Recensie van Dat het blijft duren - Jan Geerts

Een gedicht is een huis om in te wonen

Jan Geerts
Dat het blijft duren
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339300
€ 17,50
80 blz.

De titel van Jan Geerts’ nieuwe bundel drukt tegelijkertijd verlangen en angst uit. Wat blijft duren, de vreugde, de pijn, het spreken of het zwijgen? De dichter weet dat wij sterfelijk zijn: ‘niets blijft duren, hoe jong we ook zijn / de toekomst is al oud en spelt de les / van onze namen, gehoorzaam luisteren wij’ (50). Hij formuleert dat bewustzijn nog scherper: ‘straks is de wereld dood, gaan wij ook / en blijft er alleen een huis van ons over’ (53). En het wordt helemaal pijnlijk wanneer de toekomst als een ‘leeg huis’ wordt voorgesteld, ‘het is / de spijt dat het vroeg of laat ophoudt’ (75).

Geerts lijkt er niettemin van overtuigd te zijn dat de eindigheid met onveranderlijke en eeuwige patronen gepaard gaat. Zijn vaststelling ‘de wind neemt niets mee, laat niets achter’ (44), roept bij mij herinneringen op aan ‘The answer is blowing in the wind.’ Er worden veel vragen gesteld en opnieuw gesteld, en nooit is het antwoord meer dan een voorlopig inzicht. Nooit is dat – het leven? – meer dan de nog onvoltooide afwezigheid: ‘we kunnen het ons niet inbeelden / dat we niet bestaan, ook al hangt onze afwezigheid / al in de lucht als het weer dat nooit overgaat’ (20). Afwezigheid en aanwezigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: wie hier aanwezig is, is aan gindse zijde afwezig. Die relatie komt, samen met nevenrelaties, uitgebreid aan bod in deze bundel die uit acht reeksen gedichten bestaat. De aanwezigheid komt vooral tot uitdrukking in het spreken en het zien. Stilte betekent niet per definitie afwezigheid, maar in het werk van Geerts alleszins een minder opvallende aanwezigheid.

Geerts giet zijn gedachten vooral in twee-, drie en vierregelige strofen, maakt gebruik van assonantie, binnenrijmen, alliteratie en soms van eindrijm en anaforia. De gedichten drukken ook vaak synesthesie uit. Vooral zijn woordkeuze valt op. De dominante werkwoorden zijn bloeden, ademen en regenen. Bij de substantieven vallen vooral ogen, zee en stenen op. De betekenis van bloeden en ademen valt echter zelden samen met de definitie in een verklarend woordenboek. Zoals een schilder de kleur van een aangezicht, een dier of een landschap bepaalt – ik denk aan de blauwe en de roze periode van Picasso, ‘Gazellen’ (1913) en ‘Blauw paard’ (1911) van Franz Marc, een ‘Vrouwenkop’ (1911) van Alexej von Jawlensky, ‘Landschap te Blaricum’ (1919) van Frits van den Berghe, enz. –, geeft een dichter op een voor hem (haar) specifieke wijze inhoud aan elk woord. In deze zintuiglijk geladen bundel wordt niet minder dan negen keer het werkwoord bloeden gebruikt. Adem en ademen telde ik negentien keer, en het werkwoord regenen acht maal. Oog en de meervoudsvorm ogen vallen drieëntwintig maal op. Bij het lezen van de gedichten moet de lezer zelf achterhalen wat de dominante en andere werkwoorden kunnen betekenen, en dat maakt de lectuur boeiend. De gedichten van Geerts zijn opvallend lichamelijk verwoord, en de woorden zijn niet minder dan het lichaam zelf essentieel voor het zijn. De woorden zijn in ontologische zin zowel essentieel als existentieel: ‘we hebben woorden nodig om te kunnen wonen’ (48), en die woorden worden uitgesproken en beleefd vanuit een bewustzijn dat organisch met de wereld is verbonden.

In de eerste cyclus, ‘Wakker’, beschrijft de dichter vormen van samenzijn waarin een naamloze ‘je’ en ‘ze’ vragen stelt, ‘wie ben je, vraagt ze’ (6), ‘voel jij het ook, vraag je, hoe je nog voor je jong / bent geweest al oud wordt, je stem doet pijn’ (7). Nog voor de naamloze ‘je’ vragen stelt, kijkt de dichter in haar ogen en schrijft: ‘ik wou dat dit kon blijven duren, maar je blik / is dun geworden, je hand bloedt naar me toe’ (7). In de laatste versregel gebruikt de dichter het vreemde werkwoord bloeden om een positieve beweging uit te drukken. De bloedende hand is immers een uitgestoken of wellicht zelfs een strelende hand, een teken van liefde, solidariteit en vertrouwen in de Andere. Precies daarom wenst het lyrisch subject dat het korte morgenritueel ‘kon blijven duren.’

Bloeden is echter niet altijd positief geladen: ‘het zijn wij die liggen te bloeden / van de jaren die in ons zijn gekropen’ (8). Bloeden refereert hier aan het ouder  en zwakker worden, aan de existentiële dimensie van het leven, zoals die zo treffend wordt uitgedrukt in de volgende versregels: ‘je hart gonst, je adem broedt / de tijd is een leeg ei’ (11). De tijd krijgt altijd een individuele invulling, en die kan heel ‘eenvoudig’ zijn, zoals in het volgende gedicht:

doe het licht maar uit, zeg je
en het is nacht, ook al zullen
de dagen nooit ophouden

laten we het uitpraten, zeg je
en het is stil, stiller dan we de wereld
voor mogelijk hielden en wij

verder weg dan ooit, nooit
liegt het donker, iets bestaat maar
als je het vindt, dus vind mij

je moet maar kijken en ik bloed al
je moet maar luisteren en het begint
te regenen tot ook de regen stopt

je hand is al voorbij nog voor ze me aanraakt
we zijn zoekgeraakt, vergeten
hoe eenvoudig twee mensen kunnen zijn

(p. 13)

De tijd vult echter ook zelf het zijn in, en voor de tijd is iedereen gelijk: ‘… terwijl de kou blind langs de gevels / veegt en de tijd geen huis overslaat’ (16). Niemand ontsnapt aan de tijd. Soms krijgen de woorden als het ware een messianistische ondertoon: ‘open en helder als het helderste water / zal mijn taal zijn, mensen zullen ontwaken / uit de oude gevels en drinken van mijn mond / hun ogen zullen genezen, zij zullen zien / als voor de eerste keer, zij zullen zingen’ (17). Dit gedicht suggereert dat ook de gewone sterveling een resurrectie zal beleven, en na het zingen zal het tijd zijn om ‘naar huis te gaan’ De dichter zal ‘naar huis gaan / naar niemand minder / naar niemand meer’ (17). Deze profetische versregels doen me denken aan een sonnet van Kloos (1859-1938) dat als volgt wordt aangevat: ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten, / En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon’ (Verzen, 1894). Maar Geerts is bescheidener, hij beseft: ‘mijn adem likte langs de vensters, er was niets / dat mij genas, ik sloeg mijn ogen open en zag / ik kon niet verdragen hoe leeg alles geworden was // … ik bedelde / onder de verwelkte bomen en wachtte / op iemand die iets om mijn leven zou geven’ (21). Het lyrisch subject heeft tijdens een zoektocht naar genezing alleen leegte aangetroffen, was zelf buitenstaander. De dichter beseft dat hij in een ‘te kleine huid’ woont (26) om zoals Marsman (1899 – 1940) ‘groots en meeslepend [te willen] leven!’ (‘De grijsaard en de jongeling’).

Jan Geerts heeft een heel eigen woordenschat, legt verrassende verbanden – zoals in ‘de gordijnen snijden een kier uit de zon’ (35) – en kent de canon van de Nederlandstalige poëzie. Soms wekken zijn gedichten de indruk dat hij veelvuldig moderne schilderijen of filmbeelden heeft bekeken en dat zijn beelden het gevolg zijn van een zeer intense kijkervaring. Dat komt zeer goed tot uiting in het gedicht ‘Dakloos’. Het openingskwatrijn kan zo geschilderd of verfilmd worden: ‘ze wil dat het regent, ze wil kunnen schuilen / onder de bomen en luisteren naar de hemel / die een dak timmert boven haar gedachten / waar geen ziekte voor bestaat, ze bidt’ (39). Het is een surrealistisch beeld. Nu en dan is ook de nalatenschap van de surrealisten niet ver af. Geerts heeft erop gewezen dat we woorden nodig hebben om in te wonen, en misschien kunnen we een uitspraak van de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier (1887-1965) – ‘une maison est une machine à habiter’– vervangen door un poème est une maison à habiter. Een gedicht is een huis om in te wonen, maar men moet het wel leren ‘lezen’ om het te kunnen bewonen.

Poëzie Kort 2017 / 9

 

Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij, Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel

Frans Vogel (1935 – 2016) was net als Cor Vaandrager een cultfiguur in Rotterdam en een voorbeeld voor Jules Deelder. Vogel en Vaandrager waren ook verwant, zowel in hun poëzie als levensstijl; de titel van de bundel, Van de straat – en of! vat beide goed samen. Je kunt Vogel rekenen tot de Zestigers, de kring rond de Bende van Vier (Armando, Sleutelaar, Vaandrager en Verhagen) die in Gard Sivik en later De Nieuwe Stijl hun poëtica van de ‘totale poëzie’ uitdroegen: het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid, niets uitgezonderd. Veel van hun gedichten bestaan uit op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera.
Die principes is hij altijd trouw gebleven; het motto van Arthur Rimbaud (‘Il faut être absolument moderne’) moet je daarom met een korreltje zout nemen. De bundel bestaat namelijk uit een selectie uit Te gek moment & andere dingen (1996), Het onaandoenlijk hart (72 bm) (2001), Gelukkig maar (2008) en verspreide gedichten. De Zestigers waren toen al onderdeel van de literatuurhistorie, maar dat maakt in dit geval niet uit: Vogel weet je hoe dan ook te boeien.
Het motto van Zero-kunstenaar Jan Schoonhoven is wel op zijn plaats: ‘Het gaat om het moment, het gaat om mooie dingen’. Die mooie dingen moet je ruim nemen, om esthetica gaat het niet. Neem ‘Par bene comparatum’, een ready-made over een man en een vrouw die uitstekend bij elkaar blijken te passen:

‘Never, nooit hebbie me
Meegenomen naar de disco!’

‘Of het al die tijd ook mooi
weer was met jouw!’

Dit is een mooi voorbeeld van wat hij schrijft in ‘De trouvaille, kat in ’t bakkie’: ‘je hebt er niet driftig naar lopen zoeken. / Je hebt het spontaan aangetroffen: kat in ’t bakkie.’ Je moet het wel opmerken, natuurlijk. Niet alles is geschikt.
In het beschrijven van het Rotterdamse leven doet hij me soms denken aan Carmiggelt – bien étonnés … Dat de een columnist is en de ander dichter, de een Amsterdammer en de ander Rotterdammer, het maakt in dit geval niet uit: beiden hadden een scherp oog voor wat er leefde op straat, voor absurditeit, humor, het menselijk tekort in combinatie met stug doorgaan. En beiden waren taalvirtuozen. Vogel is wel veel explicieter, zijn humor is vaak uitbundig, in combinatie met meligheid en ‘van dik hout’, uitstekend geschikt om een sombere bui te verdrijven.
De eerste strofe van ‘Een onsje meer’:

‘Het vlees is beter dan de benen’
Sowieso. En in ‘Geen vlees zonder
benen zien ik ook al geen been.
Wel in benen zonder vlees,
dat zwak is en vroeg of laat
de gewillige geest geeft – pffft.
(Bederf is de weg van alle vlees,
schrijft Möring. En mij lijk’ dan
of die naam mij dat ook wil laten
ruiken: hoe dat meurt en rot.
‘Wenn einer anfängt zu riechen,
ist das Leben schon ziemlich vorbei.’)

Arme Möring. Zijn naam zal voor mij en vele anderen altijd verbonden blijven met Vogel.

Er is veel meer: hij schrijft over de schoonheid van Rotterdam, een dame op leeftijd met fuchsiaroze tandvlees en een 2-delig kunstgebit, oude sprookjes in nieuwe stijl, hij maakt zich druk over een milieuramp, geeft een inkijkje in werkwijze en taalgebruik van de reclamewereld – hij heeft een tijd bij hetzelfde bureau gewerkt als Vaandrager en Sleutelaar – en maakte gedenkwaardige haiku’s en disticha, zoals ‘Kunstenaarsbegrafenis’: ‘Als de kist daalt, / stijgen de prijzen’. Zo is het maar net. Lezen, die bundel.

***
Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel (2017). Samenstelling en tekstbezorging Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij. Studio Kers, 168 blz. € 18,95

 

Gijs ter Haar, Voor de zwijnen

Gijs ter Haar (1963) is vooral bekend als slammer, en een heel goede: De ‘Godfather’ noemt Alexis de Roode hem op het achterplat van Voor de zwijnen. Vaak blijft er van slam op papier weinig over, maar bij Ter Haar is daar geen sprake van. Zijn nieuwe bundel – prachtig uitgegeven, met illustraties van Peter Zuur – bevat een aantal zeer goede gedichten. Zo vind ik ‘Doordeweeks verdriet’ een aangrijpend rouwgedicht – tenminste zo kun je het lezen. Waarschijnlijk is het in eerste instantie een gedicht over een diep betreurde scheiding, waardoor de ‘ik’ zijn zoon moet missen.
(In de bundel staat de kantlijn rechts).

nu valt de regen anders
dan alle dagen die we kenden
een eender tikken op het glas
dat dan weer wel

ergens moet het droog zijn
als ‘k geen angst voor paarden had
dan zocht ik mij een zadel
en reed je tegemoet

ik wacht hier maar en schuil het uit
dat weet ik ook dit is geen thuis
daar staan mijn spullen, daar
mijn bed. dit is een plek

ik mis mijn zoon voor al

(Let op: niet ‘vooral’, maar ‘voor al’ – voor alles).

De eerste strofe is prachtig in zijn eenvoud en volkomen raak. In beide gevallen (scheiding of dood van de zoon) is er sprake van een breuk, een voor en een na – ondraaglijk definitief in het geval van de dood. Alles is anders geworden en tegelijkertijd blijft veel hetzelfde: ‘dat dan weer wel’ – die nuchtere vaststelling is onvergetelijk, evenals de regel: ‘ik wacht hier maar en schuil het uit’. Wie zulke regels schrijft is een Dichter – met hoofdletter.

Gijs ter Haar is een lyricus die het leven omarmt, niet alleen als hij over nieuwe liefdes, maar ook als hij over verloren liefdes of het voorbijgaan van de tijd schrijft. Hekeldichten horen er ook bij, uit betrokkenheid. In ‘Was ihr den Geist der Zeiten Heißt, das ist im Grund der Herren eigener Geist in dem die Zeiten sich bespiegeln’ (Goethe), gaat hij tekeer tegen ‘de ik zit alleen nog met face in mijn phone / ook al ben ik op een feestje generatie (…) de ik sterf liever dan dat ik inlever generatie ( … ) die generatie // degeneratie’. Hij weet zijn woede meesterlijk weer te geven in ritme, klemtonen, alliteraties, (binnen)rijm:

hier ben je, daar sta je
in de wereld van mensen wees welkom
     en zwelg
in het grote veinzen, de kudde van volgers
(…)
je rol in de orde de chaos het reilen
het zeilen de pegels het paaien het naaien
het graaien de honden de haaien het branden
van banden om broeders en zusters
     geclusterde
bommen het breken het braken het buigen
     het missen
van benen en leef toch het bruisende
     leven vooral

(…)

‘Ruimschoots ervaring met God, de dood, de liefde en de oorlog, tapt uit alle vaatjes. Nog niet klaar. Op weg naar de Boeddha-staat’, schrijft Alexis de Roode. Als lezer hoop ik dat zijn poëzie daarin niet oplost.

***
Gijs ter Haar (2017). Voor de zwijnen. Uitgeverij de Muze, 48 blz. € 15,00


Kila van der Starre, Poëzie in Nederland

Vogel is of was te lezen op een Rotterdamse vuilniswagen: ‘Jong begeerd, oud afgedaan’. In het gelijknamige gedicht schreef hij dat die regel ‘regelrecht slaat / op de content (de complete / theeringzooi door mekaar) van zo’n vuilniswagen’, maar je kunt die regel natuurlijk ook als een kernachtige samenvatting van het menselijk bestaan beschouwen.
Gijs ter Haar behoeft verder geen toelichting: iedereen die weleens een festival of poetry slam heeft bezocht, kent hem en uiteraard kun hem ook op Youtube bewonderen.

De verschijningsvormen van poëzie zijn sterk veranderd. Kila van der Starre, een van de redacteuren van de essaybundel Dichters van het nieuwe millennium , is bezig met een promotieonderzoek naar Nederlandstalige ‘poëzie buiten het boek’. In haar toelichting zegt ze onder andere: ‘Poëzie buiten de bladspiegel, zoals podiumpoëzie, digitale poëzie en poëzie in de openbare ruimte, lijkt steeds populairder te worden. Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.’
Ze voerde deelonderzoeken uit naar de manieren waarop volwassenen in aanraking komen met poëzie en hoe vaak. (Poëzie in Nederland, hier te downloaden). Ze heeft ook de website straatpoezie.nl opgezet, de eerste inventarisatie van poëzie in de openbare ruimte van Nederland en Vlaanderen. Iedereen kan gedichten aanmelden; er zijn inmiddels meer dan 1600. Je kunt natuurlijk ook volstaan met het zoeken naar openbare poëzie in je omgeving.

Haar onderzoek kan veel betekenen voor het basis- en voortgezet onderwijs en ook voor het mbo. Docenten zitten vaak met de handen in het haar als het om poëzie gaat: hoe wek je belangstelling? Op p. 26 en 27 van Poëzie in Nederland geeft Van der Starre een aantal aanbevelingen, gericht op verschillende doelgroepen. Een ervan is expliciet gericht op het onderwijs, maar iedere docent die ook maar een beetje creatief is, weet met die andere ook wel raad. En die site over straatpoëzie? Een eitje. Stuur leerlingen voordat zij de site kennen onder of na schooltijd in twee- of drietallen de straat op en laat hen noteren wat zij tegenkomen. Bij terugkomst kunnen zij hun inventarisatie vergelijken met die van de site. Het is leuk als zij een gedicht of citaat vinden dat daar nog niet in staat, dan kunnen zij het toevoegen.

***
Kila van der Starre (2017). Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manier volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Stichting Lezen, 62 blz. 

Recensie van Aan de roekelozen - Dinie Sophie Fintelman

Van een lichtheid die helderder doet klinken

Dinie Sophie Fintelman
Aan de roekelozen
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519030
€ 15,95
52 blz.

De inkorting Liverse van de gelijknamige Dordtse  uitgeverij staat voor light verse, toegankelijke, relativerende poëzie die de humor niet schuwt, en de gedichten in Aan de roekelozen van de Zeeuwse dichteres Dinie Sophie Fintelman (1951) passen goed binnen dit genre. De bundel, haar tweede, is evenals haar debuut Bots, zie de recensie in Meander januari 2015, opgenomen in de Bordeauxreeks van Liverse.

Wat de humor in haar verzen betreft, moet men niet denken aan de hilarische tak daarvan in bijvoorbeeld de ‘Dodenrit’ van Drs. P, je valt er niet van om; Fintelmans humor is meer iets voor de glimlach, onderhuids en prikkelend tot in de dunste haarvaatjes.
Uit ‘Landstreek':

(…)

Je auto op de polderwegen
met achterin je nieuwe vrouw
en in de bermen weegbree meebewegen

Ik vroeg of ik meerijden mocht
naar afgelegen, onbekende streken
maar je schakelde in de bocht

van ereprijs naar dovenetel

(…)

Voldoet deze poëzie ook aan dat andere kenmerk van light verse, de toegankelijkheid? Jawel, jawel, maar niet altijd; er schuilen raadsels in enkele gedichten, die je ook na frequent herlezen met vragen achterlaten. (Mij tenminste). ‘Moeder II': ‘Dat jouw web een kraambed is / en op het lange gras // dat je zitten blijft / als zij vervellen / elkaar opeten // plaats maakt ’.

De bundel is opgedeeld in zes rubrieken. Ik zal op alle kort ingaan. Het eerste deel omvat twee gedichten waarvan de titels ‘Landstreek’ en ‘Water’ direct duidelijk maken waar het om gaat: enerzijds de ogenschijnlijk stillevenachtige natuur van het Zeeuwse land (‘Soms droom ik dat ik in een landstreek / woon waar ik slaap als ik wakker word’), anderzijds het gevaar van water en wind (‘Je moet wel geloven / wil je niet verzuipen’).

De tweede rubriek bestaat uit de cyclus ‘Meisje’, herinneringen van de ik-figuur  aan de problemen met haar linkshandigheid tijdens haar vroege schooltijd, de geur van potloodslijpsel, het spelen op het schoolplein met elastiek en buiten schooltijd het kruipen door droge sloten. In het laatste gedicht van deze reeks voert ze voor het eerst haar moeder op, met wie zij als kind een innige band had en die zij zich als volgt herinnert: ‘Ik weet niet wanneer ze vertrok / Wel dat het lachen verdween / ’s Nachts zijn er dromen van zomers / met teilen vol water en zon op haar hoofd’.

Het derde deel wordt bevolkt door winterse droombeelden, waarin niet alleen het schaatsen een rol speelt maar de kou in overdrachtelijke zin in kilte verandert: ‘De eerste keer was op de brug / over de Rijn. (…) Een tweede keer met krasjes / op je onderarm. / De geur van alcohol. / De vloer een golf van water’.

In het volgende hoofdstuk drie gedichten die zowel bevreemden door een niet alledaagse invalshoek (een insect dat bij het wegstromen van het badwater door het afvoerputje wegloopt wordt Kafka genoemd) als je meevoeren in een Alice in Wonderlandachtige fantasie. Uit ‘Koningswoud’: ‘(…) Ik bouw een bewolkte kamer en graaf / mij een meer. Hier zal ik wonen als een // prinses. Op een troon zet ik me neer. / Een koningsvis zwemt mee in mijn schrale / onderkomen als een straalvinnige. / Vleugelslagen oefenen wij niet meer’.

De vijfde rubriek bevat de meeste gedichten, elf, en ook de meeste waarbij ik vraagtekens heb geplaatst, wat betekent dat ik die niet kan volgen en/of te gekunsteld vind. Uit ‘Aan zee’: ‘Aan zee / tegen de wind mee / een rechte lijn scheidt lucht en water (…)’. Maar daartegenover staat ‘Moeder I’, een teer gedicht over de intimiteit tussen moeder en dochter:

Moeder I

Afwezig vertrekt ze met mij aan haar hand
spreekt onderweg over haar geruilde land

In de wei gaat ze zitten op een kruk
de melkemmer tussen haar benen
Neemt niet de moeite poten te binden
trekt sterke stralen uit de spenen

Ik zie het kletteren
op het zink, drink
de geur en bespeur
in het groen
het gemorste wit
terwijl zij daar zit

Ze kijkt op en vraagt
wat ik ervan vind; ik zie een vrouw die terstond
mijn moeder is en vraag haar of ze het mij wil leren

Het afsluitende deel omvat vier kleine gedichten, waarvan twee in memoriam verzen. Over Wim Brands schreef Fintelman: ‘Ik herinner me dat / je schreef over / ontsnappen en vluchten // op het strakke bed koos / ik ervoor te blijven // de volgende dagen waren van / een schaamteloze lichtheid // die de zwarte vogels helderder / liet klinken dan ooit ‘.

Samenvattend kan ik zeggen dat deze op herinneringen gestoelde, zeer persoonlijke en locaal georiënteerde poëzie bepaald niet wereldschokkend is maar ontroert op een manier die geruststelt. Bijzonder.

Gedichten

door Rens van Hoogdalem (1995)
Twee jaar geleden is Rens van Hoogdalem (1995) begonnen met het voordragen en performen van zijn poëzie. Zo is hij te vinden op meerdere Poetry-Slams, open podia en was hij onderdeel van Poetry Circle 030. Daarnaast is deze jonge dichter vooral veel te vinden in de collegebanken. Zo rondt hij op dit moment aan de Sorbonne in Parijs zijn laatste jaar van de bachelor Wijsbegeerte af.
 

Rendez-vous

Hij komt zijn moeder tegen
In een ijzeren tafel.

Onwennig
Staan ze tegenover elkaar.
Hij grinnikt omdat ze
Zo glimmen.

Zij weet niet wat te zeggen.
Hij weet niet wat te voelen.

Maar ondersteboven is haar
Hoofd geheven en is zijn
Rug recht.

Zij denkt aan
Armen die als dekens
Nachtmerries bedekken.

Hij denkt aan
Grappen die als pillen
Pijn laten verdwijnen.

Er hangt dikke stilte tussen hen in.
Hetzelfde bloed ruisend naar een
Ander hart.

Aanraken
Voelen
Vingertoppen
Kijken
Eigenlijk alleen maar kijken.  

Samen ontwijken ze elkaars
Blik. Kijken liever naar beneden om
In een ijzeren tafel te zien

Dat haar hoofd geheven is
En zijn rug
Recht.

Kou

In de winter likt hij soms
Een lantarenpaal.
Met zijn tong zo ver mogelijk uit zijn mond
Kijkt hij om zich heen of iemand het ziet.

Wanneer niemand kijkt,
Begint hij er geluid bij te maken.
Hopend op een vrouw met humor
Maakt hij murmelend geluid aan de
Voet van
Een lantarenpaal.

Als het licht van de lantarenpaal aanspringt
Vermant hij zichzelf,
Trekt zijn overhemd strak,
De haren weer glad
En vervolgt daarop zijn weg

Naar zijn vrouw, 2 kinderen en de hond.

In de avond die volgt op de lantarenpaal
Zoent hij zijn vrouw.
Zijn koude tong wordt lauw en wanneer zij
Murmelende geluidjes in z’n oor fluistert
Wordt hij warm.

Wanneer het licht langs hun bed uitgaat
Glipt hij weg,
Doet een overjas aan,
Kijkt om naar zijn vrouw en vertrekt

Naar zijn lantarenpaal, het licht en de voet.

Maar de wind snijdt door zijn pyjamabroek.
Donker, niemandloos,
Zoekt, vindt niets.
Tongafdruk weg en hij twijfelt
Of het niet toch een andere lantarenpaal was.

Het licht springt uit.

Gedichten

door Rinske Kegel (1973), Geert Viaene (1963), Tania Verhelst (1974), Monica Boschman (1965), Elly Stolwijk (1957)
Een selectie uit de gedichten die werden aangeboden via meandermagazine.net/p.

Rinske Kegel (1973)

Richtingaanwijzers

Richtingaanwijzers wijzen nooit de weg.
Het is een landschap met bewegende velden,
schijnrivieren, duizend onweerszonnen, de haast
als de afnemende maan. Je raakt verblind
door een lichaam. Brandweerlieden dragen je
een brandend huis in en engelen
beademen je, hun mond op je navel.

Ga op een bankje zitten als het
even niet meer gaat, iemand heeft
dat bankje voor jou gemaakt,
het draagt je.

In de krant las ik dat sommige blinden
de weg vinden door te klakken met hun tong.
Ben ik blind genoeg om jou terug te vinden.

Geert Viaene (1963)

ALLEEN IN EEN MASSA MENSEN, ALLEMAAL SAMEN ALLEEN

het is winter, het is bitter koud, wij stoken al het brandbare op en zelf
verstenen wij, wij glippen van het eiland af en niet eens zo geleidelijk

wij zweven op glazen luchtbellen, de onrust binnenin is ons vreemd
wij proberen het ontmoeten te vermijden en wij werken het verslijten

in de hand, wij wijken af van het tedere treffen, het in het echt dichtbij
zijn of bij te staan wanneer het nodig is, om op te warmen wrijven wij

honing op onze huid en olie, het loopt allesbehalve gesmeerd, in feite
loopt het uit de hand, wij staan er helemaal alleen voor, het is ijskoud

Tania Verhelst (1974)

koning van Stoep

je vouwt een huis uit
oogst de dag in een pet
ooit zat er een inlegkruisje bij
dat je met één vinger las als een blanco briefje braille

benen gaan voorbij
zelf kom je er niet toe om-
valt het op als je even -een gedachtenstreepje lang- gaat liggen
valt het op als je langer streept dan gedacht?

als een man met krijt een lijn rond je tekent
alsof hij zeggen wil: dit is je rijk, je eiland van stoep
niet lang daarna een auto met zwaailichten
speciaal voor jou

ze rapen je op
ze schuiven je in
ze rijden je weg

regen wist het krijt uit
wind dooft een vinger
enkele straten verder breekt de nacht weer op

Monica Boschman (1965)

Onder jouw hoede

Schaduwen in het park, mijn voeten
konden op jouw hoofd staan

en als ik in bad lag wist ik het zeker:
de koppige druppels in mijn navelkuiltje
waren van jou – ik leefde in je verlengde

zit nu naast je, houd mijn adem in
en tel, vals spel, ik kan je niet bijhouden

je bent beter stil dan ik, hebt geen deken
of dromen nodig, geen koffie
je licht is elders

wanneer je voelt, dan leef je
is wat jij altijd zei

Winnend gedicht Plantage Poëzie Prijs 2017

Elly Stolwijk (1957)

de bomen

iemand doet zijn handen voor mijn ogen en zegt
sommige bomen zijn witter dan de andere
en ik zeg wat bedoel je
en hij zegt wat ik zeg.

ik wil het wel maar kan niet geloven
dat de kastanje warmer zou zijn dan een wilg

dat het warmer is wanneer iemand het zachtjes zegt
in je oor nadat hij je muts opzij heeft geschoven
dan wanneer je het zelf zou zien met je bevroren ogen

dat iemand naast je staat met tere taal in plaats van
je een zelfverzonnen waarheid toe te schreeuwen
vanuit een ivoren toren.

opnieuw, ja, opnieuw breekt het hart,
nu als een knop aan het eind van de winter.