Recensie van Opsnuiven - Emma Crebolder

Een snuffelstage

Emma Crebolder
Opsnuiven
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2018
ISBN 9789046823453
€ 19,99
59 blz.

Piet Vroon, ooit hoogleraar in de psychologie, schreef over de invloed van geur op het menselijk handelen. Ons gedrag werd volgens hem op grond van wetenschappelijk onderzoek onbewust bepaald door geuren die we niet eens ruiken. Bij het lezen van de bundel Opsnuiven, moest ik denken aan de hooggeleerde, want alle verzen gaan over geur en roepen bij de lezer geursensaties op in allerlei gradaties. Gedichten met observaties, maar bovenal met geurervaringen in alle mogelijke perioden in het leven en plaatsen.

De uitgave ziet er bijzonder fraai uit met op de omslag twee merkwaardige voorwerpen die hoornen snuifflesjes blijken te zijn. Op alle oneven pagina’s staan de gedichten. De even pagina’s zijn steeds grijs met een kronkelende stippellijn. Naarmate de lezer vordert in de bundel wordt dat steeds meer lijnenspel. Midden in de bundel is de bladzij flink belijnd en naar het einde toen wordt dat steeds minder om te eindigen zoals het de bundel begon. Voor mijn gevoel staat die stippellijn symbool voor geur. In het dagelijks leven neem je een geur vaak eerst vaag waar en wordt die steeds sterker en later zwakt dat af of merk je het niet eens meer. Zoals je de geur van je eigen huis niet meer ruikt, behalve als je terugkomt van vakantie.

Op de rechterbladzijden staan vijfentwintig tienregelige gedichten. Crebolder lijkt een voorkeur voor het getal tien te hebben, want in een andere bundel trof ik hetzelfde aantal regels aan. Eindrijm ontbreekt consequent. Wel wordt veelvuldig gebruik gemaakt van alliteratie en assonantie, zij het niet overmatig:  ‘(…. ) Zijn uitwerpsel rook / naar ingedikt gras, was nog nat. / Een pad. Hij zocht het waterspoor / als eens de salamanders. /’; ‘Eerst door de vallei van rode / aarde waar de ezels maïsstoppels / vermalen. Daar (…)’. Datzelfde zie je in het volgende gedicht:

Van binnen en van buiten werd
de ark met aardpek bestreken.
Nog borrelden gassen toen
wij in biezen dreven. De reuk
was er van voortijd, van vloeiend
en brandbaar ontginnen.

Later stond op het erf
een kuip met pikzwart pek.
Het hout van de schuur moest
geteerd, op drijven voorbereid.

In dit vers twee strofes; de witregel markeert een overgang in tijd. In de eerste strofe verwijzingen naar Genesis, Noach die zijn ark bouwt en om waterdichtheid te garanderen de naden tussen de huidplanken insmeert met pek en Mozes die in de Nijl ronddobbert in een biezenmandje dat op dezelfde wijze het water buiten houdt.
Om hout te conserveren werd vroeger meestal teer, ook wel pek genoemd, gebruikt. De dichteres verbindt de verhalen uit de Bijbel met waarneming van de vertrouwde geur van de schuur uit haar jeugd. Het is wel humoristisch, want de schuur hoeft natuurlijk niet te drijven, maar moet wel bestand zijn tegen de tand des tijds. Jammer dat in de laatste regel ‘worden’ ontbreekt.

Ruiken is vooraf aan geluid
en witte schemer diep in
onze hersenstam gedreven.
Soms ontwaken de geuren
van meconium en biest die
de boreling omvingen. Odeur
ontwaren van darmpek en
moedervocht is woordeloze
taal ontginnen die
uitweg zoekt in poëzie.

Ditmaal geen verdeling, maar tien aaneengesloten regels. Een verwijzing naar de hersenstam waar het geurgeheugen zich bevindt. De geur van meconium, de eerste ontlasting van een baby, ook wel aardpek genoemd en biest, de eerste moedermelk. De herinneringen moet de dichteres onder woorden brengen. Hier zit de moeilijkheid, want geuren laten zich moeilijk in woorden vangen. Voor waarnemingen van andere zintuigen zijn volop woorden, maar bij geuren ontbreken ze. Een schone taak voor een dichter, want hij zal de grenzen van de taal moeten opzoeken en het onmogelijke onder woorden brengen.

Opsnuiven is een evenwichtig opgebouwde bundel met toegankelijke poëzie die oude tijden laat herleven. Eigenlijk komen alle romantische motieven voor: het verleden, verre vreemde oorden, de natuur, nostalgie. Ik betrapte me erop dat ik me meer bewust geworden ben van de geuren om me heen, een sensatie die ik toch een beetje verwaarloosde. Een compliment voor de dichteres als je door woorden iemand aan het ruiken kan krijgen.

***
Emma Crebolder (1942) publiceerde in literaire tijdschriften als De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Van Hollands Maandblad is zij sinds 1994 vaste medewerker. Eerder verschenen onder andere de bundels: Zwerftaal (1995), Toegift (2006), Vergeten (2010), Vallen (2012) en Verzoenen (2014).

Recensie van Nachtwaken - Theo Mestrum

Geen dichter zegt waar het op staat

Theo Mestrum
Nachtwaken
Uitgever: U2pi
2018
ISBN 9789087597399
€ 15,00
130 blz.

Theo Mestrum begon tijdens zijn studie (psychologie) met het schrijven van gedichten. ‘Dichters willen de tijd bevriezen. Ze dromen over klokken die zó langzaam tikken dat ze nooit stilvallen. Toch zou er geen regel meer op papier komen als de mens onsterfelijk was, want eeuwig leven is dodelijk voor de inspiratie.’ Van mooischrijverij, hoe virtuoos ook, moet Mestrum niets hebben. ‘Taal is een schromelijk overschat instrument. Literatuur is niets anders dan het slaken van gecultiveerde kreten, die hopelijk ook nog een boodschap overbrengen.’ NACHTWAKEN is voornamelijk in de kleine uurtjes ontstaan. Menig ochtendgloren was de afsluiting van een avondje inspiratie. Uiteraard is Mestrum, net als andere schrijvers, door zijn collega’s beïnvloed en daar schaamt hij zich niet voor. Sterker nog, hij ervaart dat vaak als weldadig. Toch heeft hij de meeste van zijn ingevingen gekregen tijdens het luisteren naar muziek. Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner, Satie en Glass, zonder hen zou deze bundel er niet zijn gekomen.

Wie zich een dergelijke tekst op de achterzijde van zijn bundel laat welgevallen, wekt de indruk vooral zichzelf niet al te serieus te willen nemen en zijn werk nog minder. Een dichter die taal een schromelijk overschat instrument noemt, is als een dirigent die zich toelegt op het neuspeuteren, maar zich intussen ergert aan de kakofonie die door zijn orkest wordt voortgebracht. Wie vervolgens in dezelfde adem pretendeert dat zijn teksten hem zijn ingegeven door een keur van klassieke composities tijdens een reeks van nachtelijk doorhalen, portretteert zichzelf daarmee voor alles als gemakzuchtig.

Met de 130 pagina’s dikke bundel Nachtwaken geeft de dichter zijn visitekaartje af en toont een staalkaart van zijn kunnen, waarvan met name beginnende dichters het een en ander kunnen opsteken: banaliteiten (“Jij wil naar de duinen en ik wil / alleen maar op jouw duinen” (p. 12)), rijmdwang (“Hij glimlacht, want haar inzicht heeft hem nooit bedrogen. / Ze streelt hem en ze kijkt hem aan vol mededogen” (p. 21)), bombast (“Op het stalen geraamte van mijn herinnering, / dat haar verzengende oerkracht overleefde, / steunt mijn inspiratie en blijf ik overeind.” (p. 23)), jalousie de métier (“Tachtigers / Het was een generatie / van jonge dichters / die met hun hulpeloze lyriek / schreven als ouwe lullen.” (p. 41)), onbedoelde humor (“dat ieder woord een synoniem is / voor ‘hulpelozer, steeds hulpelozer’.” (p. 43)), mislukte evergreen (“Amsterdam, mijn schat van een stad. / Ik mijmer in je regen, / droom langs je straten, / sta stil op je bruggen / en vrij met je grachten. / Amsterdam, ik word je nooit zat.” (p. 81)), pathos (“met haar lichaam van kristal / op blote voeten schaatsen over de regenboog” (p. 109)) en geborneerde onheilsprofetie (“En als de bom dan valt, staan wij vol ongeloof / te staren naar de resten van de hemelpoort.” (p. 121).

Mijn grootste bezwaar tegen deze teksten, los van de ambachtelijke zwakheden en de overvloedige pathetische romantiek, is dat de dichter vooral wil beschrijven hoe het zit. Een dichter is geen aforist en als hij dat wel probeert te zijn, is hij simpelweg te lang van stof.

Tegelijkertijd toont zich daarin de tragiek van iemand die vooral de ontoereikendheid van zijn taal keer op keer lijkt te ervaren en daarvan niet zijn eigen kunnen, maar de taal als schuldige wil aanwijzen. In poëzie gaat het niet om waar of onwaar of om zeggen waar het op staat. Alleen een gedicht dat voldoende suggestief is, maar nergens specifiek, houdt de aandacht van de lezer vast en doet hem terugkeren, vastbesloten om het raadsel op te lossen maar tegelijkertijd in de prettige zekerheid dat de code zich niet laat kraken.

Ik laat de laatste woorden aan de dichter en de lezer. Oordeelt u vooral zelf.

Nooit meer zingen

De langgevreesde dag is eindelijk gekomen.
Haar kist glijdt langzaam aan de rouwenden voorbij.
De Aarde wacht reeds met een bedje in de klei.
Het is veel erger dan in al die kwade dromen.

Men huilt. Maar voor de tranen droog zijn, breekt de stoet.
Hoe wreed herneemt de alledaagsheid weer haar loop.
Herinneringen staan al in de uitverkoop,
maar niemand weet precies waar hij ze zetten moet.

Van vroeger wordt alleen ellende teruggegeven.
En wat men mist, dat zijn vooral de mooie dingen
die nooit gebeurd zijn en toch eeuwig blijven leven.

Al kan de fantasie het afscheid niet bedwingen,
wanneer op tijd de zon gaat schijnen, daagt het even:
de vogels fluiten wel, maar zullen nooit meer zingen.

(p. 119)

Hoe

Hoe ze vanuit de zee het strand opliep.
Hoe ze op het strand naar een bal liep.
Hoe ze de bal oppakte.
Hoe ze met de bal naar de duinen liep.
Hoe ze in de duinen naar mij liep.
Hoe ze mij oppakte.
Hoe ze met mij naar het strand liep.
Hoe ze van het strand de zee inliep.

(p. 61)

Weduwnaar

Ik zal geen tijd hebben
haar leven te overdenken.
Ik zal geen ruimte vinden
voor de leegte die zij achterlaat.
Ik zal geen gezelschap krijgen
om haar herinnering mee te delen.
Ik zal te weinig vrees hebben
voor de angst haar te missen.
Ik zal genoeg dood bezitten
om er zonder haar niet meer te zijn.

(p. 29)

***
Theo Mestrum (1956) groeide op in Amstelveen. Hij schrijft aforismen (Kleren voor de keizer (1997) en Alleen maar kijken (2017)) en gedichten.

Recensie van De schoonspringer - Jos van Daanen

Sprong in het diepe

Jos van Daanen
De schoonspringer
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659869
€ 17,50
72 blz.

Het getuigt van enige durf om te willen debuteren met één lang gedicht. Het schrijven van zeer lange gedichten is sowieso een geheel andere tak van sport dan het maken van kortere verzen. Veel meer dan bij de korte baan komt het aan op uithoudingsvermogen en – vooral – op dosering. Teveel geconcentreerde taal en de lezer leest zich vast, te weinig en je verliest de lezer boven de oppervlakte.

Het gedicht De schoonspringer van Jos van Daanen beschrijft de val, nee de sprong, van de hoofdpersoon, de schoonspringer, van een flatgebouw van 23 verdiepingen, waarbij ‘de film van zijn leven’ aan hemzelf, maar ook aan het hooggeëerd publiek, de jury, de lezers, wordt getoond.
Op iedere verdieping van het gebouw huist een wezen of een groep mensen, van waaruit gereflecteerd wordt op de springer en vice versa. Tussendoor klinkt commentaar van de coach.
Waarom 23 verdiepingen? Of, wanneer je het dak mag meetellen, 24? Ik weet het niet. Hoewel ik, gezien het gegeven, al vrij snel aan Dante’s Divina commedia moest denken, vind ik diens getallensymboliek (3x(3×3)) hier niet terug. Hier is ook geen dichter aan het woord die uitzicht heeft op de hoogste hemelen, maar eerder een mens die door zijn taal heen naar de verdommenis valt. Op een bepaald punt heeft de reeks nog het meest weg van een top-23 in de hit parade of self interest (uit: ‘Twelfth Night’ van The Collector).
Een tweede dwarsverband leidt naar The lamb lies down on Broadway van de symfonische rockgroep Genesis, waarin de protagonist na een tocht door boven-, tussen- en onderwereld uiteindelijk zichzelf in het gezicht kijkt.
Ook The Wall van Pink Floyd komen we nog tegen (op p. 33). Uiteraard loopt het allemaal slecht af:
Hij heeft geen woorden meer voor het bestaan en de woorden die hij had, hebben hem gewetenloos bedrogen.’ (p. 34)

Aangezien het citeren van enkele fragmenten naar mijn mening onrecht zou doen aan het hele werk, heb ik gekozen voor een groot citaat van een gehele pagina (inclusief de bijbehorende verwijzingen):

De doorgronder van natuurlijke principes

Hier heerst de stinkende bek van de wolf
die kevlar draagt onder zijn pels, zijn macht
zit niet in zijn tanden, maar in zijn vermogen
geruisloos te zijn en van lange adem
hij zet zijn poten behoedzaam in elke ondergrond die de sporen van zijn prooi
bevat, het veld vol paardenbloemen, de bosgrond, het mos, het gemeenteplantsoen,
de goot en het beton dat mensen in hokjes gevangen houdt.

De wolf maakt geen fouten, hij bespiedt je vanuit het bos, schept voorwaarden totdat
zijn prooi zichzelf heeft uitgeput, niet wetend dat de wolf hem op de hielen zat.
De wolf zit niet op elf, daar slaat hij de kadavers op die hij op twaalf al heeft
buitgemaakt en verorberd.
Op elf wonen de gieren en de hyena’s, de vliegen en maden
die het smerige werkje afmaken.
Het is legaal en valt binnen de mazen van elke
natuurwet.

Babadibap
I wandered lonely as a cloud
‘till I came upon this dirty street
I’ve never seen a stranger crowd
Slubberdegullions on squeaky feet…

Zo klinkt hij ongeveer
als hij langs de tiende vliegt
eenzaam dwalend als een wolkje
witte stof die voor het semipermeabele venster hangt
geblindeerd met toga’s en beffen.
Hij snuift diep, voelt licht in zijn hoofd
lijkt even in paniek te raken
herpakt zich om door de blindering
een blik te werpen in de woning
waar recht gesproken wordt
wat krom geworden was.

p.26

De onderstreepte woorden in bovenstaande passage werken als een soort hyperlink op papier, en verwijzen naar teksten die verderop in de bundel zijn opgenomen:

(1) bij ‘twaalf’:

Herinnering aan een verloren bos

Ik mis de lach van de katanflaat
het gepiep van de grop en het
minutenlange kloppen van de
roodgestreepte vromerwiep

vroeger was het grandulomeer
nog zuiver en vrij van spet, of
molodontale algenmestborij
onder het marmeren oppervlak

hard zijn nu de stenen die ik uit
en de woorden die ik pleng bij
de blik op de afgegraven grond
die boven blauwe luchten hangt
wat is verloren, komt niet in tweevoud
weer, noch in vreugde of geluk over
wat verworven is in wanhoop, en
dromen van chaos in de ochtend.

p.55

(2) bij ‘elf’:

Aan de straat staan de brokken van een muur met tatoeages
die twee buren van elkaar gescheiden hielden
vanwege een verhuizing klaar om als vuil te worden afgevoerd.
Passanten van heinde en ver kijken toe of het waar is
of de barrière werkelijk geslecht is, of er vrede heerst
harmonie, stilte en rust, dringen van een kant het beeld in
om na korte tijd weer om te draaien, hoofd tussen de schouders
staart tussen de benen. In de verte, in de bocht
waar de stoepen wegkijken, zien zij de gevels
bijeen kruipen, hechten tot iets wat doodloopt als een muur.

p.56

(3) bij ‘waar recht gesproken wordt / wat krom geworden was’:

Voorbij
de overvloed

Uit de laatste peilingen is gebleken
dat taal een schaars goed geworden is;
woorden zijn sterk in prijs gestegen
en boze tongen beweren dat gebruikers
aan het hamsteren zullen slaan.
De overheid denkt aan maatregelen
maar kan zonder tekst
geen rapport uitbrengen.
Men zoekt nu een oplossing
in het slopen en hergebruiken
van verouderde wetten.

p.57

In een interview uit 2013 (met Antoinette Sisto in Meander) zei Van Daanen: ‘Poëzie moet voelen als liggend op de wind luisteren naar de woorden die je aan je eigen ademhaling kunt onttrekken.’ Dat veronderstelt een meer lyrische toets dan in De schoonspringer veelal wordt gevonden. Steeds worden tekstgedeelten met afbrekingen en witregels na verloop van tijd afgewisseld met lange doorlopende regels in de proza-doctrine, waarin de beschouwende toon de overhand heeft.

De schoonspringer is minder een compositie dan een improvisatie en dat is tegelijkertijd zijn zwakte en zijn kracht. Ieder kunstwerk is immers een mislukte poging tot het volmaakte, dat bovendien bij publicatie door zijn maker is verlaten. In de taal tussen afsprong van de 23e en doodklap op de begane grond schieten de woorden als vangarmen de werkelijkheid van heden en verleden in, waarbij de gelegde verbanden even als bliksemstralen aan de hemel oplichten, maar kort daarna weer door andere vormen worden vervangen. Het gedicht als eenmalige mindmap van associaties is een keuze, een gevolg van de kijk van de dichter op de wereld om hem heen. Tegelijkertijd toont deze keuze ook de onmacht (of onwil) aan om deze vormen en structuren te tonen in een groter verband, een wereldkaart of desnoods een doolhof met lachspiegels.
Op veel plaatsen haakt de taal van hij de dichter niet voldoende krachtig en overtuigend in die van mij de lezer om de opgetrokken bouwwerken langer te laten beklijven dan een tijdelijke nederzetting. Uiteraard is het niet nodig om een 21e-eeuwse evenknie te geven van Dante’s who’s who van de 13e eeuw, maar bijvoorbeeld van het optreden van de politiek, de banken en de grootbedrijven (p. 33) zou meer gemaakt kunnen, ja moeten worden dan een min of meer verplicht nummer in de aftelsom van de aversies.

De vorm van het gedicht past eigenlijk niet in een papieren bundel. De grondvorm is een tekst met hyperlinks, waarmee tijdens het lezen van het grotere geheel de dichter via een terzijde de lezer in het oor fluistert. Het via een indexering bij wijze van voetnoot verwijzen naar deze flankerende gedichten is een kunstgreep, die niet zonder verlies van de extra dimensie gerealiseerd kon worden. Het was eenvoudig geweest om een hypertext-variant op een kleine platte USB mee te leveren.

***
Jos van Daanen (Kerkrade, 1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. In 1988 debuteerde hij als dichter in Maatstaf en er volgden tot 1992 meer publicaties in De Tweede Ronde, Preludium en Letterlik. Vanaf 2011 publiceerde hij vele gedichten in tijdschriften zoals Op Ruwe Planken, Gierik/NVT, Meandermagazine, Deus ex Machina, Krakatau. Een deel van die gedichten werd in 2016 door uitgeverij Kleinood & Grootzeer gebundeld in de bibliofiele uitgave Tot er woorden waren, waren we nietsDe Schoonspringer beschouwt hij als zijn officiële debuut.

Recensie van Ik en het gedicht - Jeanet van Omme

Over beginnen, twijfelen, schrappen en herschrijven

Jeanet van Omme
Ik en het gedicht
Uitgever: Schrijfatelier Uitgeverij
2018
ISBN 9789082292213
€ 24
120 blz.

Jeanet van Omme is schrijfdocent en richtte in 2001 het Schrijfatelier op. In 2014 schreef zij De Aap en het Alfabet, een bundel van 26 columns over de lespraktijk van het Schrijfatelier. Ik en het gedicht is haar tweede uitgave, inmiddels ondergebracht bij Schrijfatelier Uitgeverij, dat zij oprichtte uit de behoefte om haar vakinhoudelijke ervaring vast te leggen en uit te dragen. In de inleiding schrijft ze dat dit boek ‘is geschreven voor alle poëzieliefhebbers’, zowel docenten, dichters als lezers.
Het boek bevat gesprekken met de dichters Sasja Janssen, Floor Buschenhenke en Anne van Amstel, die allen ook als docent betrokken zijn bij het Schrijfatelier. Van Omme legde hen ieder vier vragen voor, waarop zij steeds reageerden met een eigen gedicht. ‘Hoe begin je een gedicht?’, ‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’ en tot slot: ‘Hoe ga je om met reacties uit de buitenwereld?’
Het boek is mooi uitgegeven, met een intrigerende voorkant. De titel ‘Ik en het gedicht’ is ontstaan als stiftgedicht uit de zin ‘Ik begin, twijfel, schrap en herschrijf tot het gedicht af is’. Een leuke binnenkomer. Na een enthousiaste inleiding van Bas Kwakman, directeur Poetry International, volgt een tweede inleiding van Jeanet van Omme zelf. Daarin vertelt ze niet alleen over de achtergrond en opzet van het boek, maar presenteert ze ook de belangrijkste conclusies, gelardeerd met fragmenten uit de gesprekken. Eigenlijk een soort samenvatting vooraf. Dit komt een beetje dubbelop of prematuur over. De stappen die iedere dichter zet om tot een nieuw gedicht te komen zijn: ‘Maak tijd en val stil’, ‘Ontwikkel een schrijversoog’, ‘Zet het gedicht op eigen benen’, ‘Geef taal de hoofdrol’ en ‘Vertrouw de lezer’.
Drie dichters en vier vragen levert dus twaalf hoofdstukken op. Elk hoofdstuk opent met een gedicht van de betreffende dichter, dat bij de vraag betrokken wordt. Opmerkelijk is, dat de dichters telkens zelf het gesprek beginnen. Vervolgens babbelt Van Omme wat mee, stelt wat voorzichtige vragen zonder ooit kritisch te worden. Elk gesprek eindigt met een schrijfopdracht en leestips. De leestips zijn interessant, en laten iets van de bagage van de betrokken dichters zien. De schrijfopdracht is vaak direct uit het gesprek afgeleid, en komt dan neer op ‘probeer wat ik gedaan heb zelf ook een keer te doen’.
Als dichter en lezer was ik het meest geïnteresseerd in het hoofdstuk ‘Herschrijven’. Anne van Amstel kiest voor haar gedicht ‘Hoop’ uit Geef me nu ik wil (2016), en presenteert daarbij een oerversie uit 2010. De twee versies verschillen sterk: geen regel is hetzelfde. Van Amstel had het gedicht terzijde gelegd na kritiek van collega’s. Een paar jaar later blies ze het nieuw leven in, omdat de gedachte over de kwetsbare hertshoornvaren goed paste bij de cyclus in haar nieuwe bundel. In het gesprek gaat ze vooral in op de inhoud van het gedicht, en minder op het specifieke proces van het herschrijven.
Het hoofdstuk van Sasja Janssen over herschrijven is een stuk lastiger. Ze vertelt, dat ze het gedicht ‘Flatterzunge’ schreef toen ze hoorde dat ze kanker had. Van Omme: “Heb je de kanker bewust weer uit het gedicht gehaald?” Janssen: “Ik vind het een mooi woord, kanker. Jammer dat het er niet meer in staat. (…)” Van Omme: “Waarom ging het eruit?” Janssen: “Het gedicht dicteert waar het over gaat. Er komen zinnen en die gaan die kant op. Die volg ik dan. Dan stroomt het. Het ging me niet meer om de ziekte, het ging om het uitverkoren zijn.” Als dichter en lezer heb ik hier heel weinig aan. De volgende vragen/opmerkingen van Van Omme leiden niet echt tot meer duidelijkheid over het schrijven: “Het gedicht heeft de jij-vorm”, “Hoe kwam je op die Flatterzunge?”, “Je legt het nergens uit. Je dóet het gewoon.” Nergens een zweem van kritiek of confrontatie. Terwijl toch de volgende uitspraak van Janssen bij mij veel vragen oproept: “Ik wilde iets doen met het feit dat ik kanker kreeg. Ik begon met het gouden kalf. Via het beeld van een messias kwam ik daarop.” Messias en uitverkoren, die snap ik nog wel. Maar het gouden kalf? Dat is toch een heel ander verhaal? Dat afgodsbeeld uit het Oude Testament heeft niets met uitverkoren zijn te maken, noch met de messias, behalve dat het beide Bijbelse begrippen zijn.
Floor Buschenhenke maakt het nog bonter. Over haar gedicht ‘Niet gebruiken in geval van nood’ zegt ze: “Van gedicht 1 naar gedicht 2 was best een heftige herschrijving. Het moest over geloof in verhalen gaan en het moest eindigen met: iedereen gaat dood. Want dat is nu eenmaal zo. (…) ‘De lift steigert als een angstig paard’ – dat is nogal een beeld. Nu ik het zo overlees, zou ik de lift eruit halen. Ik zou ‘m schrappen.” Van Omme: “Wat moet er dan steigeren als een paard?” FB: “Niks.” Van Omme: “Gewoon het paard zelf?” FB: “Ja. De enige reden dat die lift erin staat, is dat die in de vorige versie stond. (…) Ik vind die lift overbodig. Totaal overbodig.” Van Omme: “Dit wordt heet-van-de-naald-herschrijven!” Ik deel Van Ommes enthousiasme niet. Sterker nog: ik voel me als lezer opgelicht. Het is precies wat ik vaker ervaar bij een bepaald soort moderne associatieve poëzie. Het komt allemaal zo willekeurig over. Blijkbaar is er door de dichter zo slecht nagedacht over dit gedicht, dat alleen al door erover te praten (Van Omme stelt zich geenszins op als kritische redacteur) er bij Buschenhenke de behoefte ontstaat het gedicht volledig op de schop te gooien. Op zich niets mis mee, maar ik begrijp niet waarom je dit gesprek dan toch in het boek opneemt, in plaats van met een beter voorbeeld te komen van een herschrijving.

Met deze kritisch besproken voorbeelden wil ik niet zeggen, dat Ik en het gedicht geen aardig boek is om te lezen. Zeker voor beginnende dichters staan er veel interessante overwegingen en nuttige aanwijzingen in. We krijgen een levendig beeld van het schrijfproces, met soms interessante achtergronden bij de gepresenteerde gedichten. In de gesprekken en tips is weinig aandacht voor techniek (metrum, assonantie, vorm). Misschien hangt dit samen met de keuze van de geïnterviewde dichters, die in de gepresenteerde gedichten alle drie voornamelijk het vrije vers hanteren. Zeker bij de beantwoording van vraag twee en drie (‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’) zou meer aandacht voor de ambachtelijke aspecten van het gedicht op zijn plaats geweest zijn. Verder valt op, dat er in de gesprekken tussen Van Omme en de dichters weinig sprake is van distantie. Het boek heeft een hoog ons-kent-ons gehalte, en dat is jammer wanneer het ook voor lezers buiten de cursisten van het Schrijfatelier bedoeld zou zijn.

Recensie van Alles gebeurt onderweg - Annemie Deckmyn

Uit de raten van een reisbij

Annemie Deckmyn
Alles gebeurt onderweg
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339270
€ 17
64 blz.

Het debuut van Annemie Deckmyn begint met een citaat uit het werk van Jean-Paul Sartre (1905-1980): ‘Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen.’ Dit citaat verklaart enigszins de titel van de bundel. Sartre wist waarover hij het had. Zoals J.K. Huysmans en Georges Bataille schreef hij bladzijden vol in het Café de Flore. En hij beperkte zijn verkenning niet tot die ontmoetingsplaats. Zoals Simone de Beauvoir en Albert Camus schreef hij ook in een ander beroemd café: Les Deux Magots. De zoektocht naar het zelf leverde Sartre alleszins  bizarre kennis op: ‘L’enfer, c’est les Autres’ (in het toneelstuk Huis Clos, 1944). Annemie Deckmyn laat die vaststelling gelukkig links liggen, en ze heeft zich ook niet op het hellepad van Dante Alighieri (1265-1321) begeven. Het lijkt erop dat ze het leven als een reis opvat, een reis met slechts één doel: het leven zelf. Voor wie altijd op reis is, gebeurt alles altijd onderweg. Er is immers geen vaste aanlegsteiger, geen bestendige ankerplaats, tenzij misschien de taal van het denken en aanvoelen. De dichteres draagt de bundel op aan ‘wie naast [haar] gaat’, de Ander, de medereiziger.

Alles gebeurt onderweg bestaat uit zeven reeksen gedichten waarvan er enkele worden ingeleid met een citaat. Aan de eerste cyclus, ‘Wij’, gaat een uitspraak van de Libanese dichter, denker en schilder Kahlil Gibran (1883-1931) vooraf: ‘Wij zullen elkaar nimmer begrijpen zolang wij de taal niet tot zeven woorden terugbrengen.’ De schrijver van De profeet (1923) heeft er met die uitspraak op gewezen dat het essentiële uitdrukken niet gebeurt door een massa woorden op elkaar te stapelen, maar door het aantal woorden te beperken, en dat is een van de kenmerken van Deckmyns poëzie. Gibran schreef ook dat ‘Alleen hij die duizendmaal verdwaalt [eens] thuis zal komen.’ Die uitspraak is behoorlijk rekkelijk, maar ze past ook in de zoektocht van dichters: vaak verdwalen in woorden draagt ertoe bij dat men die ‘zeven’ woorden van Gibran achterhaalt. In het eerste gedicht lees ik ‘jong als een maandag / waren we, en welbespraakt.’ In de laatste strofe geeft de dichteres te kennen: ‘ik zie je liever zwijgend. / ontdoe je van je jas en jaren, / toon me elk verschil.’ (p. 6) Met de eerste versregel, ‘jong als een maandag’, herinnert de schrijfster gewild of ongewild aan het scheppingsverhaal. De schepping staat nog in haar kinderschoenen, het is maandag, en de protagonisten zijn jong (uiteraard) en ‘welbespraakt’. Na jaren van zoeken en verdwalen hoeft die welbespraaktheid niet meer, de dichteres ziet haar medereiziger ‘liever zwijgend’. Ze verlangt niet eens naar die zeven woorden.

De eerste cyclus is vanzelfsprekend het reisverhaal van de dichteres zelf: ‘gedurfde keuzes konden we niet maken, ze hingen aan de haak / bij de wanten en sjaals, haastig om ons te verlaten. / wij ontsnapten niet aan de middelmaat. / bouwden een huis waarin we ouder werden.’ (p. 7) De reis mocht dan wel het doel zijn, ze verliep volgens een geijkt stramien, ingegeven door een omgeving, en wat onderweg gebeurde, kinderen krijgen en ze zien opgroeien, leidde tot berusting: “wij, uitgeput, vonden elkaar in verschoten zetels. / van hun verhalen verzadigd dommelden we in.’ (p. 7) Het is een zeer herkenbare reis, met lichtpunten en weemoedige gedachten: ‘op glanzend papier de zomer bewaren. / het feest opbergen in een la, voor later, / als we op de bank samen staren / naar de kust in een kader. // kijk, hier zijn we geweest.’ (p. 8) Het is een veredelde versie van ‘Kilroy was here.’ Ook al is het leven een reis zonder bestendige ankerplaats, leven betekent ook een terrein afbakenen door het aanbrengen van een merkteken. En al bestaat er geen handleiding ‘over de kunst om op een goede plek / je zandkasteel te bouwen’, toch beginnen de meesten te spitten, maar ‘de stoerste burcht verzakt het eerst. // de vloed komt onvermijdelijk. / overspoeld zijn we elkaars gelijke.’ (p. 9) Niet één merkteken kan aan de tijd weerstaan, en onvermijdelijk dringt zich een nieuwe reis op. Deckmyn verwoordt haar gevoelens en gedachten op een bijzonder sobere manier in gedichten met een wisselende vorm en zonder eind- of binnenrijm. Er is nu en dan hooguit sprake van alliteratie. Het aandeel van de reiziger in het verhaal is veeleer miniem, het lijkt erop dat de reis zich vanzelf voltrekt:

we behoren toe aan de straten van de stad,
bewonen een huis waaruit licht lekt.
mensen onzichtbaar achter muren.
het is een avond om voorbij te gaan.

schatplichtig aan versleten stenen zijn we,
tol voor wat bewaard blijft en behouden.
trappen in arduin, de koperen engel
gebogen aan het bruggenhoofd wacht.

gevels in het water lichten op.
een kier volstaat om binnen te kijken,
elke overkant is verder dan gedacht.

(p. 10)

De tweede reeks gedichten werd samengebracht onder het kopje ‘Ik’, en de dichteres laat Oskar van der Hallen (1903-1979) aan het woord: ‘Zelfkennis is als een ziekenhuisbed: proper maar pijnlijk.’ Het is een aforisme dat ik, gelet op Van der  Hallens belangstelling voor het werk van de Franse katholieke schrijver Georges Bernanos (1888-1948), de schrijver van Sous le soleil de Satan (1926), kan plaatsen, maar dat misplaatst is in deze sobere bundel. Zelfkennis is niet per definitie pijnlijk, en een ziekenhuisbed is niet altijd proper – ik spreek uit ervaring. Nadat de schrijfster vastgesteld heeft, dat een aantal van haar wensen onbereikbaar blijken te zijn, stelt ze: ‘het wil niet lukken, ik ben mezelf. / snij elke dag met frisse moed / mijn verse overvloed aan stukken.’ (p. 15) Het is toch niet pijnlijk overvloed te hebben, en die elke dag met frisse moed aan stukken te snijden. Deze vitalistische strofe staat volledig haaks op de uitspraak van Van der Hallen. Zelfs wanneer de schrijfster in een ver land ten val komt – op het vertrouwde pad kent ze ‘elke struikelsteen’ – , ‘alles gebeurt onderweg’, staat ‘de prins van toen, een jutter’, en ‘vindt [haar] na de storm, / draagt [haar] naar huis.’ (p. 17) Maar misschien is het pijnlijke dat de schrijfster zoals vele andere dromers toch niet altijd onderweg is, dat ze toch een ankerplaats heeft, een huis dat ook de prins van toen kent, en wellicht samen met haar deelt, al is hij kennelijk een jutter geworden.

In de derde reeks gedichten, ‘Weerhaken’, ingeleid met ‘Poëzie is een manier om het leven bij de keel te grijpen’, een citaat uit het werk van de Amerikaanse dichter en toneelauteur Robert Frost (1874-1963). Frost liet zich vooral inspireren door de natuur van New England en schreef eenvoudig opgebouwde gedichten. Zijn uitspraak past beter bij het werk van Deckmyn dan die van Van der Hallen. Ik citeer een kort sober gedicht dat dicht bij de natuur aanleunt en als het ware het citaat legitimeert: ‘het was een slecht jaar. / we kwamen niet verder / dan enkele spadesteken. // langs de schaarse gewassen / de slijtgang van de sleur. / hier valt niets te oogsten. // raven wachten op een kreng. / er knaagt een wezel in de stal. / we breken onze schuren af.’ (p. 20) Het zouden de gedachten van een boer in Vlaanderen of Nederland kunnen zijn. Onopgesmukte beelden, geen adjectieven en werkwoorden die op ongenoegen wijzen. De reis door het leven slaat weerhaken in de reiziger, en hier valt wel pijn op, maar het is niet de pijn van de zelfkennis, het is de pijn van de existentiële ervaring. Er zijn ook beelden van de cyclische beleving – de levensreis begint steeds opnieuw – van de ontdekkingstocht, die zeer nauw bij de natuur aanleunen: ‘november maakt slagzij. / het donkert waar we wonen, / we spreken wintertaal, / bevriezen in elke plooi. // de eenden zwijgen, / onze gedachten zijn ijs. / we schaatsen naast elkaar. / ontwijken een woordenwak. // straks warmen we ons / aan het resthout thuis. / winter is te harden, / we wachten op dooi.’ (p. 22) Pijnlijk, maar ‘winter is te harden’, want er hangt dooi in de lucht.

De vierde reeks, ‘Nog even respijt’, lijkt een voorlopige balans te zijn, die wordt ingeleid met enkele woorden van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): ‘De ouderdom is een beleefde mens. / Hij klopt enkele malen aan.’ De ouderdom komt onmiddellijk aan bod: ‘we zijn bereisd. geen grenswacht weerhoudt ons.’ Bereisd zijn vergt een (vrij) lang leven, en dat betekent dat er op een dag ‘zwarte vogels krijsen om ons brood.’ Het is een teken dat liefst zo snel mogelijk naar de achtergrond wordt verdrongen: ‘verjaag hen met je handrug, stel me gerust: / het is slechts reizen, we keren nog terug…’ (p. 28) De reis lijkt dan toch niet het echte doel van de reis te zijn, er is toch een haven, een ankerplaats die op de reizigers wacht. De ouderdom klopt ook aan in de herinneringen die langzaam nieuw reisplannen gaan overheersen:

een orkaan herinneringen,
stiefdochters uit de sprookjestijd.
zij stromen als sap in de stam.
omkijken is fataal.
we kiezen de storm niet,
de storm kiest ons.

verleden is verdwaalde pasmunt
uit onze diepste laden
bijeengeveegd, wie bepaalt de waarde?

(p. 31)

Let op het afgewogen woordgebruik: herinneringen zijn geen dochters, maar stiefdochters, en omkijken is even gevaarlijk als in het verhaal waarin de vrouw van Lot omkeek en in een zoutzuil veranderde. (Gen. 19:26) Daarna volgen nog de cycli ‘Kleine vuisten’, ‘Vader en moeder’ en ‘Vier elementen’. Deze reeksen bevatten gedichten met een zelfde sobere, diep afgewogen zegging, en ter afronding citeer ik het laatste gedicht, ‘Imker’, dat me enigszins doet denken aan het werk van Sylvia Plath (1932-1963). Plath heeft vijf gedichten over bijen geschreven nadat ze zich op het einde van haar leven met bijen was gaan bezig houden – haar vader, Otto Plath, had haar in een ver verleden de weg gewezen, o.a. met de publicatie van Bumblebees and Their Ways (1934). Otto Plath was geen klassieke imker, maar dat is de imker van Annemie Deckmyn evenmin: ‘ze deed het. / zo moest het gaan. / dezelfde dag nog / stond ze bij de korven. / alleen en onbeschut / het aan zijn bijen / komen zeggen: / ‘de imker is gestorven.’ (p. 57) Misschien stond ook Sylvia Plath als klein meisje bij de vroege dood van haar vader ooit bij zijn al dan niet reële korven.

Alles gebeurt onderweg is een debuut dat vraagt om een trage lezing. De schrijfster heeft geen woord te veel gebruikt en de zegging beperkt tot de essentie. De bundel is beslist een aanwinst, nu de podiumpoëzie hoge toppen scheert. Niet het effect van de woorden, maar de verborgen laag van de zegging staat voorop in het werk van Annemie Deckmyn, en dat is een kwaliteit die ik ten zeerste waardeer.