Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.

Gedichten

door Martin Reints (1950)
Martin Reints (Amsterdam, 1950) publiceerde de essaybundel Nacht- en dagwerk (1998) (J. Greshoffprijs) en de dichtbundels Waar ze komt daar is ze (1981), Lichaam en ziel (1992) (Herman Gorterprijs), Tussen de gebeurtenissen (2000) (genomineerd voor de VSB Poëzieprijs), Ballade van de winstwaarschuwing (2005) (eveneens genomineerd voor de VSB Poëzieprijs) en Lopende zaken (2010). In zijn meest recente bundel Wildcamera (2017) staan gedichten en beschouwingen.
 

Kimono

Het is nog licht, maar het is ook al donker
nu ik ophou met lezen
en het boek naast me neerleg

de wereld om me heen is een zwartfluwelen kimono
en ik kijk naar de binnenvoering:

een striptekening van een man in de avondwind
die op een fluit loopt te spelen

en laag aan de hemel een volle maan, lijkbleek,
met de schim van iemand die de man bespiedt

nu hou ik op met kijken

straks komen de vleermuizen op insecten jagen
en morgen gaat het stormen, regenen en onweren

een muis loopt naar het houthok
een duif is op weg naar een van de bomen.

Wanden met ordners

Dit is wat de advocaat denkt:
je kunt ergens aan beginnen, ermee doorgaan,
en er dan mee ophouden

en wachten, en dan weer verder gaan

hij gaat naar zijn printer,
kijkt of zijn pleitnota daar is aangekomen
en wacht

wacht tot hij de pleitnota kan opbergen in een van de dossiers

omgeven door de geluiden die je alleen hoort wanneer het stil is
en omgeven door wanden met ordners

in een van de wanden een houten deurkozijn
met daarin een openstaande houten deur

een op de grond gewaaid papiertje tegen een stoelpoot

ik moest, ik weet niet,
ik moest wakker worden
en ik merkte dat ik in bed lag en niet meer sliep.

Recensie van Geen delicatessen - Erik Spinoy

‘Een cirkel die geen vicieuze cirkel is’

Erik Spinoy
Geen delicatessen
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552572
€ 7,50
47 blz.

In de tweede Hans Groenewegen-lezing citeert dichter, essayist en literatuurwetenschapper Erik Spinoy uit Paul van Ostaijens ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’, en op die manier gaat hij vanaf het begin in tegen de kritische en poëticale opvattingen die o.a. in het tijdschrift Merlyn (1962-1966) en in Lieve Scheers’ werk De poëtische wereld van Paul Snoek (1966) werden gehuldigd. De biografische lezing van gedichten moest in de close reading-aanpak wijken voor de opvatting dat poëtische teksten autonoom zijn. Van Ostaijen beschouwde literaire teksten terecht als een soort vingerafdruk van de schrijver of schrijfster. Ze zijn het resultaat van zijn of haar in-de-wereld-zijn, van top tot teen en vanaf het eerste woord dat hij of zij heeft gehoord tot het eerste en het laatste woord dat ze hebben gesproken of geschreven. Taal wordt verworven, er klinken altijd andere stemmen in door. Van Ostaijens verzameld werk is daar een duidelijk bewijs van, denk maar aan zijn belangstelling voor de film en de neerslag daarvan in zijn gedichten, de invloed van de oorlog, enz.

Ondertussen is poëzie een intertekstueel verschijnsel geworden, gedichten zijn transformaties van al bestaande teksten en betekenisvelden, en daardoor zouden ze geen aanspraak kunnen maken op authenticiteit en onwrikbare waarheid. Voor mij betekent dat echter niet dat er geen lyrische waarheid meer bestaat. Volgens Kierkegaard is waarheid subjectief, anders gezegd: er is niet één universele en eeuwigdurende waarheid. In ons huidig tijdsgewricht is dichterlijke waarheid, zoals dat altijd al het geval was, intersubjectief, d.w.z. veranderlijk en afhankelijk van de deelnemers aan het poëtisch gesprek. Enigszins verontrustend is dat translatiepoëticale opvattingen, weliswaar op een andere manier dan bij de essayisten en critici die in Merlyn aan het woord waren, de dichter van vlees en bloed uit het beeld laten verdwijnen. Spinoy verwijst naar o.a. de Franse filosoof Derrida, die naar mijn aanvoelen in een aantal besprekingen, zijn op oorspronkelijk werk geënte commentaren even sterk heeft laten ontsporen als de Merlynisten in hun beschouwingen. De filosoof heeft meermaals uit het oog verloren dat beschouwingen over literatuur of visuele kunst een dienende rol hebben, de criticus of de beschouwer moet zich als een schaduwloper gedragen. Er bestaan nochtans benaderingswijzen die zowel recht doen aan de mens(en) achter het werk en zijn of hun werk, ik denk o.a. aan de analyses van het werk van Paul Celan door de Duitse filosoof Georg Gadamer, de inzichten van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty – met zijn voor de poëziebespreking wellicht vruchtbare inzichten over het ‘lichaam-subject’ – en de commentaren van Martin Heidegger bij het werk van Friedrich Hölderlin.

De depersonalisatie van het poëtisch spreken en de verdringing van het schrijvende ik, komt er volgens Erik Spinoy op neer dat we een illusie koesteren wanneer we denken dat we zelf het woord voeren. Volgens de essayist is de postmoderne tekstverzamelaar-dichter ‘fundamenteel onteigend’. (10) De psychoanalyticus Lacan erkent het menselijke subject als wezen in een onverschillige omgeving, en de erkenning van het subject betekent logischerwijze dat authentiek spreken en schrijven wel mogelijk is. Lacan laat de spreker, de schrijver niet los, terwijl Derrida vooral oog heeft voor teksten die andere teksten voort brengen, bijna zoals in de fysica en de dialectiek waar actie of these en reactie of antithese een ketting vormen. Maar het schrijven, zelfs het intertekstueel schrijven is geen kettingreactie, het subject kan bijna altijd een andere wending geven aan de genese van een nieuwe tekst.

Spinoy keert terug naar de stelling van Paul van Ostaijen en wijst erop dat volgens de dichter de mens wel degelijk aanwezig is in zijn gedichten, maar nooit in zijn totaliteit en nooit volledig zichtbaar en toegankelijk. Om misverstanden te voorkomen, voeg ik er aan toe dat hij dat ook voor zichzelf en de anderen is in het leven van elke dag. ‘De afwezige “aanwezigheid des dichters” trekt een breed spectrum aan sporen in de tekst.’ (15) En die sporen nemen andere vormen aan tijdens de loop van een dichterleven. Zoals de levenservaring, die niet alleen cumulatieve maar ook prospectieve facetten vertoont, agglutineren de taalregisters en de gesprokkelde tekstfragmenten waardoor het voorwaarts geleefde leven rugwaarts begrepen en voorwaarts geprojecteerd kan worden. Een zinvolle toekomst is in een eerste fase niet meer dan een subjectief verhaal. Wie oog heeft voor de vele facetten van een gedicht ‘stoot op de sporen van een aanwezigheid die méér is dan de som van geschiedenis en samenleving, dan het quotiënt van poëtica, posture en discours.’ (15) Zelfs al is een gedicht nooit geheel toegankelijk, door de talige horizon van de dichter en de lezer is een horizonversmelting, of een zinvolle lezing mogelijk die recht doet aan de dichter of dichteres en de gelezen tekst als tekst, waarin per definitie altijd echo’s meeklinken uit de massa- en de samenspraak. Elke lezer voltooit op zijn of haar manier een gelezen gedicht, en geeft op die wijze ook een (nieuwe) deelinhoud aan het leven van de schrijver achter de tekst.

Er is echter nog een ander element dat door de essayist wordt aangekaart: de problematiek van het onuitspreekbare – en hij wijst erop dat het reiken naar woorden of beelden nooit een volledig bereiken wordt, en die ervaring ‘moet dichters als De Haes en Bartosik er dus toe hebben aangezet steeds vaker het zwijgen dat volgens Van Ostaijen bij de “ogenblikken van volkmaakte volheid” hoort, te verkiezen boven het dichten.’ (30) Zwijgen en witregels zijn inderdaad zeer betekenisvol. De Deense schrijver Martin A. Hansen heeft in veel novellen de onuitspreekbaarheid treffend in aarzelende woorden gevat, en zijn in het Noors schrijvende landgenoot Aksel Sandemose schreef in de roman Ross Dane (1928): ‘Hoe meer ik zou willen zeggen, hoe minder ik het gezegd krijg.’ Het poëtische spreken is uiteindelijk ontoereikend, zowel voor de dichter als voor de lezer. Een gedicht is vaak een monoloog, zelfs wanneer de dichter zich expliciet tot een lezer of aangesprokene richt, en de dialoog die lezer met het gedicht aangaat verloopt indirect en post factum.

De ontoereikendheid is geen reden om definitief te zwijgen, het gaat om ‘een reiken  dat nooit een bereiken wordt. Een cirkel die geen vicieuze cirkel is.’ (37) De essayist voegt er hoopvol aan toe: ‘Fail again. Fail better.’ Het is een tweeledige opgave: zowel de dichter als de lezer moet blijven proberen en blijven falen, om zo telkens wat dichter bij de essentie van de existentiële ervaring te komen. Dat een volledige en herkenbare aanwezigheid onbereikbaar is, ligt voor de hand. Vaak worden de zwarte gaten door metaforen vervangen, en die versterken het onvatbare, want metaforen zijn bruggen én kloven. De lezer die zich over de brug waagt, kan niet tegelijkertijd door de kloof wandelen en omgekeerd. Hij of zij kan dat wel in twee tijden doen, en zo de gelijktijdigheid in een ongelijktijdige benadering ervaren. Dat betekent echter dat men twee verschillende lezingen van een gedicht als waarheidsvinding accepteert.

Het essay van Spinoy vergt enige concentratie, maar het is vlot geschreven en het bevat geen academische hindernissen. Een aanrader voor wie niet alleen interesse heeft voor gedichten, maar ook voor poëziebeschouwelijke teksten. Het impliciete pleidooi voor eerherstel van de gedeeltelijk biografische lezing van gedichten vind ik terecht en nuttig. In de beschouwingen heb ik toch enkele delicatessen ontdekt.

Interview met Huub Oosterhuis

‘Het waren moeilijke tijden’

 

Huub Oosterhuis (1933) is dichter en theoloog. Hij publiceerde dichtbundels, essays, korte verhalen en liturgische teksten.

In de Rode Hoed, waar beneden de rode loper voor de winnaars van de Turing wedstrijd uitgerold wordt, beklim ik de trappen om Huub Oosterhuis te ontmoeten. Hij zit aan een tafel vol papieren, boeken, notities en zijn laatste bundels; zijn assistent en samensteller van Een weg van dagen, Elte Rauch, aan zijn linkerzijde.
Oosterhuis is zo dikwijls geïnterviewd, heeft zoveel gepubliceerd, had en heeft zoveel te vertellen en is zo bekend met en door tal van zaken dat ik vragen over het dichterschap het liefst verpak in mijn persoonlijke ervaring met zijn poëzie.
Ik vraag zijn reactie op een aantal citaten.
Uit de bundel Gedroomde god uit 1983 die ik in datzelfde jaar kocht:
‘Wat is poëzie, misschien wel eigenlijk alles?’ (Uit ‘ gedroomde god’ 10). Oosterhuis antwoordt: ‘Poëzie is de meest aangewezen poging om zo scherp mogelijk je beleving op het spoor te komen en vervolgens te uiten, tastend, zoekend en soms stellig.’ ‘Is het dan vooral de eigen zoektocht’, vraag ik hem en hij antwoordt bevestigend, maar ‘de lezer is wel aanwezig en zelfs vlakbij.’
‘We moeten wel zorgen voor verstaanbaarheid, een dichter zonder publiek is een nek zonder stropdas’ (Gedroomde god 28): ‘Verstaanbaarheid is belangrijk opdat mensen zich herkennen, de ervaring delen, besef van gemeenschap krijgen en het de lezer in een verband plaatst, vooral met de taal. Goed schrijven is net zo belangrijk als goed lezen, de relatie tussen schrijver en lezer is een heel intieme.’
Ik ben benieuwd of hij zijn gedicht hardop voorleest bij het schrijven. ‘Zoiets gaat misschien ongemerkt,’ zegt hij, ‘ik denk het wel!’
Deze bundel is mijn favoriet, maar voor Oosterhuis was het een moeilijke bundel, zegt hij. ‘Het waren moeilijke tijden.’

Uit Herschreven Gedichten, Geloof:
‘En ook in godsnaam woorden maken, brood uitzaaien op de wind’: ‘Ja, dat is een bijbels thema, het gaat me om de communicatie, woorden als brood, als voedsel voor het gemoed, de ziel.’
Op de achterflap staat dat hij een aantal gedichten moest herzien en dat ze daarna zijn lievelingsgedichten werden, verzameld in deze bundel uit 1973. ‘Dat doe ik nog steeds, gedichten laten liggen en laten rijpen en dan nog eens herzien. Vaak worden ze daarna korter. Soms denk je dat iets af is terwijl dat niet zo is.’
Uit diezelfde bundel, het gedicht De weg, ‘Er staat gedrukt, alsof het de waarheid is’. Dus niet liegen alsof het gedrukt staat maar….’ Deze bundel werd opgedragen aan een vriend die missionaris werd in Libanon en is eigenlijk bedoeld als waarschuwing voor hem. Alles wat geschreven is bevat je eigen ‘voorlopige’ waarheid.’

Uit: Een weg van dagen, januari 2018, bladzijde 42:
‘Lees poëzie. De gedichten van Ida Gerhardt, om je eigen kwetsbaarheid en liefdeskracht te herkennen, te ontmoeten’. Daarboven het feit dat hij zich herkende in een gedicht van Lucebert (- ik ben een uime een moo een mist van toneelhaar-) omdat hij zijn nietigheid, ijdelheid en maskerades herkende in die tekst’. Is schrijven een nederig ambacht?
Oosterhuis denkt na, iets wat hij steeds bij elk citaat zorgvuldig en rustig doet. Elte valt in dat het meer met eerbied te maken heeft. Oosterhuis vindt schrijven zeker een ambacht, het gaat hem erom te ontdekken hoe anderen het doen. Zo begon hij ook. Op zijn vijftiende, na een ziekbed, had hij behoefte aan reflectie, verdieping, stilte en begon hij met het lezen van poëzie. Niet een echt puberaal gedrag, benoem ik. Maar hij heeft die fase overgeslagen, zegt hij, en hij had altijd al een afwijkende mening. Als kind maakte hij al versjes terwijl hij niet met poëzie werd opgevoed.
Ik vraag hem of hij nog steeds veel leest en of er vergelijkingen zijn tussen hem en de dichters van nu? ‘Nou, de VSB-prijswinnende bundel van Joost Baars was uitverkocht maar daar ga ik nog achteraan.’ Als ik het optreden van deze dichter op het literair platform Reuring noem en mijn ontroering daarbij, vertelt Elte enthousiast dat Joost Baars 4 februari gast was in de Ekklesia. ‘U kunt vanavond ook hier blijven en een kijkje nemen bij de uitslag van de Turing-wedstrijd’, opper ik maar Oosterhuis schudt zijn hoofd, ‘daar heeft een Joost Baars denk ik niet aan meegedaan.’
Hij noemt nog het herlezen van bijvoorbeeld Gorter of Henriette Roland Holst, alsook hedendaagse dichters als Naomi Perquin en Willem-Jan Otten.

Bij ‘Die wij denken’, nieuwe gedichten, in het interview in Trouw met Stijn Fens, 22 december jl., heeft Oosterhuis het over de vloed waarin de gedichten nu binnenkwamen. ‘Het was een verrassing dat dit een bundel werd. Woorden roepen andere woorden op, zo ontstaat de constructie van het gedicht.’ Hij is het eens met de volgende omschrijving uit dat artikel: de opdracht voor een dichter is altijd om de taal zuiver en scherp te houden. Om het denken zo te verwoorden dat een gedicht een mate van redelijkheid en een mate van ‘mysterieusheid’ in zich heeft.
‘Dat klopt, daarvoor lees je ook poëzie.’ Hij hoeft er verder niets meer aan toe te voegen.

Op de site NieuwWij stelt Dirk van de Glind in zijn recensie: ‘De weigering zich neer te leggen bij wat onvermijdelijk lijkt, is in deze bundel op iedere pagina voelbaar. De achterflap presenteert deze nieuwe gedichten als ‘geestelijke oefeningen’. Dat brengt ons op de recensie van Hans Puper in Meander die het heeft over ‘enige in zelfkastijding verpakte behaagzucht’. Elte meent dat het uitspreken van de mening, in dit geval ergernis (waarmee Puper de recensie begint) heel erg bij deze tijd hoort. Het gaat om de mening en niet zozeer de inhoud ervan, men eigent zich het recht toe die te delen met 6000 abonnees.
Zelf bestudeert ze de reactie van omstanders op de taal van Oosterhuis en vindt het bijzonder te zien dat haar generatie (Rauch is van 1980) zonder vooroordeel de woorden van Oosterhuis ontvangt. We memoreren de presentatie van Een weg van dagen, 21 januari jl in Splendor, Amsterdam. Mijn ervaring daar was een meditatieve waarbij ik terugkwam in mijn jeugd door de stilte die om de voordracht hing, het zonlicht door het gebrandschilderde raam, het pianospel van Bernd Brackman. Tot haar grote interesse gebeurt iets dergelijks ook bij het publiek op andere plekken; niet per se de terugkeer naar opvoeding of geloof, maar het raakt aan iets wat men nog niet wist. Ze krijgt veel bijzondere reacties per mail of in gesprekken later. Er worden vragen gesteld, het lijkt of er bewuster gekozen wordt.
Oosterhuis herkent zich overigens niet in de kritiek van Puper, denkt dat de recensent de structuur niet herkend heeft en het feit dat het om het leven rond het woord god gaat. Ook wordt het meest centrale gedicht uit de bundel (De Zuidas) niet genoemd. Maar hij trekt het zich niet aan. Hij is altijd omstreden geweest, zegt hij.
Een weg van dagen is bij uitstek geschikt om op ontdekkingsreis te gaan, ook voor de samenstellers. Door de soms onverwachte combinatie van teksten zag Oosterhuis zelf zijn woorden in een andere context terug, kwam er een nieuwe dynamiek in.

Is er iets wat hij niet kan schrijven? Hij begint aarzelend dat hij niet over economie kan schrijven maar ik bedoel eigenlijk of hij gehinderd wordt door bijvoorbeeld het feit dat hij een publiek persoon is? Nee, dat gelooft hij niet, dat feit werkt niet door als hij bezig is. Hij denkt nog wel aan een roman maar kan hij die schrijven? Hij heeft zijn korte verhalen, Wolf en Lam, de essays en eigenlijk, zijn Elte en ik het eens, is dat ook poëzie en is het onderscheid te verwaarlozen. Dus ja, die roman kan er komen. ‘Een uitdaging?’ vraag ik. Piano spelen kan ook een uitdaging zijn, vroeger is hem dat niet gelukt, hij had een nare juf maar met twee muzikale kinderen kan hij misschien een eind vooruitkomen. Net zoals met poëzie moet het tot hem komen.

Het viel me op dat in oude bundels soms geen punten of hoofdletters staan. Is dat bewust gebeurd? Is de vorm belangrijk? ‘Ja, de vorm is zeker belangrijk, het gebruik van witregels met name’, maar in bijvoorbeeld de bundel Gedroomde god was de interpunctie anders dan nu, hij gebruikt nu wel hoofdletters en is zorgvuldig daarin, hoewel…god…met een kleine letter!
Tot slot vraagt Elte nog naar het literair podium Reuring en ik schets een huiskamer waarbinnen ook zij welkom zijn en hoe het iedere keer weer om die ontmoeting gaat tussen schrijver, dichter, muzikant of kunstenaar en hun publiek. Dat past precies bij hen!

Gedichten

door Huub Oosterhuis (1933)

GELEZEN ERGENS OOIT

Als je broeder diep is weggezakt
zijn handen reiken niet ver genoeg
zal jij hem vasthouden
hij zal overleven naast jou.
Neem van hem geen rente
geef hem geen zilver tegen winst
hij zal overleven naast jou –
ook de vreemdeling zal overleven
naast jou, als je broeder.

Als je broeder diep is weggezakt
je naaste, en hij verkoopt zich aan jou,
bedien je niet van hem
als van een slaaf.
Jij zult hem niet hardhandig bestieren –
heb ontzag voor Ik-zal de God
die jou uitgeleid heeft
uit het slavernijheelal
van deze wereld.

naar Leviticus, vrij

 

Uit: Die wij denken, 2017

AAN DE VERENIGDE STATEN VAN EUROPA

Als jullie zouden besluiten
de misdaden door onze vaderen begaan
te wreken met gerechtigheid en genade

het in stukken geknipte Afrika
het uitgezogen vernederde
nu eindelijk mee op te bouwen

met het kapitaal
dat je aan haar verdiend hebt –
als je besluiten zou wat?

God te doen. Ook wie niet gelooft
in zijn bestaan
kan stukje bij beetje hem doen.

Er zijn hersenen genoeg
op deze aarde
die weten hoe dat zou kunnen.

 

Uit: Die wij denken, 2017

Aan de liefde
 
Liefde heeft geen longen
maar zij ademhaalt en zingt
en wat zij heeft gezongen klimt
over steile hoogten.
 
Korte lange vlagen kussen
zwermen zoenen noem je liefde –
dat betonnen knoesten twijgen
groen blad rooie wangen krijgen.
Maar ook harde noten kraken
stenen slijpen tot zij zingen
stenen kloven tot zij stromen.
 
Maar ook cederhoven planten
rozenperken in woestijnen
noem je liefde. Maar ook blinde
ogen wenken, doden drenken
noem ik liefde, en de zon, met
al zijn felle zachte stralen,
vuursteen tussen diamanten.
 
Liefde heeft niet een paar handen
geen paar voeten, maar zij treedt je
tot je wijn bent, maar zij kneedt je
voor elkaar tot daaglijks brood.
Liefde heeft geen hart, geen schoot
maar je wordt uit haar geboren
tot je dood.

 

Uit: Een weg van dagen (van gedichten en psalmen tot preken en verhalen, bijeengezocht door Elte Rauch), 2017