Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50

Halil Gür

Halil Gür werd in 1951 in Turkije geboren en woont sinds 1974 in de Amsterdamse Jordaan. Zijn debuut Gekke Mustafa en andere verhalen (1984) werd bekroond met de allereerste E. du Perronprijs. In 35 jaar tijd schreef Gür gedichten en verhalen voor volwassenen en een aantal jeugdboeken. Derwisj ben ik, dansende derwisj is zijn vierde poëziebundel.

foto: Hans van den Boogaard


Het verhaal van een migrantendichter

Leugens kan ik niet verzinnen,
dwing me er alsjeblieft niet toe.
Mijn troebele gedachten zijn verward, altijd vol zorgen.
Luister goed naar mij, ik heb het tegen jullie,
blanke bazen van deze grote stad.

Ik weet dat ze mij, Halil Gür, bijzonder noemen
omdat ik een ‘migrantendichter’ ben.
Ik ben geen roofzuchtige valk,
maar ook geen vleugellamme adelaar.
Tot nog toe heb ik nooit mierennekjes gebroken,
of de vleugels van een vleermuis.
Nee, ik heb niemand vermoord en
ook geen moordenaars ingehuurd.
Het vlees van een vogel in de vlucht raak ik niet aan,
ik ben niet aan het recht van de verweesde gekomen
en heb ook niemand opdracht gegeven dat wél te doen.
Nee, nooit ben ik een grote kikker geweest in een kleine vijver.

Ik heb me niet vergrepen aan het zweet van Afrikaanse illegalen,
of het anderen voor mij laten doen.
Nooit was ik een kam geschikt voor alle haren,
een blad dat meewaaide met willekeurig welke wind.
Ik zorgde nooit voor schaduw,
altijd heb ik geprobeerd een licht te zijn.
Mijn gezicht, een engelengelaat dat straalt
met de kleur van tweeënzeventig volken.
In mijn ogen blinkt altijd een schittering.
Dit magische hart is wat ik diep van binnen ben.

Hele dagen dwaal ik over de Amsterdamse grachten,
met een glimlach verlicht ik mensen, neem de pijn weg in hun ziel.
Zo streel ik vanuit de hoeken van mijn ogen
de blonde, blauwe-ogige meisjes die wandelen met hun hond.
Die jaloerse honden stel ik gerust met een aai.
Al jaren strooi ik mijn gedachten als suikerkorrels in het rond,
Sinterklaas is tenslotte een landgenoot van mij.

Ik ben een dichter, maar mijn doel is niet de mensen te plezieren
die optredens en literaire prijzen verdelen,
op de Dam is mijn mooiste podium.
Daar draag ik mijn gedichten voor
aan mensen uit tweeënzeventig landen
en strooi handenvol voer voor de duiven op het plein.
Het belangrijkste stempel in mijn paspoort is liefde.
Mensen sluiten de celdeuren van hun digitale muren,
maar opgesloten in een cocon van zelfgenoegzaamheid,
waar nooit meer een vlinder uit komen kan,
kennen ze de wereld daarbuiten niet meer.

Levende mensen zijn sneller en warmer
dan het snelste glasvezelweb.

 

Een knecht

Ze stuurden me een leerling en zeiden: het is je knecht.
Pas veel later begreep ik dat een mens gekomen was.

Hij had verstand van druiven en van tuinen,
van het land ook en van de wilde kruiden in het veld.
De taal van vogels, wolven en lammetjes verstond hij als geen ander.
Als de dag ten einde liep, de zon bloedrood gekleurd,
stond hij, zijn hand op zijn wang, naar de bergen gekeerd
en zong met een stem die het mensenhart deed trillen.
Ook bij het ochtendgloren riep hij met goddelijke stem op tot gebed.

Soms stopte hij ineens en barstte uit in lachen.
Dat tere, breekbare geluid vol liefde
werd door de wind naar alle kanten verstrooid.
Praten is als ademen,
hij sprak of hij een teug lucht naar binnen zoog
of misschien een grap vertelde.
Met een hak bewerkte hij de velden en hij liet de paarden draven.
In zijn vervoering velde hij bomen zo groot als een huis,
ter voorbereiding op de winter.
Zo was het leven hier.

Wat kan ik er verder over zeggen?
Hij bleek geen knecht te zijn, maar een mens.
Ach, en wat dan nog als niet alles volgens mijn wensen loopt,
als ik niet precies op tijd koffie met melk en suiker krijg?
Die jonge man was niet bang om zichzelf te zijn.
Ook ik wil graag mezelf zijn,
maar zo werkt het blijkbaar niet.
Waarom, ach waarom ben ik toch bang
voor mensen die anders zijn dan ik?

uit: ‘Derwisj ben ik, dansende Derwisj‘, de Muze, 2018

Recensie van Schaduwspel - Romain John van de Maele

‘Met armen vol vergeten beelden’

Romain John van de Maele
Schaduwspel
Uitgever: Demer Uitgeverij
2018
ISBN 9780244079390
€ 14,-
66 blz.

De nieuwe bundel van Romain John van de Maele kent een strakke compositie. Drie afdelingen van zeventien gedichten elk. Alle gedichten bestaan uit drie vierregelige strofen, met uitzondering van telkens één gedicht per afdeling. Alle openingsgedichten van de drie afdelingen hebben dezelfde titel: ‘De verhullende tijd’. Verder zijn er meerdere woorden en thema’s die in verschillende afdelingen terugkeren. Elke afdeling behandelt een aspect van de ouderdom. Of liever gezegd: portretteert één of meerdere oudere personages. Schaduwspel verschijnt ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, zo leert ons de tekst op de website waarop deze bundel te bestellen is. Van de Maele heeft deze gelegenheid aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen.

In de eerste afdeling, ‘Voorbij de woordgrens’, wordt een oudere dame geportretteerd. De dichter valt met de deur in huis: ‘Plots weet ze dat een mol / een gangenstelstel graaft / in haar haperend geheugen.’ Hij brengt haar geestelijke achteruitgang op verschillende manieren onder woorden: ‘De woordgrens / ligt achter haar, / en ze ziet braakland / aan de overkant.’ Sterke vondst: ‘woordgrens’, naar analogie van boomgrens. Het is meteen duidelijk. ‘Opstaan uit de schaduw / ligt in een ver verleden.’ We zullen het woord ‘schaduw’ nog vaak tegenkomen in deze bundel.

Aan wiens hand sloft ze nu?

Ze liep toen aan moeders hand
een lang verdwenen weide in.
De lucht was er roos gekleurd
en de merels wijdden de stilte in.

Aan wiens hand sloft ze nu
door de lange witte gangen?
Wie heeft de deur dichtgeklapt
en wie wacht nog op haar?

Toen was opstaan een feest,
een ontdekkingstocht na de dromen.
Nu is uit bed gehaald worden
een gevreesde vernedering, een straf.

Een schrijnend beeld. Het kleurrijke verleden en het angstaanjagende heden lopen door elkaar. Niets geen geromantiseerd beeld van een teruggetrokken-zijn in een eigen wereld. Net zoals in veel gedichten uit Schaduwspel is de titel een volle regel uit het gedicht, die het in één zin samenvat.

De tweede afdeling heet ‘Hugo en Rosa’, en heeft als motto een citaat van Karin Boye, dat vreemd genoeg alleen in het Zweeds is weergegeven. Onder de titel van de afdeling staat ‘Karl Hugo (1900-2001) en Rosa Amanda Bergqvist (1905-2001)’. Dat maakt nieuwsgierig. Even googelen leert, dat dit de hoogbejaarde hoofdpersonen (broer en zus) van de Zweedse documentaire ‘Hugo och Rosa’ zijn, die een jaar of tien geleden ook op de Nederlandse televisie is uitgezonden (1). Na de eerste afdeling komt de taal van ‘Hugo en Rosa’ als lichter en eenvoudiger over, hoewel het ook deze personages niet voor de wind gaat. Eerst wordt Rosa geïntroduceerd: ‘De wijzers vreten aan de tijd en haar aanwezigheid / die oplost in een nevel van / vergeetachtigheid.’ De ‘nevel’ past goed bij de schitterende natuurbeelden uit deze documentaire, die ook veelvuldig in deze afdeling terugkomen: ‘Nergens bloeiden de bloemen / kleuriger dan in haar tuin. / Wie kent Gunby nog / en de tijd van toen in Roslagen?’ Pas in het vierde gedicht komt een ‘hij’ voor, die in tegenstelling tot Rosa nergens bij name wordt genoemd. Bij hem zien we een meer verstild beeld van de ouderdom, waarin de berusting overheerst: ‘rustig / als een profeet die beter weet.’

Genode gasten

Nu schuiven ze aan.
Met armen vol vergeten
beelden, klanken en geuren
ziet hij hen komen en gaan.

Ze blijven maar even
in een kringetje zitten,
gehaast als het ware
om weer op te staan.

Al zijn dagen en dromen
trillen heel zacht na.
Sterven is thuiskomen
en weten dat het goed was.

De zinsnede ‘weten dat het goed was’ komt wel drie keer voor in de gedichten over Hugo. Het gedicht kan op twee volstrekt verschillende manieren gelezen worden. In eerste instantie zag ik een soort familiereünie, verre verwanten die komen opdraven bij de begrafenis van Rosa, maar niet weten hoe snel ze weer weg moeten komen. We kunnen het echter ook meer symbolisch lezen, als een herbeleven van oude herinneringen vlak voor zijn dood. Bij nader inzien is dit gedicht, met name de tweede strofe, een bewerking van het eerder genoemde citaat van Karin Boye: ‘När en gammal man ligger sjuk, kommer alla hans gångna dagar / och sätter sig blida i ring omkring hans säng.’
De oude broer en zus worden liefdevol geportretteerd. Opmerkelijk is de bijna kinderlijke opgewektheid die deze oude mensen ten toon (blijven) spreiden. De verbazing, als het huis na negentig jaar leven zonder stromend water en elektriciteit op het lichtnet wordt aangesloten. Rosa is een eenvoudige vrouw, die ondanks alle achteruitgang het spel nog goed mee kan spelen: ‘Haar gewone glimlach / was haar harnas / tegen verval en verbittering, / tot het laatste avondrood.’ Hugo treurt nauwelijks wanneer zij overlijdt: ‘De uitvaart / was een laatste glimlach / op je vrolijk aangezicht.’ Kort daarna overlijdt ook hij.

De laatste afdeling heet ‘Liefde’, en gaat vergezeld van een citaat van Charles Aznavour: ‘Et moi dans mon coin / Si je ne dis rien / J’ai le cœur au bord des larmes’. Als we de titel in het Frans vertalen krijgen we Amour. Een indrukwekkende film over een ouder echtpaar en hun dochter uit 2012, waar deze afdeling een commentaar op lijkt te vormen. Ook deze afdeling opent met een gedicht met de titel ‘De verhullende tijd’. De opening is evenals bij de andere afdelingen weinig verhullend: ‘Ze verdrinkt in de eierschaal / van de morgen, wachtend op / het kraaien dat al lang / door de stilte is ingeslikt.’

Afasie

Haar haperende woorden
gaan zonder meer verloren
in de gespannen verwachting
van een gesloten morgen.

Het langgerekte woord ‘mal’
botst te pletter tegen
de vragende blik van haar man,
die zwijgt maar hulpvaardig blijft.

Niet alleen zij woont op een eiland.
Ook hij, die nog altijd van haar houdt,
kan haar niet meer bereiken.
Het water is definitief te diep.

Dit is niet het eerste gedicht dat aan afasie of dementie is gewijd. Peter Swanborn wijdde een hele bundel aan de verwarde oude dag van zijn moeder. In de slotregel van dit gedicht klinkt een echo van de twee koningskinderen. Het begin van de laatste strofe is mooi. De patiënt is niet de enige die aan de ziekte lijdt, de partner wordt minstens zo zwaar getroffen, zoals ook in de advertentie van Alzheimer Nederland getoond wordt. Terug naar dit gedicht: waarom zou de ‘zij’ in dit gedicht zo hard ‘mal’ roepen? Dat is vreemd. Ik heb vaak ouderen om hun moeder horen roepen, of een meisjesnaam, die soms de dochter soms aan de echtgenote bleek toe te horen. Ik had het natuurlijk hierboven al verklapt: deze dame spreekt Frans, en haar ‘mal’ betekent ‘pijn’. En dat is zowel de kracht als de zwakte van deze afdeling. Hoewel er zeker enkele mooie beschouwende gedichten in staan, blijven de teksten voor de lezer die de film Amour niet gezien heeft nogal duister. En voor wie de film wel gezien heeft, kun je je afvragen hoeveel de gedichten nog toevoegen aan dit meesterwerk. In mijn geval was het de aanleiding om eindelijk een keer deze film (o.a. te op Netflix te vinden) te gaan zien. Een mooi neveneffect van deze afdeling, waar ik de dichter dankbaar voor ben.

Het woord ‘schaduwspel’, de aansprekende titel van de bundel, komt in de gedichten niet letterlijk voor. Wel komt ‘schaduw’ in vijf gedichten voor, waarvan in één gedicht zelfs twee keer. Hoewel het vaak om schaduwen uit het verleden gaat, of om de oude mens die geen schaduw meer van zichzelf is, moet ik ook aan de Bijbelse connotatie denken: ‘[de mens] ontluikt en verwelkt als een bloem, vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand’ (Job 14:2). Een associatie die misschien het gevolg is van het meermalen instuderen en beluisteren van de Funeral Sentences for Queen Mary van Henry Purcell: ‘He cometh up, and is cut down, like a flower; he fleeth as it were a shadow, and ne’er continueth in one stay.’ Of deze betekenis van schaduw voor Van de Maele ook heeft meegeklonken weet ik niet. Wel komt het woord ‘bloemen’ net zo vaak voor in de bundel als ‘schaduw’. Ook vinden we in meerdere gedichten Bijbelse verwijzingen. In drie gedichten die aan Hugo gewijd zijn lezen we ‘(weten) dat het goed was’, een echo van het scheppingsverhaal uit Genesis: ‘En God zag, dat het goed was.’ Ook wordt meerder malen gesproken over engelen c.q. een engelenschaar, evenals over bazuinen die mogelijk naar de Jongste Dag verwijzen.

Tot slot: het is jammer dat de dichter ons geen ‘Verantwoording’ heeft meegegeven. Daarin zou een korte verwijzing naar de inspiratiebronnen van de tweede en derde afdeling op zijn plaats geweest zijn. Ook zou het prettig zijn daar kennis te nemen van de vertalingen van de Zweedse en Franse motto’s. Hoe dan ook: Van de Maele heeft zijn zeventigste verjaardag aangegrepen om zijn licht over de ouderdom te laten schijnen. Wij wensen de dichter toe, dat de breekbaarheid van de door hem geschetste personages geen schaduw over zijn komende jaren zal werpen.

***

(1) Hugo och Rosa is een documentaire uit 2002 van Bengt Jägerskog. Tien jaar lang volgde hij het leven van Hugo en Rosa Bergqvist, die aan het begin van de opnames respectievelijk 87 en 92 jaar oud waren. Als broer en zus hebben ze samen de 20e eeuw meegemaakt in een klein huis op het Zweedse platteland. Hun dagelijks leven is in al die tijd amper veranderd. Ze zijn verknocht aan elkaar en aan het huis. De documentaire volgt hen in hun laatste jaren, getekend door ziekte, veranderingen maar bovenal door een onveranderlijke traditionele manier van leven.

Romain John van de Maele (Aalst, 1948) is dichter, essayist en vertaler. Hij was medestichter van de tijdschriften Dimensie (1976-1981) en Berichten uit Boonland (1995-2001), en is sinds 2015 als recensent verbonden aan Meander. Hij debuteerde in 1974 met de bundel Dagboek van een paria.

 

 

 

Recensie van Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K - Drs. P en Marjolein Kool

Een onafzienbaar feestterrein

Drs. P en Marjolein Kool
Wis- en natuurlyriek. Met chemisch supplement en verse verzen van K
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2018
ISBN 9789038805153
€ 15,00
218 blz.

Van Drs. P en Dr. Marjolein Kool verscheen in 2000 Wis- en natuurlyriek, een bundel waarvan weinig lezers nooit zullen hebben gehoord. Een bijzonder werk waarin onderwerpen en begrippen uit de exacte vakken zijn verpakt in vrolijke, vormvaste verzen. Uniek, zo meldt de achterflap, omdat het alfa’s en bèta’s nader tot elkaar brengt en eindelijk de kloof, die eeuwenlang tussen beiden bestond, zal dichten.

Drs. P (1919- 2015), pseudoniem van Heinz Herman Polzer, verscheen talloze keren op tv en behoeft geen introductie. Tekenend voor hem is de uitspraak: ‘Ik beschouwde het Nederlands als een luisterrijk en onafzienbaar feestterrein.’
Ons land telt aardig wat light verse-dichters maar dichteressen in dat genre zijn dun gezaaid. Marjolein Kool (1958)  is een van hen. Zij studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde en promoveerde op de rekenwoordenschat in oude, Nederlandstalige rekenboeken. Ze is hogeschoolhoofddocent in Utrecht. Van haar hand verschenen diverse dichtbundels maar reken- en wiskundeonderwijs was en is haar grootste passie.

Het schrijvend duo liet zich inspireren door natuurwetenschappelijke coryfeeën als Pythagoras, Bohr, Buys Ballot, Fibonacci, Ohm en Gauss. Het resultaat: een bundel voor lezers die een luchtige cocktail van kunst en wetenschap, afkomstig uit de brouwerij van een econoom en een docent wiskunde en Nederlands, weten te savoureren. De coproductie is duidelijk door speels dichtplezier gedreven. Een verscheidenheid aan verzen uit het genre van light verse passeert de revue: sonnet, ollekebolleke, elftal, rondeel, clerihew, Weense ballade.

Van deze bundel verscheen zojuist een uitgebreide editie, de zevende druk, die ook als e-book verkrijgbaar is. Aan deze herdruk werden, in een apart hoofdstuk, drieëntwintig verse verzen van Marjolein Kool toegevoegd, natuurlijk helemaal in de vorm en stijl van de eerdere uitgaven. Het recente exemplaar  bevat ruim 140 light verses. Het aantal verzen van Marjolein Kool nadert nu dat van Drs. P; voorheen nam laatstgenoemde zo’n tweederde van de bundel in.

Nieuw is bijvoorbeeld ‘Loonsverhoging’.

Laatst stond hier vijf man personeel
te krijsen dat het klaar is.
Ze eisten vijf procent – da’s veel –
verhoging van salaris.

Maar ach, ik zat er niet zo mee.
Welnee, ik ben geen krentje.
‘Vijf procent?’ zei ik. ‘Oké,
da’s ieder één procentje.’

Ook nieuw is ‘Perspectief’.

Dat wat aanvankelijk begon
als stipje aan de horizon
bleek eenmaal naderbij gekomen
als mammoettanker op te stomen.

De Bossche bol die voor haar stond
en zij gevaarlijk lekker vond,
weerstond zij op zo’n honderd meter
als muggenpoepje heel wat beter.

De weg waarlangs je iets bekijkt
heeft invloed op hoe groot het lijkt.
Daardoor – dat is het idiote –
bezien we niets op ware grootte.

Haar oudere verzen uit 2000 mogen er eveneens zijn, zoals het korte, krachtige ‘Uitgerekend’.

‘Tijd is geld,’ zo sprak de ober
en dat was voor ons een strop,
want hij telde toen de datum
vlotjes bij de nota op.

Van Drs. P is het ollekebolleke Hefboom.

‘Zie eens de Aarde hier
Wat zij ook wegen mag –
Geef mij een steunpunt:
Ik til haar omhoog!’

Sprak Archimedes eens
Hyperbetweterig
Niemand ontzenuwde
Ooit zijn betoog

De bundel heeft zowel een zaak- als een personenregister. Jammer genoeg is er geen alfabetische inhoudsopgave op de titels van gedichten bij gekomen. Vaak herinnert een lezer zich vooral de titel. Nu is het bij vlagen zoeken naar de pagina van een specifiek gedicht. In de coproductie waren en zijn individuele verzen niet ondertekend, hetgeen ook zoeken impliceert als je wilt weten van wiens hand iets is. Teleurstellend vind ik dat er, ondanks de verse verzen, geen enkele wetenschapster in het boek voorkomt. Geen Marie Curie, geen  Laura Bassi, geen Hypatia… Niettemin is het verheugend dat dit unieke werk een nieuwe druk beleeft.

Drs. P  verbleef de laatste anderhalf jaar van zijn leven in een Amsterdams zorgcentrum waar Marjolein Kool hem opzocht. Na zijn overlijden schreef ze een vers van elf kwatrijnen over hem. Dat staat als laatste in de nieuwste druk. Twee regels daaruit:
‘Dag pak, dag peuk, ja, potverdrie,/ de grote P moest gaan.’

Rogier de Jong


Rogier de Jong
(1952) weet niet precies hoe hij zijn werk zou moeten classificeren. “Ik voel mij in elk geval niet thuis in de academische c.q. hermetische stroming”.
Hij publiceerde in Tirade (1972) en Ballustrada (2018) en heeft twee poëziebundels in voorbereiding, waaruit hier voorbeelden.

foto: Ria Van den Abeele

 

Bruidssluier

Eigenlijk hebben we het
stadium van de hooizolder
nooit helemaal achter ons gelaten.

Alles beter dan een
doorsneerelatie, die gevangenis
van het patriarchaat.

Je voerde een zachte guerrilla
tegen de gevestigde orde – samen
belichaamden wij een kruistocht tegen

de machohorden – alhoewel het
enige lichaam dat mij bekoorde het
jouwe was en ik de geest van je

feminisme hooguit zag als een spannende
bruidssluier die ik in bed (of daarbuiten)
van je naaktheid mocht trekken.

uit: Memento (bundel in voorbereiding)

 

Het vlakke land

Soms overvalt het mij dat bijna
nergens in Nederland gesteente
boven de grond uitkomt.

Dat de kloven en dalen diep
onder onze voeten bedolven
zijn door een dikke laag grond.

De vlakte waarop wij
leven staat getekend
op ons gezicht.

Effen bezien wij de wolven
aan onze kust. En de golven,
in het Hollandse licht.

Calvijn is niet onze
aartsvader. Wij zijn
geboren uit sediment.

Klei is de god die onze
voetsporen vult en onze
voetstappen dempt.

uit:  Neem de dingen (bundel in voorbereiding)