Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Voor jou, van jou - Nachoem Wijnberg

Telkens opnieuw leren lezen

Nachoem Wijnberg
Voor jou, van jou
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451523
€ 21,99
102 blz.

In de fabelachtige verhalen van Toon Tellegen lopen dieren rond die op de rand staan van besef maar net het laatste stapje van het echt begrijpen niet kunnen zetten. Zo’n mier, krekel of nijlpaard voel ik mij als ik het werk lees van Nachoem Wijnberg. In elk interview met de zeer productieve dichter, romancier, wetenschapper steekt het onderwerp even de kop op: hoe ondoorgrondelijk is Wijnbergs dichtwerk? En in al die interviews lezen we dat Wijnberg daar verwonderd en geprikkeld op reageert, zoals in de NRC: “Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.” Wie een krant kan lezen, zou klaar moeten zijn voor zijn dichtkunst. De verbazing, verwondering, zelfs teleurstelling bij Wijnberg lijkt oprecht. Hij is ervan overtuigd dat hij de mensheid zeer helder toespreekt. Hij wil graag een grotere lezerskring hebben, met betere verkoopcijfers om na zijn dood te kunnen rusten in een door de lezers bekostigd praalgraf. Ik gun het hem. Ik gun het iedere dichter; niet dat praalgraf, wel de lezers.

Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën. Wijnberg zegt het zelf al in het eerste gedicht: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, / en niet van anderen wil leren. // Daarna word je enkel / om wat zwaar is gevraagd / en je hoopt dat je ondertussen / – je kan niet zeggen hoe- / beter zal worden in het lichte.’ En die ‘je’, wie is dat dan? De lyrische ik spreekt vooral zichzelf toe. De dichtende ik wil zó graag lichter worden, maar wat dat betekent in een universum waar boomtakken doorbuigen onder het gewicht van vlinders, blijft als een mysterie tussen de regels hangen.

De krantenartikelen van de afgelopen maand zijn gevuld met aandacht voor herinneringen en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. We lezen over getuigenissen van mariniers die niet overeenstemmen met wat er te horen is op bandopnamen bij hetzelfde incident veertig jaar geleden. En hoe staat het met de betrouwbaarheid van wat getraumatiseerden zoals incestslachtoffers zich herinneren? Herinneringen kunnen vervalsingen zijn van wat we hebben meegemaakt, vervormingen van wat we denken te hebben meegemaakt. In Voor jou, van jou komt de herinnering vaak voor. Maar zijn dat wel altijd ‘echte’ herinneringen? Bij Wijnberg kun je zelfs geschiedenis beleven waarvan het onbelangrijk is of je ze hebt meegemaakt: ‘dat is als herinnerd worden / aan waar je nooit bij was’.

Dat vervormen van wat we hebben meegemaakt, blijkt noodzakelijk om te kunnen leven met het onbegrijpelijke wat je overkomt. Onze geest zoekt via de eigen logica naar vormen om het verhaal rond de herinnering passend te maken tussen de andere vervormde verhalen van de menselijke belevenissen. Wijnberg ziet dat we daar zelf invloed op hebben, iedereen heeft een ‘heer der herinnering’ die, als een kasteelheer, waakt over wat er zoal rondspookt in ons geheugen. Deze heer der is zodanig machtig dat hij herinneringen naar zijn hand kan zetten.

In het gedicht ‘Avond’ zijn de herinneringen eerder gedachten aan verliefde wensdromen dan aan wat er werkelijk is voorgevallen. Het hopeloze verlangen is ook nog eens eindeloos, het vuur is nodig om in het donker naar gevallen parels te zoeken. Wie op het versierderspad is, neemt sigaretten mee om een meisje iets aan te kunnen bieden. Vuur meenemen is er niet van gekomen, dat moet van een ander komen, maar het vuur aan de praat houden kan heel stoer met het aansteken van bankbiljetten. Voor jou, meisje, van jou, smachtende ik.

AVOND

In plaats van een sigaret 
aan te steken met een brandend bankbiljet 
steek je een biljet aan 
met een ander, 
als iemand je vuur geeft.

Je bestelt porties 
die groter zijn dan je op kan, 
als je bijvoorbeeld water wil drinken 
bestel je een fles zo groot als dat meisje 
dat haar ogen dichthoudt.

Wil je een sigaret?

Je rookt zelf niet, maar hebt er wel een bij je.

Herinner je je, 
kijk hoe zij danst, 
met een brandende sigaret 
in haar hand 
alsof dat straks het enige licht is?

Wat is de kans 
dat een meisje 
je vraagt te helpen zoeken 
naar haar parels, 
op straat, in het donker?

Brak de parelketting 
om je hals?

Ja, zoiets, je hebt niet toevallig 
een zaklantaarn bij je 
of een paar lucifers?

Voor jou, van jou kent een sterke samenhang. De gedichten in Voor jou, van jou hebben zeggingskracht als losse gedichten, maar versterken elkaar door onderlinge verwijzingen. Eigenlijk kunnen we spreken van één groot gedicht in onderdelen. Veel gedichten dragen dezelfde naam: vijf keer is er de titel ‘Avond’, vier keer de titel ‘Je dochter’ en twee keer ‘Je dochters’. Heel associatief dansen de gedichten om steeds terugkerende motieven heen. Dat helpt bij het zoeken naar betekenis maar schept daarbij ook steeds weer nieuwe betekenissen.

Natuurlijk heeft Wijnberg gelijk als hij zegt dat hij helder taalgebruik hanteert in zijn dichtwerk. Er staat geen woord Spaans tussen, we hoeven niet bang te zijn voor onbekende symbolische onderlagen: wat er staat is wat er aan de orde is. Maar wat er staat moet uiterst zorgvuldig worden gelezen. Als Wijnberg een bundel Nog een grap noemt of Liedjes, gebeurt er iets met de betekenis van respectievelijk ‘grap’ of ‘liedje’. Woorden krijgen een nieuwe geschiedenis, een nieuwe herinnering. De titel Voor jou, van jou lijkt te gaan over de aangesproken lezer, de eerste ‘jou’ is misschien een andere ‘jou’ dan de tweede. Dat weet je niet, je zult de keuzeboom af moeten lopen om alle verbanden te zien. Wie heeft gekozen voor de ene betekenis, loopt het risico een andere laag te missen.

Wijnberg wil begrepen worden, voor Nachoem (Hebreeuws voor degene die troost komt brengen) is het dichten een roeping. Zijn dichtwerk bestaat om de mensheid verlichting te brengen. Als een profeet creëert hij heel productief gedicht na gedicht om ons lezers te verheffen en misschien zelfs te troosten. In heldere taal, maar niet de taal die we gemakkelijk verstaan. Niet de taal van de lyrische dichter met muzikale elementen als metrum en rijm en herhaling. Het is zijn eigen idioom en wie het aandurft om zich daarin te verdiepen die ervaart zoals Wijnberg schrijft:

De vreugde van het plotseling dieper 
kunnen zien, wat 
het lichte is.

***
Nachoem M. Wijnberg (1961) is romanschrijver, hoogleraar in de economische wetenschappen en dichter. Zijn eerste tien dichtbundels werden verzameld in Uit tien. Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs, Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs kreeg toebedeeld, Divan van Ghalib, Waaraan de Gedichtendagprijs toeviel, Als ik als eerste aankom, Nog een grap en Van groot belang (genomineerd voor zowel de VSB Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs). Wijnbergs werk is vertaald in het Italiaans, Duits en Engels; in de VS verschijnt in 2018 een vertaling van Van groot belang.

Recensie van De dood en drie andere gedichten - Joris Miedema

Een kraai vol kleur

Joris Miedema
De dood en drie andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401368
€ 19,99
84 blz.

Joris Miedema draagt deze bundel op aan zijn vader, Gerrit Keimpe Miedema, die op 12 juni 2017 is overleden aan de gevolgen van de ziekte van Huntington.
Als ik nadenk over de titel: ‘De dood en drie andere gedichten’, is het die dood die het makkelijkste  te duiden is. Het overlijden van de vader is hier uiteraard het belangrijkste aanknopingspunt en de gedichten die hierover gaan zijn niet moeilijk om te ontleden. Het zijn rauwe, werkelijke gedichten die, hoewel ze van alle sentiment zijn ontdaan, tóch liefdevol overkomen en eveneens vanuit bijzondere invalshoeken met verrassende kwinkslagen komen. Van het gedeelte van de titel ‘en drie andere gedichten’, blijft de betekenis me onduidelijk. Ik heb lang mijn hoofd gebroken over welke drie andere thema’s (?) hier gesproken wordt (liefde, leven,….? lente, zomer, herfst en dat de dood dan de winter is?). Zelfs de gedachte dat de ‘drie’ zou kunnen staan voor drie overgebleven gezinsleden kwam in me op. De indeling van de bundel verschaft geen duidelijkheid, er zijn zes hoofdstukjes met tussentitels die tot de verbeelding spreken, maar die doen vooral een bonte mix qua thematiek vermoeden. Mijn conclusie wat betreft de titel is dat deze boven alles verwoordt hoe overheersend de aanwezigheid van de dood kan zijn als deze zo dichtbij komt. Alles is dan doordrongen met de afwezigheid van de geliefde persoon. De dood neemt zijn of haar plaats over, dat lege gezicht is van die aanwezige gast die niet was uitgenodigd. In het geval van een ernstige ziekte, zoals deze van Huntington, maakt de dood zich langzaamaan breed in iemand nog voor het overlijden.

Miedema weet de uiteenlopende gevoelens van een gezin in zo’n situatie op een hele aangrijpende manier te verwoorden. De dichter beheerst de kunst van het in- en uitzoomen en wisselt ook regelmatig van perspectief zodat een breed spectrum aan gevoelens, gedachten en associaties aan bod komt. Zo lees ik hier hoe de moeder haar man vast wil houden:

Moeder houdt je arm steviger vast 
dan ze ooit deed 
om hem te behoeden 
voor verdwijnen

In een ander gedicht lees ik hoe de moeder juist poogt door te gaan met haar leven, terwijl haar ernstig zieke man ergens anders (maar toch nog) leeft. De vader wil dinsdags de grijze bak buitenzetten, de moeder heeft immers vast weer last van haar rug. De zoon zegt dat alles al gedaan is en dat de achterdeur op slot zit, waarop de man terug zakt in zijn stoel. Zo schetsen de gedichten in deze bundel regelmatig een beeldend scenario met dramatische en vervreemdende elementen. 

Sommige van de gedichten gaan minder direct over de dood van de vader. Die lijken plaats te vinden op het niveau van de droom en de verbeelding. Zoals in een van mijn lievelingsgedichten uit deze bundel. 

Onderkomen

in het weiland ligt in een opengereten veulen
er komt gegrinnik uit
een meisje legt paardenbloemen neer
om het te temperen

ze lacht
heeft kuiltjes in haar wangen
gaat zitten op het bot
dat het meest op een bankje lijkt
beseft dat het al een echt huisje
begint te worden

Het contrast tussen het gruwelijke van een opengereten veulen en het gegrinnik dat ik verbind met vrolijkheid grijpt me direct bij de lurven. Dit effect is zo sterk dat ik niet inzit over de vraagtekens die worden opgeroepen, zoals: waarom komt er gegrinnik uit het karkas? Dat het meisje paardenbloemen neer legt om ‘het te temperen’ getuigt van een ontroerende kinderlijke logica. Ze lacht omdat ze de kunst van het leven beheerst. Ze leeft rond en met de dood zonder al te zware associaties of verbindingen; vanuit een onontkoombare levenslust die aanspoort elk moment opnieuw te beginnen, kiest ze het bot dat het meest geschikt is als bankje, vindt ze een huisje, een thuis. 

Een fascinerend detail is dat Miedema in meerdere gedichten in de derde persoon over mensen spreekt en hun (fictieve?) naam daar deel van laat zijn. Hier Bertha en Sara als twee voorbeelden: 

welkom in de nog-niet-gevonden-straat 
waar Sara woont 
haar hart schenkt ze
aan wie hem hebben wil

in zaal twee ligt Bertha  
ze is ervan overtuigd dat ze een vijver is 

Het introduceren van deze personages is meteen ook hun afscheid, want ze worden niet meer genoemd. Het effect is echter dat het perspectief van de schrijver breder aandoet dan wanneer hij enkel vanuit een lyrisch ik zou schrijven. Op deze manier is niet alleen de jeugd vertegenwoordigd, zoals bijvoorbeeld in het gedicht met het meisje dat in het karkas een huisje vindt, maar met Bertha (vermoedelijk) de herfst van het (dementerende?) leven en met Sara de kinderloze volwassen vrouw die op de liefde wacht. Mijn interesse meer werk van deze schrijver te lezen groeit. Ik denk dat zijn inlevingsvermogen hem ook bij het schrijven van proza en theaterteksten te pas kan komen. 

De dichter zet met ogenschijnlijk plezier en kundigheid verschillende stijlfiguren in. Tegen het einde van de bundel zijn twee gedichten met als titels neologismen te vinden. ‘Narradief’ en ‘Hippoxazepam’. Van laatstgenoemde moest ik de tweede helft opzoeken. Hippo verwijst naar het nijlpaard dat in het gedicht naast het lyrisch ik eveneens een hoofdrol vervult. Oxazepam blijkt uit kort onderzoek op het internet een medicijn tegen onder andere slapeloosheid te zijn. Hier krijgt een zwaar thema door een absurdistische kwinkslag een extra humoristische laag. De fantasierijke doch droge manier waarop hier een medicijn in een nijlpaard verandert, is een typisch voorbeeld van de vervreemdende stijl van de wat abstractere gedichten in deze bundel.  In een tussentitel krijgt een grafsteen menselijke eigenschappen toegedicht: ‘Als er een grafsteen op de koffie komt’. Een andere titel, van een gedicht  ‘Vroeger was alles een kind’, draait dit stijlfiguur om. De kinderen die dieren toedekken, ziek maken, beter maken en in hun handen laten overlijden, vereenzelvigen zich met hun slachtoffers. Uiteindelijk overwint de behoefte de werkelijkheid van de dood richting te kunnen geven het van het medeleven.

In de volwassen werkelijkheid ervaart men vroeger of later dat de dood vooral met loslaten te maken heeft. De kale observaties van deze werkelijkheid resulteren hier in pure poëzie die in de taal toch nog wat van het moment dat voorbij gaat weet vast te houden.  Alles bij elkaar is De dood en drie andere gedichten een meer dan waardig eerbetoon en tegelijk een lofzang op het gelaagde leven. Op de voorkant staat in het paars een kleine zwarte kraai. Dit symbool voor de dood is in deze bundel een kraai vol kleur.

je bent nog mooier dan de bloemstukken
vol gerbera
je wenkbrauwen lijken voller
en trekken niet meer
je handen zijn blauwer dan de lucht
op deze zonovergoten dag

***
Joris Miedema (1978) publiceerde in 2011 zijn debuut Oogtheater.

Recensie van Zie mij - Mariet Lems en Cora Vries

Te mooi om waar te zijn

Mariet Lems en Cora Vries
Zie mij
Uitgever: U2pi
2017
ISBN 9789087596934
€ 17,50
69 blz.

Het combineren van poëzie en schilderijen is een hachelijke zaak. Maar al te vaak doet het ene element af aan het andere, zoals iemand die door een mooi stuk muziek heen zit te praten of iemand die zich bij een fraai uitzicht hinderlijk in beeld bevindt. De smaak van de lezer en beschouwer speelt immers een belangrijke rol bij het waarderen van de combinatie van beeld en woord: de kans dat zij elkaar versterken is daarmee niet zo heel groot.

Ook in mijn geval heeft zowel de beschouwer als de lezer bezwaren. Zonder mezelf als kunstkenner te willen afficheren, heb ik voldoende gezien om in de schilderijen van Cora Vries een sterke overeenkomst met de stijl van Marlene Dumas op te merken. Daarmee is over het onderdeel ‘beeld’ van deze bundel voldoende gezegd.

De gedichten verraden het ambacht dat ermee getoond wordt. Dit wordt al meteen duidelijk bij het openingsgedicht.

Schrijfopdracht

Kijk net zolang naar mij
totdat je iets opvalt
dat je nooit eerder hebt gezien

noem kleuren, geluiden, geuren
emoties, iets in mij
dat zich met jou verbindt?

schrijf een gedicht

zwicht niet voor verleidingen
van rijm en zomerhemels
belicht me met je pen
zie mij
en zeg

[p. 7]

Voor dichters en ervaren poëzielezers vallen de effecten van klankherhaling (gezien – geluiden – geuren – gedicht), ‘verborgen’ rijm (gedicht – zwicht – belicht) en bewuste onvoltooiing (zie mij / en zeg) onmiddellijk op. Waarschijnlijk zal een geoefende voordrachtstem de handen van het toehorend publiek er wel voor op elkaar krijgen, maar de lezer blijft in mijn geval hangen aan de punten van het skelet, dat door de dunne huid van het gedicht heen steekt.

Een ander voorbeeld is het gedicht ‘Verloren’ op p. 11.

Verloren

Hoe komt het dat hun vragen mij verdringen
naar waar ik wegkruip achter mijn gezicht
zodat mijn antwoord loodzwaar van gewicht
zichzelf begraaft onder de bangste dingen

Ze laten woorden van hun tanden springen
Ze bijten in mijn lippen, ritsen dicht
wat binnenin mij zoekt naar lijn en licht
terwijl mijn taal zich het liefste los wil zingen

Dat is wat ik in het gat van stilte hoor:
een stem die ongehoord zijn richting vindt

die mij ontsnapt voorbij het zwijgend kind
voorbij de zeggingskracht die ik verloor

Stem open mij, laat de muziek beginnen
zodat verlies verschoven wordt naar winnen

Naast het morele aspect, waarbij de dichter de in mijn ogen minst interessante kant kiest, namelijk die van de ‘ik’ die in verdrukking leeft, valt mij het esthetische aspect van dit gedicht op. Alle emotionele en emotionerende rafelranden, die iedere lezer wel achter de taal zal vermoeden, worden door de sonnetvorm naar de verre achtergrond geplamuurd. Je zou daartegen kunnen aanvoeren dat ook een zorgvuldig ingedeeld en aangeharkt kerkhof de gedachte aan de dood niet doet verdwijnen, maar een gedicht is als het goed is een daad van kunst, dus een daad van verzet en geen rustplaats met een hoge heg eromheen en ‘Rust zacht’ boven het smeedijzeren hek bij de ingang.

Ik wil gedichten lezen die waar zijn, waaraan ik niet ontkomen kan en de taal moet die weerhaken in mij weten te slaan. Doordat in vrijwel alle gedichten van deze bundel het ambacht de boventoon voert, zijn ze stuk voor stuk te mooi om waar te zijn. Voor teksten die het lijden willen verpletteren onder een lading talige troost is er volgens mij voldoende plaats in rouwadvertenties en parochieperiodieken.

Maar misschien neem ik deze bundeling te serieus en moet ik haar niet als poëziebundel zien, maar eerder als een soort catalogus van een tentoonstelling, in combinatie waarmee hij ook op internet te vinden is. In de webshop op de site van uitgever JouwBoek.nl (Uitgeverij U2pi) zoek je er namelijk vergeefs naar.

***
Mariet Lems (1946) is specialist literatuureducatie, cultuurcoach, dichter en tekstschrijver. In 2013 verscheen de herdruk van Weten waar de woorden zijn, een methodiek creatief schrijven voor het basisonderwijs en schrijfdocenten. Voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit leidt ze leerkrachten op tot specialist literatuur.
Cora Vries (1956) studeerde grafische vormgeving aan de Academie Minerva te Groningen en daarna volgde ze de opleiding schilderen, tekenen, ruimtelijk ontwerpen aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Ze is werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar.

 

Recensie van Handschrift - Jean Pierre Rawie

Het tenue de ville van de dichter

Jean Pierre Rawie
Handschrift
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635102
€ 15,00
72 blz.

Wie de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie aanschaft krijgt voor vijftien euro daadwerkelijk waar voor zijn geld. Geen slappe kaft met catchy foto, maar een boekwerk met stevige goudkleurige kaft, die onder een karmozijnen boekomslag met gekalligrafeerde gouden letters schuilgaat. Ook geen slappe flapteksten: de achterzijde van de bundel is leeg, zeker als we de ontsierende sticker met streepjescode hebben mogen verwijderen. Ook aan de binnenzijde van de boekomslag geen lovende citaten uit eerdere kritieken of verwijzing naar vroeger werk, slechts een gestileerde roodgouden foto van de auteur. De boodschap is duidelijk: deze bundel moet zichzelf verkopen. En dat zal de nieuwe Rawie, tot afgrijzen van de heersende kritiek, dan ook zeker doen. Zijn vorige bundel, De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (1), was met ruim 15.000 verkochte exemplaren met afstand de best verkochte dichtbundel van 2012.
Arjan Peters, recensent bij de Volkskrant, ging onlangs in een kritisch stuk over hedendaagse poëzie uitgebreid op het succes van Rawie in. ‘Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft / in onbenulligheid verdwijnt; / al wat een schitterend begin heeft / wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’
Stilstaan bij de vergankelijkheid is al in het vroege werk van Rawie één van zijn belangrijkste thema’s. In die zin is hij misschien een vroegoude dichter. In Onmogelijk geluk, verschenen toen de dichter net de veertig was gepasseerd, lezen we al frasen als ‘Bij elke zin / houd ik de laatste adem in’ en ‘Ach wat ik ook / op deze tocht / ten grave zocht / was wind en rook’.
Liefhebbers van de melancholie komen vooral in de eerste gedichten van Handschrift goed aan hun trekken. ‘Je nam geboden kansen slecht te baat / en hebt tot slot het minste deel verkoren, / en het geluk komt karig en te laat.’ (in: ‘Geluk’). ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ (eerste én laatste regel uit ‘Zo’n dag’). ‘Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg. / Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras. Ik ben al bijna weg.’ (in: ‘Boven het gras’) (2). Maar juist als je als lezer denkt ‘nu weet ik het wel’ neemt de bundel een verrassende wending.

NOTABEL

Ik ga steevast gekleed
in een tenue
de ville, zoals dat heet.
Men noemt mij u.

Gelegenheden waar
ik wat verteer
ontvangen met egards
zo’n deftig heer.

Ik word alom met zwier
gegroet op straat:
dan is het mij of hier
mijn vader gaat.

Voor velen vorm ik deel
der upper ten,
waar ik gewiekst verheel
hoe ’n beest ik ben.

Rawie lijkt hier de spot te drijven met zijn identiteit. Hij kiest voor een overdreven deftig taalgebruik, met woorden als egards, zwier, verteer en upper ten. De slotregel is opmerkelijk, zowel vanwege de wat onbeholpen ritmiek (probeer dit maar eens hardop te lezen) als de inhoud. Zouden we een in dit vers een sleutelgedicht kunnen zien? Drijft Rawie met dit gedicht impliciet de spot met de critici die zijn werk te serieus nemen? In de loop van de eerste en tweede afdeling komt hij af en toe heerlijk humoristisch, soms zelfs buitengewoon melig uit de hoek. Alsof hij zeggen wil: het is niet alleen maar de vergankelijkheid waar ik mijn verzen aan wijd. We lezen in ‘Stal’ over de drukte rond de kribbe, vanuit het perspectief van de pasgeboren Jezus, die van de weersomstuit ‘zijn knuistjes in zijn oren’ doet. In ‘Inhuldiging’ worden we deelgenoot van de griep die zijn geliefde trof ten tijde van de inauguratie van Willem Alexander, venijnig verwoord als ‘een persoonlijk onderbuikgevoel’. Zowel aan Gerrit Komrij als aan Willem Wilmink is een In memoriam gewijd. Beide gedichten hebben min of meer dezelfde clou. Over Komrij lezen we: ‘Hij had een boel meer vrienden dan hij wist. / Ik kon niet laten me hem voor te stellen, / Gerrit, sardonisch grijnzend in zijn kist.’ En ook op de begrafenis van Wilmink bleken er opeens verrassend veel literatoren ‘die al die jaren al in Willem waren / en tot op heden nog in Willem zijn!’ Nee, de critici mogen dan geen hoge pet op hebben van Rawie, het omgekeerde is ook het geval.

Traditiegetrouw bestaat de derde afdeling van de bundel uit vertalingen. Rawie presenteert ons een exclusieve selectie Portugese, Spaanse, Ierse, Russische en Braziliaanse poëzie uit de 16e tot de 20e eeuw. De oorspronkelijke tekst staat telkens op de linkerpagina afgedrukt, wat respect afdwingt voor de vertaler die van zoveel markten thuis blijkt te zijn. De meeste dichters zijn geestverwanten die het tijdloze thema van vergankelijkheid c.q. sterfelijkheid op telkens andere wijze bezingen. De gedichten zijn chronologisch geordend. Het eerste gedicht is van Portugals grootste klassieke dichter, Luís de Camões (1524 – 1580).

WERELDS ONGERIJMDHEID

Ik zag goedwillenden gedwee
steeds onheil ondergaan op Aarde,
en, daar zat ik het meeste mee,
dat slechteriken op een zee
van louter voorspoed spelevaarden.

Ik dacht mijn eigen voordeel bij
die wanverhouding te behalen,
maar moest mijn misstap duur betalen.
De Wereld bleek alleen voor mij
niet van de normen af te dwalen.

De eerste strofe daarvan wordt veel geciteerd. Rawie schenkt ons het hele gedicht. Ik moet eerlijk zeggen, dat de clou van de laatste twee regels mij volledig ontgaat. In de eerste drie regels van de tweede strofe wordt gesuggereerd, dat het lyrisch ik het slechte pad op is gegaan, maar daarvoor niet beloond werd met geluk. De clou zou begrijpelijk worden, wanneer we het woordje ‘niet’ aan het begin van de laatste regel weglaten (hetgeen overeenkomt met de Engelse vertalingen die op internet te vinden zijn). Ik houd me aanbevolen voor reacties van lezers die het Portugees machtig zijn.

Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden. Ik citeerde aan het begin van deze recensie al enkele pareltjes. Daarnaast is er wat meer ruimte voor humor en anekdotiek, waarbij we zelfs de naam van een geliefde tegenkomen, met wie hij Zeeland bezoekt of naar het zuiden vliegt. Dit laatste blijkbaar zo frequent, dat zij, nog voor hij over de Alpen waar ze overheen vliegen kan opmerken ‘Zo ziet God ze ook’, hem voor is: ‘Dat zeg je elke keer!’.
Misschien staan er wat minder gouden regels (3) in Handschrift dan in zijn vroegere werk. De tijd zal het leren.

***
Meer lezen:

(1)  Recensie door Joop Leibbrand van De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag voor Meander.
(2)  De bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘Boven het gras’ uit Handschrift in het kader van de reeks Eerste Indrukken vindt u op Ooteoote.
(3)  Bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘ Voorgoed’ voor de reeks Meander Klassiekers.