Poëzie Kort 2017 / 9

 

Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij, Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel

Frans Vogel (1935 – 2016) was net als Cor Vaandrager een cultfiguur in Rotterdam en een voorbeeld voor Jules Deelder. Vogel en Vaandrager waren ook verwant, zowel in hun poëzie als levensstijl; de titel van de bundel, Van de straat – en of! vat beide goed samen. Je kunt Vogel rekenen tot de Zestigers, de kring rond de Bende van Vier (Armando, Sleutelaar, Vaandrager en Verhagen) die in Gard Sivik en later De Nieuwe Stijl hun poëtica van de ‘totale poëzie’ uitdroegen: het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid, niets uitgezonderd. Veel van hun gedichten bestaan uit op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera.
Die principes is hij altijd trouw gebleven; het motto van Arthur Rimbaud (‘Il faut être absolument moderne’) moet je daarom met een korreltje zout nemen. De bundel bestaat namelijk uit een selectie uit Te gek moment & andere dingen (1996), Het onaandoenlijk hart (72 bm) (2001), Gelukkig maar (2008) en verspreide gedichten. De Zestigers waren toen al onderdeel van de literatuurhistorie, maar dat maakt in dit geval niet uit: Vogel weet je hoe dan ook te boeien.
Het motto van Zero-kunstenaar Jan Schoonhoven is wel op zijn plaats: ‘Het gaat om het moment, het gaat om mooie dingen’. Die mooie dingen moet je ruim nemen, om esthetica gaat het niet. Neem ‘Par bene comparatum’, een ready-made over een man en een vrouw die uitstekend bij elkaar blijken te passen:

‘Never, nooit hebbie me
Meegenomen naar de disco!’

‘Of het al die tijd ook mooi
weer was met jouw!’

Dit is een mooi voorbeeld van wat hij schrijft in ‘De trouvaille, kat in ’t bakkie’: ‘je hebt er niet driftig naar lopen zoeken. / Je hebt het spontaan aangetroffen: kat in ’t bakkie.’ Je moet het wel opmerken, natuurlijk. Niet alles is geschikt.
In het beschrijven van het Rotterdamse leven doet hij me soms denken aan Carmiggelt – bien étonnés … Dat de een columnist is en de ander dichter, de een Amsterdammer en de ander Rotterdammer, het maakt in dit geval niet uit: beiden hadden een scherp oog voor wat er leefde op straat, voor absurditeit, humor, het menselijk tekort in combinatie met stug doorgaan. En beiden waren taalvirtuozen. Vogel is wel veel explicieter, zijn humor is vaak uitbundig, in combinatie met meligheid en ‘van dik hout’, uitstekend geschikt om een sombere bui te verdrijven.
De eerste strofe van ‘Een onsje meer’:

‘Het vlees is beter dan de benen’
Sowieso. En in ‘Geen vlees zonder
benen zien ik ook al geen been.
Wel in benen zonder vlees,
dat zwak is en vroeg of laat
de gewillige geest geeft – pffft.
(Bederf is de weg van alle vlees,
schrijft Möring. En mij lijk’ dan
of die naam mij dat ook wil laten
ruiken: hoe dat meurt en rot.
‘Wenn einer anfängt zu riechen,
ist das Leben schon ziemlich vorbei.’)

Arme Möring. Zijn naam zal voor mij en vele anderen altijd verbonden blijven met Vogel.

Er is veel meer: hij schrijft over de schoonheid van Rotterdam, een dame op leeftijd met fuchsiaroze tandvlees en een 2-delig kunstgebit, oude sprookjes in nieuwe stijl, hij maakt zich druk over een milieuramp, geeft een inkijkje in werkwijze en taalgebruik van de reclamewereld – hij heeft een tijd bij hetzelfde bureau gewerkt als Vaandrager en Sleutelaar – en maakte gedenkwaardige haiku’s en disticha, zoals ‘Kunstenaarsbegrafenis’: ‘Als de kist daalt, / stijgen de prijzen’. Zo is het maar net. Lezen, die bundel.

***
Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel (2017). Samenstelling en tekstbezorging Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij. Studio Kers, 168 blz. € 18,95

 

Gijs ter Haar, Voor de zwijnen

Gijs ter Haar (1963) is vooral bekend als slammer, en een heel goede: De ‘Godfather’ noemt Alexis de Roode hem op het achterplat van Voor de zwijnen. Vaak blijft er van slam op papier weinig over, maar bij Ter Haar is daar geen sprake van. Zijn nieuwe bundel – prachtig uitgegeven, met illustraties van Peter Zuur – bevat een aantal zeer goede gedichten. Zo vind ik ‘Doordeweeks verdriet’ een aangrijpend rouwgedicht – tenminste zo kun je het lezen. Waarschijnlijk is het in eerste instantie een gedicht over een diep betreurde scheiding, waardoor de ‘ik’ zijn zoon moet missen.
(In de bundel staat de kantlijn rechts).

nu valt de regen anders
dan alle dagen die we kenden
een eender tikken op het glas
dat dan weer wel

ergens moet het droog zijn
als ‘k geen angst voor paarden had
dan zocht ik mij een zadel
en reed je tegemoet

ik wacht hier maar en schuil het uit
dat weet ik ook dit is geen thuis
daar staan mijn spullen, daar
mijn bed. dit is een plek

ik mis mijn zoon voor al

(Let op: niet ‘vooral’, maar ‘voor al’ – voor alles).

De eerste strofe is prachtig in zijn eenvoud en volkomen raak. In beide gevallen (scheiding of dood van de zoon) is er sprake van een breuk, een voor en een na – ondraaglijk definitief in het geval van de dood. Alles is anders geworden en tegelijkertijd blijft veel hetzelfde: ‘dat dan weer wel’ – die nuchtere vaststelling is onvergetelijk, evenals de regel: ‘ik wacht hier maar en schuil het uit’. Wie zulke regels schrijft is een Dichter – met hoofdletter.

Gijs ter Haar is een lyricus die het leven omarmt, niet alleen als hij over nieuwe liefdes, maar ook als hij over verloren liefdes of het voorbijgaan van de tijd schrijft. Hekeldichten horen er ook bij, uit betrokkenheid. In ‘Was ihr den Geist der Zeiten Heißt, das ist im Grund der Herren eigener Geist in dem die Zeiten sich bespiegeln’ (Goethe), gaat hij tekeer tegen ‘de ik zit alleen nog met face in mijn phone / ook al ben ik op een feestje generatie (…) de ik sterf liever dan dat ik inlever generatie ( … ) die generatie // degeneratie’. Hij weet zijn woede meesterlijk weer te geven in ritme, klemtonen, alliteraties, (binnen)rijm:

hier ben je, daar sta je
in de wereld van mensen wees welkom
     en zwelg
in het grote veinzen, de kudde van volgers
(…)
je rol in de orde de chaos het reilen
het zeilen de pegels het paaien het naaien
het graaien de honden de haaien het branden
van banden om broeders en zusters
     geclusterde
bommen het breken het braken het buigen
     het missen
van benen en leef toch het bruisende
     leven vooral

(…)

‘Ruimschoots ervaring met God, de dood, de liefde en de oorlog, tapt uit alle vaatjes. Nog niet klaar. Op weg naar de Boeddha-staat’, schrijft Alexis de Roode. Als lezer hoop ik dat zijn poëzie daarin niet oplost.

***
Gijs ter Haar (2017). Voor de zwijnen. Uitgeverij de Muze, 48 blz. € 15,00


Kila van der Starre, Poëzie in Nederland

Vogel is of was te lezen op een Rotterdamse vuilniswagen: ‘Jong begeerd, oud afgedaan’. In het gelijknamige gedicht schreef hij dat die regel ‘regelrecht slaat / op de content (de complete / theeringzooi door mekaar) van zo’n vuilniswagen’, maar je kunt die regel natuurlijk ook als een kernachtige samenvatting van het menselijk bestaan beschouwen.
Gijs ter Haar behoeft verder geen toelichting: iedereen die weleens een festival of poetry slam heeft bezocht, kent hem en uiteraard kun hem ook op Youtube bewonderen.

De verschijningsvormen van poëzie zijn sterk veranderd. Kila van der Starre, een van de redacteuren van de essaybundel Dichters van het nieuwe millennium , is bezig met een promotieonderzoek naar Nederlandstalige ‘poëzie buiten het boek’. In haar toelichting zegt ze onder andere: ‘Poëzie buiten de bladspiegel, zoals podiumpoëzie, digitale poëzie en poëzie in de openbare ruimte, lijkt steeds populairder te worden. Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.’
Ze voerde deelonderzoeken uit naar de manieren waarop volwassenen in aanraking komen met poëzie en hoe vaak. (Poëzie in Nederland, hier te downloaden). Ze heeft ook de website straatpoezie.nl opgezet, de eerste inventarisatie van poëzie in de openbare ruimte van Nederland en Vlaanderen. Iedereen kan gedichten aanmelden; er zijn inmiddels meer dan 1600. Je kunt natuurlijk ook volstaan met het zoeken naar openbare poëzie in je omgeving.

Haar onderzoek kan veel betekenen voor het basis- en voortgezet onderwijs en ook voor het mbo. Docenten zitten vaak met de handen in het haar als het om poëzie gaat: hoe wek je belangstelling? Op p. 26 en 27 van Poëzie in Nederland geeft Van der Starre een aantal aanbevelingen, gericht op verschillende doelgroepen. Een ervan is expliciet gericht op het onderwijs, maar iedere docent die ook maar een beetje creatief is, weet met die andere ook wel raad. En die site over straatpoëzie? Een eitje. Stuur leerlingen voordat zij de site kennen onder of na schooltijd in twee- of drietallen de straat op en laat hen noteren wat zij tegenkomen. Bij terugkomst kunnen zij hun inventarisatie vergelijken met die van de site. Het is leuk als zij een gedicht of citaat vinden dat daar nog niet in staat, dan kunnen zij het toevoegen.

***
Kila van der Starre (2017). Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manier volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Stichting Lezen, 62 blz. 

Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek':

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II': ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.

Recensie van Stilte heeft het laatste woord - Jan Paul Bresser

Stijlvol en altijd beschaafd

Jan Paul Bresser
Stilte heeft het laatste woord
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519061
€ 24,50
189 blz.

Jan Paul Bresser (1941 – 2015) was voor mij de cultuur in eigen persoon. Als Hagenaar ontmoette je hem op de plekken waar cultuur over het voetlicht kwam. (De Koninklijke schouwburg betitelde hij als ‘zijn tweede huis’). Je zag hem in het Hofkwartier en op bijeenkomsten waar het altijd om stijlvolle zaken ging. De laatste keer dat ik hem ontmoette was tijdens een Couperusherdenking, georganiseerd door het literair tijdschrift Extaze (hoofdredacteur Cor Gout) in Pulchri Studio waarop ik een kleine inleiding mocht geven over de verschillende plekken waar Couperus had verbleven in Italië; ik had ze bezocht en gefotografeerd. Jan Paul Bresser vertelde over de stijlvolheid van de kledingkeuze van Couperus. We liepen na afloop samen over het mooie Voorhout en praatten over de waarde van de cultuur en de beschaving.

Jan Paul Bresser was altijd stijlvol en beschaafd. Als journalist werkte hij voor kranten en tijdschriften. Hij was vooral bekend om zijn columns en interviews. Als creatief non-fictieauteur debuteerde hij laat. Zijn werk Het verdriet van Eline uit 2011 – hij was toen dus zeventig jaar – bevat een reeks verhalen waarin hij observeert zonder er zelf in aanwezig te zijn. Zijn tweede boek, de roman Sarah@Berkenhart.nl, – de titel suggereert een relatie met de beroemde briefroman van Wolff en Deken – is inderdaad ook een roman in brieven. Helaas mocht hij de presentatie van de handelseditie van dit boek niet meer meemaken: Jan Paul Bresser stierf op 21 juni 2015. Hij liet een grote leegte na; mensen die zo veel stijl, culturele kennis en kunde hebben zijn dun gezaaid.

Veel gedichten heeft Jan Paul Bresser tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Hier en daar (o.a. in Tij) verscheen wat werk van hem. In 1972 verschenen er vijf gedichten onder de titel: Ongelooflijk. In eigen beheer kwam in 2011 de bundel De doorloop van de tijd uit. De poëziepublicaties tijdens zijn leven zijn dus gering. De vraag rijst daarom bij mij of hij wel echt de ambitie had om als dichter erkend te worden. Wil niet elke dichter gelezen worden?

Cor Gout deelt in de inleiding van het hier besproken boek mee, dat na de dood van Jan Paul de gedachte rijpte zijn verzamelde gedichten te doen publiceren, waarover hij reeds met  hem had gesproken, een idee dat sterk werd gesteund door zijn vrouw Ineke. Ik citeer: ’De zoektocht naar Jan Pauls gedichten begon. Ineke vond ze in kleine blauwe schriftjes, vroege gedichten waarin de thematiek van zijn latere  dichtwerk al doorschemerde, in knipsels van kranten en tijdschriften, in verzamelingen van vroegere partners, vrienden en familieleden, in mappen, in boeken, in gaten, in hoeken’. Ze gingen ‘dwars door Jan Pauls gedachtewereld, zijn fantasieën, zijn twijfels, zijn zekerheden, zijn loves en hates en vooral ook door het gebouw van zijn taal’. Al dat zoekwerk leverde een boek op van bijna 200 bladzijden poëzie onder de titel: Stilte heeft het laatste woord.

De opgenomen en door Cor Gout geselecteerde poëzie is verdeeld in drie gedeelten. De eerste groep wordt gevormd door gedichten geschreven tussen 1958 en 1966, de tweede bundeling betreft de jaren 1984 tot 2013, de laatste verzameling  betreft werk uit het jaar 2014. Het is niet duidelijk wat er gebeurde tussen 1966 en 1984; het zou interessant zijn te weten of er geen poëzie is geschreven in die jaren of dat er niets gevonden kon worden. Nu gaapt er een hiaat dat intrigeert, zeker als er zoveel gedichten in deze verzameling zijn opgenomen.

Wat mij in het algemeen opvalt is de groei van de dichter. De eerste gedichten zijn nog conventioneel, staan in de traditie. Het is optimistische poëzie vol kleuren en bloemen. Veel gedichten hebben geen titel, wat soms de indruk geeft dat ze nog niet aan hun eindredactie toe waren. Soms zijn er kleine invloeden herkenbaar van de vitalisten, soms van Kouwenaar en Hans Andreus, een enkele keer van Vasalis en Nijhoff. Een gedicht als ‘Maria Lichtmis’ op pagina 37 verwijst ook naar de religieuze gevoeligheid van de dichter, die later nog sterker terugkomt.

Maria Lichtmis

globaal genomen 
zijn er altijd witte vogels 
die uit de nacht 
met de zon naar beneden komen 
een rozenkrans van nachtegalen 
gaat door de handen van de hemel 
terwijl vingerwolken bidden 
nooit heb ik het licht gemist 
wel eens dit gebed

Het gedicht: ‘En daar waar dromend Golgotha’ op pagina 38/39 is opgedragen aan Hendrik Marsman. Aanvankelijk denkend dat het om een opdracht aan Henk Bernlef ging (Bernlef was het pseudoniem van Henk Marsman), lijkt het mij toch gezien de thematiek en de woordkeus een opdracht te zijn aan de grote vitalist Hendrik Marsman die in 1940 op een schip vol vluchtelingen ten onder ging. De beginregel ‘Ik draag de stem van deze tijd / en roep van Sont tot Hellespont’ lijkt te verwijzen, evenals de laatste regel ‘want deze echte wereldboot / vaart verder nog voorbij de dood’ naar Marsmans Tempel en Kruis, waarin Marsman de grote eenheid van de beschavingen rond de Middellandse Zee bezingt. Geleidelijk aan worden gedichten lyrischer, de dichter (woord zowel als persoon) komt in de poëzie binnen:

ik heb je naam 
in het natte zand 
geschreven 
tussen de voetsporen 
van wandelaars 
misschien is de vloed 
erover gedreven

morgen zal ik weer gaan 
om opnieuw je naam te schrijven 
en al verdwijnt hij keer op keer 
in gedachten zal hij er blijven

Heb je het nog zien staan?

Het lijkt alsof het gedicht ‘Klein Kredo’ (p. 100) een eerste stap is op weg naar poëzie, waarin het woord, het gedicht, de dichter nog duidelijker en bepalender hun intrede doen. Jan Paul Bresser bezint zich waarover, waarom en voor wie hij schrijft. Na 1984 zet deze trend zich voort, het lijkt alsof er een nieuwe poëtische wind waait: er ontstaat  een nieuwe stroom gedichten die rijper, voller en soms intenser zijn. Weliswaar begint deze nieuwe periode nog met een traditioneel sonnet, maar de zeventien korte liefdesliedjes zijn lyrisch en intens. Er staan prachtige regels in. De gedichten gaan over vrouw, kind, over de vreugden van het dagelijks leven. In het gedicht ‘Holland’ (p. 187) loopt hij met kind of kleinkind langs de zee. Het kind stelt nieuwsgierige kindervragen, schijnbaar niet existentieel, maar vragend naar de omgeving. Het leidt tot een bezinning bij de dichter: ‘…Elf jaar en al die vragen / Over dood en over leven / Sta maar stil en kijk maar even / En we zwegen en we zagen / Hoe het was en is gebleven / Waar we onze sporen vonden / Grasduinen en geestgronden.’

Jan Paul Bresser is geworden tot een dichter die niet anders kan. Als hij heeft rondgekeken en stilgestaan bij een boom, waar de lichtval hem aan opgedroogde tranen deed denken, schrijft hij een van zijn laatste gedichten.

Dan maar poëzie

Vergeet het maar. 
Hoe heet de boom ook weer 
waarop de huid zo onvoorstelbaar 
weerbarstig is op haar lichtval van 
opgedroogde tranen? 
Ik raad er niet meer naar 
zij komt altijd weer overal vandaan. 
Ik schrijf haar op, 
ik kan van haar op aan, 
dichterbij haar staan 
in de schaduw 
van o ja: een plataan.

Het zijn met name de rijpe gedichten uit zijn laatste productieve jaar, die mij tot de slotgedachte leiden, dat – met alle groot respect voor de samensteller Cor Gout, die met dit overvolle boek een liefdevol monument oprichtte voor Jan Paul Bresser – wanneer ik  een herdenkingsbundel van deze innemende, erudiete en stijlvolle schrijver zou hebben mogen samenstellen, ik voornamelijk de laatste gedichten gebundeld zou hebben in een mooi boekje dat ook typografisch van een grote schoonheid zou zijn. Ik zou daarbij zeker ook beeldend materiaal als illustratie, al of niet in contrapunt, hebben opgenomen dat door Jan Paul, die ook als beeldend kunstenaar actief was, gemaakt is, een stijlvol boekje voor een stijlvol, cultureel gevoelig mens.

Ik zou wel hetzelfde motto gebruikt hebben waarin de levenskunstenaar die Jan Paul ook was zichzelf typeert: ‘Leven moet helemaal zijn / de druppel / die de kan doet overlopen’.

Recensie van Een spiegel op uitkijk - Jo Gisekin

Een toevluchtsoord bereid

Jo Gisekin
Een spiegel op uitkijk
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552275
€ 21,99
48 blz.

De nieuwste bundel van Jo Gisekin heeft een intrigerende titel: Een spiegel op uitkijk, een titel die naar de eerste reeks gedichten verwijst. De tweede reeks werd in 1993 geschreven ter gelegenheid van de inhuldiging van de Raveelkapel in Machelen. In deze bundel treedt Gisekin in gesprek met het werk van Roger Raveel, een schilder die al vaker dichters heeft geprikkeld – ik denk aan Hugo Claus, Roland Jooris, Rutger Kopland en Bert Kooijman. In een aantal kunstwerken heeft Raveel spiegels geïntegreerd, maar of het die spiegels zijn die uitkijken, is niet duidelijk. Vroeger zag men bij vensterramen wel eens een spiegel waarmee van in de salon de straat kon worden bespied. Spiegels zijn passief en het is de gebruiker van een spiegel die uitkijkt. Ik vermoed dat Jo Gisekin naar de uitkijkende Raveel of naar zichzelf verwijst, waarbij haar gedichten de figuratieve wereld van Raveel (re)construeren, niet weerspiegelen. Zoals Rutger Kopland is ook Jo Gisekin vertrouwd met de oude regel ut pictura poesis.

Het werk van Raveel staat in felle kleuren op mijn netvlies gebrand en ik associeer zijn beelden vooral met een vereenvoudigde ‘weergave’ van de werkelijkheid, een techniek die bijna volledig congruent is met de manier waarop Roland Jooris, een van Raveels gesprekspartners, de omgeving heeft vereenvoudigd tot landschappen die uit enkele korte versregels bestaan. Op dezelfde manier is een aantal landschappen van Raveel weinig meer dan enkele contrasterende kleurenvlekken. Maar wat valt op in de symbiotische relatie van Jo Gisekins gedichten met Raveels vormentaal, en welke vorm neemt het samenleven aan? Hebben zowel de gast als de gastheer voordeel bij die relatie, of is ze vooral gunstig voor een van de symbionten? Of is er sprake van een wisselwerking die vooral de lezer ten goede komt? De bundel bevat naast de gedichten ook een aantal reproducties van Raveels schilderijen en grafiek.

Alle gedichten van de eerste cyclus hebben een titel en de versregels knopen niet alleen aan bij de afbeeldingen, ze verwijzen ook naar de grenzen van de visuele verbeelding: ‘dit kader’ (7), ‘kleurrijk blijft bij ingelijst’ (9), ‘wat ontroert wordt grijs omlijnd’ (11), ‘Met goud omlijst: // een man op de fiets in tegenlicht’ (14). De gedichten herinneren ook nog op een andere manier aan de prikkels die de woorden uit hun sluimer hebben gewekt: ‘uit het landschap gelicht geschetst op / duurzaam papier’ (14), ‘met benen dik / in de verf’ (19). De gedichten zijn zeer descriptief en peilen tegelijkertijd naar wat kleur noch woord voor eens en altijd kunnen (be)vatten. Kopland schreef vijf gedichten bij werk van Raveel – Zoals zijn beelden, 2013; Verzameld werk, 2013, 443 – 449 – waarin hij de relatie ut pictura poesis als volgt beschreef: ‘Zoals zijn beelden ergens beginnen / iets te laten zien – het kan alles zijn overal // zo wil ik dat ook gedichten beginnen ergens / iets te beschrijven’ (445). In het vierde gedicht werd dat verlangen aangescherpt: ‘Zoals zijn beelden ergens ophouden / de dingen te laten zien // zo moeten gedichten ergens ophouden / iets te beschrijven // de dingen ergens laten eindigen / voorbij de plek waar ze geschreven zijn’ (448). En precies dat gebeurt in de beschrijvende gedichten in de eerste reeks.

Het kader wordt zorgvuldig gerespecteerd en tegelijkertijd treden de woorden buiten het visuele veld. Zo eindigt ‘Dorpsmeisje in veranda’ niet met de laatste beschrijvende versregel, maar met de wens ‘Iemand moet deze treurnis aan splinters slaan / iemand die de dichter twee handen reikt’ (7). Jo Gisekins gedicht eindigt voorbij de plek waarbij ze geschreven zijn. Nu en dan valt enige assonantie op, maar doorgaans zijn de gedichten zeer sober, en vallen vooral versregels op als ‘Ze strijkt de dagelijksheid uit elke plooi’ (11) omdat ze aan het picturale werk een toegevoegde waarde verlenen. ‘De strijkster’ is geheel en al descriptief, maar in het gedicht wordt strijken een ritueel en het is de kleur van een mouw (blauw) die het ‘beloop van dit ritueel’ dirigeert ‘zoals liefde haar eigen meanders uitzet’ (11). Er wordt ook aan de muziek van Bach gerefereerd: ‘Dit is tijdloos versmelten als een cantate van Bach doodgewoon / tot aan de rand van de dag. Verdrinken met de hartslag op het / profiel en niet begerig naar meer’ (13). In deze versregels weerklinkt meermaals de korte weemoedige klank van ach. In ‘Op terugweg’, geschreven bij een man op een fiets, verwoordt de dichteres het inzicht dat het leven voorwaarts wordt geleefd en rugwaarts wordt begrepen. Jo Gisekin schrijft: ‘Zie hoe hij zichzelf inhaalt’ (14), en met die woorden vat ze de hele existentiële ervaring samen. Ook in ‘Vrouw met opsmukspiegeltje’ (19) wordt die ervaring langs een omweg verwoord. Nadat de vrouw haar wenkbrauwbogen heeft bijgewerkt en haar vingers in smeersel van sandelhout heeft gedopt, wordt haar zelfbeeld in de vrije indirecte rede verwoord: ‘Niet meer gerimpeld dan gisteren’ (19).

De sobere gedichten van de eerste reeks spreken me bijzonder aan omdat ze bijna achteloos de relatie tussen woord en beeld uitdrukken. Maar het is vooral de tweede reeks gedichten die een diepe indruk heeft nagelaten, hoewel ik helemaal niet religieus ben ingesteld. De gedichten zijn genummerd en ik citeer het tweede gedicht in extenso:

De Heer van zeven dagen
laat vruchtbaar zijn
geeft vleugelslag aan valk en
gier en haastig komen katten
in verleiding.

Ligusters wijken uit elkaar
voor man en vrouw gedreven
uit het zand. Zij leven.
Met nieuwe longen eten
zij de appels van de bomen
hun ingewanden malen alle
vezels fijn.

Zij worden met namen genoemd. Zij
schuiven rij aan rij het dranghek
uit: teder hun eerste begeerte
aanraakbaar de huid.

(p. 29)

Assonantie, alliteratie en het bijna onopvallende eindrijm geven als het ware een sacrale vorm aan dit gedicht, maar het is een apocriefe belijdenis, want waar het gedicht ophoudt, hebben de aanraakbare huid en het eten van de appels niet tot verval en verdoemenis geleid. In het volgende gedicht, dat met de versregel ‘Is dit dan Paradijs’ begint, bevestigt de schrijfster haar gehechtheid aan het tastbare: ‘ik wil niets kwijt / het lichaam noch de medeplichtigheid / ogen oren liefde veel toegankelijkheid / en weten: // uit deze beker / drink ik / wijn’ (31). De tastbaarheid is niet altijd gelijk aan een met wijn gevulde beker: in het land van Raveel, waar ook Jo Gisekin geboren is, komt de dichteres ‘Onhandig […] steeds terug / [haar] vader heeft [haar] verzen / onderbroken zijn zieken neergevlijd. / Hijzelf is dood.’  Maar ‘Aan de eindstreep van dit landschap / heb ik mijn toevluchtsoord bereid’ (33), voegt de schrijfster eraan toe. Elk leven heeft een licht- en een schaduwzijde, een inzicht dat ook in het picturale werk van Roger Raveel aanwezig is. Jo Gisekins poëtisch gesprek met het werk van Raveel is uiteindelijk toch een spiegel, vooral omdat het aan de lange weg van het verdwenen aanwezig zijn naar bewustzijn gestalte geeft.

***
Jo Gisekin (1942, Machelen aan de Leie) is het pseudoniem van Leentje Vandemeulebroecke. Ze is een kleindochter van Stijn Streuvels en debuteerde in 1969 met Een dode speelgoedvogel. Recent werk: Dooitijd (2012) en De witte pauw (2014). In haar werk treedt ze meermaals in gesprek met visuele kunst. Ze is niet alleen actief als dichter maar ook als vertaler. Haar werk wordt uitvoerig besproken in  Zo, denk ik, wordt de liefde weer nieuw, een bundel essays samengesteld door Cas Goossens.

Recensie van Goldbergvariaties - Guido De Bruyn

Een verkenning van Bachs meesterwerk in 32 gedichten

Guido De Bruyn
Goldbergvariaties
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339348
€ 19,50
64 blz.

Voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach is de gelijknamige bundel van Guido De Bruyn puur genieten. Wie minder bekend is met deze vermaarde compositie treedt een wondere wereld binnen.
De compositie, die oorspronkelijk voor klavecimbel is geschreven, opent met een langzame, melodieuze aria, gevolgd door dertig variaties en wordt afgesloten met dezelfde aria. In de variaties verkent Bach de grenzen van het contrapunt, de belangrijkste compositietechniek van zijn tijd. Het verhaal wil, dat Bach dit stuk schreef op verzoek van een Russische gezant in Saksen die aan slapeloosheid leed. Zijn huismusicus, Johann Gottlieb Goldberg geheten, moest met het spelen van deze muziek zijn slapeloze nachten verlichten.
De Goldbergvariaties vormen een buitengewoon complex werk, dat velen geïntrigeerd en geïnspireerd heeft. Ook De Bruyn weet zich al lang geraakt door deze compositie, zo valt uit het nawoord af te leiden. De begeleidende tekst vermeldt, dat hij ‘deze reeks gedichten naar Bachs Goldbergvariaties [schreef], zonder dat ze daar een adaptatie van willen/kunnen zijn. Wel verkennen ze een aantal muzikale technieken, in een poging poëzie de allure mee te geven van een allegro, de snit van een sarabande, de cadans van een walsje in mineur.’
De vorm van de gedichten loopt sterk uiteen. De opening van de bundel volgt de eenvoud van de openingsaria van Bach.

aria

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als alibi
alibi cantabile voor verdriet
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

een aria als spitsboog
hoge vlucht in een verborgen taal
in de eerste stapsteen ligt
de sluitsteen van een kathedraal

een aria als dans
op de stapstenen van een lied
de speeldoos van een sarabande
begint en eindigt niet

Kunstig hoe De Bruyn hier het herhalingselement hanteert, om de luisterervaring weer te geven. Ook met de alliteratie aria/alibi, die zich voortzet in het klankspel alibi/cantabile worden muzikale elementen in de tekst gebracht. Maar net zoals iemand die naar de Goldbergvariaties luistert direct na de aria wordt opgeschrikt door een snelle en complexe eerste variatie, zo krijgt de lezer op de volgende bladzijden de meeste uiteenlopende vormen en stijlen te zien.
Variatie I vertelt over ‘een snuifdoos van honderd Louis d’Or’ die Bach ontvangen zou hebben voor zijn compositie: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig kreeg hij die. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt. / In ze-ven-tien-een-en-veer-tig naar verluidt en zij het wel.’ De in lettergrepen gebroken woorden lijken een echo van de herhaalde snelle loopjes in de muziek. ‘Kreeg de jonge Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf / dan ook goud?’ Variatie II borduurt hierop voort, met herhalingen en uitbreidingen: ‘Zij het wel en naar verluidt kreeg Johann Gottlieb Goldberg / kla-ve-cim-bel-spe-ler-in-de-slaap-ka-mer-van-de-sla-pe-lo-ze-graaf-die-voor-zijn-o- / pen-ven-ster-raam-bleef-staan-en-naar-de-voor-bij-e-eeu-wen-geeuw-de- / alleen een achternaam, / zij het wel een achternaam van goud.’ Mooie vondst, om het goud uit de naam van Goldberg zo op zijn plaats te laten vallen. Gelukkig blijft Glenn Gould buiten beschouwing. Maar de toon is gezet. De Bruyn probeert ons in zijn dertig variaties alle hoeken en gaten van de taal te laten zien, net zoals Bach in zijn variaties de uiterste mogelijkheden van het contrapunt onderzocht.

In zijn nawoord heeft De Bruyn het gedicht ‘t Er viel ‘ne keer’ opgenomen, de lyrische ontboezeming die Gezelle schreef daags nadat hij op het Klein Seminarie van Roeselare een uitvoering van het septet van Beethoven had beluisterd. De suggestie blijft impliciet: zoals Gezelle geraakt en geïnspireerd werd door Beethovens septet, zo werd de huidige Guido geraakt en geïnspireerd door Bachs Goldbergvariaties. Toch houdt de vergelijking verder snel op. We kunnen ons geen tijd zonder radio of cd’s meer voorstellen. De indruk, die een blaaskwintet op de argeloze luisteraar gemaakt moet hebben, de rijkdom van klank, de harmonieën! En waar Gezelle de volgende dag een uiterst modern gedicht over een blaadje dat op het water viel schreef, met de telkens terugkerende korte regel ‘het water’, schreef De Bruyn een uiterst bestudeerde en afgewogen compositie van maar liefst 32 gedichten. Hij streefde er daarbij naar, om in navolging van Gezelle en van Van Ostaijen, de muzikale elementen van de taal ten volle te benutten, door middel van herhalingen, citaten en het –evenals Bach– door elkaar vlechten van verschillende thema’s.

VIII

Een sarabande is een dans
zoals bekend
Een trage dans
ten tijde van Bach

Een ingetogen dans
een sarabandedans
Een naar binnen gekeerde dans
bij Bach althans

Een dans als een trap die naar beneden leidt
en halverwege
weer naar boven leidt, even ingetogen, naar binnen gekeerd
als naar beneden

Een spiegeldans
zoals bekend
Een trage, ingetogen, naar binnen gekeerde
sarabandedans

Een dans op de cadans
van dood en leven
Bij Bach althans
halverwege

Deze variatie, met zijn nadrukkelijke typografie, bevat vrijwel dezelfde tekst als variatie VI. De eerste vijf vetgedrukte regels zijn zelfs identiek aan de eerste regels van variatie VI. Alleen de toevoegingen ‘bij Bach althans’ en ‘ten tijde van Bach’ zijn nieuw in variatie VIII. In de tussenliggende variatie VII wordt een belangrijk thema geïntroduceerd: de dood van Bachs vierde zoon, Johann Gottfried Bernhard (1715-1739), die twee jaar voor de publicatie van de Goldbergvariaties op 24-jarige leeftijd overleed. Deze zoon komt in meerdere gedichten terug, evenals het verdriet van zijn vader, dat de bron van deze muziek zou zijn geweest. ‘Oneindig diep te wachten ligt / wat niet wordt uitgesproken’ (VII). Om dit gevoel te onderstrepen weeft De Bruyn teksten uit andere composities van Bach door zijn gedichten heen, zoals een koraal uit de Matthäus Passion in variatie X: ‘Wenn ich einmal soll scheiden / So scheide nicht von mir / Wenn ich den Tod soll leiden / So tritt Du dann herfür’ en de beroemde aria uit cantate 82 in variatie XXX: schlummert ein / ihr matten Augen fallet sanft und selig zu / Welt, ich bleibe nicht mehr hier, / Hab ich doch kein Teil an dir’. De dood van Johann Gottfried Bernhard in dit verband is een interessant thema, dat in de meeste teksten over de Goldbergvariaties, die ik rond het lezen van de bundel en het schrijven van deze recensie heb geraadpleegd, ontbreekt. Ik kwam het voor het eerst tegen in de roman Contrapunt (2008), het boek waarin Anna Enquist schrijft over het leven en de ontijdige dood van haar dochter, tegen de achtergrond van het instuderen van Bachs Goldbergvariaties door de moeder.
In de roman van Enquist is er een sterke relatie tussen de inhoud van elk hoofdstuk, dat een episode uit het leven van haar dochter beschrijft, en de sfeer van de overeenkomstige variatie van Bach. In de bundel van De Bruyn is deze samenhang veel minder sterk aanwezig. Zo valt bijvoorbeeld een groot contrast op tussen de virtuoos snelle 8e variatie van Bach, en de ingetogen, gedragen tekst van het hierboven afgedrukte gedicht van De Bruyn. Dit past bij zijn eerder geciteerde uitgangspunt dat de tekst geen adaptatie van de muziek wil zijn. Maar het bevreemdt soms ook, vanwege het nauwkeurige schema van de Goldbergvariaties op p.52 en het schema van zijn eigen bundel op de tegenoverliggende pagina. Het meest extreem zien we dit verschil bij variatie XVII. Deze opent bij Bach met een snel stijgend basmotief. De Bruyn schrijft echter in zijn 17e variatie: ‘wie laat van in de wieg van dit voorlopig leven / wie laat de basso ostinato dalen / naar de tweede noot / In nomine Jesu.
De woorden ‘In nomine Jesu’ komen bijna twintig keer voor in variatie XVII. Gods aanwezigheid was nog een vanzelfsprekendheid. De Bruyn schetst voor ons de stilte in de wereld van Bach van voor de oerknal: ‘In ze-ven-tien-een-en-veer-tig was van de snuifdoos / van het heelal gewoon geen sprake, althans / niet bij Bach, bovenal niet // bij Bach, / laat staan van het uitdijende heelal. / Van de snuifdoos van het heelal, // de eerste knal, / de oerknal / bovenal’ (XIII). Variatie XIV vervolgt: ‘Van God daarentegen. / Daarentegen van God ten tijde van Bach. / Van de God van Luther ten tijde van Bach daarentegen, / van de God in de ogen van Bach / was sprake bovenal.’ Door de formulering ‘de God in de ogen van Bach’ worden aan de componist goddelijke krachten toegedicht.

Beste lezer, het mag inmiddels duidelijk zijn: de hier besproken Goldbergvariaties van Guido De Bruyn vormen, in navolging van hun muzikale inspiratiebron, een complexe compositie. Er is veel wat binnen het bestek van deze recensie onbesproken moet blijven. Misschien moeten we de bundel als een partituur beschouwen, waarvan de muzikale elementen pas in een voordracht volledig tot hun recht komen. Anderzijds kunnen we pas bij lezen en herlezen oog krijgen voor de vele verbanden. Een absolute aanrader voor de liefhebbers van de Goldbergvariaties van Bach. En mogelijk een eyeopener voor poëzieliefhebbers die nog minder bekend zijn met dit meesterwerk.

XXV

kent gij de één-mi-nuut-stil-te-man?
hij gaat van dorp tot dorp, en vraagt
één minuut stilte
op het midden van elk plein.

is het voor de doden, fluisteren ze, en hij legt
een vinger op zijn mond. dus zwijgen ze.
nooit komen ze te weten
van zestig seconden het waarom.

***
De omslag van de bundel heeft een sobere vormgeving: volledig wit met in reliëf slechts onder elkaar de woorden GOLDBERG en VARIATIES. Omdat dit op een foto nauwelijks overkomt, is ervoor gekozen de titelpagina en de schematische weergave van de bundel van de hand van de auteur (p.53) bij deze recensie af te drukken.

Luistertips: makkelijk terug te vinden op Spotify zijn de uitvoeringen van Bachs Goldbergvariaties door Johanna MacGregor en Mia Chung , om twee van mijn favorieten te noemen. Ook Glenn Gould is hier terug te luisteren, op een album waarbij zijn eerste (1955) en laatste (1981) opname zijn samengevoegd. Heel toegankelijk is de uitvoering van Ivo Janssen, die tegenwoordig zelfs gratis bij Contrapunt van Anna Enquist wordt geleverd.

***
Guido De Bruyn (Asse, 1955) won in 2012 en 2014 de poëzieprijs CC Boontje, was eerder ook tweemaal laureaat van de Klara-poëzieprijs en werd bekroond als verhalenschrijver. Bij Uitgeverij P verschenen in 2004 zijn debuutbundel Het achterwerk van het geluk, in 2006 zijn bijzondere vertaling/bewerking van Shakespeares Sonnetten, in 2007 het voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Het huis Augustus, in 2010 Een steen in Lissabon, in 2011 Apenverdriet en Blakte in 2014.