Recensie van Alleen van kale reizen kom je thuis - Erwin Steyaert

Een krachtige roffel op de borstkas van de taal

Erwin Steyaert
Alleen van kale reizen kom je thuis
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339287
€ 17,50
96 blz.

Alleen van kale reizen kom je thuis is het omvangrijke debuut van Erwin Steyaert. De bijna vierkante bundel met een vrijwel witte omslag doet me denken aan het witte album van de Beatles. Een unicum destijds, zo’n dubbel-lp. Er was blijkbaar materiaal te veel voor een gewoon album, hoewel de heren op de derde en vierde kant af en toe het spoor behoorlijk bijster waren. De bundel van Steyaert kent maar liefst zeven afdelingen, die telkens openen met een cursief gezet titelgedicht. En dan krijgen we ook nog eens een losstaand openingsgedicht en slotgedicht cadeau.

De eerste afdeling is nogal ingehouden van toon. ‘Sedentair’: met een vaste verblijfplaats of standplaats. Zoals zoveel schrijvers onderzoekt Steyaert hier zijn huis van herkomst, met portretten van ‘Moeder’ en ‘Vader’, en het onvermijdelijke vertrek in ‘Leegstand’: ‘Geen steen wrikte ik los. Ik raakte niet / buiten. Dit pand blijft mij kraken.’

De afdeling ‘Cyclus’ gaat over de vrouw, over het vrouwelijke, over hoe de man tegen de vrouw aankijkt (opkijkt). Een geweldige gedichtencyclus. Het tweede gedicht hieruit is gewijd aan Molly Bloom, en wordt uitgebreid besproken op Ooteoote.nl. Laat ik me hier beperken tot de laatste twee gedichten uit deze afdeling: ‘Wat wil ze’ en ‘Wat ze niet wil’. Das Ewig-Weibliche (Goethe), ‘Was will das Weib?’ (Freud). In het hilarische eerstgenoemde gedicht probeert de ‘ik’ zich aan de grillen van zijn geliefde aan te passen, omdat ze hem ge-sms-t had: ‘Ik voel me niet op mijn gemak bij je’. Het eind van het liedje is, dat ‘ik’ gekortwiekt en gemuilkorfd op de bank ligt, terwijl zij zich verlustigt aan zijn dagboeken, ‘Je riep bars mijn naam en braaf en kom.’ Heel anders van toon is het gedicht op de tegenoverliggende bladzij. ‘Ik wil geen dichter, zegt ze.’ Om vervolgens in lyrische taal te schetsen wat ze wel wil: ‘Ik wil een man / die naar de poolnacht reist / op een hengst van licht // en bij zijn thuiskomst het donker / aan mijn voeten legt.’

De keerzijde van het vrouwelijke is het mannelijke. Steyaert durft ook dit onderwerp aan te snijden. Elegant is het, dat hij de afdeling ‘De droefheden van een man’ niet direct op ‘Cyclus’ laat volgen. Tussendoor belanden we in ‘Stalking the dead’, dat merkwaardig genoeg een Engelse titel draagt. In deze afdeling een aantal zeer uiteenlopende gedichten over dood en ouderdom. Het gedicht ‘Alzheimer’ is een ontroerend portret over een zoon en zijn verwarde vader, geschreven als variatie op de ‘Erlkönig’ van Goethe: ‘Een zoon draagt zijn vader, legt hem in bed. / Pillen. Een beker. Zijn hand houdt hem recht. / Vader glijdt kalm in de gleuf van de nacht, / slaapt weerloos zijn slaap, bij leven al dood.’ In het tweeluik ‘Le roi se meurt’ eert de dichter Hugo Claus. Een aparte vermelding verdient ‘Niet de kraaien, Vincent!’ Om nog iets toe te voegen aan alles wat over Vincent van Gogh geschreven is moet je als dichter een behoorlijk bord voor je kop hebben. Of een gezonde dosis lef. Op Steyaert is absoluut het laatste van toepassing. Geen Don McLean-achtige romantiek. Maar een frisse confrontatie met één van Van Goghs laatste werken. ‘De weg slaat een wig in het veld. Geknakt / loopt hij dood in het graan. Geen vogelschrik.’ (…) ‘Niet de kraaien, Vincent. Het is de maaier. / Hij komt uit de verf in het graan.’ De overschakeling naar een ander , meer romantisch ogend schilderij is verrassend. Maar de romantiek is schijn: de maaier is ook de man met de zeis.
Dat de moderne man het niet makkelijk heeft mag duidelijk zijn. Steyaert schetst in krachtige taal de dilemma’s en ontsporingen. Over de man die stiekem naar jongetjes kijkt: ‘Ik veracht mezelf tussen de struiken, / om jongens met geschaafde knieën’. Over de kroonprins die droomt van kracht en macht: ‘Koningschap knettert in mijn knoken. (…) Door het land draven op de volbloed / van mijn lust.‘ In ‘Moordkuil’ wordt een metafoor uitgewerkt die treffend in de eerste regels wordt neergezet: ‘Gesnurk. De man teruggebracht / tot zijn staat van varken.’

Nieuwe mannen

De vaders zijn moe. Altijd de man afzweren
die de kop opsteekt in ochtendstijfheid.
In lunchpauzes vegetarische slaatjes afwerken.
Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.

Als het huis voor hen alleen is, glijdt hun hand
onder hun schort. Hoe glad en haarloos zijn hun dijen.
Ze mijmeren op onopgemaakte bedden
van vrijgevochten dochters: over lot en chromosomen.

Hoe zitten ze gevangen in hun wol. Hoelang kunnen
ze hun haar nog in een staartje. Een gaatje in hun oor.
Met hun kopstem vermanen ze ongetemde zonen,
springen hen voor door brandende hoepels.

Op het aanrecht lezen ze de bijsluiters van pijnstillers.
In het glas bruist de branding van een Pacific.
Vergeefs spoelen ze het zout uit hun migraines.
Een eiland verdwijnt altijd eerst aan de randen,

maar vent zijn blijft een zeer voor het leven.

Van vorm of klank moeten de meeste gedichten het niet hebben. Maar veel beelden zijn sterk, en met een minimum aan middelen neergezet. ‘Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.’ Je ziet de bijpassende man onmiddellijk op je netvlies. Wel zijn er mooie associaties, feitelijk een vorm van beeldrijm. Zoals in de vierde strofe, waarin het bruisen van de pijnstiller een oceaan oproept, en die op zijn beurt weer een eiland. Zo ook staartje – (ver)manen – brandende hoepels.

In de afdeling ‘Trojaanse vrouwen’ vinden we gedichten als ‘Aisha’ (over de steniging van een onschuldig Somalisch meisje dat slachtoffer was van verkrachting), ‘Srebrenica’ en ‘De moeder van Beslan’. Poëzie en wereldpolitiek, kan dat wel samengaan? Bij Steyaert echter geen goedkope knieval naar de actualiteit. Het is eerder de werkelijkheid zelf die met geweld zijn gedichten binnendringt.

De moeder van de zelfmoordterrorist

Ik verzamel hem in mijn bed.
Hoe hij mijn buik opblies en later
hoe hij was als kind, voetbal spelend
met een blik in de steeg, snoep stelen

bij blinde marskramers. Hoe hij begon
te ruiken naar een man, gedachten kreeg
die ik niet begreep. Elke nacht puzzel ik
hem samen. Verwrongen klinknagels

haal ik uit zijn vlees, stapel ze in mijn bed.
De brandgeur spoel ik weg met rozenwater.
Mijn kam vol vragen haal ik door zijn haren.
Ik tel zijn tenen, overtuig mezelf ervan

dat niets ontbreekt. Dan hou ik me stil.
Ik weet: zolang ik niet aan hem denk,
blijft hij gaaf. Goed dat ik hem vergeet
of hij explodeert weer in mijn herinnering.

Adem na adem zoek ik rust op mijn spijkerberg.
Maar steeds opnieuw dat radioverslag:
alleen stoffelijke schade, geen slachtoffers.
Woede davert in de keel. Mijn verzet

haalt de slagpin over. Hoe hou ik hem heel?

Daags na de bloedige aanslag in Manchester komt dit gedicht extra hard binnen. Misschien is bovenstaand gedicht geïnspireerd op de knullige zelfmoordaanslag 24 juli vorig jaar bij een popfestival in Ansbach. De dader was daarbij de enige die het leven liet, in tegenstelling tot de aanslag in Manchester. Indrukwekkend hoe Steyaert dit onderwerp van binnenuit en zelfs met compassie belicht, door in te zoomen op de moeder van de zelfmoordterrorist. Vanaf de dikke buik van haar zwangerschap tot het wanhopige verdriet na zijn dood. Raak gekozen woorden. De ‘blinde marskramers’ roepen direct het beeld van een Oosterse markt op, het ‘blik in de steeg’ schetst de armoe, en het tellen van de tenen roept associaties op met de jonge ouder die kort na de geboorte zijn ogen niet geloven kan (‘Even kreeg ik kriebels in mijn keel / maar je had geen pink teveel’ – Herman van Veen).

En dan hebben we nog twee hele afdelingen tegoed. Jammer. In ‘Koningsmasker’ beschouwingen over het moderne leven met spitse titels als ‘SK8 2 HEAVEN’ en ‘Viagraman’, en een swingend gedicht over slammen: het valt allemaal een beetje uit de toon. ‘Sedimentatie’ grijpt terug op de eerste afdeling, maar ik mis het vuur en de zeggingskracht uit de rest van de bundel: ‘Er valt wat voor te zeggen, / of juist niets, als we zo de trap opgaan, // altijd zo beheerst, zo machteloos / beleefd de ander laten voorgaan.’

Toch is deze witte bundel een buitengewoon geslaagd debuut. Een laat debuut ook, als we kijken naar zijn staat van dienst. Misschien dat daarom ook deze bundel wat uit zijn voegen gegroeid is. Maar wat zou het mooi zijn als Buddingh’ volgend jaar zijn oog op een dichter als Steyaert liet vallen. Niet een man die de taal ontregelt, volgens de regels van de mode van de dag. Niet een fijngeslepen talent van de schrijversvakschool. Maar een man die iets te zeggen heeft, en zijn woorden tot stoere taalbaksels kneedt.

***
Erwin Steyaert (1959, Brugge) studeerde Klassieke Filologie en Filosofie in Gent en Leuven. Hij publiceerde onder andere in de ‘Poëziekrant ‘en ‘Het Liegend Konijn’ en won diverse poëzieprijzen, waaronder de Melopee Poëzieprijs, de prijs voor het beste gedicht dat het voorbije jaar in een Vlaams literair tijdschrift werd gepubliceerd. Veel van de gedichten uit zijn debuut bereikten de Turing Top 100, waar Steyaert in 2013 met maar liefst zeven gedichten in was vertegenwoordigd. Vanaf 2011 maakt hij deel uit van de Belgische dichtersgroep Pazzi di Parole, waarmee hij in 2015 de gezamenlijke bundel ‘Een kier in het rumoer – Handleiding voor het betrappen van stilte’ uitbracht.

Recensie van Meridianen van de doling - Serge Delaive

De spinnende schrijver (over de poëzie van Serge Delaive)

Serge Delaive
Vertaler: Katelijne De Vuyst
Meridianen van de doling
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551162
€ 23,50
104 blz.

Taal is een web en een schrijver is een spin, die vliegen probeert te vangen. Die vliegen zijn wij, de lezers, die – als het een goed web is – blijven kleven aan de woorden, die de spinnende schrijver voor ons heeft gesponnen tot een verhaal of tot een gedicht. Zijn schrijvers immuun voor hun eigen web? Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Een schrijver kan ook blijven kleven aan zijn eigen web. Laat ik een voorbeeld geven. Een collega-recensent beweerde nog niet zo erg lang geleden in een bespreking van Tonnus Oosterhoffs nieuwste bundel het volgende:

‘Een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’. 
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vastknopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.’

Geen touw aan vastknopen? Dwaasheid? Dat ben ik niet helemaal met mijn collega eens. Met dat ‘uitdreig’ (wat een soort anglicisme is, vgl. ‘outrun’ ) en ‘geen beveiliger die me nog beveiligen wil’ is er wel degelijk een touw aan deze regels vast te knopen. Ze hebben een vrij hoog (anti) Geert Wilders gehalte.
Maar wat ik zeggen wilde: Tonnus Oosterhoff lijkt mij bij uitstek een schrijver die aanleg heeft om in zijn eigen web te blijven hangen. Zijn ongewone taalgebruik is persoonlijk en zeer herkenbaar, maar loopt door de opvallendheid ervan ook sneller gevaar vervelend en irritant te worden. Brood heeft niet zo’n sterke smaak: het is iets gewoons, we eten het elke dag. Maar we kunnen het op den duur beter verdragen dan iets wat een sterke smaak heeft, zoals kaviaar. Werkt het ook niet zo met taal? Een woord als ‘globomspannende’ associeert met ‘globalisering’ en ‘bom’, maar doet intussen ook al denken aan eerdere versprekingen (verspellingen) die de dichter met zijn ‘hersenmutor’ maakte. En omkeringen als: ‘We zitten aan ons steeltje vast, we zitten vast aan ons steeltje’ (uit WARE GROOTTE) en bijvoorbeeld die in het gedicht ‘Transport’ (uit LEEGTE LACHT) geven mij als lezer een gevoel van herhaling. Alsof er een soort taaltrukendoos bestaat, waarvan de dichter gebruik maakt wanneer hem dit zo uitkomt.
Niet dat ik wil zeggen dat Tonnus Oosterhoff niet goed schrijft. Dáárover gaat dit niet. Maar hij is een voorganger van een trend waarin taalgebruik dreigt door te schieten van kunst naar gekunsteldheid. Het omgekeerde van wat Martinus Nijhoff in zijn tijd voorstond, die een meer natuurlijk taalgebruik nastreefde. Nijhoff wordt nog steeds gelezen. Hoe zal dat met Tonnus Oosterhoff over 100 jaar zijn? Nog steeds 14 lezers? Toegegeven: het lijkt vandaag de dag moeilijk om origineel te zijn zonder de ‘gewone’ taal geweld aan te doen. Helder schrijven over moeilijke onderwerpen is een beetje ‘uit’, en moeilijk schrijven over alledaagse onderwerpen ‘in’. Maar dat kan natuurlijk niet zonder consequenties blijven. Wanneer we er als lezer na een tijd puzzelen eindelijk achter zijn wat er zou kunnen staan (niemand behalve – waarschijnlijk – de schrijver zelf weet wat er wordt bedoeld) valt dat qua betekenis niet zelden tegen. En om nou na elke ‘aha-erlebnis’ de oneliner ‘is that all there is?’ weer van stal te moeten halen… Nou ja, gelukkig valt het ook weleens mee.

Waar wil ik naartoe? Misschien naar een nieuwe tweedeling. En nu eens niet tussen ‘modern en ouderwets’, of ‘vorm en vent’ en zelfs niet tussen ‘goed en slecht’, maar tussen dichters met een korte golflengte, en dichters met een lange. Tonnus Oosterhoff reken ik tot de dichters met een korte golflengte. De dichter wiens bundel ik in deze recensie (is het nog wel een recensie?) wil bespreken reken ik tot de dichters met een lange golflengte: Serge Delaive.
Serge Delaive is, zoals de achterflap van zijn nieuwe bundel Meridianen van de doling vermeldt, een Luiks dichter, romancier en fotograaf. Hij publiceerde tot op heden meer dan twintig werken in alle literaire genres, waaronder 4 romans en 13 dichtbundels. Zijn nieuwe roman Nocéan, poëtisch mozaïek van een onmogelijke liefde, verscheen in 2016 bij de Brusselse uitgeverij Maelström.
Normaal gesproken sla ik de info op de achterflap van een bundel liefst zo snel mogelijk over (ik wil me door die verkooppraatjes niks laten wijsmaken). De geïnteresseerde lezer kan het trouwens zelf allemaal terugvinden: ook in deze bundel, die ‘een onbestendige cartografie, een neerslag van een jaar uit een dichterleven’ wil zijn, zoals de achterflap verder vertelt. Maar nu maak ik een uitzondering omdat eruit blijkt dat Delaive ook (en misschien zelfs in de eerste plaats) een romancier is, en dus niet alleen ervaring heeft met poëzie. Aha, hoor ik iemand denken: dus die tweedeling van een korte en een lange golflengte is op niets anders gebaseerd dan de oude controverse tussen poëzie en proza!
Ja, zou kunnen. Maar toch niet helemaal. Ik kom hier later op terug. Eerst een voorbeeld van een gedicht van Delaive:

Onze schaduw

De lage zon zweeft op onze schouders
aan het eind van een leeg strand zeg je ‘kom’
en neem je mijn hand tussen je vingers
we zien onze lange schaduw snellen en
zweten hij holt voor het volle licht uit
wanneer we buiten adem neerstorten
in de rollende neergestorte golven
in het tegenlicht strooit je gebalde vuist het zand uit
de korrels stromen tussen je zandlopervingers
je zegt ‘haast je weldra is de tijd
over onze gestorven schaduw gerold
en vergat je alweer van mijn ontwrichte
in profiel gelegde lijf te genieten’
terwijl je praat blinken mijn ogen
ik luister en trek aan de draad die leidt
naar je zo ongehoorzame vliegerende lijf.

(51°51’39’’N, 4°03’25”E)

Onder elk gedicht in de bundel staan de coördinaten waar het tot stand kwam (in dit geval dus ergens in Engeland). Maar dit is geen absoluut gegeven (verzekert ons het voorwoord), want er worden ook plaatsen beschreven waar Delaive alleen in zijn verbeelding is geweest (niets bijzonders bij een doling, denk ik).

Het gedicht zelf behoeft niet veel uitleg. Een eigenschap van dichters die met een lange golflengte dichten: je denkt vaak dat je ze bij eerste lezing al begrijpt. Maar dit terzijde. Ik haal dit gedicht (in de vertaling van Katelijne De Vuyst, zoals alle gedichten van de bundel) niet alleen aan als een voorbeeld van de stijl van Delaive, maar ook om de term ‘zandlopervingers’. Net als ‘verschrikvolkelijke’ of ‘globomspannende’ ook een onbestaand woord. Maar wat een verschil! Men zou er haast overheen lezen, zo natuurlijk als dit woord komt aanwaaien. De oorzaak is – meer dan waarschijnlijk – te danken aan het feit dat het ‘onbestaande’ woord van Delaive (of zijn vertaler) simpelweg is samengesteld uit twee al bestaande woorden, terwijl bij Tonnus Oosterhoff de ‘onbestaande’ woorden een ingewikkelder indruk maken. Oosterhoff gebruikt een ander soort taal, die om meer aandacht vraagt. Een taal die we langzamer en preciezer moeten lezen dan we normaliter gewend zijn. Alsof de contouren van zijn poëzie, die zich zeer scherp aftekenen, vooral bepaald worden door kleine details (op letterniveau).
Hoe anders is dat bij Serge Delaive! Romanschrijver van nature, kunnen zijn contouren nooit haarscherp zijn. Zijn poëzie moet stromen: ‘bewegen om stil te staan’, zoals hij het zelf zegt. Geheel in lijn daarmee gebruikt hij ook zo weinig mogelijk leestekens. Die zouden de lezer immers alleen maar ophouden. Ja, zijn lezers mogen eigenlijk nooit stilstaan, want dat zou hetzelfde effect opleveren als het stilzetten van een film: een onscherp beeld; een beeld dat minder nauwkeurig, en met een grovere golflengte tot stand lijkt gekomen.
Een tamelijk paradoxaal plaatje, wat deze vergelijking oplevert: Delaive, die naast zijn literaire bezigheden ook nog actief is als fotograaf, lijkt in zijn taalgebruik op een filmmaker; en Tonnus Oosterhoff, die op het computerscherm ‘woorden liet bewegen’, blijkt in zijn poëzie toch meer overeenkomst te vertonen met een fotograaf…

Nogmaals: het gaat hier niet om een waardeoordeel. Enkel om een verschil met consequenties voor de inhoud van een tekst, die er nog altijd óók moet zijn (al willen enkele lieden dat ontkennen). Sommige zaken laten zich nu eenmaal beter afbakenen dan andere. Ik citeer nog één gedicht van Delaive om e.e.a. toe te lichten:

Episch

De blinde Homerus had alles gezien
de bard dichtte in een taal
allegorische bron van de gulden
keten die geen einde kent
wat miljarden mensen als Odysseus
moeten verdragen tijdens hun arme
en verheven schier dagelijkse epen
initiële maar al met al niet zo
romaneske avonturen van ons leren
wij die onze penelope’s moe zijn
gebruiken de uitvlucht van de zee
en zeilen op haar omschrijvend schuim
om zeven jaar bij kalypso’s te schuilen
bij kirke’s rijk aan toverlisten
bij nausikaä’s ontzet door onze wanstaltigheid
of sirenen die onze zinnenlust kastijden
voor we beduusd in de spinnenarmen belanden
op het eiland van een gestage weefster
die ons vergeeft en opneemt
in de stugge stof van haar weefsel
tenzij een onderschepte sms of mail
ons wegstuurt eenzaam en verlaten
smachtend naar ongewisse afrodite’s
op amper mythologische kusten.

(36°44’57”N, 24°25’13”E)

Dit is het gedicht van een doler. Delaive identificeert zich met Odysseus, die andere doler, die zo lang van huis zich door geen enkel ding liet tegenhouden om toch weer thuis te komen. En dit brengt me op de lange en korte golven terug: van lange golven is bekend dat ze zich niet door obstakels laten tegenhouden. Ze buigen overal omheen. Een goed voorbeeld zijn geluidsgolven die achter een gebouw of muur toch nog te horen zijn. Geluidsgolven zijn veel langer dan lichtgolven. Een muur maakt een duidelijke schaduw en houdt licht tegen, maar geluid meestal niet. En zo is het ook met de dichter-doler Delaive: obstakels houden hem niet tegen. Precies waarom hij ook altijd een doler zal zijn! Zijn vele vrouwen kunnen hem niet blijvend vasthouden, want het zit in zijn natuur, en in die van zijn gedichten, om te bewegen, te reizen.
Vanzelfsprekend zijn mensen geen golven, maar er is iets in hun manier van benaderen van dingen, in de manier waarop hun aandacht werkt, dat golfeigenschappen lijkt te hebben.
En met diezelfde aandacht worden gedichten geschreven, die met een korte golf-, of met een lange golf-aandacht geconcipieerd lijken te zijn. Niet zo zwart-wit natuurlijk, maar met de klemtoon op één van beide. En in dit verband durf ik te beweren dat Tonnus Oosterhoff van nature géén doler of reiziger is. Wat toevallig door zijn poëzie bevestigd wordt, want hij blijft al schrijvend vaak ‘dichter’ bij zichzelf (zijn huis, zijn lichaam).

Blijft over het geheim van Penelope. De enige vrouw die de doler Odysseus echt aan de haak heeft weten te slaan (en die dus in zekere zin als een onneembaar obstakel is op te vatten). Delaive heeft het in zijn gedicht over ‘de stugge stof van haar weefsel’ (karakteristiek voor hem: dolers waarderen het niet als de stof te stug is, waarin ze worden opgenomen). Stugge weefsels zijn niet soepel, ze hebben iets weerbarstigs. Net als weerbarstige taal. Taal, zoals die wordt geschreven door Tonnus Oosterhoff en enkele andere (spinnende) dichters, die een ‘dolende lezer’ willen vasthouden. Maar er moet een evenwicht zijn. Een goed gedicht is geen glijbaan, en ook geen puzzel (want anders is er zelfs geen sms of mail meer nodig om onze aandacht weg te sturen). Kunst: was dat niet iets wat onze dolende aandacht vasthoudt?

Ik kijk naar de foto op het omslag van Meridianen van de doling. Een foto die door Serge Delaive zelf gemaakt is. Hij is erop te zien, of liever: zijn schaduw is erop te zien, vermoedelijk terwijl hij een camera vasthoudt. Maar het beeld is niet helemaal scherp. Wazige contouren laten het nodige te wensen over en doen vermoeden, vermoeden wat zijn poëzie me ook vermoeden deed: dat er een hand is die dit deed, dit maakte, en me mee laat tasten in het schemerduister dat geen obstakel kent.

Recensie van Verzamelde gedichten - Wim Brands

Sporenonderzoek van een buitenstaander

Wim Brands
Verzamelde gedichten
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261921
€ 27,50
522 blz.

Vanuit een diepe genegenheid zijn de Verzamelde gedichten van Wim Brands (1959) door zijn echtgenote Monique Edelschaap en zijn vriend en redacteur Thomas Verbogt bijeengebracht. Na zijn plotseling overlijden in 2016 ontstond er al direct bij hen de behoefte om zijn poëzie te bundelen. Hoewel Brands zichzelf en zijn poëzie sterk relativeerde, zou hij waarschijnlijk niets liever hebben gewild dan zijn visie op dit ‘raadselachtig leven’ uitgedragen te zien worden in een verzamelbundel: ‘Der Mensch ist das Tier, dem man die Lage erklären muss (Peter Sloterdijk).’ Dat deze bundeling kort na zijn dramatisch verscheiden is samengesteld, laat zich goed begrijpen. Of Brands, zoals Verbogt dat in zijn nawoord oprecht verwoordt, tot de ‘top’ van de Nederlandse en Vlaamse dichters behoort, zal zich in de loop der tijden moeten bewijzen.
     Als we met overgave het verzameld werk doorlezen, valt al direct in de eerste bundel Inslag (1985) op, hoezeer de gedichten een afspiegeling van zijn dichterschap en zijn persoonlijke geschiedenis zijn. Brands schetst ons het rivierenlandschap waarin hij is opgegroeid met een gevoel: ‘Daar liep ik nergens / toe verplicht’. Een troebele rivier in een zonovergoten landschap. Daar doorleeft hij zijn ‘natuurlijke historie’, en misschien had het daarbij maar moeten blijven. Hij ontdekt echter: ‘mijn jeugd is een kruik / op een winterse dag gevonden / in een boshut’. Brands moet veel gedacht hebben: ‘Was ik maar weer zo: / een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien of horen’. Maar dat was helaas niet zoals hij in elkaar stak. Hij trok de wereld in om gehoord en gezien te worden. In die tegenstrevende houding zit zijn kracht en zijn zwakte als mens en dichter. Hij kleurde niet binnen de lijntjes. Hij moet zich dikwijls een dolende in het leven hebben gevoeld: ‘je komt er niet meer / uit’, zoals helaas uiteindelijk is gebleken.
     In het titelgedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel laat hij heel mooi zien op welke manier hij werkte en is blijven werken. De rudimentaire anekdotiek is zijn poëtisch handelsmerk geworden. De herinnering aan een inslag van een bommenwerper in een zompig weiland dicht bij de rivier vormt de aanleiding voor dit gedicht: ‘Diep het gat van de klap- / rozen rood // De bomen zijn oud / en kromgetrokken // Ze buigen naar de piloot’. De roos als symbool van de liefde, het treffende enjambement op klap-roos, de verstreken tijd zoals zichtbaar aan de bomen en het respect voor de gevallen piloot weet Brands in deze afgemeten versregels beeldend samen te brengen. Ondanks deze voortreffelijke regels blijft het levensgevoel van de dichter in wankel evenwicht, zoals hij in een regel uit het gedicht ‘Triëst naderend’ verwoordt. Het blijft niet anders dan: ‘Liefde: happen in een gouden / vraagteken’. Hij blijft vanuit zijn achtergrond en familiegeschiedenis doordrongen van scepsis en wantrouwen. In zijn bundel Hoger dan de dakgoot (1993) zegt hij het in het gedicht ‘Recept’ in een treffende paradox: ‘Voor geluk is nodig: een ochtend / in oktober met de geur van zomer / en de dreiging van regen.’
     In de bundel Koningen, de gehavende (1990) komen zijn ouders en grootouders in beeld, ook later blijven die veelvuldig zijn poëtische werkelijkheid bevolken. Brands leidt ons zijn boerenland beeldrijk binnen. Als het over een ‘Daggelder’ gaat, flitst een beeld à la Gerrit Benner voorbij: ‘Hij kijkt naar de lucht en ziet hoe een wolk / zich vergrijpt aan de zon.’ Verder komen reiservaringen in beeld waaruit de liefde en verliefdheid spreekt op ‘wat zo mooi tussen begerige / blikken in restaurants wankelt.’ Het zijn echter beelden die niet beklijven. Ze onderstrepen een overheersend levensgevoel dat Brands uitstraalt: ‘We zijn vliegen / in een web, verlaten door de spin.’ Wie heeft ons hiermee naartoe gebracht? Hij klampt zich vast aan het beeld van die visser aan de kant van het water. Hij voelt zich echter met hem toch niet eenzaam, want ‘Er loopt een lijn / van hem naar de bodem van / een wereld.’ Hebben we dan toch nog grond onder de voeten?
     Aan de bundel Hoger dan de dakgoot (1993) voegt Brands een motto van de wereldvreemde Amerikaanse dichter Weldon Kees toe, waarin exact zijn zelfgegeven levensopdracht is verwoord: ‘To build a quiet city in his mind’. De enige manier om dit te bereiken is het omzetten van al de opgedane beelden in woorden. Brands geloofde daarin. Hij wist dat de meeste mensen daarin niet geloven. Hij beloofde zichzelf alsmaar: ‘Ik maak / mezelf nooit van kant zo lang dit geloof / kan blijven duren’.
     Er vliegen nogal wat kraaien rond boven het poëtisch oeuvre van Brands, zoals de ‘kraai uit de Hallse kerktoren’ van zijn grootvader uit De Krengenput (1997). Vrienden, familieleden, opnieuw de vader, en de buurvrouw, willekeurige voorbijgangers spelen een voorname rol in zijn werk, zoals de heer Bonekamp die ‘zoals wordt beweerd, bijna / elke dag in andermans verleden // kampeert.’ Die interesse in andermans vreemde levens en zijn identificatie daarmee zette hem aan tot poëzie. Ze vormden in zijn dagdromen een levendig decor. Hij was begaan met deze eenzelvige mensen en hoe zij in het leven stonden. Aan deze levens ontleende Brands zijn levensvisie, zoals in het gedicht ‘In memoriam’ over de vraag waarom we er zijn: ‘Opeens wist ik hoe wij gaan: / zwaluwen die jaarlijks van // dezelfde dakgoot in Europa naar / dezelfde tak in Afrika trekken, // Routineus maar rusteloos / want stel je voor dat.’ Altijd weer die open vraag aan het einde.
     Vanaf zijn bundel Zwemmen in de nacht (1995) zien we Brands met meer uitgewerkte herinneringen, ervaringen en gedroomde situaties komen. De gedichten lopen inhoudelijk iets voller en zijn minder bedacht dan eerder het geval is terwijl ze, zoals Verbogt het aangeeft, juist niet vol, direct, helder en licht dienen te zijn. Het was van Brands bekend dat hij altijd gehaast was. Zijn gedicht over het vermoeden dat hij ‘een zee van tijd’ zou hebben is dan ook heel tekenend, vooral de passage waarin hij hoopte op ‘een trage tram – zoveel koffertjes / al overstuur – die achteruit reed.’ Bij die gedachte aan stilstand en rust zonder daarover bezorgd te hoeven zijn sluit aan bij zijn besef dat hij verwoordt in het gedicht ‘Stof’, waarin op het opdwarrelen van stof uit het westelijke havengebied voor hem aanleiding is gelegen dat te verbinden met een vrouw die ‘oud en dartel [is] / als het stof dat komt aangewaaid // uit de westelijke haven.’ Ze lijkt op een dag uit datzelfde ruim ‘als oud stof, op een kerkhof’, als een overlijdensbericht in een brievenbus te zijn terechtgekomen: stof zijt gij tot stof zult gij wederkeren. Die vergankelijkheid zat tezamen met de raadselachtigheid van dit leven hem voortdurend op de hielen.
     Zijn zoeken naar overgave en innerlijke rust spreekt uit het gedicht ‘Tuin’: ‘Er was een dag waarop hij meer dan een uur / in een weiland lag. En luisterde naar / kreten van wie hem zochten. // Officieel één oog toe in de rimboe, / in het jargon dat zweeg over de zon’. In dit soort gedichten over de zon, het hemellichaam dat de aarde omstraalt en de suggestie schenkt dat we omgeven worden door een scheppende kracht die ons begrip overstijgt, springt de gedachte naar voren dat Brands misschien wel het symbolisch dichterschap wilde bezitten dat hij de Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Joseph Cornell toedichtte. Ook Brands sloot in zijn gedichten de herinneringen, gewaarwordingen en ervaringen op om ze voor altijd bij zich te hebben. Het zijn fluisteringen in de nacht, gesprekken met zichzelf in de spiegel: ‘Zacht. / Ik hoor nog net het zwemmen / in de nacht.’
     In de bundel In de metro (1997) speelt een overspelige verliefdheid. Alleen op plaatsen waar barsten zich voordoen, ontstaan open plekken waar licht naar binnen valt. Als beeldend intermezzo bevat de bundel een pornografische strip die zijn aanleiding vindt in een uitdagende billboardfoto in de metro die de zintuigen van de ik dagelijks prikkelt waardoor zijn verbeelding haar onbekommerde gang kan gaan. De storyboxes van de Engelse kunstenaar Len Shelley inspireren Brands eveneens tot het schrijven van een reeks rudimentaire anekdotes. In de latere bundels staan ook nogal wat bewerkingen van gedichten van verwante dichters, zoals dat van Wolf Wondratschek, ‘Vloer’: ‘Ik hou van vrouwen die niemand / meer wel hebben, die oud / en getrouwd zijn’. Zijn werk staat vol met bizarre associaties, dagdroominvallen en schurende gevoelens, zoals die vrouw die hoopt ‘op het schuren / van ijs tegen hout.’ Toch is de humor ook altijd niet ver weg, zoals in het proza-achtige gedicht uit de bundel Neem me mee, zei de hond (2010) over de beschermengel op de schouder van een oude man. Ze mogen elkaar, terwijl de ik dat ongelovig ondergaat en zijn schouders erover ophaalt, zonder het te begrijpen. Dit soort bizarre uitspraken en verlangens is niet vreemd aan Brands levensgevoel. Het gedicht ‘De Poolse klusser’ is daarvan wel een heel mooi voorbeeld. Daarmee zijn we weer terug bij het gedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel:

Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan

de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

     Heden en verleden worden hier verenigd in een vredig maar ook dreigend natuurlijk decor dat om zin vraagt. Voor mij heeft Brands in zijn laatste publicatie De verharde weg (2015) overduidelijk zijn diepste levensgevoel neergelegd, toen hij een keer in de huiskamer wilde gaan lezen en hem op de trap de zinsnede van de filosoof Heidegger te binnen schoot: ‘Auf dem Holzweg’. Het gaf hem een gevoel van rust, van Gelassenheit. Deze mystieke gelatenheid roept herinneringen op aan zijn jeugd. Hij onderkent dat hij zijn leven lang bezig is geweest sporen van leven en dood te onderzoeken. Zo herinnert hij zich dat hij het verval van een ree in een sloot observeerde en volgde. Vanaf dat moment beschouwde hij zich in die natuurlijke context als een insider. Zijn dialectisch accent op de middelbare school deed hem voorgoed beseffen een outsider te zijn: ‘Ik lag eruit. Het verlangen is altijd blijven bestaan, het verlangen bij de wereld te horen zoals ik dat kon toen ik door dat bos van mij dwaalde.’ Misschien gaan de gedichten van Brands ten diepste over: ‘Ik wil juist ergens bijhoren’. Ik meen met Brands dat uiteindelijk ‘niemand uit de nacht kan vallen.’ Het is goed dat de Verzamelde gedichten er zijn. Zijn naarstig zoeken naar de zin van dit bestaan verdient het om gelezen te worden.

NPE

  • Wim Brands in de Nederlandse Poëzie Encyclopedie
Recensie van Zwembad de verbeelding - Tom Van de Voorde

Het uitgebroken Zwembad

Tom Van de Voorde
Zwembad de verbeelding
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551063
€ 24,95
79 blz.

Bij alles wat wij ontmoeten zoeken wij in eerste instantie naar het ons bekende. Dat betekent veiligheid. Elk gezicht wordt geijkt op wat ons bekend voorkomt, elk landschap waarin wij ons bewegen, maar ook elk boek dat wij lezen. Sommige mensen houden zich hun leven lang met maar één genre bezig, anderen, nieuwsgieriger, verdiepen zich in alles wat ze tegenkomen en zijn daarbinnen op zoek naar datgene wat hen vertrouwd voorkomt, én naar wat daaraan is toegevoegd: het vernieuwende. Het is de enige manier waarop wij orde kunnen en willen scheppen in de wereld. Tezelfdertijd geeft het een gevoel van beperking, en dat is irritant. Het vertrouwde mag dan veiligheid betekenen, het beperkt je beleving ook en geeft het gevoel niet ten volle te leven. In Rotterdam rijdt een vuilniswagen waarop de dichtregel: ‘Als het nieuwe tussen ons maar niet verdwijnt’ (Ahmed Suwaylim), waarin de samenhang tussen het vertrouwde en het nieuwe prachtig is uitgedrukt. Leven betekent beweging, binnen bepaalde grenzen: verandering.

Tom Van de Voorde (1974) heeft zijn nieuwe bundel Zwembad de verbeelding genoemd. Wat doe je in een zwembad? Je trekt je baantjes of je speelt er. Ernaast blaas je uit, liggend in je strandstoel. Leisure life. Even geen zorgen aan je kop, weg van de dagelijkse discipline. Maar ook verveling. Ook dat hoort bij een zwembad. De eerste reeks gedichten van de bundel heeft als titel: ‘oases van uitgestelde bekommernis’ meegekregen.

Al in het eerste gedicht van de bundel kom je alles tegen waarover ik het hierboven heb gehad:

De lucht is scherp
en de eksters haken
in de takken

Alles staat klaar
om uit een gevel te stappen

Wij verbergen ons
schrikbarend op zoek
naar een vulkaan

Vroeger leek het
groener hier
zeg je – ik streel
als versteend een hond

Een schommel breekt
ongewis muziek

en laat een glimlach diep
openwaaien

Er kleeft honing
aan een zegen

Ik wikkel me in
een toevertrouwd deken
en lig naast je
als een gekneusde pols

Zoeken naar een vulkaan en niet bewegen. (Bewegen doet pijn!) Leven en veiligheid blijken tegenstellingen. Maar ook de vulkaan is natuurlijk bekend, al is het voor de meesten van ons: op veilige afstand.

Tom Van de Voorde voert in de bundel Zwembad de verbeelding een gevecht tegen de bestaande orde. Soms lijkt hij wild om zich heen te schoppen tegen alle verstarde vormen die hij tegenkomt. Dat blijkt onder andere uit de derde reeks van de bundel (hij bevat er zes): ‘het conservatorium van moskou tijdens de koude oorlog’.
Het wordt vaak vergeten dat De Koude Oorlog ook een culturele oorlog was, met de ijzeren discipline van de Sovjet-staten tegenover de zogenaamde vrijheid van het Westen. Zij hadden het klassieke ballet, wij de abstract-expressionisten. Wat Van de Voorde in deze reeks tevoorschijn tovert heeft minder met muziek te maken dan met juist alles wat de muziek verzwijgt. Vooral de lichamelijke aspecten van het menselijke. Het zijn geen mooie, esthetische gedichten, integendeel: het lijkt of Van de Voorde, met terugwerkende kracht, zijn eigen kleine koude oorlog aan het voeren is tegen een esthetiek die het menselijke buiten beschouwing laat. Woede, onmacht, minachting en meedogenloosheid, gericht tegen alles wat het menselijke ondergeschikt maakt aan kunst en ideologie. Seks als belangrijkste wapen. Het is alleen jammer dat je een beetje ingewijd moet zijn in de wereld van de klassieke muziek, om te weten waarover en over wie hij het heeft. Je moet je bijvoorbeeld Sviatoslav Richter voor de geest kunnen halen, zijn kale, melancholieke kop, je moet weet hebben van zijn zelfhaat om het gedicht dat Tom Van de Voorde aan hem wijdde ten volle te kunnen waarderen.

Dat bezwaar kleeft aan meer gedichten, maar ik weet eigenlijk niet of ik dat als bezwaar moet aanmerken. Kennis van zaken schiet per definitie tekort. We kunnen bijvoorbeeld het werk van Van Gogh jarenlang hebben bestudeerd, zijn brieven hebben gelezen, en toch nauwelijks beseffen wat hem gedreven heeft, wanneer wijzelf geen religieuze achtergrond hebben. We kunnen de poëzie van Judith Herzberg waarderen, maar geen besef hebben van haar Joodse achtergrond, en hoe die haar poëzie heeft beïnvloed. We kunnen eerdere bundels van Van de Voorde gelezen hebben, en dan teleurgesteld zijn omdat wij in Zwembad de verbeelding niet de dichter ontmoeten die wij dachten te kennen. Maar moet de dichter niet vrij zijn om zijn hart te volgen en te experimenteren, andere gevoelslagen aan te boren dan welke wij tot nu toe van hem kenden? Is het noodzakelijk de poëzie van Kees Ouwens te kennen om ‘kees ouwens gaat dood’ te kunnen waarderen? Ik betwijfel het. Het lijkt erop dat Van de Voorde in zijn gedichten de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alles wil aantonen. Het lijkt wel alsof hij in de gedichten de grenzen ervan wil overschrijden, ze bij stukjes en beetjes meer in de door willekeurig wie ervaren werkelijkheid wil plaatsen:

(..)
Na je dood kwam ik te weten dat
je, eenzaam bovendien, in je aanschijn
een rusteloze verpozing had gezocht
in zoiets eenvoudigs als het branden
van bladeren in de herfst,
ongedurig in je herderlijke moed
het moment te willen verkennen
waarop het bewustzijn een waarheid wordt
van atmosferische omstandigheden
(..)

Hoe exact kun je vervagende grenzen aangeven?

De onderlinge verbondenheid waar ik net over schreef komt sterk tot uitdrukking in prozagedichten als ‘Het windgat’, dat uitgaat van een foto in een door de Chinese schrijversbond uitgegeven boekje met een tweetalig onderschrift. ‘Licht’, heette die foto, waarvan het Chinese karakter hem doet denken aan een kruiwagen, of liever nog, aan een tuintafeltje met een kromme poot. Daarmee is hij terug in zijn jeugd. Het eindigt zo:

(..) Ik heb niets met dat litteken te maken, maar ik kan nu eenmaal geen littekens zien, zonder te denken aan speelgoedpistolen, kruiwagens, natte handschoenen, mijn broer en nu ook aan het Chinese karakter voor licht, dat eigenlijk op een tuintafel lijkt, maar mij toch vooral herinnert aan het begin van de winter, toen wij vaders melancholie moesten bestrijden door de bladeren in de tuin op te ruimen.

Om daarmee licht te scheppen is zijn vaders betrokken geest.

Hoe langer ik mij verdiepte in de bundel Zwembad de verbeelding hoe meer waardering ik er voor kreeg. Juist het feit dat hij je soms maar weinig houvast geeft jaagt je door zijn gedichten heen, op zoek naar meer houvast. Maar het beetje dat hij je gemakkelijk geeft is genoeg, en bevredigt omdat hij genoeg nieuws biedt, genoeg ruimte schenkt voor associaties. Eén van de bijzondere zaken van deze poëzie: ze is alles, behalve vaag. De dichter heeft exact verwoord wat hij bedoelde, en dirigeert je in de door hem bedoelde richting. Met niet te vergeten de humor waarop hij de lezer regelmatig vergast.
Soms had ik maar één woord in gedachten, waarin alles vervat is waarmee een gedicht als het volgende mij raakte:

Zanger in het trapportaal

Ik verzin een tekst

op een bestaand lied
en zing van de afgebroken tak

de volle zak perziken
die eraan hangt

als ik het raam open zet
en het oudste zicht
groen en vrolijk maak

weigert het stof

weg te waaien
uit de windstreek

die ik trouw
maar moedeloos
bezworen heb

Mooi!

Poëzie Kort 2017 / 5

 

Paul Meeuws, De geluiden

(Door Lennert Ras)

De debuutbundel van Paul Meeuws staat inderdaad vol met geluiden. Geschreven in veel terzines. Blijkbaar al door de muziek geraakt door een vader, die de gezegende leeftijd van honderd haalde en die slecht orgel speelde (de zoon bediende het voetpaneel). Mozart, Schubert, Haydn, crescendo, nocturnes en het klavier komen voorbij, maar ook pop en jazz. Het leven openbaart zich in haar vele facetten, inclusief het vulgaire en in de geluiden.

Er staan een paar pareltjes in, zoals de stukgevallen kerkbeelden, die de kinderen tot krijt dienen en hen toch dicht bij de hemel laten zijn. En de vrouw die zwanger van bommen de dood baren kan. Het gedicht over de stukgevallen kerkbeelden:

Een heel goed organist was u niet
ik mocht naast u op de toetsen het voetpedaal nadoen
en de noten van die rare verticale balken vermalen
tot het hemelse gruis dat neerdaalde op onze hoofden

van dat goedje bleken ook de beelden gemaakt
die in een kamerhoek stonden te wijzen
naar zichzelf en omhoog (en daarmee naar jou)
en die een andere weg dienden te gaan
dan de tijdgeest intussen voor hen had bedacht

verstijfd in hun krijtwitte ontzetting vielen ze een voor een van hun
sokkel
en met hun brokstukken trokken wij trefbalstrepen op straat
of hinkelbanen die ons toch nog de weg naar de hemelpoort wezen

nog steeds zijn bepaalde gebaren uitvoerbaar in gips
zoals sommige noten naar meer smaken
en stoeptegels mij tot de sprongen verleiden van een verrukt kind.

(p. 44)

 
Oorlog, verlangen, werkplek, lied en zoals gezegd de vader komen voorbij (‘U’, het gedeelte waarmee de bundel afsluit). Met steeds als terugkerende noot de muziek. Totdat de ik-persoon zelf op de vader gaat lijken, net als in het liedje ‘Papa’ van Stef Bos. En dan is er ook nog een klein plekje voor de
hedendaagse politiek, zoals de terreuraanslagen in Parijs.

Licht melancholisch maar zonder echt zwaar te worden. Een ode ook aan de vrouw, die helaas met de leeftijd ook wat aan aantrekkelijkheid inboet. Een ode aan het leven en de vergankelijkheid.

***
Paul Meeuws (2017). De geluiden. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 19,99

 

Charles Baudelaire, Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters

(Door Hans Puper)

Als engel, maar met roofdierogen verscheen naar aanleiding van de honderdvijftigste sterfdag van Charles Baudelaire (1821 – 1867). Het is een tweetalige bundel, die bestaat uit een selectie uit Les fleurs du mal en ‘antwoordgedichten’ van Nederlandse en Vlaamse dichters, 41 in getal, zoals Koenraad Goudeseune, Johan Wambacq, Paul Roelofsen, Anneke Wasscher, Willem Thies, Menno Wigman en Erika De Stercke. De opbouw bestaat uit gelijkvormige eenheden: een vertaald gedicht van Baudelaire, een antwoordgedicht en vervolgens beide gedichten in het Frans. De gedichten van Baudelaire zijn met toestemming van vertaler en tekstbezorger Peter Verstegen overgenomen uit zijn integrale tweetalige uitgave , die die iedere liefhebber van Baudelaire echt in zijn kast moet hebben staan. De antwoordgedichten kennen verschillende vertalers; enkele dichters vertaalden zelf.

Tot mijn verrassing stond een van de genomineerden voor de inmiddels bekendgemaakte Meander Dichtersprijs 2017, Martin Wijtgaard, er ook in. De karakteristiek die ik als jurylid van zijn ingezonden gedichten gaf, komt grotendeels overeen met het gedicht ‘Aaseters’ in deze bundel en daarom voel ik mij gerechtigd een deel te verklappen: ‘Er zijn dichters die je al lang lijkt te kennen als je hen voor het eerst leest. Martin Wijtgaard is een van hen. Met een eigen geluid plaatst hij zich in een traditie die manifest was in de zwarte romantiek, maar die nooit is verdwenen. Zijn mensbeeld zou je kunnen samenvatten met de bekende uitspraak: ‘De mens is de mens een wolf’. Verder noemde ik de vorm van zijn gedichten klassiek en zo goed doordacht, dat ze een uitspraak in herinnering brengen die Piet Gerbrandy in een interview deed: ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. ‘Aaseters’ is een antwoordgedicht op ‘Een kadaver’. (Kees Godefrooij citeerde dat gedicht in zijn geheel in zijn bespreking in Meander van Baudelaires poëzie). Wijtgaards gedicht is te lang om in zijn geheel te citeren. Daarom alleen de laatste drie strofen. Het gedicht gaat over de afschrikwekkende confrontatie met een lijk vol maden:

Zet je over je walging heen en onderdruk
   je eigenwaan en dure woorden,
kijk naar de hond die, vechtend om het grootste stuk,
   zijn soortgenoten zou vermoorden.

Dit zijn onze verwanten, ze zijn net als jij,
   de larven en de vette vliegen,
de lijkenpikkers, wroetend in de laffe brij -
   want hoe we ook onszelf bedriegen,

ze zijn ons evenbeeld en onze disgenoot,
   smerig, obsceen en volgevreten,
feestend op een karkas dat, uitgewoond en dood,
   van ons geen donder meer wil weten.

Baudelaire was een schepper van ‘schoonheid uit het kwaad’ en werd als zodanig door veel contemporaine lezers ervaren als een provocateur. Het is natuurlijk mooi als de antwoorddichters de huidige lezers ook uitdagen – Wijtgaard is dat wellicht bij een aantal van hen gelukt. Edith de Gilde provoceert in haar bloem op een amusante manier. In haar sonnet ‘Mijn leeuw’ (antwoord op ‘De kat’) laat zij het kwaad verkeren in tederheid. De man van het lyrische ik is niet meer de fiere leeuw met wie zij de savanne in zou trekken. Hij is een dikke zak geworden, ‘schreeuwt naar [haar] zoals zijn baas het deed / naar hem’, ‘neukt met [haar] ook zijn frustraties mee’, ze voelt ‘vernedering in elke stoot’. Maar desondanks:

Hij slaapt. Ik streel zijn manen, die al kalen
en weet, met al zijn nukken, al ons falen,
dat ik dit trieste beest nog steeds bemin.

In de vorm van hun gedichten blijven de meesten dicht bij Baudelaire. Peter Holvoet-Hansen is een van de weinigen die dat niet doet. Zijn gedicht ‘De ratten van de oude wereld’, dat ook is gepubliceerd in Het Liegend Konijn 2017 / 1, is een hoogtepunt in deze bundel. Oordeel zelf.

***
Charles Baudelaire (2017). Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters. Vertaling Peter Verstegen, redactie Jos van Hest. Uitgeverij Spleen, 200 blz. € 19,00

 

Manuel Kneepkens, Zuid-Limburg aan zee

(Door Hans Puper)

In Zuid-Limburg aan Zee heeft Manuel Kneepkens (1942), geboren in de mijnstreek, zijn Zuid-Limburgse gedichten bijeengebracht. Deels zijn ze overgenomen uit reeds verschenen bundels (al dan niet bewerkt), voor een ander deel zijn ze nieuw.
Kneepkens woont al sinds de jaren zestig in het westen: eerst in Leiden en daarna in Rotterdam. Zuid-Limburger is hij altijd gebleven, maar het verleden is voorgoed onbereikbaar, het is een product van de verbeelding geworden: ‘Ik ben een balling uit Zuid-Limburg aan Zee / typisch een regio die niet bestaat // maar niettemin, ik ben er uit verbannen / als ooit Adam & Eva uit het Aardse Paradijs.’
De mijnen en ook de roomse almacht zijn verleden tijd – wat niet betekent dat Kneepkens die laatste hersteld wil zien, maar het katholicisme hoorde nu eenmaal bij zijn jeugd. Helemaal los is hij er niet van gekomen, een beetje schoppen kan blijkbaar geen kwaad. In ‘De intocht van Christus in Maastricht’ wordt Jezus gearresteerd en in de dodencel geworpen. Er zijn nog twee anderen,

Alsook Maria Magdalena, een callgirl (syfilitisch …)
eens het heimelijke liefje
van Pontius Pilatus de Twaalfde, de Gouverneur van Limburg
Maar nu in ongenade
De wereld nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
de Barmhartige Samaritaanse!

Deze strofen staan in de context van het bespotten van bestuurlijke hypocrisie. Ze laten ook de zwakke kant van Kneepkens zien: zijn joligheid, die op een gegeven moment heel vermoeiend wordt. Veel gedichten eindigen oubollig. Eén voorbeeld. In het gedicht ‘Allochtoon Hermes’ herkennen we de bekende regel van Toon Hermans: ‘Mediterranèe … Mediterranèe … zo blauw … zo blauw …’. Het einde zien we al van verre aankomen:

Ik heet toch niet

                           
                             AllochTOON

                                HERM !

Ook de vorm is vaak hinderlijk overdadig: veel slashes, haakjes, cursief gedrukte woorden om ze nadruk te geven en, zoals boven, een eigenaardige toepassing van accenten door de hele bundel heen:    ‘Bonpére’, cafè noir, ‘èèn’, ‘hèèl alleen’. Fonetische spelling? Het lijkt me niet.

Niettemin zijn er ook aantrekkelijke gedichten. Die uit de mijnstreek zijn geëngageerd of nostalgisch, wat niet betekent dat het verleden wordt geïdealiseerd. De eerste strofe van ‘Winselerstraat’: ‘Zwart getto tegen de hekken van de mijn / waar rauwe jongens je tegen hielden, je knikkers stalen / In de huiskamers zouden portretten van Stalin hangen / aldus de kapelaan! Maar voor de kale ramen / bladderde enkel een gipsen Heilig Hartbeeld.’
En humoristisch kan hij wel degelijk zijn. De eerste twee strofen van ‘Tuin van eetlust’ zijn prachtig. Voor mij is deze liefdevolle spot Zuid-Limburg op zijn best:

Op koele zomeravonden als de familie smakkend tot zich nam
groene haring, gevolgd door slierasperges in botersaus
biefstuk, salade, pommes frites, en toe
aardbeien, slagroom, mokka en vanille

dan deinden zij, de tantes, als pioenrozen, als zwaargassige
ballonnen op hun steel, op de golfslag van hun lacherigheid
in alle borsten koerde hoorbaar Eros

***
Manuel Kneepkens (2017). Zuid-Limburg aan zee. Bordeaux-reeks nr. 40. Uitgeverij Liverse, 232 blz. € 24,50.