daarom het gevoel krijgen dat hun lezing de enige juiste is. Ik ga je niet vertellen hoe het precies ontstond, laat het een klein raadsel blijven.

Streef je naar een bundel? Zijn daar plannen voor?
Ik heb het door mijn drukke werkzaamheden als vertaler vaak voor me uit geschoven, terwijl ik het graag wil. Maar ik heb de afgelopen jaren wel regelmatig in tijdschriften gepubliceerd en bespeur ook bij optredens een oprechte belangstelling voor mijn werk. Daarnaast ontstaan er steeds weer nieuwe gedichten die goed worden ontvangen.
Er bestaan inderdaad ook plannen voor een publicatie en de bedoeling is om die het komende jaar voor het eerst concreet te maken. Ik zou graag in boekuitgave willen worden gelezen, ben nog op zoek naar een redacteur.