Privacyverklaring Stichting Literatuursite Meander

Hoe gaan wij om met uw privacy?
Stichting Literatuursite Meander vindt de bescherming van uw persoonsgegevens belangrijk. Wij respecteren uw privacy en zorgen ervoor dat de persoonlijke informatie die u (via de website of op een andere manier) aan ons verschaft, vertrouwelijk wordt behandeld.

Wat zijn persoonsgegevens?
Persoonsgegevens zijn alle gegevens die direct of indirect tot u te herleiden zijn. U kunt hierbij denken aan uw naam en e-mailadres die u bij ons heeft opgegeven.
Wanneer u abonnee bent of was, donateur, medewerker of auteur, heeft u waarschijnlijk ook uw huisadres, bankgegevens, geboortedatum en eventuele btw-nummer bij ons opgegeven.

Doeleinden van de verwerking
Wij verwerken uw persoonsgegevens voor de volgende doeleinden:
Informeren: Wij sturen u wekelijks een nieuwsbrief met daarin informatie over onze organisatie en laatste publicaties.
Netwerkvorming: Wanneer zich specifieke situaties voordoen die mogelijk voor u van belang kunnen zijn en/of waar wij u graag bij willen betrekken, dan nemen wij contact met u op via de mail.

Beveiliging en bewaartermijnen
Stichting Literatuursite Meander zorgt ervoor dat uw persoonsgegevens adequaat beveiligd zijn tegen ongeautoriseerd gebruik, ongeautoriseerde toegang, wijzigingen en onrechtmatige vernietiging. De persoonsgegevens worden zo lang als noodzakelijk is voor de eerder genoemde doeleinden bewaard of zo lang als de wet dat voorschrijft. Voor betaalgegevens geldt een bewaarplicht van 7 jaar.
Cookies
Op onze website wordt gebruikgemaakt van cookies. Cookies zijn kleine, eenvoudige tekstbestandjes die uw computer ontvangt wanneer u onze website bezoekt. In de instellingen van uw browser kunt u ervoor kiezen om cookies uit te schakelen, dit kan wel de functionaliteit van de website beïnvloeden.
Meldplicht datalekken
Sinds januari 2016 geldt de meldplicht datalekken. Deze meldplicht houdt in dat wij bij (het vermoeden van) een ernstig datalek direct een melding moeten doen bij autoriteit persoonsgegevens. Soms moeten wij het datalek ook melden aan betrokkenen. We spreken van een datalek wanneer persoonsgegevens in handen vallen van derden die geen toegang tot die gegevens mogen hebben.
Vragen en recht op inzage en correctie
Als u vragen heeft over de verwerking van uw persoonsgegevens door de Stichting Literatuurwebsite Meander, of als u deze gegevens wilt inzien of wijzigen, kunt u contact opnemen via privacy.meander@gmail.com

Wijzigingen
Deze privacyverklaring kan worden gewijzigd. Wijzigingen worden bekendgemaakt op onze website of in de nieuwsbrief. Als u vragen heeft over deze privacyverklaring, kunt u contact opnemen via privacy.meander@gmail.com

(Deze verklaring is het laatst gewijzigd op 13-06-2018)

Klassieker 222

Meander Klassieker 222

Na het overlijden van Rob de Vos april jl. is het lange tijd stil geweest rond de Klassiekers. Na een paar weken zijn de recensies opgestart, en daarna de interviews en gedichten. Nu dan toch eindelijk de analyse door Jan Buijsse van ‘Leven op de aarde’ van Paul Snoek.

Paul Snoek was in 1955 een van de medeoprichters van het avant-gardistisch tijdschrift ‘Gard Sivik’, dat zich deels afzette tegen de verbale experimenteerkunst van de Vijftigers. Toch geniet hij in Nederland geen grote bekendheid, “de Nederlandse en de Vlaamse poëzie blijken toch telkens weer twee wat van elkaar afgekeerde systemen te zijn”.

Leven op de aarde

Zand in de armen van alle andere zand
gedragen door het wachtend liggen der
woestijnen. Sombere stilte van planten
bijna altijd drijvend. Het levensgeheim
van de nevel en het steeds zegenend water
voedzaam uit de borsten van de hele regen.

De huid van de meren. De vervellende zee
en ijzer geplooid naar de wil van de bergen.
De duivelse rust van de loutere wouden,
diep dromend aan de bronnen van hun schaduw.
De orde tenslotte van alles, dat leeft in
de weelde van zonder woorden te spreken.

En dan de mens, die moe begon te eten van
de lucht, vuur uitvond en steen tot steen
bewerkte, de zee betrad maar zonder vleugels
niet naakt kon zijn en goden opriep willoos
om nog eenzamer, gedwee de wonde te ontdekken
dat de dood, de oudste zonde is van de aarde.

Paul Snoek (1933–1981)

uit: Hercules (1960)
Uitgever: Manteau

Het is mogelijk dat Paul Snoek (ps. van Edmond Schietekat) een in Nederland langzamerhand wat vergeten dichter is. Alweer meer dan 35 jaar geleden verongelukte hij in zijn gloednieuwe Alfa Romeo en wat meer is: de Nederlandse en de Vlaamse poëzie blijken toch telkens weer twee wat van elkaar afgekeerde systemen te zijn. In de overzichtsbloemlezing Hotel New Flanders (1) staat menig Vlaams dichter wiens naam in Nederland volstrekt onbekend is, dichters die in de ‘Dikke Komrij’ nogal eens ontbreken. Snoek staat in beide overzichten, dat dan weer wel.

Snoek was een beeldrijk dichter (‘Wolken roze cobra’s van de dag’), beeldend kunstenaar als hij ook was. De zee, het water als levensbrengend element , de zon als een vernietiger (‘De morgenstond heeft schroot in de mond’) domineren zijn symboliek. ‘Water’ is voor Snoek zelfs een werkwoord (2), het wakkert zijn creativiteit aan. En creatief was hij, ondanks enige perioden van inzinking: zijn Verzamelde gedichten beslaan zo’n 700 pagina’s. In ‘Leven op de aarde’ formuleert Snoek zijn ‘Genesis’. Van een ongerepte planeet naar een bedorven leven op aarde.

‘Leven op de aarde’, een heffingsvers met drie strofen, acht zinnen, 138 woorden. Bij een eerste, tweede lezing – en nog niet veel meer dan dat – vallen meteen een paar aspecten op. Assonantie is een belangrijk structuurelement in dit gedicht, vooral in de eerste twee strofen, en verder doorheen het hele gedicht de alliteratie. Hierdoor wordt een sterke samenhang gesuggereerd: de klanken brengen betekenissen bijeen, wat trouwens nog wordt geïntensiveerd door een bepaald soort zin – op dit laatste kom ik nog terug. Ik ga hier verder niet alle klankvoorbeelden opnoemen maar wil toch even bij het eerste stilstaan, ‘Zand in de armen van alle andere zand / gedragen door het wachtend liggen der / woestijnen.’ Een schitterend beeld, gedragen door de veelheid aan [a]-klanken, tegelijk rust en uitgestrektheid suggererend. Het lijken kernregels in Snoeks werk. In 1963 (dus na Hercules) schreef Snoek de verbindende teksten in het fotoboek Op de grens van land en zee van Martien Coppens (3). Het is een ode aan de zee en allerlei inhoudselementen uit ‘Leven op de aarde’ keren erin terug. Zo de lichtvariërende regel ‘Zand, gedragen door de armen van alle andere zand,’ en een aantal andere omschrijvingen met ‘zand’ (4). Daar ook de waarde van ‘zand’: ‘Zand, dit betekent stoffelijk en eeuwig’.

Naast de vele klankrelaties is er de woordkeus. Ook hier beperk ik me. De tweede strofe begint met een prachtige intrinsieke tegenstelling, namelijk die tussen vluchtigheid en absolute kracht. Allereerst is er de windstilte op de meren en daarnaast de storm op zee, uitgedrukt in ‘huid’ en ‘vervellend’. Maar binnen dit register valt ook ‘geplooid’. De plooien van het ijzeroer (ik gebruik het tweede deel van deze samenstelling niet voor niets) worden veroorzaakt door de bewegingen in gebergten. Is wind voorbijgaand, oppervlakkig, terloops, de platentektoniek lijkt eerder stilstand maar is een diepgaand en onherroepelijk bewegingsproces.

Een derde element dat sterk de samenhang uitmaakt, is de syntaxis. De eerste twee strofen bestaan samen uit zeven zinnen, een zesledige opsomming en een conclusie. Het zijn alle ellipsen. De werkwoordsvormen daarin zijn vijf maal het onvoltooid deelwoord en twee maal het voltooid deelwoord (5). Deze laatste twee sluiten aan bij het onvoltooide: ‘gedragen door’ en ‘geplooid’ suggereren sterk een statische toestand, net als de onvoltooide deelwoorden. Deze twee strofen beschrijven namelijk de oertoestand van ‘De orde tenslotte van alles, dat leeft in de weelde van zonder woorden te spreken.’ Het woord ‘tenslotte’ concludeert. De lyrische verteller legt het ons maar eens uit: in den beginne was er niet het woord, maar was er orde. Eeuwig en stoffelijk in eerste aanleg. En verder het stille planten- en bomenrijk en dat alles gevoed door het levensbrengend water. Ook in die laatste zin van de tweede strofe wordt de eenheid van wat er op de aarde is getoond, uitgedrukt in de [o]-[e]-klanken en de synchrone alliteratie van ‘weelde’ en ‘woorden’. Nu is het voor een dichter nogal wat zonder woorden spreken een ‘weelde’ te noemen, vooral als hij daarbij zelf een weelderige stijl gebruikt. Er wordt dan ook wel gesproken: in beelden die juist heel veel zeggen, want de dichter is natuurlijk wel aan het werk. Als er een dichter is die ons in deze zestien verzen Planet Earth toont, is het Paul Snoek wel. En de dichter ziet dat het goed is.

Was het daar maar bij gebleven. De mens zal echter alles bederven. De constructie die Snoek hier gebruikt, is ook die van de opsomming, maar nu in een doorlopende zin die de hele derde strofe beslaat, en die ook in dit geval eindigt in een conclusie. Het is er wel een zonder weelde. Snoek toont ons hier geen optimistisch-idyllisch beeld maar de verwoestende invloed van de mens, die overigens in alles het tegendeel is van de barokke kracht in de voorgaande strofen. Die mens is moe, vleugelloos, naakt (maar dat wil hij niet zijn), willoos, eenzaam, gedwee, in alles tegengesteld aan de macht en kracht van de omgeving waarin hij geplaatst is. Bijbels gezien is de mens wel de laatste stap in de schepping en staat een god aan de basis van alles maar hier is het andersom. Nadat de mens is gaan ademen, techniek gebruiken, op ontdekkingstocht ging (maar zonder vleugels; alhoewel, waar hoort ‘maar zonder vleugels’ nu bij? betreedt de mens zonder vleugels, dus toch wat gebrekkig, de zee of wil hij zonder vleugels zijnde toch niet naakt zijn? – de apokoinou maakt beide mogelijk), realiseert hij zich zijn eenzaamheid. Het is het menselijk tekort: wil de mens zich geborgen weten – onder vleugels te zijn – dan beveelt hij goden tevoorschijn te komen om daarna te ontdekken dat die goden hem weinig verder brengen en dat het mens-zijn, het leven, eigenlijk een absurditeit is. Om aan die absurditeit te ontkomen kan de mens zich laten leiden door een religie met een leven na de dood, maar hier zijn het juist de door de mens zelf opgeroepen goden die hem die weg versperren. Een leven in vrijheid is er duidelijk niet bij. Snoek verwoordt dit door paronomasia: wonde – zonde, het kleine klankverschil doet de woorden met de verschillende betekenis toch semantisch bij elkaar trekken. De woorden ‘willoos’, ‘wonde’ en ‘zonde’ staan wel in een leuk schuin aflopend trapje onder elkaar. En dan nog de titel. Niet ‘Het leven op aarde’ maar ‘Leven op de aarde’. Door het lidwoord is er afstand, het gaat om die planeet en leven erop valt nog niet mee, althans niet voor de mens.

Twee maal in dit gedicht is er sprake van spreken. In de ongerepte staat van de aarde is het spreken zonder woorden een weelde. Woorden zijn de bouwstenen van betekenissen en daarzonder geen communicatie. Die is in de ongeschonden toestand waarin de aarde zich bevindt, ook niet nodig: er is orde en die is vanzelfsprekend. Maar de mens stoort zich niet aan een status quo, hij wil dynamiek, ontwikkeling, de vleugels uitslaan. Hij heeft wel woorden nodig en gebruikt die om goden op te roepen, te bevelen zelfs om te verschijnen – het aangeroepen wezen. Door woorden worden goden gecreëerd. Het is een doorbreking van de orde, de willoze mens moet zich onderwerpen aan de oudste zonde. Het is nog erger dan Camus’ Sisyphus, die werd tenminste nog een gelukkig mens. En zo eindigt het gedicht dat begon met eeuwigheid, met tijdelijkheid.

De stijl die Snoek in dit gedicht hanteert, heeft een aantal maniëristische trekken. Komt in een gedicht wel eens assonantie of alliteratie voor, hier is het gebruik overvloedig. Alleen al in de eerste strofe kunnen twintig van de veertig woorden daaraan gekoppeld worden, met als opvallend voorbeeld levensgeheim – nevel, waar ‘nevel’ – naast de omkering – ook geheimzinnigheid in zich heeft, dat andere voorbeeld van paronomasia. Daarnaast de ‘onaffe’ vorm van alle zinnen in de eerste twee strofen. Ook een omschrijving als ‘eten van de lucht’ valt daaronder. Alhoewel de beelden een zekere grootsheid uitdrukken, is de stijl eigenlijk nogal gekunsteld, dringt hij op de voorgrond. Toch gaat dat wat mij betreft wel samen. Een gedicht als dit moet vooral hardop gelezen worden. Misschien is de textuur niet geschikt om wat uitgeplozen te worden, maar ja, zo nu en dan gebeurt dat toch.

Jan Buijsse

____

(1) Hotel New Flanders. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945–2005, samengesteld door Dirk van Bastelaere e.a., Gent 2008 (Poëziecentrum).
(2) ‘B.v. in het werkwoord water’, de laatste regel van het poëticale gedicht ‘Het staat geschreven’ (Vg, p. 428). Snoeks symboliek komt goed tot uiting in een bundel als Gedichten 1954–1968, maar dat is dan ook een van Snoeks thematisch geordende en programmatische zelfbloemlezingen.
(3) Op de grens van land en zee, uitgave van Chemische Fabriek L. van der Grinten, Venlo 1964, foto’s Martien Coppens, tekst Paul Snoek, vormgeving Jacques Peters.
(4) Verzamelde gedichten, pp. 391–408. Eerder al had Snoek van ‘zandtapijten van de aarde’ gesproken. ‘Leven op de aarde’ is ook te vinden in: Gedichten 1954–1968 (1969), p. 103; Verzamelde gedichten (1982), p. 310.
(5) De persoonsvorm ‘leeft’ staat in een bijzin, de hele zin blijft een ellips.

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Paul Vincent

Paul Vincent gaf in 2010 de bundel ‘In tegenstrijd’ uit met verzen over het door sloop bedreigde polderdorp Doel. In 2014 verscheen de bundel ‘Trommelvuur’, een verzameling gedichten over de Eerste Wereldoorlog.
Ondertussen behaalde hij meerdere poëzieprijzen. Dit jaar de tweede prijs in de Poëziewedstrijd van de Stad Oostende, de eerste prijs in de Hilarion Thans Poëziewedstrijd van de gemeente Lanaken en de tweede plaats in de Gedichtenwedstrijd van de Stad Ronse.

 

foto:  Bart Wynant

 

velo-droom

water zal ik naar je brengen
bloemen plukken uit de
voor ons verboden voortuin

in het zandpad bij de vaart
met mijn hiel de streep
van aankomst trekken

ik wil je sproeten
vrij van modder vegen
de zegepalm aandragen

en trouwen met een tricolore
kampioen die mij voeren kan
achterop zijn fiets

naar de kermis in het dorp

 

de tranen van laurentius

een kater die ons nog kende
van bedorven spek op de stoep
streek toch langs ons heen

zwijgend keken we naar een hemel
die maar niet wou openbreken
voor de regen van vallende sterren

ons in het laatste journaal beloofd
de wensen sinds lang bedacht
verdwenen bij het aantreden

van de nieuwe dag
zo dan moet geluk zijn
een zwellend orkest van vogels

dauw op het ongemaaide gras en wij
daar tussenin zonder een woord
van spijt om wat niet was

(‘de tranen van laurentius’: meteorenzwerm in augustus)

Recensie van Brievelings dievelings lievelings - Jos Stroobants

Klassiek en rijm kunnen best mooi zijn

Jos Stroobants
Brievelings dievelings lievelings
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339522
€ 16,00
47 blz.

De bundel Brievelings dievelings lievelings valt uiteen in drie delen, luiken zoals de dichter ze zelf noemt. Het eerste luik ‘Brievelings’ bevat een soort poëtische brieven naar bekenden en onbekenden, onder andere naar aanleiding van Nieuwjaar of Gedichtendag. In het tweede luik ‘Dievelings’ gaat het over het werk van collega-kunstenaars en tracht Stroobants te ontdekken hoe schilders, beeldhouwers, componisten, zangers of dirigenten omgaan met hun werkelijkheden en wat dat met hemzelf doet. In het laatste luik, ‘Lievelings’, probeert hij dichter te komen bij zijn eigen ‘alledaagse’ mensen, zowel doden als levenden.

Uit het eerste luik nu het volgende gedicht:

Waterliedje

Zoals het water doet en niet weet dat
het water is, maar vloeit, bevloeit, en stoeit
met oeverriet en boorden, grassig en
meanderend, zoals het zonder omzien
verder schuift en leven achterlaat en
leven meevoert, zélf dat leven is –

Zo vloeien wij en groeien wij doorheen de
de dagen en de vragen, weten amper
wie we worden, laten woorden achter
langs de oevers wederzijds, maar zonder
omzien, vruchtbaar soms, soms vruchteloos,
en leven naar een ruimer leven toe.

Twee sextetten zonder eindrijm, maar met volop assonanties en alliteraties. Op zich niets bijzonders, maar wel zoals ze hier staan. Het vers loopt fantastisch en heeft een bijzondere klankrijkdom. Overdaad schaadt luidt het spreekwoord, maar daar is hier beslist geen sprake van. Een mooie afwisseling van de oe-, a- en o-klanken en alliteraties op de w, de v en z zorgen voor een evenwichtige eerste strofe. In de tweede strofe wordt dat mooi doorgezet. Nergens klinkt het, en dat gevaar ligt op de loer, kitcherig. Opvallend is het ritme, waardoor de cadans van het stromende water prachtig wordt weergegeven.
De boodschap is mooi verpakt: zoals water niet weet waar het langskomt en waar het naar toe stroomt zo gaat het leven door. Zoals een rivier breder wordt naarmate hij de zee nadert, zo gaan wij ruimer denken en meer relativeren naarmate we ouder worden.

Uit het derde luik komt het volgende vers:

Leraar

Hij keek naar ons vanuit een onbekende
hoogte, maar keek nimmer op ons neer,
hoe woelig wij ook waren, en hoezeer
in onmin ook met alles, wij zijn jonge bende.

Steeds zei hij iets minder dan hij wist,
maar net iets meer dan wat van hem verwacht werd,
liet toe dat zijn scherpste woord verzacht werd
door een monkellach, zijn liefste list.

Hij was geen man van methodologie,
en geen systeem bleek heilig, maar hij bracht ons
veilig bij wie wij nog moesten worden.

Dit verzacht ook deze eligie:
dat wij vandaag nog dragers zijn van zijn
(de vruchtbaarst mogelijke) ironie.

In dit sonnet weer opvallend mooie alliteraties en assonanties die organisch in de tekst zijn opgenomen. Hier is een vakman, een taalvirtuoos aan de gang, want het rijmt en dat kan het gevaar met zich meebrengen dat er concessies gedaan worden om het rijmend te krijgen, maar daar is hier absoluut geen sprake van. De leraar aan wie dit gedicht, zij het postuum, is opgedragen kan trots zijn. Wat een waardering en liefde spreekt uit dit vers. Een heel mooie gedachte vind ik de passage: ‘hij bracht ons veilig bij wie wij nog moesten worden’.
Als je zo een klassieke vorm kan hanteren, is dat een lust voor de poëzielezer.

Op de bladzijde naast het vorige gedicht staat het volgende:

Later

Dit zijn dan de jaren van later…
maar nooit zijn er mensen genoeg,
nooit wanneer jaren verjaren,
of uitzicht vergaard moet,
of deuren geopend en bomen geplant.

Het dubbelzinnige feest moet bewaard
in de dubbelmonarchie van het wonen:
bevestiging, verzoening, verhoping en paring, …

Opzij staan steeds de getuigen:
niets weten ze beter (verklaring noch inzicht);
ze kijken en luisteren – en blijven nabij.

Zo euforisch als ik was over de vorige gedichten, zo teleurgesteld ben ik in het bovenstaande gedicht. De ingehouden toon en het gebruik van alliteratie en assonantie is weg in dit laatste vers. Vervelende herhalingen en het weglaten van het hulpwerkwoord worden wekken irritatie bij me op. De bedoeling van het gedicht is overduidelijk: allen die ons ontvallen zijn, blijven in onze herinneringen voortleven. Niet echt een revolutionaire vondst.

Een ketting is zo sterk als de zwakste schakel zegt men, een waarheid waar je niet omheen kunt. Dat geldt jammer genoeg voor deze bundel. Ondanks de prachtige, evenwichtige, klankrijke verzen, laat je het eindoordeel toch beïnvloeden door de zwakke. Het had zo mooi kunnen zijn: laat de zwakke gedichten weg en de bundel is prachtig. Jammer, maar we moeten het doen met deze uitgave en misschien moeten we de bladzijden met zwakke passages maar snel omslaan om meer te genieten van het moois dat er toch in staat.

***
Jos Stroobants (1948) publiceerde twaalf dichtbundels, o.a. Staties (2015), Voor een dag als deze (2011) en Tegen de tijd (1994). Naast dichter is hij actief als toneelmaker, musicus en componist.

Gedichten Rinske Kegel

Vis

In geen andere ogen dan
de jouwe is het licht
zoals het in de vroege avond
door gesloten luxaflex heen piept

Sijpelend, dansend stof
bijna verdwenen
in het vreemdgaan
in het zuchten over andermans dromen
in de naïeve wens voor eeuwig te willen leven

Zoals een pit in de groenbak
de bijvangst in een visnet
nergens zo tergend hoopvol
zo naar adem happend

 

Crackers

Had ik beter voor ander landen moeten zorgen
met name de gebombardeerde en uitgedroogde
had ik water moeten druppelen op gebarsten lippen
landen zijn net mensen

Ik deed een pak crackers in de zak van Het Leger Des Heils,
ik begreep niet wat ze aan kleding zouden hebben
als ze honger hadden

Ik was een rijk land
ik deelde koekjes uit aan de poppen
iedere pop kreeg evenveel
behalve mijn lievelingspop Rosa
maar ze pasten allemaal in mijn armen

 

Ochtenddauw

Zwart zieltje, kolenfabriekje,
mijnschachtje, riooltje,
vertel wat er is gebeurd.
Wanneer is de kleur vervaagd,
het licht verdrongen.

Was het toen je een kind verwekte
op een natuurkampeerterrein ?
Of veel eerder al, toen je zelf verwekt werd,
je maar een halve wens was,
nog meer iets dat gewoon ontstond
als de ochtenddauw op een blad.
Schitterend als een parel
wachtend op de vernietigende
warmte van de dag.

 

Alles is goed, mama

Ik zag een schip met jou er in, het was een heel groot schip.
Jij was een puntje op dat schip, een enorm schip, de zee nog groter.
Je bestuurde het schip maar dat wist je nog niet.
Je wist wel waarheen maar je zag het nog niet.
Wat leek je klein op die zee, op dat schip. Ik zag de hele zee
met alles erin, de haaien, de kliffen, de ijsbergen,
de stormen die zouden komen, de lekkages, de stroomuitval.
Jij op dat schip zonder zwemvest, zonder iets, helemaal bloot
en koud op dat schip en dat hele schip verroest, het was eigenlijk een vlot,
meer een balk, een plank waar de rot in zat, waar je je
aan vastklampte met je laatste krachten en je zou vast verdrinken.
Ik dacht: wie laat er nou haar eigen kind ten onder gaan, verzuipen
in je eigen hoofd, wie laat haar een metafoor zijn van angst.

Jij bleef gewoon varen, je bleef drijven, je zag de wolken
weerspiegeld in het water, vliegende vissen en eilanden
met groene bossen. Je ging ergens heen en je zou
ergens aanleggen en iemand zou zijn hand uitsteken
om je van boord te helpen, er zou een bed zijn en brood en thee.
Vreemd eten dat naar meer smaakte, nieuwe gewoontes.
Er zouden mensen zijn om verliefd op te worden
en mensen om je aan te ergeren. Iemand die van je
zou winnen met schaken. Je zou een ansichtkaart
sturen met: alles is goed, mama,
ik heb verloren met schaken,
maar ik ben verliefd.