Recensie van Ik en het gedicht - Jeanet van Omme

Over beginnen, twijfelen, schrappen en herschrijven

Jeanet van Omme
Ik en het gedicht
Uitgever: Schrijfatelier Uitgeverij
2018
ISBN 9789082292213
€ 24
120 blz.

Jeanet van Omme is schrijfdocent en richtte in 2001 het Schrijfatelier op. In 2014 schreef zij De Aap en het Alfabet, een bundel van 26 columns over de lespraktijk van het Schrijfatelier. Ik en het gedicht is haar tweede uitgave, inmiddels ondergebracht bij Schrijfatelier Uitgeverij, dat zij oprichtte uit de behoefte om haar vakinhoudelijke ervaring vast te leggen en uit te dragen. In de inleiding schrijft ze dat dit boek ‘is geschreven voor alle poëzieliefhebbers’, zowel docenten, dichters als lezers.
Het boek bevat gesprekken met de dichters Sasja Janssen, Floor Buschenhenke en Anne van Amstel, die allen ook als docent betrokken zijn bij het Schrijfatelier. Van Omme legde hen ieder vier vragen voor, waarop zij steeds reageerden met een eigen gedicht. ‘Hoe begin je een gedicht?’, ‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’ en tot slot: ‘Hoe ga je om met reacties uit de buitenwereld?’
Het boek is mooi uitgegeven, met een intrigerende voorkant. De titel ‘Ik en het gedicht’ is ontstaan als stiftgedicht uit de zin ‘Ik begin, twijfel, schrap en herschrijf tot het gedicht af is’. Een leuke binnenkomer. Na een enthousiaste inleiding van Bas Kwakman, directeur Poetry International, volgt een tweede inleiding van Jeanet van Omme zelf. Daarin vertelt ze niet alleen over de achtergrond en opzet van het boek, maar presenteert ze ook de belangrijkste conclusies, gelardeerd met fragmenten uit de gesprekken. Eigenlijk een soort samenvatting vooraf. Dit komt een beetje dubbelop of prematuur over. De stappen die iedere dichter zet om tot een nieuw gedicht te komen zijn: ‘Maak tijd en val stil’, ‘Ontwikkel een schrijversoog’, ‘Zet het gedicht op eigen benen’, ‘Geef taal de hoofdrol’ en ‘Vertrouw de lezer’.
Drie dichters en vier vragen levert dus twaalf hoofdstukken op. Elk hoofdstuk opent met een gedicht van de betreffende dichter, dat bij de vraag betrokken wordt. Opmerkelijk is, dat de dichters telkens zelf het gesprek beginnen. Vervolgens babbelt Van Omme wat mee, stelt wat voorzichtige vragen zonder ooit kritisch te worden. Elk gesprek eindigt met een schrijfopdracht en leestips. De leestips zijn interessant, en laten iets van de bagage van de betrokken dichters zien. De schrijfopdracht is vaak direct uit het gesprek afgeleid, en komt dan neer op ‘probeer wat ik gedaan heb zelf ook een keer te doen’.
Als dichter en lezer was ik het meest geïnteresseerd in het hoofdstuk ‘Herschrijven’. Anne van Amstel kiest voor haar gedicht ‘Hoop’ uit Geef me nu ik wil (2016), en presenteert daarbij een oerversie uit 2010. De twee versies verschillen sterk: geen regel is hetzelfde. Van Amstel had het gedicht terzijde gelegd na kritiek van collega’s. Een paar jaar later blies ze het nieuw leven in, omdat de gedachte over de kwetsbare hertshoornvaren goed paste bij de cyclus in haar nieuwe bundel. In het gesprek gaat ze vooral in op de inhoud van het gedicht, en minder op het specifieke proces van het herschrijven.
Het hoofdstuk van Sasja Janssen over herschrijven is een stuk lastiger. Ze vertelt, dat ze het gedicht ‘Flatterzunge’ schreef toen ze hoorde dat ze kanker had. Van Omme: “Heb je de kanker bewust weer uit het gedicht gehaald?” Janssen: “Ik vind het een mooi woord, kanker. Jammer dat het er niet meer in staat. (…)” Van Omme: “Waarom ging het eruit?” Janssen: “Het gedicht dicteert waar het over gaat. Er komen zinnen en die gaan die kant op. Die volg ik dan. Dan stroomt het. Het ging me niet meer om de ziekte, het ging om het uitverkoren zijn.” Als dichter en lezer heb ik hier heel weinig aan. De volgende vragen/opmerkingen van Van Omme leiden niet echt tot meer duidelijkheid over het schrijven: “Het gedicht heeft de jij-vorm”, “Hoe kwam je op die Flatterzunge?”, “Je legt het nergens uit. Je dóet het gewoon.” Nergens een zweem van kritiek of confrontatie. Terwijl toch de volgende uitspraak van Janssen bij mij veel vragen oproept: “Ik wilde iets doen met het feit dat ik kanker kreeg. Ik begon met het gouden kalf. Via het beeld van een messias kwam ik daarop.” Messias en uitverkoren, die snap ik nog wel. Maar het gouden kalf? Dat is toch een heel ander verhaal? Dat afgodsbeeld uit het Oude Testament heeft niets met uitverkoren zijn te maken, noch met de messias, behalve dat het beide Bijbelse begrippen zijn.
Floor Buschenhenke maakt het nog bonter. Over haar gedicht ‘Niet gebruiken in geval van nood’ zegt ze: “Van gedicht 1 naar gedicht 2 was best een heftige herschrijving. Het moest over geloof in verhalen gaan en het moest eindigen met: iedereen gaat dood. Want dat is nu eenmaal zo. (…) ‘De lift steigert als een angstig paard’ – dat is nogal een beeld. Nu ik het zo overlees, zou ik de lift eruit halen. Ik zou ‘m schrappen.” Van Omme: “Wat moet er dan steigeren als een paard?” FB: “Niks.” Van Omme: “Gewoon het paard zelf?” FB: “Ja. De enige reden dat die lift erin staat, is dat die in de vorige versie stond. (…) Ik vind die lift overbodig. Totaal overbodig.” Van Omme: “Dit wordt heet-van-de-naald-herschrijven!” Ik deel Van Ommes enthousiasme niet. Sterker nog: ik voel me als lezer opgelicht. Het is precies wat ik vaker ervaar bij een bepaald soort moderne associatieve poëzie. Het komt allemaal zo willekeurig over. Blijkbaar is er door de dichter zo slecht nagedacht over dit gedicht, dat alleen al door erover te praten (Van Omme stelt zich geenszins op als kritische redacteur) er bij Buschenhenke de behoefte ontstaat het gedicht volledig op de schop te gooien. Op zich niets mis mee, maar ik begrijp niet waarom je dit gesprek dan toch in het boek opneemt, in plaats van met een beter voorbeeld te komen van een herschrijving.

Met deze kritisch besproken voorbeelden wil ik niet zeggen, dat Ik en het gedicht geen aardig boek is om te lezen. Zeker voor beginnende dichters staan er veel interessante overwegingen en nuttige aanwijzingen in. We krijgen een levendig beeld van het schrijfproces, met soms interessante achtergronden bij de gepresenteerde gedichten. In de gesprekken en tips is weinig aandacht voor techniek (metrum, assonantie, vorm). Misschien hangt dit samen met de keuze van de geïnterviewde dichters, die in de gepresenteerde gedichten alle drie voornamelijk het vrije vers hanteren. Zeker bij de beantwoording van vraag twee en drie (‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’) zou meer aandacht voor de ambachtelijke aspecten van het gedicht op zijn plaats geweest zijn. Verder valt op, dat er in de gesprekken tussen Van Omme en de dichters weinig sprake is van distantie. Het boek heeft een hoog ons-kent-ons gehalte, en dat is jammer wanneer het ook voor lezers buiten de cursisten van het Schrijfatelier bedoeld zou zijn.

Recensie van Alles gebeurt onderweg - Annemie Deckmyn

Uit de raten van een reisbij

Annemie Deckmyn
Alles gebeurt onderweg
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339270
€ 17
64 blz.

Het debuut van Annemie Deckmyn begint met een citaat uit het werk van Jean-Paul Sartre (1905-1980): ‘Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen.’ Dit citaat verklaart enigszins de titel van de bundel. Sartre wist waarover hij het had. Zoals J.K. Huysmans en Georges Bataille schreef hij bladzijden vol in het Café de Flore. En hij beperkte zijn verkenning niet tot die ontmoetingsplaats. Zoals Simone de Beauvoir en Albert Camus schreef hij ook in een ander beroemd café: Les Deux Magots. De zoektocht naar het zelf leverde Sartre alleszins  bizarre kennis op: ‘L’enfer, c’est les Autres’ (in het toneelstuk Huis Clos, 1944). Annemie Deckmyn laat die vaststelling gelukkig links liggen, en ze heeft zich ook niet op het hellepad van Dante Alighieri (1265-1321) begeven. Het lijkt erop dat ze het leven als een reis opvat, een reis met slechts één doel: het leven zelf. Voor wie altijd op reis is, gebeurt alles altijd onderweg. Er is immers geen vaste aanlegsteiger, geen bestendige ankerplaats, tenzij misschien de taal van het denken en aanvoelen. De dichteres draagt de bundel op aan ‘wie naast [haar] gaat’, de Ander, de medereiziger.

Alles gebeurt onderweg bestaat uit zeven reeksen gedichten waarvan er enkele worden ingeleid met een citaat. Aan de eerste cyclus, ‘Wij’, gaat een uitspraak van de Libanese dichter, denker en schilder Kahlil Gibran (1883-1931) vooraf: ‘Wij zullen elkaar nimmer begrijpen zolang wij de taal niet tot zeven woorden terugbrengen.’ De schrijver van De profeet (1923) heeft er met die uitspraak op gewezen dat het essentiële uitdrukken niet gebeurt door een massa woorden op elkaar te stapelen, maar door het aantal woorden te beperken, en dat is een van de kenmerken van Deckmyns poëzie. Gibran schreef ook dat ‘Alleen hij die duizendmaal verdwaalt [eens] thuis zal komen.’ Die uitspraak is behoorlijk rekkelijk, maar ze past ook in de zoektocht van dichters: vaak verdwalen in woorden draagt ertoe bij dat men die ‘zeven’ woorden van Gibran achterhaalt. In het eerste gedicht lees ik ‘jong als een maandag / waren we, en welbespraakt.’ In de laatste strofe geeft de dichteres te kennen: ‘ik zie je liever zwijgend. / ontdoe je van je jas en jaren, / toon me elk verschil.’ (p. 6) Met de eerste versregel, ‘jong als een maandag’, herinnert de schrijfster gewild of ongewild aan het scheppingsverhaal. De schepping staat nog in haar kinderschoenen, het is maandag, en de protagonisten zijn jong (uiteraard) en ‘welbespraakt’. Na jaren van zoeken en verdwalen hoeft die welbespraaktheid niet meer, de dichteres ziet haar medereiziger ‘liever zwijgend’. Ze verlangt niet eens naar die zeven woorden.

De eerste cyclus is vanzelfsprekend het reisverhaal van de dichteres zelf: ‘gedurfde keuzes konden we niet maken, ze hingen aan de haak / bij de wanten en sjaals, haastig om ons te verlaten. / wij ontsnapten niet aan de middelmaat. / bouwden een huis waarin we ouder werden.’ (p. 7) De reis mocht dan wel het doel zijn, ze verliep volgens een geijkt stramien, ingegeven door een omgeving, en wat onderweg gebeurde, kinderen krijgen en ze zien opgroeien, leidde tot berusting: “wij, uitgeput, vonden elkaar in verschoten zetels. / van hun verhalen verzadigd dommelden we in.’ (p. 7) Het is een zeer herkenbare reis, met lichtpunten en weemoedige gedachten: ‘op glanzend papier de zomer bewaren. / het feest opbergen in een la, voor later, / als we op de bank samen staren / naar de kust in een kader. // kijk, hier zijn we geweest.’ (p. 8) Het is een veredelde versie van ‘Kilroy was here.’ Ook al is het leven een reis zonder bestendige ankerplaats, leven betekent ook een terrein afbakenen door het aanbrengen van een merkteken. En al bestaat er geen handleiding ‘over de kunst om op een goede plek / je zandkasteel te bouwen’, toch beginnen de meesten te spitten, maar ‘de stoerste burcht verzakt het eerst. // de vloed komt onvermijdelijk. / overspoeld zijn we elkaars gelijke.’ (p. 9) Niet één merkteken kan aan de tijd weerstaan, en onvermijdelijk dringt zich een nieuwe reis op. Deckmyn verwoordt haar gevoelens en gedachten op een bijzonder sobere manier in gedichten met een wisselende vorm en zonder eind- of binnenrijm. Er is nu en dan hooguit sprake van alliteratie. Het aandeel van de reiziger in het verhaal is veeleer miniem, het lijkt erop dat de reis zich vanzelf voltrekt:

we behoren toe aan de straten van de stad,
bewonen een huis waaruit licht lekt.
mensen onzichtbaar achter muren.
het is een avond om voorbij te gaan.

schatplichtig aan versleten stenen zijn we,
tol voor wat bewaard blijft en behouden.
trappen in arduin, de koperen engel
gebogen aan het bruggenhoofd wacht.

gevels in het water lichten op.
een kier volstaat om binnen te kijken,
elke overkant is verder dan gedacht.

(p. 10)

De tweede reeks gedichten werd samengebracht onder het kopje ‘Ik’, en de dichteres laat Oskar van der Hallen (1903-1979) aan het woord: ‘Zelfkennis is als een ziekenhuisbed: proper maar pijnlijk.’ Het is een aforisme dat ik, gelet op Van der  Hallens belangstelling voor het werk van de Franse katholieke schrijver Georges Bernanos (1888-1948), de schrijver van Sous le soleil de Satan (1926), kan plaatsen, maar dat misplaatst is in deze sobere bundel. Zelfkennis is niet per definitie pijnlijk, en een ziekenhuisbed is niet altijd proper – ik spreek uit ervaring. Nadat de schrijfster vastgesteld heeft, dat een aantal van haar wensen onbereikbaar blijken te zijn, stelt ze: ‘het wil niet lukken, ik ben mezelf. / snij elke dag met frisse moed / mijn verse overvloed aan stukken.’ (p. 15) Het is toch niet pijnlijk overvloed te hebben, en die elke dag met frisse moed aan stukken te snijden. Deze vitalistische strofe staat volledig haaks op de uitspraak van Van der Hallen. Zelfs wanneer de schrijfster in een ver land ten val komt – op het vertrouwde pad kent ze ‘elke struikelsteen’ – , ‘alles gebeurt onderweg’, staat ‘de prins van toen, een jutter’, en ‘vindt [haar] na de storm, / draagt [haar] naar huis.’ (p. 17) Maar misschien is het pijnlijke dat de schrijfster zoals vele andere dromers toch niet altijd onderweg is, dat ze toch een ankerplaats heeft, een huis dat ook de prins van toen kent, en wellicht samen met haar deelt, al is hij kennelijk een jutter geworden.

In de derde reeks gedichten, ‘Weerhaken’, ingeleid met ‘Poëzie is een manier om het leven bij de keel te grijpen’, een citaat uit het werk van de Amerikaanse dichter en toneelauteur Robert Frost (1874-1963). Frost liet zich vooral inspireren door de natuur van New England en schreef eenvoudig opgebouwde gedichten. Zijn uitspraak past beter bij het werk van Deckmyn dan die van Van der Hallen. Ik citeer een kort sober gedicht dat dicht bij de natuur aanleunt en als het ware het citaat legitimeert: ‘het was een slecht jaar. / we kwamen niet verder / dan enkele spadesteken. // langs de schaarse gewassen / de slijtgang van de sleur. / hier valt niets te oogsten. // raven wachten op een kreng. / er knaagt een wezel in de stal. / we breken onze schuren af.’ (p. 20) Het zouden de gedachten van een boer in Vlaanderen of Nederland kunnen zijn. Onopgesmukte beelden, geen adjectieven en werkwoorden die op ongenoegen wijzen. De reis door het leven slaat weerhaken in de reiziger, en hier valt wel pijn op, maar het is niet de pijn van de zelfkennis, het is de pijn van de existentiële ervaring. Er zijn ook beelden van de cyclische beleving – de levensreis begint steeds opnieuw – van de ontdekkingstocht, die zeer nauw bij de natuur aanleunen: ‘november maakt slagzij. / het donkert waar we wonen, / we spreken wintertaal, / bevriezen in elke plooi. // de eenden zwijgen, / onze gedachten zijn ijs. / we schaatsen naast elkaar. / ontwijken een woordenwak. // straks warmen we ons / aan het resthout thuis. / winter is te harden, / we wachten op dooi.’ (p. 22) Pijnlijk, maar ‘winter is te harden’, want er hangt dooi in de lucht.

De vierde reeks, ‘Nog even respijt’, lijkt een voorlopige balans te zijn, die wordt ingeleid met enkele woorden van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): ‘De ouderdom is een beleefde mens. / Hij klopt enkele malen aan.’ De ouderdom komt onmiddellijk aan bod: ‘we zijn bereisd. geen grenswacht weerhoudt ons.’ Bereisd zijn vergt een (vrij) lang leven, en dat betekent dat er op een dag ‘zwarte vogels krijsen om ons brood.’ Het is een teken dat liefst zo snel mogelijk naar de achtergrond wordt verdrongen: ‘verjaag hen met je handrug, stel me gerust: / het is slechts reizen, we keren nog terug…’ (p. 28) De reis lijkt dan toch niet het echte doel van de reis te zijn, er is toch een haven, een ankerplaats die op de reizigers wacht. De ouderdom klopt ook aan in de herinneringen die langzaam nieuw reisplannen gaan overheersen:

een orkaan herinneringen,
stiefdochters uit de sprookjestijd.
zij stromen als sap in de stam.
omkijken is fataal.
we kiezen de storm niet,
de storm kiest ons.

verleden is verdwaalde pasmunt
uit onze diepste laden
bijeengeveegd, wie bepaalt de waarde?

(p. 31)

Let op het afgewogen woordgebruik: herinneringen zijn geen dochters, maar stiefdochters, en omkijken is even gevaarlijk als in het verhaal waarin de vrouw van Lot omkeek en in een zoutzuil veranderde. (Gen. 19:26) Daarna volgen nog de cycli ‘Kleine vuisten’, ‘Vader en moeder’ en ‘Vier elementen’. Deze reeksen bevatten gedichten met een zelfde sobere, diep afgewogen zegging, en ter afronding citeer ik het laatste gedicht, ‘Imker’, dat me enigszins doet denken aan het werk van Sylvia Plath (1932-1963). Plath heeft vijf gedichten over bijen geschreven nadat ze zich op het einde van haar leven met bijen was gaan bezig houden – haar vader, Otto Plath, had haar in een ver verleden de weg gewezen, o.a. met de publicatie van Bumblebees and Their Ways (1934). Otto Plath was geen klassieke imker, maar dat is de imker van Annemie Deckmyn evenmin: ‘ze deed het. / zo moest het gaan. / dezelfde dag nog / stond ze bij de korven. / alleen en onbeschut / het aan zijn bijen / komen zeggen: / ‘de imker is gestorven.’ (p. 57) Misschien stond ook Sylvia Plath als klein meisje bij de vroege dood van haar vader ooit bij zijn al dan niet reële korven.

Alles gebeurt onderweg is een debuut dat vraagt om een trage lezing. De schrijfster heeft geen woord te veel gebruikt en de zegging beperkt tot de essentie. De bundel is beslist een aanwinst, nu de podiumpoëzie hoge toppen scheert. Niet het effect van de woorden, maar de verborgen laag van de zegging staat voorop in het werk van Annemie Deckmyn, en dat is een kwaliteit die ik ten zeerste waardeer.

Recensie van Ik herhaal je - Ingrid Jonker

De achttiende druk en toch een recensie. Waarom?

Ingrid Jonker
Vertaler: Gerrit Komrij
Ik herhaal je
Uitgever: Podium
2018
ISBN 9789057599125
€ 19,99
221 blz.


Het leven van Ingrid Jonker
(1933 – 1965) blijft velen tot de verbeelding spreken, misschien juist in
deze tijd. Het bevatte alle dramatische elementen voor een  succesvolle film  en mede dankzij Boulevard-achtige aanbevelingen (‘Meeslepende en ontroerende liefdesbrieven laten je proeven van de immense schoonheid en pijn van het bestaan’, stond er bijvoorbeeld in de kwaliteitskrant Trouw*) werd  Vlam in de sneeuw, haar onstuimige briefwisseling met André Brink, goed verkocht. Het verbaast daarom niet dat er een achttiende druk is verschenen van Ik herhaal je, bestaande uit een ruime, tweetalige selectie van haar gedichten en een biografie.
Omdat de fascinatie voor Jonkers leven onverminderd groot blijft, is het goed om nog eens aandacht te besteden aan haar werk. Ik doe dat voornamelijk aan de hand van een exemplarisch gedicht.

Haar oeuvre is niet groot: bij leven heeft ze de bundels Ontvluchting (1956) en Rook en oker (1963) gepubliceerd; Kantelson verscheen postuum in 1966. De selectie en vertaling van de gedichten is van Gerrit Komrij, de biografie die ook in deze bundel is opgenomen van Henk van Woerden.
De gedichten zijn sterk autobiografisch en dat zorgde voor de betrokkenen soms voor veel ongemak. Toch hoef je over haar leven niet veel te weten, want namen gebruikt ze nauwelijks en de gedichten hebben over het algemeen een wijder bereik dan het strikt persoonlijke. En, nog belangrijker, ondanks haar schijnbare nonchalance was ze een meester van de vorm: haar gedichten zijn klankrijk en ritmisch, ze schreef beeldend en haar woordkeus is aantrekkelijk. Dat beleef je pas echt als je de gedichten in het Afrikaans leest (de bundel is gelukkig tweetalig), want, met alle respect, in de vertaling van Komrij gaat veel verloren.
Om beide te demonstreren citeer ik het bekende gedicht ‘Bitterbessie dagbreek’ zowel in het origineel als in vertaling. Daarnaast laat ik aan de hand van dit gedicht de werking zien van een paar beelden die door haar hele werk spelen.

BITTERBESSIE DAGBREEK

Bitterbessie dagbreek
bitterbessie son
’n spieël het gebreek
tussen my en hom

Soek ek na die grootpad
om daarlangs te draf
oral draai die paadjies
van sy woorde af

Dennebos herinnering
dennebos vergeet
het ek ook verdwaal
trap ek in my leed

Papegaai-bont eggo
kierang kierang my
totdat ek bedroë
weer die koggel kry

Eggo is geen antwoord
antwoord hy alom
bitterbessie dagbreek
bitterbessie son

BITTERVRUCHT VAN DAGERAAD

Bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon
een spiegel is gebroken
tussen mij en hem

Wil ik langs de hoofdweg
rennend op een draf
telkens slaan er paadjes
van zijn woorden af

Dennenbos herinnering
dennenbos vergeet
waar ik ook verdwaal
trap ik in mijn leed

Papegaai-bonte echo
lacht me, lacht me uit
totdat ik bedrogen
op het spotwoord stuit

Echo is geen antwoord
antwoordt hij alom
bittervrucht van dageraad
bittervrucht van zon

Wat betreft de vertaling: neem de eerste strofe van het origineel. De herhaling van de medeklinkers ‘b’ en ‘s’ in combinatie met het ritme (‘Bitterbessie dagbreek / bitterbessie son) en het gekruiste rijm met de afwisseling van vol- en halfrijm, zorgen voor een speelsheid die tegengesteld is aan de inhoud, die daardoor des te schrijnender overkomt. Bij Komrij vind je daar niets meer  van terug. En in de tweede strofe: het tentatieve ‘Soek ek’ bij Jonker is veel sterker dan het wat verongelijkte ‘Wil ik’ bij Komrij. En ook het ‘oral’ (overal) past beter bij de verwarring waarin de ‘ik’ verkeert dan het ‘telkens’ bij Komrij. ‘Telkens’ is alleen maar irritant hinderlijk voor iemand die langs de hoofdweg wil draven.

Alles verkeert in zijn tegendeel in dit gedicht. Hier is ‘dagbreek’ geen belofte, zoals in gedichten als ‘Moenie slaap nie’ (‘Slaap niet’):

Moenie slaap nie, kyk!
Agter die gordyne begin die dag dans
met ’n pouveer in sy hoed                                                        pauwenveer

En in ‘Bitterbessie’ zijn de paden dwaalwegen, in andere gedichten uitwegen. Dennenbossen vormen herinneringen aan een gelukkige jeugd – voordat ze bij haar vader kwam te wonen, tenminste – , in ‘Bitterbessie’ is het : ‘dennebos vergeet’.
Een spiegel verbeeldt de verdubbeling ten gevolge van de liefde: ‘Mijn omhelzing heeft me verdubbeld (…) // in een kamer ver weg / achter de gemorste herfst / kijken je ogen verdwaasd / naar de spiegel van je lijf’ schreef ze in een gedicht dat ze opdroeg aan André Brink. Hoewel in dit gedicht ook geen sprake is van puur geluk, in ‘Bitterbessie’ is de spiegel gebroken.
Puur geluk vind je in het gedicht ‘Ik herhaal je’. Hier is niet zozeer sprake van verdubbeling, maar van een overvloeien in elkaar: ‘Ik herhaal je / zonder begin of einde / herhaal ik jouw lichaam/ (…) met mijn borsten / die de holtes van jouw handen imiteren’.  (In het Afrikaans luidt die laatste regel: ‘wat die holtes van jou hande namaak’. Ook hier is het origineel weer mooier; vertalen kan ondankbaar werk zijn).

Ook in haar geëngageerde gedichten, als ze zich tegen de Apartheid keert, is de liefde sterk aanwezig. Nelson Mandela maakte haar gedicht ‘Het kind dat is doodgeschoten door soldaten in Nyanga’ wereldberoemd door het (in het Engels) voor te lezen tijdens zijn inauguratie als president in 1994. (Het origineel en de Nederlandse en Engelse vertaling vindt u hier). De laatste regel van dit gedicht, ‘Zonder een pas’, verwijst naar de beruchte pasjeswetten. Bij de demonstraties daartegen schoot een soldaat het kind in zijn moeders armen een kogel door zijn hoofd – Jonker identificeerde zich met de moeder, het kind had haar dochter Simone kunnen zijn, maar, zoals ik al eerder zei, nodig voor het begrip van dit gedicht is deze wetenschap niet. Het heeft een veel wijder bereik.

Het tweede deel van Ik herhaal je, de biografie ‘De dag kent een smalle schaduw’, is onevenwichtig en schetsmatig: zo telt het deels in verhaalvorm gegoten gedeelte tot en met haar elfde jaar twintig bladzijden en de daaropvolgende twaalf jaar tot haar debuut in 1956 acht. Dat kun je Henk van Woerden niet aanrekenen. In zijn verantwoording uit 2000 schrijft hij dat de controverse waartoe Jonker tijdens haar leven aanleiding had gegeven nog steeds actueel was, het Jonker-archief angstvallig werd bewaakt door de erven, op de vier ongepubliceerde  proefschriften over haar een embargo rustte en dat het gedeelte van het archief dat in het bezit was van een neef alleen voor een grote som geld beschikbaar zou worden gesteld. In een noot vermeldt de uitgever dat er na het overlijden van Van Woerden in 2005 veel informatie is vrijgegeven. Een herziene versie van de biografie zou daarom welkom zijn geweest. Ook een volledige uitgave van haar gedichten is wenselijk, maar niettemin is het goed dat er een nieuwe druk van Ik herhaal je is uitgekomen.

***
*Geciteerd in de aanbeveling ‘Lees ook’ in Ik herhaal je.

Anton Gerits

Anton Gerits (’s Gravenhage, 1930) debuteerde als dichter in 1957 met de bundel Grondbezit. De onlangs verschenen bundel Verzamelde Gedichten geeft een beeld van zijn ontwikkeling als dichter vanaf zijn 17e tot en met vandaag.
Hij schrijft bij voorkeur in reeksen wat verband houdt met de aard van zijn werk, Anton Gerits is antiquaar, genoot zijn opleiding bij Martinus Nijhoff in Den Haag, had een eigen zaak en heeft veel gereisd.

Ontmanteld

De kleding die haar droeg en stutte
in het decorum dat zij met zorg
blijmoedig zocht en onderhield
bleef in een kille hangkast achter
onopgemerkt van haar vervreemd.

Hoe zij opnieuw werd uitgedragen
toen ook haar kleding ons verliet
door stille handen werd geladen
en ’s avonds laat een koude maan
onaangedaan naar binnen scheen.

Uit In memoriam, 2015

Eenzaam
(voor Ad Vermijs)

Alleen in eenzaamheid is eenzaamheid te dragen.
Jeneverbes de winter wachtend op de heide,
geen dagjesmensen meer die komen kijken,
de schijnbessen in niemandsland vergeven,
de eigen schijngestalte door een lage zon
getekend, langzaam uitgeveegd in schemer
en regendruppels door een schrale wind verdreven.
Alleen in eenzaamheid is eenzaamheid te dragen.

Uit Bij wat er is, 2010

Telkens als je bij mij komt,
een streling om mijn schouders liegt,
voegt zich mijn hoofd naar wat het zelf
bedacht heeft aan bemind te zijn
en wacht daarin op wat niet slaapt,
niet rijpend wakker wordt in jou
omdat je altijd verder gaat
naar waar je niets te zoeken hebt
en mij laat zoeken waar ik je
niet vinden kan, niet waar je bent
niet waar ik je zou willen zien,
wind, onverschillige wind,
je bent er niet, ik ben alleen
en luister elke lange nacht
naar wat ik een eenmaal van je dacht.

Uit Litanie van de wind, 1999

Alle gedichten hier vermeld, zijn opgenomen in
de bundel Verzamelde Gedichten, 2017

Hannie Rouweler

Hannie Rouweler (Goor, 1951) is dichter, schilder, vertaler. Ze debuteerde in 1988. Sindsdien zijn ruim 30 dichtbundels en enkele korte verhalen verschenen, waaronder vertalingen. Haar uitgeverij, Demer Uitgeverij / Demer Press, bestaat in 2018 tien jaar.
.


foto: Roelof Schuiling

I

We leven in arme tijden, de dichter
en zijn woorden –
met een beetje geluk
bereiken ze het einde van een straat
ontmoeten iemand
die er ballonnen aan ophangt:
kijk daar gaat de dichter en zijn woorden
ze vliegen over daken
en komen aan op een boerenerf
langs de waterkant
waar eenden rondzwemmen in het riet
een reiger stokstijf stilstaat –
daar liggen de woorden dan
te rusten bij stenen en een waterplas.

II

Vredig in zichzelf opgesloten
hebben woorden een tijdelijk bestaan
totdat de eerste regenbui klettert
op de harde buitenkant, de kern,
en vallen ze uiteen als brokstukken
dwarrelen door de koude lucht
als de wind in het oosten opsteekt.

III

De woorden zijn zo hopeloos zichzelf alleen
in deze late nacht dat ik mijn handen uitreik
naar alles wat ziek en verloren raakte
in de roekeloze tornado’s van deze tijd:
de wegversperringen, de loeiende orakels,
mijn toevlucht zoek tot enkele gevoelige
snaren die natrillen in de avondlucht
en jou bereiken als een ver gelegen ster.

Uit de bundel Good Bye Tot Ziens, Demer, 2017

Het beddensprei

Gehaakt in het oog van verblindende
patronen. De grammatica van het Grieks
dode taal van mijn overleden moeder.
Het sprei van haar kennis en geduldige hand

ligt nu onderin de kast. Het levendige latijn
van mijn vader. Schop in de grond, het wieden
van gras. Onkruid in zijn mond en dan spugen
tegen de wind. Hij bouwde vooruit en had een dak

boven zijn hoofd. Zo heb ik je lief met het zicht
van voortglijdende zeilen, schepen in de nacht.
Wij zien witte wolken voorbij de maan trekken.
Jij spreekt ik zwijg. Ik spreek jij zwijgt meestal

in jezelf. Ik heb jou in vele gesloten spiegels ontmoet
terwijl je niet veranderde. Misschien enkele dagen
in mijn afwezigheid. Ik leef nu in een roodgespreid
bed. Het sprei van schoonheid ligt boven onszelf.

Uit de bundel Rozen in december, Demer, 2017