Recensie van Lange armen. Gedichten over de politie - Ester Naomi Perquin

Met een kop vol poëzie tussen de uniformen

Ester Naomi Perquin
Lange armen. Gedichten over de politie
Uitgever: Van Oorschot
2018
ISBN 9789028280731
€ 12,50
32 blz.

Zelf was ze nogal verbaasd over de opdracht zegt Ester Naomi Perquin in het nawoord van de gelegenheidsbundel Lange armen. Waarom viert de politie een lustrum van een niet-afgesloten reorganisatie? Waarom doen ze dat met gedichten? Zit Bromsnor wel te wachten op een mooie metafoor? Ze nam de opdracht aan. Haar nieuwsgierigheid stuurde haar op pad én er was de belofte van vrijheid om alles te kunnen opschrijven. Een idylle ontstond: “Er waren veel politiemensen waar ik gaandeweg een beetje verliefd op werd. Mannen en vrouwen met kennis van zaken, harde grappen en kleine hartjes. Doeners. Denkers. Wakker­liggers. Betweters. Redders. Hun vaak heel persoonlijke verhalen liggen ten grondslag aan bijna alle regels die ik schreef – en ik ben ze daar dankbaar voor. Het is vreemd om je thuis te gaan voelen, wanneer je met een kop vol poëzie tussen de uniformen zit – maar het gebeurde wel.”

Tien gedichten zijn het geworden en de agenten zijn er blij mee. Dinsdag 9 januari zaten ze naast elkaar bij De Wereld Draait Door: de korpschef en de dichter. Korpschef Erik Akerboom moest nog een paar keer door het stof omdat er de laatste jaren toch best veel gekke dingen waren gebeurd bij de politie en de dichter mocht twee gedichten voorlezen, bijgestaan door tekst op het scherm zodat ook de doven en slechthorenden eens een gedicht mee konden krijgen. Diender en dichter waren min of meer per ongeluk tot elkaar veroordeeld, hadden er het beste van gemaakt en nu zat iedereen te stralen in de opnamestudio.
Waarom? Eindelijk had iemand het eens een keer zo gezegd zoals zij, de agenten die de straat op gaan, het ook voelen. Poëzie had opeens nut gekregen. Politiewerk is meer dan de champagne bij de Ondernemingsraad en discussies over hoofddoekjes. Politiewerk is willen helpen en inzien dat je soms niets anders kunt doen dan falen. Zoals in het gedicht Terug: ‘Iemand zei: wie je niet redt blijft je langer bij / dan hele rijen op het droge.’

Dat is ook de kracht van het werk van Ester Naomi Perquin. Zij kan zich verplaatsen in een karakter en dan een beschrijving geven geheel vanuit het perspectief van haar ‘slachtoffer’. Dat is ook de kracht van de bundel Celinspecties uit 2012, impressies vanuit het gezichtsveld van de mensen die worden bewaakt door de cipier (pardon, de medewerker penitentiaire inrichting). In Celinspecties gaat het om de misdadigers, zeg maar de ‘lange vingers’. In Lange armen gaat het om de mensen die deze mensen gevangen moeten nemen en hun slachtoffers. 

MONOLOOG IN PORTIEK

Wat ik me nou toch afvraag hè, hoe past-ie door een keukenraam?
Zou het een jochie zijn geweest? Moet je nou kijken wat er ligt,
mevrouw, d’r is een bende van gemaakt

dat vind ik nog het ergste. En wat ze hebben meegejat, daar kan je
bij je eigen toch niet bij? M’n man z’n visgerei, m’n zoon z’n jas.
En hier, daar lag m’n tas met geld nog van de markt.

Waarom nou toch? Wij hebben van ons leven niks misdaan,
terwijl we niks te makken hadden. God, die ouwe hanger
die van m’n man z’n moeder is geweest – wordt daar
nou geld voor neergelegd?

Dat gaat toch nergens om? Die grote vaas en m’n kristal.
Dat hartje dat hier op een voetje stond, die had
ik van mijn zus d’r feest en hier die mooie blauwe.

Da’s nou dus weg. Schrijft u dat op? En wat ik erger vind
mevrouw, dat nou m’n huis zo’n bende is
en ook nog m’n vertrouwen.

Het is knap hoe authentiek deze monoloog overkomt. Je ziet een mevrouw voor je in haar huiskamer die niet alleen spullen maar vooral zichzelf kwijt is. Herkenning is dan ook het enige criterium dat voor deze gedichten een rol speelt. Niemand heeft er behoefte aan om bij deze gedichten na te gaan of de geest van de grote Nijhoff wel voldoende tussen de regels waait. Wat kan die agent dat schelen?

Zoals de korpschef zegt in zijn voorwoord: ik heb het nog niet gelezen, ik ben er benieuwd naar en ik hoop dat het herkenbaar is voor jullie, collega’s van de politie. Erik Akerboom: “Ik ben heel benieuwd wat ze gezien en ervaren heeft. Of ze in haar gedichten iets laat oplichten van de essentie van ons mooie werk en van de mensen die dat werk doen. Een dichter vindt soms woorden voor wat aangevoeld kan worden, maar moeilijk te vatten is. Kijkt met andere ogen naar wat vanzelfsprekend lijkt, roept nieuwe beelden op. Ik hoop dat ze me verrast en dat ik het herken. Ik hoop ook dat mijn collega’s het herkennen en het zullen ervaren als een trefzeker eerbetoon aan hun inzet en vakmanschap.” Herkenning en erkenning.

De tien gedichten belichten elk een ander aspect van het alledaagse politiewerk: het preventieve aspect (‘de eindeloze lijst van dingen die niet zijn gebeurd’), de ontmoeting met de steeds terugvallende junk (‘De reddeloze koningin / van zwerfvuil, klanten, schemering.’), het papierwerk op de bureaus, het keuzes kunnen maken in een fractie van een seconde, de troosteloosheid van een huisbezoek in een hopeloze buurt (‘De storthoop van de post.’) en alsmaar terugdenken aan een incident waarbij een kind niet tijdig uit een auto te water kon worden gehaald. De rauwe werkelijkheid via het goed gekozen woord leefbaar gemaakt. Geen poging tot mooischrijverij, geen hermetiek maar het leven aangevlogen vanuit de blik van de frisse buitenstaander met inlevingsvermogen en talent voor formuleren.

De bundel is uitgegeven in een oplage van duizend exemplaren en was snel uitverkocht. Voor wie er ook een wil aanschaffen moet wachten, de uitgever zorgt voor een extra levering eind januari. En anders moet je net zoveel geduld hebben totdat je er eentje aantreft op een tweedehands boekenmarkt. Er zullen toch ook nog wel agenten zijn die spijt krijgen van hun aankoop en die, ondanks het enthousiasme van hun korpschef, toch niets met poëzie blijken te hebben?

***
Ester Naomi Perquin (1980) groeide op in Zeeland maar woont al een tijd in Rotterdam. Ze volgde schrijfonderwijs in Amsterdam terwijl ze werkte als gevangenisbewaarder. In 2007 debuteert zij bij Uitgeverij Van Oorschot met de dichtbundel Servetten halfstok. In januari 2017 verscheen haar vierde bundel Meervoudig afwezig. Voor haar dichtwerk ontving ze verschillende prijzen waaronder de VSB Poëzieprijs 2013 voor Celinspecties. Perquin schrijft naast gedichten ook essays, columns en korte verhalen. Ze presenteert naast Piet Piryns de jaarlijkse Nacht van de Poëzie in Utrecht. Voor de periode 2017 – 2019 is zij benoemd tot Dichter des Vaderlands.

Recensie van Oefening in alleen lopen - Kreek Daey Ouwens

Een smal pad door angst omgeven

Kreek Daey Ouwens
Oefening in alleen lopen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427044
€ 19,99
102 blz.

Kreek Daey Ouwens opent in de tweede herziene druk van haar nieuwe bundel Oefening in alleen lopen met een opmerkelijke uitspraak van Konrad Bayer: ‘Je mag niet luisteren, dan zul je alles beter begrijpen.’ Of dat nu betekent dat we niet moeten luisteren naar wat er in onze directe leefomgeving over en/of tegen ons wordt gezegd of van ons wordt verwacht, in alle gevallen lijkt Ouwens met Bayer een oproep te doen onze neiging tot navolgen van mensen in onze directe omgeving zoveel mogelijk achterwege te laten en zo snel mogelijk een begin te maken met het oefenen in het ‘alleenlopen’. Voor haar moeten nauwlettende, ogenschijnlijk onaanzienlijke observaties daartoe de weg effenen.
     Ouwens neemt ons mee in de wereld van de verwarring scheppende, non-verbaal emotionele overdracht die er tussen ouders en kind zich voltrekt. Daarin speelt de stilte en het zwijgen een voorname rol. Het elkaar begrijpen komt in deze bundel voornamelijk tot stand doordat de volwassenen zich veelal uit onvermogen hullen in een diep stilzwijgen, en niet doordat ze onderling gevoelens tegenover elkaar uitspreken. De emotionele ontwikkeling van kind tot volwassen vrouw vormt de thematische achtergrond waartegen deze bundel zich laat lezen: van vrolijke dagen als onbezorgd kind dat zich afvraagt wie de woorden heeft bedacht naar het voortaan een andere weg kiezen met alle (zelf)verlies van dien. In die zin is deze bundel een Werdegang die herkenbaar dicht bij de werkelijkheid van alledag blijft.
     Ouwens is goed in staat het kind en de volwassenen niet alleen in hun klein geluk, maar ook in hun onberekenbare afstand en kilheid te schetsen. Ze schrijft in een vorm die het midden houdt tussen proza en poëzie. In een interview met Remco Ekkers heeft ze al eens afgegeven dat ze niet zo geïnteresseerd is in dit onderscheid. Het past ook goed bij haar intuïtieve benadering van het dichterschap. Veel laat ze naar vorm en inhoud aan het toeval over, hoewel haar teksten in al hun eenvoud toch bij nader inzien een weloverwogen en doordachte indruk maken. Ze kiest ervoor overwegend verstaanbare taal te gebruiken. Je leest dat onder meer in verrassend geformuleerde aforistische versregels, zoals ‘Wie zegt dat hij van iemand houdt heeft de / angst aan zijn mond hangen’ en ‘Wat we niet weten slaan we op in ons hart.’
     De gedichten zijn sterk anekdotisch van karakter. Korte versregels. Herhaling en opsomming van woorden en zinsdelen zijn een veel gebruikt stijlmiddel om ritme en structuur in de teksten aan te brengen. Als zodanig doet deze poëzie denken aan poëzie voor kinderen. Het wordt duidelijk dat voor Ouwens taal een middel is om de ander te bereiken. Ze maakt weinig gebruik van metaforen. Het gevaar dat haar zodoende bedreigt, is dat ze daardoor de gelaagdheid in haar werkelijkheid niet altijd voldoende tot gelding weet te brengen, zoals in het volgende gedicht: ‘De lucht is blauw. / De zee is blauw. / De ogen zijn blauw.’ Ze weet niet altijd voldoende spankracht in haar teksten te leggen: ‘Ik vouw alles in haar terug als iets / wat het einde is. // Mooi als haar ogen. Groot als haar ogen.’ Haar techniek laat hier en daar te wensen over. Dikwijls heeft ze nogal wat versregels nodig om tot een pointe te komen, zoals in het titelloze gedicht:

Er zijn twee grootvaders. De ene brengt boeken
voor ons mee. ‘Je moet veel lezen,’ zegt hij.
‘Anders word je dom. Dat willen jullie toch niet,
dom zijn?’

De stille grootvader zegt niets.
Hij laat de poes eten van zijn bord.
Na het eten gaat hij naar buiten.
Omdat hij alleen wil zijn loopt niemand hem achterna.

                                      *

De grootvaders zijn nooit aan elkaar.

     De bundel bestaat uit twee omvangrijke delen. Het eerste betreft de periode als kind; het tweede deel de volwassenheid. Ouwens opent met een gitzwart beeld: ‘We kijken naar de inktzwarte wolk aan onze voeten.’ Er zijn in deze bundel heel wat dagen beschreven waarop de zon niet bij de ik naar binnen schijnt. ‘We staan op, we zijn samen. / We zijn onwetend [van elkaar] en [wellicht] afzonderlijk gelukkig in de heldere lucht.’ In die staat van onwetendheid neemt de ik haar familie waar.  De ik is bevangen door angsten en een drang om te begrijpen wat er achter de bewegingen – uiterlijk en innerlijk – schuilgaat. Haar observaties betreffen veelal het klein geluk van alledag: ‘Mijn grootmoeder. / Ze warmt haar handen aan de thee. / Op een zomerdag ziet ze een engel.’
     Op veel pagina’s staat een korte tekst of slechts een regel. Er ontbreekt een inhoudsopgave in de bundel. Dat maakt het moeilijk om op voorhand en achteraf overzicht te krijgen. De opbouw maakt daardoor een minder doordachte indruk dan ze in feite blijkt te hebben. De waarnemingen blijven dicht bij huis. Grootmoeder, grootvader, moeder en vader figureren doorlopend in de gedichten. Aan hen leest de ik veel levenswijsheid af. De dood komt een paar keer in het jonge leven van de ik langs. Stilte, sneeuw, sterren, vogels, zwijgen zijn trefwoorden die de achterliggende emoties maskeren, maar staan ook voor de wereld voorbij de dingen: ‘Als het sneeuwt zijn alle mensen goed.’ Kilte, slang, dood, afstand, weidsheid zijn woorden van de onoverbrugbare afstand tussen de volwassenen en de ik:

Aan het eind van alle dingen komt de naaimachine
Van moeder op gang.
Log als een koe.

‘The highest things are beyond words.’

Mamma naait een kille rok.
Mamma naait behulpzaam.
Praktische zaken.

Even is er hoop.

Mamma naait een bloem.
Ze naait een baby.
Kersenpit is haar hart.
Ik zou zo graag in liefde geloven.

Roze wereld. Om te bijten. Om te prikken.
Flard van een zoom.

     Dit gedicht raakt aan de kern van deze bundel: het onvermogen om te communiceren over wat de moeder en de ik bezielt. De moeder toont haar gevoel door babykleertjes te naaien. Woorden als ‘log’, ‘kil’ en ‘Kersenpit is haar hart’ typeren haar emotionele beperktheid en onvermogen zich uit te spreken. De ik zou zo graag in de liefde geloven. Ze omschrijft die als de ‘roze wereld’ van de baby die in elkaar gespeld en genaaid wordt. Een nieuw begin, een nieuwe hoop gloort op het tonen van emoties aan elkaar. Het gedicht is een schichtige poging daartoe, een ‘flard van een zoom’. De dingen waar het echt om gaat, kunnen niet goed onder de woorden komen. De verstandhouding van de ik tot haar familieleden laat zien hoezeer de scherp waarnemende ik hun wereld niet goed kan binnenkomen. Veel woorden die onderling gesproken worden zijn te vangen in de zinsnede: ‘We begrijpen het gedicht niet. We verstaan het wel.’ De kinderen mogen wel – zoals dat in een ander gedicht zegt – de losse haren zoeken op de jurk van de grootmoeder, maar ‘Alleen haar gezicht aanraken mogen we niet.’ De oefening in het alleen lopen levert geen duurzame resultaten op. Het kind stelt zich in een ander gedicht voor dat de eenden de hoofden van grootvader, grootmoeder, vader en moeder zijn. Het schuift de eenden over de plank. Ze kraken. Sommigen zijn verbrijzeld. Er spreekt woede en bitterheid uit deze beelden. Dit wrede afscheid van het voorgeslacht maakt het moeilijk nog aan een baby te denken, …. en alleen te kunnen lopen.
     Door de hele bundel heen is dit emotioneel tekort er de oorzaak van dat de ik stagnatie ondervindt en de existentiële eenzaamheid voortduurt, ook als er sprake is van een relatie met een ander:

klim eens, lieveling, over die muur – ik denk
wel dat jij dat zou kunnen – jij denkt van niet  
- jij bent ervan overtuigd dat je dat niet –
- dat niemand  

Gedurende zes minuten zijn we nieuw – een vliegje
spartelt in mijn limonadeglas – we zijn zo eenzaam
dat we dat zien

     Dit alles kan niet voorkomen dat ‘Er […] meer woorden in mijn hoofd dan / dode vliegen in de zon [liggen].’ Het is niet voor niets dat het verlangen naar de omhelzing de opening van het tweede deel vormt. Een groot verlangen naar liefde vult nadien de pagina’s: ‘We zijn onwetend en gelukkig in de heldere lucht’. In droomflarden komen de meer positieve momenten met de grootouders en hun verleden opnieuw terug in de werkelijkheid van de volwassen ik. Toch blijft er de angst de ervaren liefde te kunnen verliezen. De angst blijft mee regeren. Telkens keert het kind met zijn ontvankelijkheid voor de natuur, de lucht en de vogels terug en biedt het de opening naar het klein geluk en naar een manier van kijken om alleen te kunnen lopen. Het is duidelijk geworden dat Ouwens in deze bundel een smal pad volgt door angst omgeven.

***
Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde in 1999. Oefening in het alleenlopen is haar zevende bundel. In 2009 werd zij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in 2013 werd zij geëerd met de Leo Herberghs Prijs.

Recensie van Vloeken is gezond - J.C. Aachenende

Eerbetoon aan een fenomeen

J.C. Aachenende
Vloeken is gezond
Uitgever: Eijlders Dichters
2017
ISBN 9789070187156
€ 10
58 blz.

‘Vloeken is gezond’, spat in het vleermuisachtige handschrift van de dichter in ongepolijste letters van de omslag. Verder treft men er niets op aan, ook niet op de achterzijde of op de rug van het boekwerkje. Verwijdert men deze losse omslag dan komt het interieur van het Amsterdamse poëzieminnende Café Eijlders in beeld met daarin tussen andere dienaars van het woord de dichter J.C. Aachenende, de éminence grise van het etablissement.
Niet alleen die titel is overigens tegengif voor de reclame van De Bond tegen vloeken; ook in meerdere gedichten wordt er lustig op los  gefulmineerd en gespot.

Aan de doden

Doden, schaam je niet!
Word nooit weer wakker, alsjeblieft!
Slaap door, blijf waar je bent.

De wereld die je hebt gekend
is alleen ruis nog en vertrapt
en door je kinderen afgeschaft;
die, in een luie stoel gezeten
op der lui domme, bolle reten
-vier pilsjes binnen handbereik 
 en wat kroketten om te vreten-
staren naar ’t schaamt’loos feestgedruis
op het volhoerig raambordeel
van NOS, En-Pee-O-twee: de buis

Deze directe en ongezouten manier van uitdrukken is niet de enige kwaliteit van  Aachenende. Hij onderscheidt zich met name door zijn uitzonderlijk meesterschap over de vorm; geen syllabe te veel of te weinig en alle woorden feilloos op de juiste plaats. En ook de ritmiek, wezenskenmerk van voordrachtspoëzie (de verzen van Aachenende lenen zich bij uitstek voor het podium) is perfect. Ter adstructie een klein gedicht uit een eerdere bundel, waarin dit duidelijk wordt:

Momentopname

Ongeschoren
ongewassen,
maar niet ontevreden
zit de boekhandelaar
in zijn winkel
te ontbijten:
zijn vrouw,
een feministische slons,
is er vandoor

Hier valt niets aan toe te voegen, maar haalt men een woord weg – ‘feministische’ bij voorbeeld – dan verliest het gedicht haar kracht.
Wie het werk van Aachenende leest of hem hoort voorlezen voelt dat de dichter met alle klassieke vormen vanaf de Middeleeuwen (en nog van daarvoor) vergroeid is. Hij kent de ballade, het rondeel en het sonnet als zijn broekzak en kan daardoor op lichtvoetige wijze met deze vormen spelen; in de bundel staan titels als ‘Geen rondeel’, ‘Bijna rondeel’ en ‘Rondeel’.
Maar in tegenstelling tot zijn liefde voor de oude vaste vorm gebruikt hij geen archaïsche woorden, zijn taalgebruik is zeer eigentijds en de hedendaagse schuttingtaal is hem niet vreemd. (Zie hierboven het eerst geciteerde gedicht).
Mij doet zijn poëzie dikwijls denken aan die van François Villon, de Franse vagebond en dichter uit de late Middeleeuwen. Vergelijk bij voorbeeld diens grafschrift ‘Kwatrijn’ in de vertaling van Ernst van Altena met ‘Grote God’ van Aachenende. ‘Kwatrijn’: ‘Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is, / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.’ En ‘Grote God’: ‘Alles is weg, bijna voorbij: / de lange dagen, korte nachten, / de dingen die er op mij wachten, / de toekomst, mensen aan je zij. / Alléén jij, Grote God, bij machte / tot alles, bent nu zeer nabij.’
Opvallend in de bundel zijn enkele gedichten in het Frans, Engels en Duits. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Mij doet het wat rommelig aan. De dichter is een polyglot, dat maakt het wel duidelijk en dit is niet verwonderlijk; hij werd geboren in Maastricht, kruispunt van culturen en talen, en bracht zijn jongelingsjaren door in Parijs, de stad die hij nog regelmatig inruilt voor Amsterdam.
In het boekwerkje staan meer dan in eerdere publicaties openhartige gedichten over het ouder worden en de dood; ik vind ze raak en verreweg de sterkste.

Vlucht

Naar het verleden wil ik vluchten.
Wat eens ideeën waren: zuchten
zijn het nog maar, of klachten
en geruchten.

Ach, het verleden kan niet praten:
het is een stille makker
achter de deur, maar nooit verlaten.

Als geheel is deze bundel overigens niet de beste tot nu toe, daarvoor is hij te wisselvallig van niveau. De knapste verzen van deze fijnbesnaarde, op papier soms grofgebekte dichter treft men aan in Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart, een selectie uit eerder werk.

Tot slot: alle bundels van Aachenende (1932), ook de  Franstalige En vers et contre tous, zijn telefonisch te bestellen bij Editions Saint Jacques, tel. 06-33650322. Vloeken is gezond is ook te verkrijgen via de uitgever ervan.

Recensie van Staarsonnetten - Jürgen Smit

Bevrijd door vaste vormen

Jürgen Smit
Staarsonnetten
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993208
€ 20
57 blz.

Uit een namenlijstje met onlangs gepubliceerde dichtbundels hapte ik toe bij Staarsonnetten van Jürgen Smit. In het verleden heb ik hem horen voordragen bij slams en zijn scherpe observeringsvermogen en zwarte humor zijn me bijgebleven. Ik herinner me korte gedichten die in heldere taal een beeld schetsen. In 2012 kwam er van dit soort gedichten met Traliewoud een bundeling uit bij de Contrabas. Van Facebook ken ik ook Smit zijn pentekeningen, die eveneens een hele herkenbare stijl hebben, deels figuratief, deels abstract, sober maar voor mij altijd ‘raak’, voelbaar. Die tekeningen blijken in ‘Staarsonnetten’ eerst bijna mijn enige houvast. 
Deze bundel is namelijk geschreven in asemisch schrift, dat is een vorm van schrift met open semantische inhoud. De term asemisch betekent zonder specifieke semantische inhoud. Het object kan dus door verschillende lezers op een totaal verschillende manier worden gelezen. Het voorwoord van Smits Cru-collega Sven Staelens helpt om te begrijpen ‘wat de bedoeling is’, om dat vervolgens in hetzelfde voorwoord weer te ontkrachten trouwens. De meeste lezers zullen na het doorbladeren van het boekje hoogstwaarschijnlijk net als ik vanuit een tot nog toe onbekend soort woordheimwee precies dit willen weten: hoe luidt de gebruiksaanwijzing? Staelens antwoordt door opdrachten te geven bij de gedichten. Opdracht: Kies een klassiek sonnet, scheur het uit de bundel waarin je het vond of druk het af. Kleef het in het midden van je flatscreentelevisie, plof comfortabel in de sofa en kijk naar het gedicht. Tracht het niet te lezen. Kijk. Blijf Kijken. Staar.
De volgende opdracht nodigt uit hetzelfde te doen met een asemisch gedicht uit de bundel en vervolgens krijgen we de uitdaging zo’n gedicht te vertalen voorgeschoteld. Zo wordt de lezer tot dichter. Zelfs als herkenbare woorden worden gebruikt kan de schrijver nooit weten wat de lezer er zelf van maakt. Zo gezien is de lezer altijd tegelijkertijd ook dichter. Ik staar naar de blokken tekst, maar wordt al snel zenuwachtig als op de middelbare school bij wiskunde. Ik overweeg op de witte pagina’s naast de gedichten iets te doen met kleurpotlood omdat de woorden niet willen komen. Ik zie overal procent-achtige tekens, associeer x en y en wat viel er ook alweer te berekenen aan welke soort hoeken? Na twee weken begint het me langzaam te dagen dat Staarsonnetten iets met me doet. Het is een interessante filosofische vraag die onderhuids iets beweegt: wat doet pure vorm waarvan je de inhoud niet kan begrijpen met jou? Wat me eerst een nerveus gevoel gaf, neem ik nu waar als rustgevend, bevrijdend. 

Een ander moment, als ik zelf een gedicht poog te schrijven, ben ik de bundel even vergeten. En dan gebeurt het, ik gebruik het toetsenbord zonder na te denken over betekenis. Ik schrijf, duidelijk geïnspireerd door Staarsonnetten op mijn manier in vorm zonder inhoud. Het lucht enorm op en daarna kan ik sinds tijden weer eens een ‘echt gedicht’ schrijven. 

In deze afbeelding lijken de twee gezichten te passen bij mijn ervaring dat de bundel het mogelijk maakt los te breken vanuit een vaste vorm.

Staarsonnetten is een mooie, verzorgde bundel om te zien, gedrukt op dik crèmekleurig papier. De gedichten staan geschreven in zwart en rood. Het asemisch schrift doet denken aan een jongensboek in geheimtaal, aan een vrije vorm van kalligrafie en ik denk ook ‘monnikenwerk’,  maar dan wel van een monnik die heel relaxt en los te werk gaat, die niet overmatig denkt maar ziet en voelt wanneer het goed is. Staarsonnetten is een beeldend kunstwerk dat oproept een toegang te vinden tot poëzie door te kijken. Wie daar voor open staat kan door meer afstand te nemen tot de vaste vorm van een sonnet, de eigen creativiteit bevrijden. 

***
Jürgen Smit (1972) stond op diverse poetry-slampodia en trad op bij grote festivals zoals Onbederf’lijk Vers. In 2012 debuteerde hij met de bundel Traliewoud. Naast optreden schijnt Smit zijn eigen licht op jonggestorven dichters op zijn blog ‘Kort Dag’.

Recensie van Krekeldoof en andere gedichten - J.H. van Geemert

‘meisjes ooit’

J.H. van Geemert
Krekeldoof en andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij De Republiek
2017
ISBN 9789086050178
€ 12,50
68 blz.

J.H. van Geemert is als dichter weinig bekend en dat is jammer. Zijn nieuwe bundel Krekeldoof gaat over ouder worden, het onbereikbare verleden, verval en dood. Dat klinkt zwaar, maar hij maakt de thema’s op een schijnbaar terloopse, bescheiden wijze lichter, humoristisch soms, maar zonder te vervallen in een al te gemakkelijke ironie.
Het woord krekeldoof is een neologisme, maar de betekenis is duidelijk. Van Geemert gebruikt het als metafoor: je merkt niet alle elementen uit de werkelijkheid op. Je kunt ook Oost-Indisch doof zijn: dan sluit je je voor bepaalde dingen af. Het tweede gedicht van de bundel heeft dezelfde titel:

KREKELDOOF

Mijn vader was krekeldoof.
Ik kon het nauwelijks geloven
na een Oost-Indische moeder.

Veel later bleek ook mijn vrouw
krekeldoof.

Wat zou ik
-  de afgelopen zesenzestig jaar  -
allemaal gemist hebben?

De ‘ik’ stelt in de laatste strofe gekscherend een retorische vraag, want de werkelijkheid is niet volledig kenbaar en het verleden nog minder. Mooi is het zinnetje ‘Veel later bleek ook mijn vrouw / krekeldoof’: alleen een ander kan dat constateren en uit dat besef komt de twijfel voort die de ‘ik’ uitspreekt: wat zou hij allemaal gemist hebben? Het verleden is niet te reconstrueren, iets wat ook spreekt uit het motto van de bundel: ‘Alles bleef / zoals het niet was.’ De tijd verglijdt en houvast aan het verleden heb je niet echt. Bereikbaar is het niet meer of het moest in poëzie zijn, maar of de weergegeven situatie dan waarheidsgetrouw is, kun je natuurlijk ook als dichter niet meer achterhalen. In ‘Huiswaarts’ vindt hij een ‘je’ in ‘de Amsterdamse school terug, / verscholen in een schelp van rode steen.’ Het verleden herleeft in het gedicht: ‘Verzeild zijn wij, in wat, in een gedicht, / een kelder waar we rechtop kunnen staan. / / We hoeven nergens meer naar toe.’ Een gelukkig moment, en dat kan ook in het heden voorkomen: ‘Soms, voor het dagelijks leven weer begint / en je weer terugkeert in het beschadigde / lichaam van een man, ben je even / een ademend wezen zonder toekomst en verleden.’ Maar: ‘Voor het beschreven is / is het voorbij’.  (‘Vroege morgen’). Maar de dichter beschreef het wel. Second best?

In zijn weemoed over een voorgoed voorbij verleden doet Van Geemert me denken aan dichters als Jan van Nijlen en Bloem. En ook met Nescio toont hij verwantschap. Zo mijmert Koekebakker in Titaantjes: ‘Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.’ Koekebakker heeft gelijk, velen van ons weten dat en de dichter ook. Onder het gedicht ‘Net echt’ staat de aanleiding voor het schrijven daarvan: Let it be, Londen, 24 oktober 2012. ‘Alles was er: de perfecte / John, Paul, George en / Ringo, de muziek’. Ook hier een terugblik: ‘Ik dacht aan de jongen, die alles nog kon worden / wat hij niet werd.’ Die titel ‘Net echt’ is knap. Twee woorden waarmee hij een wereld van onvervulbaar verlangen naar vervlogen tijden oproept. In die terloopse, schijnbaar eenvoudige formuleringen is hij een meester. Neem ‘Vader en zoon’, op het eerste gezicht een weinig opzienbarend gedicht over het verglijden van de tijd:

Van vader kende ik
         de schouders
     en zijn handen.
Soms, wil mij de afgelopen
  vijfentwintig jaar ook wel
         de bril te binnen schieten,
zijn stem, zijn hoest,
                          zijn dood.
Van meisjes ooit
         hoor ik hoeveel ik op hem lijk:
bijna hij, bijna.

Dit gedicht ontroert me, met name door die twee woorden ‘meisjes ooit’ tegenover ‘bijna hij, bijna’. Alweer die wereld van ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ en daar heeft hij maar twee woorden voor nodig – een vaak onopgemerkt stilistisch hoogstandje. En dat onbereikbare verleden staat tegenover een nabije toekomst, waarvan weinig meer te verwachten valt. Drie woorden ditmaal. En die herhaling van ‘bijna’, waaruit een stille berusting spreekt, prachtig.

De gedichten van Van Geemert zijn universeel. Dat komt niet alleen door zijn thematiek en uitgekiende gebruik van metaforen, maar soms ook doordat ze zo open zijn, dat iedere lezer zich ermee kan identificeren, of preciezer: de gedichten op zichzelf kan betrekken.  In het volgende gedicht heeft hij maar één woordje nodig om dat effect te bereiken: ‘het’.

OOK als het onverwacht komt,
als het me besluipt, bespringt, als
het er niet lijkt te zijn, als ik
het overschreeuw, ontken, als het
me uitput, verwondert,
als ik het uit- of toelach, als ik
het even vergeet.

Op het achterplat staat dat er vijf bundels van hem verschenen, die geen van alle meer verkrijgbaar zijn. Ik hoop dat het Krekeldoof beter gaat. Van Geemert verdient het.

***
J.H. van Geemert (1950) publiceerde in de jaren zeventig onder andere gedichten in De Gids en Hollands Maandblad; later in Tirade en De Zingende Zaag. In 2017 publiceerde hij Reynders, legendarisch kunstenaarscafé op het Leidseplein, samen met Paul Arnoldussen.  Indië tabee is in voorbereiding.