Recensie van Stormlicht - Jan Vanriet

Eeuwig gevoel, aards gewoel

Jan Vanriet
Stormlicht
Uitgever: Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569758
€ 16,95
80 blz.

Jan Vanriet, van wie eerder bij Manteau onder andere Vast Tapijt uitkwam en die in Revolver met enige regelmaat verraste met een enkel los gedicht, publiceerde onlangs bij Wagner & Van Santen Stormlicht, een bundel die niet alleen treft door de voorbeeldige boekverzorging, maar vooral door zijn zeer genietbare inhoud.
Vanriet gaf de bundel een aan T.S. Eliot ontleend betekenisvol motto mee: ‘Only through time time is conquered.’ Het is de slotregel van ‘Burnt Norton’, het eerste deel van Eliots beroemde Four Quartets, zijn indrukwekkende meditatie over de verhouding tussen tijd en eeuwigheid die begint met de regels ‘Time present and time past/ Are both present in time future,/ And time future contained in time past./ If all time is eternally present/ All time is unredeemable.’ Tijd is niet terug te winnen, niet ongedaan te maken, nooit te ‘verlossen’, altijd aan zichzelf gebonden. Vandaar misschien dat Jan Vanriet de bundel opent met een zelfportret waarin hij de veranderlijkheid, de uitgestrektheid van heden, verleden en toekomst van het eigen leven vangt in één vaststaand panoramisch beeld:

Zelfportret als park

Ik heb gebladerte, stam vanbinnen
Iemand kerft een rusteloos hart,
het jaartal van hamsteren en koude oorlog

Ik ben een romantische brug van gestorven beton,
mijn ijzers roesten zonder schroom,
mijn huid schilfert en maakt rimpels
in het water, boven vette broodkarpers

Ik leg mij neer als schaduw
van een oude bank,
krakend onder ongeduld
en vroege liefde

Stormlicht telt 47 gedichten, verdeeld in vijf genummerde afdelingen. De eerste is met twintig gedichten verreweg de grootste en ook de meest heterogene, al is er wel een constante in aan te wijzen, namelijk de positionering van de mens (en bij verbijzondering die van de ik) in en tegenover het leven in al zijn kleinheid en grootheid. Er is een sterk existentiële basis, waarin gevoelens van eenzaamheid en vervreemdheid domineren. ‘Als een vreemde klop ik aan,/ als een vreemde keer ik weer,’ heet het in het tweede gedicht, waarin verder de hemel ‘als grijs stof’ voorbijwaait, gordijnen en deuren (definitief?) dichtgaan en als conclusie slechts rest: ‘Zoveel stilte/ Zoveel verspilde moeite’. Zowel de taal als het levensgevoel dat erin tot uiting komt, ademt hier iets van het werk van Andreus, van Warmond, van Elburg zelfs. Alsof je gedichten leest die zo uit een bloemlezing van Paul Rodenko hadden kunnen komen – wel geschreven met een nieuwe griffel, maar op dezelfde lei. Voor het volgende, waarin ook Prediker niet ver weg is, geldt dat ook:

Balans

Alles spiegelt in de mens –
landschappen, steden, kamers

Wij dragen het merk
van wie ons verliet

In onze handen
de schaduw van een hoofd

een mok vol lucht

Vanriet neigt sterk naar het schrijven van aforistische regels: ‘om te klimmen/ moet je dalen’, ‘Niet het doel,/ maar de weg’, ‘de tijd eet zijn kinderen op’, ‘Ondanks de houtworm/ knettert het vuur’. Aardig gezegd allemaal, maar ze bewijzen zijn dichterschap minder dienst dan een beeld als ‘de zon kerft in de koude lucht,/ als in een doek van Newman’. En dat dan gezegd van een man en een vrouw die ‘de late winter’ tegemoet rijden, waardoor dat snijdende beeld op een paar niveaus tegelijk functioneert.

Hoe Vanriet zich meent te verhouden tot de wereld lijkt mooi te worden gesuggereerd in ‘Giordano Bruno’. ‘Er is het geblaat / van een oude man,/ een scheet/ in het heelal’, schrijft hij en dat zal net zoveel betrekking hebben op de precies vierhonderd jaar voor hem geboren wetenschapper en magiër die wegens zijn ketterse denkbeelden op de brandstapel eindigde, als op hemzelf. Waar Bruno onder andere beweerde dat Christus slechts een schijnbare lichamelijkheid bezat, ontdoet Vanriet hem in het aansluitende gedicht ‘Ondergrond’ van alle goddelijkheid: ‘Ineens liep het meer leeg/ en vissen kropen/ vanonder het strand// […] ‘Over de rimpels/ van golven,/ tussen karkassen/ van de koopvaardij,/ wandelt een verlosser, eenzaam/ en mistroostig’. Het gedicht eindigt met ‘Verwacht van niemand een antwoord/ want het antwoord is niet nuttig’. Het zou kunnen dat Vanriet hier contact legt met Kopland, die in ‘Al die mooie beloften’ (Dit uitzicht, 1982) ook een Christusfiguur schetst en besluit met ‘[…] hij moet hebben geweten/ wat er zou gaan gebeuren./ Ik heb geen antwoord.’ Het is de vraag wat erger is: ten aanzien van metafysische zingeving weten met volstrekt lege handen te staan, of het besef te hebben dat het antwoord (maar welk dan?) wel voorhanden, maar ongewenst is.
De eerste afdeling bevat verder een aantal beschrijvende gedichten waarin Vanriet zich overduidelijk de schilder toont die hij is, zoals in deze landschapsevocatie:

Monieux, Provence

Het landschap kruimelt
als oud brood

Er vlammen rode sterren
en kometen op de gevels,
sjablonen uit het bloed van de os,
de os van het magere dorp
dat als een kei
uit de hemel viel

In de twee volgende afdelingen wordt de bundel eigenlijk alleen nog maar sterker. Als eerste volgen nu elf gedichten rond de dood, vaak direct op een overledene geschreven, zoals het beeldrijke ‘Raaf’ voor Eddy van Vliet: ‘Treed binnen, kijk/ naar het tipper tape van de wilgen,/ hoe hun vingers krassen in die grijze huid/ van water en lucht’. In ‘Abendständchen’ domineert niet alleen de berusting in de onveranderlijkheid: ‘Duizend vormen kent de dood,/ slechts in één gedaante/ toont zich de natuur//’ maar ook ‘o slaap, wat wil je/ eeuwig gevoel, aards gewoel?’ dat het leven een kwestie moet zijn – alleen maar kán zijn – van het hier en nu.

De derde afdeling is in haar geheel schilderkunstig, met onder andere naar de prerafaëlieten verwijzende Opheliagedichten en een gedicht over de vroege renaissancist Pisanello. De gedichten naar aanleiding van Francis Bacon doen de rauwe, confronterende indringdheid van het werk van deze kunstenaar volledig recht: ‘[…] Lik mijn reet, vraagt de ene man/ Pijp me, eist de ander// […] Ik ben die ander,/ de houtvester die fluitend/ naar de stormlucht stapt,// of de prelaat, verankerd/ aan zijn tragische troon// De kanker vreet mijn kaken/ Ik blaas bellen’.

In de kleine vierde afdeling laat Vanriet het duidelijkst de wereld toe en toont hij zich met gedichten over ‘Kaboel’, ‘Bucarest’ en de ‘Bundesrepublik’ van zijn maatschappelijk geëngageerde kant. Ze detoneren niet, maar vormen, een beetje inherent aan het genre, ook niet het overtuigendste deel van de bundel.
De vijfde en laatste afdeling bevat de reflectie op een (voorbije?) relatie, ‘Iets van een schijngevecht’, ‘Herinneringen aan verdwalen,/ aan niet meer verdwalen,/ aan nooit meer’. ‘Licht weegt ons afscheid,/ zo ook de schijn’. Het zijn mooie, lyrische gedichten, die een opvallend andere toon hebben.

Jan Vanriet schijnt vanwege de vele disciplines waarin hij actief is in eigen land niet altijd op waarde geschat te worden. Laat Nederland hem dan tenminste als dichter omarmen.

********

Jan Vanriet (1948) werd na zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Antwerpen al snel een bekend kunstenaar met exposities over de gehele wereld. Opvallend is zijn veelzijdigheid. (Stefan Hertmans noemde hem een op hoog toerental draaiende kunstmachine.) Naast zijn vrije schilderwerk houdt hij zich bezig met het ontwerpen van toneeldecors, maakt hij muurschilderingen en ontwerpt hij affiches en boekomslagen (onder andere van het literaire tijdschrift Revolver). Hij is nauw bij de literaire wereld betrokken. Zo was hij nauw betrokken bij boekuitgaven van Fernand Auwera, Benno Barnard, Nic van Bruggen, Bernard Dewulf, Cees Nooteboom en Hugo Claus en deze laatste schreef op zijn beurt gedichten bij etsen van Vanriet, gepubliceerd in het boek De aap in Efese.
Freddy de Vree schreef over hem de monografie Jan Vanriet 1984-1986 (Lannoo 1996) en recent verscheen van Marc Ruyters Jan Vanriet – Schilderijen. Parcours 1966-2008 (Snoeck Editions, 2008).
Zie voor een overzicht van zijn werk www.janvanriet.com

Recensie van Een effectieve methode voor totale onverstaanbaarheid - Maarten Gulden en Willem Adelaar

Het is nooit werkelijk simpel

Maarten Gulden en Willem Adelaar
Een effectieve methode voor totale onverstaanbaarheid
Uitgever: Waterstof
2008
ISBN 9789079777013
€ 14,95
50 blz.

Voordat ik iets ga zeggen over Een effectieve methode voor totale onverstaanbaarheid van Maarten Gulden en Willem Adelaar moet u het volgende weten: vanaf ergens eind jaren tachtig tot begin jaren negentig van de vorige eeuw zaten Maarten Gulden en ik op het Stedelijk Gymnasium van Breda bij elkaar in de klas. Toen ik oneindig veel jaren later aansluiting vond bij Meander bleek hij daar al een tijdje te zitten en nu zijn we al zo’n drie jaar Meander-collega’s. Mijn mening over Een effectieve methode voor totale onverstaanbaarheid kunt u dus als enigszins gekleurd beschouwen. Gelukkig hoef ik de waarheid geen geweld aan te doen om Maarten te vriend te houden en niets rottigs over deze bundel te zeggen.

Dichters staan wel eens meer samen in bundels, maar dan is er altijd wel duidelijk welk gedicht van wie is. Het ego van de dichter is immers onlosmakelijk verbonden met het gedicht, lijkt het. Deze bundel is, voor zover je als lezer kunt nagaan, een echte co-productie en dat is vrij uniek. Het levert soms ook vragen op. Zo kom je er achter dat je, alle literatuurlessen ten spijt, gewend bent je bij het lyrisch ‘ik’ in een gedicht de dichter voor te stellen. Met twee dichters is dat lastig. Je verwacht dan eigenlijk dat er ‘wij’ zou staan, maar waarom eigenlijk?

Dit soort vragen past goed bij deze bundel, die voornamelijk over het schrijven zelf lijkt te gaan. De dichters gaan, door passie en plezier gedreven, aan de gang met taal en ze weten uit ervaring dat er een grote kans is dat ze niet of verkeerd begrepen worden. Dat ze toch met alle geweld met hun lezers willen communiceren is dus inderdaad een effectieve methode om totaal onverstaanbaar te zijn.

Stylistisch kenmerken deze gedichten zich door hun bijna minimalistische eenvoud. Het klankspel is belangrijk voor Gulden en Adelaar, zoals in ‘De visser’:

De visser

De visser graaft naar vis
in de diepte van de plas
plant hij zijn spade

zie hem waden in
het donker van de vis
die er alsmaar niet is

zich niet laat zien of horen
en als een vis in het water is
 

Dit gedicht is van een ontwapenend, bijna kinderlijk simplisme. Het ligt overigens voor de hand in de visser een metafoor voor de dichter te zien.
Grafisch is er af en toe een grap uitgehaald met een gedicht. De regels van ‘Perslucht’ bijvoorbeeld krullen omhoog en omlaag over de pagina. Ik heb er niet zoveel mee maar gelukkig blijkt het gedicht het ook niet echt nodig te hebben. Alliteraties en woordspelingen maken er een fris geheel van (ik neem de vrijheid om de regels even recht te zetten):

Perslucht

sluit je ogen en adem
in en onder water lijkt
je lichaam lichter maar
springen is onmogelijk
wel stijgen naar licht
of dalen met perslucht
steeds dieper naar het donker waar onder druk
geluid enkel beweging is
 

Mindere gedichten zijn er ook, dat kan bijna niet anders bij zo’n ‘naakte’ aanpak van de poëzie. Af en toe komen Gulden en Adelaar aan de verkeerde kant terecht van de dunne lijn tussen simplisme en cliché. Zo staat er in ‘Space Mountain 3’: ‘ik val nu oneindig / gewichtloos / door de tijd’ en is er het gedicht ‘Zonder woorden’ dat begint met ‘tak // ik weet / geen ander woord / om mee te beginnen’.
Maar daartegenover staan dan weer regels als ‘een hond uit honderden’, ‘De brug houdt ons teder in zijn grote hand’ en ‘puin op tafel tot steen vergeten’. Stuk voor stuk zou je ze bedacht willen hebben.

‘Iets werkelijk simpels delen’, zo heet een van de delen van deze bundel. En daar is het Gulden en Adelaar om te doen. Een observatie, een woordgeintje, een moment van gevoel. Iets delen waar ze zelf een gevoel bij hebben. En het meeste gevoel hebben ze bij de poëzie zelf. Dat is het paradoxale van deze bundel: voor het delen van iets werkelijk simpels is poëtische taal per definitie te ingewikkeld en als de poëzie dan ook nog over poëzie gaat kun je het niet echt meer simpel noemen. Nee, je kunt het dan beter Een effectieve methode voor totale onverstaanbaarheid noemen. Want het is juist deze paradox waar de heren ontzettend veel pret in lijken te hebben. En in hun gedichten doen ze hun best dat plezier op de lezer over te dragen. Het is een soort van poëzie waar je soms van kan denken dat hij is uitgestorven omdat de combinatie van onschuld en attitude die je nodig hebt om er mee weg te komen onder gevestigde dichters zeldzaam is. Het enthousiasme waarmee deze twee dichters terug naar de basis gaan is bewonderenswaardig. Of ze in deze bundel, zoals de achterflap graag wil, de ‘wortels van de taal’ bereiken vraag ik me af. Daarvoor zijn ze te beschrijvend bezig, teveel gericht op het overbrengen van een gedachte. En dat doen ze goed.

***

Willem Adelaar (1953) debuteerde met de bundel Weerwoord bij uitgeverij Opwenteling en heeft zes dichtbundels op zijn naam staan. Maarten Gulden (1975) interviewt bekende dichters voor Meander en is een van de samenstellers van de jaarlijkse bundel van Dicht-Slam-Rap.

Recensie van noudat slapende honde - Ronelda s. Kamfer

waar ek staan

Ronelda s. Kamfer
noudat slapende honde
Uitgever: Kwela boeke
2008
ISBN 9780795702730
€ 120 Rand
48 blz.

In Zuid-Afrika en Namibië zijn er ongeveer tien miljoen Afrikaans sprekenden, van wie die taal voor zes en half miljoen tevens de moedertaal is. Hoewel dat genoeg lijkt om een taal levend te houden, hebben velen toch de indruk dat het Afrikaans onder druk staat, en misschien wel met uitsterven wordt bedreigd. Nergens is het Afrikaans namelijk de officiële standaardtaal – in Zuid-Afrika is er de concurrentie van nog tien ‘officiële’ talen – en bokst het in toenemende mate vergeefs op tegen het dominante Engels. Geen wonder dat steeds nadrukkelijker gekeken wordt naar de Nederlandse wortels en dat aansluiting bij de Nederlandse Taalunie serieus wordt overwogen. Het zou een mooi kwartet zijn: Nederland, Vlaanderen, Suriname en Zuid-Afrika. Veel groter kan de ‘Dietse’ wereld niet worden…

Iemand die zich over het voortbestaan van het Afrikaans weinig zorgen lijkt te maken is Ronelda Kamfer, die dit jaar indrukwekkend debuteerde met het helaas nogal bescheiden uitgegeven Noudat slapende honde. Tot schrik van de Afrikaanse taalpuristen gebruikt ze onbekommerd een groot aantal Engelse woorden in haar gedichten en ze doet dat met zoveel vanzelfsprekendheid, dat je hier de waarschijnlijke toekomst (en redding!) van het Afrikaans voor je ziet: een taal die haar stijfheid aflegt en zich soepel buigt naar de eisen van een natuurlijke omgangstaal. (Al zullen degenen die hier verlies inzien het vermoedelijk eerder beschouwen als een overwinning van de straat.)

Ronelda Sonnet Kamfer (Kaapstad 1981), die werkte als verpleegster, serveerster en administratrice, kan gezien worden als een ontdekking van Alfred Schaffer, die voor de met Antjie Krog samengestelde bloemlezing Nuwe stemme 3 een aantal gedichten van haar koos en haar vervolgens via Bunker Hill al eerder in Nederland introduceerde.

Criticus Joan Hambidge (zelf als dichteres redelijk succesvol) kwalificeerde de bundel als ”n vonds vir die taal’, sprak van ‘’n aangrypende debuut’ en vergeleek haar zelfs met de jonge Antjie Krog. Zo kenschetst ze de inhoud: ‘Haar gedigte breek deur alle grense. Taal, die kanon, fatsoenlikheid, noem maar op. Sy spreek alle kwinte en kwale aan: familieskap, gender, ras, politiek, dwelms, bloedskande, armoede, ver­werping, buitestanderskap, jeugervarings in Black­heath [een township], het geweld van rivaliserende jeugsbendes.’

Ronelda Kamfer geeft haar bundel twee motto’s mee. Een van Charles Bukowski over het onvermogen de wereld waar te nemen zoals zij is, en een van Derek Walcott, waarin ongetwijfeld een flink stuk identificatie zit: ‘I’m just a red nigger who love the sea,/ I had a sound colonial education,/ I have Dutch, nigger, and English in me,/ and either I’m nobody, or I’m a nation…’ Het zijn grote namen onder wier hoede zij zich hier plaatst, maar in de bundel wordt dat volledig waargemaakt.

Het openingsgedicht ‘Waar ek staan’ zorgt in zijn directheid al meteen voor een krachtig, authentiek geluid: ‘Nou sit ek om ‘n tafel/ met my voorvaders se vyande/ Ek knik en groet bedagsaam/ maar/ êrens diep binne my/ weet ek war ek staan’. Je zou gemakkelijk kunnen denken dat deze gekleurde jonge vrouw uitspreekt in de ooit door apartheid getekende samenleving toch nog altijd haar (bescheiden) plaats te kennen, maar de laatste woorden hebben natuurlijk ook een heel andere betekenis: die van een uitdagende zelfbewustheid, het overtuigd zijn van het hebben van een zuivere eigen kern.
De maatschappelijke problematiek van Zuid-Afrika komt in al haar tragiek in veel gedichten aan de orde, zoals in ‘Klein Cardo’, over een ‘mooi klong’ (kleurling jongetje), kind van een tienermoeder, dat op zijn eerste schooldag getroffen wordt door een verdwaalde kogel, slachtoffer dus van Kaaps geweld. Het heeft als omineus motto ‘They say it’s the white man I should fear, but it’s my own kind doing all the killing here.’ en zo eindigt het: ‘Cardo het by die venster uitgeloer/ die koeël het in sy keel gaan sit/ sy ma hettie gehuil nie/ die politicians het ‘n boompie geplant/ en die Kaapse Dokter het hom uitgepluk/ en gegooi waar die res/ vannie Kaap se drome lê – // oppie vlaktes’.
Het is van een verraderlijke eenvoud, omdat de gebeurtenissen zo onderkoeld en commentaarloos worden beschreven, dat op het moment dat je je realiseert wat er eigenlijk staat, de schok des te groter is.

De sociaal-realistische poëzie die Kamfer schrijft, leidt bijna automatisch tot gedichten met een sterk anekdotische inslag. In Nederland wordt over dergelijke poëzie meestal nogal schamper gedaan, maar eigenlijk geldt er maar één criterium: of de juiste woorden op de juiste plaats staan. Hier doen ze dat:

‘n gewone blou Maandagoggend

dit was ‘n gewone blou Maandagoggend
êrens het ‘n ma haar kind se lyk gaan uitken [identificeren]
ek het my gewas, tande geborstel en my bio-taak afgehandel
op die yskas was ‘n briefie van my ma
wat vra dat ek tog nie die breyani [een pikant gerecht] so sterk moet maak vanaand nie
my sussie het haar sokkies gesoek en by halfag het ek die voordeur gesluit
en die sleutel op die ou plek gaan wegsteek
by die huiswinkel het ek twee los sigarette gekoop
en in my sokkie weggesteek
op die hoek van Wildflower- en Rosestraat
het ‘n meisie saam met haar toekomstige moordenaars gejoke
in my kop het Dylan ThomasThomau
do not go gentle into that good night, rage, rage against the dying of the light
in die voorligtingsklas het my hoogswanger beste vriendin begin bloei
buite in die straat was daar ‘n paar gunshots

by eerste pouse was daar ‘n lyk in Skoolstraat
‘n miskraam in my klas
‘n uitstel op die bio-taak
en ‘n vrou wat gillend in die straat afhardloop
en vir die Here vra
"waar was Josef toe Jesus gekruisig is?"

Het is alsof er een film wordt afgespeeld die de kijker zelf regelmatig moet stilzetten of zelfs terugspoelen om zich goed te realiseren wat hier wordt getoond. Er is een werkelijkheid en een verborgen werkelijkheid, en beide blijken op een onheilspellende wijze één. Zo schrijft ze in een gedicht over een vroege Kaapse winter: ‘goeie/ mense raak raadop [ten einde raad] en/ as die eerste reën geval het/ en alles oorstroom/ sal ek onthou dat pyn vir almal diezelfde is. Het is een besef dat in de Zuid-Afrikaanse gemeenschap lang afwezig is geweest, maar ook in de huidige situatie nog al eens vergeten dreigt te worden…
Naast alle thema’s die Hambidge al aanwees is in deze bundel de erkenning van het besef te zijn wie je bent in het land waar je woont, dominant. In ‘vergewe my maar ek is Afrikaans’ positioneert ze zich tegenover de ‘Boere’, de ‘liewe ooms met creepy, lang grys baarde, lang sokkies/ en jullie wat dink kaki go wif eweryfing// […] ek was vir ‘n baie lang tyd bang vir julle/ baie bang/ […] maar ten minste kan ek julle nou sonder/ ‘n breakdown ignore/’. En dan volgt deze uitdagende strofe, die in feite een afrekening is met alles:

ek praat julle taal
ek eet julle kos
ek bly in julle vaderland
ek drink julle wyn
ek sing julle musiek
en liewe ooms, ek, ja ek, ek vry met julle seuns

Volgens Eva Gerlach begeven gedichten zich bij voorkeur naar plekken waar de woorden te kort schieten, waarmee de kern van een gedicht ‘een gat in de werkelijkheid’ wordt. Ronelda Kamfer vindt én die gaten én de woorden ervoor en maakt daarmee de ‘slapende honde’ waarvan in de titel sprake is wakker, ook in haarzelf. Zij geeft op een intelligente manier uiting aan de woede die als een olielaag op (of onder?) de Zuid-Afrikaanse samenleving ligt. En ze weet des te sterker te overtuigen, omdat zij haar geëngageerdheid zo terloops en onnadrukkelijk verwoordt, even eerlijk als laconiek. Ogenschijnlijk hard, maar in wezen gevoelig is zij een onconventionele nieuwe vrouwelijke Zuid-Afrikaanse stem om met aandacht te blijven volgen. Daartoe zou er snel een nieuwe bundel moeten komen, maar het is de vraag of Kamfer, die niet uit lijkt te zijn op een plaats in de schijnwerpers, daartoe in staat, dan wel bereid is. Het kan zomaar zo zijn dat ze haar schouders ophaalt en met heel iets anders verdergaat, en dat het genoeg voor haar was gezegd te hebben ‘elke hond wat my sy pispaal/ gemaak het/ raai wat// ek staan nog steeds’. In die slotwoorden is ze voor het eerst gewoon kwaad, en misschien is dat wel veelzeggend.

***
Noudat slapende honde is te bestellen via: http://www.kalahari.net/ (Reken inclusief verzendkosten op ± € 11,-)
Op YouTube leest Ronelda Kamfer het titelgedicht.

Recensie van zuurstofschuld - Hans Groenewegen

Narrenwijsheid van een psalmodiërende dichter

Hans Groenewegen
zuurstofschuld
Uitgever: Wereldbibliotheek
2008
ISBN 9789028422728
€ 15,90 met cd
80 blz.

Van de essayist Hans Groenewegen (1956) ben ik gewend dat hij een heldere, afgewogen schrijfstijl hanteert. Precisie, verfijnde detaillering en nuancering in taalgebruik, maar bovenal is transparantie zijn handelsmerk. Met die perceptie begon ik te lezen in zijn nieuwste bundel Zuurstofschuld (2008). Aanvankelijk raakte ik al lezend enigszins teleurgesteld, maar ook wat geïrriteerd door de gestructureerdheid van de afdelingen, de kortademigheid van zijn beeldspraak, het opsommende, wentelende karakter van de zinsbouw, de omkering van gedachten, de bezwerende herhaling, de schemerige symboliek, het soms wat al te nadrukkelijk spelen met de woorden. Het deed me te gewild, te bedacht, te geconstrueerd aan. Voor mij bleef het aanvankelijk vooral een taalspel en geen doorleefde poëzie, althans het levensgevoel dat eronder of erachter ligt, liet zich bij mij moeizaam wekken, maar bij nader inzien heb ik me gewonnen moeten geven en me laten meevoeren door zijn bezwerende taal die de verijling de baas wil blijven. Daartoe heeft de gesproken tekst op de cd veel bijgedragen.

Tegenwoordig hebben veel mensen last van slaapschuld. Ze slapen te weinig uren per nacht en raken daarvan op den duur uitgeput. Hans Groenewegen noemt zijn nieuwe dichtbundel Zuurstofschuld (2008). Het woord komt op een paar plaatsen in de bundel voor in een betekenis die wijst op het ervaren van een afnemende hoeveelheid aan zuurstof in de lucht, wat rampzalige gevolgen kan hebben voor mens en natuur, zoals uit het gedicht ‘morgen wordt het warmer’ blijkt. De bundel ademt een zeker besef van milieubewustheid.
De nar is de gids op onze leesroute. Hij wijst ons op een naderende catastrofe, zoals narren altijd gewoon waren te doen aan de hoven van koningen. Hij dient op een voor de koning aanvaardbare wijze hem onwelgevallige inzichten te verkondigen, liefst op een tragi-komische wijze, zonder zichzelf daarbij op de voorgrond te plaatsen. Het gaat immers om de koning. De nar die in vier van de vijf afdelingen als eerste wordt opgevoerd, wekt naar zichzelf toe de indruk dat hij de slaap kon ‘vatten’. Gaandeweg trekt hij zich terug in het donker en biedt aan de mensen de gelegenheid zich ‘narrig’ aan al wat leeft te hechten. De nar denkt later even een clown te zijn om naar de macht te kunnen grijpen. Bij zijn act aan de trapeze grijpt de macht hem beet en redt hem van de ondergang. Als de macht de nar met jou had willen delen, was hij echt gevallen. De nar kan niet nalaten zich uit te spreken, hoewel hij zichzelf in zijn uitspraken voortdurend ontkennen wil.

In de eerste cyclus ‘Vigiliën’ vervult de nar de rol van ‘nachtwaker’ onder de doden. In paradoxen spreekt hij zich uit over de slaap die de mensen heeft bevangen en waaruit hij hen wil wekken. In de acht nocturnes ziet het lyrisch ik de nacht vallen. Hij zuigt zijn longen vol zuurstof en daalt af in de ‘onderwereld’ van de nachtelijke slaap. We lijken verzeild geraakt in het verhaal van Orpheus met Eurydice aan zijn zijde. Zij wendt zich van af en laat hem alleen achter. Enkel een geur van seringen verraadt haar vroegere aanwezigheid. Vanaf deze ervaring bevindt de ‘ik’ zich buiten ruimte en tijd. Geen haast, geen dualiteit, het alleen zijn ervaren staat voorop. Daarna volgt er een moment van adem halen en vervolgens zich weer een afdalen in het nachtelijke avontuur, zonder te weten hoe het verder zal verlopen. Vlak voordat hij de slaap denkt te vatten, is hij zich nog heel fysiek bewust van zichzelf. De slaap accepteert hem niet. En dan is er opnieuw de ‘beschaduwende’ hand van de ‘zij’:’zij heeft tot mijn aanwezigheid besloten/ mij uit de daglichtklem verlost/ ik word op ademen heringericht//’. Hij kan naar haar reiken. In haar nachtelijke aanwezigheid kan de ‘ik’ uitzien naar de levenwekkende dag. Het is een cyclus die door zijn mythisch karakter meerdere betekenislagen herbergt. Zo leidt de slaap de ‘ik’ verder naar zijn dromen, vindt Adam in zijn ademtocht zijn Eva en vormt de dichter door zijn adem de woorden. Een gedicht als ‘morgen wordt het warmer ‘ laat zich lezen als gedicht waarin de dichter zijn verontrusting toont over de klimaatverandering die ons te wachten staat: ‘ondergaan wij de zonsondergang als terechtwijzing/ – wat we worden straf voor wat we waren -/ het maanlicht als een reiniging die te laat komt// wat ons aan lucht rest, moeten we uit klanken schrapen//’. De beelden die hij verderop in het gedicht gebruikt, doen denken aan het verhaal over de ark van Noach. Het schip dat op de berghelling blijft vastzitten op de berghelling, terwijl het water ondertussen gezakt is. Het laat zich lezen als een apocalytisch beeld van een ontluisterde aarde.

In de tweede cylcus ‘minvermogenden’ schept de nar voor de mens de ruimte om zich aan de dingen te hechten. Het eerste gedicht ‘begonnenen, een ontginning’ leest als een scheppingsverhaal over de dichter die zijn pennenmes te voorschijn haalt om zijn eigen wereld op papier te gaan creëren. De ‘psalm’ is een schreeuw om antwoord op de filosofische kernvragen: wie ben ik, waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe. Het gedicht ‘het huis van Thorbecke, brokstukken’ geeft in negen korte passages een beeld van de aangevochten rechtstructuur van het huidige Europa. Het huis van Thorbecke is te klein geworden voor het verenigd Europa waar wij ondertussen toebehoren, zoals blijkt uit de dialoog tussen de overgrootvader Thorbecke en zijn kleindochter.

In de derde cyclus ‘Welbehagen, niet behagen, saunasteno’ is er opnieuw de zoektocht naar wie de ik is: ‘motiveer je onbehagen en ik vertel je wie ik ben/’. Het is een doorlopende cyclus van tien eenheden. De ‘je’ ervaart een ‘onzuivere’ wereld om zich heen. De cursieve zingedeelten, woorden en zinstukken, vertegenwoordigen het onbehagen, de overige zinstukken het welbehagen. Cursieve gedachten met de snelheid van het vroegere stenoschrift tussen de warme woorden opgetekend. Luisterend naar de cd is het effect daarvan nog sterker dan lezend. Opnieuw een ervaring van dualiteit en ambivalentie. Ondanks de bedreigende situatie zet het lyrisch ik de ‘je’ aan tot “het ware welbehagen” zonder scrupules en overvloedig de ‘mortel uit de roemer’ te drinken. Het vergt enige moeite de ellende te vergeten over alle doden die zijn gevallen, maar het laat zich toch niet navertellen: ‘het hoofdrekenonderwijs schiet […] tekort/’. In de vijfde episode portretteert de dichter een danseres die niemand wil behagen. De ‘jij’ dient haar te koesteren en toe te dekken met zijn ogen. Een moment van dansante vergetelheid. Een plek om niet meer te verlaten. Een ethisch neutrale plek, theatraal, nu op naar het tijdperk zonder toekomst. We lijken ons te bevinden in een polderlandschap op een zeilboot: ‘ogen toegeknepen achteroverliggend op het dek/ of languit op de oever, een leeuwerik zoeken in de zon//’. Thuiskomen van de tocht kan hij de sleutel niet vinden. De boot wordt bij het woonhuis afgemeerd. Zelfs alledaagse handelingen als met bespuugde hand door het haar gaan om het mishagen weg te wrijven lijken niet toereikend meer. De ‘je’ lijkt een innerlijk uitdijende implosie te ondergaan: ‘wat als het stilvalt. dat het nooit meer dauwt/’. Een benauwend moment van ademnood.

In de vierde afdeling ‘luchthartig’ opent met de nar die dacht een clown te zijn. De nar neemt aanmatigende houdingen aan, diverse airs. Als de nar gaat spelen met de macht, komt hij ten val. Die luchthartigheid komt hem duur te staan. De ‘hij’ “klampt zich met zijn adem aan de wind/”. Dit spel van ademen voltrekt zich grotendeels aan de zee. In de zesde air staat de filosofische frase: ‘ons onvermogen/ in dezen aan het willekeurige te ontkomen//’. De lucht die wij inademen, ademt de ik als woorden weer uit. Waar komen de woorden dan eigenlijk vandaan, kunnen we ons afvragen. Wij hangen ‘ons ver vooroverbuigende gezicht/ in de golven geschept papier ons voorlaatste ademen spiegelen zag;//’. De dichter als een Narcissus lijkt boven zijn blanco vel papier gebogen. Dan is er de ovale zee. Aan de grenslijn van strand, zee en wolken staand is er het besef van voorbijgaande aard. Het sterkst in deze afdeling is het lied ‘kom, zeg het, zegt de zee’. De zee doet een bekentenis aan de ik: ‘ik lik aan uw huid, aan uw haar, ik lik aan uw kinderen//’. De zee wacht op het moment dat het land en haar bewoners zich voor haar zal openen. Dan zullen zee en land elkaar gretig verslinden. ‘dan zal ik van me doen horen, dan zult u van mijn zilte woorden/ vervuld raken, uw longen uw mond mijn gezuiverde bronnen,/ ik zal het ruisende ruisen zijn dat in de schelp van uw schedel ruist//’. Dat unieke gesprek tussen de zee en de mens is voor anderen niet te horen. De dichter vraagt aan de ‘jij’ waar hij zou willen ademen. De ‘jij’ verwijst naar plaatsen van natuurlijke stilte.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Invallende rede’ marginaliseert de nar zich tot niemand. Opnieuw gezicht op zee en een opkomst van de maan, ontleend aan een schilderij Caspar Friedrich David (1821), met een gezonken zeilschip dat van zijn ankers is geslagen en ten onder is gegaan. Het gedicht ‘handreikingen’ schetst een Jeroen Boschachtig tafereel. De nacht klimt op, ‘voorbij de wolkenbank, naar open zee/’; ‘de morgen klimt omlaag naar het graf onder de grassen’. Een vreemd apocalyptisch schouwspel speelt zich hier onder het zeeoppervlak af: “de hand in de handreiking blijft leeg//”. Een observatie van een uit de hand gelopen conflict tussen geliefden dat zich lijkt te voltrekken in een flat aan de overkant. Een onbestuurbaar proces ondertussen. Het is een sterk associatief gedicht zoals de meeste uit deze afdeling. Dikgedrukte strofen wisselen de gewoon gedrukte af. Weer een dialogiserende opzet waarbij de inwendige stem de gang van zaken becommentarieert. Een techniek als een stream of consciousness uit het modernistisch proza. De inkeer leidt tot een fatale sprong over de rand van het leven ‘doeleinden/ tegemoet//’. Tot slot volgt er de drieluik ‘stemmingen’, ‘ontstemmingen’ en ‘bestemmingen’. Ze hebben iets ludieks. De dik gedrukte tussenstrofen van ‘stemmingen’ handelen over de nar die ontstemd raakt. Maar door zich ontkennend uit te spreken over zaken kwam hij opnieuw in de stemming, totdat het ‘nee’ hem ontnomen werd, en hij naar adem hapte, maar bij toeval in een ‘nee’ beet dat ‘een kreet slaakte die men voor een ja kon houden’. Hij kon zichzelf daardoor hernemen. En het dwarrelende dagpauwoog dat zijn creatieve lijnenspel door de lucht kruist, waaraan geen systeem valt te ontdekken. En zelfs het koeren dat uit het havenhoofd klinkt, valt niet te begrijpen. Adem halen uit de laatste adem is je bestemming bereiken. Tot zover een slalom door deze omvangrijke bundel.

De poëzie van Groenwegen is heel tastend en zoekend naar betekenis en bezit een mythisch karakter met anekdotiek in soms moeilijk leesbare aquareltinten, maar verloopt wel langs lange lijnen van enjambementen en paradoxen. Dat maakt dat voor mij de focus niet altijd scherp genoeg is om door zijn beelden getroffen te raken. De poëzie zint op een existentiële bezorgdheid over het voortbestaan van de aarde, warm menselijke gevoelens over de ander, op een diepe onzekerheid over wie je bent en een onvermogen om te zeggen wat er gezegd wil worden. Naast veel cerebraal opgetuigde teksten zijn er ook verschillende gedichten waarin een doorleefde ervaring helder is uitgebeeld. Prachtig is het mythische scheppingsbegin uit het gedicht ‘begonnenen, een ontginning’ of de ‘psalm’ waar in de ik zich gekend wenst te weten door de god die zich zwijgend ophoudt in het verterend vuur. Dat doet me herinneren aan de brandende braamstruik van Mozes en zijn monologue intérieure met de God van Israël. Sterk is het gedicht ‘kom, zeg het, zegt de zee’, waarin zich een beklemmende dialoog tussen de zee en het land ontwikkelt. Het verleidelijke, maar tevens bedreigende ‘likken’ van het water aan het land geeft aan de voorstelling van zaken een erotiserende lading.

In zijn essayistisch werk legt Groenewegen de lat bij zijn collega-dichters hoog, maar blijft onder de meest barre omstandigheden mild over het poëtische klimaat in hun bundels. Ik zou dat ook willen blijven, want uit zijn poëzie spreekt veel liefde voor taal, voor het mysterie van het leven en het maken van poëzie. Zijn poëzie daagt zeer uit om als lezer het gevecht met de woorden aan te gaan. Nieuwvormingen als ‘ademzoom’, ‘monddier’, ‘lippenvlinder’ of ‘distelvlinderwellend’ en de meanderende versregels van het ene enjambement over in het andere houden je als lezer scherp. De sfeer is bezwerend. Een gedicht als ‘leeuwerik’ uit de tweede cyclus roept in zijn allitererende, spanning opbouwende beweging en muzikale ritmiek herinneringen op het gedicht ‘Gierzwaluwen’ van Guido Gezelle. Voordat de leeuweriken op het netvlies van de toeschouwer neerdwarrelen, heeft zich een intrigerend lijnenspel voor je ogen voltrokken.
In zijn nieuwe poëziebundel springt de doordachte structurering als eerste in het oog: zowel in de bundel als geheel als binnen vele gedichten. Herhaling van versregels en woorden komt veel voor. Dat geeft een psalmodiërend karakter aan verschillende gedichten. In de cyclus ‘minvermogenden’ klinken weemoedige klachten op, waarin de ik zich gehoord en gekend wil weten, zoals dat ook in de oudtestamentische psalmen het geval is.

De poëzie van Groenewegen toont verwantschap met die van Lucebert in zijn beeldstapelingen en bezwering, maar hij mist diens bezetenheid, of met die van Kouwenaar met zijn anonimiserende poëzie, maar hij bezwijkt nog wel eens voor de verleiding van zijn eigen taalvondsten, en met die van Faverey in zijn onpersoonlijke presentia. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je weet dat hij zich als redacteur en lezer bij de samenstelling van essaybundels over het werk van de genoemde dichters intensief heeft beziggehouden. Bij de poëzie van bovengenoemde dichters ligt zijn affiniteit en referentiekader als dichter. De bundel is ervan doordesemd. Niet alleen de nar trekt zich op vele momenten in deze bundel in de duisternis terug, maar ook Groenewegen prefereert de duistere krochten van de taal. Het abstractieniveau ligt ondanks de ogenschijnlijk concrete woorden hoog, de werveling van beelden vraagt zo nu en dan om meer verheldering. Neem bijvoorbeeld ‘air VI’ uit de derde cyclus ‘Luchthartig’:

diep in mijn longen zou het moeten
zijn, maar verdrink er, welke adem haalt
nog de stembandspleet en tikt de tong
tegen de tanden van de kolk
                                                             en waar willen
anders dan in het bladeren van het bloed
door de bladen van dit te stijf gebonden boek
                                                                                           waar kunnen
zouden we het kunnen noemen, ons onvermogen
in dezen aan het willekeurige te ontkomen
zou het naar mij gaan, moest daar geen water kunnen staan
naar mij gaat het niet, laat iets mij schrijven
als dreef ik mijn ogen woorden uit

Blijkbaar wil de ik woorden scheppen, worstelt hij met zijn onvermogen ze te formeren, maar het is wel allemaal uiterst gewrongen geformuleerd. Ik vind dat je de lezer in zijn eigen herinneringen en ervaringen voldoende aanknopingspunten moet bieden om zijn eigen wereld in woorden te kunnen creëren met het te lezen gedicht. Dat laatste wordt de lezer door de ‘dingelijkheid’ van de beelden nogal eens moeilijk gemaakt zoals in het gedicht ‘morgen wordt het warmer’ uit de eerste cyclus: ‘ademoplossing uitgewerkt, of we/ nu nu nu die zuurstofschuld willen bekennen -//’. Stenen, tongen en monden worden in weer andere gedichten gepersonifieerd. Het poëtische landschap brengt soms het mythische maanlandschap van Carel Willink in beeld: onpersoonlijk en onheilspellend.

Groenewegen schrijft poëzie die hoge eisen stelt aan het voorstellingsvermogen van zijn lezers. Het verlangen en het zoeken naar identiteit van de ik in de ‘psalm’ uit de tweede cyclus wordt een gedicht lang volgehouden. In het gedicht ‘noch engel, noch mens, noch dier’ uit de tweede cyclus:

onze mond een weefgetouw waarop van namen
wij de sluier weven waarmee wij bekleden,
zo aan onze ogen een gestalte geven
die het onzienlijke in ons licht verhult

geef ons dat we die elkaar in handen geven
ter ontmanteling, ter ontraafling van de namen –
in donker opgaand ondoorgrondelijk beamen

ontvouwt zich een prachtig beeld waarin de dichter ons toewenst dat de gesproken woorden ons beelden geven, waarmee wij ons kunnen voorstellen wie wij bij name noemen. Het perpetuum mobile van het geworpen bierglas in het gedicht ‘slauerhoff herhaalt zich in harlingen’ illustreert op subtiele en krachtige wijze het verlangen naar het onbereikbare geluk. Om een plaats vragen in het universum, weten wie je bent, wat je hier komt doen, komt op diverse plaatsen in de bundel terug. Het zoeken van woorden door de dichter vervult binnen die identiteitsvraag voor Groenewegen een voorname rol.

Vijf min of meer sterk samenhangende cycli vormen het raster waarbinnen zijn gedichten zijn geplaatst. De twee eerste en de twee laatste cycli kennen een nar of clown als beschouwend en ervarend lyrisch subject. Als je niet eerst de aantekeningen achterin de bundel zou lezen, zou je de indruk kunnen krijgen dat de gedichten uit de cycli per afdeling zijn ontstaan. Het tegendeel is waar: de gedichten zijn voor een deel in opdracht en bij gelegenheid ontstaan. Ook is er een aantal hergebruikte gedichten binnen het kader van deze bundel opgenomen. Zo ademen de gedichten die deel uitmaakten van het muziektheater in de Lebuïnuskerk te Deventer, in deze bundel toch een andere atmosfeer dan in het bewegende spel van licht en donker, dans en muziek van de toenmalige voorstelling, zoals ik indertijd zelf heb kunnen ervaren. De verandering van context doet wel iets met de tekstinhoud. Een religieus karakter van het muziektheater lijkt ingewisseld voor een meer mythische atmosfeer uit deze bundel.

Het psalmodiërende karakter van de bundel blijkt een krachtige manier te zijn om de ‘zuurstofschuld’ die de mensheid bedreigt onder de aandacht van de lezer te brengen. Narrenwijsheid van een dichter die genoegen beleeft aan het blootleggen van de vele lagen in de taal.

Recensie van Hond in Pompeï - Ineke Holzhaus

Een reis van begin tot eind

Ineke Holzhaus
Hond in Pompeï
Uitgever: Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569734
€ 15,95
63 blz.

Eerlijk gezegd, was ik een beetje met tegenzin aan Hond in Pompeï, het late debuut van actrice Ineke Holzhaus, begonnen. Uitvoerende kunstenaars koesteren vaak de heimelijke wens om ook eens een onsterfelijk vers of lied te schrijven en meestal levert dat een knap gemaakt maar weinig boeiend resultaat op. Ach, weer zo’n goedbedoelde poging van iemand die het klappen van de zweep kent maar eigenlijk niets prangends te vertellen heeft, dacht ik… tot ik mij aan het lezen zette…en mijn vooroordelen gedicht na gedicht voor de bijl zag gaan.

Holzhaus heeft een prachtige debuutbundel bij elkaar geschreven die ingetogen op zoek gaat naar de roots, nergens uitschuift over gezwollen beeldspraak of gezochte taalsnufjes, zeer beheerst de gevoelens raakt zonder ze op te blazen en zich van een rijk beeldtaalregister bedient. 

Roos

Men moet de bloemen water geven
aan de voet, een waaier maken, wortels weten,
eenjarig, meer, niet beschadigen, gescheurd,
gezaaid, vergeten wanneer, uitzicht innemen,

als op de grens van slaap na de daad, perzik
opengedraaid, vruchtdraden zweven aan de pit,
een tuinman haast zich niet, men moet ook in
de bloemen binnenbreken, over de rozen niets
dan goeds, over de rozen niets, niets dan de roos

bemesten, het woord water geven, langzaam,
hier, voor het donker wordt, aan de voet.

Met dit gedicht zitten we halverwege de bundel en hebben we intussen de ruïnes van Pompeï en een reeks ‘onderweg-gedichten’ over Frankrijk achter ons.  Hond in Pompeï leest als een reis die begint bij de oudste overblijfselen van onze beschaving en via een paar uitstapjes eindigt bij de letterlijke roots van de dichteres. De sterkste gedichten zijn dan ook die waarin ze – bijna organisch – het contact met het verleden probeert te herstellen. ‘Onder de tuin ligt een andere tuin’ is een even simpele als alleszeggende beginregel van een gedicht waarin de band tussen grootmoeder, moeder en dichteres wordt opgegraven.

(…)
mijn hand wroet laag voor laag tot  hij
zwart bovenkomt, onder mijn huid staan
haar blauw geaderde initialen geschreven,

ik leg droog wiedsel om, trek wortels
uit de ondergrondse moestuin tot ineens
mijn moeders handen zich uitsteken in mij.
(…)
Onder de tuin.

Op een langoureus, zangerig ritme wordt afscheid genomen en naarmate de bundel vordert maken de beelden plaats voor eenvoudige mededelingen die diep in het vel snijden:  Vooral in supermarkten overval je mij/ met je afwezigheid, hang ik verzwaard/ op winkelwagens of een glimlach oproepen: het stadsgras dat elk jaar goede moed vat  of  de verlatenheid beschrijven : verder gebeurt er niets tussen de huizen/ de mussen die zo tsjilpten zijn verdwenen.
Het laatste en wat mij betreft het mooiste gedicht vindt de perfecte balans tussen beeld en taal :

Wit het weiland

Wit het weiland achter de nabije tuin,
geen gras te zien of een ademend wezen.

Ontvouw me in velden van dauw, in nevel,
wanneer mijn tekening drupt op de ruit.

Boomstammen schetsen zich bladerloos
zwart het overbelichte beeld in. Takken.

Ook vruchtbeginselen zichtbaar en daar
eindelijk het ritselen van een dier. Vogel.

De Dag is goed voordat de dag begint.

Ineke Holzhaus (1951) is actrice en speelde vele kleine en grotere rollen. Ze is ook bekend als voordrachtskunstenares en trad ondermeer op op Poetry International. Een interview met Holzhaus kunt u hier beluisteren.