Recensie van De olifant van Oostzaan - Erik Bindervoet

Wartaal is waarheid

Erik Bindervoet
De olifant van Oostzaan
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360425
€ 17,90
112 blz.

Eén plaatje zegt meer dan duizend woorden. Het plaatje op het omslag van de bundel De olifant van Oostzaan van Erik Bindervoet wat mij betreft meer dan tweeduizend. Het gaat om een reproductie van The elephant Celebes, van Max Ernst en doet denken aan een stofzuiger. Een stofzuiger die op zijn beurt weer een rare olifant is. Op het internet vinden we de volgende beschrijving (Tate Gallery label, oktober 2016):

The central rotund shape in this painting derives from a photograph of a Sudanese corn-bin, which Ernst has transformed into a sinister mechanical monster. Ernst often re-used found images, and either added or removed elements in order to create new realities, all the more disturbing for being drawn from the known world. The work’s title comes from a childish German rhyme that begins: ‘The elephant from Celebes has sticky, yellow bottom grease’. The painting’s inexplicable combinations, such as the headless female figure and the elephant-like creature, suggest images from a dream and the Freudian technique of free association.’

Ernst kreeg het voor elkaar om ‘beelden uit een droom’ te suggereren. Beelden die normaal niet bij elkaar horen brengen, door ze bij elkaar te zetten, een bevreemdend effect teweeg. Dit moet Bindervoet hebben aangesproken.
De olifant van Oostzaan is, zoals de tekst op de achterflap zegt, één zeer lang, verhalend gedicht. Een SLURF misschien (Super Lang Uitgerekt Rariteiten Frutsel). Níet te verwarren met de slurf van de olifant die met zijn lange snuit een verhaaltje uitblies. Meer een slurf à la het internet: eentje waardoor we worden opgezogen. Op het internet door een aandacht slurpende stroom van informatie en in het gedicht door een kakofonie van personages en gebeurtenissen (wat op hetzelfde neerkomt).
Waar gaat het in dit gedicht over? Antwoord: dáárover. Het antwoord op de vraag is informatie. Het gedicht gaat over ‘een hotel in de polder, bedreigd door een gruwelstorm van informatie.’ Als we tenminste mogen geloven wat op de achterflap staat. En de achterflap moeten wij altijd geloven. Tenminste zolang wij ons zelf geen oordeel gevormd hebben.
Maar zoals ik al zei: het is een vrij lang gedicht (pakweg 100 bladzijden). Dus er staat nog veel meer in. Alles gedekt door de paraplu ‘informatie’.
Wat is informatie eigenlijk? Wikipedia: informatie (van Latijn informare: ‘vormgeven, vormen, instrueren’) is alles wat kennis toevoegt en zo onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert. Strikt genomen is informatie pas informatie als die interpreteerbaar is. Interpreteren en integreren van informatie resulteert in kennis.
Leuke definitie. Vooral het eerste deel ervan. Weten we meteen dat veel van de ‘informatie’ die via het internet tot ons komt van een bedenkelijk niveau is, omdat onze onzekerheid en de ‘onbepaaldheid der dingen’ er ‘bepaald’ niet beter op worden.
Interessant duo: poëzie en informatie. Beide zijn interpreteerbaar, maar waar ambivalentie informatie vertroebelt, bloeit juist de poëzie. Een ramp voor een informaticadeskundige lijkt een zegen voor een dichter.
Het zou me niet verbazen als De olifant van Oostzaan aan deze (on)gelukkige omstandigheid zijn ontstaan te danken heeft. De chaotische wijze waarop informatie (vaak door elkaar en ongevraagd) op ons afkomt brengt hilarische en absurde situaties teweeg. Poëzie! moet Eric Bindervoet hebben gedacht. Poëzie die ontstaat door kortsluiting:

Er is kortsluiting.
Tussen de regels knettert
Interferentie.
Wat zijn dit voor boodschappen?
Wat wordt hier medegedeeld?

Beelden die in taal bij elkaar of door elkaar staan beïnvloeden elkaar net zo goed als de beelden op het schilderij van Ernst. Door interferentie ontstaan nieuwe betekenissen (iets waar dichters gretig gebruik van maken). Heerlijk voor het poëtisch gehalte van een tekst, maar desastreus voor de duidelijkheid. Toch gaat het (denk ik) bij Bindervoet niet alleen om de lol van het scheppen van poëzie uit ‘crashende informatie’. Er zit ook iets treurigs in de bonte stoet van personages die een schitterend ongeluk in dit gedicht staan te beleven. Er is – om te beginnen – sprake van nostalgie. Bijvoorbeeld in de eerste regels van het gedicht, waar de komende storm (van informatie) al stiekem in sommige woordjes verstopt wordt aangekondigd:

Bushalte de Kolk.
Waar Molen de Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis, […]

Waar Ole Bouman
Nog een tijdje heeft gewoond,
De historicus
Die zijn geliefde uitschold
Voor lul als zij iets fout deed,

Zoals bijvoorbeeld
De kat van ome Willem
Opzetten terwijl
Hij om In een rijtuigie
Had gevraagd, heel duidelijk,

Staat nu een hotel.
Een hoog gebouw met kamers,
Een rechthoekig blok,
Uitgehouwen in de lucht
Van Oostzaan in Noord-Holland,

Het hotel dat geteisterd gaat worden door een ‘storm van informatie’ staat op een riskante plek. Een plek die vroeger veel wind ving. Er stond niet voor niets een molen. ‘Molen de Olifant’, die werd aangedreven door gewone wind. In een tijd dat er nog niet zoveel redenen voor misverstanden waren. Het leven ging nog niet zo snel – informatie ging nog niet zo snel, moet ik zeggen – en de kans op een ontsporing was misschien wat kleiner. Maar de basis van wat er komen ging was er al wel. Een molen (kolk) draait. Zoals ook een storm – een orkaan met een oog – draait. De dichter moet zich hebben gerealiseerd dat molens in de literatuur vaker gebruikt worden als beelden voor (beginnende) waanzin. Bij alle personages die hij noemt zit ook een zekere meneer Quichot.

Niet alleen nostalgie speelt de dichter parten. Ook de tegenstelling die hij – simpelaar – voelt met de ingewikkelde buitenwereld die als een storm van informatie op hem afkomt, valt hem zwaar. Daarmee gepaard gaat immers de miscommunicatie die mensen van elkaar dreigt te vervreemden. Wanneer iedereen in het hotel voor de storm aan het schuilen is en er van alles gebeurt schrijft hij:

Ik ben maar een simpelaar
Hou ervan als jij zegt ‘kook van jou’
Wij houden van elkaar
‘Houden van’ voor mij is dat ik hou

En dat ben jij nou
Laat je niet meer gaan
Jou heb ik en hou ik
Dicht tegen mij aan

Liefde blijkt uiteindelijk het tegengif. Maar de storm raast door. Het schilderij van Ernst wandelt als een levende nachtmerrie door het gedicht:

En over het land
Dreunde een log gevaarte
Van blik en beton,
Een monsterlijk wezen dat
Alles wat op zijn pad kwam

Vertrapte en met
Een stalen stofzuigerslurf
Opzoog en verzwolg
In zijn holle bolle bast
Ter vertering en vermaak.

Gehoornd was het beest
En het had ook slagtanden,
Een schaafmachine
Op zijn rug en de lege
Ogen van een gasmasker.

En de schaaf was ook
Een nietpistool en een schip
En het beest was ook
Een graansilo uit Soedan
En een tank uit W.O. I.

Een archetypisch beeld? Een metafoor voor de storm? Wie weet wat het is. Bindervoet lijkt er in elk geval door gefascineerd. Al wijdt hij er geen duizend woorden aan. Of toch? Zijn hele gedicht heeft iets van het schilderij van Ernst. En tegelijkertijd is het ook een hotel: een hotel waarin wij als lezers worden bestookt met informatie (zo werkt de ambivalentie, die in dit fragment wordt benadrukt). Iets verderop lezen we:

En de boom sprak: bij
Oververhitting krijgt u
Meer informatie dan er
Grenstoestanden zijn en gaat
De samenhang verloren,

De verstrengeling,
De lijn die ons bij elkaar
Houdt. En de steen sprak:
Spoken bestaan niet. Maar de
Kromme en de boom spraken:

Helder. Duidelijk.
En de verstrengeling sprak:
En vice versa.
En er verschenen strepen
En er klonk statische ruis

Maar het beest ging door
En zoog het landschap
Kaal en woest en leeg
En het was aarde donker –
De kievit was zijn nest kwijt.

Een ogenblik waarop het mis gaat. Een virus? Een DDoS aanval? Misschien gewoon een crash, waardoor onze computer vastloopt. En daarop volgend: een terugkeer naar de toestand van vóór de (digitale) schepping; het scherm (het landschap) dat weer kaal en woest en ledig wordt: aarde donker.
Molen de Olifant is verdwenen. Daar kwam The elephant Celebes voor in de plaats. Met een soort stofzuigerslang als slurf. Een stalen slang waarmee het beest volgens de dichter ‘alles wat op zijn pad kwam opzoog en verzwolg in zijn holle bolle bast’. Ja, een stofzuiger denkt niet na over keuzes. Hoewel: hier wijkt de dichter toch af van het schilderij dat hij beschrijft. Het beest op het schilderij van Ernst heeft een gasmasker om en steekt zijn slurf in zichzelf (mogelijk zijn achterste). Is dat om zijn eigen stank niet te hoeven ruiken? Een gasmasker als filter voor het eigen ego, zoiets? Nu ja, het gaat waarschijnlijk om een beeld voor onze status quo! Zowel bij het schilderij, als in dit gedicht. En als we het over een soort stofzuiger hebben: is er een leegte in ons hoofd? Een nihilistisch vacuüm (mogelijk veroorzaakt door een geloofscrisis) waardoor we alles maar binnen laten komen en ons geen raad meer weten als het teveel wordt? Een informatiecrash heeft ook iets weg van een zwart gat waarin de meest uiteenlopende zaken op elkaar gedrukt worden. Ons hoofd als zwart gat en hotel tegelijk; ons hoofd als de riskante plek waar het om gaat en waar alles (om) draait bij het verzamelen van informatie!

Tot zover een interpretatie van de informatie die dit gedicht tenslotte óók is. Er zal ongetwijfeld nog veel meer over te zeggen zijn. Maar ik moet er een eind aan breien. Net zoals de dichter doet door te suggereren dat zijn gedicht een perpetuum mobile is en dat men de tekst kan blijven lezen tot het moment van overlijden (ja, ik zal daar gek zijn).

Het knappe van Bindervoets gedicht is dat het vragen oproept. Want antwoorden geven: dat is een heel andere zaak. Dat zou maar informatie zijn. Een gedicht is daar te ambivalent voor.

***
Erik Bindervoet (1962) publiceerde zeven dichtbundels, waaronder Voor altijd voor het eerst (2008), Het spook van de vrijheid (2010), De mond van de waarheid (2013) en Het vuil van de schoonheid (2015).
Samen met Robbert-Jan Henkes schreef hij onder meer Waar wij voor zijn en tegen en Bloemsdag; zij verzorgden verder geprezen vertalingen van Finnegans WakeUlyssesHamletKoning Lear en van de songteksten van The Beatles en Bob Dylan.

Recensie van Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven - Ivo van Strijtem

Het Orakel van Strijtem

Ivo van Strijtem
Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven
Uitgever: Lannoo
2018
ISBN 97894014480790
€ 29,99
424 blz.

Strijtem is een klein plaatsje in Vlaanderen, iets ten zuiden van de lijn Aalst – Brussel. Uit Strijtem komt de dichter Ivo Evenepoel, die koos voor een pseudoniem met een verwijzing naar het ‘pajottenland’… Dichter, docent Engels en zeer actief bloemlezer van poëzie uit heel Europa, is Ivo van Strijtem. In hem woedt een idealist voor wie poëzie zoveel meer is dan alleen een verzameling gedichten: ‘Poëzie is een manier van leven’ luidt de ondertitel van de bundel opstellen Iedereen dichter!, een bundel die ook kan heten Ieder een dichter! want het verbindingsstreepje ontbreekt op alle titelpagina’s.

Naast de veelbelovende titel maakte de tekst op de achterzijde mij nog enthousiaster: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien, zo stelt Ivo van Strijtem in deze zinderende ode aan de poëzie. Want volgens hem kan poëzie ons juist van de onverschilligheid redden.
Aan de hand van honderden verzen uit de wereldliteratuur toont de auteur hoe de schoonheid van poëzie een groeimiddel is dat de mens boven zichzelf laat uitstijgen. Hoe ze klaarheid schept in een wereld vol ruis, geluk brengt in tijden van wanhoop en oproept tot reflectie en tot gerichte actie.’

Het boek is dus tegelijkertijd een ‘zinderende ode aan de poëzie’ als een soort zelfhulpboek voor zoekende zielen, voor wie de poëzie ‘klaarheid’ gaat brengen. Zo heeft eerder Alain de Botton met succes de filosofie ingezet voor een vorm van zelfhulp in De troost van de filosofie. Wat kun jij leren van de inzichten van Socrates? Van Strijtem werpt zich op als goeroe voor wie poëzie de leidraad vormt voor zijn denken en handelen. En hij wil ons meenemen in zijn inzichten zodat ook wij zelf kunnen zien als ‘dichter’. Lukt dat?

Miljaar, nee, dat lukt geenszins, en dat vind ik teleurstellend. Het boek gaat stuk aan de eigen grote ambities. Het wil teveel, het wil te breed, het wil alles en daardoor bereikt het heel weinig. In een boek met een didactische doelstelling is het handig om een structuur te kiezen aan de hand waarvan de lezer de denklijn van de docent meekrijgt. Die ontbreekt door het hele boek en ook binnen de 25 hoofdstukken is de samenhang slechts door speurwerk te vinden. De auteur beschikt over een bak met 441 verwijzingen, soms gedichten, soms romanfragmenten, soms citaten van dichters of denkers. Die zijn door middel van associaties aan elkaar geregen en niet alle associaties zijn te volgen. Maar laat ik de hand in eigen boezem steken: misschien ben ik niet geschikt als leerling.

Pagina 17: ‘Poëzie is paradox. Pas wanneer je je hebt leeggemaakt, kun je vol zijn van iets. Zelfs een derderangs zenmeester zal je hiervan moeiteloos overtuigen.’ Van Strijtem pakt de metafoor van de reis naar allerlei spannende bestemmingen: ‘De reis die we hebben gepland, de tocht die we willen maken, gaat zeker niet richting het populairste vakantieoord. De bungalow op de Veluwe, een caravan in de Ardennen of het appartementje aan zee kunnen heel goed van pas komen, maar zijn geen doel op zich. Ook niet het verblijf aan de Côte d’Azur, een Spaanse Costa, een Italiaanse Rivièra of de Dominicaanse Republiek. Jazeker, we gaan internationaal, wat zeg ik, universeel, maar anders. En niet meteen. Want we gaan poëzie. Straks krijg je de kaart.’ Het orakel spreekt. Veel woorden, weinig richting, en de beloofde plattegrond ben ik nog steeds aan het zoeken.

De metaforen vliegen je om de oren. Op pagina 9 wordt poëzie benoemd als een belangrijk ‘brandpunt’ van de schoonheid. Waarom dat is? Wordt niet uitgelegd want we vliegen gezwind naar de associatie ‘In het begin was het woord’. Dat wordt ook niet verder van context voorzien, maar verbonden aan het benoemen van alles en iedereen: ‘benoemen, bespreken, vertalen.’ Dat is een proces dat nooit ophoudt, aldus Van Strijtem en die vindt dat ‘gelukkig’ zonder uit te leggen waarom. Daar is ook geen tijd voor want we moeten door naar de volgende associatie: ‘Welnu, de essentie, de essence – wat toch een verdichting is van een product, een concentraat, denk aan parfums – van de taal is poëzie. Tevens is essence de brandstof die ons vooruit kan helpen. Dit kan uiteraard niet zonder voortdurend bij te tanken. Anders val je stil. Maar wij gaan verder en hopen de nodige tankstations op onze weg te vinden.’ Tankstations vol parfum. Het lijken prozagedichten, maar was het niet de bedoeling dat we onderricht zouden krijgen in poëzie als een manier van leven?

Toegegeven, tijdens de reis ontmoeten we niet de minsten. De index achterin de bundel bevat ongeveer 650 namen van dichters, denkers en literatoren door de eeuwen heen, keurig met verwijzing op welke bladzijden hun naam is gevallen. Wordsworth heeft een grote invloed gehad, zo ook Boris Pasternak en Pablo Neruda. De complete wereldliteratuur heeft Van Strijtem doorgenomen en de mooiste passages heeft hij paraat om te gebruiken. Al die citaten helpen mee om iets uit te leggen, alleen is vaak niet duidelijk wat ze duidelijk maken. Ja, dat poëzie een paradox is, maar daar kan ik in mijn leven niet de beloofde klaarheid mee creëren.

Neem nu als voorbeeld hoofdstuk 3, getiteld ‘Ongevoelig?’ In 17 pagina’s tekst wordt getracht om iets te zeggen over de gevoelswaarde van poëzie. Is poëzie vooral iets voor ‘gevoelige zielen’?

  • Opkomst Paul Marijnis met als stelling ‘poëzie is ongevoelig’
  • Van Strijtem is het daar niet mee eens en ziet hier een discussie voor een paar hoofdstukken. ‘Wie er ongevoelig voor is, zit hoe dan ook niet op deze vlucht.’
  • Intermezzo: definitie van het woord vlucht. In dit hoofdstuk staan nog drie definities die de indruk wekken van structuur en helderheid
  • Perspectief tieners: wél gevoel
  • Anderzijds: woorden met gevoel komen steeds minder voor: ‘Inflatoire woorden in tijden van poëzierecessie.’
  • Naast de gevoelige poëzie neemt academische poëzie een belangrijke plaats in: ‘intellectueel tijdverdrijf vol knappe intertekstuele zoekertjes’
  • Opkomst J.C. Bloem wiens gedicht ‘De Nachtegalen’ integraal is opgenomen
  • Opkomst Brian Patten en Adrian Henri uit Liverpool
  • Hé Liverpool: The Beatles
  • Dat was toch in de Sixties? Opkomst Philip Larkin met een gedicht over seksuele vrijheid.

We zijn drie bladzijden verder en de parelketting wordt alsmaar langer. Herman de Coninck komt dan nog langs, Tom Lanoye, Amos Oz, Lucebert en Menno Wigman en dan ben ik verre van volledig. Aan goed gezelschap geen gebrek. Maar willen wij wel zoveel gezelschap, zoveel stemmen met zoveel meningen? Van Strijtem weet zelf ook wel dat dit avontuur gedoemd is te mislukken. Zijn bundel heeft als motto meegekregen een citaat van Harry Martinson: ‘Groter dan de behoefte aan gezelschap / is de behoefte aan de juiste eenzaamheid / de juiste rustplaatsen / in het hart en in de ziel.’

De bundel opstellen Iedereen dichter! Poëzie is een manier van leven is meer een groot citatenboek dan een boek om de poëzie af te helpen van het imago van wereldvreemd, moeilijk en nutteloos. Ik vrees zelfs dat het tegendeel wordt bereikt, ondanks dat er geweldige gedichten in voorkomen. Die zullen het op eigen kracht moeten doen.

***
Ivo van Strijtem (1953) is dichter en docent Engels. Hij is samen met Koen Stassijns verantwoordelijk voor de poëziereeks ‘De mooiste van…’ Van hem verschenen o.a. de poëziebundels Een rode sjaal, De mooie Ierse en De liefde, jazeker.

Recensie van Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen - Xavier Roelens

Volkspoëzie of kunstpoëzie?

Xavier Roelens
Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025452285
€ 21,99
120 blz.

Inleiding
Xavier Roelens (1976) toont zich in zijn nieuwste, inmiddels 3e gedichtenbundel allereerst een intercommunicatief dichter. Hij streeft naar een interactieve samenwerking met zijn lezers. Zijn lezers zijn onbekende volwassenen, wie hij vraagt hun prilste jeugdherinneringen met hem te delen. Roelens smeedt vervolgens in zijn smidse het ruwe materiaal tot eigentijdse tekstvormen. Daarbij geeft hij zijn leveranciers de mogelijkheid tot terugkoppeling die hij dan weer verwerkt.

Roelens is ook een menselijk dichter. Hij brengt zijn medewerkers – voor de totstandkoming  van zijn nieuwe bundel zijn dat er 365 – hulde: hij vermeldt hun voornaam op de titelpagina. Dit collectief is de auteur van de bundel; de dichter zelf wordt  slechts onderaan op de achterkant van de bundel genoemd. Roelens noemt zijn werk dan ook open-sourceliteratuur. Niet het ego maar het collectief staat centraal; zelf ziet hij zich als een literaire gids die mensen op weg helpt naar poëzie.

Daarnaast is Roelens creatief, want hoe realiseer je een dergelijk ideaal? Het interviewen van 365 mensen kost veel tijd. En ook dichters moeten eten.  Als je er dan in slaagt het Vlaams Fonds voor de Letteren te enthousiasmeren voor jouw project: de schepping van – zoals Roelens dat noemt – democratische poëzie, getuigt dat van vindingrijkheid. Als het Fonds vervolgens een werksubsidie beschikbaar stelt, ontbreekt het Roelens eveneens niet aan innemende overtuigingskracht.

De opbouw van de bundel
In de bundel staan volgens de informatie op de achterzijde 77 gedichten. Deze gedichten zijn geconstrueerd uit het materiaal dat 365 mensen door middel van interviews de dichter hebben aangereikt. Voor de gedichten is dus gemiddeld uit bijna vijf levende bronnen geput. Onvervalste groepspoëzie dus! Al bladerend en lezend blijkt echter dat de aanduiding gedichtenbundel de lading niet dekt. De bundel bestaat namelijk uit relatief weinig gedichten weergegeven in cursief of romein, uit enkele getoonzette liedjes en veel prozastukjes. Er is eerder sprake van een tekstbundel dan gedichtenbundel.

Verder valt op dat de teksten geen titel dragen. Ze hebben wel als verwijzing een jaartal of een twee- of meerjarige periode. De eerste tekst in de bundel refereert aan de tijdsspanne 2004 / 2002, dan worden enkele jaren overgeslagen en vervolgens begint de telling terug te lopen van 1999 naar 1911. Ongetwijfeld verwijzen de jaartallen naar de eerste herinneringen van  Roelens’ doelgroep. Er is in ieder geval sprake van een chronologische spreiding van herinneringsmomenten uit de vorige eeuw en er zijn – gezien de opsomming van voornamen op de voor- en achterkant van de bundel – zowel mannen als vrouwen geïnterviewd. Opvallend daarbij is dat er geen islamitische namen tussen zitten, hetgeen je wel van een grensverleggende dichter als Roelens zou verwachten.

Het ontbreken van titels heeft als gevolg dat er geen inhoudsopgave in de bundel is. Het maakt het lezen er niet gemakkelijker op. Titels heten de kortste en kernachtigste aanduidingen te zijn van een tekstinhoud. Blijkbaar wil Roelens de lezer geen richting opsturen. Wat wel een welkome aanvulling op de teksten is, zijn de jaartallen die erboven staan. Zij geven een kleine eeuw geschiedenis weer van de prilste herinneringen van mensen. Interessant daarbij zijn de verwachtingen die bij de lezer worden opgeroepen. Zijn deze herinneringen universeel? Of zijn ze meer tijd- of milieugebonden? Zijn ze oppervlakkig en materieel van aard? Herkent de lezer zichzelf in de herinneringen? Kortom, het maakt hem nieuwsgierig naar de inhoud.

De vorm van de teksten als literaire expressie
De gedichten in de bundel vallen qua vormgeving in de categorie (post)modernisme. Ze zijn in hun verschijningsvorm rebellerend tegen de traditionele vormgeving. Rationele analyse alleen schiet te kort. De mens is in de visie van de modernisten namelijk meer dan louter ratio. Hij is ook irrationeel en juist daardoor ontstaat ruis in de interactie omdat deze verstoord wordt door het medium taal dat bij uitstek zijn betekenis ontleent aan redekundige synthese en zorgvuldige interpunctie. Van dergelijke leibanden zijn hedendaagse dichters avers. Een voorbeeld daarvan is te vinden op p. 47, jaartal 1974.

een kaartendek als
soundtrack bij ons
vliegen spreiden we als
zilvermeeuwen onze
ontgoochelingen uit
een tuinstoel komt op
adem bij
het raam nu jij opkijkt naar een
vensterbank vol
beukennoten paarse kanten
zakjes en iets simpels als
de zonnige groeten van je
ouders altijd maak je
plaats voor
kaarten altijd streel je
je gezwollen buik
de oudste eerste tastbaarste komt thuis en ruikt …

En zo dendert het gedicht door: een aaneenrijging van betekenisdragende substantieven en woordgroepen die uit hun herkenbare, natuurlijke context zijn gelicht en vervolgens in vervreemdende combinaties worden samengevoegd. Tel daarbij op de a-syntactische en interpunctieloze zinsbouw en we krijgen een tekst als flard van een perceptie die zelfs de metafysica dreigt te ontstijgen. Zijn er dan in Roelens’ tekstcreatie geen andere aanknopingspunten te vinden in eerdere literaire perioden of genres? Ja, die zijn er.

Middeleeuwse stijlfiguren
In middeleeuwse kunstuitingen staat het ego niet voorop. In tegendeel, veelal ontbreekt een naam; kunst is niet zelden anoniem. In middeleeuwse (volks)poëzie, parabels of fabels wordt niet alleen een appèl gedaan op logica maar ook op andere vormen van kennis zoals geloof, fantasie, visioen en zintuiglijke waarneming. Middeleeuwse zinsconstructies wijken daardoor af van die uit recentere perioden, ook al omdat veel van deze kunstuitingen bedoeld zijn om te horen en te beluisteren.

Een aantal van die zinsconstructies behoort als stijlfiguur tot de klassieke retorica. Hieronder vallen onder meer de anakoloet, een stijlfiguur die zich kenmerkt door zinnen waarin de logische samenhang ontbreekt. Bekend is eveneens de apokoinou, een stijlfiguur waarin een zinsdeel dienst doet als onderdeel van twee zinnen of zinsdelen. Ook van anaforen, stijlfiguren die zich kenmerken door herhaling van steeds dezelfde woorden of woordgroepen, is de dichter niet afkerig. In de teksten van Roelens’ bundel zijn deze middeleeuwse stijlfiguren regelmatig – waarschijnlijk onbewust – door hem opgenomen. Van genoemde stijlfiguren geven we een voorbeeld. Het cursief in de voorbeelden is van de recensent.

Anakoloet p. 21, jaartal 1987

een
busje steken ze in
brand vanuit je 
drang te bestaan

Apokoinou, p. 19, jaartal 1987

IN JE VIZIER RUKKEN
de betogers aan als in
een film ben je
geschiedenis nog voor je schiet

Anafoor, p. 41, jaartal 1977

de schrik dat … r.7
de schrik dat er … r.9
de schrik dat ik in … r.12
de schrik te verhuizen van een … r.14

en zo voort.

De inhoud van de bundel
De bundel is de weerslag van de vroegste herinneringen van 365 mensen. Hoewel de teksten als gevolg van Roelens’ (post)modernistische visie op literatuur meestal raadselachtig, chaotisch en niet altijd toegankelijk zijn, zal de lezer – zij het met de nodige volharding – er veel herkenbaars aantreffen. In 1986 (p. 22) doen kinderen op speelplaatsen nog volop aan zakdoekje leggen. En ook in 1984 (p. 26) hebben kinderen nachtmerries en in 1977 (p. 39) zijn er nog steeds peuters die achter de spijlen van hun ledikantje moeten huilen.

Natuurlijk zijn er in de bundel grappige herinneringen, zoals in 1977 (p. 39) waarin een herinnering teruggaat naar het moment waarop een klein kind in plaats van op een krukje op een emmer met water gaat zitten. Katholieke lezers zullen glimlachen als zij lezen hoe in 1946 (p. 92) een kind de kap van een non aftrekt. Zo wordt in terugwaartse chronologie een levendig tableau geschetst: beelden die voor de lezer vertrouwde, hekenbare, nostalgische of juist verdrongen beelden uit een ver of nabij verleden oproepen.
Wat de liedjes in de bundel betreft: dat is wel aardig maar de meeste mensen kunnen geen noten lezen, laat staan een muziekinstrument bespelen. Ze leveren geen toegevoegde waarde aan de bundel.

Resumé
Wil Roelens een groter publiek bereiken, dan zal hij moeten zorgen voor een functionele interpunctie in zijn teksten. Zal hij af moeten van die onstuimige, voor de gemiddelde lezer onnavolgbare woordenstroom, zoals het prozastukje hieronder dat terug is te vinden op p. 90 en betrekking heeft op een herinnering uit 1948.

MET EEN FIETS DUS eigenlijk een roodgeverfde fiets gekocht met
feitelijk het eerste kindergeld begint het dus bij adhemar dus
niet met dieren eigenlijk niet met vogels die in de winter eigen-
lijk in de sneeuw dus feitelijk voeder zochten en enzovoort dat
ik zelf ook een beetje van dat voeder strooide samen met dus
adhemar eigenlijk in de bossen dus in de bossen waar we eigen-
lijk feitelijk woonden enzovoort maar niet voor adhemar pas in
het eerste leerjaar eigenlijk het begint voor adhemar niet voor
zijn communie …

Pas dan kunnen zijn literaire creaties van en voor het volk zijn. Dan ontstaat democratische poëzie of volkspoëzie, zoals Roelens die voorstaat. Soms lichten in zijn bundel dergelijke passages op. Op die momenten toont Roelens zich de dichter, wiens talenten hij in deze bundel jammer genoeg te weinig etaleert. Zie, p. 110, jaartal 1923; de cesuur // is aangebracht door de recensent.

NILS KRAAKT DE BERIJPTE
plaatsen op wat tot voor kort
bietenvelden waren // kraakt onder
zijn klompen het stilleven van
kou …

Nu is zijn poëzie te veel kunstpoëzie: grotendeels hermetisch afgesloten teksten waarvan juist het volk verstoken blijft. En dat is nu juist wat Roelens niet propageert!

***
Xavier Roelens (1976) is een Vlaamse dichter, performer en verzorgt poëzieworkshops. In 2007 verschijnt zijn eerste bundel Er is een spookrijder gesignaleerd. Daarna volgt in 2012 zijn 2e bundel Stormen, olielekken, motetten. Daarnaast is hij actief (geweest) als redacteur in de literaire tijdschriften Kluger Hans en En er is.

Recensie van Het Liegend Konijn 2018/1 - Jozef Deleu

De stand van zaken

Jozef Deleu
Het Liegend Konijn 2018/1
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463103145
€ 20,00
256 blz.

Jozef Deleu laat in het eerste nummer van Het Liegend Konijn opnieuw zien hoe gevarieerd het Nederlands/Vlaamse poëzielandschap is. De bundel begint en eindigt met lange geëngageerde gedichten van respectievelijk Obe Alkema en Arno Van Vlierberghe. Alkema is de dichter die een weg moet zien te vinden in de kakafonie van het huidige leven. ‘Verhalen van Europa’ begint als volgt: ‘Mannen. / Midden jaren tien liep ik vast in besluiteloosheid. / De fictie (hopen te kunnen) onderscheiden van de officiële /                  geschiedenis en je dan het omgekeerde realiseren.’ Het gedicht ‘mark baumer is dood’ van Arno Van Vlierberghe is drie bladzijden lang. Uit de inhoudsopgave begreep ik dat het een fragment is van een groter geheel. Het begint met de regels: ‘Hier staan we dan, in ons zelfgekozen nu. / Het einde helder, grotesk in zicht. / Een plompverloren schuld, die ons vertaalt, verspreidt, uitdunt.’ Het eindigt met: ‘Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? / Hier staan, in ons zelfgekozen nu.’ En tussen deze begin- en eindregels vraagt hij zich onder andere af hoe te dichten in een wereld waarin Mark Baumer, dichter en milieuactivist, werd doodgereden toen hij blootsvoets door de Verenigde Staten trok om de aandacht te vestigen op de klimaatverandering.  ‘Hoeveel Mark Baumers kunnen we dit jaar nog verliezen? / Ik wil een vuurtoren bouwen met de schedels van alle Mark / Baumers die we in 2017 verloren. / Het bloedrode licht kilometers ver de wereld in knuppelen. / Branden op het gevoeligste netvlies, de fijnste zenuwuiteinden van / de economie dichtschroeien.’ Maar hoe?

De bundel bevat relatief hermetische gedichten van Giuseppe Minervini en Peggy Verzett, maar ook het vertrouwde parlando van Luuk Gruwez. Ik moest lachen om zijn hekeldicht ‘Afscheid van een recensent’. Ik kan het niet laten om het in zijn geheel over te nemen.

Eindelijk, eindelijk kunnen we rustig slapen.
Ik hou er maar mee op mezelf en jullie nog
te kwellen, slaafs aan oordelen te onderwerpen,
want zelfs een blindeman kan zien dat dit
waarachtig nergens meer toe dient.

Heb ik mij dan vergist, ten onrechte mijn data
op de oneindigheid geplakt, beduusd door wat
er over jullie wonderlijke ik te melden viel?
En kwam het op mijn inzicht echt niet aan, maar
op de hevigheid waarmee ik jullie op wou vrijen?

Slechts enkelen werden gekoesterd, soms stuntelig,
met heel mijn literaire libido. En ook dacht ik:
men blijft bestaan zolang men weet hoe laat het is.
Nu kunnen jullie, net als ik, op beide oren slapen.
Niet langer zal ik jullie liefhebben of haten.

De beeldspraak van Sara Haven is goed getroffen en humoristisch (en tragisch, maar dat ligt in elkaars verlengde). Het gaat me om het garneren in de derde strofe van ‘het feest waarvan ik droomde’:

het feest waarvan ik droomde
toen ik nog geloofde
in einden en beginnen

is niet gekomen
dus ik berg de stoelen
met de gasten

haal de kippen uit hun ren
en garneer ze
met het onaangeroerde eten

Ook dichters als Charles Ducal, Eva Gerlach, Delphine Lecompte, Willem Thies en Mustafa Stitou kregen een plaats. Ik had me niet gerealiseerd dat Tempel, de laatste bundel van Stitou, al in 2013 is verschenen. Het is tijd voor een nieuwe.

‘Memento’ van Peter Mangel Schots zou je kunnen lezen als een illustratie bij het befaamde essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner. Mangel Schots keert zich zowel tegen ‘in brons gegoten’ gedichten die zijn voorbestemd voor de eeuwigheid als tegen de taal van ‘billboards en barnum’ die ‘een onwankelbare / twijfelloze zekerheid [afficheren], volmaakt geluk als wet / van Meden en van Perzen’.  Het gaat hem om heel iets anders. De laatste drie strofen van het gedicht:

ik moet beginnen
zonder voornemen iets te maken
waar niet aan te tornen valt, duizend woorden
mogen het eerste zijn, geen onwrikbaar begin
geen monolithisch midden
nauwelijks een eind

elk falen is een zegen
een absolutie van het absolute
het volstrekte wonder dat te zien

ik breek nu vazen om ze weer te kunnen lijmen
en te leren uit de onbeholpen naden
hoe het licht naar binnen sluipt

Elk falen is een zegen: het doet denken aan het ‘Fail again. Fail better’ van Samuel Beckett, iets waarop ook Lerner varieert in zijn essay. Ik citeer uit mijn recensie van 26 februari 2017: “Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om [zo schrijft Lerner] voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf.” Bij Mangel Schots: tussen de naden van de gebroken (taal)vazen kan iets van dat virtuele naar binnen sluipen. Mooi is de paradox: juist door niet naar een eeuwigheidswaarde van zijn gedichten te streven, roept hij een vermoeden van dat virtuele op. Zijn beeld bracht me trouwens een mooie regel van Gerbrandy in herinnering: ‘Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg’ (Voegwoorden, p.627).

Ik vermoed dat Jozef Deleu het gedicht ‘Memento’ in zijn achterhoofd heeft gehad bij het schrijven van zijn inleiding ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn.’ Hij beroept zich expliciet op Lerner: alleen met een zeer kritische houding ‘waarmee men de eigen discipline en haar beoefenaars te lijf durft te gaan’ kan men poëzie beschermen, want ‘poëzie of wat ervoor door wil gaan [surft] al te vaak [mee] op het modieuze gebabbel van commentatoren die haar via parafrases of slappe performances van haar dubbele bodem en diepgang ontdoen.’ Stuitend vindt hij dat. ‘Op die manier verwordt poëzie tot een lichtekooi die wat vertier moet brengen in een sombere wereld. Ze wordt een hapklare brok voor handige reclamemakers, een stimulerend middel voor de consumptie.’
Deleu heeft gelijk, maar er klinkt wel veel wanhoop op uit zijn inleiding. Dat blijkt uit het welhaast bezwerende gebruik van het werkwoord ‘moeten’: ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn’ (de vraag wat gevaarlijke poëzie dan in vredesnaam is, laat ik hier in het midden); het essay van Ben Lerner ‘geeft de richting aan waarin gedacht moet worden’; in goede poëzie ‘moet de taal passie, ontregeling, inzicht en visie verwoorden’; poëzie ‘moet aan onze ervaringen en inzichten perspectief en diepgang verlenen.’ (De cursiveringen zijn van mij).
Laat ik hier nog een moetje aan toevoegen: nog niet gebundelde poëzie moet een goed zichtbaar podium hebben. Deleu biedt dat keer op keer.

Recensie van Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw - Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.)

De bundel is dood, leve de bundel!

Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.)
Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw
Uitgever: Vantilt / PoëzieCentrum
2018
ISBN 9789460043642
€ 19,95
304 blz.

De artikelcollectie Bundels van het nieuwe millennium is het tweede deel van de serie Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw. Waar het eerste (rode) deel gaat over de dichters van nu, behandelt het tweede (blauwe) deel 26 poëziebundels die verschenen van 2000 tot 2015. Collega-recensent Hans Puper schreef over het eerste deel en hij vindt het een goed boek: “De essayisten beschrijven in Dichters van het nieuwe millennium ontwikkelingen waar we nog middenin zitten. Een echt overzicht hebben we daarom nog niet, maar dat is geen probleem. De kracht van het boek ligt in de aanzet tot reflectie en debat.” Geldt dat ook voor bundel die over bundels gaat? Zeker, maar wel op een wat andere manier.

De inleiding van de samenstellers begint met twee bladzijden met uitleg waarom de bundel als fenomeen toch aandacht verdient. De poëzie is al vele malen doodverklaard en net zo vaak weer tot leven gekomen. Ook de poëziebundel is naar het dodenrijk verwezen, nu poëziefestivals, slamtoernooien en sociale media als drager van het gedicht steeds belangrijker zijn geworden. Maar de gedichtenbundel is nog steeds een belangrijke eenheid om gedichten in aan te bieden. Voor het eerst iets op Facebook zetten, geldt nooit als ‘debuut’, wel het verschijnen van een fraai stuk drukwerk, bij voorkeur bij een gerenommeerde uitgever. En de gezaghebbende poëzieprijzen worden uitgereikt aan bundels en niet aan gedichten.

De bundel is als fenomeen belangrijk genoeg om te behandelen. En wat biedt het nieuwe millennium op dat vlak? Het behandelen van bundels in plaats van alleen de nieuwe dichters heeft een voordeel. In de rode bundel worden dichters behandeld die debuteerden sinds het jaar 2000. Maar de dichters die al actief waren, zijn niet allemaal spontaan overleden in dat jaar. Dera en De Strycker zeggen erover: “(…) het landschap van de hedendaagse poëzie wordt gevormd door een samenspel van nieuwe dichters met nieuwe ideeën enerzijds en belangrijke publicaties van gevestigde namen anderzijds.”

De uitverkoren dichtbundels zijn steevast winnaars van poëzieprijzen, zij lijken van belang voor de ontwikkeling van de Nederlandstalige poëzie in brede zin óf zij vormen een bijzondere wending in het werk van de dichter. Zo komt Pfeijffers Idyllen voor in de bundel. Dera en De Strycker: “Met Idyllen. Nieuwe poëzie grijpt Ilja Leonard Pfeijffer terug op de klassieke retorische traditie (…) met als bedoeling vernieuwend te zijn in de hedendaagse Nederlandse dichtkunst, waarin het vrije vers overheerst.” En wat te denken van die verstokte Vijftiger die, ondanks zichzelf, een nieuwe weg inslaat. Dera en De Strycker: “Gerrit Kouwenaar, het boegbeeld van de talige, autonome poëzie, bereikte plots een groot publiek met zijn laatste bundel, totaal witte kamer, die een persoonlijk verslag bevat van een ontreddering na het overlijden van zijn vrouw.” Als we naar de jaartallen kijken van wanneer de behandelde bundels verschenen, constateren we een kwaliteitspiek in 2002 en 2014 (met vier behandelde bundels) en zien we dat 2006 een zwaar jaar was voor de dichtkunst.

De essaybundel biedt ook een mooi inzicht van wie er actief zijn op literair-wetenschappelijk gebied in ons taalgebied. In de ‘personalia’ op de laatste pagina’s ontmoeten we 26 actieve publicisten, veelal verbonden aan Vlaamse en Nederlandse universiteiten. Daarin zit ook wat Hans Puper al benoemde: de aanzet tot reflectie en debat. Maar de essaybundel speelt ook een rol als naslagwerk. Weinig liefhebbers lezen zo’n opstelbundel van kaft tot kaft.

Hoewel de opstellen stuk voor stuk diep snijden, proberen ze wel de lezer zoveel mogelijk mee te nemen. Dat gebeurt in eerste instantie door te beginnen met een gedicht uit de bundel, vaak een gedicht dat als typisch voor de bundel wordt gezien. De opstellen plaatsen de bundel in de context van de tijd door de recensies te behandelen, de eerste ontvangst door de geoefende lezers. Als de bundel een structuur heeft met delen en afdelingen, worden die genoemd en besproken. Daarna gaat de auteur steeds verder de diepte in: thematiek van de dichter, de stijl, de invloeden, alles wat een bijdrage levert aan begrip van de bundel, haalt de auteur erbij. Barbara Fraipont analyseert zelfs de getekende omslag van de bundel Kalfsvlies van Marieke Rijneveld omdat deze door de dichter zelf is gemaakt en een sleutel vormt tot het begrip van de verzen. Sarah Posman behandelt Ontij van Anneke Brassinga, een bundel uit 2010. Als blijkt dat Brassinga de lezers iets duidelijk wil maken over ‘mechanica’ gaat Posman de diepte in door wetenschapstheorie zoals die door de wiskundige E.J. Dijksterhuis is gepresenteerd, uit te leggen. Dat is nodig om dichterbij het voorbeeldgedicht ‘VI – Naar Dijksterhuis’ te komen. De relatie tussen de machtige mechanica en de minstens even machtige verbeelding vormt een belangrijk thema in deze bundel.

Dat de gedichtenbundel niet dood is en zelfs een kunstvorm op zichzelf, vinden we terug in de bespreking van Yves T’Sjoen van de bundel De reis naar Inframundo uit 2011, van Peter Holvoet-Hanssen. Deze bundel is een bloemlezing uit vijf eerder verschenen bundels van Holvoet-Hanssen uit de periode van 1998 tot en met 2008. Omdat de dichter de samensteller is van de nieuwe bundel, is er sprake van een ‘zelfbloemlezing’: “De dichter heeft de oorspronkelijke uitgaven niet chronologisch gerangschikt, maar zorgde door herordening en een nieuwe clustering van teksten voor een gewijzigde tekstcompositie.”

De serie Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw waar Bundels van het nieuwe millennium een deel van is, is een fantastisch naslagwerk voor verdere studie, voor discussies over de nieuwe vormen van poëzie in deze tijd. Door de gekozen vorm waarin een voorbeeldgedicht als rode draad door een opstel heenloopt, helpt het ook de beginnende lezer om poëzie te begrijpen en te waarderen. Niet onbelangrijk, want ook de komende millennia moeten er bundels verschijnen…