Recensie van Schemerzones - Gwy Mandelinck

Gebroken spiegels

Gwy Mandelinck
Schemerzones
Uitgever: De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571425
€ 16,95
56 blz.

Spiegels zijn de ideale feedback-gevers. Wanneer we in een spiegel kijken zien we onszelf zoals we zijn. ZOALS we zijn, want we zijn het niet. Een spiegel vertelt ons een leugen die de waarheid spreekt.
Gedichten zijn ook leugens die de waarheid spreken, en lijken daarin op spiegels. Soms, zoals in de bundel Schemerzones van Gwy Mandelinck, een beetje op gebroken spiegels:

Dat er sterren

Dat er sterren boven ons gespijkerd staan,
dat het hamert in ons hoofd;

de wereld ons te buiten gaat alsof men
op het kookpunt van het water naar

ons fluit; wij van dorst vergaan,
dat je een hand verheft

die voor een zee van tijd het zoute
van het zoete water scheidt.

In dit gedicht, dat over een afscheid gaat, wisselen de beelden elkaar af in korte, hoekige zinnen. Precies zoals scherven naast elkaar kunnen liggen. Zelfs de discrepantie die ontstaat in een spiegelbeeld wanneer twee spiegelscherven niet helemaal goed aansluiten is in het gedicht terug te vinden: bij een hand die zich verheft denk ik aan vingers die omhoog steken, bij een hand die – als een soort dijk – het zoute van het zoete water scheidt meer aan horizontale vingers.
Mooi is wel in regel 3 beschreven hoe het bij een afscheid werkt: de wereld gaat ons – letterlijk – te buiten. De sleutelzin ‘dat je een hand verheft’ doet daarbij dan ook denken aan een hand die wuift. En die hand duidt dan tevens de grens aan tussen een zee van tijd van niet bij elkaar zijn (zout water?) en de zoete, voorbije tijd, van bij elkaar zijn.
Waar een hand al niet voor kan worden gebruikt… Maar dat brengt me toch op een puntje van kritiek: hoe kan een hand langere tijd (een zee van tijd immers) zoet en zout water van elkaar gescheiden houden? Dat beeld is niet helemaal waterdicht. Blijkbaar mag deze poëzie niet te letterlijk worden genomen. En dat is ook niet verwonderlijk natuurlijk: met een hoop scherven bij elkaar rammelt er al gauw wat. Wie van meer samenhangende teksten houdt kan beter het volgende lezen:

Wat trekt

Op welke stokroos ogen uit te
botten, hoe je aan te kijken?

Een vangnet je gezicht, trekt dicht, een draad
die faalt. Je ligt een schoot voor op je kind.

Een sparteling. Je dijen knijpen. Uit je rokken
pluist een bed. Men nestelt, schikt

de veren, kuilt zich in. Diep in de nacht
de maan die trekt: een golf van melk.

Dit is toch een fraaie beschrijving van een bevalling. Veel meer een complete spiegel dan het vorige gedicht. De eerste strofe doet zich met die stokroos op het eerste gezicht wel een beetje als een losse scherf voor, maar is bij nader inzien toch wel een heel leuke beschrijving voor iemand die ‘stokt’ in zijn gedrag, en zich geen raad weet met wat hij ziet. Hoe moet je erbij kijken als een vrouw in erbarmelijke omstandigheden bevalt? Je wilt wat doen, helpen (of zo), maar bevallen lijkt wat dat betreft een beetje op sterven: het komt er uiteindelijk op neer dat de persoon in kwestie het zelf moet doen en ondergaan.
Eigenlijk zit er bij nader inzien natuurlijk helemaal geen barst tussen de eerste strofe en de rest (dan nog eerder bij de laatste regel). Een stokroos heeft letterlijk niets met iemand die kijkt naar een bevallende vrouw te maken, maar er is ook geen sprake van een tegenstrijdigheid, zoals dat wel het geval was in het vorige gedicht; de beelden komen eenvoudigweg naast elkaar voor, zoals een appel en een peer naast elkaar kunnen liggen.
De rest van het gedicht sluit dus uitstekend bij de eerste strofe aan. Het gezicht dat ‘een vangnet’ is, vangt met alle uitdrukkingen die het laat zien tijdens de bevalling letterlijk de blikken van wie toekijkt. De mooiste zin is misschien wel ‘Je ligt een schoot voor op je kind.’, die op meerdere manieren gelezen kan worden: het kind heeft wellicht nog een stuk te gaan voor het helemaal geboren is, maar een moeder ligt ook altijd één generatie voor op haar kind.

Tot zover dit bevallen. In het algemeen bevallen mij in Schemerzones gedichten beter als de metaforen ook aan de oppervlakte (lees: in hun letterlijke betekenis) niet al te veel verschillende kanten uitwaaieren. Gedichten waarin dat wel gebeurt laten me als lezer een beetje ‘met de brokken’ zitten: scherven, die (door het intellect) wel als scherp kunnen worden ervaren, maar gevoelsmatig meer bevreemden dan aantrekken.

Rest nog te zeggen wat ik het mooiste gedicht vind. Ik heb natuurlijk verzuimd te vermelden dat de tweede helft van Schemerzones zich in Oost-Kenia (Afrika) afspeelt en als hoofdfiguren een moeder en haar kind heeft, die proberen zich in de omstandigheden daar staande te houden. Maar dat is van secundair belang voor de waardering van deze gedichten. Ik vertel het nu omdat het om het laatste gedicht in de bundel gaat. Een goede regisseur bewaart de climax tot het eind. En wat dat betreft heeft Gwy Mandelinck zijn bundel goed geregisseerd: dit is een climax, dit gedicht, hierin komt het ongewisse van een onzekere toekomst, die uiteindelijk toch zeker is, messcherp uit de verf, in een beeld dat ook ons een spiegel voorhoudt:

Underground

Waar je loopt geschuif van
wervels niet meer passend

in elkaar; opzij een schedelscherf
geborsteld door de wind. Je kind

geblinddoekt met je hand, het rukt
zich los, rolt door het zand gezeefd

als beendermeel, trekt voor de slaap
dat nachtkleed aan.

Dit gedicht is vooral zo goed, omdat de voor ons bizarre, maar toch herkenbare situatie die erin wordt beschreven kan worden opgevat als een metafoor voor iets groters, waarmee het plaatselijke wordt overstegen. Naast een indruk van de noodsituatie in Kenia, spiegelt het ook het hele leven: welke moeder wil haar kind niet beschermen, al of niet om te voorkomen dat het iets verschrikkelijks kan zien? Welk kind rukt zich op den duur niet los van zijn moeder? En rollen we niet allemaal door het zand van het leven, om tenslotte dat nachtkleed aan te trekken…

Recensie van Greatest Hits 2 - Bart Chabot

Poëzie Kort: Nog meer knekeltaal

Bart Chabot
Greatest Hits 2
Uitgever: De Bezige Bij

ISBN 9789023441335

blz.

Bij uitgeverij De Bezige Bij verscheen een verzamelbundel van Bart Chabot. Een curieus geval, dit Greatest Hits 2. In 2007 publiceerde Chabot al eens drie dichtbundels in één keer, verpakt in een papieren McPain-zakje. Greatest Hits 2 is mede zo dik, omdat Chabot ditmaal maar liefst zes bundels tegelijkertijd vrijgeeft: Orkaan Betty, Club Fandango, Satans Kreek, Captain Zeep, Space Cowboy en Barricade Area. Daarmee steekt hij zelfs Duinker, met de 214 pagina’s van diens nieuwste project Buurtkinderen, naar de kroon.

Chabots oeuvre is consistent. Op wat uitzonderingen na bestaat zijn poëzie uit flink lange verhalende gedichten die niet weinige keren een confrontatie met de dood als onderwerp hebben. Doorgaans met hilarisch resultaat als Chabot de dood met al dan niet gespeelde bravoure tegemoet treedt. Een willekeurig voorbeeld uit Greatest Hits 2 is het hieronder geciteerde gedicht ‘In zaken’, waarin Bart Chabot samen met de dood op pad gaat – iets wat zo’n 150 bladzijden verder een ‘doeltreffend’ vervolg krijgt in ‘Hit List’.

Allemaal mooie morbide verzen, waarbij deze dichter uit Den Haag nog het dichtst staat bij de funeraire kunst zoals Gerrit Komrij die – zij het in veel beknoptere en nóg ironischer vorm – bedrijft in gedichten als ‘Zang van de gebroken ogen’ (uit Alle vlees is als gras, 1969). Vanuit het perspectief van een overledene valt er veel te relativeren, zo blijkt om de haverklap bij Chabot.

In zaken

het was, just for the record,
maandag: een oktoberochtend,
tien over half elf
de dag lag nog open
tegelijkertijd waren diverse opties
alweer een gepasseerd station

ik keek uit het raam –
er hing voor de verandering
eens geen vliegtuig in de lucht
wel wolken en gevogelte

hoe lang zou ik zo voor het raam
gestaan hebben?
ik draaide me pas om
toen ik een kuchje hoorde:
het bescheiden kuchje
van iemand die zijn aanwezigheid
aan je kenbaar wil maken
zonder je te laten schrikken

het was de dood die in mijn kamer stond
en iets aan me kwijt wilde
althans, dat leidde ik
uit zijn lichaamshouding af
want er wilden van zijn kant
geen woorden komen
of klanken met enige betekenis
ik vroeg of ik hem ergens
mee van dienst kon zijn
en zo ja, waarmee:
maar ik kreeg geen antwoord op mijn vraag –
en aandringen wilde ik niet:
dat doe je niet met bezoek
zelfs niet met visite
waarbij omgangsvormen
een minder prominente rol spelen

zo stonden we daar een poosje:
een status quo die me plotseling
niet lang genoeg duren kon:
voor het eerst van mijn leven
voelde ik me bijzonder op mijn gemak
waarom, vroeg ik me af,
had hij mij niet eerder opgezocht
en met een bezoekje, hoe kort ook,
vereerd?
wat had hem daarvan weerhouden,
afgezien van allerhande
praktische bezwaren?

ik zei hem dat ik big bill
broonzy wilde draaien
en de nieuwste cd van jerry lee lewis –
maar muziek draaien, nee,
dat zat er niet in
voor een dergelijk tijdverdrijf had mijn bezoeker
geen geduld:
hoe dicht we elkaar ook waren
genaderd, toch
moest ik nog een hoop leren,
daarover geen misverstand

zoals gemeld,
ik voelde me op mijn plaats
in zijn nabijheid
alsof ik na een lange reis
vol omzwervingen, dwaalwegen
en de nodige ontberingen thuisgekomen was,
zij het op de valreep, om vijf voor twaalf

toen wenkte hij me,
geruisloos
en beduidde me hem te volgen
we hadden iemand af te halen, begreep ik
op een ander adres –
en zou het bij één adres blijven?

we verlieten mijn flat
met enige haast, hij en ik
er was werk aan de winkel,
volop zelfs
de portiekdeur viel definitief
achter me in het slot –
en deed dat uit zichzelf;
die had aan een half woord genoeg

we waren in business nu
 

De Bezige Bij, 488 blz., € 24,90. ISBN 9789023441335

Recensie van Ik ben een bijl - Erik Jan Harmens

En Harmens vond dat het goed was

Erik Jan Harmens
Ik ben een bijl
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar
2009
ISBN 9789038891071
€ 17,50
144 blz.

Het is een heel gedonder, een bloemlezing recenseren. De gedichten die er in staan zijn namelijk altijd te verschillend om in een stukje van zeshonderd woorden over één recensentenkam te scheren. Maar eigenlijk is het ook wel weer makkelijk. Want voor ieder gedicht dat er in staat staan er een paar duizend niet in, dus een lijstje van wat ontbreekt is gauw gemaakt. Zo ook bij Ik ben een bijl, samengesteld en ingeleid door Erik Jan Harmens. Guus Middag gaf in NRC Handelsblad een goede aftrap. Hij wond zich op over het criterium dat de dichters in Harmens’ bloemlezing na 2000 gedebuteerd moeten zijn. Het stak hem dat daardoor Atze van Wieren wel was opgenomen en onder andere Nachoem Wijnberg, Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Peter Ghyssaert, Peter Verhelst en Erik Menkveld niet. Van de dichters die wel aan het criterium voldeden miste hij er ook een hoop: Philip Hoorne, Willem Thies, Vrouwkje Tuinman, Victor Schiferli, Maarten Inghels, Ester Naomi Perquin, Hanz Mirck, David Troch, enzovoort. Willem Thies wist er daar op Poëzierapport nog een paar aan toe te voegen, waaronder Adriaan Jaeggi (aan wie de bundel overigens wel is opgedragen), Erik Solvanger, Martijn Benders en Edwin Fagel. Zelf heb ik ook een recensentenego en ondanks het vele voor mijn voeten weggemaaide gras kan ik als ontbrekende dichters nog Norbert de Beule, Geert Buelens en Hedwig Selles noemen.

Allemaal gezwets natuurlijk; ik bedoel, dat zijn stuk voor stuk dichters waar weinig mis mee is, maar als wij die dan zo graag in een bundel bij elkaar willen zien, dan moeten we ons eigen boekje maar maken. Een mening is tenslotte, zo sprak eens een groot dichter, net een kontgat: iedereen heeft er een.

Om de aandacht wat af te leiden van de grote mate van willekeur – of persoonlijke voorkeur – die de selectie van het werk voor dit soort bloemlezingen kenmerkt, voorziet de samensteller de bundel meestal van een soort van manifest waarin hij, uiteraard in zo vaag mogelijke termen, uitlegt waarom hij de gedichten heeft gekozen die hij heeft gekozen. En het voorwoord van Ik ben een bijl is in het genre een juweeltje. Of eigenlijk lijkt het bij nader inzien meer op een parodie op het genre. In willekeurig bij elkaar gezette kreten en in een krakkemikkige stijl stelt Harmens allerlei eisen aan gedichten die even abstract als onmogelijk zijn. ‘Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven.’ Wat betekent dat in vredesnaam? Maar goed, voor de goede verstaander is de laatste eis die hij stelt de belangrijkste: ‘Ik wil de dichters wier poëzie u aantreft in dit boek.’
En dat is het. Alle gedichten die in dit boek staan, staan daar om één enkele reden: omdat Erik Jan Harmens ze er in wilde hebben. En dus heeft het geen enkele zin om je af te vragen waarom de bundel, na al het bombast, anticlimactisch opent met een paar wat brave gedichten van Maria Barnas, waarom er überhaupt, ondanks al die ronkende eisen, zo veel brave gedichten in staan, waarom Harmens ruimte heeft verspild aan die afgrijselijke zooi van Ilja Leonard Pfeiffer, waarom hij uit de prachtige debuutbundel van Lucas Hirsch nou juist het mindere gedicht ‘In leegte’ selecteerde, wat Lammert Voos, Eus en Alex van Warmerdam in dit boek te zoeken hebben of waarom er van Ramsey Nasr per se een gedicht van vijftien pagina’s in moest. Het is zo omdat Harmens het zo wilde. En het is goed.

Vaak is het zelfs erg goed. Zo komen we bijvoorbeeld ‘De dagelijkse taken…’ tegen van Mark Boog.

De dagelijkse taken

De dagelijkse taken: het oprichten van het standbeeld
dat ik ben geworden, het bedekken van het lijf, drinken
van koffie, het ontmantelen van de plannen van gisteren,

het enzovoort. Het nogmaals opschorten van ongeloof.

Ik geef me over aan je onthutsende aanwezigheid, je
ogen. Dat ze me zien is nog het vreemdste, dat ze

leven zijn en vol van tijd. De morgen bloeit onwetend
in je spiegel. Ik weet niet precies waarin je gelooft.

Volgt het handwerk van elke dag, het met almaar groter
vakmanschap vervaardigen van redenen en van excuses,

volgt de avond, dan de dood, die we ontwijken in ons
haveloze bed, die we bedriegen door heel stil te liggen.

Als dat een bijl is, doe mij er dan nog maar een paar. Verdere hoogtepunten zijn een grote selectie gedichten van de fantastische Saskia de Jong, ‘Billboard’ van Alexis de Roode, Nederlands enige echte jonge geëngageerde dichter, en werk van Ellen Deckwitz, Pim te Bokkel en Eva Cox.

Het voorwoord van deze bundel moeten we maar opvatten als een plaagstoot van een recensent aan zijn collega’s. Die hapten dan ook massaal. De verstandige lezer zal dat verder worst zijn. Hij leest geen voorwoorden, hij bladert door bloemlezingen en ontdekt van allerlei moois. En in dit boek is genoeg te ontdekken. Trouwens, bij Meander zijn we ook een bloemlezing aan het samenstellen. Deze komt als het goed is in januari uit en het manuscript is zo goed als klaar. Er moet alleen nog een voorwoord geschreven worden.

Recensie van Oogsteen - Hester Knibbe

Worsteling met de vergankelijkheid

Hester Knibbe
Oogsteen
Uitgever: De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571579
€ 25,-
319 blz.

Met de keuzebundel Oogsteen (2009) uit de periode 1982 tot 2008 ligt een prachtig uitgegeven verzameling gedichten van Hester Knibbe voor ons. Haar laatste optreden op het poëziefestival Het Tuinfeest 2009 te Deventer liet mij een wat bedachtzame, ingetogen dichteres zien, die meer vertrouwd is met de rol van toeschouwer. Wat dat aangaat, is haar introverte live-optreden in overeenstemming met haar teksten. Eerlijk gezegd vind ik dat haar teksten een sterkere uitwerking krijgen als je haar niet hoort en niet ziet. Misschien is de poëzie van Knibbe meer geschikt voor de beslotenheid van een huiskamer, zoals het Haagse poëziefestival.

Het openingsgedicht oogsteen waaraan de titel van de bundel is ontleend, is speciaal voor deze bundel geschreven. Een ontwikkelingsgang door de tijd. Van kindertijd naar volwassenheid. Van toen naar nu. Spel maakt plaats voor de ernst van het leven. Eenvoud en overzicht maken plaats voor complexiteit van het leven. De grenzen tussen de tuinen van goed en kwaad vervagen gaandeweg. “Zij verruilde haar stuiters voor stuivers/ en zocht naar oogsteen en ziel.” Een steen met de uitstraling van een oog. Met in de laatste strofe die prachtige metafoor: “Gisteren staat met een blos/ achter glas en morgen is een mooie formule/ die zich nog moet bewijzen: het is nu./” De overige gedichten komen uit eerder gepubliceerde bundels. Oorspronkelijke onderverdelingen zijn soms veranderd. Afdelingen zijn samengevoegd. Meestal is de structuur wel gehandhaafd. In enkele gevallen zijn gedichten herzien en aangepast.

Uit haar debuutbundel Tussen gebaren en woorden (1982) is slechts één gedicht opgenomen: “Er is de stilte/ waarin de mens/ een tijdelijke waarneming/ doet en is// waarin hij de aarde beziet de vrucht/ noemt en eet// waarin hij tijd en geluiden/ verdeelt en vervoegt// waarin hij onzichtbare goden/ en dromen verzwijgt// er is de stilte/ die zich bevindt binnen/ wat genoemd wordt:// dat wat verstaan wordt//” In de notendop ligt in dit vers de kern van de gedachte- en gevoelswereld van Knibbe besloten. Met woorden als waarneming, aarde, stilte, tijd, onzichtbaar, droom, steen, taal, noemen, zwijgen en verstaan legt ze een aantal belangrijke sleutels voor het verstaan van haar poëzie aan ons voor. Binnen de coulissen van haar subtiele waarneming beschrijft ze de decorstukken van haar leven en dat van anderen op een heel bijzonder behoedzame wijze. Daarin staat het her-inneren op de voorgrond. Ze is vooral gericht op de innerlijke bewegingen van mensen en dingen. Een steen als levenwekkend fenomeen voor de mens.

In haar tweede bundel Meisje in badpak (1992) zet zij de vervreemdende ervaring uiteen die je krijgt als je naar oude jeugdfoto”s kijkt: “het valt mij op hoe nauw verwant ze lijkt/ aan wat met heel diep slapen samenhangt/” […] alsof ik naar een oude foto kijk/ alsof ze eeuwen verder reist//”. De halfjaarlijkse verschijning en verdwijning van de Griekse godin van het dodenrijk Persephone past in die vervreemdende ervaring: “dompelt oud dood in eeuwigheid/ waaraan ze ademloos vroeg licht/licht uit de dichtstbijzijnde tijd//”. Tegenstellingen en paradoxen zijn eigen aan de poëzie van Knibbe. Daarin vangt ze het onvoorstelbare en het onmogelijke dat voor de duur van het gedicht mogelijk wordt. Zo ook de kletsende vrouwen op het terras van het literaire café La Rotonde te Parijs: “en of ze eeuwig zijn, vergeten wonder,/ vertellen ze elkaar de nieuwste roddels// op deze foto, onderdeel van een seconde//”. Knibbe is terughoudend met leestekens. Daarmee wil ze laten zien dat de tijd in eeuwigheid overloopt en zich later weer even in de tijd nestelt. Leven en dood zijn terugkerende verschijningsvormen in het leven van Persephone, en niet alleen in het hare. Geen noemenswaardige grensovergangen, althans niet zichtbaar gemaakt. De Aleph, eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, roept een vreemde vertrouwdheid op die de ik met de jij heeft. Uit het oog verloren, goeddeels vreemden voor elkaar, probeert ze de ander terug te zoeken in de tijd. Dromen over het vergeten sleutelwoord om langs die weg de ander te naderen. Maar ook de geliefde die in haar woorden huist, trekt zich terug in een stilzwijgen, wordt weer moeiteloos en die ze “betrekt in oogopslag en strelen van mijn lijf//” Vervreemden, vreemd zijn en een vreemde van jezelf zijn, zijn terugkerende thema’s.

Haar derde bundel Een hemd van vlees (1994) staat in het licht van een maxime van T.S. Eliot. We kunnen nu wel zeggen dat we er geweest zijn, maar niet hoe lang, waar en wanneer. Deze bundel staat in het teken van het bevreemdende besef dat we bestaan en dat we het niet goed kunnen grondvesten. Om dat besef te naderen gebruikt ze de verhalen uit de Griekse mythologie. Een bezoek aan de ruïnes van Delphi draagt de stille hoop in zich nog oog in oog te zullen staan met de tempels en beelden uit het antieke verleden: “er zouden tempels, het gezang klonk hoog.// Restanten steen in slagorde van dood/wijzen ons bot terecht. Noch god noch / muze zij geloofd, Apollo is verdwenen./ Men heeft een koord rond het gemis gelegd//”. Zo’n laatste versregel is geladen met een diepzinnige suggestie. De onafgemaakte eerste versregel versterkt de idee van de verwachting die niet uit kan komen. Het verleden laat zich niet terughalen in het heden. Zo roept een bezoek aan de Parijse begraafplaats Père Lachaise de herinnering op aan de dodenstad Thebe, de stad “vol heimelijk leven.//” De wandeling brengt de bezoekers bij “een onafzienbaar gat”. Dit onder ogen zien van de dood leidt tot een emotionele conclusie in het bijzijn van de ander: “Ik zou niet treuren/ op je graf, […] dat kan ik niet, ik zou/ je missen, missen zou ik je.//” De omkering in de laatste versregel maakt duidelijk dat het ‘missen van de ander’ zo overweldigend lijkt te zijn, dat de ik daarachter denkt te zullen verdwijnen. De maan van Endymion zorgt ervoor dat in de zwarte nacht “alle kiezels blinde vlekken wit” krijgen. Er is niet te verhoeden dat een mens ouder wordt, van uiterlijk verandert, maar de maan blijft onverminderd zijn schijnsel werpen in deze zwarte nacht van het leven. In het onverbiddelijk voortschrijden van de tijd zijn we onderworpen aan onoplosbare tegenstellingen in dit bestaan. In de tegenstelling ligt de dreiging van en tevens de beweging naar een nieuwe toekomst toe. Een mens is als een hemd van vlees rond de botten. Houd het voorlopig nog even aan, is het advies van de dichter. Deze bundel bevat ten slotte de afdeling ‘Val’ waarin de aftakeling van een dementerende moeder is uitgebeeld die zichzelf verliest en met wie de ik haar strijd heeft te voeren.

De vierde bundel Een bittere navel (1997) heeft vooral het menselijke lichaam tot onderwerp. De Pièta van Michelangelo toont het dode lichaam van Christus in de armen van zijn moeder Maria: “Ging dood aan een geloof en werd een nieuw/ gelijk.” Hij die een offer bracht aan de goden van de tempels te Paestum, ging niet dood: “je stierf/ een ander leven, een bijna eender./” De Boeddha “woont bij ons alsof hij er niet is, geen spaander lijkt hij zich van ons/ bewust./” Gedichten waarin die wonderlijke samenhang en overgang tussen dood en leven worden afgetast. In het titelgedicht van de bundel valt de aandacht op een paradijselijk tafereel. Binnen en buiten het berghuisje met weids uitzicht wordt door mens en dier de liefde bedreven. In aansprekende beelden spreekt de dichter zich daar in helwitte en gitzwarte tinten over uit. Een tocht door de straten van Pompeï volgt: “Bij zoveel verschoten dood lijkt het goed/ om langzaam te leven. Andante un poco/ sostenuto ga ik neuriënd over de stenen.//” De bundel wordt besloten met de afdeling ‘antidood’. Daarin het dichterlijke verslag over een kind dat “te voortijdig valt.” De beelden zijn telkens weer heel aards, concreet en dicht op de huid van de ik: “Vlees van mijn vlees ligt met de ogen/ dicht. Hij ademt log, zijn lichaam/ schokt soms rond zijn hart dat moeizaam// pompt./”. Deze woorden ademen de persoonlijke levensgeschiedenis van de dichter.

De zesde bundel Een dunne duurzaamheid (1999) heeft als motto van Ovidius ‘et in arcadia ego’, dat verbonden is met het verhaal van de vluchtende Arethusa. Zij veranderde in een bron om te ontkomen aan de stroomgod Alpheus. Het tijdeloze beeld van een lezend meisje in steen. En de tocht naar de bloeiende anemonen te Staverden. Hoe het oude stramme echtpaar in schril contrast staat tot het frisse groen van bloemen, terwijl de ik “slenter/ in het stof tussen hen in, verzamel zorgzaam als een kind hun stramme/ rolpatronen en de anemonen, help ze/ de auto in./”. Korte, duurzame momenten van eeuwigheid in een voorbijgaande tijd. Knibbe is zeer goed in staat de taal te vormen naar de situatie die voorhanden is, zoals in het gedicht ‘Voren’: “Er ligt een oude man in bed./ Ik breng een oude vrouw bij hem/ […] Ze praten in herhalingen: /uitzaaiingen van hun gebeden en/ schaarse aardse zekerheden en / binding die ze eeuwig weten./ Ik laat ze met hun lippen samen.//”. Haar taal vertraagt als het ware de voortgang van de tijd. Ik had tot nu toe nog niet zo intensief kennisgemaakt met de poëzie van Knibbe, maar ik ben onder de indruk van de kracht van haar onafgemaakte zinnen, enjambementen en beelden. Maar vooral van de helderheid, de compacte en trefzekere formulering en soberheid van taal. In de afdeling ‘Onder de tijdschaal’ staan de antieke wederhelften tegenover elkaar op de bladzijden: Persephone/Demeter – Eurydice/Orpheus – Icarus/Daedalus. Mijn dochter is telkens weer terecht, zegt Demeter. Wij zijn ons lichaam ingedaald: één vorm die niet te delen is dan in verscheurdheid en gemis. In een labyrint van gruis en stof zit ik domweg te houwen en te bouwen aan mijn kind. De vergeefsheid van het onophoudelijke verlangen drijft hen voort. Knibbe ontleent veel van haar inzichtgevende waarnemingen aan de antieke oudheid. Dat doet ze op een zodanige wijze, dat die elementen in haar gedichten een nieuwe actualiteit krijgen.

De kleine bundel Mijn verwisselbare kop toont in het onnavolgbare licht van Rembrandt vijf van zijn zelfportretten die telkens de eendere en andere Rembrandt door de jaren heen laten zien. In de opeenvolgende verandering van uitmonstering laat Knibbe met enige ironie weten, dat Rembrandt zichzelf ook niet altijd even serieus heeft genomen, wetend dat hij zich met welke uitmonstering dan ook niet verweren kan tegen de aftakeling door de tijd: “Ik die met 28 in de spiegel sta alsof ik/ me verweren moet: /”.

De zevende bundel Verstoorde grond (2002) bevat onder meer de afdeling ‘muziekschool’. Het terugzingen in de tijd kan beginnen. “Je mond beweegt/ geluidloos mee met het verleden, de rest/ zit hier aan deze avond vast./” De reeds bestaande melodie als basis voor een nieuwe meerstemmige compositie weerklinkt omspeeld door andere instrumenten. De ik luistert “als een vreemde/ tussen vreemden/” Eigen jeugdherinnering dooradert deze muzikale exercitie van een kind. “Vandaag/ de wetten van het lied en op de balken/ in mijn schrift kalk ik wat klinkend/ al wat wordt uitgewist, tel/ Kinderszenen.//”. Het laatste gedicht in de reeks ‘Goede Vrijdag’ vertelt van de moeder die zich Maria voelt maar niet als zodanig wordt gezien. Ze zingt de passie over haar ter dood veroordeelde kind: “stem in met toegeknepen. Strot: Erbarme Dich, mein Gott.//”. Dan volgt de afdeling ‘Verstoorde grond’. Opnieuw de geschiedenis van Jezus, maar dan geschilderd door Rogier van der Weyden. Het boek dat moeder en kind verbindt, bevat begin en einde van zijn geschiedenis: “Speels/ wijs ik haar op al wat kreukt tussen/ het eerste en het laatste blad.//” Een serie gedichten over de relatie moeder en zoon. De zoon blikt vanuit zijn eeuwige positie naar de moeder die ontroostbaar schrijft, “dus troost ik haar/ niet, ze wil me niet kwijt./”. Het kind zweeft boven zijn bloedeigen lijf. Daarnaast beschrijft Knibbe het gevoel van gemis van de moeder: “Het is zoiets simpels dikwijls, het is/ gemis van je stem bijvoorbeeld,/”. In de droom vindt ontmoeting plaats tussen moeder en zoon: “Ik droomde dat ik van je/ droomde: we zaten op de bank en praatten wat,/” Op die manier weet Knibbe op bijzondere wijze tijd en eeuwigheid met elkaar te verbinden.

In haar achtste bundel De buigzaamheid van steen (2006) staat opnieuw een motto, ontleend aan T.S .Eliot. Het einde is waar we vandaan komen. De gesloten cirkel. In de vooronderstelling dat steen buigzaam zou zijn, lijkt er bijna een zuil te wankelen op haar benen, wanneer zij zich verlegen gaan bewegen ten opzichte van elkaar: “of nee/ één buigt zijn slanke gestalte in een/ uiterste smeekdans om twee waardoor/ drie zijn voet een slordige fractie/ dient te verzetten. Alleen hun hoofden/ vormen samen een vaste gedachte gebeiteld in één kapiteel.//” Gedachten kunnen de tijd bijeenbrengen en –houden. We komen in de eerste afdeling ‘hier om te beginnen’ een kind tegen dat in de herinnering van de ik opstaat. Opnieuw de sterke behoefte het verleden naam en stem te geven. In de afdeling ‘Steen’ benoemt de archeoloog de stenen van de “rijkdoortekende/ gang van de tempel.” Het Egyptische heiligdom wordt doorkruist. Ook de doden hier begraven: “ook zij dachten in lichaam, waren/ bezeten van leven dat uitdooft/ verstoft./” […] “Grensgevallen/ waren ze zijn we, een hemd over niets/ of een ander geloof./” Besef van vergankelijkheid, mensen zoals wij waren het. Altijd maar weer die worsteling met de tijd. Onder de bezoekers van de tempel staat niemand te bidden. Het jongenskopje in het museum dat eeuwen versteend was, in scherven viel en weer tot leven werd geboetseerd: “Maar geheeld ben ik nooit, onuitwisbaar/ loopt door mijn oude gezicht steeds/ die streep die je niet meer vergeet.//” “Zo de goden worden geboren in hoofden, doven uit tot ene mythe.//” Deze regel uit het gedicht ‘Thetis’ hiel’ vertelt de geboorte van Achilles die bij geboorte zijn moeder Thetis vasthield aan haar hiel. Dat deel van haar lichaam vertegenwoordigde nog haar sterfelijkheid. De worsteling met de sterfelijkheid is thematiek van deze bundel: “Hoe krijg ik/ klaar wat achter horizon en dieper nog/ verborgen is, hoe graaf ik mij zo in/dat wieg en kist, de zin van / helder wordt, hoe tem ik ooit/ de dooi boel die in mij// woedt./” Slaap, wek mij: “sla de steen/ bij mijn hoofd weg en zeg: het is// voorjaar, je moest maar eens opstaan,/” Veel afdelingen in deze bundel van Knibbe wijzen op een worsteling met de vergankelijkheid, zo ook ‘Tegen het verdwijnen’. Waarom moeten er zoveel mosselen ter ziele voor één mens die ze verorbert? En dan zo’n fraaie typering van de vergankelijkheid in het gedicht een ‘Dame met hoed’: Zij “draagt haar hoed als een wapen/ waarmee ze de vingerafdruk van de jaren/ elegant overschaduwt./” Een matroesjka in de arbat, vuil en verwaarloosd, buigt zich vuil “voor waar ze in gelooft: een prentje/ dat van doen heeft met ene kind, ene kruis, een beter// thuis voor straks./ Onder vodden […] schuilt/ het kind dat ze eens was,/” In het gedicht ‘Zijnstra BV’ spreekt ze over al die bermgrafmonumenten. De ik staart ernaar terwijl ze wacht voor de brug.: “Nu je er niet meer bent/ ben je dichterbij dan ooit./”. In de afdeling ‘Kunst van het dragen’ opnieuw die angst voor het verlies, het voorbijgaan. Muziek bij de intocht dringt de harten van de deelnemers binnen. “Acht/ droegen zijn beeld op een baar./ Dat het de kunst is/ goed te dragen, een ritme te vinden samen balans te bewaren zagen we daar./” In deze afdeling een serie gedichten waarin het dragen van het kind tijdens de zwangerschap, het dragen door het leven en het dragen van zijn dood centraal staan: “we vroegen hoe laat komt de dood/voorbij en ze zeiden we weten het niet/ alles is voorbestemd nu en hier/ dus we weten het niet./” De paradox viert hoogtij in deze bundel. De worsteling met de vergankelijkheid en het onbegrip daarover.

Haar negende en voorlopig laatste bundel Bedrieglijke dagen (2008) opent met het titelgedicht ‘Een bedrieglijke dag’. Typisch een Knibbe gedicht gebouwd op het schema van licht en schaduw. Een vrij vers. Een zonnige dag die begon met zoveel blauw. Een dag waarop “zwaluwen begonnen/ muggen te ziften, vlogen de diggelen/ van de dag aan elkaar en vrouwen op/ zondagse hakken omarmden// hun tassen.[…] er kwam iemand/ voorbij, krom van het jichtige/ leven, die groette: vrede zij.//” Er volgt een aantal gedichten met een vergelijkbare strekking. Enige scepsis kan Knibbe niet ontzegd worden. De ik in haar gedichten voelt zich voortdurend aangevochten door het leven. Doel en zin ervan is niet altijd duidelijk voor de ik. Hij probeert het kleine geluk op het spoor te komen. “Het is altijd toch altijd/ dringen op weg naar een ergens// wezen we ver voorovergebogen./” De moeizame ratrace naar het doel dat geen doel blijkt te zijn. De afdeling ‘Huidig’ vertelt over onze illusies omtrent vrijheid, veroudering en liefde. De jaren zestig en zeventig met al zijn uitbundige flowerpower schemert door de verzen heen: “Kijk die foto’s, hoe we ons destijds/ vertoonden: flowerpower met reusachtige/ brillen en alles zat onder het grote// geluk.?” De illusie van een tekening met Caran d’Ache kleurpotloden tovert “een jonge bekende/ die er weer aankomt, die je niet uitgomt.//” Ook in deze bundel situaties die laten zien dat “the end is where we start from”. Op een plek die geen plek is, waar het oude het nieuwe opheft. Knibbes levensvisie schuilt in een versregel als “wij zijn blijven// steken in onbegin, in permafrost zonder/ kou, we bewegen beneden het absolute/ nulpunt waar geen kleumen meer is, bewaren// een stilte die onbewogen de stilte niet is.//” De bundel eindigt met en serie gedichten die gewijd zijn aan de laatste periode uit het leven van de moeder van de dichteres.

Deze keuzebundel van Hester Knibbe vertegenwoordigt een rijke verzameling van gedichten die op velerlei wijze de vergankelijkheid van het leven tonen. Het bij de tijd willen leven. Haar behoefte de tijd te vereeuwigen maakt dat ze schrijft in tegenstellingen en paradoxen. Haar zinnen soms niet voltooid. Ze maakt in haar vrije verzen veel gebruikt van verrassende enjambementen. Haar beelden zijn zeer aansprekend. Persoonlijke ervaringen en belevenissen heeft ze op een behoedzame wijze ingevlochten. Nergens komen sentimentele of larmoyante passages tevoorschijn. Haar toon is zuiver en haar waarneming scherpzinnig. Een absolute aanrader voor elke poëzieliefhebber die van geserreerde poëzie houdt die in de ware zin van het woord klassiek is te noemen. Ze verdient met haar poëzie meer waardering dan ze tot nu toe heeft gekregen.

Recensie van Buurtkinderen - Arjen Duinker

Bokkende klinkers in de straat

Arjen Duinker
Buurtkinderen
Uitgever: Querido
2009
ISBN 9789021435381
€ 21,95
214 blz.


Buurtkinderen
is de nieuwste bundel van Arjen Duinker, en met meer dan 200 pagina’s (!) is het een hele dikke. Bij een dergelijke zwaarlijvigheid verwacht je eerder een verzameld werk of bloemlezing in handen te hebben, maar daar is geen sprake van. Kennelijk houdt deze dichter er een stevige productie op na – zijn vorige bundel En dat? Oneindig verscheen een krappe drie jaar terug – , al kan een te grove zeef bij de selectie natuurlijk ook de oorzaak zijn van de Duinker waarmee uitgever Querido nu op de proppen komt. Het maakt hoe dan ook nieuwsgierig naar of en hoe de dichter zijn ‘buurtkinderen’ tot leven wekt. Een uitermate geslaagde omslag met speelse typografie wakkert die nieuwsgierigheid nog extra aan.

Deze bundel telt acht secties die titelloos zijn en dus niets over hun eigenlijke inhoud prijsgeven. Dat is jammer, want daardoor heeft de groepering weinig meerwaarde. Een heel groot gebrek is het niet. Veel gedichten van Duinker hebben de helderheid van een stratenplan. Ze kennen zogezegd hun eigen ordening en verdwalen doe je er dan ook niet snel. Maar snel gaat het wel. Elke versregel is een weg die uitmondt in een andere. Snelle bochten en afslagen wisselen elkaar af. En al gebeurt dat in een hoog tempo, Duinker stuurt zijn ‘weggebruikers’ zelden het bos in. Dat is hoofdzakelijk te danken aan de concreetheid van zijn beelden. ‘De lippen van de wereld volgen de trottoirs’ is er zo één. De tastbare, makkelijk te pakken beeldtaal maakt dat je doorleest en zo als het ware door de regels getrokken wordt, benieuwd naar wat achter de volgende bocht opdoemt, en de volgende.

Hoe zeg ik dit precies en goed,
Op enig moment begreep iemand
Dat licht niet in water ontstaat,
Maar dat je voor het maken van licht
Wel veel naar water moet kijken,
Hij gaf de voorkeur aan mooi water
Dat geen voorzetsels nodig heeft,
Water dat een bloem is, een hand,
Een paar schoenen, een mol,
Er waren nog meer dingen
Die hij meende te begrijpen
Maar die hadden niet zoveel
Met licht te maken.

Dit gedicht ‘Fabriek’ geeft me die sensatie van voortgetrokken worden. Hoe de gedachten ook van de hak op de tak mogen springen, ik wil met Duinker mee naar de volgende afslag. Dat is geheel de verdienste van de schrijver, en het is meteen een wonderlijk gegeven van deze poëzie. Te meer omdat de gedichten maar weinig van hun inhoud prijsgeven. Hoewel Duinker volop experimenteert doet hij dat zonder leesbaarheid en toegankelijkheid op te offeren.

Vaak, heel vaak, is de taal het eigenlijke onderwerp. Dat is geen toevalligheid. Duinker hanteert zijn medium als een zelfstandige grootheid die eerst en vooral naar zichzelf verwijst. Of zoals hij in de cyclus ‘Sailor’s home’ schrijft: ‘De woorden op de helften van de tong / Worden zelfstandiger en onafhankelijker! / Ze beginnen elkaar toe te roepen / Ambitieus onder een oneindige hemel! / Ze doen hun best, schokkend en transparant, / Om sterren uit speeksel te destilleren.’ Een paar zinnen verder zet Duinker die emancipatie van de taal nog verder door: ‘Nu zijn de woorden niet meer van de tong / Maar is de tong eigendom van de woorden’.

Is dat tegelijk ook wat Duinker als dichter drijft, doorschijnend te worden, de woorden door te geven en daarbij zelf zo min mogelijk in de weg te staan?

In ‘Twee voorstellen’ stelt hij:

De woorden die het onderzoek mogelijk maken,
En blauw en rood onmogelijk,
Stilletjes vervangen door hun tegendelen.
In de wereld luistert de lucht nauw.
Resultaten beweren niets
En de wolken brengen water
En de wind kust de stenen.

Weer een hoofdrol voor de taal. Dit is beredeneerde poëzie, maar allerminst voorspelbaar. Dat komt met name doordat niet de rede, maar de talige associatie en intuïtie van de dichter de boventoon voeren. Argumenten zijn voor Duinker in de eerste plaats bouwstenen die ten dienste staan van de taal, van het spel; materiaal van klinkers en lettergrepen om niet de betekenis maar het woord zelf tot aanschijn te roepen en het bestaan ervan legitimeren. Dat blijkt ook uit het vervolg van hetzelfde gedicht.

Minstens de helft van de gedachten
Aanvullen met nachtelijk lawaai.
Rondom de laboratoria
Jaagt het geluk
Op de staarten van de dingen.
Laat de ramen hun mond houden
En laat de stoelen willekeurig dromen.
In elk sieraad verschuilt zich een stap
Richting kalmte

Vooral de slotzinnen zijn typerend voor hoe Duinker ‘het doet’. Hij dicht hier zijn objecten leven en levende eigenschappen toe, zodat ze onderdeel worden van een animistische wereld waarin elk woord deel krijgt aan het geheim te bestaan. Ze geven niet alleen gestalte aan het geheim, maar zijn tegelijkertijd het geheim zelf. Het is gematerialiseerde taal. En dat daarin veel mogelijk is bewijst deze dichter onder andere met ‘Sowieso’. In een wonderlijke, humoristische dialoog laat hij zijn gesprekspartners objecten ‘opperen’. Nadat de ‘ik’-figuur recepties, manchetknopen, handschoenen en autosleutels oppert, is het de beurt aan de ander.

(…)
De ander zei:
Ik wil iets opperen
Met redeneringen en terrassen
En weerzin en sowieso en opzet.

De aarde smaakt naar vanille,
Spoken smaken naar de wind
En de taal smaakt naar ons.

Hier spat het plezier toch vanaf! Het is alsof je de dichter ziet wijzen naar de woorden voor hem op papier, alsof hij zegt: kijk ze buitelen, hoor ze lachen, luister naar hoe ze ruzie maken en met elkaar spelen. Het zijn de buurtkinderen die als bokkende klinkers en joelende medeklinkers de straat waarin Duinker woont, woord voor woord tot leven wekken. ‘Sowieso’ is hierin zeker geen uitzondering en dat maakt dat je geen moment valt over de hoeveelheid die je in deze bundel krijgt voorgeschoteld. Taal als een minstens zo tastbare werkelijkheid als die tastbare werkelijkheid zelf, dat is wat Buurtkinderen te bieden heeft.

Een kanttekening is te plaatsen bij de typografie in het binnenwerk van deze uitgave. Duinker kiest ervoor elke regel te beginnen met een hoofdletter. Bovendien grijpt hij ook nog eens irritant vaak naar het uitroepteken op zijn toetsenbord. Dat geeft een nogal schreeuwerig karakter aan poëzie die van zichzelf al meer dan genoeg gewicht heeft. Ik had het graag achterwege gelaten. Maar het zijn hoe dan ook details.
Duinker krijgt het in deze hele dikke bundel voor elkaar om als een alchemist de taal te materialiseren en soms zelfs in regelrecht edelmetaal te veranderen. Goud of zilver is dan nog een smaakkwestie.