In memoriam Rob de Vos

Lieve Rob,

Ik sta hier namens iedereen die in de loop van 22½ jaar aan Meander, jouw schepping, heeft meegewerkt en dat betekent dat ik een al bijna niet meer te tellen aantal mensen vertegenwoordig. Ooit, daar ben ik van overtuigd, zal iemand de geschiedenis van Meander beschrijven, maar zo ver zijn we nu nog niet. Ik spreek hier vandaag uit het hoofd, maar vooral vanuit mijn hart.

Sinds we het treurige bericht van jouw overlijden ontvingen, heb ik veel nagedacht over wat jij voor Meander hebt betekend, maar ook over wat Meander voor jou moet zijn geweest. Over het eerste punt: wat jij voor jouw eigen Meander hebt gedaan, is genoeg bekend. In al die jaren heb jij onbetwist aan het hoofd gestaan en dat niet alleen: je hebt ook altijd het leeuwendeel van het werk op je genomen. Je was webmaster, stuurde de redactie aan, bedacht nieuwe ideeën, hield de administratie bij en zorgde voor alle zaken die bij het besturen van een stichting horen.

Wat Meander voor jou heeft betekend, is niet zo gemakkelijk in feiten weer te geven. Je hebt er nooit doekjes om gewonden dat Meander, met zijn focus op literatuur en vooral poëzie, voor jou niet in de laatste plaats een middel was om contacten met anderen te leggen. Voor internet in ons aller leven kwam, had je al een literaire nieuwsbrief die per post werd verstuurd. In al die jaren, en hoe groot Meander ook werd, ben je trouw gebleven aan dat uitgangspunt: het belang van contacten leggen en ze onderhouden. Zonder jou zou er geen Meander bestaan, maar omgekeerd zou jij zonder Meander niet zijn geworden wat je bent geweest. Misschien is dat wel de reden achter het feit dat je, af en toe flink mopperend weliswaar, toch altijd al dat werk bent blijven doen en het maar met moeite uit handen gaf, ook als anderen je wilden helpen. Hoe dat ook zij, het is, om volksschrijver Reve te citeren, niet onopgemerkt gebleven. Kort nadat jouw overlijden breder bekend werd, verschenen er in-memoriams op verschillende vooraanstaande websites en je hebt nu zelfs je eigen Wikipedia-pagina. Wat zou ik graag jouw, ongetwijfeld relativerende en licht sardonische, commentaar daarop hebben gehoord en wat zou ik goed hebben beseft dat je daarmee je verlegenheid zou hebben gemaskeerd.

Terug naar Meander zelf. Ik denk dat je in 1995 niet hebt kunnen vermoeden wat een vlucht jouw ‘site vol van literatuur’, zoals je hem omschreef, zou gaan nemen, evenmin als de meeste mensen toen al vermoedden hoe groot de rol van internet zou gaan worden. Meander beoogde vooral kansen te geven aan beginnend literair talent, maar al snel bleken ook meer gevestigde dichters graag bereid om werk aan Meander af te staan. In de loop van de jaren heeft een enorme hoeveelheid dichters in Meander gepubliceerd. De wekelijkse nieuwsbrief heeft een bereik van ruim 7000 abonnees. Het levenswerk van de door jou nog steeds gemiste Joop Leibbrand, de Klassiekers, dat begon als een dochter van Meander, is er sinds kort een integraal onderdeel van. Tal van uitgevers sturen Meander nieuwe dichtbundels. Een wedstrijd, vooral bedoeld om nieuwe dichters aan te trekken, is nog aan de gang.Tegelijk heb je Meander welbewust altijd ‘klein’ gehouden in commerciële zin. Onbetaald werken is altijd de norm gebleven, voor jou, voor de redactie, voor de recensenten en de bestuursleden. De kosten werden gedekt met vrijwillige bijdragen van abonnees.

Dat is nogal een erfenis. Ik weet dat je er tot voor kort van uitging dat met jouw einde ook voor Meander het einde zou zijn gekomen. Maar Meander is niet zozeer groter geworden dan jijzelf, maar wel meer. Meer dan je ooit hebt vermoed. Er is dan ook een ploegje mensen dat, wetend hoeveel werk het voor hen betekent, een dappere poging wil doen om jouw levenswerk op hun eigen wijze voort te zetten. Ik hoor als vertrekkend bestuurslid niet bij die groep, maar ga ervan uit dat ik in jouw geest handel door ze zo veel mogelijk te ondersteunen en tegelijk ruimte te geven. En zelfs als jij daar misschien anders over zou hebben gedacht, meen ik toch dat jouw schepping het verdient, en daarmee ook jijzelf.      

Toen ik aan dit verhaal begon, schoot me direct een gedicht te binnen dat in 1999, toen Meander nog relatief jong was, tot het Gedicht van het jaar is verkozen. Verschillende redactieleden van toen en nu hebben het nog steeds in hun hoofd, en ik weet dat ook jij het prachtig vond. De Vlaamse dichteres ervan, Fatima Ualgasi, heeft haar toestemming gegeven om het voor je te lezen en ze is een van de vele lezers en lezeressen van Meander die vandaag van harte met ons meeleven. Tot besluit dus, Rob. Ik zal mijn herinneringen koesteren en dat zullen velen doen.  

weggaan

weggaan maakt niet veel geluid
niet meer dan herfstbladeren
die opstuiven in de wind

de boom blijft verweesd achter
nu zijn stem op het tuinpad ligt
en geluiden dempt

haast onhoorbaar
je voetstappen
die zich verwijderen

alleen wie achterblijft
weet hoe afscheid klinkt

Hofwijk, Rotterdam, 12 april 2018
Edith de Gilde

Recensie van De zwarte trilogie - Emile Verhaeren

Symbolisme aan de Schelde

Emile Verhaeren
Vertaler: Stefaan van den Bremt
De zwarte trilogie
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339324
€ 21
89 blz.

De Frans schrijvende Vlaming Emile Verhaeren werd geboren in 1855 in Sint-Amand aan de Schelde, vlakbij Antwerpen. Hij studeerde weliswaar in Leuven, maar zijn Franstalige opvoeding bracht hem naar Parijs, waar hij contacten had met veel schilders en schrijvers. Hij overleed in 1917 in Rouen. Hij moet een inspirerend man geweest zijn, die zijn werken liet illustreren door George Minne, Theo van Rijsselberghe en Odilon Redon. Hij liet zich onderdompelen in de sfeer van het fin-de-siècle, de decadentie, het doods- en lijdensverlangen en de zelfkwelling, zoals onder andere door Baudelaire was uitgedragen. Ook voelde hij zich thuis bij het symbolisme van Verlaine. Zijn poëzie is soms somber en hermetisch.
Veel Frans schrijvende Vlamingen schreven en leefden weliswaar in het Frans maar hielden van het soms sombere Vlaamse land. Ondanks zijn roem in Parijs, heeft Verhaeren nooit Vlaanderen verloochend. Zijn eerste gedichten verschenen onder de naam Les Flamandes. Diegene die gevoelig is voor de nuances van de Franse taal, herkent soms in de woordkeus en beschrijvingen van Verhaeren de donkerte van Permeke en de harde figuren van het Vlaamse expressionisme. Verhaeren is niet de enige die zijn Vlaamse land soms overdreven verheerlijkt (een oude Franse literatuurgeschiedenis zegt ’il exalte la terre natale’), ook de chansons van Frans-Vlaming Jacques Brel zijn ondenkbaar zonder zijn liefde voor ‘le plat pays’; het kan bijna geen toeval zijn dat hij een chanson schreef en zong dat ‘Les Flamandes’ heet.
Tussen 1888 en 1891 schrijft Verhaeren De zwarte trilogie die bestaat uit: Les Soirs, Les Débâcles en Les Flambeaux noirs (Avonden, Aftochten, Zwarte fakkels), waarin met name de filosofie van Schopenhauer en de poëtica van Baudelaire gevolgd worden over het lijden ‘dat net zo goed als het ascetisme, een weg was naar zelfkennis’ (citaat uit het nawoord van de hier besproken uitgave door em. prof. dr. Christian Berg).
Ik vermoed dat er niet veel lezers in Nederland zijn die nog gevoel hebben voor deze loodzware symboliek, hoe dat in Vlaanderen ligt weet ik niet. Nog onlangs viel mij op, toen ik de biografie van Vasalis las, dat Victor van Vriesland en zij gedichten in feilloos Frans uitwisselden, zoals het nu waarschijnlijk in het Engels gebeurt. Ik vind het jammer, dat wij zicht op de Franse cultuur verloren lijken te hebben. Gelukkig zijn er de ijverige en veel producerende uitgeverij P uit Leuven en Stefaan van den Bremt, die Verhaeren onder de aandacht blijven brengen. Van den Bremt is al aan zijn derde vertaling van Verhaeren bezig na Les Heures claires (De heldere uren) en Les Villages illusoires (Dorpen van zinsbedrog). De huidige uitgave lijkt een kroon op het werk. Ik vind deze vertalingen, waarnaast de oorspronkelijke Franse tekst klein is afgedrukt, een belangrijke culturele daad. Nog afgezien van de literaire, herscheppende kwaliteiten van de vertaler, is het een belangrijk feit dat we in het Nederlands kennis kunnen nemen van een stroming als het symbolisme, die ondanks Verwey, Leopold, Boutens en Van Eijk niet die grote bloei lijkt te hebben doorgemaakt in de Nederlandse literatuur als in de Franse. Ook voor de Nederlandse beeldende kunst uit het begin van de 20ste eeuw is Verhaeren van belang. Met name een schilder als Jan Toorop werd door hem geïnspireerd.
Over het proces van vertalen heb ik al eerder geschreven. Er is een inhoud die wel te begrijpen is als je de taal spreekt. Het belangrijkst is echter de vorm te vinden: de lengte van de regels, het ritme, de accenten, de muzikaliteit van het vers, de plaatsing van de woorden in de zin, het rijm, de enjambementen. Stefaan van den Bremt verdient voor dit monnikenwerk een groot compliment, al ervaar ik soms een beetje rijmdwang, maar dat is met deze veelheid aan sombere, symbolistische poëzie bijna niet te vermijden als je als vertaler getrouw de vorm wilt volgen. Als voorbeeld de laatste strofe van het gedicht ‘Sous les porches’ (‘Onder kerkportalen’), waarbij de vertaling van ‘cerveaux’ als ‘bovenkamer’ een beetje moeizaam is.

On entendait les lourds et tragiques marteaux
Heurter, comme des blocs, les bourdons taciturnes
Et les coups, s’abattaient, les douze coups nocturnes,
    Avec l’éternité, sur nos cerveaux.

Van den Bremt vertaalt deze strofe als volgt:

Men hoorde alleen een zwaar, tragisch gehamer
Met mokerslagen op zwijgzame klokken slaan;
En uit hun slaap zijn twaalf slagen opgestaan
    In eeuwigheid in onze bovenkamer.

Maar er zijn andere prachtige voorbeelden: het gedicht ‘Départ’ (pag.62) kent een aantal klanknabootsingen die de somberheid benadrukken en die Van den Bremt prachtig weergeeft.

DÉPART

La mer choque ses block de flots contre les rocs
Et les granits du quai, la mer démente,
Tonnante et gémissante, en la tourmente
De ses houles montantes.

De assonanties op de -o- in de eerste regel, de prachtige tweede regel, de onvoltooide deelwoorden in de 3e regel, die zo mooi combineren, zijn als volgt vertaald:

AFVAART

De zee botst met geklots en brekers op de rots
En het graniet van kaden, zinneloos, de zee
Die buldert, beukt en kreunt in het noodweer
Met dolle deining op en neer.

Het is geen letterlijke vertaling, maar een vertaling van een dichter. De lezer mag uitmaken wat beter is.
Wat erg mooi is in deze fraai verzorgde uitgave is dat de oorspronkelijke illustraties van Odilon Redon zijn opgenomen. Bovendien is er een zeer verhelderend nawoord van dr. Christian Berg, die op een heldere en beknopte manier ingaat op de trilogie en deze in de literatuur plaatst. Alles bij elkaar: een belangrijke bundel voor diegenen die kennis willen nemen van een meester die in kleuren van een Vlaams expressionist Franse poëzie schrijft. Ik ben niet ingegaan op de vertaling van meerdere Franse gedichten, ik ben geen gallicist (of Romaans filoloog, zoals dat in Leuven heette) maar Frans is mijn favoriete buitenlandse taal die ik nog goed heb leren spreken en schrijven. Jammer, dat Verhaeren slechts op zijn lagere school iets met Nederlands gedaan heeft, anders hadden we een symbolist van wereldklasse in onze Nederlandse literatuur gehad.

***
Stefaan van den Bremt (1941) is dichter, essayist en vertaler. Hij debuteerde als Stevi Braam met zijn dichtbundel Sextant. Hij schreef in het ts. ‘Kreatief’ en kreeg voor zijn gehele oeuvre, waaronder de vertalingen van Verhaeren, de Louis Paul Boonprijs. Zie ook de recensie op Meander van Dorpen van zinsbedrog, Van den Bremts vertaling van Les villages illusoires.

Recensie van Trage nederlaag met volle zeilen - Henri Michaux

Vreemde in eigen land, in Frankrijk op de kaart gezet

Henri Michaux
Vertaler: Bart Vonck
Trage nederlaag met volle zeilen
Uitgever: Poëziecentrum
2018
ISBN 9789056552761
€ 24,90
143 blz.

Zelden zal men een boekwerk tegenkomen waarin door één schrijver zoveel  literatuurgenres worden geëtaleerd  als in de bloemlezing Trage nederlaag met volle zeilen van Henri Michaux : fabels, fictieve verhaaltjes, mythes en legenden, extatische lyriek, narratieve poëzie en zoals vertaler Bart Vonck  ze in zijn nawoord noemt ‘Vormloze vormen’.
Laat ik beginnen met een van de ‘Fabels van de oorsprongen’ die Michaux (1899 – 1984) in zijn jonge jaren schreef en die doen denken aan de sprookjes van indianenstammen uit Midden- en Zuid-Amerika.
(Michaux verbleef lange tijd in Zuid- Amerika, met name in Ecuador).

De oorsprong van de tent

Dwa heeft de tijger gedood,
Hij rijt hem open en eet ervan.
De wind steekt op; en het regent.
De tijgervacht waait op,
En omhult Dwa.
In de tijgervacht regent het niet,
Er staat geen wind. Het is er aangenaam.
Dwa is tevreden.
                          Zo is de Tent ontstaan.

Henri Michaux werd in Namen geboren, groeide daar ook op, maar voelde zich niet thuis in België. Hij vertrok naar Frankrijk en liet zich in 1955 naturaliseren tot Fransman. In die hoedanigheid voelde hij zich meer op zijn gemak, maar niettemin reisde hij de hele aardbol af om dichter bij zijn wezenlijke ik te komen. Hij stierf tenslotte in Parijs.
Bijna zijn hele oeuvre ademt dit rusteloze zoeken naar de eigen identiteit.
In zijn vermakelijke fabels, waar hij er vele van schreef, gaat deze onrust nog schuil achter een eenvoudig  te volgen verteltrant, maar later in 1927 komt Wie ik geweest ben uit, dat behalve  raadsels en gedichten een absurdistische introspectie bevat waarin hij door middel van een dialoog met ‘Wie-ik-geweest-ben’ een beeld geeft van zichzelf en zijn opvattingen over de mens en de wereld  in het algemeen.
Enkele stukjes daaruit:
“Ik word bewoond; ik praat met wie-ik-geweest-ben en wie-ik-geweest-ben praten met mij. Soms voel ik me beklemd, als was ik een vreemdeling. Zij vormen tegenwoordig een echte gemeenschap en het gebeurt soms dat ik mezelf niet meer hoor. (…) De ziel is heel de mens. Ze kan zich verplaatsen en uit vorm raken. De aandacht is de houding, het enige talent van de ziel. (…) ‘Ik wil niet sterven’ zei Wie-ik-geweest-ben. ‘Ik wil niet sterven’en toch is hij sceptisch! Kijk zo bedriegt men zichzelf. En zo loopt men heel wat mis. Men voelt het verlangen om een roman te schrijven, en men schrijft filosofie. Men is niet alleen in zijn vel.’

Van de zojuist aangehaalde tekst denkt men niet direct aan dichtkunst , hoogstens kan men, zeker bij de fabels,  spreken van poëtisch proza en dit laatste geldt ook voor de ‘Raadsels’:

Met wat broodkruim vormde ik een diertje, een soort muis. Ik was nog
          niet klaar met het derde pootje of, kijk, het begon zowaar al te
          rennen…Het vluchtte weg in het donker van de nacht.

In het laatste deel van Wie ik geweest ben komt tenslotte de dichter Michaux aan het woord en wel op een bijzonder experimentele manier, niet alleen wat de inhoud betreft maar ook om de verrassende wijze waarmee hij met de taal omspringt .

SLU en SLI

en slo
en slu
en zoonssloor slikt
sli en slo
en slikt zijn voet
slu en slo
en in zich slik-en-sli-en-slo

(…)

En het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’ begint als volgt: ‘Hij vermoesbrijzelt hem en takelbebeult hem tegen de grond; / Hij kapotscheurt hem en tegensputtert hem tot aan zijn greutel; / Hij prateelt hem en jiboekt hem en romppettert hem krapen; / Hij  knuppelsult en vleeskemelt hem,/ (…)’.

Het is een lang gedicht maar u zult nu al wel begrijpen dat het slecht met ‘hem’ afloopt .

Hoe meer je van Henri Michaux leest, des te pregnanter wordt de vraag wie deze man eigenlijk is, een vraag die hij, zoals eerder gezegd, zichzelf ook voortdurend stelde en wel zo indringend dat je wel met dit onderzoek mee moet gaan. Om in die zoektocht niet te verdwalen (Leed Michaux aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis? Schreef hij om puur hygiënische redenen?) zijn het heldere, diepgravende nawoord en de beschreven levensloop van Michaux door Bart Vonck een goede gids. Hij duidt wat te duiden valt en durft vraagtekens te plaatsen bij teksten waarover hij wat de gelaagdheid betreft zijn twijfels heeft. Hiermee kan de lezer in het spoor  blijven.

De worsteling met zichzelf van Michaux komt vooral naar voren in zijn wijdlopige gedichten waarin hij veelvuldig de anafoor als stijlfiguur gebruikt; zo beginnen bijna alle 200 regels van ERGENS, IEMAND  met ‘Iemand’ : ‘Ergens is iemand een hond en blaft naar de maan / Iemand wordt als Chinese geboren en is nu zeventien / Iemand het is een blondine en haar zuster is levendig, echt uitgelaten / iemand zijn vader is highlander /(…)’. Zes pagina’s verder: ‘Iemand de zon schijnt niet meer op zijn boom / Iemand er gebeurt niets meer in zijn leven, niets meer, niets meer, niets meer dan leegte, niets meer, niets meer / Hij haakt naar stilte, iemand / Iemand  zoekt een nieuw venster.’
Wie dit gedicht achter elkaar leest kan er zowel door in trance als in ademnood van geraken en krijgt mogelijk de indruk dat al die ‘iemanden’ voor ‘niemand’ staan, zeker als men weet dat Michaux bewust heeft uitgedragen dat hij de realiteit wilde ontlopen door niets en niemand te zijn. Hij wilde om die reden ook niet tot een stroming behoren – literaire kringen wilden hem tot de surrealisten rekenen – en weigerde literaire prijzen. Veelbetekenend in dit opzicht is de titel van deze bloemlezing.

Deze selectie uit het werk van Henri Michaux beslaat overigens nog maar het deel dat een beeld schetst van de periode 1922-1946. Het tweede deel (1947-1984) moet nog verschijnen en hoewel ik in deze eerste band niet echt flonkerende poëzie ben tegengekomen (wat Michaux ook niet nastreefde) , lijkt me het vervolg ervan toch iets om naar uit te kijken.

Een gedichtje dat dit staaft:

HET MEISJE VAN BOEDAPEST

In de lauwe nevel van de meisjesadem heb ik plaatsgenomen.
Ik heb mij teruggetrokken, ik heb mijn plaats niet verlaten.
Haar armen wegen niets. Ze voelen als water.
Wat verwelkt is verdwijnt voor haar blik. Alleen haar ogen blijven,
Lange mooie grashalmen, lange mooie bloemen groeiden op onze akker.
Zo’n licht gewicht op mijn borst, zoals jij nu op me leunt,
Je leunt zo zwaar op me, nu je er niet meer bent.

Last but not least: de vertaling. Het moet een heksenwerk zijn geweest, maar Vonck maakt zijn reputatie van meester-vertaler meer dan waar. Souplesse gepaard aan een bijzondere vindingrijkheid waar het de omzettingen betreft van de talrijke Franse neologismen van Michaux die u (nog)niet in de Van Dale zult aantreffen. (Zie de aangehaalde regels uit het gedicht ‘DE GROTE STRIJD’).
Eigenlijk merk je niet dat het een vertaling is – daarom was ik in eerste instantie vergeten er iets over te zeggen – en dat is m.i. het grootste compliment dat je een vertaler kunt geven.

Recensie van De maagden moeten bloeden - Katelijne Brouwer

Ook een koelkast sterft

Katelijne Brouwer
De maagden moeten bloeden
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 9789463360272
€ 15,90
64 blz.

Misschien een rare plaats om deze bekentenis te vermelden, maar ik houd niet van dierentuinen. Ze maken me altijd somber door al die slapende, geeuwende en zich vervelende dieren in veel te kleine hokken. Daar komt nog bij dat het er vaak stinkt. Dit terwijl ik me in de natuur prima thuis voel en de dieren helemaal niet ruik. In de bundel De maagden moeten bloeden van Katelijne Brouwer gaat het in de eerste afdeling ‘In Artis ruikt het net als thuis’ over belevenissen in het bekende dierenparadijs. Ik mag hopen dat deze titel een metafoor is voor het thuisgevoel dat Artis oproept!

Zoals de meeste dieren in een dierentuin liggen te slapen of te luieren, zo werken op mij de gedichten over Artis. Er zijn aardige observaties bij, maar het beeld verandert niet echt door verzen die gaan over een olifant die bij aaien aanvoelt als een lolaborstel of over een zootje vlooiende apen. Poëzie moet mij verrassen, raken of uitdagen. Dat mis ik in deze bundel. Het dieptepunt is ‘Artis kattenbak’ waarin het gaat over het gezamenlijk toiletbezoek van dichteres en kat.

De bundel bestaat uit drie afdelingen, de eerste noemde ik al. De verdeling in afdelingen echter ontgaat me een beetje. Je zou verwachten dat er wat thematische verschillen zouden zijn, maar net als in de eerste afdeling bevatten de andere afdelingen ‘Liefde is nooit een probleem’ en ‘De sirenes jankten’ dezelfde thema’s. Weer een flinke portie Artis en verder gedichten over de cyclus van een vrouwenleven. Misschien is voor deze mengvorm gekozen om te voorkomen dat het bij een thematische indeling een wat statisch geheel zou worden. De verzen over de cyclus van het menselijk leven met alles wat daarbij hoort, zijn universeler en soms goed uitgewerkt.

Koelkast

Er groeit blauwe schimmel op de ham
het broodbeleg heeft groene randjes,
vergeten restjes, koelkastluchtjes.

Achter in mij maakt een pan gekookte
aardappelen zijn eigen antibiotica en
in de groentela sterven blaadjes sla.

Wie ben ik als ik niet meer koelen kan
als mijn lichtje nooit dooft? Nog wat
geflakker en een plasje op de gang.

Als mijn deur niet langer sluit en ik
blijf kieren, mijn rubber verdroogt
en verhardt, dan wacht de sloop.

Vergankelijkheid is doorgaans van toepassing op levende wezens. Het aardige in dit gedicht is dat het gaat over een apparaat met natuurlijk een knipoog naar onze eigen houdbaarheid. Het vers loopt soepel door de assonanties. Origineel uitgangspunt, al zal dit ook wat geursensaties oproepen. Het beeld echter gekoppeld aan de menselijke vergankelijkheid geeft het vers iets universeels.

De winterschilder

De winterschilder kwam en hij nam zijn kleurenwaaier mee.
De zee nam hij mee en het bos, de stad en
de wolkenlucht, de dageraad en de schemering.

Die nam hij allemaal voor me mee. Hij kwam als
een gewone man in een broek, een overhemd en een trui.
Maar hij haalde de wereld uit zijn zak toen hij zijn waaier openvouwde.
Van het diepste blauw tot het lichtste wit met een zweempje roze.

Kleuren geven richting, zei hij. Waaraan, vroeg ik.
Aan het leven, zei hij. Dat is niet gering, zei ik, het leven.
Nee, zei hij, gering is het niet.

Het geeft een gesprek weer tussen auteur en schilder die waarschijnlijk een offerte gaat opmaken om het huis een likje verf te geven. Zijn kleurenwaaier brengt een zekere fascinatie teweeg door de enorme hoeveelheid kleuren, die voor de dichteres de wereld vertegenwoordigen. In de laatste strofe lijkt wel sprake van een readymade, versterkt doordat de dialoog cursief gedrukt staat. Dit gedeelte tilt het vers naar een ander niveau en suggereert diepgang: kleuren die je leven bepalen. Dit is denk ik wel na te voelen. Kleuren kunnen een sfeer versterken. Er zijn ook onderzoeken gedaan naar de invloed van kleuren op de stemming van mensen. We spreken niet voor niets over vrolijke en sombere kleuren.

Rode November

Bij tramhalte Ruysdaelkade kijk ik
altijd omhoog of er licht brandt
in het huis waar ik kind was.

Twee keer oversteken en dan naar links
waar tegen de gevel de wingerd groeit
die rood kleurt in november.

Ik kijk. Jij zwaait als ik naar ballet ga
of patat haal met kroketten
omdat je niet wil koken.

Als ik er niet meer ben, wie kijkt er dan
en weet nog van snackbar en
dansende wingerd?

Uit dit gedicht spreekt heimwee naar vroeger, naar de moeder die ze mist, zoals blijkt uit andere gedichten in de bundel. Het heimwee wordt opgeroepen doordat de schrijfster langs haar ouderlijk huis komt. Ze realiseert zich dat wanneer zij er niet meer is, dat dan eigenlijk ook het ouderlijk huis er niet meer is en dat daarmee haar moeder in de vergetelheid raakt. Een mooie gedachte: wie houdt de herinnering in stand als je er niet meer bent?

De maagden moeten bloeden is het debuut van Katelijne Brouwer. De bundel is niet in alle opzichten geslaagd. Met name de gedichten over Artis en bewoners missen wat mij betreft diepgang en de platvloerse taal stoort mij. Toch staan er gedichten in met universele waarden en gedachten die mij aan het denken zetten. Met name de verzen over de thema’s moeder, moederschap, borsten en borstkanker weten me te raken. De liefde voor de moeder, het eigen moederschap en borsten die aan de ene kant leven geven in de vorm van babyvoeding en aan de andere een tikkende tijdbom kunnen zijn, omdat kanker op de loer ligt.
Kortom, een veelbelovend debuut met zwakke kanten, maar ook zeker sterke. Ik ben benieuwd wat een volgende bundel oplevert.

***
Katelijne Brouwer (1966) publiceerde eerder korte verhalen en gedichten in onder andere De Optimist en Op Ruwe Planken. Haar gedicht ‘De bange man’ staat in de bloemlezing Een toon die in de stilte zoemt, de 100 beste gedichten uit de Turing gedichtenwedstrijd 2015. Online is ze te vinden op De Optimist, De Vallei en Pretpark Poëzie.

Ruimte waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken

 

Herman Rohaert (1958) is germanist, gewezen redactielid van de literaire tijdschriften Appel en Verba.  Jurylid en winnaar van verschillende literaire wedstrijden, docent schrijfcursus en auteur van talrijke publicaties in een brede waaier van literaire tijdschriften, lid van voormalig dichterscollectief mengmeTTaal.

Na alle opsommingen van prijzen tot redacteurschappen ga ik meteen door naar de beoordelingen op je weblog, ‘het samenspel tussen suggestie en intimiteit en de grote verbeeldingskracht waarmee hij beeld en taal verzoent’. Is zo’n verzoening mogelijk? Noodzakelijk?
Suggestie, beeldenpracht, intimiteit, dit zijn drie grootheden die voor mij in goede poëzie onontbeerlijk zijn, dus ja, ze zijn alle drie heel noodzakelijk. Ik hoop dat de lezer die drie gratiën zelf in mijn poëzie kan terugvinden, in ieder afzonderlijk gedicht liefst.

Een goed gedicht, zeg je in een vraaggesprek met Peter WJ Brouwer in 2006, moet voldoen aan de volgende criteria: dichtheid, eenvoud, sfeer en suggestie, verrassende en vernieuwende beeldspraak, ritme en muzikaliteit. Is dat niet een vreselijke opgaaf?
Nee, eerder een heerlijke uitdaging.

Het boeiendst, zeg je in hetzelfde interview, is het scheppen en schaven aan een gedicht. Het proces loont de moeite. Hoe lang ben je bezig met een gedicht?
Ik begin meestal spontaan aan een gedicht en schrijf een eerste versie op het eerste het beste beschrijfbare materiaal dat ik kan vinden, daarna schrijf ik met de hand over en over met telkens kleine schrappingen, wijzigingen, tot ik het resultaat aanvaardbaar vind. Minimaal zullen dat een tiental versies zijn. Daarna typ ik de laatste versie over op mijn laptop, ook hier volgen dan nog enkele versies, uiteindelijk print ik de meest verdienstelijke. Deze print geef ik enkele dagen, weken of maanden kelder, voldoet die dan is het gedicht af, indien niet dan wordt er verder aan gesleuteld. Een langdurig proces dus meestal.

Brouwer zegt onder meer dat er ‘weinig ruimte is tussen gedicht en lezer’. Gebeurt dat bewust? In hoeverre denk je aan de lezer als je schrijft?
Ik weet niet precies wat Peter Brouwer hiermee bedoelt, ik hoop dat er juist veel ruimte is, dat het gedicht ruimte schept waarin de lezer zelf zijn weg moet zoeken, waarin hij ook mag verdwalen. Bij het schrijfproces denk ik hoegenaamd niet aan de lezer, enkel aan wat ik wil zeggen en hoe.

Is een dergelijk contact met een collega onontbeerlijk?
Een contact met een ‘verwant’ collega-dichter is natuurlijk fijn en kan heel inspirerend zijn maar is niet onontbeerlijk, de meeste dichters zijn nogal individualistisch ingesteld.

Wat is er voor jou sinds dat interview in 2006 veranderd?
Niet zo veel, alleen denk en hoop ik dat ik rijper en beter ben geworden, ik voel me zekerder in mijn schrijven, ondervind minder twijfel, ik denk en hoop dat ik wat ‘métier’ heb opgedaan.

Mijns inziens ben je meer naar de media toegegroeid: aan de bundel Lust, last, liefde uit 2017 is een hele voorstelling gewijd die we op YouTube kunnen zien. Ook te zien is hoe je rode pumps in brand steekt met bladeren uit de bundel Gehakt die je met Ivo Konings en Willy Nelissen maakte, december 2017.
Kan een hedendaags dichter bestaan zonder de media?
Dit is een beetje een problematische situatie aan het worden. Een gedicht schrijven en daarna publiceren, hoe mooi het gedicht ook is, is niet meer voldoende, helaas! Er moet tegenwoordig heel veel aan promotie, marketing et cetera gedaan worden, je moet naar buiten treden en de aandacht proberen naar je toe te trekken. Dus wil een dichter tegenwoordig succesvol zijn, moet hij niet enkel mooie en goede gedichten kunnen schrijven, idealiter is hij ook een begenadigd performer, een gewiekst marketeer, een expert in het bespelen van de (sociale) media. Dit heeft soms perverse gevolgen, aan goede dichters die in alle bescheidenheid hun ambacht beoefenen gaat men voorbij, dichters met weinig talent voor het schrijven maar met uitgebreide netwerken en de kennis hoe die te bespelen komen in de aandacht.

Weerkerende thema’s: God, geweld, dood, seks en dan ‘in een dans tussen vanzelfsprekendheid en raadselachtigheid.’ (Brouwer)
Is de suggestie in je werk belangrijker dan de waarheid, bestaat er überhaupt een waarheid?
Een klare en duidelijke waarheid, ik twijfel eraan of die bestaat. Aanwijzingen van, suggesties van waarheid, dat misschien wel.

Huidig jurylid van de Guido Wulmsprijs, Lotte Dodion (1987) is een plaatsgenoot van je. Wat vind je van de nieuwe generatie dichters? In hoeverre is die generatie vernieuwend?
Er zijn heel inspirerende en vernieuwende en frisse jonge dichters, ik bewonder bijvoorbeeld Maud Vanhauwaert en vooral Charlotte Van den Broeck. Er zijn ook jonge, nieuwe dichters die mij minder aanspreken. Of je van een echt ‘nieuwe generatie’ kunt spreken, daar twijfel ik een beetje aan.

De Turing Gedichtenwedstrijd streeft na ‘poëzie een podium te geven voor een groter publiek’. Zijn daar nadelen aan verbonden? Is een wedstrijdelement niet storend?
Ik denk dat ondanks alles en enkele nadelen de Turingwedstrijd toch veel verdiensten heeft. Wanneer je kijkt naar het aantal dichters dat zich voor de wedstrijd inschrijft, is er duidelijk een vraag of noodzaak.

Is poëzie dichter bij de mensen gekomen of is het nog steeds een elitair genoegen? Andersom: zijn er niet veel te veel dichters?
Er zijn misschien te veel dichters maar er zijn vooral te weinig lezers, het aanbod ‘kunst en vrije tijd’ is tegenwoordig zo groot dat poëzie, een genre dat niet zo toegankelijk is en vaak ook energie en toewijding vraagt, een echte nichepositie bekleedt, daardoor ook marginaal of elitair wordt. En ik vrees er een beetje voor dat dit in de toekomst niet gaat beteren.

Je maakte het ‘alfabet van de vrees’ voor de hommage aan Rogi Wieg, uitgegeven door De Knipscheer, juni 2017. Je spelt daarin de woorden Bang en Angst.
Naar mijn aanvoelen was Angst de alles verterende emotie die Rogi’s leven onleefbaar maakte.

Bij het jureren van eerdergenoemde prijs, zei je dat nogal wat gedichten ‘pogingen zijn tot verwerken van persoonlijk leed’. Hoe verhoudt zich dit tot Rogi Wieg? En hebben jouw gedichten geen therapeutische waarde voor jezelf?
Ik denk dat Rogi Wieg een gelukkige uitzondering is, zijn gedichten verheffen zich boven het individuele leed en krijgen een universele waarde. Zelf geloof ik niet zozeer in ‘therapeutisch schrijven’, vaak is therapeutisch schrijven weinig interessant voor de buitenstaander; misschien, hopelijk wel voor de dichter die het gedicht pleegde.

Werk je in opdracht anders? Zoals bijvoorbeeld voor de stad Sint-Truiden?
Natuurlijk is schrijven in functie van een opdracht niet even vrij en ongebonden als wanneer je alles zelf mag bepalen: vorm, inhoud, lengte. Maar aan de andere kant is het ook, om een modewoord te gebruiken, een uitdaging om binnen de opgelegde grenzen toch iets te scheppen waarin je jezelf helemaal kunt uitdrukken, om iets te scheppen dat niet, wat zou dat een ramp zijn, als een dof compromis aanvoelt. En tot op heden heb ik van mijn opdrachtgevers steeds heel veel vrijheid en vertrouwen gekregen zodat ik iets kon maken waar ik ook nu nog helemaal achter sta en gelukkig mee ben. De opdrachtgevers ook trouwens.

In januari werd onthuld het gedicht Borgloon 1018/2018 van 657 kg cortenstaal. Je maakte eerder een bundel van twee in hout gekerfde bladzijden, een project met gedichten op aardewerk. Had je liever kunstenaar willen zijn?
Is een dichter dan geen kunstenaar? Ik vind dichter zijn helemaal o.k., maar ik vind het heel inspirerend om met kunstenaars uit andere disciplines samen te mogen werken, in het ideale geval is het geheel meer dan de som van de delen.

Waarom wilde je absoluut Nederlands studeren? Ik lees dit in de annalen van de KU Leuven
Het leek me heerlijk om me gedurende zes jaar enkel in het vak Nederlands en de Nederlandse literatuur te kunnen verdiepen en verliezen, liever dan mijn aandacht over twee of meerdere talen te moeten verdelen. Zo’n verdieping en concentratie leek en lijkt me een heerlijke luxe. Het werd me helaas niet gegund. Het werd een licentiaatsdiploma in de Germaanse Filologie, zo heette dat toen, dat behaald werd aan de KULeuven.