Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Annette Akkerman (1962)

metamorfose

er was een tijd dat ik nog in sprookjes geloofde
elke kikker kuste ik met gesloten ogen
mijn afschuw overwinnend – je moet er iets voor doen
immers

er was geen goede fee die me kleedde voor het bal
geen slechte die mijn collega’s veranderde in varkens
dat werden ze meestal vanzelf bij de vrijdagmiddagborrel
immers

mijn poppen werden nimmer vlinders
en ik zag vogels nooit vissen worden
of andersom – zoals in de tekeningen van Escher
immers

alleen jij liet me zien hoe ik zou kunnen veranderen
en je verfrommelde het plastic bekertje
met een lichte beweging van je hand
je greep me bij mijn strot
figuurlijk – je bent geen onmens
immers

Taco van Peijpe (1946)

HOE EEN MENS TE LEZEN

Het titelblad bevat geen zin
begin daar niet te lezen. Laat
het openvallen, blader door tot
waar je een herkenningsteken vindt.

Ga verder op de tast. Vergeet
waar je gebleven was en lees
de woorden als een vraag
waarop je nog geen antwoord weet,

misschien een wedervraag. Bewaar
de voorgeschreven regelafstand en
onthoud je commentaar. Herlees
alleen een uitgelezen exemplaar.

Pieter Van de Walle  (1992)

Nieuwe habitat voor kleine mensen

we hebben nooit geluisterd naar de wind
nooit meer dan woorden op papier gekregen

het leven tot nu toe hangt als een draad voor ons
een avontuur zonder vrienden, zonder vijand

we kennen elkaar niet
gaan met ons hoofd tegen de muur aan staan

en wachten tot de assimilatie begint:
het huis moet ons iets leren, een taal

tussen onze talen weven, met een breekmes
langs onze randen gaan

Arjen van Meijgaard (1973)

De dag komt terug

De dag komt terug
waarop ik
gelegen op mijn rug
eenzelfde barst
in het plafond bekijk

van wand tot middelpunt
grillig meteen
vanaf de start
met hier en daar een
scherpe hoek
-achteraf goed te verklaren-

rest het beloofde
rechte stuk
voor ik opga in het zwarte gat
waar snoer en lamp uit hangen.

Wim Vandeleene (1972)

gesprek met een kat

ze rekt het drama, miauwt aan de drempel
alsof ze een deurbel ingedrukt houdt tot ik open doe.
ik lok haar naar mijn vingers maar ze geeuwt,
wuift me weg met haar staart.

zegt: ‘pak me niet op,
ik schurk me later wel tegen je aan.’
dan woont ze weer stemloos in haar pels.
mijn oor, een radar die wacht op een radiogolf.
de ether draagt haar stilte. liever speelt ze piano,

free jazz als ze over de toetsen loopt.
ze rolt zich op in de wasmand als op een altaar
waar ze een siësta houdt. ze spint, alsof ze stil brult.
ze zegt: ‘hier is Egypte en jij moet me eren.’

Klassieker 219

Meander Klassieker 219

Het zal u niet ontgaan zijn: het debuut van Joost Baars is één van de vijf bundels die voor de huidige en tevens laatste editie van de VSB Poëzieprijs zijn genomineerd. Ook Joost Dancet was onder de indruk van Binnenplaats. Hij laat zien wat het openingsgedicht van de bundel tot zo’n bijzonder gedicht maakt.

kosmologie van het tapijt

daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat

daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf
              kamer tafel laminaat lamp boekenkast
              en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat

    ze greep zich aan de polen vast

daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht
              en dat ons grondt aan wordt ontleend
              als een magnetisch veld rond de planeet
              dat er uiteindelijk niet tegen is bestand

daar 112’de ik de taal die ik nog had
              het adres (en er was)
              een ambulance (en er kwam)
              het is haar hart (ze was er nog)
              dat wegvalt (wormgat)

daar klonk een stem en er was tijd
              genoeg voor wat zich daar voltrekken moest

daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje
              dat naamloos op haar noemer wacht

 

Joost Baars (1975)

Uit: Binnenplaats (2017)
Uitgever: Van Oorschot

Het gedicht ‘kosmologie van het tapijt’ opent de spraakmakende debuutbundel van Joost Baars. Het komt net voor de eerste afdeling die zoals de hele dichtbundel Binnenplaats heet.
Wat direct in het oog springt zijn de bevreemdende titel, het patent van vele goede dichters, de opvallende typografie en het noodnummer 112.
De titel combineert twee ver van elkaar verwijderde woorden, in zekere zin elkaars antipoden, tot een intrigerende metafoor. Kosmologie: leer van de kosmos, van het heelal, van het al; en tapijt: een onooglijk klein voorwerp in het licht van de gehele werkelijkheid.

De eerste zin licht een tipje van de sluier. Kosmologie van het tapijt wordt geen nieuwe allesomvattende leer over het tapijt in de betekenis van alle tapijten maar over één enkel tapijt. Een wel heel bijzonder tapijt omdat, zo maakt een eerste lezing van het gedicht duidelijk, de vriendin, de vrouw van de ik-figuur erop neerzijgt, geveld door een hartaanval. De ik kan (staande op datzelfde tapijt?) het noodnummer bellen, met enige moeite vertellen wat er gebeurd is en wachten.

Uit veel interviews met de dichter naar aanleiding van de publicatie van deze bundel, blijkt dat deze gebeurtenis teruggaat op wat er ook in de werkelijkheid is gebeurd: het hartinfarct van de vrouw van de dichter. De hulpdiensten waren er vlug bij, zij bleef enkele dagen in het ziekenhuis tussen leven en dood zweven, maar zij heeft het overleefd.

Ook via de typografie zoomt het gedicht telkens opnieuw in op dat tapijt. Zes regels beginnen uiterst links. Alle andere regels springen verder in. Zesmaal begint op die manier een strofe met daar, daar op dat tapijt. Een bezwerende anafoor.

De dichter probeert in dit gedicht de traumatische, angstaanjagende impact van de hartaanval onder woorden te brengen. Toen z’n vrouw viel, viel ze als het ware in ‘een wormgat’. Volgens Wikipedia “een hypothetische mogelijkheid om binnen de ruimtetijd sneller dan het licht te reizen. (…) volgens de theorie van het wormgat bestaat er een ’korte weg‘ in het universum.”
                daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat
Die eerste zin is een poëtische krachttoer. Eigenlijk staan er vier plaatsaanduidingen of vier maal het tapijt: daaronder haar, het tapijt en wormgat. Let ook op in wat genoemd was. Het tapijt raakt (door de kosmische omwenteling van het wormgat) zijn naam kwijt.

Op dat ene moment leek het alsof de hele werkelijkheid rondom haar in dat wormgat werd meegezogen. De materie taalde naar het wormgat: de dingen verlangen ernaar, ze worden er onweerstaanbaar in gezogen. Geen komma’s ook tussen kamer tafel laminaat lamp boekenkast: alles verdwijnt – niet apart, maar zonder onderscheid. Net voordien was er nog geen vuiltje aan de lucht, er was enkel de materie die als vanzelfsprekend haar omgaf. De dingen verdwijnen in het wormgat en ten slotte ook cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat. Haar lichaam veranderde van het ene moment op het andere als het ware van staat. Let hierbij op de voltooid verleden tijd was vervat – de oude, vertrouwde vorm van het lichaam is onherroepelijk weg. Mooi ook dat er niet staat de materie verlangde naar … maar het archaïsche taalde naar. Misschien koos de dichter dit woord net omdat het meestal gebruikt wordt in negatieve zin: niet talen naar. Of omdat er zo – na in wat genoemd was in de eerste regel – een volgende verwijzing staat naar taal? Het gedicht gaat op nog meer plaatsen nadrukkelijk over taal en de afstand tussen woorden en werkelijkheid.

Er is een poëtische vakman aan het werk die de tragische aardverschuiving die dingen en mens verslindt ook hoorbaar uniform maakt: let niet enkel op het bezwerend ritme van deze strofe door de opeenstapeling van zelfstandige naamwoorden maar ook op de a’s en aa’s.
                 daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf
                             k
amer tafel laminaat lamp boekenkast
                             en cel voor cel het weefsel w
aarin ze was vervat
De lange aa-klanken vertragen de gebeurtenis. Het lijkt bijna een val in slow motion. Op zeer dramatische tijdstippen staat de wereld even stil of lijkt alles opeens heel traag te verlopen.

          ze greep zich aan de polen vast
In een uiterste reactie probeert de vriendin zich vast te klampen aan de polen, “de opstaande haren van stoffen, tapijt e.d.” (van Dale). In de volgende strofe blijkt ‘polen’ ook te verwijzen naar de (magnetische) noord- en zuidpool. De paniekreactie krijgt de volledige aandacht want deze regel is een zelfstandige inspringende strofe – anders inspringend dan de andere regels/strofes ook! Een regel/strofe die de dichter al even krampachtig vasthaakt aan de vorige met een vol eindrijm ( boekenkast – vast).

In de volgende strofe krijgt de val een andere kosmische consequentie. De zwaartekracht die ons op de aarde houdt (die ons grondt) moet eraan geloven zoals het magnetisch veld rond de planeet (de aarde). Interessant voor ons gedicht is deze uitleg van een wormgat: “De zwaartekracht beïnvloedt ook afstanden. Een reis naar een ander sterrenstelsel volgens de ’normale weg’, kan miljoenen jaren duren, zelfs met snelheden die de lichtsnelheid benaderen. Maar indien de ruimte sterk gekromd is, wordt die afstand veel korter. Als men de theorie van zwarte gaten verder doortrekt, moeten er wormgaten bestaan die plaatselijk de ruimte sterk vervormen.” (tekst van de Urania sterrenwacht)

Feit is dat de hele situatie nu zelfs de taal aantast: en dat ons grondt aan wordt ontleend kan niet anders gelezen worden, denk ik, dan als de grammaticale ontreddering van de ik/dichter.

Als de ik of de dichter in de volgende strofe dan in actie komt, is zijn communicatie via het noodnummer 112 er een van gestamelde woorden. Een mooie vondst om er een werkwoord van te maken: daar 112’de ik de taal die ik nog had, de dichter leest zelf de cijfers afzonderlijk voor, wat het nog specialer maakt. Dat hij moeilijk uit zijn woorden kwam, wordt schitterend geëvoceerd door de combinatie van korte zinnetjes en wat er tussen haakjes staat. Zowel qua betekenis en grammatica vreemde constructies:
                   het adres (en er was)
                   een ambulance (en er kwam)
                   het is haar hart (ze was er nog)
                   dat wegvalt (wormgat)

De ambulance is onderweg en nu is het wachten, wordt er gesuggereerd in de volgende strofe. Maar of er echt tijd genoeg is om haar leven te redden is niet duidelijk: voor wat zich daar voltrekken moest. Het kan werkelijk alle kanten uit. Let ook op het archaïsche, Bijbelse daar klonk een stem en er was tijd. Een echo van de (identieke) zinsconstructies met en uit de vorige strofe die zorgen voor een gedragen Bijbelse toon: “En God zeide: Er zij licht; en er was licht” (Genesis 1: 3)

De laatste strofe laat de afloop open:
                daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje
                             dat naamloos op haar noemer wacht
Ook hier geen punt aan het einde van de laatste regel. Ze ligt op het tapijt dat nu toepasselijk een (vloer)kleed is. De transformatie is compleet. Zij is geen jonge, volwassen vrouw meer maar eerder een (naakte) pasgeborene in een nieuwe tijd-en-ruimte, een nieuwe werkelijkheid, een nieuw schepsel; naamloos, haar toekomst is nog onzeker. Tot iemand de nieuwe situatie benoemt, een naam geeft; is haar noemer de dokter, God of het noodlot?

De hartaanval is een traumatische ervaring, die wordt beschreven als een kosmische omwenteling voor de vrouw én de ik waarvan de uitkomst onzeker is. De unieke verwoording is voor de dichter een poging om greep te krijgen op wat er gebeurt. Is dat niet exact wat het motto van de bundel op de bladzij voorafgaande aan dit gedicht aankondigde: een (modern) gebed?
Prayer is not a matter of delayed gratification […] Prayers are really prayers when we do not know if there is anyone there to hear them or to whom we are praying or for what.’ John D. Caputo.
Al weet de dichter helemaal niet of er een ‘God’ is. Al weet de dichter niet wat de bedoeling is van zijn gebed. Als het gebed verhoord wordt, en zij overleeft de hartaanval dan kan zij bijvoorbeeld hersendood zijn … Is dat wat je dan wil? Het feit dat de liefelijke connotatie van een pasgeboren baby’tje een positief einde doet vermoeden, is een hoop die je als lezer waarschijnlijk met de dichter deelt. Maar het is hoop, en dus onzeker: een gebed.

Is er ook een verband met de titel van de bundel? Kun je ‘Binnenplaats’ niet zien als het hart van het huis, daar waar stilte heerst ook, cf. gebed? De eerste gelijknamige afdeling van de bundel zal nog meer religieuze accenten krijgen, net zoals heel wat andere gedichten in de bundel.

Geen wonder dus dat ‘kosmologie van het tapijt’ de bundel opent. Het is een erg belangrijk gedicht dat de lezer onmiddellijk op het juiste spoor zet. Het gedicht is niet alleen een poëtische parel op zich, het gedicht heeft ook heel wat tekstuele en thematische verwijzingen naar de andere gedichten van de bundel. Er is niet enkel de hartaanval (die nog in een zestal andere gedichten ter sprake komt), maar ook de wereld die er plots anders uitziet, niet meer zo vanzelfsprekend; de dingen die hun naam verliezen en wachten op een nieuwe benoemer; de dichter die stamelend grip probeert te krijgen op de werkelijkheid, een nieuwe vorm van bidden; het oordeelkundig gebruik van archaïsche woorden; en tenslotte, de op het eerste gezicht a-poëtische woordkeuze: kosmologie, materie, weefsel, zwaartekracht … in andere gedichten theologie, entropie, transsubstantie, anomalie, habitat … woorden die Joost Baars mee helpen een nieuwe, eigen poëtica te creëren.

Joost Dancet

Met dank aan Jan De Corte, Christ’l Beyers en Eric van Loo voor hun kritische opmerkingen en tips.

Verder lezen:
Naar aanleiding van de bespreking van Binnenplaats in de poëzieleesgroep van boekhandel De Reyghere (Brugge) schreef Joost Dancet ook analyses over de gedichten
het geritsel van bomen is
van oever tot oever is precies 2 min.

Eerder in Meander:
Interview met Joost Baars door Yvonne Broekmans
Recensie van Binnenplaats door Eric van Loo

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Recensie van Staarsonnetten - Jürgen Smit

Bevrijd door vaste vormen

Jürgen Smit
Staarsonnetten
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993208
€ 20
57 blz.

Uit een namenlijstje met onlangs gepubliceerde dichtbundels hapte ik toe bij Staarsonnetten van Jürgen Smit. In het verleden heb ik hem horen voordragen bij slams en zijn scherpe observeringsvermogen en zwarte humor zijn me bijgebleven. Ik herinner me korte gedichten die in heldere taal een beeld schetsen. In 2012 kwam er van dit soort gedichten met Traliewoud een bundeling uit bij de Contrabas. Van Facebook ken ik ook Smit zijn pentekeningen, die eveneens een hele herkenbare stijl hebben, deels figuratief, deels abstract, sober maar voor mij altijd ‘raak’, voelbaar. Die tekeningen blijken in ‘Staarsonnetten’ eerst bijna mijn enige houvast. 
Deze bundel is namelijk geschreven in asemisch schrift, dat is een vorm van schrift met open semantische inhoud. De term asemisch betekent zonder specifieke semantische inhoud. Het object kan dus door verschillende lezers op een totaal verschillende manier worden gelezen. Het voorwoord van Smits Cru-collega Sven Staelens helpt om te begrijpen ‘wat de bedoeling is’, om dat vervolgens in hetzelfde voorwoord weer te ontkrachten trouwens. De meeste lezers zullen na het doorbladeren van het boekje hoogstwaarschijnlijk net als ik vanuit een tot nog toe onbekend soort woordheimwee precies dit willen weten: hoe luidt de gebruiksaanwijzing? Staelens antwoordt door opdrachten te geven bij de gedichten. Opdracht: Kies een klassiek sonnet, scheur het uit de bundel waarin je het vond of druk het af. Kleef het in het midden van je flatscreentelevisie, plof comfortabel in de sofa en kijk naar het gedicht. Tracht het niet te lezen. Kijk. Blijf Kijken. Staar.
De volgende opdracht nodigt uit hetzelfde te doen met een asemisch gedicht uit de bundel en vervolgens krijgen we de uitdaging zo’n gedicht te vertalen voorgeschoteld. Zo wordt de lezer tot dichter. Zelfs als herkenbare woorden worden gebruikt kan de schrijver nooit weten wat de lezer er zelf van maakt. Zo gezien is de lezer altijd tegelijkertijd ook dichter. Ik staar naar de blokken tekst, maar wordt al snel zenuwachtig als op de middelbare school bij wiskunde. Ik overweeg op de witte pagina’s naast de gedichten iets te doen met kleurpotlood omdat de woorden niet willen komen. Ik zie overal procent-achtige tekens, associeer x en y en wat viel er ook alweer te berekenen aan welke soort hoeken? Na twee weken begint het me langzaam te dagen dat Staarsonnetten iets met me doet. Het is een interessante filosofische vraag die onderhuids iets beweegt: wat doet pure vorm waarvan je de inhoud niet kan begrijpen met jou? Wat me eerst een nerveus gevoel gaf, neem ik nu waar als rustgevend, bevrijdend. 

Een ander moment, als ik zelf een gedicht poog te schrijven, ben ik de bundel even vergeten. En dan gebeurt het, ik gebruik het toetsenbord zonder na te denken over betekenis. Ik schrijf, duidelijk geïnspireerd door Staarsonnetten op mijn manier in vorm zonder inhoud. Het lucht enorm op en daarna kan ik sinds tijden weer eens een ‘echt gedicht’ schrijven. 

In deze afbeelding lijken de twee gezichten te passen bij mijn ervaring dat de bundel het mogelijk maakt los te breken vanuit een vaste vorm.

Staarsonnetten is een mooie, verzorgde bundel om te zien, gedrukt op dik crèmekleurig papier. De gedichten staan geschreven in zwart en rood. Het asemisch schrift doet denken aan een jongensboek in geheimtaal, aan een vrije vorm van kalligrafie en ik denk ook ‘monnikenwerk’,  maar dan wel van een monnik die heel relaxt en los te werk gaat, die niet overmatig denkt maar ziet en voelt wanneer het goed is. Staarsonnetten is een beeldend kunstwerk dat oproept een toegang te vinden tot poëzie door te kijken. Wie daar voor open staat kan door meer afstand te nemen tot de vaste vorm van een sonnet, de eigen creativiteit bevrijden. 

***
Jürgen Smit (1972) stond op diverse poetry-slampodia en trad op bij grote festivals zoals Onbederf’lijk Vers. In 2012 debuteerde hij met de bundel Traliewoud. Naast optreden schijnt Smit zijn eigen licht op jonggestorven dichters op zijn blog ‘Kort Dag’.

Recensie van Krekeldoof en andere gedichten - J.H. van Geemert

‘meisjes ooit’

J.H. van Geemert
Krekeldoof en andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij De Republiek
2017
ISBN 9789086050178
€ 12,50
68 blz.

J.H. van Geemert is als dichter weinig bekend en dat is jammer. Zijn nieuwe bundel Krekeldoof gaat over ouder worden, het onbereikbare verleden, verval en dood. Dat klinkt zwaar, maar hij maakt de thema’s op een schijnbaar terloopse, bescheiden wijze lichter, humoristisch soms, maar zonder te vervallen in een al te gemakkelijke ironie.
Het woord krekeldoof is een neologisme, maar de betekenis is duidelijk. Van Geemert gebruikt het als metafoor: je merkt niet alle elementen uit de werkelijkheid op. Je kunt ook Oost-Indisch doof zijn: dan sluit je je voor bepaalde dingen af. Het tweede gedicht van de bundel heeft dezelfde titel:

KREKELDOOF

Mijn vader was krekeldoof.
Ik kon het nauwelijks geloven
na een Oost-Indische moeder.

Veel later bleek ook mijn vrouw
krekeldoof.

Wat zou ik
-  de afgelopen zesenzestig jaar  -
allemaal gemist hebben?

De ‘ik’ stelt in de laatste strofe gekscherend een retorische vraag, want de werkelijkheid is niet volledig kenbaar en het verleden nog minder. Mooi is het zinnetje ‘Veel later bleek ook mijn vrouw / krekeldoof’: alleen een ander kan dat constateren en uit dat besef komt de twijfel voort die de ‘ik’ uitspreekt: wat zou hij allemaal gemist hebben? Het verleden is niet te reconstrueren, iets wat ook spreekt uit het motto van de bundel: ‘Alles bleef / zoals het niet was.’ De tijd verglijdt en houvast aan het verleden heb je niet echt. Bereikbaar is het niet meer of het moest in poëzie zijn, maar of de weergegeven situatie dan waarheidsgetrouw is, kun je natuurlijk ook als dichter niet meer achterhalen. In ‘Huiswaarts’ vindt hij een ‘je’ in ‘de Amsterdamse school terug, / verscholen in een schelp van rode steen.’ Het verleden herleeft in het gedicht: ‘Verzeild zijn wij, in wat, in een gedicht, / een kelder waar we rechtop kunnen staan. / / We hoeven nergens meer naar toe.’ Een gelukkig moment, en dat kan ook in het heden voorkomen: ‘Soms, voor het dagelijks leven weer begint / en je weer terugkeert in het beschadigde / lichaam van een man, ben je even / een ademend wezen zonder toekomst en verleden.’ Maar: ‘Voor het beschreven is / is het voorbij’.  (‘Vroege morgen’). Maar de dichter beschreef het wel. Second best?

In zijn weemoed over een voorgoed voorbij verleden doet Van Geemert me denken aan dichters als Jan van Nijlen en Bloem. En ook met Nescio toont hij verwantschap. Zo mijmert Koekebakker in Titaantjes: ‘Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.’ Koekebakker heeft gelijk, velen van ons weten dat en de dichter ook. Onder het gedicht ‘Net echt’ staat de aanleiding voor het schrijven daarvan: Let it be, Londen, 24 oktober 2012. ‘Alles was er: de perfecte / John, Paul, George en / Ringo, de muziek’. Ook hier een terugblik: ‘Ik dacht aan de jongen, die alles nog kon worden / wat hij niet werd.’ Die titel ‘Net echt’ is knap. Twee woorden waarmee hij een wereld van onvervulbaar verlangen naar vervlogen tijden oproept. In die terloopse, schijnbaar eenvoudige formuleringen is hij een meester. Neem ‘Vader en zoon’, op het eerste gezicht een weinig opzienbarend gedicht over het verglijden van de tijd:

Van vader kende ik
         de schouders
     en zijn handen.
Soms, wil mij de afgelopen
  vijfentwintig jaar ook wel
         de bril te binnen schieten,
zijn stem, zijn hoest,
                          zijn dood.
Van meisjes ooit
         hoor ik hoeveel ik op hem lijk:
bijna hij, bijna.

Dit gedicht ontroert me, met name door die twee woorden ‘meisjes ooit’ tegenover ‘bijna hij, bijna’. Alweer die wereld van ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ en daar heeft hij maar twee woorden voor nodig – een vaak onopgemerkt stilistisch hoogstandje. En dat onbereikbare verleden staat tegenover een nabije toekomst, waarvan weinig meer te verwachten valt. Drie woorden ditmaal. En die herhaling van ‘bijna’, waaruit een stille berusting spreekt, prachtig.

De gedichten van Van Geemert zijn universeel. Dat komt niet alleen door zijn thematiek en uitgekiende gebruik van metaforen, maar soms ook doordat ze zo open zijn, dat iedere lezer zich ermee kan identificeren, of preciezer: de gedichten op zichzelf kan betrekken.  In het volgende gedicht heeft hij maar één woordje nodig om dat effect te bereiken: ‘het’.

OOK als het onverwacht komt,
als het me besluipt, bespringt, als
het er niet lijkt te zijn, als ik
het overschreeuw, ontken, als het
me uitput, verwondert,
als ik het uit- of toelach, als ik
het even vergeet.

Op het achterplat staat dat er vijf bundels van hem verschenen, die geen van alle meer verkrijgbaar zijn. Ik hoop dat het Krekeldoof beter gaat. Van Geemert verdient het.

***
J.H. van Geemert (1950) publiceerde in de jaren zeventig onder andere gedichten in De Gids en Hollands Maandblad; later in Tirade en De Zingende Zaag. In 2017 publiceerde hij Reynders, legendarisch kunstenaarscafé op het Leidseplein, samen met Paul Arnoldussen.  Indië tabee is in voorbereiding.

Recensie van Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd - Madelon de Keizer

Zes vriendschappen en één liefde

Madelon de Keizer
Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635201
€ 39,99
767 blz.

Wanneer je denkt aan de Tachtigers en aan de beginjaren van het roemruchte tijdschrift De Nieuwe Gids, dan komen er ogenblikkelijk drie namen bovendrijven wanneer het om de prominente dichters van deze generatie gaat: Jacques Perk, Willem Kloos en Albert Verwey. De jong gestorven dichter Perk wordt gezien als de voorloper van Tachtig, Kloos als de voorman van deze beweging. Van deze twee zullen veel belangstellenden ook wel enkele versregels en gedichten kennen, maar hoe zit dat met Albert Verwey? Voor velen van ons is Verwey niet meer dan een naam, een van de redactieleden van De Nieuwe Gids. Anderen zullen zich herinneren dat hij betrokken was bij het Tweemaandelijksch Tijdschrift, De XXe Eeuw en De Beweging, zonder te weten waarvoor indertijd deze tijdschriften precies stonden. Wat weten we van globaal van hem? Een poging: hij was als dichter zeer jong begonnen, hij was bevriend met Kloos, kreeg ruzie met hem, ging zijn eigen weg door enkele tijdschriften te beginnen, trouwde met de aantrekkelijke Kitty van Vloten en werd zonder wetenschappelijke opleiding hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden. Zie hier in één lange zin de levensloop van Verwey, waarin titels van gedichten of uitgegeven bundels ontbreken, dat moet eerlijkheidshalve opgemerkt worden.  

De aanpak

Madelon de Keizer heeft met haar biografie Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd de beschrijving van het leven van Verwey anders aangepakt dan we bij een biografie gewend zijn. Ze geeft geen lineaire levensloop, maar in haar boek staan zeven relaties van Albert Verwey centraal. Het zijn bijzondere, langdurende contacten met andere kunstenaars en literatoren, waar overigens bij een aantal van hen na verloop van tijd de klad in komt. Ze heeft deze uitgewerkt in zeven hoofdstukken, waar in elk hoofdstuk de chronologie wel een plaats krijgt. En zo worden in zeven hoofdstukken zeven belangrijke personen die in het leven van Albert Verwey een belangrijke rol hebben gespeeld besproken. Het zijn achtereenvolgens de schilder Jan Veth, de dichter-criticus Willem Kloos, zijn echtgenote Kitty van Vloten, de schrijver Lodewijk van Deyssel, de Duitse dichter Stefan George, de dichter Pieter Nicolaas van Eyck en Maurits Uyldert. Deze laatste was dichter, journalist en een persoonlijke vriend. Na zijn dood schreef hij een driedelige biografie over Verwey.     

De biografe begint haar boek met een heldere en in mijn ogen vooral slimme inleiding om de lezer het boek in te trekken. Ze gaat op de stoel van de lezer zitten, die zich met dit volumineuze boek van 767 pagina’s in de hand zal afvragen wat de betekenis van Albert Verwey is geweest voor de Nederlandse literatuur. In de ‘Inleiding’ schrijft De Keizer dat bij het overlijden van Albert Verwey in 1937 weliswaar in de kranten en tijdschriften een groot aantal herdenkingsartikelen van gerenommeerde dichters, schrijvers en critici verscheen, maar tegelijkertijd stelden deze auteurs vast dat zijn werk slechts in een kleine kring in binnen- en buitenland bekend was. Kort gezegd, de lezer hoeft zich niet te schamen dat hij zo weinig van Verwey weet en wordt met deze biografie op zijn wenken bediend. De Keizer heeft geen literaire, maar een cultuurhistorische biografie geschreven. Het leven van Verwey, zijn relaties en positie in het literaire en culturele krachtenveld staan daarin centraal. De biografie gaat ook in op nationale en internationale maatschappelijke en politieke ontwikkelingen en de standpunten die Verwey daarin inneemt. Voor mij is de kern van de biografie zijn ontwikkeling als dichter, die vanaf zeer jonge leeftijd in contact komt met Willem Kloos (hoofdstuk 2) en na de breuk een vriendschap en samenwerking met Lodewijk van Deyssel opbouwt (hoofdstuk 4). De ‘Literatuurlijst’ achter in het boek maakt duidelijk dat er veel bronnenmateriaal in de vorm van persoonlijke briefwisselingen tussen de verschillende dichters en kunstenaars beschikbaar is. Deze correspondentie maakt het mogelijk om allerlei kwesties, die spelen in het literaire landschap vanuit verschillende perspectieven te belichten. Het derde hoofdstuk, dat de titel ‘Zo gelukkig als klaar water. Albert Verwey en Kitty van Vloten’ meekreeg, gaat in op Verweys huwelijk met Kitty van Vloten. Zijn levenslange, stabiele relatie met haar speelt een cruciale rol in de beeldvorming van de dichter in relatie tot zijn kunstzinnige vrienden. Wanneer Verwey ruzie krijgt met Willem Kloos en later met Lodewijk van Deyssel, dan krijgen we die conflicten vanuit verschillende gezichtspunten door De Keizer voorgeschoteld. Natuurlijk vanuit het perspectief van de direct betrokkenen, maar de intensieve briefwisseling die Verwey onderhoudt met zijn vrouw Kitty geeft een eerlijk – en in veel gevallen een ander – beeld van hoe Verweij een bepaald probleem ervaart. En omdat allerlei anderen, zoals bijvoorbeeld Frederik van Eeden en Frank van der Goes, ook met elkaar corresponderen en zich uitlaten over de handel en wandel van wie dan ook, wordt iets als waarheidsvinding tamelijk ingewikkeld. Het levert wel boeiende leesstof op, dat moet gezegd worden. Later blikken ook zijn broer Christoffel en enkele van zijn kinderen via brieven en andere publicaties terug op het leven van hun vader, waardoor we weer een andere kijk op bepaalde zaken krijgen. Ondanks dat veel correspondentie verloren is gegaan, stel ik toch vast dat van alle kanten het leven van Verwey belicht kan worden. Madelon Keizer heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen. Ik was er al van overtuigd dat de periode 1880-1920 op literair gebied uitermate boeiend en dynamisch was. Als een meeuw op de golven benadrukt dat alleen maar.   

De uitwerking

De dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars bespreken in hun correspondentie aan elkaar en in hun kritieken de meest uiteenlopende onderwerpen. Er wordt serieus ingegaan op de kwaliteiten van elkaars werk en er heerst afgunst ten opzichte van elkaar als het gaat om mogelijkheden om te publiceren, niet in het minst omdat geldtekort voor veel dichters een groot probleem was. Soms maakt men elkaar ronduit af in de tijdschriftkritieken of in de briefwisselingen. In veel gevallen komt het niveau van de correspondentie niet boven de eenvoudige dorpsroddel uit. Als lezer ervaar ik het op sommige momenten als kleinzerig. Ik zucht wel eens diep, maar ik geef volmondig toe dat het boek boeiend blijft om te lezen. Dat komt omdat Madelon de Keizer op het juiste moment overstapt op een nieuw cultuurhistorisch onderwerp, de alledaagse perikelen laat voor wat ze zijn en al te grote banaliteiten vermijdt. Daarbij heeft ze een toegankelijke stijl van schrijven, een stijl die zich richt op een breed lezerspubliek. Zowel de belangstellenden voor oudere literatuur als degenen die zich beroepsmatig bezighouden met de letterkunde kunnen met deze biografie goed uit de voeten.

De biografie geeft de lezer ook toegang tot de poëzie van Albert Verwey. In alle hoofdstukken worden feiten uit zijn leven of gebeurtenissen waarbij hij zich betrokken voelt niet alleen beschreven, maar ook voorzien van gedichten of fragmenten van gedichten. Zo bevat deze biografie gedichten – veelal sonnetten – over Oudjaar, zijn overspannenheid die enkele malen opstak, over Kitty, over het Alhambra, over de Boerenoorlog en naar aanleiding van een kritische recensie van Van Eeden op zijn bundel Het Zichtbaar Geheim om de variëteit aan onderwerpen te laten zien. Ook de poëzie van anderen, waarmee hij contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld de Duitse dichter Stefan George, wordt afgedrukt in dit boek. Een aantal gedichten getuigt van de invloed van de ideeën van Spinoza, die hij steeds meer ging bestuderen. In 1893 verscheen een reeks van twaalf sonnetten in Van Nu en Straks. In 1894 de gedichten publiceerde hij bovendien ‘Tot het leven’ en De natuurlijke aarde’ die refereren aan het ideeëngoed van Spinoza, zodat Verwey met recht een spinozist genoemd kan worden. De Keizer laat goed zien dat Verwey zich ontwikkelt tot een breed georiënteerde letterkundige, die schrijvers als Potgieter en Vondel herlas en bestudeerde. Dat leidde tot de uitgave van een biografie van Potgieter in 1902 en een nieuwe editie van Vondels werken in 1937. Uiteindelijk leidden zijn letterkundige studies, zijn vertalingen en zijn edities tot een hoogleraarschap in Leiden. Dat was bijzonder voor iemand zonder wetenschappelijke opleiding, die overigens van de Groningse universiteit in 1914 wel een eredoctoraat had ontvangen, omdat hij een culturele bijlage had geleverd aan de bouw van de Beurs van Berlage in Amsterdam.

Albert Verwey woonde met Kitty en zijn zeven kinderen in de op een duin gelegen Villa Nova, van waar zij over Noordwijk konden uitkijken. De villa was een grote woning, waarin veel gasten gastvrij ontvangen werden en voor langere tijd konden logeren. Vanuit deze belvédère bespeelde hij het literaire veld met zijn op schrift gestelde opvattingen in de vorm van gedichten, kritieken en studies in de verschillende tijdschriften. Het tijdschrift De Beweging dat hij vanaf 1905 leidde, kan gezien worden als zijn meest persoonlijke medium. De Keizer wijst erop dat enig arrogant gedrag hem niet vreemd was. Gedurende zijn leven publiceerde hij talloze dichtbundels met soms zonderlinge titels als De kristaltwijg (1903), Het blank heelal (1908), Het eigen rijk (1912), Het zwaardjaar (1916), De getilde last (1927) en Het lachende raadsel (1935) om er enkele te noemen. Het boek Als een meeuw op de golven geeft de lezer nieuwe feiten en een goed overzicht van wat zich in de culturele wereld tijdens het leven van Verwey allemaal afspeelde. De afzonderlijke hoofdstukken zijn tevens te beschouwen als korte biografieën van zijn vrienden en van zijn echtgenote. Na lezing van deze biografie stel ik vast dat de opbouw ijzersterk is, ondanks dat de uitwerkingen van bepaalde kwesties op sommige momenten in een hoofdstuk wat algemeen zijn en dan enigszins los komen te staan van de twee personen, waarvan Verwey er altijd een is. Zo komt de paragraaf ‘De biografie van Potgieter’ in het vijfde hoofdstuk ‘Een dichterschap over de grenzen. Albert Verwey en Stefan George’ over als een wat vreemd intermezzo in een relaas over zijn vriendschap met een gewaardeerde Duitse dichter.      

Het portret

Er loopt af en toe een bijzondere rode draad door een hoofdstuk. De ziekte tbc slaat in de jonge jaren van Albert Verwey in de familie meedogenloos toe. Geldtekort is bij schrijvers en kunstenaars, zoals ik al zei, een voorwerp van aanhoudende zorg. Het verschil in godsdienstige opvattingen tussen protestanten en katholieken komen bij tijd en wijle aan de oppervlakte. Politieke tegenstellingen tussen verschillende ideologieën steken geregeld de kop op. Een mooi uitgewerkte lijn is te vinden in het eerste hoofdstuk ‘Het portret. Albert Verwey en Jan Veth’. Het toont dat Madelon de Keizer een prima schrijfster is. Jan Veth, schilder in opleiding, had aan de negentienjarige Albert Verwey gevraagd om voor hem te poseren. Het portret, dat ook de omslag van deze biografie siert, was in 1885 klaar en werd op een tentoonstelling van kunstenaarsvereniging Arte et Amicitiae gepresenteerd. Het kreeg veel aandacht in de besprekingen. Veel literatoren en kunstenaars vroegen zich af wie de afgebeelde jongeman was en Verwey zelf legde steeds meer contacten in de wereld van de beeldende kunst. Toen het tot een breuk kwam met Jan Veth, die in Bussum woonde, verhuisde het portret van Veths kamer naar zijn atelier. De vriendschap tussen beiden werd hersteld en na Verweys huwelijk kwam het portret in zijn huis in Noordwijk te hangen. De reis van het schilderij is de rode draad in dit hoofdstuk over Verwey en Jan Veth, die zich ontwikkelde tot een portretschilder met een hoog aanzien. Nu hangt de afbeelding van Verwey in het Rijksmuseum in Amsterdam, maar in 1927 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling ter ere van Jan Veth in Dordrecht. Jan Slagter, recensent van Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, beschreef Veths portret van de jonge dichter Albert Verwey. Hij zag een ‘…nog wat slungelige jongeman in zijn onvoorname kleren, maar met een kop vol sterke eigenzinnigheid en vol plannen, idealen en poëzie, met een paar ogen die helder vooruitzien naar de toekomst en tegelijk zoo teder van uitdrukking…’. In 1885 is hij afgebeeld met dit uiterlijk, met deze expressie en met deze uitstraling van ambities. Echter, ook in deze moderne biografie kun je Albert Verwey, zijn vrienden en zijn echtgenote nog steeds zo ontmoeten.

***
Madelon de Keizer (1948) is historicus, biograaf en beeldend kunstenaar. Ze studeerde geschiedenis en Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam en was docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs. Ze promoveerde in 1991 cum laude aan de Rijksuniversiteit Leiden op Het Parool 1940-1945. Verzetsblad in oorlogstijd. Vanaf 1982-2013 was ze als onderzoeker verbonden aan het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies). Madelon de Keizer publiceerde o.a. biografieën over de schrijfster Carry van Bruggen (2006) en de journalist-politicus Frans Goethart.