Interview met Jetteke van Wijk

'Ik moet de tijd en de moeite investeren, niet de lezer'

 

Jetteke van Wijk is Midden-Oostencorrespondente voor de VRT, Radio2 en de Wereldomroep. Zij heeft een column in de Vlaamse krant De Standaard en schrijft voor Trouw en De Pers. In De Brakke Hond publiceerde zij gedichten, korte verhalen en een essay over oorlogsjournalistiek. De Gids plaatste een verhaal waarvoor zij een eervolle vermelding kreeg bij de Nieuw Proza Prijs 2005. Bij Meander kennen we Jetteke van Wijk vooral als dichteres.

In een eerder gesprek met je in Meander kwam de tegenstelling ter sprake tussen je vaak luchtige gedichten en het ongetwijfeld loodzware bestaan in het Midden-Oosten. Natuurlijk dicht je wel degelijk over wat je ziet gebeuren, maar je gedichten doen geen verslag van de gebeurtenis zelf…
Dat is ook moeilijk bij dit soort journalistieke gedichten, vooral omdat de pers doorgaans pas na de gebeurtenis arriveert. ‘Katjoesja’ beschrijft bijvoorbeeld precies wat ik aantrof toen ik, kort na de inslag, tijdens de Tweede Libanonoorlog van vorig jaar de plek bereikte waar de raket was neergekomen. De katjoesja zelf heb ik echter – gelukkig – niet zien vallen, omdat ik toen nog ergens anders was.

Gaat het in deze gedichten dus om dingen die je niet in je verslagen verwerkt maar waarvan je denkt ‘dit doet er ook toe, misschien nog wel meer’?
Niet opzettelijk of met voorbedachten rade, maar daar kan het inderdaad in resulteren. De aanslag uit het andere gedicht heb ik bijvoorbeeld toevallig wel zien gebeuren. Wat me daarvan altijd is bijgebleven, is hoe surreëel snel alles weer was hersteld en het normale leven werd hervat. Dat is overigens een algemeen fenomeen, zowel aan Israëlische als aan Palestijnse kant. In 2002, toen het Israëlische leger de Palestijnse steden wekenlang overnam en daar flink huishield, kwamen een bevriende fotografe en ik eens in Bethlehem, letterlijk dertig minuten nadat de militairen zich hadden teruggetrokken in de nacht. Het stadsdeel waar het zwaarst gevochten was, leek nog het meest op Libanon tijdens de burgeroorlog: totaal verkruimelde gebouwen, uitgebrande woningen, metershoge puinhopen. Maar terwijl we daar rondliepen, kwam de bevolking voor het eerst in weken weer buiten, nam de schade op en zette de schouders eronder. Nog vóór de lunch was Beiroet weer veranderd in Bethlehem, zij het dat hier en daar een huis ontbrak.

Ik vraag me eigenlijk af of je dichterschap vooral in het verlengde ligt van je journalistieke werk, of meestal juist een tegenwicht biedt.
Ik denk eigenlijk allebei wel een beetje. Het gaat, althans in mijn `journalistieke’ gedichten, doorgaans om de dingen die zijn blijven hangen, die mij op de een of andere manier gegrepen hebben. Door mijn hoofd dwarrelen dagelijks duizenden beelden, en een enkele keer laten die zich plots in woorden en metrum vangen.

De vorm die je hanteert is vrijwel altijd simpel. Is dat van belang voor je?
Absoluut! Zelf lees ik het liefst toegankelijke gedichten; gedichten die ik denk direct te kunnen doorgronden zonder eerst allerlei lagen af te pellen of beeldspraken te decoderen. Bij mijn eigen werk hanteer ik datzelfde principe. Ik wil iets overbrengen, iets communiceren, en acht het ‘mijn’ taak dit zo helder mogelijk te doen. Ik moet de tijd en de moeite investeren, niet de lezer. Maar misschien is dat ook wel gewoon de journalist in me.

Je gedichten lijken vooral beeldend. Wat is er eerst, woorden die je te binnen vallen, de gebeurtenis, het plaatje?
Ik ben inderdaad heel visueel ingesteld; doe ook veel aan fotografie. En daarnaast ben ik een dagdromer. Ik was zo’n kind dat onderweg naar school regelmatig de buurt redde van vervaarlijke vossen, schuilend in de bosjes van onze nieuwbouwwijk en loerend op de plaatselijke jeugd. Ook nu kan ik nog altijd fysiek in de rij van de supermarkt staan, maar met mijn hoofd in geheel andere werelden verkeren.
Soms ontstaat een gedicht precies dan. Dagdromend boven de afwas wordt de visuele weerslag van een gebeurtenis opeens verrijkt met woorden, die zich vervolgens tot zinnen laten rijgen. Net zo vaak komt het echter voor dat een krantenkop, een postertekst of iets wat ik iemand hoor zeggen opeens zinnen en beelden ontsluit. Dat kan tien minuten na `de gebeurtenis’ zijn, maar ook rustig tien of twintig jaar.
Een enkele keer is het de poëzie van anderen die de deur op een kier zet. Ik stond eens in de Bijenkorf, las drie regels in een bundel en werd opeens overvallen door een gedicht waarvan ik niet eens wist dat het in me zat. Toen heb ik mezelf maar met een servetje en een pen op de meubelafdeling geparkeerd en ben aan het werk gegaan.

Dus, niet alleen het doel is heel anders dan bij de journalistiek, maar ook de manier waarop je het dichten aanpakt. Wat haal je er voor jezelf uit?
Poëzie is, althans voor mij, een manier om impressies en gedachten weg te zetten in woorden. Misschien helpt het mijn blik te scherpen, of misschien houdt het mijn hoofd helder. Ik weet het eigenlijk niet. Bottom line: het is iets wat ik doe, en dat gewoonweg omdat ik dat soms even moet.

Raak je door het verblijf in Israël ook bekend met wat daar op literair gebied leeft?
Ik werk eigenlijk vanuit een soort literair isolement. Ik ben helaas te weinig in Nederland om te weten wat daar allemaal op dit gebied speelt, terwijl de Israëlische en Palestijnse poëzie grotendeels aan me voorbijgaat vanwege de taalbarrière. Natuurlijk vertrek ik vaak uit Nederland met een koffer vol boeken en natuurlijk zit ik hier wel eens in het schrijverscafé met wat vertaalde werken op schoot, maar ik heb de ontwikkelingen niet scherp omlijnd op mijn radar.

Welk doel staat je voor ogen met betrekking tot je poëzie?
Tja. Als ik mocht kiezen en als de huur dan nog steeds elke maand werd betaald, dan zei ik hoogstwaarschijnlijk de journalistiek vandaag nog vaarwel om me volledig aan dat andere schrijven te wijden. Maar zelfs dan zou, denk ik, het zwaartepunt toch bij proza liggen; of dat nu feit of fictie is. Natuurlijk hoop ik ooit genoeg kwalitatief acceptabele gedichten in mijn laptop te hebben voor een bundel – maar voorlopig blijft dat niet meer dan een droom.

De Iraans-Nederlandse schrijfster Nafiss Nia

'Liefde voor poëzie kun je aanleren'

 

De Iraans-Nederlandse filmmaakster, schrijfster en vertaalster Nafiss Nia woont sinds 1992 in Nederland. Naast het maken van documentaires en filmscenario’s publiceert ze proza en poëzie. Een gesprek over filosoferen zonder al te veel stof, rode draden, passie voor de poëzie en het delen van woorden met anderen.

Je bent in 1992 uit Iran vertrokken. Hoe was het om hier in Nederland aan te komen?
De Europese cultuur en in het bijzonder de Nederlandse cultuur waren mij niet volkomen onbekend. Ik wist er veel van door boeken en films. Er is niet echt een groot cultuurverschil, ook al wordt dat door velen verondersteld. Het verschil zit hem vooral in details. En zulke details in sommige gewoontes, normen en waarden, vielen mij direct op. Door mijn opvoeding en mijn eigen levensstijl kon ik de overeenkomsten vertroetelen en van de verschillen leren. Ik maakte de goede eigenschappen direct de mijne en probeerde ook de mooie kant van mijn eigen cultuur ten tonele te brengen. Dus, aanpassen ging van een leien dakje, zonder dat ik daarbij mijn oorsprong heb verloren.

In 2004 verscheen je bundel Esfahan, mijn hoopstee. Kun je daar wat meer over vertellen?
Esfahan, mijn hoopstee is mijn eerste dichtbundel en bestaat uit 37 gedichten. Ik heb deze gedichten in vijf jaar tijd geschreven. In die periode had ik meer dan 120 gedichten voltooid, maar de uitgever (Bornmeer, Leeuwarden) heeft een keuze gemaakt van gedichten die verband met elkaar hielden. De rode draad was ‘verleden’ en deze bundel was voor mij zonder meer een afrekening met mijn eigen verleden. Achteraf vind ik het wel jammer dat er een aantal goede gedichten niet is opgenomen vanwege die rode draad. Ik zie liever afwisseling in een dichtbundel.

Poëzie als afrekening met het verleden… Wat beoog je nog meer met het schrijven van gedichten?
Ik hoop niet dat ieder gedicht een afrekening wordt met het verleden. In mijn geval kon ik me nadien concentreren op heden en toekomst en het verleden laten rusten. Schrijven van poëzie geeft mij de kracht om naakt en ongehinderd te kunnen filosoferen zonder daarbij te lang van stof te worden. In mijn gedichten ben ik de eerlijkste Nafiss die je je maar kunt bedenken, over mezelf en over anderen, maar zonder uitleg. Ik ben een dichter, uitleggen laat ik aan filosofen over.

Waar moet volgens jou een goed gedicht aan voldoen?
Ik ga hier niet op technische zaken in. Maar een gedicht is voor mij eenvoudigweg goed wanneer de essentie, een stukje, een vers of een paar woorden van een gedicht je bijblijft. Als mensen naar mij toe komen en een vers van mijn eigen gedicht reciteren en hun mening daarover uiten, denk ik: dit is goed gelukt.

Schrijf je je gedichten eerst in het Nederlands of in het Farsi?
Ik schrijf rechtstreeks in het Nederlands. In het begin ging het moeizamer. Ik vertaalde mijn gevoelens en gedachten onbewust in mijn hoofd van het Farsi naar het Nederlands. Nu ontstaan gevoelens en gedachten bij voorbaat in het Nederlands en hebben ze misschien ook meer Nederlandse eigenschappen, maar de invloed van de rijke Perzische poëzie op mijn gedichten is onloochenbaar. Dat is de bagage die ik vanzelfsprekend mee heb genomen; een extra dimensie die ik erg koester.

Kun je een voorbeeld geven van hoe die Perzische poëzie in jouw eigen gedichten doorwerkt?
Het is moeilijk aan te geven welke regels en woorden Perzisch zijn en welke Nederlands. Dat laat ik liever aan de interpretatie van de lezer over. De moderne Perzische poëzie staat bekend om haar beeldspraak en dat zie je terug in mijn gedichten, vooral in mijn vroegere teksten. Ik hou overigens van allerlei soorten poëzie en er is geen dichter van wie ik helemaal níets leuk vind. Maar mijn grote voorbeeld uit de moderne Perzische poëzie is Ahmad Shamlou. Zijn gedichten zijn allesomvattend en schitterend qua inhoud en vorm. Hij heeft de Perzische taal in sterke mate verrijkt; hij creëerde veel nieuwe woorden en termen en bracht mooie oude Perzische woorden opnieuw tot leven.

Hoe is het volgens jou met de kwaliteit van de Nederlandstalige poëzie gesteld?
Het is voor mij te vroeg voor een algemeen oordeel, want ik ben nog volop aan het observeren en ontdekken. Maar ik kan het wel over mijn smaak hebben. Nederlandstalige poëzie heeft veel ramen voor mij geopend. Ik leerde daardoor de humor kennen, de directheid en de droge empathie. Ik kan erg genieten van Nederlandstalige gedichten. Mijn favoriete dichters zijn onderling zeer verschillend. Ik geniet van de poëzie van Herzberg en Kopland, voel mee met die van Vasalis en Slauerhoff, overpeins poëzie van Van Ostaijen en Marsman en adem met de gedichten van Lucebert. Dat zijn echter zeker niet de enige dichters die ik graag lees. Het Nederlandse taalgebied is rijk aan poëzie, maar helaas arm aan poëzieliefhebbers.

Waar zou dat toch aan liggen, die armoe?
Ik hoorde laatst iemand zeggen: ‘Liefde voor poëzie, je hebt het of je hebt het niet’. Ik ben het daar totaal niet mee eens. Je moet zoiets voeden, onderhouden en verzorgen. Er is een grote kloof tussen dichters en hun publiek. De meesten willen liever gewaardeerd worden door hun collega’s en recensenten dan door andere mensen. Dit veroorzaakt desoriëntatie en vervolgens ook een zekere afstand tussen poëzie en publiek. Liefde voor poëzie kan eenieder aanleren, daar ben ik heilig van overtuigd. Afgelopen zomer heb ik in Frankrijk een zevendaagse cursus poëzie gegeven aan Nederlanders. Ik had een koffer vol met Nederlandstalige gedichten meegenomen, van de oude garde tot en met jonge dichters. Iedere dag begon ik de les met een gedicht en eindigde ik met een ander gedicht. Ik gaf de cursisten ook bundels mee om ‘s avonds in te bladeren en hun favoriete gedicht te kiezen. Aan het eind zeiden de cursisten stuk voor stuk: ‘We hebben veel geleerd qua techniek en analyse, maar de belangrijkste les was de liefde voor poëzie; die hebben we gezien, gehoord en gevoeld in jouw ogen, stem en passie voor poëzie’. Dit werkte aanstekelijk, want de cursisten van andere disciplines kwamen steeds naar mij toe en zeiden dat ze veel moois over mijn cursus gehoord hadden. ‘Kom je alsjeblieft volgend jaar terug? We willen namelijk ook meedoen aan deze cursus.’ Is dat niet prachtig?

Wat kunnen we in de naaste toekomst nog meer van je verwachten?
Ik werk simultaan aan verschillende projecten. Zo blijft mijn werk spannend. Mijn leven schommelt al een hele tijd tussen film en literatuur. Aan beide disciplines beleef ik veel genoegen. Ik heb pas mijn debuutroman afgemaakt (dat was trouwens de derde en hopelijk laatste versie): een jeugdroman voor 11 jaar en ouder. Gelukkig zijn er genoeg uitgevers die geïnteresseerd zijn. De bedoeling is dat het verhaal na publicatie wordt verfilmd. Ik heb er al een producent voor. Het mooiste is dat ik het scenario zelf kan schrijven, dat is al afgesproken. Ik heb ook gedichten klaar liggen voor een tweede bundel en zoek momenteel een uitgever. Verder ben ik bezig met het vertalen van een keuze uit honderd jaar moderne Perzische korte verhalen voor uitgeverij Atlas. Die bundel zal in 2009 uitkomen. En ik werk momenteel aan twee korte filmscripts als bijdrage voor het filmproject NPS-Kort. Het ene script zou ik graag zelf willen regisseren, het tweede wordt door iemand anders gemaakt. Wat ik graag en regelmatig doe is optreden met mijn eigen poëzie en lezingen geven over Stegen van stilte, de bloemlezing van honderd jaar moderne Perzische poëzie (in april 2007 verschenen bij uitgeverij Bulaaq) Voor mij is er niets mooiers dan het delen van mijn woorden met andere mensen.