Recensie van Grondstof - Atze van Wieren

Altijd in mijn rug die hand

Atze van Wieren
Grondstof
Uitgever: IJzer
2008
ISBN 9789086840236
€ 14,50
64 blz.
Atze van Wieren, van wie onlangs bij uitgeverij IJzer zijn eerste bundel verscheen, schreef tussen augustus 2003 en maart 2006 een twintigtal recensies voor Meander, waarin hij recht uit het hart tal van opmerkingen plaatste over hoe poëzie volgens hem wel of niet moet zijn.

Een kleine bloemlezing, in volgorde van verschijning:
– ‘De beelden moeten zodanig zijn dat de lezer, zelf associërend, in de buurt komt van de gevoelsintentie die de dichter erin heeft willen leggen.’
– ‘Ik hou nu eenmaal van poëzie die zingt, die het grote gebaar niet schuwt, die je meevoert op vijf of zesvoetige jamben. [Ik wil] de schreeuw van echtheid.’
– ‘Wat een genot weer eens een bundel onder ogen te krijgen met poëzie van vlees en bloed in plaats van het uitgebeende, hermetisch geneuzel van veel hedendaagse dichters.’ (Over Taalwaterval van Mark van Tongele).
– ‘Ik ben geen liefhebber van cryptogrammenpoëzie. Veel van het hedendaags postmodern geneuzel lijdt aan die kwaal. Gedichten, die, ook al herlees je ze eindeloos, gesloten blijven. Het zijn gewilde maaksels, geleerde spelletjes, dorre non-poëzie van schrijvers die zich dichter achten en weer eens met een bundeltje op de markt moeten komen. Een gedicht moet iets willen meedelen, moet hart en ziel hebben, moet zingen. Dat wil niet zeggen dat ik een liefhebber ben van gemakkelijke poëzie. Integendeel. Een gedicht moet spannend zijn, moet zich liefst niet meteen geven, moet iets verbergen. Er moet niet staan wat er staat. En toch moet je bij eerste lezing meteen voelen dat er iets heel wezenlijks wordt gezegd. Zó is het, denk je, en wat is dat máchtig mooi gezegd.’
Daarna hield Van Wieren het wat recenseren betreft voor gezien.

Op zijn homepage schrijft hij over zijn eigen dichterschap: ‘De vraag waarom ik dicht laat zich niet zo gemakkelijk beant­woorden. In ieder geval is het geen blije bezigheid. Mensen denken vaak dat het een ‘leuke hobby’ is. Nou nee. Het is vooral getob.
Ik probeer iets wat mij raakt in mooie beelden en op een klinkende melodie onder woorden te brengen, zodanig dat het ook voor anderen invoelbaar wordt. […] De kunst is om in mijzelf de zuivere emotie aan te boren. Eerlijk zijn. En dat dan zó te verwoorden dat het niet mijn privégevoelens blijven, maar dat ook anderen zich daarin kunnen herkennen. Als dat lukt met een gedicht ben ik even heel gelukkig. Daarna begint het getob van voren af aan.
Ik dicht voor die momenten van geluk.’

In zijn late debuut Grondstof doet Atze van Wieren de hierboven geformuleerde poëzieopvatting geen geweld aan. Zijn gedichten zijn bijna zonder uitzondering heel beeldend, de symboliek erin is even verrassend als herkenbaar en zijn taal is verzorgd. Het terloopse rijm, de herhalingen, het benoemen en invoelbaar maken van gevoelens in een haast Koplands zinsritme zorgen voor een vaste, direct vertrouwde toon.
Door de manier waarop hij zichzelf vaak tot inzet maakt maar daarbij inderdaad het persoonlijke tot het algemene weet te transponeren, dwingt respect af.

Grondstof is een bundel waaraan getuige de indeling een duidelijk plan ten grondslag ligt. De 45 gedichten zijn onderverdeeld in vier afdelingen: ‘Grondstof’, ‘Raffinage’, ‘Bijprodukt’ en ‘Residu’, dat precies een gedicht meer bevat dan de andere drie tezamen. Als deze indeling ‘het leven als productieproces’ verbeeldt, zoals de flaptekst zegt, lijkt de bulk van wat onbedoeld – maar strikt genomen noodzakelijk! – uiteindelijk van een leven rest de overhand te hebben: bezinksel, droesem, overschot, neerslag, reststof, achterblijfsel. Geen hemels perspectief…

De bundel begint heel fraai ‘ab ovo’:

op de rand

Hij heeft zich amper ontdaan
van al wat aan hem kleefde.

Het ei dat hem baarde
bleek barstensvol geheimen:
restanten vroege vogelliefde,
beperkt houdbare leeftocht,
blauwdruk hoe te vliegen,
aanwijzingen voor de jacht.
Voor een vogel in wording te veel
en moeilijk te behappen.

Herinnert zich beter vertrouwde
nabijheid later van gulzige lijven
en het donsdek van de moeder
als het donker werd en koud.

Op de smalle rand van het nest
is hij alleen en dat alles vergeten.
De hemel te hel voor de ogen,
de diepte te donker,
hij balanceert.

In de bijbehorende twee gedichten worden de moeder en de vader geschetst en tegenover elkaar geplaatst. De harde vader die voor gedroom geen tijd heeft en, als het moet zijn slechtste kant toont, verhaalt ‘van hoe je sterk en stoer / van hoe je in het gevecht / je angst verbergt, de ander staat, / en dat je oog om oog -‘. De zachte moeder die weet dat dit jong anders is, zag hoe hij met tegenzin en schrik het leven intrad, voorziet ‘dat wis en waar de wind / hem hemelhoog wil dragen, / dat misschien zijn zingen zachter / maar daarom niet minder zuiver is, / dat hem een ander wacht.’
Hoe persoonlijk dit nest moet worden opgevat, blijkt uit de vier gedichten die deze eerste afdeling completeren. Het jong is volwassen geworden, maar nog altijd volop bezig de verhouding tot de vaderfiguur te bepalen. ‘Ik ben weer jongen / en tot boer bestemd. / Lig wakker in / een winternacht zó stil / dat alles om mij heen / gestorven lijkt. // Dan dringt tot mij door / het dof gebonk van paarden / die hun hoeven slaan / tegen het beschot. / Ook is het net alsof ik / vader roepen hoor.’ (‘Droom’). Het hierop volgende ‘Mest’ gaat hierop door: ‘Mijn vader heeft mij uitgereden / met paarden in een zware gang. / Ik lig ontdaan van mijn bestaan / in duizend stukken uit elkaar.’ Vruchtbare grond voor een geslaagd dichterschap stelt de lezer tevreden vast, die zich met deze thematiek op vertrouwd terrein weet en aanvoelt komen wat gaat volgen: ‘Bij mijn vroeg en vreemd ontwaken / vallen zijn trekken snel uiteen. / Mijn vader huist in mij. / Hij is mij zo nabij / en toch niet aan te raken.’
Het laatste gedicht uit deze serie voltrekt de verwachte identificatie geheel. Hoe bekend dit terrein in de literatuur ook is, Van Wieren weet zich knap aan de clichés te onttrekken:

Terra incognita

Dacht dat je ver was, vader,
een ander land was,
mijn stem daar niet kon horen,
dat je grijs gestold als steen,
grimmig als een oude boom
nors omschorst was.

Ik kijk naar mijn omlijst gezicht,
de stroeve blik langs mij gericht.
Wat, als binnenste zich buiten keert,
harde kernen fijn dooraderd blijken,
nerven teer glanzend blootliggen,
ik op sporen van liefde stuit?

Weet dat je ver bent, vader,
in een ander land bent.
Soms spiegelt mijn gelaat in ‘t glas,
dan, even, lig je voor mij open,
ben je dichterbij dan ooit.

Mooi die verschuiving van ‘een ander land’ zijn (r. 2) en ín een ander land zijn (r. 14). De vader is niet langer de onbegrijpelijke vreemde, maar is nog slechts elders en daardoor als het ware onschadelijk gemaakt. Door de dubbele betekenis in ‘Weet dat je ver bent’ wordt hij zelfs bereikbaar, omdat de zoon hier (voor het eerst?) de vader als het ware dwingt zijn onbereikbaarheid te erkennen.

De afdeling ‘Raffinage’ bevat zes gedichten die betrekking hebben op de ogenschijnlijk hoogst ondichterlijke suikerbietenindustrie. Het zijn knappe verzen die oppervlakkig gezien het traject van oogst tot eindproduct beschrijven, maar die in wezen een volstrekt adequate beschrijving geven van de condition humaine: ‘Wij liggen op een bietenvaalt, / nog wel bijeen maar zonder hoop, / Wij wachten op de dichte wagens, met dichte wagens worden wij gehaald.’ En: ‘Maar stel je voor: / een nieuw begin / waar naar men zegt / ik blinkend wit zal zijn. // Een nieuw begin / en blinkend wit, / wie wil dat niet.’ In het laatste gedicht: ‘Nu gaat wat van ons rest / in rook omhoog. // Nog wacht de dag / nog houdt de wind zijn adem in / nog is geen wolkje aan de lucht / nog speldeprikt de vorst. // Loodrecht gaan wij de hemel in.’

‘Bijprodukt’ verzamelt negen gedichten die geschreven werden naar aanleiding van beelden en schilderijen, maar ook hier ontkom je er niet aan er soms nauwelijks verhulde zelfportretten in te lezen. Het duidelijkst is dat in een gedicht bij een beeld van Kees Verkade:

Fietsles

Is dit wat mij te wachten staat:
het zadel veel te hoog
geen voeten aan de grond
geen trappers in het rond?

Is dit wat mij te wachten staat:
een stuur om mij aan vast te houden
een rem niet onder handbereik
en aldoor dreigen om te vallen?

Dit is wat mij te wachten staat:
altijd in mijn rug die hand
die door mijn kleren brandt
die zegt naar welke kant.

De laatste afdeling, ‘Residu’, opent met een gedicht dat precies het hart van de bundel is. Vier regels die precies beschrijven hoe de dichter als mens én als dichter door het leven gaat:

IJsbaan

Ik schaats op het donkere ijs van mijn jeugd,
mijn vingers zijn stijf, mijn veters te lang.
Ik hou mij vast aan een stoel die niet wil
en onder mijn voeten gaan schaatsen hun gang.

De lezer weet dan echter al lang niet met een kleine onbeduidende krabbelaar te maken te hebben, maar met iemand met een vaste, brede slag die nergens uitglijdt.
Natuurlijk is er op Van Wierens poëzie kritiek mogelijk. Zo is het ‘zingen’ dat hij zegt na te streven vaak mompelen (maar wel zodanig dat je graag instemt), en zou het wat taal betreft wel wat weerbarstiger mogen zo nu en dan. En als gedichten al te zeer tot psychologiseren aanleiding geven, moet je als dichter én als lezer oppassen, zeker als ze hun boodschap niet verborgen houden, omdat deze te expliciet wordt gebracht.
De conclusie mag evenwel zijn dat Van Wieren met deze gedichten een klein monument voor zichzelf heeft opgericht en dat daarbij de poëzie profiteert. De hand in zijn rug heeft zijn werk gedaan.

Opgemerkt dient nog te worden dat uitgeverij IJzer een groot compliment verdient voor de mooie uitgave van de bundel. Voor een alleszins betaalbare prijs kan het dus ook zo.

****
Atze van Wieren (1943) schrijft poëzie en proza en voor beide ontving hij diverse bekroningen. In diverse verzamelbundels en bloemlezingen is werk van hem opgenomen. Voor het tijdschrift Schrijven verzorgt hij sinds enige jaren de rubriek ‘Tekstuur’.  
In 2006 verscheen onder de titel De elegieën van Duino zijn vertaling van de Duineser Elegien van Rainer Maria Rilke. Daarover schreef Wil Rouleaux in de NRC: ‘Een opvallend modern klinkende Rilke. De vertaling is moderner en ‘gewoner’ dan de soms nogal plechtig klinkende versie uit 1978 van prof. Bronzwaer. Van Wieren is kernachtiger en lijkt soms iets meer risico te nemen.’
Ook dr. Hans Ester was lovend in het Friesch Dagblad: ‘Het vertalen van dit werk van Rilke is een schier onmogelijke taak. Gegeven de moeilijkheidsgraad verdient Atze van Wieren grote waardering voor zijn durf en doorzettingsvermogen. Wie de vertaling van een dergelijk werk tot het einde toe volhoudt, heeft een pluim verdiend.’
Van Wieren maakt deel uit van het Groninger dichterscollectief WP99. Dit realiseerde in 2005 de bundel SUIKERpoëzie, gedichten over het proces dat de suikerbiet doormaakt en in 2003 de bundel Poëzie op Sokkels, gedichten bij beelden in de stad Groningen.


Recensie van Droomvlees - L.F. Rosen

Heldere soep in een diep bord

L.F. Rosen
Droomvlees
Uitgever: Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen ,Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569710
€ 15,95
60 blz.
L.F. Rosen is een dichter die het niet van flitsende beeldspraak of scherp geformuleerde statements moet hebben. Evenmin is hij een dichter die de lezer met vloeiende verzen en meeslepende ritmes op sleeptouw weet te nemen.
De poëzie van Rosen zou je kunnen omschrijven als een reeks beeldrijke gedachten die vertikaal over het blad zijn uitgezet en op een drafje naar een eindconclusie lopen.
Veel gedichten in Droomvlees, zijn vijfde bundel, geven de indruk niet echt gedichten te zijn maar gecomprimeerde flarden van een redenering. Woorden als ‘dus’, ‘want’, ‘echter’ duiken regelmatig op en verraden een betoog dat er in wezen niet is. Rosen strooit gedachten, schept beelden die in een wazig verband achterblijven.

Waar is het in Droomvlees precies om te doen? De bundel wekt de indruk rond één thema te zijn opgebouwd. In het eerste deel staat het (zieke) lichaam centraal. Het openingsgedicht begint met een aardige beschrijving van de longen, een orgaan dat ‘evenzeer geniet van de vrolijke tabak /als van de dodelijke zuurstof’ en vervolgens:

(…)
En zijn binnenwanden bekleedt
Met de huid van de wereld
Om ons vertrouwd te maken
Met het kelderstof
En de huidschilfers
Van onze naasten.

‘Longfuncties’

Maar het blijft niet bij het zieke lichaam, er is meer aan de hand. Verschillende gedichten behandelen het thema van het afscheid. Gaandeweg wordt het duidelijk dat de dichter worstelt met een afscheid. Van een geliefde? Een familielid? Een vriend? Dat wordt nergens expliciet gemaakt. In elk geval is het een afscheid van een aftakelend lichaam. Een afscheid dat zich definitief voltrekt in het titelgedicht met het afleggen van het lichaam, en waarvan de laatste strofe als volgt luidt:

(…)
Maar mijn handen zakken almaar dieper in je weg.
Het kost mij
Moeite om mijn vingers uit je los te trekken.
Tegelijk
Laat immers ook je vel los. Als een slordig, roze
Douchegordijn
Valt het van je schouders. Als zweterig water kleef ik
Er aan vast.

‘Droomvlees’ 

Het lichaam lijkt me in de eerste plaats een metafoor voor de vergankelijke werkelijkheid. Het is hetgeen waaraan we het meest gehecht zijn, maar wanneer we erin slagen om er afstand van te nemen ligt de weg open naar een hoger begrip van de werkelijkheid. Dan kunnen we zoals in het gedicht ‘Vragen aan het vlees’ eindigen met de eerste vraag:

(…)
Is niet elk lichaam
Een hemellichaam –
Heeft het niet zijn brandende
huid en zijn vloeibare kern
met de sterren gemeen ?

‘Vragen aan het vlees’

De bundel eindigt met een beklijvende beschrijving van mensen die op weg zijn naar een begrafenis. ‘Maar we begraven een ander’ besluit de dichter. Het vlees is droomvlees geworden.

Een aantal gedichten had wat mij betreft tot hun aforistische kern herleid kunnen worden, sommige gedichten willen teveel zichzelf bewijzen en worden daarom wat steriel, maar als het allemaal goed zit, schiet Rosen raak :

Als een roestige speer schiet
Een schreeuw uit zijn keel.
Wij leggen hem achter een scherm.

Gulzig geworden van onze aandacht
Dompelt hij ons onder in zijn zwijgen.

Als wij de dekens opslaan
Verschijnt een zenuwachtig,
Grijs vogeltje achter zijn ribben.

Dus rijden wij hem op grote wielen naar
Een plaats die wellicht meer toekomst biedt.

Waar hij weer de kleur
Van voedsel kan krijgen –
Van gewassen fruit en rood
Vlees. En waar heldere soep
Wacht in een diep bord

– een vogeltje
erin kunnen
verdrinken.

‘Beschutting’

‘Heldere soep in een diep bord’, ofwel: de hele kosmos in één zin, op die vierkante millimeter schittert de echte Rosen.

*****
 
L.F. Rosen (pseudoniem van Leo van der Waal, 1953) debuteerde met Adel een bundel die werd genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs in 1994.
Daarna volgden: Al het aardsch geluk (1995), Onhandig hart (1998), Brandhaarden (2000), Doorwaadbare plaatsen (2004) en Droomvlees (2008).
Recensie van Deze poelen, deze geest - Lloyd Haft

Dichten is geen dood maken

Lloyd Haft
Deze poelen, deze geest
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido ,Querido ,Querido
2008
ISBN 9789021434568
€ 16,95
88 blz.
Lloyd Haft laat in Deze poelen, deze geest vijf gedichten titelloos (de ‘brieven’ aan Gerrit Kouwenaar en de evangelist Johannes), maar de overige 34 gedichten dragen dermate lange titels dat de inhoudsopgave liefst vijf bladzijden beslaat. Dat krijg je met titels als ‘Als ik thuis in Oegstgeest tegen de avond een merel hoor, denk ik opeens aan tweeënvijftig jaar geleden in een ander werelddeel, toen ik voor de laatste keer mijn inmiddels overleden biologische vader zag tijdens een wandeling waarbij wij een veldleeuwerik zagen’.
Het doet enigszins denken aan de hoofdstuktitels in negentiende-eeuwse historische avonturenromans, zoals in het bekende ‘Ferdinand Huyck’ (1840) van Jacob van Lennep. Daar heet het eerste hoofdstuk ‘Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held dezer geschiedenis gevonden wordt’ en een van de latere ‘Waarin treurige en indrukwekkende toneelen voorkomen, gelijk men die somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en versierde geschiedenissen aantreft’. Het effect ervan is dat je je als lezer al vertrouwd voelt met de gebeurtenissen alvorens ze hebben plaatsgevonden, wat zorgt voor een merkwaardige combinatie van vertrouwelijkheid en distantie. Bij Haft is het niet anders, zij het dat bij hem het uiterlijke avontuur vervangen is door het innerlijke.

Het zwaartepunt van Hafts bundel bestaat uit de ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’, gepresenteerd in drie afdelingen, in totaal 21 gedichten. Aan het begin ervan schrijft hij: ‘In juli 2004 trad ik uit dienst bij de Leidse universiteit waar ik sinds vele jaren docent Chinese literatuur was geweest. Evenals mijn oud-Chinese voorgangers vond ik in deze levensverandering aanleiding om een aantal gevoelens in versvorm tot uitdrukking te brengen.’
Dit is het eerste gedicht:

‘Bij het leeghalen van een boekenkast zie ik dat de op de rug gedrukte titel van een gedichtenbundel door zoninval onleesbaar is geworden’

‘De rug is gevoelig,’
zei de dokter, achtentwintig
jaar geleden. Langer, vijfendertig
jaren geleden

zette ik dit boek
hier neer. Ik weet
welk het is. Maar hoe het heet
is niet meer te lezen.

Toch ben ik blij. Die dunne
baan die blijft
waarlangs de dagen kwamen
houdt bijeen

wat anders blad na blad
verviel, niet te verhalen.
‘Scripta manent’, geschreven dingen
blijven, schreven

onze voorouders. Wie
verstaat hen nog?
Woorden raken weg zonder
schade: wij immers leven

nog. Ik heb het zelf
gezegd: liever licht
dan woorden over licht.
Het boek staat. Geel

torent zijn rug die niet
als het jonge gras wuifde,
aldoor hier stond. Bleef,
niet heette.

In tegenstelling tot de uitdijende titels heeft Haft de vorm van zijn gedichten streng ingeperkt; ze zijn zonder uitzondering opgebouwd uit strofen van vier (de meeste) of drie korte regels die vaak maar twee of drie heffingen tellen.

Veel van wat voor zijn poëzie in deze bundel kenmerkend is komt in dit eerste gedicht al direct tot uiting: de tamelijk nuchtere, bedachtzame manier van benoemen en beschrijven die toch ook lyrisch en verbeeldingsrijk is, de nostalgische ondertoon, de persoonlijke, openhartige invalshoek die voor een heel directe communicatie met de lezer zorgt, de duidelijke neiging tot explicietheid daarbij, het discours van de dichter met zichzelf waaruit een sterke, zelfbewuste kwetsbaarheid blijkt, even ontwapenend als onthecht. Het zijn niet alleen kwaliteiten voor een dichter, maar ook voor een docent.

In ‘Bij het zien van aankomende eerstejaarsstudenten denk ik aan oud-vakgroepsvoorzitter Idema’ komt dat mooi samen. (W.L. Idema, hoogleraar Chinees aan Harvard University en schrijver van tal van sinologische studies en vertalingen waaronder Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, was tot 1999 hoogleraar te Leiden).
Het gedicht begint anekdotisch met ‘Het is niet zo / dat wij ze altijd / hetzelfde vertelden, / die eerste morgen // van de Herfstmaand / als ze met drommen bejast / in de galmende zaal met hoge / ramen binnenschoven. // ‘, maar krijgt dan al snel een peinzende, filosofische lading die de bestaanservaring centraal stelt:

Wat we ze boden waren
woorden – álle vertellen
is doorvertellen’ – maar
wat we ze zwijgend toonden

was onszelf, elke herfst
een ander […]

Wij zouden ze hoeden,
bewaren voor de woorden
der dwaalleraren. Maar ‘wie
zal er waken over

de bewakers zelve?’
Wij citeerden het,
leerden het ze,
konden het niet beantwoorden.

[…]

Het moet een genot zijn geweest les te hebben gekregen van docenten die tot zoveel zelfreflectie in staat waren.

Het vergankelijkheidsbesef is een belangrijk motief in de bundel, vaak gecombineerd met een intense natuurervaring. Als de dichter bij vrienden in een klein lusthof verkeert, overpeinst hij: ‘Wat waren de uren / – die paar dagen – // van wat wij onze / ‘jeugd’ noemen, meer / dan de tocht van een geur / door een gaarde?’ Een humoristische, relativerende ondertoon zorgt ervoor dat de ervaring van de ‘grote’ gevoelens niet drukkend wordt. Als hij zichzelf in de eetzaal van een hotel in de ruit weerspiegeld ziet, constateert hij: "Ben ik dat? / ‘Oud mannetje’ / in de taal die ik van ze / heb moeten leren, // de hier om mij heen / voorbijgaanden. // ‘Mager’ zullen ze me // noemen, ‘bleek’ – // als ze me al // zien. Ik die mezelf / nu vaak tegenkom – / ‘gepensioneerde’, ‘se- // nior’.’ Haft refereert hier terloops aan het feit dat Nederlands niet zijn moedertaal is.

Een belangrijk motief is ook de religie. Haft was oorspronkelijk methodist, maar werd later anglicaan. In religieuze zin voelt hij zich aangetrokken tot de oosters-orthodoxe en katholieke vormen van het christendom. Als hij in zijn werkkamer een kruisbeeld van de muur haalt, schrijft hij: ‘Ik die alle dagen, / alle jaren u / trachtte te vatten – // geen van mijn verbanden, / hoe lang, ijl / gesponnen, dat past // om u. Kleiner / was altijd mijn niet / dan u was.’ Dezelfde overgave treffen we aan in:

‘Bij het leeghalen van een bureaula stuit ik onder een stapel oude studentenadministratie op een rozenkrans; weer vind ik het jammer dat het traditionele gebed hierbij eindigt met de naklinkende woorden ‘het uur van onze dood”

Wat mij door de vingers
glipte – alles
kralen. Hout,
parel, glas –

alle zien -, alle
tastbare, strelend
mijn toch nog warmere
huid langs.

Ik die hier stond
te tellen, te spellen:
u en u en
u – geen ander,

altijd die opening,
mijn lippen rond,
mijn adem die eindigt
altijd voorlopig op amen.

Na de drie afdelingen ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’ volgen vier gelegenheidsverzen onder de noemer ‘Schadelijke stoffen’, waarin hij het langs originele omwegen heeft over roken, asbest, kwik en rookgas. Het laatste krijgt de mooie religieus-filosofische ondertoon mee die voor veel van Hafts gedichten zo kenmerkend is:

‘Bij het horen van een duif op de schoorsteen driehoog boven het fornuis, denk ik: ik hoop maar dat die beesten niet straks de rookafvoer dichtmaken’

Toen ik jong was
– mijn dromen nog zo schaars
dat ik ze opschreef –
was dit groots geweest.

Een duif op mijn dak!
Boodschapper zeker des Geests
of Lichts of Hemels – geen
dom luid beest.

Nu: hier sta ik
in de keuken. Denk:
blijft bij alle koeren nog
het rookkanaal leeg?

Komt vanavond nog
mijn rook, mijn reukwerk
weg? Niet of u
een antwoord zult neer-

laten. Maar of er nog
een weg omhoog zal zijn –
door daken, door alle dichte
dromen heen.

De gedichten in ‘Achter Oud-Poelgeest’ staan in het teken van het motto bij het eerste gedicht uit deze cyclus: ‘en wat wij ervan zeiden werd / een deel van wat het is’. Het zijn regels uit ‘A postcard from the volcano’, het gedicht waarin Wallace Stevens (1879 – 1955) beschrijft dat met iemands dood niet alleen de persoon zelf verdwijnt, maar ook alles wat zijn specifieke manier van het bekijken en schouwen inhield; een latere generatie zal, hoewel dezelfde taal sprekend, nooit meer hetzelfde van de dingen kunnen aflezen: ‘… that with our bones / We left much more, left what still is / The look of things, left what we felt / At what we saw. […] We knew for long the mansion’s look / And what we said of it became / A part of what it is … ‘
Soms is er hier een wat pessimistische ondertoon. Haft ziet ‘de grote moede aarde’ dan als ‘die klomp kou, homp nood’, als ‘Eén kloot zwijgen / die wacht op een roep, // een op of af van ons. / Want van ons alleen / is het zeggen, / noemen, // waar willen hebben.’

In de twee open brieven aan Kouwenaar, die in zijn bundel Landschappen en andere gebeurtenissen (1974) schreef ‘Van alle maken is doodmaken / wel het volmaaktste’ verantwoordt Haft polemisch de instelling van waaruit hij werkt en schrijft. In de eerste brief lezen we (de ambigue aanhef is fraai): ‘Dichten is geen dood / maken. Scheppen is / dulden, tegen / de ochtendmist in // luisteren hoe de kern/ klopt.’ […] ‘Wou je tot stof terugbrengen, / terugroepen, wat nooit / van stof uitging?’ In het tweede vervolgt hij met ‘Niet wij maken het / woord stof. / Het stof dat onze botten // naar buiten brengen / spelt al, / vormt al haast ons.’
Alles in Haft tendeert dus naar de waarheid dat ‘nee’ wordt weersproken en ‘ja’ wordt gewezen. Het is een onvoorwaardelijke keuze voor de levende eenheid van geest en natuur, waarin geen plaats is voor een in wezen dor en somber materialisme. Wat geleefd wordt en als zodanig wordt aanvaard, bestaat.

Uit de speelse tai chi-verzen die hierop volgen spreekt een haast mystieke bestaanservaring, waarin de dichter zich even vast wil positioneren als vrij wil zijn. Als hij zijn houdingen oefent, verzucht hij: ‘Leer mij dan / mijn voeten voegen naar dit gras / tot ook ik wortel, / brandend in de zon nog / sta, even, mijn / paar keer nog niet val.’ Een vaste buigzaamheid, meer is hem niet gegeven, want de ultieme bevrijding zoals een opstijgende vogel die ervaart, kan niet geleerd worden: ‘Vogel dat doe ik je / nu niet na, mijn bot komt nog / niet los uit eerder. / Wij krijgen hier // geleraard alles: houdingen, / standen, vormen alle. / Behalve verlaten. / Niemand hier // die dat benoemen zal. Niemand die bij vaderen / kan afzien wat ook vaderen / niet konden, niet // hier nog deden.’

De bundel sluit af met drie brieven aan de evangelist Johannes. De gedichten cirkelen rond Johannes 13:23 en de ik-figuur erin is de discipel die geloven wil ‘Ooit zal het vlees weer / woord worden – waar / of bewaard om het even’. In het laatste gedicht is sprake van een merel die een dode tak in de bek meevoert en zo als het ware zelf zwijgend door de dood wordt meegevoerd:’Stil bevracht // brengt zij wat zij hier niet / af kan kreten, / houdt dat in de bek al // omgebogen dood / zwijgsel. Wat zwak / tegen de hemel kraste, // […] // laat haar niet meer af. / Zo moet zij mee en zal, / […] // waar de bek het laatst, wijdst openvalt.’

Het is precies het effect dat deze magistrale bundel bewerkstelligt: de lezer blijft voor de zanger die Haft is met open mond van bewondering achter. ‘Liever licht dan woorden over licht’ schreef Haft in het eerste gedicht. We zouden zijn woorden toch niet graag willen missen.


********
Lloyd Haft (1946), geboren Amerikaan maar al veertig jaar Nederlander, studeerde sociologie en linguïstiek aan de Harvard University in Massachusetts. In 1968 vestigde hij zich in Nederland en studeerde in Leiden Chinese taal- en letterkunde. In 1981 promoveerde hij op een proefschrift over de Chinese dichter Bian Zhilin.
In 1982 debuteerde Haft met de bundel Ikonen bij daglicht. Daarna verschenen: Brandende lisdodden (1984), Slakkehuis en andere korte gedichten (1985), Wijl wij dansen (1987), Atlantis (1993), bekroond met de Jan Campertprijs in 1994, Anthropos (1996), Ken u in mijn klacht (1998), De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (2003) bekroond met de Ida Gerhardtprijs in 2004 en Formosa (2005). Zijn uit het Chinees vertaalde gedichten publiceerde hij in de bloemlezingen Tweesprong (1983) en Een onafzienbaar ogenblik (1990). Van de Amerikaanse dichter Hart Crane stelde hij een in het Nederlands vertaalde bloemlezing gedichten samen onder de titel Gefluisterd licht (1996).


Recensie van Zwarte gaten - Hans Verhagen

De poëzie van een hypomaan

Hans Verhagen
Zwarte gaten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar
2008
ISBN 9789038890609
€ 16,90
64 blz.
Soms word je bij een nieuwe bundel niet alleen verrast door de poëzie die erin staat:

‘Verhagen zet de wereld in lichterlaaie.’
(Maria Barnas in De Groene Amsterdammer)

‘Om deze toverachtige macht gaat het in de kunst.’
(Hans Sleutelaar)

‘Verhagen […] wiens imposante aanwezigheid je willoos meesleurt in zijn krankzinnige wereld.’
(Piet Gerbrandy in de Volkskrant)

‘IJzingwekkend volmaakt portret van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw.’
(Ilja Leonard Pfeijffer in NRC Handelsblad)

‘Net als Willem Kloos, Marsman en Lucebert (toe maar!) is de dichter Hans Verhagen bij leven al een legende.’
(Jaap Goedegebuure in Eindhovens Dagblad)

‘Als er gevaarlijke poëzie zou bestaan (bestaat die dan niet?), zou het die van Hans Verhagen zijn.’
(Bertram Mourits in de Poëziekrant)

Deze citaten staan achterop ‘Zwarte gaten’, de nieuwe bundel van Hans Verhagen. De cursief afgedrukte teksten zijn toevoegingen van mezelf.
Als een flaptekst nieuwsgierig moet maken doen deze teksten zeker hun werk: wie zou zulke poëzie, ‘die de wereld in lichterlaaie zet’ niet willen lezen? Natuurlijk zijn de woorden uit hun verband gerukt; ik weet niet welke ‘toverachtige macht in de kunst’ precies bedoeld wordt, maar, jeetje, dat moet toch na te voelen zijn! Wat een teleurstelling dan bij het lezen van het eerste gedicht:

‘Grenspost’

Flarden in visioen gedrenkte wolk reizen in cyclonen rond
Rothonden vermaken zich met zielen in hun kaken malen
Uit het holst van het moeras wellen ongenaakbare vocalen
Dat vervloekte ritme altijd van gerammel & geknor van lege magen

Bij de laatste grenspost (waar ze wisten dat ze onbestaanbaar waren)
staat de felbegeerde oud-gereformeerde Nazidame zich te schroeien
aan de roodroodgloeiende novembermist; pooiers op trompet,
zwijgend groepsportret van singer-songwriters op bloesems en frambozen,
pose met een supersonisch voetbalmeisje in een elfmans-opklapbed

Ze zeiden dat het eigenlijk m’n moeder was
Ze spraken voetstoots af dat ze m’n dochter was
Jullie namen alles aan wat stom en jong en grijs en krom was
O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,
al die overrijpe snoevers en vooral die niet te missen
show van honger en vergelding voor de ramen
De vermissing lijkt vooral op de bevrijding uit een ander ongewisse

Vermakelijk, wat er allemaal gebeurt bij deze grenspost van de bundel, die meteen ook over die andere grenspost blijkt te gaan: de dood. Verhagen laat wel zien dat hij kan goochelen met woorden. Dáár kan het niet aan liggen. Aan flamboyante beelden van ontluistering in met name de tweede strofe geen gebrek. En hoeveel oren zijn er bijvoorbeeld niet verwerkt in die zin ‘O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,’ (met alle bijkomende associaties: motoren, als mot-oren, oren waar de mot in zit)!
Vermakelijk, inderdaad, maar ik weet niet of dat nu ‘de toverachtige macht’ is waar het in de kunst om gaat. Ik mis iets. Het gedicht laat zich naar mijn gevoel ondanks alle roodroodgloeiende novembermist toch te klaar in één keer lezen: het is te plat, te expliciet. En in die laatste, concluderende zin is de boodschap dat het leven al net zo’n zwart gat kan zijn als de dood wel erg direct-eenduidig opgeschreven. Nee, voor ik de zoveelste veer in iemands achterste steek, moet er meer gebeuren. Ach, een grenspost is er om voorbij te gaan:

‘Storm’

Als hoofddeksels op windkracht 8, vergeten serieus te nemen,
zag ik alles wat ik tot op heden heb gedacht
& iedereen gehavend die ik liefhad
mij ontvliegen in de storm over de Oostenburgergracht

Ik die nog geen in de modder weggezakte bezemkast bezat
had knikkers en een kogelgat en poeders meegebracht
om ons overeind te houden zonder overlast
tijdens windkracht 9

Honderden der onzen raakten maximaal geminimaliseerd
door wat ontbrak – geen tuinen in de tuinsteden,
geen criminelen in de schurkenstraten,
allemaal ontslagen van de plicht te moeten delen

De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering
uit de constellatie teruggetrokken, voor het laatst gezien
in zwarte gaten, contemplerend substantiële decimering
De achterblijvers vlogen ons vooruit op windkracht 13

 

Bij zoveel verbaal geweld zou je haast vergeten waar het in de poëzie om gaat. Leuk natuurlijk: ‘maximaal geminimaliseerd’ en ‘schurkenstraten’, die aan schurkenstaten doen denken, maar toch: typisch een storm in een glas water, dit gedicht. De ironie gaat hier ten koste van de emotie, die de dichter heeft ‘vergeten’ serieus te nemen. Eigenlijk werkt het net als met aandelen: goeie poëzie wil toch eerst en vooreerst serieus genomen worden, anders krijgt ze het vertrouwen van de lezer niet en daalt haar waarde.
Doet deze poëzie dan toch iets gevaarlijks? Inderdaad, maar niet op de manier die Bertram Mourits bedoelt, vrees ik. Verhagen lijkt een beetje op Jim Carrey in de film ‘The Mask’, die van een ballonnetje een mitrailleur maakt. In de film blijkt die mitrailleur dan ook nog echt te kunnen schieten. Maar in dit gedicht ontbreekt helaas de lading die nodig is om het gevoel echt te raken.
Beter vind ik het volgende gedeelte uit ‘aards bestaan’:

Omdat we in de grote droogte dreigden te vergaan
klommen we van lager wal naar grote hoogten
waarvandaan we niets dan water zagen, en de vraag rees
wie of waar de waterdragers waren –
we droomden dat we rode neuzen oogstten
en ijskoud water distilleerden uit de oceaan
en ons bij het doodgaan wisten te bevrijden door de kraan
voorgoed te laten lopen

Soberder van opzet dan de eerder geciteerde gedichten, staat hier toch meer ‘wat er niet staat’, om het maar eens op z’n Nijhoffiaans te zeggen. Mooi, die kraan in de voorlaatste regel. Kan die niet ook worden gezien als een hijskraan om ons ego op te tillen? In de dood kunnen we ons niet langer groter voordoen dan we zijn… En daarmee roert deze tekst een belangrijk thema aan bij Verhagen, die de rebelse neiging maar zelden kan onderdrukken om snoevers en dikdoenerige na-apers te kijk te zetten. Ook in het volgende gedicht, waaraan misschien de titel van de bundel is ontleend (hoewel er meer zwarte gaten in de bundel voorkomen), komt dit thema aan bod:

‘Schoonheid’

Alleen bij heldere hemel
kun je de zwarte gaten onderscheiden,
met heel het naakte bestaan erin

Moet je dat belachelijke kapseizen eens zien,
het schreeuwen van de elementen op het scherm;
de schoonheid van de ridicule dromer
die zijn leven weggooit voor één hartveroverende melodie,
hardhorend bovendien

Wie rood ziet stelt zich tevens bloot aan blauw,
de sloper bouwt;
zij die heilig geloven in de tijd zullen spoedig sterven

Wie onbekommerd in de zwarte gaten stapt
zal zich een heldere hemel verwerven


Niet helemaal origineel, deze tekst waarin tegendelen elkaar zichtbaar maken. ‘De sloper bouwt’ is wel een leuke vondst, maar ik heb dat al eens ergens eerder gelezen (wie weet waar mag het zeggen). Verhagens’ boodschap is duidelijk: wie zich durft te laten zien zoals hij is komt goed terecht. Hij ageert dan ook tegen iedereen die deze boodschap negeert:

Niets liever willen kinderen dan stiekem liefdevol hebzuchtig
de steunzolen heel even aanraken
van de zwetsers die de tover uit de monitoren slopen
en vervangen door hun slaapverwekkend pretaanjagend na-apen

Lekkende gletsjers, de memmen staan op springen
Door een laatste reusachtige klauw boven water gestoten
is een hoek nog zichtbaar van een voetstuk
vol elkaar verdringende, in het trappenhuis uitglijende idioten

Stiekem heulend met de kinderen voel je als lezer die leedvermaak opwekkende laatste regel haast al aankomen. En en passant wordt ook nog even een stukje milieuproblematiek meegenomen! Ja, misschien heeft Ilja Leonard Pfeijffer toch gelijk wanneer hij zegt dat deze poëzie een portret geeft van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw. Of het een volmaakt portret is weet ik niet, maar Verhagen lijkt als een ware nar de draak te steken met een voor ons tijdsgewricht typisch soort hypocriet gedrag.
Maar is dat gedrag wel kenmerkend voor onze tijd? Mensen hebben zich immers altijd anders voorgedaan dan ze waren, en de machthebbers van vroeger waren niet minder hypocriet dan die van nu. Vroeger waren er koningen en keizers en als ik ene meneer Shakespeare mag geloven werden die belachelijk gemaakt door hun hofnarren. Nu zijn er bijna geen koningen meer met echte macht, maar het lijkt erop dat de rol van de narren nog lang niet is uitgespeeld. Verhagens’ gedichten kunnen mijns inziens heel goed als de monologen van een moderne nar worden opgevat, die zich niet richt tegen een koning, maar tegen de hypocrisie van een gevestigde orde, waarvan hij zelf tenslotte ook deel uitmaakt.

Narren, clowns, jokers, of hoe men ze ook wil noemen, hebben vaak iets triests. Iets dat verborgen blijft achter de schmink op hun gezicht en hun extravagante manier van doen. Ze zijn niet beter (af) dan wie ze plagerig een spiegel voorzetten, ze kunnen het misschien alleen beter verbergen: hun eenzaamheid, hun liefde… ‘Hij was maar een clown, en nu is hij dood’, ging het niet zo? De bekende Januskop komt in beeld; de clown die lacht van buiten en huilt van binnen. Ook bij Verhagen valt een binnenkant te ontdekken:

Die ochtend was zij doodgewoon van huis gegaan
in een metallieke limousine met een rozenkrans van schedels
en trompetten stekend uit edele delen, om ze te bedekken tevens;
en ’s avonds was zij nog niet thuis

Ik heb die nacht in onze gemeenschappelijke stilte rondgewaard
maar ditmaal bleef zij zwijgen
Ze was er wel, ze was zelfs overal
maar ik ben niet meer met haar aan de praat geraakt

Ik kon haar zelfs niet aan het lachen krijgen

Kenmerkend voor een clown, die laatste regel. En zonder nu gelijk te willen beweren dat liefdesverdriet bij Verhagen altijd de beste poëzie oplevert (ondanks die ‘gemeenschappelijke stilte’: een schitterende vondst!), vind ik dat Verhagen hier een opvallend serieuze toon aanslaat. Alsof hij zichzelf in dit gedicht (en enkele andere waarin sprake is van een ‘gestorven geliefde’) meer blootgeeft dan elders. De clowneske laatste regel is al haast een vlucht uit de ernst van het voorafgaande: ‘noodtrappen naar het morgenlicht’, zoals een andere dichter het noemde. Maar meestal lijkt het of Verhagen niet serieus genomen wíl worden… Of toch?

‘o happy maan!’

Lag ik uit de duisternis te koekeloeren in het licht
zag ik haar met franse lichtmatroosjes meegaan,
terwijl ze me passeerde noemde ze m’n naam en lachte
en zei zachtjes ‘Tot strakjes’

Korte opwaartse & voorstoots schokkende impulsen
namen namens haar bezit van mijn lichaam
Ik voelde hoe ik zwol in haar gedachten

Vandaar dat ik niet zomaar weg kon gaan
Ik had haar hervonden
en al moest ik in een kogelregen op haar wachten,
ik wilde haar een klinkend welkom thuis bereiden
Om te slapen was ik toch te opgewonden

Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan
O happy maan! Maar
thuis kwamen we geen van beiden

Is dit een zelfportret, dit gedicht, waarin de dichter een vrouw nodig lijkt te hebben om zichzelf te kunnen bevestigen? ‘Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan’. Nee, allicht niet, want dan slinkt alles wat ‘zwol in haar gedachten’ als een leeglopend ballonnetje tot zijn ware proporties terug en valt hij door de mand. ‘Thuis kwamen we geen van beiden’, zegt de dichter er nog fijntjes bij. Hoe moet dat ‘kwamen’ worden opgevat? Zijn de dichter en zijn geliefde letterlijk nooit thuisgekomen (wat ook nog zoiets kan betekenen dat de dichter nooit ‘bij zichzelf’ is gekomen, lees: nooit zichzelf is geworden) of gaat het om een seksuele connotatie? Ik denk vooral het laatste.
Verhagen is en blijft vermakelijk zoals een circusclown vermakelijk is, een hyper ‘hype’ gevoelige hypomaan, die als de Joker uit een vroegere Batmanfilm, zijn pistool trekkend liefst een kanon tevoorschijn haalt. Alles moet theatraal, moet klinkend en opgewonden zijn. En dat verdraagt zich niet zo best met dat thuis-zijn, die toestand van tevreden rust waarin iemand – helemaal zichzelf – niet langer hoeft te doen alsof, en naar geen hoogtepunt (meer) hoeft te streven. Men moet hem niet te langzaam lezen: deze goochelaar en hyperpipo, want hij lijkt wel bang voor stilstand, bang dat dan zijn trucjes niet meer werken en het uitkomt: zijn schromeloze overdrijving, het flinterdunne van zijn plotjes, en dat alles uiteindelijk enkel maar een storm in een glas water is; alle sapperdeflapteksten ten spijt.
Recensie van Nieuwe sterrenbeelden - Peter Verhelst

Verstrikt in het kruisvuur

Peter Verhelst
Nieuwe sterrenbeelden
Uitgever: Prometheus / Bert Bakker , ,Prometheus / Bert Bakker ,Prometheus / Bert Bakker
2008
ISBN 9789044611465
€ 22,95
128 blz.
Na het in 1996 verschenen Verhemelte had het afgelopen moeten zijn met Peter Verhelsts dichterscarrière. Althans, zo dacht hij er toen over: Verhelst kondigde in literair tijdschrift De Revisor aan geen dichtbundels meer te zullen publiceren. Dat je niet uit vrije keuze dichter bent blijkt uit het feit dat de dichtbundels bleven komen. In 1997 kwam Verrukkingen uit en in 2003 Alaska. En nu, vijf jaar later, is er Nieuwe sterrenbeelden, een dik boek vol typische Verhelst-poëzie: complexe gedichten dus.

De bundel zelf is natuurlijk ook weer ingewikkeld gestructureerd. Vijf reeksen zijn er in te vinden met daartussen een aantal losse, veelal meerdelige, gedichten. Ook in de reeksen zijn meerdelige gedichten te vinden zodat een geneste structuur ontstaat. Bovendien worden bepaalde titels steeds weer hergebruikt waardoor ieder gedicht in Nieuwe sterrenbeelden wel op een of andere manier met ieder ander gedicht in verband gebracht kan worden. En dat terwijl de gedichten zelf meestal bestaan uit losse beelden waarbij nauwelijks context wordt gegeven.
Een heel karwei dus, het lezen van de 120 pagina’s poëzie in Nieuwe sterrenbeelden. Niet alleen wordt de lezer continu aan het denken gezet over de relaties tussen de gedichten en de hoofdpersonen ervan, er is ook telkens de martelende onzekerheid of je nou in de maling genomen wordt of niet. Want deze poëzie zit gevaarlijk dicht bij vaagdoenerij, zoals in ‘Getijgerde muur’, een fragment:

Kleine dingen bewegen over het ding, vlekken die we zien
als we dagenlang niet hebben kunnen slapen – of is de tijger ons
uit het vel aan het springen? Hoe we het ook draaien of keren,
het is en blijft een ding, het blijft ons vreemd
te moede, we noemen het een muur en laten ons hoofd ertegen
rusten, al dan niet met volle kracht. En zien we na het beuken
ons persoonlijk sterrenbeeld achter de oogleden
wegdrijven? Hoogstens wil hij een virale vlek zijn,
de eenzame soepele gestalte van de tijger. Bijna
uitgestorven. Het gevoel dat we uiteindelijk niets anders zijn geweest dan
bijvoorbeeld een rare peulvrucht.

Wat moet een mens hiermee? Knap geschreven is het, omdat het twee dingen met elkaar verbindt die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben en dan ook nog iets lijkt te zeggen over onze menselijke toestand. Heel knap geschreven. Maar bij herlezing blijkt er ook een hoop onzin in te staan, zoals de regels: ‘Of droomt de muur ‘s nachts onze wonden / tevoorschijn als we zelf niet meer uit de ogen kunnen kijken? / Of willen we dat alleen maar om eindelijk nog iets te kunnen willen?’ Daarvan kan ruim de helft weg, zou je zeggen. En zo zijn er meer, veel meer. ‘Als iemand de deur ooit opent / vliegen duizenden flamingo’s uit een meer op. // Weldra zal de roze wolk de stad bereiken’ (Uit: ‘Muur na muur’). De woordspeling is aardig, maar gratuit en in de context van het gedicht zijn de flamingo’s moeilijk te plaatsen.
Verhelst laat in Nieuwe sterrenbeelden niet alleen een tijger en een muur in elkaar overlopen, maar kan het ook met een berg en een walvis. Vaak lopen er zoveel dingen in elkaar over dat je er duizelig van wordt. Duizelig word je ook van de enorme hoeveelheid beelden waar Verhelst zijn lezer mee bombardeert. Niet alleen flamingo’s maar ook auto-ongelukken, oorlog, anatomie, platte erotiek (steeds maar weer die ‘twee tepels’) en natuurbeelden. Wat ze willen zeggen blijft onduidelijk.

Deze bundel is teveel van het goede, dat is zeker. Ook loopt Verhelst in zijn liefdesgedichten gevaarlijk dicht langs de afgrond van de kitsch terwijl de erotiek misplaatst aandoet. En, belangrijker nog: het is volslagen onduidelijk wat al dit beeldgeweld, al dit alles-met-alles verbinden ons nu eigenlijk zou moeten vertellen.
‘Verslag van acht weken worstelen met Peter Verhelst’, noemde de recensent van Humo zijn stuk over Nieuwe Sterrenbeelden en hij voelde zich in week acht ‘Moe. Nerveus. Lens.’ Na een maand van dezelfde worsteling begin ik te begrijpen wat hij bedoelt. Het probleem is dat je diep van binnen weet en voelt dat een dichter van het niveau van Verhelst niets zomaar doet. Er wordt iets verteld, er hoort een verhaal bij de beelden en de verbanden hebben een logica. Je komt er niet achter hoe het precies zit maar dat gevoel is wel de reden dat je deze bundel, iedere keer als je hem hebt weggesmeten, weer gaat oprapen en verder leest.
In het licht van Verhelsts pogingen te ‘stoppen’ met dichten zijn deze gedichten ook te zien als een gevecht van de dichter met de poëzie zelf. De clichés, het teveel aan woorden, de vaagdoenerij, ze wijzen er allemaal op dat hier een soort anti-poëzie beoefend wordt. Dat Verhelst heel goed expres-slecht schrijft en dat deze poëzie over de poëzie gaat, wordt op een aantal plaatsen gesuggereerd. Zoals in ‘De ijsvogel vliegt op als zijn moment is gekomen’:

een beeld valt net zo min samen met de werkelijkheid
als de ijsvogel met het meer waar hij over vliegt. Hij brengt het meer
enkel aan het denken en brengt zo tot stand waar het allemaal om begon:
een gedachte van vlees en botten en veren, een lichtspoor. Een zucht van wat
men vroeger god scheen te noemen –

En het laatste gedicht van de bundel zou kunnen worden opgevat als een gedicht over de onmacht van de poëzie en het tot falen gedoemd zijn van de dichter:

Life on Mars

Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart

was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij

was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren

Het gaat hier over de dichter en zijn strijd met de poëzie. We zijn getuigen van de oorlog in het hoofd van Verhelst. Wat het ook is dat deze gedichten zouden moeten vertellen of nalaten te vertellen, het maakt niet uit. Het is collateral damage. En de lezer raakt nietsvermoedend verstrikt in het kruisvuur.

*****

Peter Verhelst (Brugge, 1962) schrijft proza, poëzie en theater. Hij debuteerde als dichter in 1987 met Obsidiaan, waarvoor hij drie literaire prijzen kreeg. Inmiddels heeft hij een tiental dichtbundels, acht prozaboeken en een lange lijst toneelstukken op zijn naam. Zijn bekendste roman is Tongkat (1999), dat hem onder andere de Gouden Uil en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs opleverde.