Recensie van Geen delicatessen - Erik Spinoy

‘Een cirkel die geen vicieuze cirkel is’

Erik Spinoy
Geen delicatessen
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552572
€ 7,50
47 blz.

In de tweede Hans Groenewegen-lezing citeert dichter, essayist en literatuurwetenschapper Erik Spinoy uit Paul van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, en op die manier gaat hij vanaf het begin in tegen de kritische en poëticale opvattingen die o.a. in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en in Lieve Scheers’ werk De poëtische wereld van Paul Snoek (1966) werden gehuldigd. De biografische lezing van gedichten moest in de close reading-aanpak wijken voor de opvatting dat poëtische teksten autonoom zijn. Van Ostaijen beschouwde literaire teksten terecht als een soort vingerafdruk van de schrijver of schrijfster. Ze zijn het resultaat van zijn of haar in-de-wereld-zijn, van top tot teen en vanaf het eerste woord dat hij of zij heeft gehoord tot het eerste en het laatste woord dat ze hebben gesproken of geschreven. Taal wordt verworven, er klinken altijd andere stemmen in door. Van Ostaijens verzameld werk is daar een duidelijk bewijs van, denk maar aan zijn belangstelling voor de film en de neerslag daarvan in zijn gedichten, de invloed van de oorlog, enz.

Ondertussen is poëzie een intertekstueel verschijnsel geworden, gedichten zijn transformaties van al bestaande teksten en betekenisvelden, en daardoor zouden ze geen aanspraak kunnen maken op authenticiteit en onwrikbare waarheid. Voor mij betekent dat echter niet dat er geen lyrische waarheid meer bestaat. Volgens Kierkegaard is waarheid subjectief, anders gezegd: er is niet één universele en eeuwigdurende waarheid. In ons huidig tijdsgewricht is dichterlijke waarheid, zoals dat altijd al het geval was, intersubjectief, d.w.z. veranderlijk en afhankelijk van de deelnemers aan het poëtisch gesprek. Enigszins verontrustend is dat translatiepoëticale opvattingen, weliswaar op een andere manier dan bij de essayisten en critici die in Merlyn aan het woord waren, de dichter van vlees en bloed uit het beeld laten verdwijnen. Spinoy verwijst naar o.a. de Franse filosoof Derrida, die naar mijn aanvoelen in een aantal besprekingen, zijn op oorspronkelijk werk geënte commentaren even sterk heeft laten ontsporen als de Merlynisten in hun beschouwingen. De filosoof heeft meermaals uit het oog verloren dat beschouwingen over literatuur of visuele kunst een dienende rol hebben, de criticus of de beschouwer moet zich als een schaduwloper gedragen. Er bestaan nochtans benaderingswijzen die zowel recht doen aan de mens(en) achter het werk en zijn of hun werk, ik denk o.a. aan de analyses van het werk van Paul Celan door de Duitse filosoof Georg Gadamer, de inzichten van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty – met zijn voor de poëziebespreking wellicht vruchtbare inzichten over het ‘lichaam-subject’ – en de commentaren van Martin Heidegger bij het werk van Friedrich Hölderlin.

De depersonalisatie van het poëtisch spreken en de verdringing van het schrijvende ik, komt er volgens Erik Spinoy op neer dat we een illusie koesteren wanneer we denken dat we zelf het woord voeren. Volgens de essayist is de postmoderne tekstverzamelaar-dichter ‘fundamenteel onteigend’. (10) De psychoanalyticus Lacan erkent het menselijke subject als wezen in een onverschillige omgeving, en de erkenning van het subject betekent logischerwijze dat authentiek spreken en schrijven wel mogelijk is. Lacan laat de spreker, de schrijver niet los, terwijl Derrida vooral oog heeft voor teksten die andere teksten voort brengen, bijna zoals in de fysica en de dialectiek waar actie of these en reactie of antithese een ketting vormen. Maar het schrijven, zelfs het intertekstueel schrijven is geen kettingreactie, het subject kan bijna altijd een andere wending geven aan de genese van een nieuwe tekst.

Spinoy keert terug naar de stelling van Paul van Ostaijen en wijst erop dat volgens de dichter de mens wel degelijk aanwezig is in zijn gedichten, maar nooit in zijn totaliteit en nooit volledig zichtbaar en toegankelijk. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik er aan toe dat hij dat ook voor zichzelf en de anderen is in het leven van elke dag. ‘De afwezige “aanwezigheid des dichters” trekt een breed spectrum aan sporen in de tekst.’ (15) En die sporen nemen andere vormen aan tijdens de loop van een dichterleven. Zoals de levenservaring, die niet alleen cumulatieve maar ook prospectieve facetten vertoont, agglutineren de taalregisters en de gesprokkelde tekstfragmenten waardoor het voorwaarts geleefde leven rugwaarts begrepen en voorwaarts geprojecteerd kan worden. Een zinvolle toekomst is in een eerste fase niet meer dan een subjectief verhaal. Wie oog heeft voor de vele facetten van een gedicht ‘stoot op de sporen van een aanwezigheid die méér is dan de som van geschiedenis en samenleving, dan het quotiënt van poëtica, posture en discours.’ (15) Zelfs al is een gedicht nooit geheel toegankelijk, door de talige horizon van de dichter en de lezer is een horizonversmelting, of een zinvolle lezing mogelijk die recht doet aan de dichter of dichteres en de gelezen tekst als tekst, waarin per definitie altijd echo’s meeklinken uit de massa- en de samenspraak. Elke lezer voltooit op zijn of haar manier een gelezen gedicht, en geeft op die wijze ook een (nieuwe) deelinhoud aan het leven van de schrijver achter de tekst.

Er is echter nog een ander element dat door de essayist wordt aangekaart: de problematiek van het onuitspreekbare – en hij wijst erop dat het reiken naar woorden of beelden nooit een volledig bereiken wordt, en die ervaring ‘moet dichters als De Haes en Bartosik er dus toe hebben aangezet steeds vaker het zwijgen dat volgens Van Ostaijen bij de “ogenblikken van volkmaakte volheid” hoort, te verkiezen boven het dichten.’ (30) Zwijgen en witregels zijn inderdaad zeer betekenisvol. De Deense schrijver Martin A. Hansen heeft in veel novellen de onuitspreekbaarheid treffend in aarzelende woorden gevat, en zijn in het Noors schrijvende landgenoot Aksel Sandemose schreef in de roman Ross Dane (1928): ‘Hoe meer ik zou willen zeggen, hoe minder ik het gezegd krijg.’ Het poëtische spreken is uiteindelijk ontoereikend, zowel voor de dichter als voor de lezer. Een gedicht is vaak een monoloog, zelfs wanneer de dichter zich expliciet tot een lezer of aangesprokene richt, en de dialoog die lezer met het gedicht aangaat verloopt indirect en post factum.

De ontoereikendheid is geen reden om definitief te zwijgen, het gaat om ‘een reiken  dat nooit een bereiken wordt. Een cirkel die geen vicieuze cirkel is.’ (37) De essayist voegt er hoopvol aan toe: ‘Fail again. Fail better.’ Het is een tweeledige opgave: zowel de dichter als de lezer moet blijven proberen en blijven falen, om zo telkens wat dichter bij de essentie van de existentiële ervaring te komen. Dat een volledige en herkenbare aanwezigheid onbereikbaar is, ligt voor de hand. Vaak worden de zwarte gaten door metaforen vervangen, en die versterken het onvatbare, want metaforen zijn bruggen én kloven. De lezer die zich over de brug waagt, kan niet tegelijkertijd door de kloof wandelen en omgekeerd. Hij of zij kan dat wel in twee tijden doen, en zo de gelijktijdigheid in een ongelijktijdige benadering ervaren. Dat betekent echter dat men twee verschillende lezingen van een gedicht als waarheidsvinding accepteert.

Het essay van Spinoy vergt enige concentratie, maar het is vlot geschreven en het bevat geen academische hindernissen. Een aanrader voor wie niet alleen interesse heeft voor gedichten, maar ook voor poëziebeschouwelijke teksten. Het impliciete pleidooi voor eerherstel van de gedeeltelijk biografische lezing van gedichten vind ik terecht en nuttig. In de beschouwingen heb ik toch enkele delicatessen ontdekt.

Recensie van Verre uittrap. Gedicht - F. van Dixhoorn

Actieve rust

F. van Dixhoorn
Verre uittrap. Gedicht
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023466055
€ 17,99
-/- blz.

Verre uittrap bestaat uit één gedicht van 92 tot 1000 of 2000 woorden, net wat je wilt. Vreemd, nietwaar? Op de linkerpagina’s, een vierde van bovenaf, op één uitzondering na helemaal links, zonder kantlijn en paginering, staan ofwel een woord ofwel een paar zeer korte zinnetjes. Op twee opeenvolgende linkerpagina’s zien we bijvoorbeeld:

terecht.’

procent.’
met zon.’
zoals met alles.’
heen.’

Ieder woord of zinseinde eindigt met een punt en een aanhalingsteken, wat het einde van gesproken of geciteerde zinnen suggereert. Je moet het voorafgaande zelf bedenken en de lengte zal per lezer verschillen.
De metafoor in de titel lijkt duidelijk: het laatste stukje zin of het laatste woord belandt op de pagina. Vreemd is, dat ‘Verre uittrap’ op de titelpagina links van het midden staat; ik verwachtte hem rechts, want een verre uittrap is effectiever als een keeper een eindje voor zijn doel staat.

De linkerpagina’s zijn bijna leeg en de rechterpagina’s helemaal. Daarmee lijken de bladparen leger dan wanneer er geen enkel woord staat, een paradox waarmee ook K. Schippers speelde. Het doet me denken aan de leegte als centrale gedachte in de zenfilosofie. Op Google vond ik een passage die uitstekend past op deze bundel:  ‘Leegte verwijst […] niet naar een ontkenning van het leven, maar naar een plek die leven mogelijk maakt – een plaats waar leven kan ontstaan en waar we de wereld, en onszelf, steeds als nieuw kunnen ervaren.’ Die ‘wij’ zijn in dit geval de lezers. Als er één bundel is waarin je leven voelt opbruisen zodra je hem openslaat, dan deze wel: je maakt het grootste deel van het gedicht zelf en er komen steeds nieuwe vragen en ideeën in je op. Leegte vertaal ik in dit geval met ruimte in je hoofd. Een verademing.
In een toestand van leegte zijn alle tegenstellingen opgelost. Dat geldt voor de paradox die ik noemde en ook voor het gedicht buiten de pagina’s: het is er niet, het is leeg, en tegelijkertijd is het er wel en ook nog eens heel nadrukkelijk, want er ontstaan net zoveel gedichten als er lezers zijn.

Om een indruk – en niet meer dan een indruk – te geven van het effect boots ik hier twee pagina’s na. De verticale streepjes geven het midden aan.

—– 
|

 

maal.’

 

 

 

 

 

 

|
—–

Het is heel eigenaardig, dat het eerste woordje (‘ding’) uit de hechting in het midden van de bundel komt kruipen – dit is de uitzondering die ik eerder noemde. Het gedicht lijkt hier tevoorschijn te komen, maar wat moeten we dan met die verre uittrap? ‘Geef mij maar een vraag / en geen antwoord’, schreef Kopland. Heel toepasselijk: een lezer kan geen conclusies trekken, hij heeft steeds andere vragen en ook daarom is de bundel goed.
Zo luiden de eerste acht woorden van het gedicht (de witregels staan voor de blanco rechterpagina’s):

ding.’

ding.’

gok.’

ding.’

ding.’
ding.’
overal van.’

Waarom juist die eindwoorden, die herhalingen? Het woord ‘ding’ herinnert mij aan het belletje aan het begin en het eind van een meditatie, juist door de pauzes die de pagina’s wit veroorzaken. Mooi is het woordje ‘gok’, een dissonant die nieuwe vragen oproept. De bovenstaande reeks is ook een mooi voorbeeld van het wisselende, hypnotiserende ritme in de bundel.
Vragen en geen enkel antwoord – heerlijk. Nog een één voorbeeld en dan houd ik op. Een recensie over leegte moet je niet te vol maken. Op een bladzijde bijna aan het eind van de bundel staat:

hoor je het verschil.’
ding.’
niks klein.’
zeeën.’

Informeel taalgebruik, denk ik, gezien de woorden ‘hoor je’ en ‘niks’. Is het een dialoog? Een monoloog? Hebben deze woorden überhaupt een onderling verband? Is het een commentaar op het herhaalde ‘ding’ uit het begin van de bundel? Ik kan er van maken wat ik wil.  In deze bundel ligt de verbeeldingskracht bij de lezer. Nooit eerder heb ik een dichter meegemaakt die hen zo weinig in de weg stond.

***
Van Dixhoorn (1948) debuteerde in 1994 met de bundel Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs kreeg. De bundel De zon in de pan (2012) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.

Recensie van Shop Girl - Dominique De Groen

Maximaal toegevoegde waarde

Dominique De Groen
Shop Girl
Uitgever: Het Balanseer
2017
ISBN 9789079202478
€ 19,50
48 blz.

Vorm, veel vorm. De debuutbundel van de Vlaamse dichter Dominique De Groen is opgemaakt als een productbeschrijving. In de vormgeving van Shop Girl is veel aandacht voor nummers, trademark- en merkregistratiesymbolen en een bladspiegel met nauwelijks marge. Er moet altijd veel verplichte tekst in dat soort boekjes. De vorm verwijst naar wat gebruikelijk is in de logistiek van grondstof naar consument.

Taal, veel taal. Geen droog afgemeten veertienregelige verzen, maar stampende en dampende regels. Gedichten van pagina’s. Geschikt voor voordracht bij poetry slams, geschikt om te beluisteren. Associatief, herhalend, als een statement. Metrum en rijm is voor generaties die vroeger leefden.

Inhoud, veel inhoud, misschien iets te veel inhoud. Van de achterflap: “De bundel ontkiemde in de kelder van de Primark, waar Dominique De Groen een winter en een lente lang werkte.” Dichter De Groen wil in de acht gedichten uit de bundel een beeld neerzetten van een kledingwinkel als het einde van een lange keten, maar ze wil ook spelen met de taal van de logistieke managers die het proces uittekenen en begeleiden. En dan is er ook nog de ‘ik’ die enerzijds als medewerker in de winkel een pion is in de systeemwereld van productie tot consumptie en anderzijds consument zelf, want ook kleding dragend. De ‘shop girl’ uit de titel is het meisje dat komt shoppen en het meisje dat in de winkel staat om het winkelend publiek te helpen. Hoe vol al die ambities samen worden, is goed te lezen in het eerste gedicht waarin we alles tegenkomen: de taal van het textiel, de worstelende ik en de strijd om het allemaal onder woorden te brengen.

BETAALZONE

Ik vind mijn lichaam terug
aan het einde van een supply chain
die non-stop in mij leegloopt.

Laat alles weer uit me vloeien.

Je kan mij uit de betaalzone halen
maar je kan de betaalzone niet uit mij halen.
De winkelvloer kleeft aan mijn binnenkant
absorbeert alles.

Zo volgepompt dat ik het internet nodig heb i’m already world wide
laat ik me sneller uitbuiten dan mijn schaduw

en droom een wereld
buiten deze zone
waar ik naar terugkeren kan
na het scannen van een barcode
of een vingerafdruk.

Shop floor without end:
oersoep, proteïsche massa of seminaal vocht
de winkelvloer is nat
en buiten schijnt de zon.

Ik ontrafel een artikel
tot ik niet verder kan
en het kapitalisme zit er niet in

en wanneer ik de ruimte verlaat zal ik niet stoppen
me tot deze objecten te verhouden
die ik inslikte
om mezelf te kunnen aanraken.

Mijn lichaam verandert in een gedicht over het kapitaal
en ik hang vast in kleverige wolken

van elastaan
polyester
geëxpandeerd polystyreen.

Intimiteit sijpelt weg
uit mijn aanrakingen

vloeit terug
langs backward linkages.

We zien verwijzingen naar technische vakliteratuur gemengd met clichés. We zien een snelle wisseling tussen het lichamelijk intieme en het plastisch technische waarbij het laatste domineert waardoor het persoonlijke, het emotionele ondergeschikt is. Dat laatste komen we tegen in alle gedichten. Het gedicht ‘Colour Management’ heeft een wat afwijkende vorm, namelijk die van een kort toneelstuk in drie bedrijven. De personages zijn de abstracties uit het logistieke systeem: de Colour Forecasting Agency, de Colour Managers en diverse kleuren. Hun gesprekken vinden plaats in de ChromaZone en de Betaalzone. Abstracties binnen abstracties, waarbij ik, lezer, op afstand word gehouden. Ik lees taal die ik tegenkom in het onaantrekkelijke proza van beleidsnota’s en wetenschappelijk onderzoek als de ‘Colour Forecasting Agency’ uitlegt waar de voorspellingen op zijn gebaseerd:

(…)

Data over consumentenvoorkeuren
revoluties in lifestyletrends
gebeurtenissen in wereldsteden.
Culturele factoren
economische factoren
sociale factoren.
De impact van kleur op emoties
waarneming en lichamelijke toestand van de mens.

(…)

De levenscyclus van textiel gaat een alternatieve stroom nadat een consument ermee klaar is. Want de niet-verkochte of voldoende gebruikte broek gaat via een ‘wormgat’ naar ‘andere zones / in ruimte en tijd.’ En dan is de ‘ik’ weer aan de beurt om te sorteren, te ordenen en te strijken. Uit het gedicht ‘Ghosts in the Shell’:

(…)

ik reanimeer lompen
in een dorre zone
herstel percentages
van teloorgegane waarde (…)

Alles is gericht op $$$ vermeerderen tot aan de maximaal toegevoegde waarde, aldus de dichter. De dichter heeft hard gewerkt om de vele lijnen te binden, maar vraagt dat ook van de lezer, die moet ongelooflijk zijn best doen om de vele en snel wisselende associaties op te pakken. Op de achterflap is sprake van een poëtisch epos in de traditie van Vergilius maar voor een dichterlijk epos is het te weinig lyrisch, te fragmentarisch. Het beeld van de stroom van zijderups naar onderbroek wordt zo vaak onderbroken, dat het onvoldoende tijd krijgt om vorm te krijgen. Shop Girl van Dominique De Groen is een vormrijk debuut, met inhoud, duizelingwekkend veel inhoud. Een kledingwinkel beschreven als het eindpunt van een lang en dynamisch proces: van zijderups tot onderbroek. De ‘ik’ is onderdeel van het geheel en staat tegelijkertijd buiten het verhaal en er middenin als deel van de cyclus en als slachtoffer. En de lezer ziet het aan en kan niet ingrijpen want weet niet waar hij moet beginnen.

***
Dominique De Groen (1991) debuteert met Shop Girl. Werk van haar werd gepubliceerd in Deus Ex Machina, op Samplekanon en hard//hoofd. Zij post poëzie en beeldend werk op http://www.vulpix91.be.

Recensie van We komen van ver - Carmien Michels

We leven geen kladversies

Carmien Michels
We komen van ver
Uitgever: Polis
2017
ISBN 9789463102919
€ 19,99
80 blz.

Dit is me na het lezen van de bundel We komen van ver van Carmien Michels duidelijk geworden: deze poëzie moet vooral voorgedragen en beluisterd worden. Het zelf lezen van deze gedichten is daaraan ondergeschikt. Carmien Michels is een uitstekende slammer. Veel gedichten van haar zijn stromen van woorden, die met een persoonlijke dynamiek en toon vanaf het podium gebracht kunnen worden. Ongetwijfeld zullen ze bij een daadwerkelijke performance in een stroomversnelling terechtkomen en reacties vanuit de zaal oproepen. Slammen is per definitie verbaal en visueel spektakel. Maar deze gedichten een voor een lezen werkt vertragend, omdat je als lezer het allemaal in één keer wil begrijpen en verklaren. Voordat je het weet is dan het lot van deze gedichten stilstaande poëzie en dat verdienen de verzen in deze bundel niet. De toegankelijkheid van deze poëzie wordt vooral bepaald door de sfeer, de snelheid en de muzikaliteit. Met deze gedichten moet je de toehoorder overdonderen en ze niet op papier aan de lezer voorleggen. Dit is nou zo’n bundel waarbij ik me afvraag: waarom geen CD of liever nog een CD-ROM uitgegeven, met het tekstboekje erbij als extra? Dat doet meer recht aan deze poëzie. Maar ik weet het: ook de opmerkelijke poëzie van slammers zal in papieren bundels terechtkomen. Het lijkt het lot van elke slammer die bijzondere teksten schrijft en dat doet Carmien Michels zeker.

De gedichten in deze bundel zijn qua onderwerp ondergebracht in tien afdelingen. Het gedicht met de titel ‘Middenrif’ in de derde afdeling ‘Eindelijk aarde’ roept meteen een bekend beeld op:

Een aangespoeld kind in garnaalpose
de golf zo woest dat hij mijn ogen brak
ik keek weg tot alles was opgeruimd
en ingebeeld

De foto van de verdronken driejarige Aylan Kurdi, aangespoeld op het strand van het Turkse Bodrum is de gehele wereld overgegaan. Het beeld dat we allemaal hebben van dit kind in een ‘garnaalpose’ is mooi uitgewerkt in deze strofe met de verschuiving van het breken van de ogen van het slachtoffer naar de ik-figuur en met de dubbele betekenis van ‘ingebeeld’, namelijk ‘in je fantasie denken dat het waar is’ en ‘in beeld brengen’. Ook de Klaagmuur in Jeruzalem (‘een gevierendeelde stad’) in dit gedicht is herkenbaar. De dichteres ziet mogelijkheden: ‘Als je de wereld tot droom verbouwt / heb je geen last van nachtmerries / motief voor de muur’. Dromen blijven overeind, muren kunnen geslecht worden. Ze stelt in het gedicht wel voorwaarden aan deze verbouwing tot droom: ‘Vergeet het indutten’ en ‘We leven geen kladversies’. Aan het eind van het gedicht stelt ze vast

We bouwen muren bij en leren prevelen
van de oude vrouw die briefjes uit gleuven steelt
vrede smeekt en geruchten doodslaat
vliegen die de krantenkoppen niet halen

Carmien Michels laat zich inspireren door de steden Münster, Parijs, Caïro en Montreal waar ze verblijft, graaft diep in haar eigen jeugd en familiegeschiedenis en gaat op een eigenzinnige manier met de liefde om. Aan de ene kant krijgt het toeval bij haar een plaats in haar gedichten, aan de andere kant zoekt ze bewust naar beginpunten waar het met de ontwikkeling van allerlei zaken fout is gegaan. In het gedicht ‘Het begon’ presenteert ze vijf historische data waarop het geweld op verschillende plekken op de wereld begon en de mensen op de vlucht sloegen om uiteindelijk vast te stellen dat al deze momenten door ‘onze aders onze voorvaders’ met elkaar verbonden zijn. Met andere woorden: het geweld houdt nooit op. De geschiedenis bestaat niet uit gewelddadige momenten, maar uit verbindingen van gewelddadige momenten die allemaal op elkaar lijken.

Die zoektocht naar haar voorouders en haar jeugd vindt de lezer niet alleen in de gedichten van de eerste afdeling ‘Vacuümbaby’ terug, maar ook in het gedicht ‘Jimmy’. Het was het openingsgedicht van haar optreden op de Nacht van de Poëzie 2017. Mede door haar bijzondere wijze van presenteren heeft dit gedicht bij veel bezoekers een onuitwisbare indruk achtergelaten. Het is een van de kerngedichten van deze bundel, niet alleen door de aanstekelijke Vlaamse toon (‘Weet ge nog Jimmy…’), maar het beschrijft de lessen die de ik-figuur en Jimmy in hun jonge jaren geleerd hebben of hadden moeten leren. Er is van hun zijde een behoefte aan rust, aan stilte, maar ze komen beiden terecht in de hectiek van het volle leven. Ze staan ‘op de barricades’ en gooien ‘een stinkbommeke naar de flikken’. Mooi is de geleidelijke ontwikkeling in het gedicht van het kinderlijk naïeve in ‘de vooravond van het echte leven’ naar de felle, opstandige toon aan het slot: ‘De afwijking in het systeem Jimmy / de afwijking zijn wij’. 

In de afdeling ‘Blauwe beloftes’ dicht Carmien Michels in het gedicht ‘In Memoriam’ enigszins berustend: ‘alle vrouwen weten dat ook mannen verwelken’ en ‘dat beloftes op het sterfbed van de liefde altijd ijdel zijn’. Het voortgaan van de tijd is een vijand van de liefde, ‘die ander’ een stoorzender pur sang, maar het is een geluk ‘dat de liefde steeds opnieuw wordt geboren’. Zo ziet Michels dat. Opwekkend zijn de liefdesgedichten, waarvan er enkele in sonnetvorm zijn geschreven bepaald niet. Titels geven dat al aan. ‘Middelmatige mannen’, ‘To kill or not to kill’ en ‘Kreupelhout’ zijn wat dat betreft veelzeggend. Van het gedicht ‘Britse oma’s’ werd ik wel vrolijk:

Die Britse dame
die op zondag aan ballroomdansen deed
zo aan haar wekelijkse wip kwam
in de Royal Festival Hall

Zwiepend met haar kunstheup
ouwe geiten zijn het geilst around noon

Een gedicht met een verrassende afloop. Dit ontdek ik op de valreep. Carmien Michels kan ook de humor als wapen hanteren. In veel gedichten is zij (terecht!) boos op van alles en nog wat, maar vooral op de wereld waar zij met haar levensvisie niet inpast. Zaken relativeren, een satirische benadering van de werkelijkheid kan de dichteres lucht geven. Hier ligt voor haar nog een wereld open. We komen van ver is een opvallende debuutbundel met kwalitatief goede gedichten. Iets strenger selecteren bij de samenstelling van deze bundel zou welkom geweest zijn. Niet alle gedichten overtuigen, sommige blijven echt ontoegankelijk en het verschil tussen de beste en de minder geslaagde gedichten is soms te groot. In de toekomst valt nog veel mooie poëzie van Carmien Michels te verwachten, maar ‘Vlieg niet uit voor de storm / beklim de zon op armkracht’.

***
Carmien Michels (Leuven, 1990) is schrijfster en performer. In januari 2016 werd ze Nederlands kampioen Poetry Slam. Op het wereldkampioenschap Poetry Slam in Parijs haalde ze in mei 2016 de derde plaats. Sinds november 2016 is ze Europees kampioen in deze discipline. Haar debuutroman We zijn water verscheen in 2013. Haar tweede roman Vraag het aan de bliksem kwam in 2015 uit. De bundel We komen van ver is haar poëziedebuut. Carmien Michels ontwikkelde diverse projecten met anderen uit de theater- en museumwereld. Ook richt ze zich als woordkunstenaar op doelgroepen als anderstalige nieuwkomers, kinderen in psychiatrische ziekenhuizen en mensen in armoede.

Recensie van Open ogen - Remco Campert

De ontwapenende blik van de oude dichter

Remco Campert
Open ogen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023462835
€ 17,99
48 blz.

Wie ouder wordt gaat het meestal niet zo goed meer af om zonder bril te lezen. Ik bedoel dit vooral in overdrachtelijke zin. Alles wat we eerder hebben gelezen en meegemaakt kleurt onze interpretatie. Om nog maar te zwijgen van de vertekening die optreedt wanneer we weten dat een tekst door een bepaalde auteur geschreven is. Het is moeilijk om dan een open blik te houden. Mijn vorige recensie ging over Frank Boeijen. Uitersten, jawel. Voor de grap had ik een tekstfragment van Frank Boeijen op Facebook gezet, met als post: ‘De nieuwe bundel van Campert is uit. Ik kan niet wachten!’ Het bericht werd enthousiast geliket, er was niemand die op het idee kwam dat deze woorden voor Campert toch een beetje aan de lichte kant waren. Men las de woorden door een roze bril.
Ik zal proberen in deze bespreking deze leesbril af te zetten. Een andere bril kan ik echter moeilijker afzetten. Vanuit mijn werk met ouderen als psycholoog in verpleeghuis en ziekenhuis heb ik een speciale belangstelling ontwikkeld voor poëzie die over de ouderdom spreekt. In het bijzonder voor dichters die op hoge leeftijd de pen pakken, en zelf verslag doen van hun wederwaardigheden. Van het gevecht tegen de tijd, tegen de aftakeling. Van het zoeken naar zin, wanneer het moment komt om de balans op te maken. Deze belangstelling begon met mijn ontdekking van Voorlopig (1976), de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen. Even oud als Campert nu is. Ik kom daar later op terug. Laten we eerst de bundel eens ter hand nemen.

Vrienden

Vandaag is het nu avond
gegeten met liefste vrienden
even ontheven aan poëtische plicht
op lachen gericht van elkaar weten
dat het diepste van de liefde de vriendschap is

ik schrijf een end van me weg
maar hoop dichterbij te komen
bij mijn vrienden en u
altijd op weg
waar eindigt ons pad?

Het tweede gedicht uit de bundel begint nogal apart. Het is avond, of eigenlijk is de avond waarover geschreven wordt al vrijwel voorbij. De formulering ‘Vandaag is het nu avond’ is zowel onbeholpen als aandoenlijk. Ook blijft ‘ontheven aan’ haken, waar ‘ontheven van’ logischer zou zijn. Maar het gaat natuurlijk om de regels hierna, de ervaring dat vriendschap misschien wel de hoogste vorm van liefde is. Poëtisch zit de eerste strofe subtiel in elkaar, met het kruisend binnenrijm ontheven/weten en plicht/gericht in r3/r4, en de sterke assonantie in r5: diepste / liefde / vriendschap. In de tweede strofe zetten we een paar stappen achteruit. Woordspelingen met ‘dichter’ zouden verboden moeten worden. En de laatste twee regels ‘altijd op weg / waar eindigt ons pad?’ zouden de eerder genoemde Boeijen niet misstaan. Kortom, zo aan het begin van de bundel is onze aandacht getrokken, maar we zijn nog niet overtuigd.
Het derde gedicht begint tastend: ‘Ik zou kunnen zeggen / ja wat niet al / aan woorden geen gebrek / goede woorden?’ De rammelende tweede zin is zelfs tot titel van het gedicht verheven: ‘Ja wat niet al’. Was dit de bundel van een onbekende debutant, dan was dit het moment om hem terzijde te leggen. Maar de slotregels zijn in de roos: ‘vergeet niet de vorm te vergeten / zelfgekozen gevangenis / open die kooi voor het laatst en voorgoed’. ‘Niets is minder vrij dan het vrije vers’ schreef T.S. Eliot al honderd jaar geleden. De dichter is zich ervan bewust, dat je zo weer in de valkuil van een verwachtingen scheppend ritme of rijm loopt. Of je nu kiest voor een vaste vorm of voor het vrije vers, de beperkingen die je jezelf oplegt bij het schrijven kunnen een gevangenis worden. En ook daar wil de dichter uitbreken, in misschien wel zijn laatste bundel. Een paar gedichten verderop neemt Campert een voorschot op alle kritiek: ‘dit is geen grootse poëzie / weinig bevlogen’. Waarmee hij ons lijkt te zeggen: ik schrijf nu wat ik van mezelf moet schrijven, wat ik nog gezegd wil hebben. Daarbij zal ik wanneer dat nodig is zelfs slechte regels laten staan.

In ongeveer de helft van de gedichten uit Open ogen blijft Campert dicht bij huis. Hij schrijft over het schrijven van poëzie, het ouder worden, herinneringen aan vrienden of gewoon over een voorjaarsbuitje tijdens een ommetje in de buurt. De andere helft van Open ogen heeft in de pers veel aandacht gekregen. De bundel opent nogal provocerend met de volgende regels: ‘Afgerukt been bot bloed / laaiend vuur in de vlieghal’ (uit: ‘Zaventem’). De achterkant had ons al gewaarschuwd: ‘De wereld kwam niet eerder zo hard binnen in de gedichten van Remco Campert.’ Campert nam achttien gedichten op die over de actualiteit gaan zoals die dagelijks in al zijn heftigheid tot ons komt (oorlog, vluchtelingen, aanslagen). Vier daarvan hebben betrekking op de Tweede Wereldoorlog, die hij als jongen meemaakte, maar de meeste van deze gedichten gaan over de oorlog in Syrië, aanslagen in België en Frankrijk, en over vluchtelingen die verdrinken op de Middellandse Zee of in Europa op een grens van prikkeldraad stuiten. Na het schokeffect van het openingsgedicht zijn deze gedichten gegroepeerd in de tweede helft van de bundel.

Open ogen

Soms die gezichten van Syrische vluchtelingen
waarvoor Orban van Hongarije
zijn grens gesloten houdt
hij laat zelfs op ze schieten
ik geloof mijn ogen niet
hoewel ik ze wijdopen sper
’s nachts nog voor ik droom
trekken ze voorbij
en kijken mij vragend aan

De titel van de bundel gaat dus over de ogen van de dichter, die ons door zijn bril altijd wat licht vergroot en vragend lijken aan te kijken. De voorkant van de bundel toont een enigszins abstract zelfportret uit 1986, waarin zijn kenmerkende blik nog net herkenbaar is. Campert gelooft zijn ogen niet, en gebruikt sobere taal om het ongelofelijke leed dat de huiskamer binnen spoelt te verwoorden. Hij lijkt daarbij vaak min of meer bewust voor naïviteit te kiezen. Vluchtelingen zijn het slachtoffer van ‘het streven / van een machtsbeluste dictator’. Waarbij hij zich in een ander gedicht net zo makkelijk tegenspreekt: ‘ik vervloek de schuldigen / die zijn als altijd anoniem’. De dichter kan niet om de ‘actuele lijken in de middellandse zee’ heen, zijn poëzie raakt ervan doordrongen. Evengoed realiseert hij zich, dat zijn individuele protest niet het verschil zal maken voor het jongetje ‘bedekt met bloed / en asgrauw puinstof’: ‘dit gedicht helpt hem niet / maar het is genoteerd’. Zo lopen de persoonlijke en politieke thema’s naadloos in elkaar over. In de gedichten over vluchtelingen gaat het ook over poëzie, en zelfs ook over de slapeloosheid van de oude dag.

Dood

Ik denk aan de dood mijn dood
ik denk derhalve aan niets
de dood is het niets
aan niets kun je niet denken
aan sterven kun je denken
maar te pijnlijk te ontwricht
de dood is het uiteindelijke
allesomvattende gedicht

Campert varieert in dit gedicht op de oude uitspraak van de stoïcijnen ‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’. Het is een kleine gedachteoefening in het licht van zijn onvermijdelijk naderende dood. Hoewel, naderend, de tijd dat je op je honderdste verjaardag de burgemeester op bezoek kreeg is wel voorbij. De dichter lijkt zichzelf gerust te willen stellen, vanuit de materialistische visie dat met de dood alles ophoudt. Een kortdurende geruststelling, want de doodsangst ligt toch op de loer, en laat regel 6 ontsporen. Het (denken aan) sterven lijkt me eerder ontwrichtend dan ontwricht. De laatste regel is paradoxaal. Het is niet waarschijnlijk, dat de dood nu opeens een gedicht is, immers de dichter had net betoogd dat de dood niets is. Subtieler wordt het, wanneer we ‘gedicht’ als een voltooid deelwoord proeven: het uiteindelijke, het allesomvattende wordt door de dood afgesloten, dichtgemaakt.

In Open ogen gaat Campert de confrontatie met de eindigheid van het leven aan: ‘Een verdriet komt over me / de weg loopt op / ik zie het einde niet (…) / verdriet / hoop op slaap eindeloos’. Ik heb het eerder genoemde Voorlopig, de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen, er nog eens op nageslagen. Roland Holst wilde nog één keer vlammen, maar is het meest ontroerend in die gedichten, waarin hij zijn dood onder ogen ziet: ‘Weldra leg ik mijn pen / voor altijd neer en staar / naar wie ik was en ben / en blijf tot aan de baar.’ (‘Wie weet?’) ‘Hij keek tot hij met open ogen / en voorgoed in zichzelf verdween.’ (‘Einde’)
De oorlogsgedichten in Camperts jongste bundel hebben veel aandacht gekregen. Mij raken zijn gedichten over de oude dag het meest. Open ogen wordt beter naarmate ik hem vaker lees. De oneffenheden blijven, maar ze worden steeds zichtbaarder onderdeel van wat de dichter ons in al zijn naakte en ontwapenende eerlijkheid wil vertellen.