Recensie van Het zakboekje van het pijnboombos - Francis Ponge

De stem van het pijnboombos

Francis Ponge
Vertaler: Christian Hendrikx
Het zakboekje van het pijnboombos
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313454
€ 16,50
72 blz.

Er is geen dichter met wie ik zoveel plezierige uren heb doorgebracht als Francis Ponge. Voor mij was het dan ook ‘de verrassing van het jaar’, dat uitgeverij Koppernik het heeft aangedurfd om van Francis Ponge Het zakboekje van het pijnboombos uit te geven. Ponge is in ons taalgebied ‘de dichter der dingen’ genoemd. Christian Hendrikx, die het zakboekje vertaalde en van een erg goed, ik zou bijna zeggen Pongeiaans nawoord voorzag, legt daarin uit hoe gebrekkig die benaming is. Ik citeer: ‘Misschien kun je Ponge daarom beter betitelen als een dichter van de verstandhouding tot…, van de omgang met… of van de betrekkingen. Of van het aanspreken.’ Ponge is in ons land geen al te populaire dichter, bleek in de jaren zeventig, toen ik bij De Slegte het boekje Zeep aanschafte voor slechts één piek. Ook zijn proëmia werden verramsjt. Ik heb dan ook een flink aantal van de boekjes gekocht, niet alleen om weg te kunnen geven, maar ook om ze stuk te kunnen lezen. Mijn laatste exemplaar kraakt van de lijm. Jarenlang heb ik Ponge dagelijks op zak gehad. Wat was die dichter goed! Ik ken geen dichter die dichter aan de essentie raakt ‘van de dingen’ waar het om gaat. Laat ik hem zelf in de vertaling van Hendrikx aan het woord laten:

                                                                                                                                      7 augustus 1940

Het genot van de pijnboombossen:
.  Je komt er gemakkelijk vooruit (temidden  van die hoge stammen met hun tint tussen die van brons en rubber). Kaal zijn ze. Zonder lage takken. Er is geen wanorde, geen warboel van lianen, niets wat hindert. Wanneer je er gaat zitten kun je je gemakkelijk uitstrekken. Alom ligt tapijt. Hier en daar gemeubileerd met een rotsblok, en bezet met wat dwergbloempjes. Zoals bekend hangt er een gezonde lucht, een niet opdringerige, aangename geur, een muzikaliteit die vibreert, maar op zachte en weldadige wijze.
.  Deze hoge violette masten, met nog resten korstmos en hun gegroefde bladderschors.
.  Hun takken benaalden zich en hun stammen pellen zich.
.  Deze hoge schachten, allemaal helemaal van dezelfde specifieke soort. Deze grote zwarte of op zijn minst creoolse masten.

.                                                                                                                  7 augustus 1940 – namiddag

Het is gemakkelijk voortstappen tussen deze hoge zwarte of in elk geval creoolse masten, nog geschorst en met korstmos tot halverwege, strak in het brons, buigzaam als rubber.

*

(Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort.)

*

Geen wirwar van touwen of lianen, geen planken maar dikke tapijten op de grond.

*

Robuust is toepasselijker voor een andere boomsoort, al is de pijnboom dat toch ook, hoewel die als geen andere boom buigt zonder te knakken…

*

Een staak en een kegel en kegelvormige appels.

                                                                                                                                        8 augustus 1940

Midden in deze veelheid… Aan de voet van deze zwarte of in elk geval creoolse masten niets wanordelijks, geen enkele belemmering door lianen of touwen, geen geschrobde planken op de vloer, maar een dik tapijt.
.  Van de voet tot halverwege gekroesd met korstmos…

Enzovoort. Het doet vreemd aan dat de Tweede Wereldoorlog (bijna) geen rol speelt in het zakboekje. Nog geen maand voordat hij met het schrijven ervan begon, waren de Duitse troepen Parijs binnengemarcheerd. Ook De Grote Oorlog werd in het zakboekje niet herdacht, die op 4 augustus 1914, dus de tijd van het jaar dat Ponge in zijn pijnboombos rondwandelde, was uitgebroken, en waarvoor tot dan toe nog steeds in zowat elk Frans gat of gehucht een monument was opgericht. Ponge wandelt door het pijnboombos, terwijl hij ‘onderweg is naar een gedicht’. Je moederland is meer dan iets anders een taalgebied. De taal was Ponge zijn thuis, waar hij zijn leven lang voor en mee is blijven vechten. Dit wil niet zeggen dat hij zich afzijdig hield: in de tijd dat hij het zakboekje schreef was hij medewerker van de op het verzet geörienteerde krant Progrès de Lyon en toen de Duitsers het verschijnen van die krant onmogelijk maakten, werd hij actief in het verzet.

In zijn proëmia beschrijft hij, voor zichzelf, om het niet te vergeten: ‘(..) het enige principe op grond waarvan je interessant werk kunt schrijven, en goed schrijven (..). Je moet eerst kiezen voor je eigen geest en je eigen smaak. Vervolgens moet je de tijd nemen en de moed vatten om alles wat je denkt over het gekozen onderwerp uit te drukken (en niet alleen de uitingen vasthouden die je briljant en karakteristiek lijken). Je moet ten slotte alles eenvoudig zeggen, door niet de charmes maar de overtuiging als doel voor ogen te houden.’ (Vertaling Piet Meeuwse)

Zichzelf steeds herhalend en aanvullend benadert Ponge zijn onderwerp zo dicht mogelijk. Zo versterkte hij de band tussen zichzelf en de mogelijkheden van de taal om tot overeenstemming te komen over de onbenoembare betekenis van het pijnboombos. Hoedanigheden, functies, eigenschappen, dichterbij komt hij niet, maar ze hebben zoveel nuances, dat de geest niet soepel genoeg lijkt en niet ruim genoeg om ze in één keer in de beperkte en beperkende taal te vatten. Op 3 september 1940 komt hij tot de analogie van het bos met een kathedraal. Analogieën schieten altijd tekort, maar hij raakt wel aan de mystieke kant van het bos. Het wezen der dingen ligt buiten het bereik van de taal – juist daardoor wordt zij zichtbaar als menselijke ervaring. Want Ponge is zelf wel degelijk aanwezig in het boekje. Impliciet heeft hij het over het gevoel van geborgenheid dat het bos hem geeft; het bos dat geen wirwar van lianen heeft, als de wildernis, noch belemmering van touwen, als een schip (ergens heeft hij het over de boomstammen als masten). Het bos heeft geen geschrobde planken vloer, maar een verend zacht tapijt, waarop hij zich kan uitstrekken. Huiselijkheid, luxe, comfort…

Op een gegeven moment, tussen 25 augustus en 2 september 1940, komt hij tot iets wat op een meer traditioneel gedicht lijkt:

.                                De zeurderige vliegen
.                            of de zon in het pijnboombos

In dit borstelwerk met toefen groene haren bovenin
Op purperen houten grepen omringd door spiegels
Waar een stralend lijf binnengetreden is na uit het aangrenzende
Dampende zee- of meerbad te zijn gestapt
Blijft er vanwege de rusteloze vliegen
Op de dikke verende en rossige bodemlaag
Van welriekende haarspelden
Daar door vele achteloze kruinen neergespreid
Slechts een kapmantel van door zon bevlekt halfdonker

.                                                                                                                  Francis Ponge
                                                                                                                   La Sougère, augustus 1940

Dit is de laatste van de 16 varianten. Venus had er een rol in gespeeld, Phoebus – hij was niet tevreden. Niet zo vreemd, aangezien hij naar eigen schrijven streefde naar ‘de vernietiging van een gedicht door zijn onderwerp’. Dan is er geen plaats voor mythologische figuren. Hij geeft commentaar op de uiteindelijke versie, oppert nog de variatie van enkele regels, paart alle regels twee aan twee als ‘niet te wijzigen elementen’ die ‘met enkele restricties’ ad libitum verwisselbaar zijn. Op één na – even verderop herinnert hij zich dat de met hem bevriende schrijver Paulhan, zijn mentor, had opgemerkt: ‘Helaas is het prozagedicht niets meer voor jou.’ Ponge vervolgt: ‘(..) Paulhan had vast gelijk. Het is alleen niet mijn bedoeling een gedicht te schrijven, maar om verder te komen met de kennis en de uitdrukking van het pijnboombos, en daar iets voor mijzelf mee te winnen – in plaats van me hoofdbrekens te bezorgen en mijn tijd te verknoeien zoals ik dat gedaan heb.’

Tot 9 september 1940 schrijft hij door. Dan volgt nog het ‘Aanhangsel bij het zakboekje van het pijnboombos’. Hierin staat de eerste verwijzing naar de oorlog, waarmee dat aanhangsel begint. De inleidende eerste alinea is van de vertaler.

De voorafgaande tekst werd vanaf 7 augustus 1940 geschreven in een bos bij La Suchère, een gehucht in het departement Haute-Loire, waar de auteur, na een semi-exodus van een maand over de Franse wegen, zijn familie terug had weten te vinden. De auteur verbleef bijna twee maanden in La Suchère, maar in het zakboekje, dat overigens zijn hele papiervoorraad uitmaakte, stond niets dan die tekst plus de hier volgende notities.

.                                                                                                                                      6 augustus 1940

‘Wat ik zou willen lezen’: dat zou de titel, de definitie kunnen zijn van wat ik wil schrijven.
.  Weken, maanden van literatuur verstoken, krijg ik zin om te lezen.
.  Nou, wat ik zou willen lezen, moet ik dan maar zelf schrijven (alleen niet teveel…).
.  Maar als ik het een beetje preciezer bij mijzelf naga, is het niet alleen lectuur waar ik behoefte aan heb: ook schilderkunst, ook muziek (hoewel minder). Daarom moet ik zo schrijven dat ik tegemoet kom aan dat complex van behoeften. Dit beeld moet ik me voortdurend voor de geest blijven houden: (noodgedwongen) alleen mijn boekje op een tafel: dat ik zin heb om het open te slaan en erin te lezen (niet meer dan enkele bladzijden) – en om me er de volgende dag weer aan te wijden.

                                                                                                                                      20 augustus 1940

Wat zou ik allemaal kunnen opschrijven als ik gewoon een schrijver zou zijn…, en misschien moet ik dat ook doen.
.  Het verhaal van die lange, avontuurlijke maand vanaf mijn vertrek in Rouen tot het einde van mijn vlucht en mijn aankomst in Chambon (…).
.  Maar een soort onvermogen houdt me tegen, en dat heeft niet slechts te maken met gemakzucht of ertegenop zien: ik heb de indruk dat ik me niet uitsluitend en consequent, zoals dat hoort, voor dergelijke onderwerpen zou kunnen interesseren. Ik heb de indruk dat ik, zo gauw ik mij op een van de onderwerpen zou richten, prompt het gevoel zou krijgen dat het niet essentieel was, dat ik mijn tijd aan het verdoen was.
.  En ‘het pijnboombos’ is dat waar ik instinctief telkens weer op terug kom, op het onderwerp dat mijn totale belangstelling heeft, dat heel mijn wezen in beslag neemt, dat me helemaal aan het spelen brengt. Het is gewoon een van die unieke onderwerpen waaraan ik mij volledig geef (of waarin ik me kwijtraak): een beetje als een onderzoeker bij zijn specialistische onderzoek.
.  Niet om een relaas, verhaal, beschrijving gaat het, maar om de verovering.

Het schrijven als een liefdesdaad.

De taal wordt volgens mij door Ponge minder gezien als een middel om een bepaald doel te bereiken, dan  als een partner. Een partner die hij, hoewel hij vertrouwd met haar is, niet volledig kent. Hij heeft ook niet de illusie haar volledig te kunnen leren kennen. Hij zoekt haar zo dicht mogelijk te benaderen; verschillende fragmenten in ‘het zakboekje’ zijn opsommingen van namen waarvan hij de betekenis heeft opgezocht. Dat alles om tot poëzie te komen: die interactie tussen de tastbare werkelijkheid, de wereld van de dingen, en de werkelijkheid zoals die zich in zijn geest afspeelt. Het zakboekje van het pijnboombos is een evocatie die je een pijnboombos nooit meer als voordat je het las laat ervaren.

Poetry makes nothing happen? Om te ervaren wat poëzie kan doen moet je Ponge lezen.

***
Francis Ponge (1899 – 1988) was een Frans essayist en dichter. In de jaren dertig was hij surrealist en werd hij lid van de Communistische Partij, die hij in 1947 verliet. Tijdens de oorlog zat hij in het verzet. De twee delen van zijn Oeuvres complètes verschenen in 1999 en 2002. In 1984 ontving hij Grand Prix de l’Académie française.

Recensie van Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten - Andreas Oosthoek

Vroegere geluiden verlengen

Andreas Oosthoek
Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten
Uitgever: Cossee
2018
ISBN 9789059367579
€ 29,99
277 blz.

De verzamelde gedichten van Andreas Oosthoek Witheet nadert de ijsberg is een bijzondere uitgave. De bundel bevat hoofdzakelijk een keuze uit nieuwe gedichten die geschreven zijn in de periode 1959-2017. Het verzameld werk is geen stapeling van de uitgegeven dichtbundels die Oosthoek tijdens zijn leven gepubliceerd heeft. In feite is het slechts een keuze uit vier bundels en enkele gedichten die gepubliceerd zijn in Maatstaf, zoals hij in de ‘Verantwoording’ schrijft. ‘Nieuwe gedichten’ was wellicht een betere ondertitel geweest voor deze uitgave. Het schijnt dat de dichter nauwelijks de behoefte heeft gehad om de gedichten die hij had geschreven te publiceren. Wanneer ze geschreven waren en hij vond dat ze in de juiste vorm gegoten waren, was het voor hem klaar en werden de verzen op zolder opgeborgen. Het was een kwestie van een keer opruimen, waarbij allerlei manuscripten en losse blaadjes tevoorschijn kwamen en het voortdurend aandringen van de liefhebbers van zijn poëzie, die leidden tot deze uitgave ervan. In een interview met de dichter bij het verschijnen van de bundel las ik dat hij zelf ook niet blij was met de ondertitel ‘Verzamelde gedichten’. ‘Gedichten sinds 1959’ zou volgens hem beter geweest zijn.

Oosthoek heeft de gedichten niet chronologisch gerangschikt, maar ze in acht thema’s ondergebracht. De thematische indeling maakt de bundeling van zijn gedichten wel overzichtelijk, maar het lezen ervan niet spannender of verrassender. Soms is het lezen van een aantal thematisch verwante gedichten een pas op de plaats. Het lezen van Oosthoeks poëzie gaat traag, ook al omdat niet alle gedichten direct toegankelijk zijn. Er moeten zaken opgezocht worden, versregels herlezen worden, er moet nagedacht worden over wat de betekenis kan zijn van wat op papier staat. Anderen echter zullen het toejuichen dat een aantal gedichten over hetzelfde onderwerp, zoals die over Parijs in de tweede afdeling ‘Landelijk vertier & een beetje stad’ bij elkaar gezet zijn. In de zevende afdeling ‘Vuurland’ is de groepering van gedichten over de oorlog en zijn werk voor de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht, waaraan hij als dienstplichtig militair verbonden was, terecht zo samengesteld. De titel van deze afdeling is dezelfde als die van de roman Vuurland, die in 2016 verscheen.

Andreas Oosthoek wordt getypeerd als een Zeeuwse dichter die over de dijken en de duinen heen kijkt, veel naar overzeese oorden trekt, maar altijd weer terugkeert naar zijn geboortegrond en dan zijn reiservaringen in dichtvorm aan het papier toevertrouwt. Het landschap, de flora en fauna, het voortgaan van de tijd en het vat krijgen daarop, het weer en het klimaat zijn vaste thema’s in zijn werk, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘Het landschap’ uit de afdeling ‘Een poppenhuis vol lijsters’ te lezen is:

Aan wie behoort vandaag het landschap?
Het droeve paard dat staande slaapt
en ouder wordt, heeft elke dag
een afspraak met het groen.
Ook alle bomen zijn reeds ingevuld,
elk op zijn welgekozen plaats.
De sneeuw misschien,
een hagelbui met bovenmaatse stenen?
Alles is, door de jaren heen,
Vertrouwd aan fotograaf en schilder.
De dichter schikt en scharrelt,
strijkt hier en daar een plooitje glad
maar kan het tij niet keren:
het landschap heeft geen woorden nodig
en wil een beetje regen op zijn tijd,
de estafette der seizoenen.

In deze strofe positioneert hij zichzelf als dichter in een wereld die al ingevuld lijkt met fauna, flora en het weer. Het landschap is ingericht. Is hij als dichter wel nodig? Alles heeft toch al zijn plaats? Hij relativeert op subtiele wijze zijn dichterschap, waarin zijn machteloosheid als dichter om te zorgen voor een ommekeer de boventoon voert. Hij is een dichter die wat schikt en scharrelt en hier en daar een plooitje gladstrijkt. Als dichter is hij overbodig: het landschap heeft geen woorden, maar regen nodig. En natuurlijk de afwisselende seizoenen die elkaar snel (‘de estafette’) opvolgen.

De verwijzingen naar schilderijen, andere gedichten en bepaalde locaties die in gedichten voorkomen worden verklaard in de ‘Aantekeningen’ die achter in de bundel zijn opgenomen. Het verhoogt de leesbaarheid van Oosthoeks poëzie, want het gaat in vrijwel alle gevallen om specifieke informatie. Een gedicht doorgronden eist in een aantal gevallen diepere kennis van de geschiedenis, geografie, kunst en literatuur. De bundel bevat ook een interview van tien vragen met breed uitgewerkte antwoorden van uitgever Christoph Buchwald met de dichter ‘over ambacht en inspiratie, traditie en moed’. Ik vind dat dit niet in een bundel ‘Verzamelde gedichten’ thuishoort, ondanks dat het interview interessante informatie over Oosthoeks dichterschap geeft. Blijkbaar vindt de uitgever het een goed idee om de lezer te begeleiden of te sturen bij het lezen van de poëzie van deze wat teruggetrokken dichter. Maar hoe aantrekkelijk het ook lijkt, ik wil niet aan de hand meegenomen worden. Ik ben een autonome lezer.

Oosthoek wordt beschouwd als een dichter met een authentiek idioom. Zijn woordkeus is in veel gedichten onnavolgbaar, zijn waarnemingsvermogen bij tijd en wijle uniek. Nooit heb ik zo’n indringende beschrijving van kraaien gelezen als in het gedicht ‘De kraaien van Sjaelland’:

De uitgegraasde kraaien van Denemarken
zijn grijzer, deftiger en van ernstiger komaf
dan de stappers, hoppers, krauwers, krassers
die het zonder blauwe tanden moeten stellen.

Ze zijn gesteven, van gisteren, dragen een al
te lage hoge hoed en een gladde lakense
frak, waaronder – bij wijze van plastron – een
kogelvrij vest de veertjes op hun plaatsen
houdt. In het drukke eethuis, dat men Kro
noemt, zijn vooral de klauwen zeer gegeerd.

De kraaien van Denemarken geven korte
kopjes. Ze zwalken mal boven gele velden
vol koninklijk koolzaad en bezoeken met
pijnlijke regelmaat uitsluitend witte kerken.

De bundel krijgt een motto van de surrealistische dichter Paul Éluard mee: ‘Je m’obstine de mêler des fictions aux redoutables réalités.’ Andreas Oosthoek geeft in zijn ‘Verantwoording’ een vrije vertaling van dit citaat. Hij spreekt ‘over de durende vermenging van fantasieën met de ijzingwekkende werkelijkheid’. Deze koppeling herken ik ogenblikkelijk in zijn gedichten, maar ik moet toegeven dat het me soms moeite kost om inhoudelijk die verbinding te duiden. Dan begint voor mij het spel van grip krijgen op de tekst door beelden te associëren, verschillende gedichten naast elkaar te leggen en de (andere) betekenissen van woorden op te zoeken. Dat proces levert me enkele door mijzelf samengestelde reeksen van boeiende gedichten op, maar ook losse gedichten die ik opzij leg, omdat ze nog niet in een door mijzelf gevormde rij passen. Ik leg de gedichten niet voorgoed opzij, maar slechts voor even. De tweede strofe in zijn laatste gedicht ‘Monologue intérieur’ stelt me gerust. Ik lees de versregels rustig voor mezelf:

Het zou er – dacht hij – zeker nog van komen,
het wonderlijk verband
dat lijnen vlecht tussen begeerte en vervulling.

***
Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942) is een Zeeuwse dichter en journalist. Zijn eerste gedichten verschenen sporadisch in tijdschriften, zijn eerste bundel De bladen terug werd in 1987 gepubliceerd. Daarna kwamen nog enkele kleinere bundels tot stand. In 2014 verscheen zijn vierde dichtbundel Een zandloper in zee. In 2015 publiceerde hij de roman Het relaas van Solle op basis van een oude, teruggevonden versie. De roman Vuurland schreef Andreas Oosthoek in 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst. Vijftig jaar later heeft hij het manuscript herzien voor publicatie in 2016.

Recensie van niets = iets - Wouter Godijn

Kletsmajoor exerceert

Wouter Godijn
niets = iets
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025451967
€ 21,99
78 blz.

‘Vanaf het eerste gedicht  bevinden we ons in het instabiele universum van Wouter Godijn, waarin altijd wel iets aan de hand is, zelfs als dat niet zo is. […] En het ongemak wordt echt voelbaar in een reeks gedichten waarin een seriemoordenaar verslag doet van zijn executie. Zoiets hebben we nog nooit gelezen. En Wouter Godijn heeft het wéér voor elkaar.’

In hedendaagse poëzie spelen de muzikale eigenschappen van de taal niet bepaald een hoofdrol. Slechts zelden worden gedichten vervaardigd door middel van variatie in klank en ritme en zijn ze gegrond op een spel met betekenis. Veel vaker wordt de lezer ondergedompeld in een hitsige afwisseling van surrealistische beelden. Bladzijde na bladzijde gilt de aandachttrekkerij in je oren en priemt de opzichtigheid je ogen in. Wellicht is dit een bewijs voor de toenemende invloed van het podium, waar je de aandacht van een snel afgeleid publiek alleen kunt winnen en vasthouden met een snelle aaneenrijging van woorden-bling-bling en waar een zorgvuldig opgebouwd taalverhaal al snel leidt tot gegaap en verveeld gedraai.

Het valt een uitgever niet kwalijk te nemen dat hij de achterzijde van een nieuwe bundel gebruikt om de loftrompet te steken over de auteur die de bundel heeft vervaardigd. Vervolgens moet de lezer maar zien of de geschapen verwachtingen kunnen worden waargemaakt.
Dat valt niet mee. Zoals zoveel hedendaagse bundels is ook de bundel niets = iets van Wouter Godijn een aaneenrijging van kabbelend en babbelend parlando:

Een gedicht schrijven is niet moeilijk

je begint met: ik loop door de straat
dan iets over het weer
hoe heerlijk de zon schijnt
de kille blik waarmee de ramen op je neerkijken
de tapir die aan een tuinkabouter snuffelt
de vrouw die een jurk heeft gemaakt van een rood-wit geblokt tafelkleed
haar gelukkige lach, de kersenachtige kralen van haar ketting
inmiddels zijn er drie blonde wolkjes
verschenen in de blauwe lucht
waardoor je op zeven regels komt – als zeven brandende kaarsjes op een verjaardagstaart
je onderbreekt het schrijven om een plas te doen
je dochter roept je
je roept dat je moet dichten
en door de straat paradeert een emoe
die je zou kunnen schrappen: en door de straat paradeert een emoe
waardoor een geheimzinnige leegte oplaait
je bent nu op drie plaatsen
(het getal drie komt je op een verrukkelijke manier
vaag bekend voor als een verwijzing
die halverwege
plotseling oplost in niets – niets
mooier dan dat)
vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
op je bed, dichtregels schrijvend
in de straat, dicht bij de plek waar daarnet een emoe was
als je nu ook schrapt: vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
en: op je bed, dichtregels schrijvend
ben je alleen nog in de straat
de zon
blonde wolkjes
de blauwe, blauwe lucht

(p. 28)

Bovenstaand gedicht is helaas kenmerkend voor de bundel. Muzikaliteit ontbreekt geheel en pagina na pagina gaat het voort in gedachtenexercities die nergens noodzakelijk zijn: in plaats van de emoe had op die plek evengoed een hangbuikzwijn, een oeros of een giraffe kunnen figureren.
Uiteraard zou je kunnen aanvoeren dat het bovenstaand gedicht ironisch bedoeld is, als commentaar op de ‘hoge’ verwachtingen die ‘men’ van een gedicht heeft. Maar wat wordt hiermee op het spel gezet? Welke innerlijke noodzaak dwingt de auteur om deze poëzie te schrijven? Wie schrijft over wolkjes, een plas doen en het roepen van een dochter zit middenin wat Potgieter ooit smalend de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ noemde. Uiteraard kun je aanvoeren dat je de kunst op de hak neemt en tevens het op de hak nemen zelf nog een keer, maar na een of twee keer heeft de lezer dat wel gezien.
Een gedicht moet de lezer onraad laten ruiken, hem terug lokken naar de taal om de bron van de verdenking op het spoor te komen en bij herlezen nieuwe raadsels scheppen. Daarvoor is muzikale taal nodig, het verschuiven van de betekenis door klank en ritme, zodat er nooit staat wat er staat en niet staan zal wat er stond.
In eerdere besprekingen van Godijn’s poëzie wordt gesteld dat hij, door het laten zien van wat hij wegstreept, iets unieks doet. Ik vrees dat het niet meer dan een maniertje is: wie werkelijk wil laten zien wat er ooit geschreven stond en nu nog geschreven staat, toont de ware chaos van doorgestreepte, vervangen en alternatieve woorden en passages, zoals bijvoorbeeld te zien is wanneer je de historisch-kritische uitgave van het werk van Leopold bekijkt. Door hier en daar een doorhaling te plaatsen laat de auteur niet het werkelijke proces zien, maar koketteert hij slechts met het beeld van een dichter die voor de ogen van de lezer ‘durft’ te schrappen.
Op een aantal plaatsen heeft de auteur bovendien een aantal woorden in een brugklashandschrift onder de tekst gekalkt. Als dat de indruk van een spontane toevoeging moet wekken, werkt dat bij deze lezer in elk geval niet.

En dat is nog niet alles. Obligate beschrijvingen als ‘het trekkepopje kabinetsopperhoofdje’, ‘de zalm met zijn lachebekjeduretandenhekje’ en ‘de randdebiele ongeluk brenger met zijn hoogblondgemaakte namaakhaar’ (p. 43), we hebben het vaker gehoord en gelezen, we moeten er nog een keertje om glimlachen, maar als het geen beginnend studentencabaret is, dan heeft het in elk geval weinig te maken met poëzie.
Anders dan de uitgever ons wil doen geloven, is Godijn niet de taalgeneraal die met zijn woordenleger de Nederlandse poëzie onderwerpt, maar laat hij eerder de exercities van een kletsmajoor zien.

Wanneer we Godijn vergelijken met een niet willekeurige Groningse dichter, een die ook droomgedichten schreef, wordt al snel duidelijk dat het werk van Godijn bij dat van Hendrik de Vries bleek afsteekt. Een van de belangrijkste verschillen is dat De Vries de taal als zijn materiaal altijd hoogst serieus bleef nemen en zichzelf bijvoorbeeld strenge vormregels oplegde (onder meer dat geen regel mocht beginnen met de letter waarmee de voorgaande eindigde). Voor De Vries was het schrijven van een gedicht gelijk aan het stellen van een daad in de context van het leven en iedere klap moest dus raak zijn.
Godijn daarentegen mijmert maar wat:

Over de blauwe lucht

Kan de blauwe lucht wolken,
wolkenslierten,
wolkenflarden,
schapenwolkjes,
slaperige wolken,
wolkenkastelen,
wolkengebergten,
wolken die lijken op speelgoeddieren, wolken die lijken op tekenfilmfiguren,
wolken die –

Kan de blauwe lucht al die wolken onthouden?

Ze probeert het, uit alle macht,
heeft de indruk dat het lukt
ontwikkelt bombastische theorieën: pas via de omweg van de herinnering
kan iets echt bestaan
mijn herinnering vormt mijn karakter
ik ontwikkel me
tot een rijpere persoonlijkheid
ik begrijp nu pas
wat ik heb gezien
ik kom verder
steeds verder
ik leg een weg af

intussen verdwijnen er wolken
eerst twee onopvallende schapenwolkjes
dan opeens een torenhoog gevaarte
dan een heel landschap
dan ik ook de herinnering blauw –

weet nog dat het ooit anders was, niet meer hoe
vage silhouetten, een soort goudkleurige mist

dan zelfs dat niet meer

 (p. 74)

Lees nu eens het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff (Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 156). En kom niet aan met het verweer dat Godijn daarop een ironisch commentaar zou leveren.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, zijn Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde de shortlist van de AKO-literatuurprijs. Maar ook heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.

Recensie van Nieuwe tekeningen en gedichten - Hugo Claus

Tien jaar na zijn sterfdag, de verrassing die Claus heet. Een eerbetoon.

Hugo Claus
Nieuwe tekeningen en gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106205
€ 24,99
229 blz.

Over de dichter en schrijver Hugo Claus (Brugge 1929 – Antwerpen 2008) is veel geschreven, zowel over de mens als zijn omvangrijk en veelzijdig oeuvre; hij publiceerde talrijke dichtbundels, meer dan 20 romans, toneelstukken, essays. novellen, filmscenario’s, libretti en vertaalde onder meer Under Milk Wood van Dylan Thomas.
Minder bekend is dat hij ook wat de beeldende kunst betreft actief was en met name de tekeningen die hij maakte zijn van een ontwapenende charme.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis in februari 2003 gaf de schilder-dichter Jan Vanriet  hem, om de verveling te verdrijven, een dummy cadeau in de veronderstelling dat dit zijn vriend zou aanzetten tot het schrijven van poëzie.
Na twee weken gaf de herstelde Claus hem de dummy terug.
Jan Vanriet was met stomheid geslagen; er stond geen enkel gedicht in!
Wel 108 tekeningen.

Jaren later vertelde Suzanne Holtzer, die de redacteur van Claus was geweest, aan Jan Vanriet dat zij van plan was een bloemlezing over diens werk samen te stellen ter gelegenheid zijn tiende sterfdag. Hierop stelde Jan Vanriet haar de dummy ter beschikking. Zij was er verrukt over en ging op zoek naar bijpassende dichtregels. Zo ontstond dit boekwerk.

Beetje gewaagd. Mijn ervaring is dat in een bundel waarin zowel beeld als poëzie zijn opgenomen deze elkaar niet altijd versterken. Integendeel, zij staan vaak de interpretatie van de lezer-kijker in de weg; het beeld stuurt het geschrevene en omgekeerd en remt daarmee de verbeelding .
In kinderboeken kan het doorgaans wel omdat hier (ook) sprake is van een leerproces en wanneer tekst en beeld door dezelfde kunstenaar zijn gecreëerd en samengesteld, zoals bij Joke van Leeuwen het geval is, is de kans van slagen groter, maar niet zelden doen ook dan beide kunstuitingen elkaar tekort.

Wat deze uitgave betreft zou een boek met de tekeningen zonder dichtregels zeker de moeite waard zijn geweest, en, zij het wat minder (de tekst werd aangepast aan de tekeningen en niet andersom) kan dit worden  gezegd over een bundel met alleen de poëzie.
Maar wat Suzanne Holtzer met kennis en grote zorg heeft bijeengebracht verrijkt zowel het een als het ander. Een geslaagde symbiose.
(Wel jammer dat ik me in deze bespreking moet beperken tot de dichtregels en niet ter illustratie twee aansluitende pagina’s kan tonen met op de rechter een tekening en op de linker het daarbij passende gedicht ).

In de bloemlezing springen zoals gebruikelijk allereerst de tekeningen in het oog. Ze geven een gevarieerd  beeld van wat Claus voor ogen had: de mens tonen in al zijn schoon- en lelijkheid, zijn aardsheid, zijn grappige geilheid en zijn kinderlijke fantasie. Dit alles overgoten met humor.

In de gedichten en fragmenten daarvan valt het kinderlijk en schaamteloze plezier op dat Claus schept in het te pas en te onpas rijmen. Uit ‘APOLLINAIRE REVISITED’: Hier sta ik dan / een zinnig man (…) Apollinaire geloofde / in zijn horoscoop / Ik in de uitverkoop / van wanhoop (…)’ en uit ‘XVIII MOEDER DOET BOODSCHAPPEN’ : ‘(…) Op mijn klompen, met ontwrichte rug, / met kapotte ingewanden / blijf ik stappen naar de hel. // Mijn zoontje hoopt op een mirakel: / een fiets met banden en een bel.’
En hier dan nog een deel uit ‘Rijmen voor een reiziger in Antwerpen’ :

Wat hinnikt er nog zo laat in de straat?
Het fantoom van een paard,
een blanke nachtmerrie.
Ik ben het die draaf
en kletter en galop
gevleugeld in mijn hansop.

Een versje eigenlijk, zoals er meerdere in de bundel staan, en kijk, hiernaast zou de bijbehorende tekening moeten staan om er optimaal van te genieten.

Zoals gezegd maakte Claus de tekeningen in slechts twee weken en de spontaniteit en het ogenschijnlijk speels gemak waarmee ze aan het papier zijn toevertrouwd, doet vermoeden dat de zieke zich geen zorgen maakte in het hospitaal. Het zijn ongekunstelde schetsen die zonder kritische stops tussen hart en hoofd naar de hand zijn gegaan.
De dichtregels stralen dezelfde onbezorgdheid uit. Geen geserreerde poëzie waarbij ieder woord is gewogen maar met de kraan wijd open laat Claus de woorden stromen met een taalgevoel dat geen grenzen kent. Alleen iemand die de materie volkomen beheerst kan zich een dergelijke manier van schrijven veroorloven.
De kunst ervan is dat wat bij de lezer in eerste instantie als onachtzaam en slordig kan overkomen zoveel heeft te zeggen; sterker, het schijnbaar achteloos formuleren heeft een relativerend effect en maakt, hoe gek het ook klinkt, de inhoud sterker.
Twee voorbeelden:

Toen ik naar haar lachte
sloeg zij mij. Alsjeblieft. Pats in mijn gezicht. Dank je wel.

Nu heb je liefdesslagen, genaamd prohana
het liefst met de handpalm op de billen
(niet met de knokkels, dat vindt de Meester barbaars)
waarop het slachtoffer verplicht is te antwoorden
met de liefdeskreet stît,
een heftig gesis tussen bijna dichte tanden.
Sommige meisjes roepen dan om hun moeder,
dat mag ook, volgens de Meester.

Uit: ‘Stît’

Hij zegt: ‘Ik wou,
.                ik wou als het zou kunnen,
.                misschien toch,
.                eigenlijk, tenminste, heel even,
.                nee, vergeet het, ik ben er niet,
.                niet geweest.’-

Zij staat in de kamer, knijpt haar dijen samen,
(want moet plassen)
Haar stem is hees alsof zij naar hem verlangt,
(want moet niezen)
Haar blik verwacht hem en helemaal,
(want moet slapen).

Uit: ‘Een soort afscheid’

Graag zou ik als criticus ook iets minder positiefs willen opmerken, maar, afgezien van het helaas ontbreken van een leeslint, lukt me dat niet; behalve de tekeningen en de poëzie verdient de verzorging van deze uitgave ook nog eens een pluim: mooi dik papier, en godlof geen ronkende promotieteksten op de omslag.

Een heerlijk boek.