Recensie van De wereld heeft geen overkant - Klaas Jager

Iemand zijn

Klaas Jager
De wereld heeft geen overkant
Uitgever: In de Knipscheer
2008
ISBN 9789062656394
€ 16,50
96 blz.

Van Klaas Jager (1961) verschenen eerder bij dezelfde uitgever Windwakken in de tijd (2001) en Klipgeiten (2004). Hoewel beide bundels, waarin indringende natuurobservaties samengaan met existentiële beschouwingen rond de eigen persoon, door diverse recensenten positief besproken werden, leidde het voor Jager niet tot een echte doorbraak. Met De wereld heeft geen overkant is er een nieuwe kans poëzielezend Nederland ervan te overtuigen dat Jagers gedichten ernstig genomen moeten worden. Dat laatste dan vooral ook in de letterlijke betekenis van het woord, want een sterk ervaren ‘ernst’ domineert de bundel. Helder en consistent weet Jager een gevoel van urgentie op te roepen dat ervoor zorgt dat van zomaar wat vrijblijvend bladeren al gauw geen sprake meer kan zijn. Dit moest niet alleen geschreven worden, het moet vooral ook gelezen worden. En om Jager maar meteen te positioneren: regelmatig brengen zijn gedichten Kouwenaar en Nolens in gedachten. Kouwenaar vanwege het wereldbeeld en de levenssfeer, maar ook vanwege een bepaald zinsritme dat haast een zelfde manier van ademen verraadt en Nolens door de parlandotoon en de vaak zeer persoonlijke invalshoek. In beide gevallen: verwantschap, geen epigonisme.

De wereld heeft geen overkant is met precies tachtig gedichten een forse bundel. Er zijn drie afdelingen (‘Liefdestijd’, ‘Halverwege, het midden’ en ‘Houden van het imperfecte’) en één gedicht dat programmatisch vooraf geplaatst is, nog voor de inhoudsopgave:

het kan niet blijven

Het kan niet blijven
indien het blijven zou werd
het op den duur onzichtbaar

al die woorden ook
ze hebben geen bloed

verdwijnen totaal zodra
de lege huls ontbindt

het meest wezenloze wit
wat er nog van over is.

Bij Jager is de taal zelf onderdeel van de paradox dat bestaan afhankelijk is van voortgang, dus van verandering; wat verdwijnt blijft, maar wat voor veranderen niet vatbaar blijkt, is levenloos, dood. Woorden zijn dood, als zij hun betekenis verspillen en niet op een nieuwe manier tot leven gebracht worden.

De afdeling ‘Liefdestijd’ bestaat uit een gelijknamige cyclus van vijftien gedichten en een vijftal losse. Met elkaar vertellen ze de geschiedenis van een liefde, de onkenbaarheid daarvan en de reflectie daarop vanuit verschillende standpunten, met heden en verleden als wisselend perspectief. Opvallend daarbij is dat de ‘ik’ die in deze gedichten aan het woord is, de sterke neiging heeft afstand te willen nemen, vooral van zichzelf, ‘want liefste, het waait me door het bloed, niet met / de mond te spreken van degene die jij voor je ziet.’ Zo begint een gedicht met ‘Lieve liefste, ik doe maar alsof ik / schrijf in het besef dat niets blijft’ om te eindigen met ‘[terwijl] de dichter door het lachspiegeldoolhof / van zijn hersens dwaalt, zich stukloopt / op de glazen wand van het onzegbare.’ Voor wie in één gedicht overgaat van het persoonlijke ‘ik’ naar het afstandelijke ‘de dichter’, is het maar een kleine stap om uit te komen op het volstrekt onpersoonlijke ‘iemand’:

steeds overnieuw

Steeds overnieuw, niet belet door kennis en inzicht,
want aan dat vermogen komt een einde en de afspraak

is dat het voorgoed eenmalig is, moet iemand de winter
in zijn eentje overbruggen, een wak slaan, ijsbloemen
rooien, sneeuw laten smelten op lichtschuwe plaatsen

iemand moet de woorden sparen uit zijn eigen mond,
in ruil voor droog sprokkelhout om vuur te maken,

met stalen geweld op het aambeeld van de zon slaan, net
zolang totdat het vonken regent voor zijn verkleumde liefde.

Met ‘ik’ zou het gedicht pathetisch geworden zijn, iets smartelijks hebben uitgedragen; ‘iemand’ neutraliseert dat en maakt het persoonlijke invoelbaar en doorleefbaar.
In de eerste afdeling wordt de stap naar ‘iemand’ nog maar aarzelend gezet, maar in de volgende afdelingen staat er nauwelijks een gedicht waarin deze ‘iemand’ niet aanwezig is.

‘Halverwege, het midden’ heeft de bezinning  ‘media vita’ als uitgangspunt, waarbij het erop volgende ‘in morte sumus’ nadrukkelijk meeklinkt in ‘een wereld niet groter dan die ene weg die / hij volgen moet, ook al kost het zijn leven.’ Alles lijkt daarbij te draaien om beheersing van zowel de binnen- als de buitenwereld, gedicht na gedicht wordt een soort emotioneel pantser opgeroepen dat nochtans alleszins doorzichtig is: ‘in de kluis ligt winterschaarste van vroeger’, ‘iemand wordt zichtbaar in het donker, // overspeelt zijn hand bij elke vingertast, houdt / afstand van de verte die geen schuilplaats heeft.’ Veel gedichten hebben zo’n sterke existentiële grondslag, dat het niet anders kan of Jager heeft zich sterk vastgebeten in de denkwereld van Sartre en Camus. Wie zichzelf tot vreemdeling maakt, leeft in een wereld die hem buitensluit: ‘het is onbekend wie wie is, iedereen doorkruist elkaar’, ‘de wereld heeft geen overkant, iemand zit doorlopend / vast aan zijn plaats in de maalstroom van de herhaling.’
Telkens als de bundel daardoor iets monomaans dreigt te krijgen, verrast Jager met pure lyriek waarin taal en beeld alle ruimte krijgen. Dit is een subliem gedicht:

de zomer maakt slagzij
2

De avond is al bijna deze avond niet meer,

de zomer is overrijp, maakt slagzij,
maar drinkt nog weg als lauwe rode wijn,

een doodstille figuur schuifelt door de tuin,
iemand voelt de hartslag van iemand die er niet is,

de houtduif klapwiekt in het verfomfaaide nest,
de dagpauwoog flirt nog wat met zwaartekracht,

het licht stolt als bloed op huid van porselein,
iemand hoopt op een woord dat niks terugzegt.

De slotafdeling ‘Houden van het imperfecte’ zet de bundel op dezelfde voet voort. De dichter blijft zich rekenschap geven van het ongrijpbare bestaan in een niet te vatten wereld (‘er bestaat geen therapie voor het leven’), maar taal en dichterschap worden nog wat nadrukkelijker tot onderwerp gemaakt: ‘hoe nostalgisch moet een hart zijn, om alle / clichés van een gelukkige jeugd te doorstaan // vroeg of laat slaat ook daar de winter toe, / worden woorden overbodig verklaard, terwijl // de dichter in een uitgeputte voorraad tast, zich / verkijkt op de overspelige inborst van de waarheid.’

Zou je al een bezwaar tegen deze poëzie willen opperen, dan is het dat de denker de dichter soms enigszins in de weg zit. Jager zelf is zich van dat gevaar zeer wel bewust en slaagt er slim in dat voor een kerngedicht van de bundel aan te wenden:

eindelijk gelukkig zijn

Terwijl hij de tegenwoordige tijd
aan repen snijdt twijfelt de dichter;
in alles komt het oude fundament boven

gister is een opgebroken straat,
morgen een loopplank boven het ravijn

hij zou de werkelijkheid beschrijven
alsof het een idyllische ansichtkaart was

een huis bewonen in het holst van de vrede
de klok stilzetten, de geschiedenis wissen, de
toekomst laten verjaren bij een onmogelijke liefde

hij zou de denker, die weliswaar de dichter benijdt,
maar hem te pas en te onpas waardeloos verklaart,
met een wrede list de dood injagen;

hij zou alleen overblijven en eindelijk gelukkig zijn.

Bij Jager zijn dichter en denker tot elkaar veroordeeld. Gelukkig maar, want dan ben je pas iemand. Lezen die man!

Recensie van zouttong - B. Zwaal

Water als inhoud

B. Zwaal
zouttong
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021435053
€ 17,95
48 blz.

De ideale verhouding voor water en zand om zandkastelen te kunnen bouwen is 1 : 8, hoorde ik laatst op televisie. Zit er naar verhouding meer water bij het zand, dan ‘vloeit’ een zandkasteel in elkaar, is het droger, dan laten de zandkorrels gauw los en verstuift de boel.
Bestaat er ook zo’n recept voor luchtkastelen, in casu poëzie? We zouden het ons af kunnen vragen. Zandkorrels laten zich gemakkelijk met woorden vergelijken en water vervult wel vaker de rol van ‘inhoud’, oftewel de ‘glue’ die de woorden bij elkaar houdt. De metafoor lijkt in elk geval toepasselijk voor de bundel zouttong van B. Zwaal, die ik hier wil bespreken: ‘druppelende, drinkbare, zeewaardige poëzie’, volgens de achterflap. Drinken wij al lezend dus het eerste gedicht:

een gelderse roos droomt van de sneeuw
van haar lente

zongeruchten lichten het schip op
het anker scheurt uit de herfst

verleden geurt in de wind
naar de mispelen
geurt de riviermond

wind stuift onder zeil
roeit water het land in

verdwaald slentert de dijk
langs het huis

de appelen
bewaren de zolder

Dit gedicht heeft inderdaad iets waterigs, op het eerste gezicht in de lay-out al, maar dan heb ik het over de vorm. Het waterige van de inhoud komt vooral doordat de woorden ‘schip’, ‘anker’, ‘riviermond’, ‘water’ en ‘dijk’ erin voorkomen, en doordat het over een overstroming lijkt te gaan. Maar er is meer: een gelderse roos kan ook een vrouw zijn, die van haar vroegere onschuld droomt. Of geeft die eerste strofe gewoon een beeld van de voorbije lente?

Zongeruchten (wat een prachtig woord!) doen, omdat er licht op het schip valt, het schip oplichten. Maar het kan ook zijn dat het schip wordt opgelicht, door hoog water, beschenen door de zon. Merkwaardig is dat het anker uit de herfst scheurt. Misschien wordt ‘herfstgrond’ bedoeld, maar het kan ook slaan op de herfst van het leven. Gaat het om een oude vrouw die sterft? Komt de ziel los van het lichaam, zoals een schip bij hoog water zijn anker lostrekt uit de (herfst)bodem? Het zou kunnen, maar het anker kan ook gewoon even oplichten in de zon, en op die manier uit de herfst ‘scheuren’, en dan is er verder niet veel aan de hand.

Mispelen zijn vruchten van een appelachtige boom, die overrijp worden gegeten. Wordt het verleden zo ervaren? De riviermond die geurt naar mispelen ‘spreekt’ als het ware over het verleden. Maar een rivier wordt ook vaak als beeld voor het bewustzijn gebruikt, en dan is de riviermond de plek waar het bewustzijn het leven verlaat, dat is: waar wij sterven.

Wind stuift – met druppels van opslaande golven? – onder het zeil (een anagram van ‘ziel’), en roeit water het land in. Zoveel water dat het landschap haast niet meer herkenbaar is en het lijkt alsof de dijk verdwaald is: het land-lichaam wordt overspoeld, zoals bij het einde van ons leven de dood ons lichaam ‘overspoelt’.

Appelen bewaren de zolder: de zolder waar vroeger de appelen bewaard werden? Een zolder is een opslagplaats en kan als een metafoor voor de herinnering worden gezien. De appelen bewaren zo gezien dus nog een stukje herinnering. Appelen die trouwens ook vaak geassocieerd worden met een vrouw (Eva) en met de zondeval in het paradijs, hoewel men bij al dat water ook aan de zondvloed zou kunnen denken. En daarmee zijn we weer bij ‘de sneeuw van haar lente’ terug: het thema van de onschuld in de eerste regel.

Waarom ga ik hier zo diep op in? Niet omdat ik denk dat het gedicht hiermee verklaard wordt. Dit alles zegt in wezen niets over wat de dichter ‘bedoeld’ heeft met dit gedicht. God weet wat een dichter bedoelt! Het zijn mijn persoonlijke associaties. Ik heb onlangs te maken gehad met een sterfgeval en het is niet onwaarschijnlijk dat dit gedicht – in al zijn waterigheid – spiegelt wat er speelt in mijn onderbewustzijn. Ik vermoed zelfs dat de dichter een heleboel van wat ik denk helemaal niet zo bedoeld heeft, want eigenlijk komt het gedicht qua sfeer tamelijk licht over en mist het de dramatiek die ik erin wil zien. Ik laat me willens en wetens verleiden en misleiden door een spel van reflecterende golven. Gedichten liegen trouwens altijd – per definitie, zou ik zeggen – maar om de dichter nou hierover aan de tand te gaan voelen? Dat brengt de betekenis van een tekst toch niet boven water. Gesteld dat een tekst (zonder rekening te houden met de context) één vaste betekenis kán hebben, het is haast als vragen naar de vorm van water. Enfin, wat verder in de bundel ‘vaart de carolien’:

daar vaart de carolien

boven het atlasgebergte
een knoopje los

een gaffeltje van zin

uit het zeedijkse
westkappelse
zeezuiver
zoutsmakende
licht

flitst
roomrood
de sproetkrul
de lokharen mondkam

waaruit stralen

woorden
van schelp

op rede
liggend

op vloed

Ook hier weer een hoog vochtgehalte. Het zoute nat druipt bijna van de pagina. En het moet gezegd: bij waterige gedichten lijkt de inhoud haast nog minder vast omlijnd dan gewoonlijk. We kunnen er weer lustig op los interpreteren. ‘De carolien’, is dat geen vrouw? En op het ‘atlasgebergte’ hebben we met dat losse knoopje natuurlijk een veel beter zicht … Hoewel, dat ‘knoopje los’ zou ook het schip zelf kunnen zijn, van veraf gezien dan – of op de vaarsnelheid (in knopen) betrekking kunnen hebben.
De verbeelding kan bij waterige poëzie werkelijk alle kanten opgaan. ‘Een gaffeltje van zin’? Dat kan bijna letterlijk als ‘een dubbelzinnigheid’ worden opgevat. Een gaffel is een onderdeel van een schip, maar ook een tweetandige hooivork. Zo komen we van de zee, via een opengeknoopt bloesje in een hooiberg terecht, waar alle lentekriebels kunnen worden uitgeleefd (jaja!).

Een veelzijdigheid aan interpretatiemogelijkheden is een van de sterke kanten van deze poëzie, maar wie alle gedichten van de bundel leest merkt toch ook veel eenzijdigheid:

smoor smijt de smachtkool uit haar oven
uit haar email

in de vondplaats van haar dijen schuilt
havenvaart

ik pak de sloepkans aan
met beide polsen

reef

Alweer die verbintenis van zee en erotiek, alsof de dichter uit iedere golf Aphrodite ziet opduiken (al heb ik daar persoonlijk niets op tegen). Het laatste woord ‘reef’ leest men in dit verband al bijna als ‘teef’. Mooi hoe de dichter hier en daar nieuwe woorden ‘smeedt’, zoals: ‘smachtkool’, ‘vondplaats’ en ‘sloepkans’. Alsof het logisch is dat bij al het zeezand van zijn woorden soms twee zandkorrels aan elkaar blijven kleven! Men zou haast een klein woordenboekje van ‘Zwaaltaal’ gaan aanleggen. En het werkt: de vaak duidelijk seksueel getinte inhoud van de gedichten wordt er poëtischer door en behoed voor een al te platte benadering.

Maar om terug te keren bij de draad van mijn verhaal, bij de zin van deze zin. Er lijkt iets tegenstrijdigs in de poëzie van
B. Zwaal te zitten: aan de ene kant een groot aantal interpretatiemogelijkheden, en aan de andere kant gedichten die toch wel erg veel op elkaar lijken en veelal hetzelfde effect sorteren. Hoe valt dit te rijmen?

Het antwoord komt ondubbelzinnig bubbelend boven: dat moet iets te maken hebben met het (soms te?) hoge vochtgehalte van deze poëzie. De ideale verhouding van water en zand wordt in deze gedichten overschreden. De zandkastelen die deze dichter bouwt hebben de neiging te vervloeien en in heuvels zand te veranderen. Dat geeft onverwachte mogelijkheden: wat als een kasteel bedoeld was, lijkt plotseling ook op iets anders … Maar soms vervloeit het allemaal teveel en zien we alleen nog zandheuvels … Zandheuvels die al net zo zijn als golven: ze lijken allemaal op elkaar.

Recensie van Namens de ander - Ester Naomi Perquin

Val met niemand samen

Ester Naomi Perquin
Namens de ander
Uitgever: Van Oorschot
2009
ISBN 9789028241114
€ 14,50
52 blz.

Met Namens de ander presenteert Ester Naomi Perquin (1980) haar tweede dichtbundel. Bij een tweede bundel is het altijd interessant om het debuut er weer eens bij te pakken en te kijken hoe een dichter gegroeid is. Zeker als je in de tweede bundel het volgende gedicht aantreft:

Gevolgde adviezen

1.
Dat het schimmiger moest, ik wist het, verbeet me,
probeerde krampachtig de helderste lijnen

te wissen, als ik ‘s ochtends de man aan de rand
van het kanaal zag – ik weekte hem los

van zijn vissen, schoof hem een haas in de handen,
kleedde hem potsierlijk, legde hem

vast in een laag vaseline.

2.
Dat het helderder moest, ik begreep het, verbeet me,
hervatte gewiste verbanden, greep

naar het aas onder water, sloeg de haak in een bek,
trok dwars door de golven en waar ik de man zag –

ik bracht hem een lijn in zijn handen die tot aan
het glanzende einde geen enkele vis

aan het licht bracht. 

Zelf was ik een van diegenen die vond dat het in Servetten halfstok wel wat complexer, ‘schimmiger’ dus, mocht. Maar tegelijkertijd had ik heel veel bewondering voor Perquins vermogen om gelaagde, diepgaande gedichten te schrijven die de lezer toch vertellen wat ze te vertellen hebben. Het fantastische van Namens de ander is dat ze erin geslaagd is beide te doen. Haar gedichten zijn complexer geworden, veel complexer zelfs. Vrijwel nergens is eenduidig te zeggen waar een gedicht over gaat en sommige gedichten geven hun geheimen zelfs na herhaaldelijk lezen maar moeilijk prijs. Maar het is ook helderder geworden doordat de bundel als geheel een overkoepelend thema mee heeft gekregen. Namens de ander problematiseert namelijk, zoals de titel al een beetje zegt, de (liefdes)relatie tot die ‘ander’. In hoeverre moet je willen versmelten met die ander? Wanneer wordt de sleur van steeds hetzelfde een roofdier, om maar even met D. Hooijer te spreken? Het probleem wordt goed uiteengezet in het openingsgedicht ‘Risico’s’:

het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.
We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels

iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar. 

Oef, dat ziet er niet goed uit. Het gedicht begint met de woorden ‘Onze gebruikelijke kamer’ en kan worden geïnterpreteerd als een verslag van de aankomst van een stel in een hotel waar ze, hoewel ze inmiddels iets beters kunnen betalen, ieder jaar komen. Ze zijn vooruit gekomen in de wereld, ze zijn samen gebleven maar het is er niet spannender op geworden. Juist in het mijden van risico’s schuilt het gevaar, lijkt Perquin te willen zeggen. Maar overal in deze bundel, dus ook in dit gedicht, is de boodschap een dubbele. Want beschermt de sleur die we zo vervloeken ons ook niet tegen een ellende die nog veel groter is? En bewaart zij niet ook dat vonkje dat we liefde noemen? In Perquins woorden: ‘We wagen ons gewoontes in, / hebben ons lief. We herhalen.’
Het thema wordt ook in het gedicht ‘Verandering’ behandeld. En ook daar is weer sprake van de gewoonte, de stilzwijgende versmelting met de ander die zowel bedreiging als bescherming is: ‘bescherm ons, gewoonte, wees alles / omvattend, raak ons ingesleten.’
Verderop, in ‘Vreemden’, is ze weer feller:

Leg tussen jezelf / de ander een diepe zee en verf je haren,
hou je onhoorbaar voor elke poging tot elkaar, verzet je
tegen nadering met rotsvast uitgesproken namen.

Geef volle ruchtbaarheid en ga een oorlog aan, wees
te allen tijde onveranderbaar. Val met niemand samen. 

Maar dan zijn we ook aangeland aan het eind van het tweede deel van de bundel, ‘Kans op inslag’ geheten, waarin de relatie met ‘de ander’ lijkt stuk te lopen op ‘het altijd aanwezige gat in de weg’ (‘Zij stellen zich voor’). In het derde en laatste deel, ‘Bij wijze van kater’, waar de band met de ander vervaagd is, speelt opvallend genoeg het begrip familie een belangrijke rol. Maakt de ene versmelting plaats voor de andere?

Maar het zou flauw en te makkelijk (en dus een echte recensentenstreek) zijn om deze afwisselende bundel te reduceren tot een verhaal over een ongelukkige liefde. Het zou ook niet verklaren waarom er in Namens de ander zo vaak dingen ingevuld, aangekruist en ondertekend moeten worden. Uit ‘Onderzoek’:

Als u van een brug springt zult u toch proberen:
A) uzelf aan te wijzen op een kaart
B) steeds verder weg te drijven
C) halverwege om te keren 

Of ‘Beroep’:

Kruis desondanks de juiste hokjes aan. Geel
wil zeggen aanwezig. Gewerkte uren
zijn schematisch weergegeven. 

En het gedicht dat de bundel besluit, en dat duidelijk over de dood handelt, heet ‘Hier tekenen alstublieft’. Het samenvallen met ‘de ander’ krijgt in deze gedichten een hele andere invulling. Het gaat om het samenvallen van het ‘ik’ met de ‘anderen’, de samenleving, de buitenwereld. Het gaat over het verzet van het ik dat niet, door bureaucratie of door de vage vragen van een of ander testje van zijn identiteit beroofd wil worden.
En dan is er ook nog erotiek, humor en de geheel eigen toon van Ester Naomi Perquin, die er in ieder gedicht in slaagt om, hoe donker de behandelde materie ook is, het schrijfplezier te laten doorklinken.

Recensie van Lichtspraak - Mark van Tongele

Het genot van de taaltrilplaat

Mark van Tongele
Lichtspraak
Uitgever: Atlas
2008
ISBN 9789045009810
€ 16,50
60 blz.

Mark van Tongele, van wie vorig jaar Lichtspraak verscheen, werd door Paul Demets ‘de componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’ genoemd, Daniël Dee stelde bij hem ‘een imposant klankregister’ vast en Yves T’Sjoen sprak in zijn inleiding bij Van Tongeles eerder verschenen imposante verzamelbundel van ‘vitalistische taalexploratie’, van ‘een zinderende waterval van taal, gericht op auditieve receptie’. Hij kenschetste Van Tongele daarbij als een dichter van de taal, voortdurend uit op taalvondsten.
Van Tongele zelf formuleert het op bladzijde 21 van de bundel zo:

ARS POETICA

Het ware zijn hangt in de wind
die je aanademt bij het zeilen
op de bodemloze dagvloer.

Een dichter met kloten aan
zijn lijf blijft heldhaftig aan
het hulpeloze roer van licht-

spraak staan. Kotsend in lots-
roes kerend in het woelwater
van de werkelijkheid, klotsend

onvervaard van plezierhaven
naar plenszeergraven licht hij
de klink van zijn logboek.

Taal is wat Van Tongele als dichter bepaalt en dat is evenzeer iets wat hij zelf bewust nastreeft, als iets wat hem als het ware overkomt, wat hem buiten zijn wil om wordt opgelegd en wat hij als dichter moet ondergaan. In dit gedicht werkt alles in zijn voordeel: de opvallende woordvondsten, het klankbeeld, maar vooral de vereende kracht van opbouw en betekenis. Hoe gesloten het gedicht ook lijkt, je hoeft inderdaad de klink maar op te lichten en je bent binnen in wat allerminst hulpeloos wordt verklankt. Een dichter met kloten, kotsend in lotsroes – van zo’n dichter wil je alles lezen, kom maar op met het woelwater van de werkelijkheid!

Het kan ook anders. Een gedicht over ‘woordkleuren’ die de dichter aan ‘hun vlucht’ zegt te herkennen (met de mooie woorden ‘roodkeelpieper’ / ‘zoenkantgaarder’ / ‘brongalmzin’) eindigt met ‘Een o zongat in / de lucht springen.’ De woordspeling doet nogal ruw uit de taalroes opschrikken. Soms lijkt Van Tongeles niet meer te doen dan bijzondere woorden uitstrooien en ontstaat er een soort taalconfetti die je na een paar regels al wat narrig van je af wilt schudden, omdat ieder betekenisverband eraan lijkt te ontbreken:

GROOTHANDEL IN LETTERLEERMIDDELEN

Plezierpapier en woordhandenarbeid: rijgpompons
reddingsvervoeringstuigen badmintonshuffels zelf-
klevende mozaïeksteentjes wittcol memokubus meng-
potjes inleg-rangschikplankjes regenboogkleurpotloden
lomers hoelahoep funliner glitter linkprint creall-fix
doezelaars dobbelwoordbouw oorstekers oogstickers
partyslingers parelpoppetjes prikvilt vogelbekjes vouw-
maskers wiebelogen wereld motiefpapier vensterfolie
roltongen zilverkoord taartdozen stoepkrijt loopklossen
kleurknotsen klokkwartetten kaarsenzand glow in the dark.

(p. 23)

Echter is dit, net als ‘Ars poetica’, een gedicht uit een afdeling waarin Van Tongele zelf de sleutel geeft die past op deze taalgrootspraak. Een volgend gedicht, getiteld ‘Lang zal hij leven’, begint namelijk met ‘Sinds mijn coma, waarin ik // de exotismeloze voering van / de andere zijde wezenloos onderging’ en vervolgt met ‘trilt mijn hart inniger bewogen / door elk bewegingsverschijnsel’. Wie geestelijk ‘dood’ is geweest en vervolgens de genade van de taal weer mag ervaren, wil niet anders dan ‘gedachte na gedachte in het verstaan roepen’ (‘Free kicks’), die geeft zijn ‘taalros vrolijk de sporen’ (Ju-ju’)’, vindt revalidatie pas echt een genot als hij ‘enkele minuten op de taal-/ trilplaat’ kan staan, want dat ‘is identiek aan uren/ normale intensieve training’ (‘Wordstep & Vibe’).

Lichtspraak telt 42 gedichten, ondergebracht in vijf afdelingen van ongeveer gelijke grootte: ‘Residentie Seafun’ , ‘Lang zal hij leven’ , ‘Lichamelijk heden’, ‘Plasmapolka’ en ‘Moederlief’. Van Tongele verbindt daarin zijn centrale thema van een levende taal aan betrokkenheid op de dood van geliefde naasten. In de eerste plaats is dat de angst voor de kwetsbaarheid van zijn dochter. Het betreft slechts een paar gedichten, maar door de kracht ervan is de thematiek toch dominant, te meer daar ze gespiegeld moeten worden aan de vele gedichten over ziekte en dood van de moederfiguur. De bundel opent ermee, iedere afdeling eindigt ermee en de laatste afdeling is er vrijwel in haar geheel aan gewijd.
‘De mantel van het leven ruifelt’, lezen we in ‘Doodmistig’, het openingsgedicht van de bundel, en dan mag de taal verder nog zo schuimen dat het leven in wezen iets is wat schrijnt, je in je tredmolen in zak en as doet zitten, kwetsbaar in je eigen binnenland, daarvan is Van Tongele zich maar al te zeer bewust. Als hij als dichter overleeft, zal het zijn met een gedicht als dit:

OP HET STRAND VAN OOSTENDE

Overhoop liggend,
de branding aan mijn lijf.
In elk ogenblik dat ik ophemel
rommeldebomt het fataalste.

Onder mij kraakt de schelpenschijn.

Verblind door wit geruis
raak ik wal noch kant. Kwansuis.

In hemelsnaam, wie heeft de hand
aan de jaaglijn van de wolken?

*****
Mark van Tongele (1956) bundelde in Gedichten (Lannoo|Atlas, 2005) Relikwieën van ritme (1984, ongepubliceerd), Zij gedichten (debuut, 1994), Vaderlatingen (1997), Lopend licht (2001), Ochtendrood en co (2002), Taalwaterval (2003) en Luchthonger (2004). Daarna verscheen bij Atlas nog Met de plezierboot mee (2007).
Gedichten is op internet integraal te lezen.
Zie hier voor de voortreffelijke bespreking van deze bundel door Dirk Vekemans en hier voor de recensie van Daniël Dee.

Recensie van Sloop de stad met tedere woorden - Rense Sinkgraven

De vuilboom loert

Rense Sinkgraven
Sloop de stad met tedere woorden
Uitgever: kleine Uil
2009
ISBN 9789077487679
€ 12,50
48 blz.

Rense Sinkgraven (1965) was van 2007 tot afgelopen maand de stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met het lauw ontvangen Bombloesem. Na het lezen van de eerste dichtregels in zijn tweede bundel Sloop de stad met tedere woorden moest ik wel even diep ademhalen. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Er stond namelijk ‘Slok me op zoals de oceaan / een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip’. Die twee regels bevatten al drie dingen waar ik allergisch voor ben: een vergelijking met ‘zoals’, lelijke gemeenplaatsen (‘slok me op’ en ‘losgeslagen schip’) en een feitelijke onjuistheid. Begrijp me niet verkeerd: in poëzie is natuurlijk in principe niets ‘onjuist’, maar dan wil ik als lezer wel graag een idee hebben waarom de dichter spreekt van een oceaan die een wolk opslokt. Oceanen slokken een hoop op, en losgeslagen schepen horen daar zeker bij, maar wolken, zeker ijle, zijn in het algemeen buiten hun bereik. Mooie woorden dus, keurig in twee dichtregels gezet, maar de gedachte erachter ontgaat me. Ook in de rest van het gedicht, ‘Lisboa’ genaamd, staan regelmatig regels die voor de rest van de bundel het ergste doen vermoeden. Ik citeer het hier in zijn geheel.

Lisboa

Slok me op zoals de oceaan
een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip.

Ik hou van de diepte van jouw straten, Lisboa,
je monotone metromuziek, de omwoelde nachten
van je sterverlichte slaap en hoe je klinkt
in een oude dichteres, een op dronk gekomen
stroeve wijn, een droevig lied.

Ik lag aan je boezem, jij stootte me af,
je warme hart klopte nooit voor mij.
Een vissenkop ben je met koude vissenogen,
een graat steekt in je ziel.

Boeren van de zee temden dit water.

Het riool spoelt de Taag. De veel bezongen Taag
met excrementen waarvan de vissen vreten.

Ik hou van de ruimte van jouw pleinen, Lisboa,
hoe de zon windstil matrozen beschijnt,
het korrelig rood van je mossige daken,
je neonnachten vol paarden in draf.

Het gedicht maakt nogal een bijeengeraapte indruk. Behalve dat ze allemaal uiteraard op Lissabon slaan en vaak iets met water te maken hebben is er nauwelijks een samenhang tussen de beelden te vinden. Verder is er een ruime oogst aan clichés (‘een droevig lied’, ‘ik lag aan je boezem’, ‘je warme hart klopte nooit voor mij’), ogenschijnlijke nonsens (‘de omwoelde nachten van je sterverlichte slaap’, ‘mossige daken’ die desondanks ‘korrelig rood’ zijn) en mooischrijverij (‘excrementen’, wat een lelijk woord is dat toch). Maar hoop is er ook. Mooi vind ik hoe de dichter de stad in het Portugees aanspreekt. Door ‘Lisboa’ te schrijven in plaats van ‘Lissabon’ wordt de naam meer dan een plaatsaanduiding en wordt de stad een karakter. Mooi is ook het beeld van de ‘op dronk gekomen stroeve wijn’ dat gelezen kan worden als een wat stugge Portugees die na een paar glazen wijn loskomt. Jammer dat diezelfde Portugees een paar regels verder voor ‘boer van de zee’ wordt uitgemaakt. De formulering ‘jij stootte me af’ is dan weer leuk gevonden in het kader van ‘ik ben een schip’ en de slotregel van het gedicht is ronduit prachtig.

En zo is het een beetje met de hele bundel. Sinkgraven maakt de indruk slordig te werken, niet goed na te denken over de inwendige samenhang van een gedicht. En hoewel hij af en toe echt geweldige regels schrijft en goede beelden bedenkt weet hij het vaak ook weer snel te verpesten. Is het wel poëzie, ga je je na een tijdje afvragen, of is hier iemand ‘dichterig’ aan het doen? Op het podium kom je misschien weg met het maniertje van Sinkgraven om wat beelden bij elkaar te zetten, wat mysterieuze korte zinnetjes te maken (‘de vuilboom loert’), wat grote woorden te roepen (‘voel hoe de zee de rotsen splijt’) of wat hippe taal te lanceren (‘Het plein in urban lounge mood’) maar op papier val je er snel mee door de mand.
Ook de gedichten die qua vorm minder op mijn zenuwen werken zijn thematisch weinig uitdagend. Zoals ‘Zwijgen’:

Zwijgen

Ik wil een vrouw die wacht
in het donker tot ik thuiskom.
Ik wil een vrouw die waakt
over het kind dat slaapt.
Ik wil geen vrouw.
Ik wil een sprankelend boek
dat roept dat ik een god ben.
Ik wil een heerser zijn die
weet wat lijden is.
Ik wil een man zijn zonder
angstzweet, een man die
breken kan en zwijgen.
Waarachtig in het schrijven.
Ik wil geen vrouw.
 

Een goedlopend gedicht dat, hardop gelezen, lekker dreunt. Maar als je het drie keer leest denk je: waar gaat het nou helemaal over? Rense Sinkgraven dicht in Sloop de stad met tedere woorden te slordig. Hij pent te makkelijk gemeenplaatsen neer. Hij is nergens echt dichter in de zin dat hij probeert het hoogst haalbare uit zijn taal te halen. Hij is teveel gericht op effectbejag, gebruikt daarom teveel grote woorden en lijkt, behalve een wat obligate belangstelling voor steden, geen echt eigen thema te hebben.