Recensie van Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten - Andreas Oosthoek

Vroegere geluiden verlengen

Andreas Oosthoek
Witheet nadert de ijsberg. Verzamelde gedichten
Uitgever: Cossee
2018
ISBN 9789059367579
€ 29,99
277 blz.

De verzamelde gedichten van Andreas Oosthoek Witheet nadert de ijsberg is een bijzondere uitgave. De bundel bevat hoofdzakelijk een keuze uit nieuwe gedichten die geschreven zijn in de periode 1959-2017. Het verzameld werk is geen stapeling van de uitgegeven dichtbundels die Oosthoek tijdens zijn leven gepubliceerd heeft. In feite is het slechts een keuze uit vier bundels en enkele gedichten die gepubliceerd zijn in Maatstaf, zoals hij in de ‘Verantwoording’ schrijft. ‘Nieuwe gedichten’ was wellicht een betere ondertitel geweest voor deze uitgave. Het schijnt dat de dichter nauwelijks de behoefte heeft gehad om de gedichten die hij had geschreven te publiceren. Wanneer ze geschreven waren en hij vond dat ze in de juiste vorm gegoten waren, was het voor hem klaar en werden de verzen op zolder opgeborgen. Het was een kwestie van een keer opruimen, waarbij allerlei manuscripten en losse blaadjes tevoorschijn kwamen en het voortdurend aandringen van de liefhebbers van zijn poëzie, die leidden tot deze uitgave ervan. In een interview met de dichter bij het verschijnen van de bundel las ik dat hij zelf ook niet blij was met de ondertitel ‘Verzamelde gedichten’. ‘Gedichten sinds 1959’ zou volgens hem beter geweest zijn.

Oosthoek heeft de gedichten niet chronologisch gerangschikt, maar ze in acht thema’s ondergebracht. De thematische indeling maakt de bundeling van zijn gedichten wel overzichtelijk, maar het lezen ervan niet spannender of verrassender. Soms is het lezen van een aantal thematisch verwante gedichten een pas op de plaats. Het lezen van Oosthoeks poëzie gaat traag, ook al omdat niet alle gedichten direct toegankelijk zijn. Er moeten zaken opgezocht worden, versregels herlezen worden, er moet nagedacht worden over wat de betekenis kan zijn van wat op papier staat. Anderen echter zullen het toejuichen dat een aantal gedichten over hetzelfde onderwerp, zoals die over Parijs in de tweede afdeling ‘Landelijk vertier & een beetje stad’ bij elkaar gezet zijn. In de zevende afdeling ‘Vuurland’ is de groepering van gedichten over de oorlog en zijn werk voor de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht, waaraan hij als dienstplichtig militair verbonden was, terecht zo samengesteld. De titel van deze afdeling is dezelfde als die van de roman Vuurland, die in 2016 verscheen.

Andreas Oosthoek wordt getypeerd als een Zeeuwse dichter die over de dijken en de duinen heen kijkt, veel naar overzeese oorden trekt, maar altijd weer terugkeert naar zijn geboortegrond en dan zijn reiservaringen in dichtvorm aan het papier toevertrouwt. Het landschap, de flora en fauna, het voortgaan van de tijd en het vat krijgen daarop, het weer en het klimaat zijn vaste thema’s in zijn werk, zoals in de eerste strofe van het gedicht ‘Het landschap’ uit de afdeling ‘Een poppenhuis vol lijsters’ te lezen is:

Aan wie behoort vandaag het landschap?
Het droeve paard dat staande slaapt
en ouder wordt, heeft elke dag
een afspraak met het groen.
Ook alle bomen zijn reeds ingevuld,
elk op zijn welgekozen plaats.
De sneeuw misschien,
een hagelbui met bovenmaatse stenen?
Alles is, door de jaren heen,
Vertrouwd aan fotograaf en schilder.
De dichter schikt en scharrelt,
strijkt hier en daar een plooitje glad
maar kan het tij niet keren:
het landschap heeft geen woorden nodig
en wil een beetje regen op zijn tijd,
de estafette der seizoenen.

In deze strofe positioneert hij zichzelf als dichter in een wereld die al ingevuld lijkt met fauna, flora en het weer. Het landschap is ingericht. Is hij als dichter wel nodig? Alles heeft toch al zijn plaats? Hij relativeert op subtiele wijze zijn dichterschap, waarin zijn machteloosheid als dichter om te zorgen voor een ommekeer de boventoon voert. Hij is een dichter die wat schikt en scharrelt en hier en daar een plooitje gladstrijkt. Als dichter is hij overbodig: het landschap heeft geen woorden, maar regen nodig. En natuurlijk de afwisselende seizoenen die elkaar snel (‘de estafette’) opvolgen.

De verwijzingen naar schilderijen, andere gedichten en bepaalde locaties die in gedichten voorkomen worden verklaard in de ‘Aantekeningen’ die achter in de bundel zijn opgenomen. Het verhoogt de leesbaarheid van Oosthoeks poëzie, want het gaat in vrijwel alle gevallen om specifieke informatie. Een gedicht doorgronden eist in een aantal gevallen diepere kennis van de geschiedenis, geografie, kunst en literatuur. De bundel bevat ook een interview van tien vragen met breed uitgewerkte antwoorden van uitgever Christoph Buchwald met de dichter ‘over ambacht en inspiratie, traditie en moed’. Ik vind dat dit niet in een bundel ‘Verzamelde gedichten’ thuishoort, ondanks dat het interview interessante informatie over Oosthoeks dichterschap geeft. Blijkbaar vindt de uitgever het een goed idee om de lezer te begeleiden of te sturen bij het lezen van de poëzie van deze wat teruggetrokken dichter. Maar hoe aantrekkelijk het ook lijkt, ik wil niet aan de hand meegenomen worden. Ik ben een autonome lezer.

Oosthoek wordt beschouwd als een dichter met een authentiek idioom. Zijn woordkeus is in veel gedichten onnavolgbaar, zijn waarnemingsvermogen bij tijd en wijle uniek. Nooit heb ik zo’n indringende beschrijving van kraaien gelezen als in het gedicht ‘De kraaien van Sjaelland’:

De uitgegraasde kraaien van Denemarken
zijn grijzer, deftiger en van ernstiger komaf
dan de stappers, hoppers, krauwers, krassers
die het zonder blauwe tanden moeten stellen.

Ze zijn gesteven, van gisteren, dragen een al
te lage hoge hoed en een gladde lakense
frak, waaronder – bij wijze van plastron – een
kogelvrij vest de veertjes op hun plaatsen
houdt. In het drukke eethuis, dat men Kro
noemt, zijn vooral de klauwen zeer gegeerd.

De kraaien van Denemarken geven korte
kopjes. Ze zwalken mal boven gele velden
vol koninklijk koolzaad en bezoeken met
pijnlijke regelmaat uitsluitend witte kerken.

De bundel krijgt een motto van de surrealistische dichter Paul Éluard mee: ‘Je m’obstine de mêler des fictions aux redoutables réalités.’ Andreas Oosthoek geeft in zijn ‘Verantwoording’ een vrije vertaling van dit citaat. Hij spreekt ‘over de durende vermenging van fantasieën met de ijzingwekkende werkelijkheid’. Deze koppeling herken ik ogenblikkelijk in zijn gedichten, maar ik moet toegeven dat het me soms moeite kost om inhoudelijk die verbinding te duiden. Dan begint voor mij het spel van grip krijgen op de tekst door beelden te associëren, verschillende gedichten naast elkaar te leggen en de (andere) betekenissen van woorden op te zoeken. Dat proces levert me enkele door mijzelf samengestelde reeksen van boeiende gedichten op, maar ook losse gedichten die ik opzij leg, omdat ze nog niet in een door mijzelf gevormde rij passen. Ik leg de gedichten niet voorgoed opzij, maar slechts voor even. De tweede strofe in zijn laatste gedicht ‘Monologue intérieur’ stelt me gerust. Ik lees de versregels rustig voor mezelf:

Het zou er – dacht hij – zeker nog van komen,
het wonderlijk verband
dat lijnen vlecht tussen begeerte en vervulling.

***
Andreas Oosthoek (Nieuwdorp, 1942) is een Zeeuwse dichter en journalist. Zijn eerste gedichten verschenen sporadisch in tijdschriften, zijn eerste bundel De bladen terug werd in 1987 gepubliceerd. Daarna kwamen nog enkele kleinere bundels tot stand. In 2014 verscheen zijn vierde dichtbundel Een zandloper in zee. In 2015 publiceerde hij de roman Het relaas van Solle op basis van een oude, teruggevonden versie. De roman Vuurland schreef Andreas Oosthoek in 1965, kort na zijn vertrek bij de identificatiedienst. Vijftig jaar later heeft hij het manuscript herzien voor publicatie in 2016.

Nelleke Lamme-den Boer

Nelleke Lamme-den Boer (1955) is schrijfdocent en ongebundelde dichter. Ze geeft vanuit haar bedrijf Tekstkwartier in Amsterdam cursussen en workshops creatief schrijven. Ze slentert graag in Noord-Friesland langs de zeedijken.


foto: Anja Robertus

 

wantij

wantij warrelt over
je naakt
in slik gedrenkt karkas

het geeft niet
dat je vroeger veren droeg

de wind ronselt een dekbed
van losgeslagen zeekraal

men overwintert hier
zo diep

 

de weerbarstige muur

je moet eerst het cement
tussen de stenen uitlikken
je kapotte handen vuil maken

de kieren toefluisteren
de vrijheid in- en uitademen
tot het gat groot genoeg is

dan

geef je het kind door
aan wildvreemde armen

welwillende
het goud welgevallige

 

(zonder titel)

de dwarrelvogel danst
’s morgens vroeg
mijn vleugels lam

boort borstdiep onheil aan
tot weesrijm
mij een stem geeft

ik tussen de weeuwkroppen
durf uitkruipen

houvast vind
bij de roomzachte schutting
schuildier zonder poten

Recensie van niets = iets - Wouter Godijn

Kletsmajoor exerceert

Wouter Godijn
niets = iets
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025451967
€ 21,99
78 blz.

‘Vanaf het eerste gedicht  bevinden we ons in het instabiele universum van Wouter Godijn, waarin altijd wel iets aan de hand is, zelfs als dat niet zo is. […] En het ongemak wordt echt voelbaar in een reeks gedichten waarin een seriemoordenaar verslag doet van zijn executie. Zoiets hebben we nog nooit gelezen. En Wouter Godijn heeft het wéér voor elkaar.’

In hedendaagse poëzie spelen de muzikale eigenschappen van de taal niet bepaald een hoofdrol. Slechts zelden worden gedichten vervaardigd door middel van variatie in klank en ritme en zijn ze gegrond op een spel met betekenis. Veel vaker wordt de lezer ondergedompeld in een hitsige afwisseling van surrealistische beelden. Bladzijde na bladzijde gilt de aandachttrekkerij in je oren en priemt de opzichtigheid je ogen in. Wellicht is dit een bewijs voor de toenemende invloed van het podium, waar je de aandacht van een snel afgeleid publiek alleen kunt winnen en vasthouden met een snelle aaneenrijging van woorden-bling-bling en waar een zorgvuldig opgebouwd taalverhaal al snel leidt tot gegaap en verveeld gedraai.

Het valt een uitgever niet kwalijk te nemen dat hij de achterzijde van een nieuwe bundel gebruikt om de loftrompet te steken over de auteur die de bundel heeft vervaardigd. Vervolgens moet de lezer maar zien of de geschapen verwachtingen kunnen worden waargemaakt.
Dat valt niet mee. Zoals zoveel hedendaagse bundels is ook de bundel niets = iets van Wouter Godijn een aaneenrijging van kabbelend en babbelend parlando:

Een gedicht schrijven is niet moeilijk

je begint met: ik loop door de straat
dan iets over het weer
hoe heerlijk de zon schijnt
de kille blik waarmee de ramen op je neerkijken
de tapir die aan een tuinkabouter snuffelt
de vrouw die een jurk heeft gemaakt van een rood-wit geblokt tafelkleed
haar gelukkige lach, de kersenachtige kralen van haar ketting
inmiddels zijn er drie blonde wolkjes
verschenen in de blauwe lucht
waardoor je op zeven regels komt – als zeven brandende kaarsjes op een verjaardagstaart
je onderbreekt het schrijven om een plas te doen
je dochter roept je
je roept dat je moet dichten
en door de straat paradeert een emoe
die je zou kunnen schrappen: en door de straat paradeert een emoe
waardoor een geheimzinnige leegte oplaait
je bent nu op drie plaatsen
(het getal drie komt je op een verrukkelijke manier
vaag bekend voor als een verwijzing
die halverwege
plotseling oplost in niets – niets
mooier dan dat)
vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
op je bed, dichtregels schrijvend
in de straat, dicht bij de plek waar daarnet een emoe was
als je nu ook schrapt: vlak bij de wc, roepend tegen je dochter
en: op je bed, dichtregels schrijvend
ben je alleen nog in de straat
de zon
blonde wolkjes
de blauwe, blauwe lucht

(p. 28)

Bovenstaand gedicht is helaas kenmerkend voor de bundel. Muzikaliteit ontbreekt geheel en pagina na pagina gaat het voort in gedachtenexercities die nergens noodzakelijk zijn: in plaats van de emoe had op die plek evengoed een hangbuikzwijn, een oeros of een giraffe kunnen figureren.
Uiteraard zou je kunnen aanvoeren dat het bovenstaand gedicht ironisch bedoeld is, als commentaar op de ‘hoge’ verwachtingen die ‘men’ van een gedicht heeft. Maar wat wordt hiermee op het spel gezet? Welke innerlijke noodzaak dwingt de auteur om deze poëzie te schrijven? Wie schrijft over wolkjes, een plas doen en het roepen van een dochter zit middenin wat Potgieter ooit smalend de ‘copieerlust des dagelijkschen levens’ noemde. Uiteraard kun je aanvoeren dat je de kunst op de hak neemt en tevens het op de hak nemen zelf nog een keer, maar na een of twee keer heeft de lezer dat wel gezien.
Een gedicht moet de lezer onraad laten ruiken, hem terug lokken naar de taal om de bron van de verdenking op het spoor te komen en bij herlezen nieuwe raadsels scheppen. Daarvoor is muzikale taal nodig, het verschuiven van de betekenis door klank en ritme, zodat er nooit staat wat er staat en niet staan zal wat er stond.
In eerdere besprekingen van Godijn’s poëzie wordt gesteld dat hij, door het laten zien van wat hij wegstreept, iets unieks doet. Ik vrees dat het niet meer dan een maniertje is: wie werkelijk wil laten zien wat er ooit geschreven stond en nu nog geschreven staat, toont de ware chaos van doorgestreepte, vervangen en alternatieve woorden en passages, zoals bijvoorbeeld te zien is wanneer je de historisch-kritische uitgave van het werk van Leopold bekijkt. Door hier en daar een doorhaling te plaatsen laat de auteur niet het werkelijke proces zien, maar koketteert hij slechts met het beeld van een dichter die voor de ogen van de lezer ‘durft’ te schrappen.
Op een aantal plaatsen heeft de auteur bovendien een aantal woorden in een brugklashandschrift onder de tekst gekalkt. Als dat de indruk van een spontane toevoeging moet wekken, werkt dat bij deze lezer in elk geval niet.

En dat is nog niet alles. Obligate beschrijvingen als ‘het trekkepopje kabinetsopperhoofdje’, ‘de zalm met zijn lachebekjeduretandenhekje’ en ‘de randdebiele ongeluk brenger met zijn hoogblondgemaakte namaakhaar’ (p. 43), we hebben het vaker gehoord en gelezen, we moeten er nog een keertje om glimlachen, maar als het geen beginnend studentencabaret is, dan heeft het in elk geval weinig te maken met poëzie.
Anders dan de uitgever ons wil doen geloven, is Godijn niet de taalgeneraal die met zijn woordenleger de Nederlandse poëzie onderwerpt, maar laat hij eerder de exercities van een kletsmajoor zien.

Wanneer we Godijn vergelijken met een niet willekeurige Groningse dichter, een die ook droomgedichten schreef, wordt al snel duidelijk dat het werk van Godijn bij dat van Hendrik de Vries bleek afsteekt. Een van de belangrijkste verschillen is dat De Vries de taal als zijn materiaal altijd hoogst serieus bleef nemen en zichzelf bijvoorbeeld strenge vormregels oplegde (onder meer dat geen regel mocht beginnen met de letter waarmee de voorgaande eindigde). Voor De Vries was het schrijven van een gedicht gelijk aan het stellen van een daad in de context van het leven en iedere klap moest dus raak zijn.
Godijn daarentegen mijmert maar wat:

Over de blauwe lucht

Kan de blauwe lucht wolken,
wolkenslierten,
wolkenflarden,
schapenwolkjes,
slaperige wolken,
wolkenkastelen,
wolkengebergten,
wolken die lijken op speelgoeddieren, wolken die lijken op tekenfilmfiguren,
wolken die –

Kan de blauwe lucht al die wolken onthouden?

Ze probeert het, uit alle macht,
heeft de indruk dat het lukt
ontwikkelt bombastische theorieën: pas via de omweg van de herinnering
kan iets echt bestaan
mijn herinnering vormt mijn karakter
ik ontwikkel me
tot een rijpere persoonlijkheid
ik begrijp nu pas
wat ik heb gezien
ik kom verder
steeds verder
ik leg een weg af

intussen verdwijnen er wolken
eerst twee onopvallende schapenwolkjes
dan opeens een torenhoog gevaarte
dan een heel landschap
dan ik ook de herinnering blauw –

weet nog dat het ooit anders was, niet meer hoe
vage silhouetten, een soort goudkleurige mist

dan zelfs dat niet meer

 (p. 74)

Lees nu eens het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff (Verzamelde gedichten, Bert Bakker, 1990, p. 156). En kom niet aan met het verweer dat Godijn daarop een ironisch commentaar zou leveren.

***
Wouter Godijn (1955) woont en werkt in Groningen. Hij schrijft romans, zijn Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde de shortlist van de AKO-literatuurprijs. Maar ook heeft hij zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste en bijzondere hedendaagse dichters. Zijn bundel Hoe H.H. de wereld redde werd bekroond met de Jan Campert-prijs.

Antoon Van den Braembussche

Antoon Van den Braembussche (1946) is filosoof, kunstcriticus, essayist en dichter. Hij doceerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, de Jan van Eyck Academie en de Vrije Universiteit Brussel. Als filosoof publiceerde hij onder meer Denken over Kunst. Recentelijk verscheen De stilte en het onuitsprekelijke (A’pen, Epo, 2016).
Als dichter debuteerde hij in 1979 onder het pseudoniem Tonko Brem met de bundel Liefdesverklaring in de legendarische Yang Poëziereeks. Daarna verschenen: In het Voorbijgaan (Antwerpen, Contramine, 1985) en Verzwegen Verleden (Gent, J&J, 1995). Meer recent verschenen onder zijn eigen naam een drietal bundels bij Uitgeverij P : Kant-tekeningen (2007), Het uur van de wolf (2014) en Alles komt terug. Over de eeuwige terugkeer van het gelijke (2018).

foto: Jimmy Kets

 


Regen, misschien wel sneeuw

Er is regen, misschien wel sneeuw op komst.
Zo zei je. Alsof je iets anders wilde zeggen.

Iets dat vanuit de diepte kwam.
Nergens meer thuishoorde.

Je wist hoezeer ik van je hield. En toch
keek je strak de andere kant uit.

De bomen zwegen aan de horizon.
Boven de maïsvelden hing ijl de mist.

 

Ouroboros

Voor Rico Sneller

Zo heb ik het schreeuwen verleerd.
In dagdonkere wanhoop.
In woorden die bevroren in mijn mond.

Als ijskristallen. Ongeboren.

Zo heb ik de taal uitgevonden
van het vergeten en het naamloze,
het onpeilbare verdriet.

En tegelijk ontdekte ik de
achterzijde van elke taal.

Het onuitsprekelijk besef
dat alles uiteindelijk zichzelf
als een slang verslindt,
zijn eigen staart opeet.

De kringloop voltrekt.
Zichzelf opnieuw uitvindt.

Tot in het oneindige.

uit: Alles komt terug. Over de eeuwige terugkeer van het gelijke, uitgeverij P, 2018

Recensie van Houdingen - Sylvie Marie

Van snoeihard tot licht absurd, de schakeringen van mens-zijn

Sylvie Marie
Houdingen
Uitgever: Vrijdag
2018
ISBN 9789460016257
€ 16,50
53 blz.

Dit is mijn eerste recensie sinds het overlijden van Rob de Vos, goede vriend en onevenaarbaar Meander-opperhoofd. Het in deze zin weer aan de slag gaan met poëzie is naast een mooie manier om Rob eer aan te doen toch ook weer een taaie confrontatie met het verlies. Sylvie Marie heeft in het verleden jarenlang voor Meander gewerkt en had eveneens een goede verbinding met Rob, wat de symbolische waarde van deze voortzetting van mijn werk bij Meander vergroot. Laat duidelijk zijn:  mijn gevoel van verlies en de betekenis die ik geef aan het feit dat ik nu juist deze bundel mag bespreken, veroorzaken niet dat ik in deze bespreking positief zal discrimineren.

____

Vandaag heb ik de stilte gevonden, om me heen en in mezelf, die nodig was om toegang te vinden tot de bundel Houdingen van Sylvie Marie. Eerder probeerde ik al meerdere malen om ‘tussendoor’ een paar gedichten te lezen, maar op deze manier raakte ik niet in de wereld an sich die Sylvie Marie hier zo fijngevoelig in woorden heeft geschetst.

Achterop de bundel staat: ‘In haar vierde bundel dicht Sylvie Marie over verlies en een nieuw begin en over alle houdingen daartussen’. Om wat voor verlies het precies gaat in deze bundel blijft voor mij onduidelijk. Het woord ‘schetsen’ is hier van toepassing, of ook ‘sfeertekeningen’. Ook de illustratie op de voorzijde is meer een schets dan een uitgewerkte illustratie. De schets roept de vraag op: duwen deze twee mensen elkaar weg of trekken ze zich juist naar elkaar toe? Is het aantrekken of afstoten? De gedichten en personages in Houdingen doen hetzelfde. Ze trekken aan, ze stoten af.  Zelfs de titel draagt die tegenstelling in zich. De eerste betekenis is natuurlijk ‘houdingen’ in de zin van hoe wij ons opstellen ten opzichte van onszelf, de mensen in ons leven, een situatie etc. Grappig genoeg was echter mijn eerste associatie met de titel een andere. Ik dacht direct aan ‘houden’ en daarmee aan de eigenschap van de mens om wat ons lief is te willen houden, niet te willen verliezen. Ook ‘houden van’, liefhebben ligt in het woord zelf besloten en een wat wrange invalshoek zou kunnen zijn: de objectificatie van de geliefden. Is het omdat het moelijk is ons te binden aan het vergankelijke, eenvoudiger de mens te zien als een ding dat we kunnen houden? Zoiets als een hebbeding?

Een van de gedichten te lezen veroorzaakt bij mij meermaals dat ik de impressie krijg dat ik een pilletje heb ingenomen dat op mijn gevoelsleven inspeelt. Ik ervaar dit niet per se als prettig maar wel als interessant. Ik bewonder Sylvie Marie’s vermogen zoveel verschillende geestestoestanden vast te pinnen in woorden die aankomen. Toevallig is er ook een gedicht over pillen: ‘en meer nog dan het doel van die dingen / gaat het om het drukken, zorgvuldig / de beide duimen voorwaarts / en de nagels tegen elkaar‘ (fragment).

Het poëtisch ik maakt, gehecht aan het uitdrukken van pillen, een neurotische indruk. Tegelijk is dit gegeven zo herkenbaar dat ik me plots realiseer hoe neurotisch wij (bijna) allemaal eigenlijk wel niet zijn. Velen zijn in meer of mindere mate gehecht aan of meestal zelfs afhankelijk van ongezonde gedragspatronen. We weten dat iets slecht voor ons is, toch kunnen we niet zonder. Het is een houding die we willen houden, want wat blijft over van ons als we onze houdingen niet meer kunnen controleren? Wat zit dáárachter?

gewond zijn is mijn besluit
het stelpen zal ik laten

niet dat ik dweep met bloed, vroeger
kon ik daarin overdrijven

maar als ik sporen nalaat
vind je mij tenminste terug.

Ook in dit korte titelloze gedicht kiest het poëtisch ik er voor gedoseerd bewust incompetent, gewond, door het leven te gaan. Want alleen bloedend gelooft ze, kan ze gevonden worden.  Die benauwende doch warmbloedige en intelligente gekte herinnert me aan het werk van mijn eerste poëtische liefde Jotie ’T Hooft.  Ik denk daarbij: Wie overloopt van wat in hem (haar) loopt moet schrijven.  Het werk van Sylvie Marie is net zo goed als dat van  ’T Hooft een voorbeeld van hoe zo’n intense urgentie de kwaliteit van poëzie ten goede komt.

De bundel telt  drie afdelingen: ‘toestanden’, ‘houdingen’ en ‘uitkomsten’. Onderdeel van de afdeling ‘houdingen’ is het vijfkoppige gedicht ‘werkweek’. Ik vind het prettig dat onderwerp en enscenering hier vrij duidelijk zijn. Een stel gaat naar een chalet ‘want sneeuw vergeeft, je kunt telkens opnieuw beginnen’. Sterke beelden in heldere zinnen vormen ‘werkweek’ tot een filmisch geheel: ‘nu moeten we laarzen aan, nu naar buiten, / nu gaan liggen en kraken, van de hele helling / engelen maken.’ (fragment)

Sommige zinnen komen snoeihard binnen en zelfs als ik het probeer is het moeilijk deze te vergeten. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit dit gedicht:

ik had het moeten weten: zand waarop niet te bouwen valt
deugt ook voor begraven niet. hoeveel lagen

bijvoorbeeld zijn er nodig voor jou? ik begraaf je
roep luid vaarwel vaarwel en begraaf je en begraaf je

maar de bergen wandelen hier, worden heuvels,
vlaktes, dalen, vlaktes, heuvels en weer bergen, verderop.

ik heb geprobeerd je te verbergen, maar je zingt jezelf
steeds een weg naar boven, fluit je lippen vrij

en je korrels slaan opnieuw in mijn gezicht.

Het hele gedicht blijft zo sterk, van de eerste regel tot de laatste. En ik maar tot tegen het einde denken dat ‘begraven’ als metafoor was bedoeld, daarom slaan die ‘korrels’ mij ook bijna stoffelijk, zo letterlijk ‘de dood’ in het gezicht.

Er zijn ook lichtvoetigere gedichten, hier een fragment van eentje om in te gaan zitten. Hoewel dat lichte absurdisme vaker voorkomt had ik er graag nóg meer van geproefd in deze bundel.

we zouden kunnen gaan zitten
in een koffiekopje

je weet wel,
een klassiek,
met schuine wanden,
zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

De afdeling ‘uitkomsten’ bestaat uit een enkel gedicht en is dus eigenlijk een ‘uitkomst’. De uitkomst lijkt een kind te zijn. Een ontroerende wending, waarbij ik denk ‘hier begint het pas, híer wil ik meer van’. Zij schrijft: ‘jij liet niets vallen jij hebt iets neergezet’ alsof zij dat tegen zichzelf zegt. Op deze manier maakt het poëtisch ik een interessante psychologische ontwikkeling door. Deze afsluitende regels zouden tegelijkertijd ook over deze bundel kunnen gaan. Door te dichten zet de schrijfster haar werk neer: zo komt de vallende fier tot staan.

***

Sylvie Marie (1984) publiceert sinds 2005 gedichten in literaire tijdschriften. In 2009 verscheen haar debuut Zonder. Twee jaar later werd de opvolger Toen je me ten huwelijk vroeg genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs. Voor de derde, Altijd een raam, kreeg ze in 2017 de laatste provinciale prijs Letterkunde van de provincie Oost- Vlaanderen. Houdingen is haar vierde bundel.