Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50

Recensie van Schaduwspel - Romain John van de Maele

‘Met armen vol vergeten beelden’

Romain John van de Maele
Schaduwspel
Uitgever: Demer Uitgeverij
2018
ISBN 9780244079390
€ 14,-
66 blz.

De nieuwe bundel van Romain John van de Maele kent een strakke compositie. Drie afdelingen van zeventien gedichten elk. Alle gedichten bestaan uit drie vierregelige strofen, met uitzondering van telkens één gedicht per afdeling. Alle openingsgedichten van de drie afdelingen hebben dezelfde titel: ‘De verhullende tijd’. Verder zijn er meerdere woorden en thema’s die in verschillende afdelingen terugkeren. Elke afdeling behandelt een aspect van de ouderdom. Of liever gezegd: portretteert één of meerdere oudere personages. Schaduwspel verschijnt ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, zo leert ons de tekst op de website waarop deze bundel te bestellen is. Van de Maele heeft deze gelegenheid aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen.

In de eerste afdeling, ‘Voorbij de woordgrens’, wordt een oudere dame geportretteerd. De dichter valt met de deur in huis: ‘Plots weet ze dat een mol / een gangenstelstel graaft / in haar haperend geheugen.’ Hij brengt haar geestelijke achteruitgang op verschillende manieren onder woorden: ‘De woordgrens / ligt achter haar, / en ze ziet braakland / aan de overkant.’ Sterke vondst: ‘woordgrens’, naar analogie van boomgrens. Het is meteen duidelijk. ‘Opstaan uit de schaduw / ligt in een ver verleden.’ We zullen het woord ‘schaduw’ nog vaak tegenkomen in deze bundel.

Aan wiens hand sloft ze nu?

Ze liep toen aan moeders hand
een lang verdwenen weide in.
De lucht was er roos gekleurd
en de merels wijdden de stilte in.

Aan wiens hand sloft ze nu
door de lange witte gangen?
Wie heeft de deur dichtgeklapt
en wie wacht nog op haar?

Toen was opstaan een feest,
een ontdekkingstocht na de dromen.
Nu is uit bed gehaald worden
een gevreesde vernedering, een straf.

Een schrijnend beeld. Het kleurrijke verleden en het angstaanjagende heden lopen door elkaar. Niets geen geromantiseerd beeld van een teruggetrokken-zijn in een eigen wereld. Net zoals in veel gedichten uit Schaduwspel is de titel een volle regel uit het gedicht, die het in één zin samenvat.

De tweede afdeling heet ‘Hugo en Rosa’, en heeft als motto een citaat van Karin Boye, dat vreemd genoeg alleen in het Zweeds is weergegeven. Onder de titel van de afdeling staat ‘Karl Hugo (1900-2001) en Rosa Amanda Bergqvist (1905-2001)’. Dat maakt nieuwsgierig. Even googelen leert, dat dit de hoogbejaarde hoofdpersonen (broer en zus) van de Zweedse documentaire ‘Hugo och Rosa’ zijn, die een jaar of tien geleden ook op de Nederlandse televisie is uitgezonden (1). Na de eerste afdeling komt de taal van ‘Hugo en Rosa’ als lichter en eenvoudiger over, hoewel het ook deze personages niet voor de wind gaat. Eerst wordt Rosa geïntroduceerd: ‘De wijzers vreten aan de tijd en haar aanwezigheid / die oplost in een nevel van / vergeetachtigheid.’ De ‘nevel’ past goed bij de schitterende natuurbeelden uit deze documentaire, die ook veelvuldig in deze afdeling terugkomen: ‘Nergens bloeiden de bloemen / kleuriger dan in haar tuin. / Wie kent Gunby nog / en de tijd van toen in Roslagen?’ Pas in het vierde gedicht komt een ‘hij’ voor, die in tegenstelling tot Rosa nergens bij name wordt genoemd. Bij hem zien we een meer verstild beeld van de ouderdom, waarin de berusting overheerst: ‘rustig / als een profeet die beter weet.’

Genode gasten

Nu schuiven ze aan.
Met armen vol vergeten
beelden, klanken en geuren
ziet hij hen komen en gaan.

Ze blijven maar even
in een kringetje zitten,
gehaast als het ware
om weer op te staan.

Al zijn dagen en dromen
trillen heel zacht na.
Sterven is thuiskomen
en weten dat het goed was.

De zinsnede ‘weten dat het goed was’ komt wel drie keer voor in de gedichten over Hugo. Het gedicht kan op twee volstrekt verschillende manieren gelezen worden. In eerste instantie zag ik een soort familiereünie, verre verwanten die komen opdraven bij de begrafenis van Rosa, maar niet weten hoe snel ze weer weg moeten komen. We kunnen het echter ook meer symbolisch lezen, als een herbeleven van oude herinneringen vlak voor zijn dood. Bij nader inzien is dit gedicht, met name de tweede strofe, een bewerking van het eerder genoemde citaat van Karin Boye: ‘När en gammal man ligger sjuk, kommer alla hans gångna dagar / och sätter sig blida i ring omkring hans säng.’
De oude broer en zus worden liefdevol geportretteerd. Opmerkelijk is de bijna kinderlijke opgewektheid die deze oude mensen ten toon (blijven) spreiden. De verbazing, als het huis na negentig jaar leven zonder stromend water en elektriciteit op het lichtnet wordt aangesloten. Rosa is een eenvoudige vrouw, die ondanks alle achteruitgang het spel nog goed mee kan spelen: ‘Haar gewone glimlach / was haar harnas / tegen verval en verbittering, / tot het laatste avondrood.’ Hugo treurt nauwelijks wanneer zij overlijdt: ‘De uitvaart / was een laatste glimlach / op je vrolijk aangezicht.’ Kort daarna overlijdt ook hij.

De laatste afdeling heet ‘Liefde’, en gaat vergezeld van een citaat van Charles Aznavour: ‘Et moi dans mon coin / Si je ne dis rien / J’ai le cœur au bord des larmes’. Als we de titel in het Frans vertalen krijgen we Amour. Een indrukwekkende film over een ouder echtpaar en hun dochter uit 2012, waar deze afdeling een commentaar op lijkt te vormen. Ook deze afdeling opent met een gedicht met de titel ‘De verhullende tijd’. De opening is evenals bij de andere afdelingen weinig verhullend: ‘Ze verdrinkt in de eierschaal / van de morgen, wachtend op / het kraaien dat al lang / door de stilte is ingeslikt.’

Afasie

Haar haperende woorden
gaan zonder meer verloren
in de gespannen verwachting
van een gesloten morgen.

Het langgerekte woord ‘mal’
botst te pletter tegen
de vragende blik van haar man,
die zwijgt maar hulpvaardig blijft.

Niet alleen zij woont op een eiland.
Ook hij, die nog altijd van haar houdt,
kan haar niet meer bereiken.
Het water is definitief te diep.

Dit is niet het eerste gedicht dat aan afasie of dementie is gewijd. Peter Swanborn wijdde een hele bundel aan de verwarde oude dag van zijn moeder. In de slotregel van dit gedicht klinkt een echo van de twee koningskinderen. Het begin van de laatste strofe is mooi. De patiënt is niet de enige die aan de ziekte lijdt, de partner wordt minstens zo zwaar getroffen, zoals ook in de advertentie van Alzheimer Nederland getoond wordt. Terug naar dit gedicht: waarom zou de ‘zij’ in dit gedicht zo hard ‘mal’ roepen? Dat is vreemd. Ik heb vaak ouderen om hun moeder horen roepen, of een meisjesnaam, die soms de dochter soms aan de echtgenote bleek toe te horen. Ik had het natuurlijk hierboven al verklapt: deze dame spreekt Frans, en haar ‘mal’ betekent ‘pijn’. En dat is zowel de kracht als de zwakte van deze afdeling. Hoewel er zeker enkele mooie beschouwende gedichten in staan, blijven de teksten voor de lezer die de film Amour niet gezien heeft nogal duister. En voor wie de film wel gezien heeft, kun je je afvragen hoeveel de gedichten nog toevoegen aan dit meesterwerk. In mijn geval was het de aanleiding om eindelijk een keer deze film (o.a. te op Netflix te vinden) te gaan zien. Een mooi neveneffect van deze afdeling, waar ik de dichter dankbaar voor ben.

Het woord ‘schaduwspel’, de aansprekende titel van de bundel, komt in de gedichten niet letterlijk voor. Wel komt ‘schaduw’ in vijf gedichten voor, waarvan in één gedicht zelfs twee keer. Hoewel het vaak om schaduwen uit het verleden gaat, of om de oude mens die geen schaduw meer van zichzelf is, moet ik ook aan de Bijbelse connotatie denken: ‘[de mens] ontluikt en verwelkt als een bloem, vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand’ (Job 14:2). Een associatie die misschien het gevolg is van het meermalen instuderen en beluisteren van de Funeral Sentences for Queen Mary van Henry Purcell: ‘He cometh up, and is cut down, like a flower; he fleeth as it were a shadow, and ne’er continueth in one stay.’ Of deze betekenis van schaduw voor Van de Maele ook heeft meegeklonken weet ik niet. Wel komt het woord ‘bloemen’ net zo vaak voor in de bundel als ‘schaduw’. Ook vinden we in meerdere gedichten Bijbelse verwijzingen. In drie gedichten die aan Hugo gewijd zijn lezen we ‘(weten) dat het goed was’, een echo van het scheppingsverhaal uit Genesis: ‘En God zag, dat het goed was.’ Ook wordt meerder malen gesproken over engelen c.q. een engelenschaar, evenals over bazuinen die mogelijk naar de Jongste Dag verwijzen.

Tot slot: het is jammer dat de dichter ons geen ‘Verantwoording’ heeft meegegeven. Daarin zou een korte verwijzing naar de inspiratiebronnen van de tweede en derde afdeling op zijn plaats geweest zijn. Ook zou het prettig zijn daar kennis te nemen van de vertalingen van de Zweedse en Franse motto’s. Hoe dan ook: Van de Maele heeft zijn zeventigste verjaardag aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen. Wij wensen de dichter toe, dat de breekbaarheid van de door hem geschetste personages geen schaduw over zijn komende jaren zal werpen.

***

(1) Hugo och Rosa is een documentaire uit 2002 van Bengt Jägerskog. Tien jaar lang volgde hij het leven van Hugo en Rosa Bergqvist, die aan het begin van de opnames respectievelijk 87 en 92 jaar oud waren. Als broer en zus hebben ze samen de 20e eeuw meegemaakt in een klein huis op het Zweedse platteland. Hun dagelijks leven is in al die tijd amper veranderd. Ze zijn verknocht aan elkaar en aan het huis. De documentaire volgt hen in hun laatste jaren, getekend door ziekte, veranderingen maar bovenal door een onveranderlijke traditionele manier van leven.

Romain John van de Maele (Aalst, 1948) is dichter, essayist en vertaler. Hij was medestichter van de tijdschriften Dimensie (1976-1981) en Berichten uit Boonland (1995-2001), en is sinds 2015 als recensent verbonden aan Meander. Hij debuteerde in 1974 met de bundel Dagboek van een paria.

 

 

 

Recensie van Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K - Drs. P en Marjolein Kool

Een onafzienbaar feestterrein

Drs. P en Marjolein Kool
Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2018
ISBN 9789038805153
€ 15,00
218 blz.

Van Drs. P en Dr. Marjolein Kool verscheen in 2000 Wis- en natuurlyriek, een bundel waarvan weinig lezers nooit zullen hebben gehoord. Een bijzonder werk waarin onderwerpen en begrippen uit de exacte vakken zijn verpakt in vrolijke, vormvaste verzen. Uniek, zo meldt de achterflap, omdat het alfa’s en bèta’s nader tot elkaar brengt en eindelijk de kloof, die eeuwenlang tussen beiden bestond, zal dichten.

Drs. P (1919- 2015), pseudoniem van Heinz Herman Polzer, verscheen talloze keren op tv en behoeft geen introductie. Tekenend voor hem is de uitspraak: ‘Ik beschouwde het Nederlands als een luisterrijk en onafzienbaar feestterrein.’
Ons land telt aardig wat light verse-dichters maar dichteressen in dat genre zijn dun gezaaid. Marjolein Kool (1958)  is een van hen. Zij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en promoveerde op de rekenwoordenschat in oude, Nederlandstalige rekenboeken. Ze is hogeschoolhoofddocent in Utrecht. Van haar hand verschenen diverse dichtbundels maar reken- en wiskundeonderwijs was en is haar grootste passie.

Het schrijvend duo liet zich inspireren door natuurwetenschappelijke coryfeeën als Pythagoras, Bohr, Buys Ballot, Fibonacci, Ohm en Gauss. Het resultaat: een bundel voor lezers die een luchtige cocktail van kunst en wetenschap, afkomstig uit de brouwerij van een econoom en een docent wiskunde en Nederlands, weten te savoureren. De coproductie is duidelijk door speels dichtplezier gedreven. Een verscheidenheid aan verzen uit het genre van light verse passeert de revue: sonnet, ollekebolleke, elftal, rondeel, clerihew, Weense ballade.

Van deze bundel verscheen zojuist een uitgebreide editie, de zevende druk, die ook als e-book verkrijgbaar is. Aan deze herdruk werden, in een apart hoofdstuk, drieëntwintig verse verzen van Marjolein Kool toegevoegd, natuurlijk helemaal in de vorm en stijl van de eerdere uitgaven. Het recente exemplaar  bevat ruim 140 light verses. Het aantal verzen van Marjolein Kool nadert nu dat van Drs. P; voorheen nam laatstgenoemde zo’n tweederde van de bundel in.

Nieuw is bijvoorbeeld ‘Loonsverhoging’.

Laatst stond hier vijf man personeel
te krijsen dat het klaar is.
Ze eisten vijf procent – da’s veel –
verhoging van salaris.

Maar ach, ik zat er niet zo mee.
Welnee, ik ben geen krentje.
‘Vijf procent?’ zei ik. ‘Oké,
da’s ieder één procentje.’

Ook nieuw is ‘Perspectief’.

Dat wat aanvankelijk begon
als stipje aan de horizon
bleek eenmaal naderbij gekomen
als mammoettanker op te stomen.

De Bossche bol die voor haar stond
en zij gevaarlijk lekker vond,
weerstond zij op zo’n honderd meter
als muggenpoepje heel wat beter.

De weg waarlangs je iets bekijkt
heeft invloed op hoe groot het lijkt.
Daardoor – dat is het idiote –
bezien we niets op ware grootte.

Haar oudere verzen uit 2000 mogen er eveneens zijn, zoals het korte, krachtige ‘Uitgerekend’.

‘Tijd is geld,’ zo sprak de ober
en dat was voor ons een strop,
want hij telde toen de datum
vlotjes bij de nota op.

Van Drs. P is het ollekebolleke Hefboom.

‘Zie eens de Aarde hier
Wat zij ook wegen mag –
Geef mij een steunpunt:
Ik til haar omhoog!’

Sprak Archimedes eens
Hyperbetweterig
Niemand ontzenuwde
Ooit zijn betoog

De bundel heeft zowel een zaak- als een personenregister. Jammer genoeg is er geen alfabetische inhoudsopgave op de titels van gedichten bij gekomen. Vaak herinnert een lezer zich vooral de titel. Nu is het bij vlagen zoeken naar de pagina van een specifiek gedicht. In de coproductie waren en zijn individuele verzen niet ondertekend, hetgeen ook zoeken impliceert als je wilt weten van wiens hand iets is. Teleurstellend vind ik dat er, ondanks de verse verzen, geen enkele wetenschapster in het boek voorkomt. Geen Marie Curie, geen  Laura Bassi, geen Hypatia… Niettemin is het verheugend dat dit unieke werk een nieuwe druk beleeft.

Drs. P  verbleef de laatste anderhalf jaar van zijn leven in een Amsterdams zorgcentrum waar Marjolein Kool hem opzocht. Na zijn overlijden schreef ze een vers van elf kwatrijnen over hem. Dat staat als laatste in de nieuwste druk. Twee regels daaruit:
‘Dag pak, dag peuk, ja, potverdrie,/ de grote P moest gaan.’

Recensie van Tijdrijder - Peter Theunynck

De tijd uitrijden: een schijn van permanence

Peter Theunynck
Tijdrijder
Uitgever: Wereldbibliotheek
2018
ISBN 978902842617
€ 19,99
72 blz.

Peter Theunynck is er zich in zijn nieuwe bundel Tijdrijder (2018) sterk van bewust dat de wereld gevormd wordt door het onzichtbare element van de tijd. ‘De tijd is een raadsel, een losbandig en mateloos fenomeen dat weigert zich te laten kennen en waarom wij uit hulpbehoevendheid een schijn van orde hebben aangebracht’, aldus Cees Nooteboom in zijn roman Het volgende verhaal. Theunynck verkent in deze bundel op diverse wijzen het fenomeen tijd.
De bundel kent een doordachte opzet. Na het openingsgedicht volgen er zes afdelingen: ‘tegen de tijd’, ‘wintertijd’, ‘sluitingstijd’, ‘altijd’, ‘speeltijd’ en ‘gestolde tijd’, met als afsluiting het titelgedicht ‘Tijdrijder’. In elke afdeling wil hij laten zien op welke wijze zijn lyrisch subject aan de vergankelijke tijd tracht te ontkomen. Hij creëert voor even momenten van permanence.
In de eerste afdeling ‘Tegen de tijd’ tekent Theunynck verzet aan tegen de geest van de tijd. Hij zoekt een weg uit het jachtige bestaan waarin alles volgens plan moet verlopen. Aan het lege vermaak op de kermis uit het gedicht ‘Reuzenrad’ waar ‘een schietkraam ons ooit in bloei had geschoten’, kan men niet de beoogde innerlijke rust ontlenen. In de ‘Ode aan de ing vorm’ ironiseert hij de vermarkting als een ‘verduistering van de verlichting’. Daaruit vloeit de oproep tot een andere levensstijl in zijn gedicht ‘Jachthonden’ voort: ‘Schaak de jachthonden in jezelf’. In het gedicht ‘Gelukkig jaar’ dresseert hij met de nodige distantie zijn bitterheid over troepen achter de Eufraat die ‘nog wachten op stevige zakken’ en aan hun ‘joystick [zitten], maar waar is (…) [hun] vreugde?’ De slapeloosheid in het gedicht ‘Slaap’ eindigt in zo’n moment van permanence dat we ook op andere plaatsen in de bundel tegenkomen: ‘Mijn grootste geluk is het langzame uur / vlak tegen de ochtend.’ Theunynck bevraagt in deze afdeling de veelvormige werkelijkheid die hem omringt. Ten slotte doet hij in het gedicht ‘Staken’ een oproep om de verwachtingen niet te hoog te spannen, maar de groeipaden te verzaken, koopkracht te laten voor wat ze is en ‘de zon de zon, de maan de maan’ te laten zijn.
In de tweede afdeling ‘Wintertijd’ heeft het fenomeen tijd betrekking op de herinnering, het vergeten en de sprakeloosheid. Als de taal wegvalt, is er geen herinneren meer mogelijk. De stijlfiguur van de herhaling in het gedicht ‘Woord’ benadrukt de onmogelijkheid de tijd uit te rijden. Wat een onvermogen is er als de woorden blijven stuiteren tussen “luchtpijp en tongbeen: ‘O, wat was dat woord’ “. In het gedicht ‘Sprakeloos’ vragen de ‘wij’ zich vertwijfeld af wat het zou betekenen ‘als de taal was gevlucht uit ons lijf?’ De wintertijd is aangebroken als de taal verdwijnt uit het leven van dierbare mensen. Het ontbreekt het lyrisch subject aan woorden om zijn gevoel over het overlijden van de moeder uit te spreken. Na de moeder duikt de vader op in zijn herinnering. Hij wordt liefderijk beschreven in zijn machteloos makende vergeetachtigheid: ‘Soms is zijn hand een lelie die danst’, maar dan rest: ‘Wanneer de sneeuwjacht gaat liggen / in hem’, uiteindelijk niet veel meer dan: ‘wat botten, rimpels, een ader.’ Eenzelfde ontluisterend beeld weet Theunynck subtiel te verwoorden in het gedicht ‘Wilfried’: ‘Heel soms, tussen de medicijnen door, / daalt weer de leraar in hem neer.’ De verbijstering over het land van de vergetelheid dat we dementie noemen, is groot. De engste cel lijkt in je hoofd te zitten, zoals hij in het gedicht ‘Cel’ laat weten: ‘als nergens pleisters groeien? Raak maar eens / aan de overkant als iedereen zijn brug ophaalt.’ Heldere, rake en beklemmende poëzie tekent Theunynck in deze afdeling op.
In de derde afdeling ‘Sluitingstijd’ zet Theunynck levens voor even stil op papier: het beweeglijke leven en de stilzettende dood raken elkaar. Het begint al met gedicht ‘Zomer’. In de voorlaatste strofe tekent hij weer zo’n moment buiten de tijd op: ‘Een blauwdruk van het paradijs: / de zon, de wind, de zee en alle elementen / zitten mee. We hebben alles in de hand.’ De tijd lijkt even stil te staan, maar de realiteit dringt zich onmiskenbaar in de slotregel aan ons op: ‘De dood danst aan de rand.’ Naast taal vormen zang en dans belangrijke motieven in deze bundel om het gemis aan taal te compenseren en zodoende de tijd uit te kunnen rijden. Dikwijls zijn ze gesitueerd in een natuurlijke omgeving: ‘Zingen kan altijd nog. / Zelfs als niemand luistert, hindert het / niet.’ Maar ‘Hoe lang kan een mens blijven zingen?’ als hij aan een katheter ernstig ziek te bed ligt? In zijn uitvaartgedichten toont hij zijn betrokkenheid bij mensen die zonder familie en vrienden het leven moeten verlaten: ‘Achter de tralies van je intercom / zat je te wachten tot het op was.’
In de vierde afdeling ‘Altijd’ schetst Theunynck  portretten van kunstenaars met wie hij zich door de tijd heen verwant is gaan voelen. Zij vormen voor hem een rijke bron van inspiratie. Paul Verlaine zet hem aan tot karakteriserende regels: ‘Je daalde steeds dieper af in jezelf’, (…) ‘Je werd door je armoe omarmd. De demon / at uit je hand, de dorst had zijn oase gevonden.’ De strijdvaardige beeldend kunstenaar Käthe Kollwitz typeert hij in haar strijd met de woorden: ‘Het ploegde de held in je boven: geharnast / in taal. Het lied van de Hades hoorde je niet.’ In de fietsende jongen over het plein van Rakvere belichaamt hij de componist Arvo Pärt, de onaanraakbare zanger die doorfietst ‘tot er alleen nog maar, / alleen nog maar / muziek is.’ Met de choreografe Anne Teresa De Keersmaeker voelt de dichter zich innerlijk verbonden in de dans als eeuwige cadans: ‘Het wuiven van het graan is de dans.’ Het gesprek met Remco Campert komt uit de herinnering boven als een samenspraak met vurige tongen: ‘een luisterend lied van tezamen.’ In hun aller kunstenaarschap herkent Theunynck momenten die hem helpen voor even zich aan de vergankelijkheid te kunnen onttrekken.
De vijfde afdeling ‘Speeltijd’ komt opnieuw de macht van de muziek naar voren om momenten van permanence te ervaren. Theunynck schrijft in deze cyclus doorleefde, helder getoonzette verzen. Neem zijn gedicht ‘Hoog hout’, waarin je over de klank van hobo leest: ‘Pijnlijk precies, een tandarts gelijk, / kerft een man zich de ziel uit het hout.’ Stuk voor stuk lijken het gedichten te zijn als ‘van god’ afkomstig, anders ben je niet in staat om te schrijven: ‘Het koren ging ervan [de koperinstrumenten]  / blozen, alsof het door goden werd aangeblazen.’ Voor mij is een hoogtepunt in deze reeks het gedicht ‘Arpeggio’. Hoe Theunynck de uiterlijke en innerlijke verstrengeling van de harpist met (de klanken van) zijn instrument beschrijft, maakt hem voor mij tot een voorbeeldig woordkunstenaar.

Je harp is je vliegtuig
naar Carnegie Hall.

De vrouw van je leven.
Ze leunt op je lijf en jij
tokkelt de hemel uit haar.

Hoe heb je ooit vingers genoeg
voor elk van haar pezen.
Hoe been je haar bij
in het zuiverste zingen?

Hoe kun je haar ooit omhelzen
als vallende regen?
Hoe rakel je op uit haar vel
die suites van Bach?

Zij is het bloed onder je nagels
de eelt op je vingers, de kramp
in je polsen. Hoe pijnlijk
kan reikhalzen zijn.

Jij bent gehavend in haar.
In haar krijgt je leven gestalte
op iedere breedtegraad.

Ze tilt je hoog boven de tijd.
Ontsnapt aan je sterfelijkheid.

Je voelt de tintelingen in je opkomen als je zulke versregels leest: ‘Wie weet het tij te keren als de hemel hem ten dans vraagt, / als engelen jubelen in het lijf en ieder zintuig zingt?’
De zesde afdeling ‘Gestolde tijd’ is geïnspireerd door het boek van Neil MacGregor A History of the World in 100 Objects. ‘Wat achteloos achterblijft, / vertelt hoe de wereld echt is geweest’. Een mammoetrest, een steen, een kei, een kleitablet zijn de restanten die de toekomst van het verleden symboliseren. ‘Ooit was de wereld onbeschreven. / Voortdurend werd alles vergeten’, maar in het kleitablet ligt de begingeschiedenis van de mens die zich wil  onttrekken aan de tijd. Met het kleitablet werd alles telbaar, tastbaar en opvraagbaar: ‘Machtiger nog, iemand ontdekte / de deur naar andermans denken.’ Misschien is dat wel het beste middel om bevrijd te raken van je angst voor jezelf en de ander, zoals het slotvers van het gedicht ‘Liefde in tijden (niet van cholera) zegt: ‘De bijl werd geborgen. De daad werd geruild voor het woord.’
Theunynck weet met traditionele poëtische stijlmiddelen de dronkenschap van het zuiverste lied te beheersen. De regelmaat in versvorm, regellengte en strofevorm bieden hem houvast. Zijn herhalingen en enjambementen zijn overwegend doeltreffend. Hij is erin geslaagd inhoudelijk, structureel en woordkunstig een evenwichtige bundel samen te stellen. Op vele plaatsen weet hij zich beeldrijk en vindingrijk uit te drukken. In veel gedichten verrast de pointe aan het einde, de omkering in het denken, de vloeiende lijn die door blijft lopen tot in het oneindige. Zijn zeggingskracht is direct, helder en blijft tot het laatst perspectief houden. Op het moment dat de gedichten en de versregels langer worden dreigt er wel eens wat verlies aan span- en zeggingskracht. Assonanties en alliteraties dragen met hun welluidende ritme bij aan een betoverende pulse, zoals in het gedicht ‘Hoog hout’: ‘De klank van de hobo begint met geduld. / Het geduld van de buxus hoog op de heuvel / wachtend op wasdom in zinderend zonlicht.’
Theunynck is een zanger met een warm timbre en gevoel voor wisselingen in ritme, toon en kleur. Hij strooit vaardig met inspirerende beelden. Uit zijn beelden spreekt een mildheid en zachtmoedigheid die tot een melancholieke ontroering aanzet. Voor hem is ‘De luit (…) de stem van de avond.’ Hij mag zich in deze bundel met recht een beeldend woordkunstenaar noemen die de tijd meesterlijk weet te trotseren.

***
Peter Theunynck (1960) debuteerde in 1997 met Berichten van de Panamerican Airlines & C, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn biografie van Karel van de Woestijne (2010) werd genomineerd voor de AKO Literauurprijs. In 2016 verscheen zijn roman De Slembroucks. Samen met Lies Van Gasse schreef hij de graphic novel Nel – Een zot geweld. Tijdrijder is zijn achtste dichtbundel.

Recensie van Honger, dorst & verlossing - Hans F. Marijnissen

Hoop die opflakkert …

Hans F. Marijnissen
Honger, dorst & verlossing
Uitgever: Heimdall
2018
ISBN 9789491883897
€ 9,99
46 blz.

Inleiding                                                                                                                              
De nieuwe dichtbundel van Hans F. Marijnissen (1949), inmiddels zijn 4e bundel, telt 34 gedichten die alfabetisch zijn geordend. De gedichten zijn een selectie uit recent werk van de dichter wiens dichtader overvloedig stroomt getuige zijn voornemen in het najaar 2018 nog een bundel te publiceren terwijl de 6e bundel al klaarligt. De titel Honger, dorst & verlossing suggereert dat er na fysieke uitputting of – in overdrachtelijke zin – na donkere tijden weer hoop gloort aan de einder dan wel verlossing wacht uit lijden. Dat is ook zonder religieuze connotatie een hoopvol vooruitzicht.

Wat opvalt in zijn poëzie is dat veel gedichten in de ik-vorm zijn geschreven. De meeste van die gedichten zijn episch, hier en daar overgoten met een laagje lyriek. Een groot deel ervan richt zich in dialoogvorm tot een bekende, gefantaseerde of onbekende persoon. De dichter dient zich er voor te hoeden dat deze vertelinstantie zijn dichtwerk domineert. Het frequente gebruik ervan dreigt soms een ostentatief karakter aan te nemen wat bij de lezer irritatie kan oproepen.

De typografie van enkele verzen is afwijkend op een manier die doet vrezen dat er sprake is van zetfouten. Dat er in de bundel geen voorwoord of korte inleiding staat, is jammer. Natuurlijk, gedichten kunnen beschouwd worden als autonome entiteiten maar zij zijn in essentie geen dingen of objecten. Achter elk gedicht schuilt een persoon, een auteur die communiceert met de lezer, die hij betrekt in of deelgenoot maakt van zijn denkbeelden, gevoelens, ervaringen en gedachten. De bedding waarin poëzie wortelt en tot wasdom komt, kan een welkome aanvulling zijn op het begrijpen en duiden van dichters werk. Zo herkent de lezer in het woordgebruik van Marijnissen regelmatig katholieke verwijzingen, wat geenszins bevreemdt; Marijnissen is immers geboren en getogen in het met wijwater doordrenkte, Brabantse land.

Vorm
De gedichten in de bundel zijn bijna alle opgebouwd uit rijmloze strofen die qua omvang variëren van tweeregelig tot en met veertienregelig. Kortom, een enorme diversiteit qua strofenbouw. De versregels zijn over het algemeen kort; Marijnissen beperkt zich tot regels met een gemiddelde lengte van 4 à 5 woorden. Enerzijds brengt dat de nodige vaart in het lezen; anderzijds dijen de gedichten daardoor in lengte uit. Metrum ontbreekt; het lijkt in veel hedendaagse poëzie te zijn verbannen. Stijlfiguren die de dichter met regelmaat hanteert, zijn de (a)syndetische enumeratie en ellips, zoals respectievelijk in strofe 3 van ‘Boodschappen in de universiteit’ (p11): ‘agenda’s en roosters, / colleges en practicums, / koffiebekers, suikerzakjes, / poedermelk en wachtrijen.’ en in strofe 2 van het gedicht ‘Brandstichting’ (p.12): ‘Een brandstichting, dit ontwaken. / Bomen ongevraagd / omgezaagd langs de berm.’

Het taalgebruik wisselt en is afhankelijk van onderliggende drijfveren zoals verworven kennis, observaties, ontmoetingen of mijmeringen. De taal kan alledaags zijn; omgangstaal die bijvoorbeeld het eerste gedicht van de bundel ‘Afspraken´ (p. 9) en het gedicht ‘Buiten’ (p. 15) karakteriseert. Zijn taal kan daarnaast lyrisch zijn of daartoe neigen, wat onder meer voelbaar is in ‘Een niet normaal landschap’ (p. 20, 3e strofe):

Golvende heuvels kantelen,
glooien en stromen opwaarts
—————, naderen
af en aan , nemen op, stoten af,
verre dorpen en kerken, cipressen,
korenvelden en figuren.

Als Marijnissen in zijn taalgebruik kiest voor een meer lyrische toonzetting, ontstaan er creatieve vormen van beeldspraak, zoals de als-vergelijking in ‘De opvolger’ (p. 18): ‘Hij maakt van een woord taal / als van een vonk vuur’, of zoals in ‘Café aan de rivier’ (p. 16): ‘Luchtende dekens / hangen uit vensters als tongen.’ of de asyndetische vergelijking in ‘Kringloop’ (p. 31): ‘De kassa van de kringloop / mijn altaar, en ik dronk / haar wijn, brak haar brood’. En dan zijn er nog de in het oog springende pleonasmen waarvan slijkzwart, aardebruin en nachtzwart in ‘Kleuren in disharmonie’ (p. 22) sprekende voorbeelden zijn.

Inhoud
In de bundel overheerst het thema relaties dat zich in allerlei gedaantes openbaart. Marijnissen manifesteert zich in deze bundel dan ook primair als relationeel dichter. Hij beschrijft vanuit de ik-perceptie verhoudingen met anderen en houdingen ten opzichte van anderen. Die kunnen zakelijk, dromerig, liefdevol of verlangend zijn, steeds geschreven vanuit een vertellende of belevende vertelinstantie. In ieder geval is zijn relatiepalet niet saai. In ‘Afspraken’ (p. 9) toont de ik-figuur zich zakelijk: ‘We doen het zo: / jij brengt wijn / en hapjes mee. / Ik breng (…)’. In ‘Buiten’ (p. 15) is er sprake van kwetsbare afhankelijkheid: ‘Help me. / Help me elke avond / als ik thuiskom.’ In ‘Wetsteen’ (p. 19) is er de eenzaamheid om het heengaan van een geliefde: ‘Het wisselen van de seizoenen / raakt mij niet meer. / Het is winter in mijn hart / en er is geen later / sinds zij mij verliet.’ En in ‘Kringloop’ (p. 31) is er sprake van het in fantasie dwepen met een toevallige passante aan de kassa, wat even doet denken aan Rika van Piet Paaltjens (1): ‘Wat was het in die glimlach / dat mij het verstand ontnam?’

Een bijzonder, weliswaar bescheiden, thema in de bundel is het drieluik (p. 20 – 24 ) dat over de schilder Vincent van Gogh gaat. Hierin manifesteert zich in epische fragmenten en in fraaie, bewonderende of ontroerende bewoordingen het fenomenaal kunstenaarschap van de schilder, zijn lijden aan de wereld en zijn emotionele en financiële afhankelijkheid van broer Theo. Het voortdurend herhalen van de regel ‘ik ben niet normaal’ in ‘Een niet normaal landschap’ (p. 20-21) is als een tijdbom onder het leven van de aan zware depressies lijdende Van Gogh. Uit het tweede gedicht ‘Kleuren in disharmonie’ (p. 22-23) blijkt uit de vele biografische details dat Marijnissen zich goed heeft ingelezen in leven en werk van de schilder, ofschoon het benoemen van Van Goghs talrijke verblijfplaatsen wat gekunsteld aandoet. Het derde gedicht van het drieluik ‘Kraaien komen me halen’ (p. 24) kan opgevat worden als een prelude op de onvermijdelijke dood. Kraaien zijn hierin de boodschappers van onheil, ‘die neerstrijken (…) voor de deuropening van mijn ogen.’

Resumé                                  
Hans F. Marijnissen is erin geslaagd met zijn nieuwe bundel Honger, dorst & verlossing leesbare en toegankelijke poëzie te schrijven. Zijn gedichten, strofen en versregels ontstijgen in de meeste gevallen het niveau van de ontelbare, plain vanilla – gedichtjes die in het Hollandse dichtlandschap zo welig tieren. De bundel verdient het, indien leraren Nederlands in het voortgezet onderwijs verzen van hem opnemen in hun poëzielessen. Welkome aanvulling daarbij is dat zijn werk zich uitstekend leent voor mondelinge voordracht. Is er dan nog iets waarmee de dichter verder kan? Ja, wellicht dat hij scherper let op de eerder genoemde aandachtspunten.

(1) het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens (1835 – 1894) beschrijft één van de kortste/vluchtigste ontmoetingen uit de Nederlandstalige literatuur.

***

Hans F. Marijnissen (1949) is dichter en schrijver. Hij heeft inmiddels in relatief korte tijd diverse dichtbundels en romans gepubliceerd, waaronder de bundel Tot waar het Wringt (2014) en Koorddansen op Klompen (2013), een boek dat het eerste deel is van een driedelige romancyclus. Marijnissen is als Brabander actief in dichtgezelschappen in en rond De Meijerij en Kempenland. Daarnaast is hij redacteur van Poethëment, een periodiek van de PoëzieClub Eindhoven.