Recensie van Zie mij - Mariet Lems en Cora Vries

Te mooi om waar te zijn

Mariet Lems en Cora Vries
Zie mij
Uitgever: U2pi
2017
ISBN 9789087596934
€ 17,50
69 blz.

Het combineren van poëzie en schilderijen is een hachelijke zaak. Maar al te vaak doet het ene element af aan het andere, zoals iemand die door een mooi stuk muziek heen zit te praten of iemand die zich bij een fraai uitzicht hinderlijk in beeld bevindt. De smaak van de lezer en beschouwer speelt immers een belangrijke rol bij het waarderen van de combinatie van beeld en woord: de kans dat zij elkaar versterken is daarmee niet zo heel groot.

Ook in mijn geval heeft zowel de beschouwer als de lezer bezwaren. Zonder mezelf als kunstkenner te willen afficheren, heb ik voldoende gezien om in de schilderijen van Cora Vries een sterke overeenkomst met de stijl van Marlene Dumas op te merken. Daarmee is over het onderdeel ‘beeld’ van deze bundel voldoende gezegd.

De gedichten verraden het ambacht dat ermee getoond wordt. Dit wordt al meteen duidelijk bij het openingsgedicht.

Schrijfopdracht

Kijk net zolang naar mij
totdat je iets opvalt
dat je nooit eerder hebt gezien

noem kleuren, geluiden, geuren
emoties, iets in mij
dat zich met jou verbindt?

schrijf een gedicht

zwicht niet voor verleidingen
van rijm en zomerhemels
belicht me met je pen
zie mij
en zeg

[p. 7]

Voor dichters en ervaren poëzielezers vallen de effecten van klankherhaling (gezien – geluiden – geuren – gedicht), ‘verborgen’ rijm (gedicht – zwicht – belicht) en bewuste onvoltooiing (zie mij / en zeg) onmiddellijk op. Waarschijnlijk zal een geoefende voordrachtstem de handen van het toehorend publiek er wel voor op elkaar krijgen, maar de lezer blijft in mijn geval hangen aan de punten van het skelet, dat door de dunne huid van het gedicht heen steekt.

Een ander voorbeeld is het gedicht ‘Verloren’ op p. 11.

Verloren

Hoe komt het dat hun vragen mij verdringen
naar waar ik wegkruip achter mijn gezicht
zodat mijn antwoord loodzwaar van gewicht
zichzelf begraaft onder de bangste dingen

Ze laten woorden van hun tanden springen
Ze bijten in mijn lippen, ritsen dicht
wat binnenin mij zoekt naar lijn en licht
terwijl mijn taal zich het liefste los wil zingen

Dat is wat ik in het gat van stilte hoor:
een stem die ongehoord zijn richting vindt

die mij ontsnapt voorbij het zwijgend kind
voorbij de zeggingskracht die ik verloor

Stem open mij, laat de muziek beginnen
zodat verlies verschoven wordt naar winnen

Naast het morele aspect, waarbij de dichter de in mijn ogen minst interessante kant kiest, namelijk die van de ‘ik’ die in verdrukking leeft, valt mij het esthetische aspect van dit gedicht op. Alle emotionele en emotionerende rafelranden, die iedere lezer wel achter de taal zal vermoeden, worden door de sonnetvorm naar de verre achtergrond geplamuurd. Je zou daartegen kunnen aanvoeren dat ook een zorgvuldig ingedeeld en aangeharkt kerkhof de gedachte aan de dood niet doet verdwijnen, maar een gedicht is als het goed is een daad van kunst, dus een daad van verzet en geen rustplaats met een hoge heg eromheen en ‘Rust zacht’ boven het smeedijzeren hek bij de ingang.

Ik wil gedichten lezen die waar zijn, waaraan ik niet ontkomen kan en de taal moet die weerhaken in mij weten te slaan. Doordat in vrijwel alle gedichten van deze bundel het ambacht de boventoon voert, zijn ze stuk voor stuk te mooi om waar te zijn. Voor teksten die het lijden willen verpletteren onder een lading talige troost is er volgens mij voldoende plaats in rouwadvertenties en parochieperiodieken.

Maar misschien neem ik deze bundeling te serieus en moet ik haar niet als poëziebundel zien, maar eerder als een soort catalogus van een tentoonstelling, in combinatie waarmee hij ook op internet te vinden is. In de webshop op de site van uitgever JouwBoek.nl (Uitgeverij U2pi) zoek je er namelijk vergeefs naar.

***
Mariet Lems (1946) is specialist literatuureducatie, cultuurcoach, dichter en tekstschrijver. In 2013 verscheen de herdruk van Weten waar de woorden zijn, een methodiek creatief schrijven voor het basisonderwijs en schrijfdocenten. Voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit leidt ze leerkrachten op tot specialist literatuur.
Cora Vries (1956) studeerde grafische vormgeving aan de Academie Minerva te Groningen en daarna volgde ze de opleiding schilderen, tekenen, ruimtelijk ontwerpen aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Ze is werkzaam als zelfstandig beeldend kunstenaar.

 

Gedichten

door Daan Janssens (1994)

Foto: Lumen Lineas

Daan Janssens (1994) is een jonge schrijver en performer met een hart voor het ongewone en is sinds januari 2017 de eerste stadsdichter van Hoogstraten. Zijn literatuuropleiding heeft hem opgezadeld met een schrijfmicrobe en sindsdien tracht hij zijn versies van de werkelijkheid via zijn pen en op het podium met de wereld te delen.

 

achromie

alles herleidt tot vormeloos wit

in het zand
de schaduw van gesloten ogen en de vraag wat nu net diepgang is

er nestelt iets onbehaaglijks tussen ons
een in het nauw gedreven nervositeit die verdwijnt
weer opdoemt

de nuances laten we
langzaam los
verbannen hen naar waar
of wanneer dan ook

onderhuids vervagen we tot vormeloos

film italien

als kruimels raapt ze haar tranen bij elkaar
verder spreekt de kamer onvoorzichtig voor zich

door de antieke gordijnen zijn zelfs geen silhouetten zichtbaar
ze besluit dan maar de nachtvlinders zelf een stem te geven
acherontia atropos beweert ze

gehuld in negatieve frequentie
hopeloos aangetrokken tot hun noodlot

de Goldberg variaties – Zimmerman

(Glenn Gould deed het beter)
 

ze knipt vergane foto’s tot een collage in sepia
haar messen breken landschappen open
de zon gaat er onvermijdelijk in onder

ik loop de kamer uit en besluit dat een enkel laken volstaat vannacht

haar been wrijft langzaam langs het mijne
het voelt onafwendbaar – tijd heeft enkel een eindbestemming

lasciate ogne speranza, voi ch’intrate
ik sta op en drink een glas water

plastiek

ik wil uw lichaam
beeldhouwen tot wat u u maakt

of ontkalking meer vraagt dan enkel tijd
er ook zoiets bestaat als plaatsvervangend sterven

ik wil zien
ik wil weten
ik wil voelen
ik wil verder gaan dan alle redelijkheid toelaat

of ik een mens tot mens kan maken door enkel mens te zijn

dat ik huid kan villen van een brief
als perkament om uw kale spieren te bedekken

of het mogelijk is om ogen, oren en tast te scheppen uit enkel woorden
als een geheugen zonder herinneringen

ik wil weten of ik u kan zijn zonder dat ik u ooit heb gezien

Recensie van Handschrift - Jean Pierre Rawie

Het tenue de ville van de dichter

Jean Pierre Rawie
Handschrift
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044635102
€ 15,00
72 blz.

Wie de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie aanschaft krijgt voor vijftien euro daadwerkelijk waar voor zijn geld. Geen slappe kaft met catchy foto, maar een boekwerk met stevige goudkleurige kaft, die onder een karmozijnen boekomslag met gekalligrafeerde gouden letters schuilgaat. Ook geen slappe flapteksten: de achterzijde van de bundel is leeg, zeker als we de ontsierende sticker met streepjescode hebben mogen verwijderen. Ook aan de binnenzijde van de boekomslag geen lovende citaten uit eerdere kritieken of verwijzing naar vroeger werk, slechts een gestileerde roodgouden foto van de auteur. De boodschap is duidelijk: deze bundel moet zichzelf verkopen. En dat zal de nieuwe Rawie, tot afgrijzen van de heersende kritiek, dan ook zeker doen. Zijn vorige bundel, De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag (1), was met ruim 15.000 verkochte exemplaren met afstand de best verkochte dichtbundel van 2012.
Arjan Peters, recensent bij de Volkskrant, ging onlangs in een kritisch stuk over hedendaagse poëzie uitgebreid op het succes van Rawie in. ‘Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft / in onbenulligheid verdwijnt; / al wat een schitterend begin heeft / wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.’
Stilstaan bij de vergankelijkheid is al in het vroege werk van Rawie één van zijn belangrijkste thema’s. In die zin is hij misschien een vroegoude dichter. In Onmogelijk geluk, verschenen toen de dichter net de veertig was gepasseerd, lezen we al frasen als ‘Bij elke zin / houd ik de laatste adem in’ en ‘Ach wat ik ook / op deze tocht / ten grave zocht / was wind en rook’.
Liefhebbers van de melancholie komen vooral in de eerste gedichten van Handschrift goed aan hun trekken. ‘Je nam geboden kansen slecht te baat / en hebt tot slot het minste deel verkoren, / en het geluk komt karig en te laat.’ (in: ‘Geluk’). ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ (eerste én laatste regel uit ‘Zo’n dag’). ‘Het haalt niets uit wat of ik doe of zeg. / Ik luister naar het ruisen van de bomen / boven het gras. Ik ben al bijna weg.’ (in: ‘Boven het gras’) (2). Maar juist als je als lezer denkt ‘nu weet ik het wel’ neemt de bundel een verrassende wending.

NOTABEL

Ik ga steevast gekleed
in een tenue
de ville, zoals dat heet.
Men noemt mij u.

Gelegenheden waar
ik wat verteer
ontvangen met egards
zo’n deftig heer.

Ik word alom met zwier
gegroet op straat:
dan is het mij of hier
mijn vader gaat.

Voor velen vorm ik deel
der upper ten,
waar ik gewiekst verheel
hoe ’n beest ik ben.

Rawie lijkt hier de spot te drijven met zijn identiteit. Hij kiest voor een overdreven deftig taalgebruik, met woorden als egards, zwier, verteer en upper ten. De slotregel is opmerkelijk, zowel vanwege de wat onbeholpen ritmiek (probeer dit maar eens hardop te lezen) als de inhoud. Zouden we een in dit vers een sleutelgedicht kunnen zien? Drijft Rawie met dit gedicht impliciet de spot met de critici die zijn werk te serieus nemen? In de loop van de eerste en tweede afdeling komt hij af en toe heerlijk humoristisch, soms zelfs buitengewoon melig uit de hoek. Alsof hij zeggen wil: het is niet alleen maar de vergankelijkheid waar ik mijn verzen aan wijd. We lezen in ‘Stal’ over de drukte rond de kribbe, vanuit het perspectief van de pasgeboren Jezus, die van de weersomstuit ‘zijn knuistjes in zijn oren’ doet. In ‘Inhuldiging’ worden we deelgenoot van de griep die zijn geliefde trof ten tijde van de inauguratie van Willem Alexander, venijnig verwoord als ‘een persoonlijk onderbuikgevoel’. Zowel aan Gerrit Komrij als aan Willem Wilmink is een In memoriam gewijd. Beide gedichten hebben min of meer dezelfde clou. Over Komrij lezen we: ‘Hij had een boel meer vrienden dan hij wist. / Ik kon niet laten me hem voor te stellen, / Gerrit, sardonisch grijnzend in zijn kist.’ En ook op de begrafenis van Wilmink bleken er opeens verrassend veel literatoren ‘die al die jaren al in Willem waren / en tot op heden nog in Willem zijn!’ Nee, de critici mogen dan geen hoge pet op hebben van Rawie, het omgekeerde is ook het geval.

Traditiegetrouw bestaat de derde afdeling van de bundel uit vertalingen. Rawie presenteert ons een exclusieve selectie Portugese, Spaanse, Ierse, Russische en Braziliaanse poëzie uit de 16e tot de 20e eeuw. De oorspronkelijke tekst staat telkens op de linkerpagina afgedrukt, wat respect afdwingt voor de vertaler die van zoveel markten thuis blijkt te zijn. De meeste dichters zijn geestverwanten die het tijdloze thema van vergankelijkheid c.q. sterfelijkheid op telkens andere wijze bezingen. De gedichten zijn chronologisch geordend. Het eerste gedicht is van Portugals grootste klassieke dichter, Luís de Camões (1524 – 1580).

WERELDS ONGERIJMDHEID

Ik zag goedwillenden gedwee
steeds onheil ondergaan op Aarde,
en, daar zat ik het meeste mee,
dat slechteriken op een zee
van louter voorspoed spelevaarden.

Ik dacht mijn eigen voordeel bij
die wanverhouding te behalen,
maar moest mijn misstap duur betalen.
De Wereld bleek alleen voor mij
niet van de normen af te dwalen.

De eerste strofe daarvan wordt veel geciteerd. Rawie schenkt ons het hele gedicht. Ik moet eerlijk zeggen, dat de clou van de laatste twee regels mij volledig ontgaat. In de eerste drie regels van de tweede strofe wordt gesuggereerd, dat het lyrisch ik het slechte pad op is gegaan, maar daarvoor niet beloond werd met geluk. De clou zou begrijpelijk worden, wanneer we het woordje ‘niet’ aan het begin van de laatste regel weglaten (hetgeen overeenkomt met de Engelse vertalingen die op internet te vinden zijn). Ik houd me aanbevolen voor reacties van lezers die het Portugees machtig zijn.

Voor de liefhebbers van het werk van Rawie valt er in Handschrift wederom veel te genieten. Veel gedichten hebben de kracht van een credo, waarin hij eindelijk een keer zijn overtuiging wil verwoorden. Ik citeerde aan het begin van deze recensie al enkele pareltjes. Daarnaast is er wat meer ruimte voor humor en anekdotiek, waarbij we zelfs de naam van een geliefde tegenkomen, met wie hij Zeeland bezoekt of naar het zuiden vliegt. Dit laatste blijkbaar zo frequent, dat zij, nog voor hij over de Alpen waar ze overheen vliegen kan opmerken ‘Zo ziet God ze ook’, hem voor is: ‘Dat zeg je elke keer!’.
Misschien staan er wat minder gouden regels (3) in Handschrift dan in zijn vroegere werk. De tijd zal het leren.

***
Meer lezen:

(1)  Recensie door Joop Leibbrand van De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag voor Meander.
(2)  De bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘Boven het gras’ uit Handschrift in het kader van de reeks Eerste Indrukken vindt u op Ooteoote.
(3)  Bespreking door Eric van Loo van het gedicht ‘ Voorgoed’ voor de reeks Meander Klassiekers.

Poëzie Kort 2017 / 7

 

Jozef Deleu (red), Het liegend Konijn 2017 / 2

Het Liegend Konijn 2017 / 2 voldoet weer aan al mijn verwachtingen. Alleen al bij de ‘B’ tref ik veel van mijn gading aan: Benno Barnard staat erin met zes gedichten die zonder uitzondering uit strofen van drie regels bestaan en daarom traditioneel aandoen. Dat is geen negatief waardeoordeel: ik vind ze heel aantrekkelijk. Uit twee ervan blijkt zijn voorliefde voor het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog, belichaamd in de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije; zijn gedicht over Bob Dylan is scherp en vermakelijk. De gedichten van Maarten Buser doen je verlangen naar een tweede bundel en datzelfde geldt voor die van Hannah van Binsbergen. En over de zes gedichten van Anneke Brassinga hoef ik niets te zeggen.

Zeven van de dichters hebben nog geen bundel gepubliceerd: Julie Beirens, Hester Eymers, Astrid Haerens, Else Kemps, Bartho Kriek, Leen Pil en Tania Verhelst. Else Kemps is de jongste onder hen: ze werd geboren in 1995. Van haar zijn terecht zeven gedichten opgenomen. Drie daarvan vormen een korte serie van drie onder de vrolijk stemmende titel: ‘leren relativeren met Piepmiep Paula en Bikkelboy Bob’. Twee strofen uit gedicht II, dat speelt in het onder schooltijd geopende recreatiebad:

in het diepe hing Agressieve Angelo
wat rond – zijn toegangsverbod verlopen, het hakenkruis
op de kluisjes overgespoten.

we keken hoe zijn handen afdreven
richting bikinitopjes, kochten ijslolly’s
groot genoeg om achter te lachen

Die ijslolly’s. Prachtig. Ziet u die kinderen voor u?

Nog jonger is Jante Wortel (1996). Zij heeft al een bundel gepubliceerd: Als de vogel door het glas vliegt. Een gedicht om te onthouden vind ik ‘mijn vloeibaar’ (wat niet betekent dat de andere gedichten niet goed zijn). Dat zit hem vooral in de laatste regel, die een versterking is van de voorgaande en bovendien dubbelzinnig en daardoor onheilspellend is:

ik zoek naar een lichaam om mijzelf in te bewaren
het omhulsel van wat ooit een meisje was
opengeritst bij haar voetzolen, uitgehold en leeggezogen

ze laat zich hervullen

ik wring mezelf uit om te passen
iets aan te trekken dat niet van mij is
maar dat wel kan worden

één regel
er mag geen loze ruimte overblijven

er mag niets overblijven

Het probleem met een bloemlezing is dat je op veel meer dichters de aandacht wilt vestigen dan mogelijk is. Eentje nog: Maarten Inghels. Hij schreef een serie gedichten over de acht avonden na ‘zijn’ dood, waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten van het ‘Internationaal Genootschap der Officiële Dubbelgangers van Inghels.’ Hij weet hier hilariteit te koppelen aan wat het lyrisch ik als dichter wil en wat voor problemen het daarbij tegenkomt. Het komt allemaal neer op het verlangen ‘om in het geheim gezien te worden en tegelijkertijd / anoniem te blijven ( … ) Mijn dubbelgangers gaven mij de kans te ontsnappen / Mijn dubbelgangers gingen om mij heen staan en vormden een rookgordijn’, schrijft hij in ‘De zesde avond na mijn dood’. Dat lijkt makkelijk, maar is het niet. In ‘De achtste avond na mijn dood’ schrijft hij: ‘Het grootste probleem is echter de beheersing van de verdubbeling / Mijn dubbelgangers zijn voortvluchtige schaduwen / Mijn dubbelgangers zweven als schimmen door mij / Mijn dubbelgangers lopen over mij heen als spookvoetgangers’. Misschien is hij ook de versnipperde dichter in een versnipperde tijd: ‘Ik ben de confetti van de 21e eeuw’, luidt de laatste regel.

Het gaat goed met de Nederlandstalige poëzie.

***
Het Liegend Konijn 2017 / 2. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 237 blz. € 20,00

 

Atze van Wieren, Eeuwig leven

Eeuwig leven is de derde bundel van Atze van Wieren. De bundeltitel doet natuurlijk een religieuze thematiek vermoeden en dat wordt nog versterkt door de titels van de twee afdelingen: ‘Heden en verleden’ en ‘Later’.
Dat is ten dele zo. In de bundel spreekt een dichter met een religieuze jeugd, die in zijn volwassen leven mede is gevormd door de kennis van neurologie, kosmologie en filosofie – aan elk van deze disciplines besteedt hij aandacht. We zien een zoektocht naar een synthese. Zijn religieuze achtergrond laat hij niet achter zich; we zien in het eerste deel op verschillende manieren dat het heden zonder het verleden ondenkbaar is. Wel beseft hij dat het traditionele geloof voor hem verleden tijd is. In het gedicht ‘Kerk te Gerkesklooster’ leidt de kerkvoogd het lyrisch ik rond. Echt levendig is het er niet: ‘een psalm sterft hier door ademnood. // We klimmen omhoog. Op zolder rekwisieten / voor het geloof: de lege kribbe, / de engeltjes van bordkarton.’
Een voorbeeld van de synthese zien we in het gedicht ‘Roepen’ uit het eerste deel. Naar aanleiding van de dood van zijn vader en moeder schrijft de dichter:

God in mij werd alsmaar kleiner,
tot hij – Spinoza zij geloofd –
herrees en alomvattend schijnt te zijn.

Aldoor groter het heelal,
er is geen einde, geen begin,
ik ben een oogwenk nergens tussenin

Het is geen definitief antwoord. Gelukkig niet, want dat zou afbreuk doen aan de bundel. Vooral in de tweede afdeling volgen wij zijn zoektocht. In ‘Vraag’ zie je een van de antwoorden die hij overweegt, maar bevredigend is het niet.

Mijn onderdelen vallen uit elkaar.

Geen nood, atomen maken om
het even waar hun vreugdedans.
Mijn eiwit valt uiteen tot hergebruik.
Een bacterie stribbelt nogal tegen
maar vindt geheid een nieuw tehuis.

Ja, er is veel eeuwigheid in mij.

Maar zeg eens, waarheen gaat de pijn
waar stapelt zich het hartzeer op
waar moet je voor mijn liefdes zijn
en waar blijft het lied in mijn mond,
is er een pakhuis voor dakloos geluk?

Zeg me, waar gaat verlangen heen.

Er zijn ook gedichten waarin deze vragen niet spelen. In ‘Bezoek’ zien we een alledaags tafereel dat de meesten van ons wel kennen: ongewenst bezoek. ‘Hij kent de weg, hij veegt zijn voeten / niet, neemt zonder vragen als vanzelf / sprekend de beste stoel, zet zich breeduit.’ (De enjambementen zijn mooi). En dan komen de verhalen, ‘grijsverteld’. Maar er schemert soms ook radeloosheid bij de blaaskaak door en dat tilt het gedicht boven de anekdote uit.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Het gebruik van eindrijm bijvoorbeeld kan wat oubollig aandoen. De eerste strofe van ‘Foto’: ‘Zij houdt de handen voor haar schoot gevouwen / en kijkt mij met een glimlach aan, / het wemelt van de madeliefjes / die vrolijk rond haar voeten staan. / Een paar narcissen, wit met gele hartjes, / posteren zich brutaal vooraan, / maar achter haar is leeg de hemel / en alle kleur lijkt eruit weggegaan.’ De wrange laatste twee regels contrasteren met de lieflijkheid die door het eindrijm wordt ondersteund. Het is dus functioneel, maar mooi vind ik het niet. Desondanks heb ik deze bundel met plezier gelezen.

***
Atze van Wieren, Eeuwig leven (2017). Uitgeverij IJzer, 77 blz. € 14,50

 

Cees Bolle, Ik kan het altijd denken

‘Ergens, denk je, / staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past’. Deze regels heeft Cees Bolle gebruikt als motto van zijn derde bundel. Het is een citaat uit De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze. Zowel Heytzes citaat als zijn bundeltitel zijn goedgekozen: Bolles bundel Ik kan het altijd denken gaat over het huis van poëzie, dat van de herinnering en uiteindelijk de dood.

De bundel begint met de afdeling ‘Gesloten’, die gaat over de dood van de vrouw van het lyrisch ik. Ze leeft voort in taal –  ‘Noem haar naam / en zij is er nog’ – en in de herinnering. In het laatste gedicht van deze afdeling, Achterzicht, blijken met name gelukkige herinneringen een bijzondere functie te hebben: ‘het verduistert het zicht vooruit’. Mooie regel.

Het is bekend dat het geheugen zeer onbetrouwbaar is: herinneringen staan in dienst van het heden en daardoor worden ze vervormd: ‘het komt weer voor de geest / gevormd vanuit het nu’, schrijft de dichter in het gedicht ‘Herinneringen’. Het staat in de tweede afdeling, ‘Tijdig’ – op tijd, maar ook dat wat voortduurt. De dichter maakt dankbaar gebruik van die kennis. De laatste strofe van ‘Uitzicht’: ‘Ook als het anders was / of nooit zo warm en vol, / ik kan het altijd denken.’ Dit staat in de afdeling ‘Dolend’, over wandelingen, fietstochten en mooie momenten die je moet vasthouden. Tegelijkertijd zijn het ook hier zoektochten naar het verleden.
In ‘Ondergrond’ zien we de altijd aanwezige jeugd van de dichter, de grondtoon. De oorlog, de verwoesting van Rotterdam en de hongerwinter spelen een belangrijke rol. De dood komt in deze afdeling nadrukkelijker naar voren. Een mooi gedicht is ‘Spiegelbeeld’, waarin de ik wordt geconfronteerd met zijn eindigheid, verbeeld door het stromende water en het kevertje. Je denkt uiteraard direct aan Kopland met zijn voorliefde voor de Drentsche Aa en aan ‘Air’ (1671) van Jan Luyken: Droom is ’t leven, anders niet; / ’t Glijdt voorbij gelijk een vliet, / Die langs steile boorden schiet, / Zonder ooit te keren.

Onder de houten brug
de Drentsche Aa
en mijn rimpelig spiegelbeeld.

Pijlkruid buigt gedwee
met de lome stroom
een tak drijft doelloos mee.

Het water vloeit terwijl
een draaikevertje onheilspellend
snel mijn beeld verscheurt.

En in het laatste gedicht de werkelijke dood. Opvallend is dat dit het enige is dat in de derde persoon is geschreven, wat enige afstand schept – mogelijk om identificatie met de persoon Bolle te voorkomen die zich hier zijn einde zou voorstellen. Herinneringen komen nog één keer voorbij en in de laatste regels blijkt de man de zee in te lopen: ‘Zo stil en donker wordt het dan / geen zon meer en geen golf.’ Einde, ook van de bundel.

Een enkel gedicht vind ik minder goed. In ‘In een wolk van stilte’, uit de eerste afdeling, komt het lyrisch ik uit bed. Hij mompelt een ochtendgroet, onzeker, want er is niemand meer. De tweede en laatste strofe luidt:

In een wolk van stilte
kies ik de schakelknop
van het antwoordapparaat.
Dan klinkt een vrouwenstem
‘Er zijn nu geen berichten’.

Ik vind dit op de grens van het sentimentele. Ik kan me de eenzaamheid levendig voorstellen, en ook dat het een voorval kan zijn dat in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Dat kun je echter niet altijd één op één overnemen, in dit gedicht werkt het niet.
Maar dit is een detail. Het is een mooie, sobere bundel. De vier tekeningen van de vorig jaar overleden tekenaar Jan Steen passen er uitstekend bij.

***
Cees Bolle, Ik kan het altijd denken (2017). Uitgeverij kleine Uil, 48 blz. € 15,00

Gedichten

door Heidi Koren (1975)
Heidi Koren (1975) schrijft naast poëzie ook korte en lange verhalen. Haar debuutbundel Gedachten over een mogelijk einde verscheen in 2015 bij Uitgeverij Voetnoot (Antwerpen). Een nieuwe bundel is in de maak, evenals een debuutroman. Heidi zoekt daarvoor een nieuwe uitgever. Naast schrijven, praat ze vooral graag over schrijven. Dit doet ze in de vorm van boekverkoper en schrijfdocent. ‘s Avonds leest ze een boek.
 

In het missen zit is en ik ben nog steeds onderweg

In het missen zit is en ik ben nog steeds onderweg
Beweeg voortdurend van jou af en buig weer terug
Buig af en beweeg weer terug
Alleen intern houd ik

Koers zetten de woorden als opstijgend luchtverkeer en
ik sla handen voor mijn oren en prop oordoppen zo
diep mogelijk in mijn gehoorgangen en hoor door alle
geruis heen slechts het kloppen van mijn

Hard gaan we van nul naar honderd op de snelweg
Ik groei zo snel dat ik rekening houd met het feit dat
mijn botten eerdaags uit mijn vel zullen steken en ik houd
doekjes bij de hand voor het bloeden

Op het oor van mijn kopje landt een woord met vier vleugels
Voorzichtige lijnen geven aan dat alles breekbaar is

Ik probeer te lezen, probeer het leven te lezen en raak woordblind de weg kwijt in
recensies en besprekingen van mensen die zijn vergeten hoe oud wij zijn

In het missen zit is en ik ben nog steeds onderweg.

 

Vaker gaat het goed

De stad ademt nog zeik van de nacht. Mannen houden zich met één hand vast aan het paaltje waaraan het bord bevestigd (wildplassen verboden) en pissen om het verst. Ik geef een duwtje in het voorbijgaan en gok op mijn theorie. Oogcontact en schaterlachen.

Het land is de verkiezingen al vergeten. Demissionair blijkt het verenigd of dan toch tenminste aardig relaxed. Het is de tijd niet je druk te maken. Een hogedrukgebied ligt op de loer, altijd. We kunnen de griep wel krijgen of de takketering.

De lucht is zo precies blauw dat het het vliegverkeer stagneert. Alleen de ballonvaarder durft te doorkruisen. In het park propt hij net iets te veel toeristen in zijn mandje. Hij spaart voor een huisje in Zuid Frankrijk.

Ik ben er. Afscheidsbrieven zijn verscheurd of nooit geschreven. In mijn tuin komt gewoon de pompoen weer op. Vaker gaat het goed.