Recensie van Sloop de stad met tedere woorden - Rense Sinkgraven

De vuilboom loert

Rense Sinkgraven
Sloop de stad met tedere woorden
Uitgever: kleine Uil
2009
ISBN 9789077487679
€ 12,50
48 blz.

Rense Sinkgraven (1965) was van 2007 tot afgelopen maand de stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met het lauw ontvangen Bombloesem. Na het lezen van de eerste dichtregels in zijn tweede bundel Sloop de stad met tedere woorden moest ik wel even diep ademhalen. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Er stond namelijk ‘Slok me op zoals de oceaan / een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip’. Die twee regels bevatten al drie dingen waar ik allergisch voor ben: een vergelijking met ‘zoals’, lelijke gemeenplaatsen (‘slok me op’ en ‘losgeslagen schip’) en een feitelijke onjuistheid. Begrijp me niet verkeerd: in poëzie is natuurlijk in principe niets ‘onjuist’, maar dan wil ik als lezer wel graag een idee hebben waarom de dichter spreekt van een oceaan die een wolk opslokt. Oceanen slokken een hoop op, en losgeslagen schepen horen daar zeker bij, maar wolken, zeker ijle, zijn in het algemeen buiten hun bereik. Mooie woorden dus, keurig in twee dichtregels gezet, maar de gedachte erachter ontgaat me. Ook in de rest van het gedicht, ‘Lisboa’ genaamd, staan regelmatig regels die voor de rest van de bundel het ergste doen vermoeden. Ik citeer het hier in zijn geheel.

Lisboa

Slok me op zoals de oceaan
een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip.

Ik hou van de diepte van jouw straten, Lisboa,
je monotone metromuziek, de omwoelde nachten
van je sterverlichte slaap en hoe je klinkt
in een oude dichteres, een op dronk gekomen
stroeve wijn, een droevig lied.

Ik lag aan je boezem, jij stootte me af,
je warme hart klopte nooit voor mij.
Een vissenkop ben je met koude vissenogen,
een graat steekt in je ziel.

Boeren van de zee temden dit water.

Het riool spoelt de Taag. De veel bezongen Taag
met excrementen waarvan de vissen vreten.

Ik hou van de ruimte van jouw pleinen, Lisboa,
hoe de zon windstil matrozen beschijnt,
het korrelig rood van je mossige daken,
je neonnachten vol paarden in draf.

Het gedicht maakt nogal een bijeengeraapte indruk. Behalve dat ze allemaal uiteraard op Lissabon slaan en vaak iets met water te maken hebben is er nauwelijks een samenhang tussen de beelden te vinden. Verder is er een ruime oogst aan clichés (‘een droevig lied’, ‘ik lag aan je boezem’, ‘je warme hart klopte nooit voor mij’), ogenschijnlijke nonsens (‘de omwoelde nachten van je sterverlichte slaap’, ‘mossige daken’ die desondanks ‘korrelig rood’ zijn) en mooischrijverij (‘excrementen’, wat een lelijk woord is dat toch). Maar hoop is er ook. Mooi vind ik hoe de dichter de stad in het Portugees aanspreekt. Door ‘Lisboa’ te schrijven in plaats van ‘Lissabon’ wordt de naam meer dan een plaatsaanduiding en wordt de stad een karakter. Mooi is ook het beeld van de ‘op dronk gekomen stroeve wijn’ dat gelezen kan worden als een wat stugge Portugees die na een paar glazen wijn loskomt. Jammer dat diezelfde Portugees een paar regels verder voor ‘boer van de zee’ wordt uitgemaakt. De formulering ‘jij stootte me af’ is dan weer leuk gevonden in het kader van ‘ik ben een schip’ en de slotregel van het gedicht is ronduit prachtig.

En zo is het een beetje met de hele bundel. Sinkgraven maakt de indruk slordig te werken, niet goed na te denken over de inwendige samenhang van een gedicht. En hoewel hij af en toe echt geweldige regels schrijft en goede beelden bedenkt weet hij het vaak ook weer snel te verpesten. Is het wel poëzie, ga je je na een tijdje afvragen, of is hier iemand ‘dichterig’ aan het doen? Op het podium kom je misschien weg met het maniertje van Sinkgraven om wat beelden bij elkaar te zetten, wat mysterieuze korte zinnetjes te maken (‘de vuilboom loert’), wat grote woorden te roepen (‘voel hoe de zee de rotsen splijt’) of wat hippe taal te lanceren (‘Het plein in urban lounge mood’) maar op papier val je er snel mee door de mand.
Ook de gedichten die qua vorm minder op mijn zenuwen werken zijn thematisch weinig uitdagend. Zoals ‘Zwijgen’:

Zwijgen

Ik wil een vrouw die wacht
in het donker tot ik thuiskom.
Ik wil een vrouw die waakt
over het kind dat slaapt.
Ik wil geen vrouw.
Ik wil een sprankelend boek
dat roept dat ik een god ben.
Ik wil een heerser zijn die
weet wat lijden is.
Ik wil een man zijn zonder
angstzweet, een man die
breken kan en zwijgen.
Waarachtig in het schrijven.
Ik wil geen vrouw.
 

Een goedlopend gedicht dat, hardop gelezen, lekker dreunt. Maar als je het drie keer leest denk je: waar gaat het nou helemaal over? Rense Sinkgraven dicht in Sloop de stad met tedere woorden te slordig. Hij pent te makkelijk gemeenplaatsen neer. Hij is nergens echt dichter in de zin dat hij probeert het hoogst haalbare uit zijn taal te halen. Hij is teveel gericht op effectbejag, gebruikt daarom teveel grote woorden en lijkt, behalve een wat obligate belangstelling voor steden, geen echt eigen thema te hebben.

Recensie van Eigenlijk heb je alles al - Huub Beurskens

Spelen in een slangenkuil

Huub Beurskens
Eigenlijk heb je alles al
Uitgever: Meulenhoff
2008
ISBN 9789029082556
€ 17,90
93 blz.

‘Nooit lukt het ons eraan te ontkomen (…) ons van buitenaf te zien.’ Het klinkt als een verzuchting, één die veel dichters bekend zal voorkomen. Tegen wil en dank draaien de camera’s, om in HD-kwaliteit meedogenloos het handelen, denken en voelen te registreren. En altijd is er natuurlijk de ontembare drang om die registraties in woorden te vatten, in taal te vangen. Het is het soort (zelf)bewustzijn dat zowel plaag als vrucht is van veel poëzie. Huub Beurskens kan erover meepraten. Hij is het die de verzuchting aan het papier toevertrouwt in zijn nieuwste bundel Eigenlijk heb je alles al.

In de confrontatie met het leven en zichzelf lijkt de dichter poëzie te ervaren als een spelend tegenwicht, als een wankel evenwicht ook. Maar het spel geeft hem voldoende zelfrelativering om zich staande te houden. In het openingsgedicht dat de raadselachtige titel ‘Omentomme’ draagt, dicht Beurskens:

(…)
Het is de kunst de terechte eigenangst
te camoufleren als een zelfgegraven kuil
om erin te zitten spelen als een kind
met gifslangen als van louter sitspapier.
(…)

De dichter wuift zijn angst niet weg, noemt die terecht, maar reikt zichzelf tegelijk een manier aan ermee om te gaan: zie het spel in de slangenkuil van je gedachten en ontvouw uit de woorden een werkelijkheid waarmee te leven valt. Misschien wat denkerige poëzie, maar voor mij heeft het voldoende eigenheid om de letterlijke gedachte te ontstijgen. De treffende beeldtaal en de doorschijnende stijl dragen daaraan bij.

Wat in de hele bundel opvalt is dat Beurskens niet de meest lichtvoetige thema’s kiest. Angst en dood komen in soorten en maten voorbij. Met daarnaast een flinke dosis verloren, of erger nog, onbeantwoorde liefde. En waarom ook niet. De literatuur ontleent er sinds mensenheugenis haar bestaansrecht en urgentie aan. Zo ook het aandeel dat Beurskens levert en de afgelopen jaren al leverde. Zijn bundeling verzamelde gedichten, die in 1998 eveneens bij Meulenhoff verscheen, kreeg al de titel Bange natuur mee, kennelijk een typering die past bij wat hij in pakweg twintig jaar publiceerde. Met Eigenlijk heb je alles al trekt hij die lijn door.
Een nuchtere, soms laconieke toon, gecombineerd met de scherpte van denken die Beurskens aan de dag legt, behoedt zijn gedichten voor een topzwaar wegzinken in zwaarmoedigheid en en dat levert boeiende en soms regelrecht mooie poëzie op. Zoals deze zinnen uit ‘Naar boven, meneer?’: ‘Dit wil ik niet langer: elk verlangen maakt banger, / alsof het telkens dit bang zijn zelf is dat verlangen wil.’ Wel legt dit gedicht meteen ook de valkuil bloot die onder het eerder genoemde ‘denkerige karakter’ schuilgaat. Want even verderop gaat de zeggingskracht van de vorm onder de al te uitgesproken gedachte lijden: ‘Nee, het wonder slaat geen wonde maar het laat voor / zijn weer verdwijnen een voor altijd schrijnen na.’ De binnenrijm ligt er hier dik bovenop en de woordkeuze lijkt meer ingegeven door de inhoud dan door de talige intenties. En dat wordt nog erger wanneer Beurskens afsluit met een vraag en antwoord die elkaar in tenenkrommendheid naar de kroon steken: ‘Waarom het ons niet vernielt en op slag verteert? / Omdat ons begeren het wonder zelf bezielt en eert.’

Op andere plaatsen vindt Beurskens gelukkig wel de vorm die zijn gedachten recht doet en die toch voldoende ruimte laat voor de autonome wil van zijn poezië. Juist dit vermogen te balanceren op de evenwichtsbalk tussen vorm en betekenis typeert veel van wat deze bundel aanreikt. Beurskens is niet voor niets een dichter die al jaren meegaat in het circuit. Hij sleepte diverse literaire prijzen in de wacht en bewijst ook in zijn jongste werk zijn meesterschap. Luister naar wat deze patiënt vanuit zijn ziekenhuisbed mijmert in ‘Na de chirurgie’:

Op de gang als van ver weg een zacht gehouden
meisjesgesprek over verliefd zijn en verloofd. Ik
lag en zag en dacht volstrekt pijnvrij dat het goed
was zo. Het besef dat mijn dood zou zijn zoals ik
zelf die middag moest zijn geweest zonder mijzelf
erbij maakte me zo volkomen onsentimenteel blij
(…)

De emotionele afstand die de dichter hier tegenover zichzelf en zijn eigen dood in acht neemt, geeft je als lezer ademruimte. Te meer omdat Beurskens overwegend zonder veel poespas dicht. Zijn verzen lezen zich als uitwaaierende zinnen waarin concrete beelden en associaties in elkaar overlopen en uit elkaar voortvloeien. Interessant is verder hoe de dichter bij herhaling toont dat de schilderkunst hem inspireert en aanzet tot schrijven. Andersom is ook het geval, want Beurskens is tevens actief als beeldend kunstenaar. En dat levert mooie ‘cross-overs’ op. In deze categorie is het gedicht ‘Kleine jongens’ wat mij betreft een hoogtepunt.

(…)
Ik zie de tekening nu ook en uit de diepte van zijn dal klinkt

een populierenruisend kiezelbeekgemurmeld vogellied. Er
zijn twee bergen, noteert Paul Klee – 24 jaar -, op die is het
licht en klaar, die van de dieren en die van de goden, met
ertussen het schemerdal der mensen, en – 41 – volkomen
onvatbaar ben ik, want net zozeer woon ik bij de doden
als bij de ongeborenen, en hij tekent – 60 – met stijfselverf
-als is hij 6– ‘stelzich ein bleib tallein’, een blauwe struik
met een kind alleen dat iedereen van ons zou kunnen zijn.

Dit leest bijna als een dagboek, ogenschijnlijk voor de vuist weg geformuleerd, en toch zo akelig trefzeker. Van een totaal andere orde, want verrassend genoeg bijna humoristisch, is een gedicht naar aanleiding van Gericaults beroemde schilderij ‘Het vlot van de Medusa’ dat een dramatische momentopname laat zien van de overlevenden van een scheepsramp. Alleen, overleven is nog niet: gered. Want, zegt Beurskens: ‘Met honderdvijftig waren ze / toen het begon. Geschrokken/ keek ik om me heen en om in / de zaal der grote formaten. Wie / in deze roezemoezende drom / zou ons het eerst verlaten? Wie / zou weigeren biscuit te delen? / Wie zou als eerste verwilderd / “Wij zijn met veel te velen”/ schreeuwen? (…)’ De keuze om dit menselijke drama ronduit luchtig uit te beelden geeft toegang tot de waanzin en tragiek die erin besloten ligt. Bijzonder jammer is wel dat Beurskens ook hier zijn thematiek overvraagt en zo ver uit wil diepen dat het gedicht uiteindelijk als de spreekwoordelijk nachtkaars uitgaat.

Met zo’n negentig pagina’s is Eigenlijk heb je alles al een stevige bundel geworden. Toch is dat niet direct goed nieuws. Zeer sterke, aansprekende poëzie is gelardeerd met gedichten van beduidend mindere kwaliteit. Soms omdat de dichter zich verslikt in grote-woordenpoezie, of omdat hij simpelweg eerder een punt had moeten zetten, vaker omdat zijn gedachten met zijn gedichten op de loop gaan. Een strengere selectie, en soms ook redactie, had Beurskens hiervoor kunnen behoeden. De uitgever liet in dat opzicht echt steken vallen, ondanks het verder prachtig verzorgde uiterlijk. Van een gerenommeerde uitgever als Meulenhoff mag je toch verwachten dat de rol van kritisch meelezer serieus wordt ingevuld. Al was het maar uit respect voor deze dichter en, niet te vergeten, zijn publiek.

Recensie van een twee drie ten dans - Eva Cox

Een kruiwagen eigenwijze kikkers

Eva Cox
een twee drie ten dans
Uitgever: De Bezige Bij
2009
ISBN 9789023437222
€ 16,50
72 blz.

Eva Cox debuteerde in 2004 redelijk spectaculair met Pritt.stift.lippe, dat dan ook goed ontvangen werd. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de Vlaamse Debuutprijs en sleepte de Prijs voor de Letterkunde van Oost-Vlaanderen in de wacht.
Kritiek was er ook hier en daar. De bundel werd onevenwichtig genoemd, onder andere omdat Cox heen en weer zwalkt tussen poëzie, proza en zo’n beetje alle tussenvormen ervan. Het liet zich vermoeden dat deze ‘onevenwichtigheid’ niet te wijten was aan haar onervarenheid. En nu is er als bewijs een twee drie ten dans, dat minstens even springerig en chaotisch is, en zo een weerslag vormt van vijf jaar (hyper)activiteit van de dichteres. Nu ben ik helemaal geen fan van dit soort bundels – ik zoek altijd naar eenheid in een bundel, iets dat het meer maakt dan een zootje gedichten dat toevallig in hetzelfde boek terecht is gekomen – maar bij Eva Cox past het. Ze is het trouwens ook hartgrondig met mijn opvatting hierover oneens, getuige het citaat van Thomas Vaessens boven de verantwoording:

‘… elke "eenheid" is het resultaat van een ordening; orde is altijd aangebracht, ook als zij zich als "natuurlijk" voordoet. Afgeronde gehelen moeten derhalve ontmaskerd of ten minste gewantrouwd worden, ook door de dichter, die de aandacht liever vestigt op brokstukken en scherven …’ 

Klats! Niets onevenwichtig: Eva Cox brengt uit principe geen ordening aan in haar bundels. Ze gelooft er niet in. Ze is geen bundeldichter, geen componiste. Je zou haar misschien een ‘projectdichter’ kunnen noemen. Ze schrijft en vertaalt, getuige diezelfde verantwoording, veel werk in opdracht of in het kader van een festival, een kunstproject of een themanummer van een tijdschrift. En, zo lijkt het, als het echt hoog tijd wordt voor weer een bundel kiest ze haar favoriete werk uit en brengt het samen in een geheel dat geen geheel is maar een soort poëtische kruiwagen met eigenwijze kikkers. De bundel kent dan ook geen onderverdeling en zelfs de paginanummers volgen geen duidelijke logica. Daarentegen zijn de gedichten en prozagedichten van een constante, hoge kwaliteit – de serie prozagedichten aan het eind van de bundel is zelfs ronduit geweldig – en imponeert Cox met haar originele, muzikale taalgebruik waarbij ze het plat Vlaams vaak als smaakmaker gebruikt.

Thematisch gezien is er in een twee drie ten dans wel degelijk een eenheid te ontdekken. Vaste terugkerende thema’s zijn het gevoel van onmacht dat de mens (bij Cox meestal een vrouw of een meisje) soms overvalt in de confrontatie met de buitenwereld:

Klem
Wanneer zij des avonds de thuisplek bereikte, viel haar hand zwaar op de snijplank, het mes kreeg zij haast niet uit de homp brood getrokken, zo moe hingen haar armen aan haar lijf. Liefst zou zij het hoofd op de broodkorst werpen, haar tanden in de zacht gebakken broodrug slaan, graven, grazen van het kruim als een ree van wat netels. Maar zij was een mens, en de kuddedruk van haar soort zette een klem op haar vermoeide visioenen. 

Het creatieve proces is ook regelmatig onderwerp van het werk van Cox, zoals in het openingsgedicht:

Ne sneeuwman maakt ge met sneeuw en ijs, veel sneeuw, wat ijs, en zonder spijt. Of bij gebrek aan sneeuw en ijs op de blote stoep, met krijt. 

Het feit dat de bundel met dit gedicht opent is bijna als een soort excuus op te vatten. De dichter die zich excuseert dat ze niet ‘zonder spijt’ aan het echte leven deelneemt maar een substituutleven leidt en ons slechts een beeltenis van een ‘sneeuwman’ aanreikt. Verderop in de bundel lezen we ook:

Opgesloten in mij – het hart van de baksteen – een schrijverschap. Slechts stilstand beitelt dat open. Immers: het lemmet van de witregel wijst een spreken tevoorschijn. Maar niet hier. Waar de dag zwart ziet als ‘t vol gekrast vel van de gek, woord over woord over woord. 

Maar het belangrijkste thema van een twee drie ten dans is het lichaam, al dan niet als metafoor en al dan niet beschadigd door of versmolten met die buitenwereld waar in Cox’ gedichten zo mee geworsteld wordt. ‘dat gij bijt in de kers van mijn hart // bloedsap uw lippen / blauwdruk mijn armen mijn hals’ lezen we. En over een ijsbeer:

Z’n pels is van het liggen op beton
zo mat nu dat je hem niet ziet,
grijs als steen is hij geworden,
steen en stof, meer is hier niet. 

Verder steekt er een hand uit de kast, rolt een hoofd zo van zijn lijf af en onder het bed en is een hart van touw, een afvoer een kringspier en de wereld een ‘grote vleesbak’. Heel fysieke poëzie dus en door de absurde beelden ook vaak erg grappig. Maar het hilarische is bij Cox nooit zonder een donkere ondertoon. Zoals het motto van bundel rept van een meisje met gele hakkenschoentjes: ‘En zij danst erop alsof zij branden als zonnen. / Bij elke stap trekken haar wangen scheef.’
Cox wil schoonheid scheppen, maar schoonheid die pijn doet. Haar woorden stralen werkelijk als zonnen, maar doen soms je gezicht ook betrekken.
Daarnaast gaat het bij Cox ook altijd over een meisje en haar trots. Ze hecht eraan in haar bio te vermelden dat ze op haar zestiende zelfstandig woonde, dat ze autodidact is en alleenstaande moeder. Waarom? Het lijkt erop dat er ergens in Cox’ werk nog een klein meisje spreekt dat o zo graag wil laten zien dat ze het kan. Onzin natuurlijk want wie Pritt.stift.lippe las wist al lang wat Eva Cox vermag en wie een twee drie ten dans leest ziet dat oordeel bevestigd.

Recensie van Vloeistof en welvaart - Jan Lauwereyns

Raakvlakken

Jan Lauwereyns
Vloeistof en welvaart
Uitgever: De Bezige Bij
2008
ISBN 9789023428787
€ 16,90
48 blz.

Vloeistof en welvaart van Jan Lauwereyns laat zich gemakkelijk beschrijven: een sober uitgegeven bundeltje van 32 titelloze gedichten, ondergebracht in vier afdelingen van zes, elf, acht en zeven gedichten, respectievelijk getiteld ‘Barst in de kiemcel’, ‘Brekerbaai’, ‘Verdwijning in het landschap’, ‘De waterproef’. Op de voorkant een foto van Alfred Gescheidt, ‘Beach Scene with bathers and atomic bomb’. Het is een digitaal gemanipuleerde compositie van in zee badende mensen, allen met hun rug naar een paddenstoelvormige explosie op de achtergrond. Door hun ouderwetse badkleding maakt de foto een zeer gedateerde indruk – alsof het een badfoto is uit de jaren twintig – en daardoor lijkt het kernwapen waarvan de dreiging nog immer actueel is, toch iets van een voorbije tijd te zijn. Op het achterplat een kort overzicht van zijn eerdere werk, een kenschets van de bundel (‘denkende gedichten’, ‘poëzie die lyrisch wordt van de wetenschap’) en een fotootje van de voor zijn veertig jaar jong ogende dichter.

Alle gedichten zijn opgebouwd uit strofen van een en twee regels (in totaal van beide vrijwel evenveel) en tellen meestal twaalf of dertien regels van ongelijke lengte (maar vijf gedichten zijn een of twee regels langer en vier iets korter), nauwelijks rijm (en als het er wel is, maakt het een wat pesterige indruk met bijvoorbeeld in een gedicht dertien keer achter elkaar een woord op -ik), geen metrum, geen ritmiek die de gedichten dwingend voortstuwt.
Het zou een soort antipoëzie zijn, ware het niet dat Lauwereyns de lezer de tekst binnenhaalt door duidelijk het gesprek met hem aan te gaan. Hij doet dat in de eerste plaats door het stellen van opvallend veel vragen (precies twintig) als ‘Everybody happy?’, ‘Heb je het ook gevoeld?’, ‘Waartoe deze platgelopen baan?’, ‘Waar zouden we willen schuilen?’, ‘Jeukt het al?’, waardoor de lezer de dichter in zijn directe nabijheid weet. En bijna even vaak eisen de zinnen en woorden met uitroeptekens aandacht op, net als de vele zinnen die tussen haakjes staan (soms zelfs haakjes in haakjes in haakjes): of de lezer maar wakker blijft en meedenkt in deze poëzie die steeds iets aan de orde stelt, bevraagt en bevestigt en de eigen complexheid daarbij voortdurend relativeert. Opvallend is nog, tegen de huidige trend in, het gulle gebruik van leestekens: veel komma’s, maar daarnaast ook symbooltekens als +, :, =, ≠, en →.

Alles helpt mee de suggestie te wekken van een grote innerlijke logica, niet alleen in de afzonderlijke gedichten, maar vooral ook in de bundel als geheel, die een netwerk is van verspreide motieven die langs soms onnavolgbare wegen en op de meest onverwachte momenten contact met elkaar maken, waardoor als het ware één groot neuraal systeem ontstaat. Bepaalde fragmenten daarin zijn glashelder, bij andere kom je niet verder dan vermoedens, nooit heb je het idee dat je geen betekenisverbanden op het spoor bent. In ieder geval, hoe vaker je de gedichten in deze bundel leest, hoe interessanter ze apart én als onderdeel van het geheel worden.

Dit is het openingsgedicht van de bundel. Het werd voor het eerst gepubliceerd in De Morgen van 19-3-2008:

Everybody happy?

Ongevraagd zingt de schepping een bisnummer.

Mengeling van sublimiteit en tederheid,
en nog een isotoop of twee.

You talking to me?

Lichte kernen zijn relatief makkelijk tot fusie te brengen,
weet de laffe wet van de grote aantallen,

met olie,
gas,

zware trucks en bommenwerpers.

Dit zijn de woorden: wierook en vervoering,
en dankuwel voor de waterdichte bewijskracht.

‘Barst in de kiemcel’ luidt de titel van de eerste afdeling en die maakt beter dan de bundeltitel duidelijk dat Lauwereyns het in deze bundel wil hebben over schepping en vernietiging en over hoe wetenschap, met name de wis- en natuurkunde (prominent in de gedichten aanwezig), ten goede maar vooral ten kwade kan werken. Stanislaw Ulam, een Pools-Amerikaans wiskundige die een belangrijke rol speelde bij het ontwikkelen van de theorie achter de waterstofbom, Ivy Mike, de bijnaam van de allereerste waterstofbom en Tsar Bomba, de Russische waterstofbom die in 1961 met een kracht van 50 megaton de krachtigste explosie ooit was, zijn wat dit betreft niet mis te verstaan. Dat kwam, om een gewaagde beeldspraak in de trant van Lauwereyns zelf te gebruiken, natuurlijk niet uit de lucht vallen. Er was een kiemcel voor nodig met een bepaalde programmering van ‘algoritmetjes’ (de ‘barst’!) die daartoe leidde, evenzeer als andere kiemcellen met andere instructiereeksen tot zoiets glanzends als poëzie kunnen leiden (Vestdijk!) of tot muziek, beide belangrijke thema’s in de bundel.

‘Ten, nine, eight..’ begint een van de gedichten, en dit wetenschappelijke aftellen tot het moment van verbijstering over wat wordt aangericht leidt tot de reflectie ‘Zo, Johannes, wolf toch,/ en zeg nou eens,// waar zit het, Ik? Systeem?/ Dit leven, deze dood// een kalme uitademende, koele/ aggregatietoestand// waarin wat stroperig is, dun vloeibaar wordt.’
Deze Johannes, die elders ‘de wrede dichter’ heet, en in een ander gedicht op zoek lijkt naar een Zen-achtig geluk, moet wel de dichter zelf zijn, die zijn plaats zoekt in dezelfde Schepping als waarmee hij zich vereenzelvigt: ‘waai ik als het binnenregent?’ Niet alleen ‘aapmens Ik, lijdend aan rijmziekte’, maar ook ‘zenuwmier’, ‘mug’ en ‘lange bloem, homp vlees/ van de hoogste rang’. Het heeft er veel van weg dat Lauwereyns bezig is tegelijk een wereld te analyseren, af te breken en op te bouwen en dat allemaal om zichzelf daarin als mens, wetenschapper en kunstenaar een plaats te geven. Op de een of andere manier het Paradijs overdoen, of aanpassen, zou een optie kunnen zijn, maar uiteindelijk zal een ‘waterproef’ (zoals die ooit op vermeende heksen werd toegepast) duidelijkheid moeten verschaffen hoe verantwoord dat is. Door de hele bundel heen werd er al heel wat afgeplonsd, maar de ultieme test is op de een of andere manier ‘waterproof’ te worden: ‘Ivy Mike bewijst: de plooibaarheid van Nieuw Land.// ‘Een halve notensliert/ vóór ik door het oppervlak plons// heeft de waterproef ons al verbrand.’

Duivelse krachten kunnen worden uitgebannen, de barst in de kiemcel kan worden geheeld, een schepping kan voorbeeldig zijn:

Nu mag je hart worden,
boezems kamers,

kleppen vormen
en beginnen te kloppen.

Alleen al in het laten luiden
van jezelf

zal je hart heel wat bevestigen.

Dat je leeft, bijvoorbeeld.

Dat je hoorbaar de lucht doet trillen.

Dat je raakvlakken,
hulplijnen en buigpunten

ver voorbij bent.

‘Dat je raakvlakken,/ hulplijnen en buigpunten// ver voorbij bent.’ Vestdijk had het in De glanzende kiemcel het wezen van de poëzie kunnen noemen.

*****
Neuropsycholoog Jan Lauwereyns (1969) doceert biologische psychologie aan Victoria University of Wellington in Nieuw-Zeeland. Hij is kernredacteur van DWB, vast medewerker van Parmentier en werkt graag samen met andere auteurs, zoals Leo Vroman, Paul Bogaert en de onlangs overleden Patricia de Martelaere met wie hij nog een DW B-nummer over God samenstelde.
In 1999 debuteerde hij met de dichtbundel Nagelaten sonnetten (genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs). Daarna volgden de dichtbundels Blanke verzen (2001), Buigzaamheden (2002, bekroond met de Hugues C. Pernathprijs), Tegenvoetig, tweebenig (2004), de roman Monkey business en het essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs). In 2007 verscheen Anophelia! De mug leeft. In 2008 publiceerde hij het radioboek Lied van het meer en zijn zesde dichtbundel, Vloeistof en welvaart. Het meest recent is de coproductie met Leo Vroman Zwelgen wij denkend rond.

Recensie van De hofreis - Willem van Toorn

Poëzie Kort: Nooit echt voorbij

Willem van Toorn
De hofreis
Uitgever: Querido

ISBN 9789021435374

blz.

Na Gedichten 1960-1997 verschenen van Willem van Toorn in 2004 Het stuwmeer en in februari van dit jaar De hofreis. Landschappen en het verglijden van de tijd speelden altijd een belangrijke rol in Van Toorns poëzie, zo ook in zijn nieuwste bundel, die vernoemd is naar de afsluitende reeks ‘De hofreis’ (blz. 53-62), geschreven voor een tentoonstelling te Leiden over Nederlanders in het oude Japan.

Ook typerend voor Van Toorn: een elegante stijl waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van enjambement en halfrijm (assonantie). Die stijl zorgt ervoor dat deze gedichten wonderlijk soepel lezen en daarmee een uitbeelding zijn van hun eigen inhoud: het bijna achteloos verstrijken van de tijd. Ze laten een weemoedig gevoel na, maar elke keer dat je ze leest, zijn ze weer even prachtig. Stukjes tijd vastgelegd in zachtjes meanderende poëzie, dat is het knappe aan dit klassiek klinkende werk.

De dingen zijn nooit echt voorbij, zolang je ze kunt herbeleven. Je kunt bij Willem van Toorn telkens weer in het verleden stappen en zo de zoete pijn proeven van vergankelijkheid vermengd met hoop. Van ‘de vraag of leven ook wel / kan zonder hoop, alleen met wat bestaat’, zoals het slotgedicht uit de bundel expliciet vermeldt. En mocht het antwoord op deze filosofische vraag ja zijn, dan is er altijd nog de hond om mee te spelen.

Thuiskomst

De hond bij de voordeur roerloos, te geschokt
van weerzien, ruiken, horen om zelfs maar
te kwispelen. Staart omlaag. Likken komt later.

Door kamers vol afwezigheid, de holdall
halfopen op een stoel, cognac, het reisdagboek
ongebruikt leeg op tafel. Het is nu zaak
vrienden te bellen, boodschappen te spreken
van terugkeer na de piep: Ik ben er weer. Maar eerst
stilte. Stilte. De vraag of leven ook wel
kan zonder hoop, alleen met wat bestaat. De hond
zit doodstil tegenover je, oren gespitst en legt de bal
zacht jankend aan je voeten.
 

Querido, 64 blz., € 16,95. ISBN 9789021435374