Gedichten

door Kila & Babsie (1988)
moederliefde is niet altijd

Moeilijk doen of je de rode enkellaarsjes wilt hebben terwijl het broertje van een kennis van een meisje uit je klas dood is gegaan omdat hij in een koeienstal viel.
Ziekelijk optimistisch was de kennis van een meisje uit je klas maar toch overleed hij.

Russische gitaarmuziek klinkt door de auto

Je rijdt een mus aan en nu zullen zijn kindermusjes hun moeder nooit meer zien
Nooit meer wormen gevoerd krijgen door moedermus.
Geen warme vleugels.
Geen extra plastic versteviging voor het nest.


Gelukkig;
Er is nog een vadermus.
Sterk, zacht, redelijk kalend en in bezit van optimisme.
Hij redt de kindermusjes
en betaalt de rode enkellaarsjes.

Bedankt pappa.

Babsie
 




Nacht van de poëzie

Langzaam vallen mijn ogen dicht
als zandzakken die van
een berg af rollen,
als de berg moet niesen.

Gedempte geluiden van kerels uit de kroeg
nemen rare vormen aan – zingen ze een lied?
Een auto raast langs en de rode gordijnen lijken op die roze vogels
Flamingo’s?

Ik weet dat ik aan hem denk.
Ik wil dat niet want ik denk liever aan een broodje tonijnsalade.
Als er mensen langs moeten sta ik op.
Ik zit krap en een man reikt folders aan
maar niet aan ons.

Zien we er niet uit als dichters?

Dag nacht van de poëzie, tot 2009.

Babsie
 




Namen voor onze kinderen

Jij zei Pillow, ik zei Grape.
Hihat. Nee, dat doet teveel aan waterhoofd denken.
Tuin. Geen Tijl, geen Teun, maar Tuin, u hoorde het goed.
Plant.
Sparerib.
Mandela. Een blonde jongen met blauwe ogen (dat is zeker, want blauw en blauw is blauw) die Mandela heet. Een blonde jongen met blauwe ogen die Mandela heet.
Mag dat eigenlijk wel?
Ik zei Piccolo, jij zei Stoep.
Alladin, Fiets, Takkie.

Misschien moeten we maar een hond nemen.

Kila
 




Ik slaap, dicht en huil in bed

Toen ik mij eens heel snel omdraaide in bed
(omdat iemand de badkamer uitkwam
en ik niet wilde dat hij mij zag huilen)
schoot er een traan in mijn rechter oor.

Een traan die om jou gerold was.
Hij droop zich een weg tussen
mooie momenten en prachtige plekken
en gevoelde gevoelens die ik bewaar.

De volgende dag zat hij er nog.
Ik droeg hem ongewild mee,
want hij klotste en deed me
constant aan jou denken.

Ineens was hij weg.
Hij verdween op het moment
dat ik mijn telefoon aan mijn
oor deed en jij zei:

Het ruikt hier naar jou.

Kila
 






Osaka, Japan

K. Het was een rare winkel.
B. -

K. -
B. Vol felle rafelkleren, touwtjestassen, wolle sjalen, kralen, ikhoudnietvandesign sieraden.

K. Maar toen zij binnen kwam leek de winkel best normaal.
B. –

K. Ze was een los gekomen retro                                         ontpopte
B.                          gelaten           maar toch van deze tijd

K. hippe pop in een roze jurk                     (pauze) een late zomerstorm
B. hippe pop           witte       gemaakt van (pauze) zoete suikerspinnen

K.              haar lippen rood en in haar paarse legerhak stak
B.       haar haar was groen en in haar paarse legerhak stak

K. één zwart wit gestreepte maillot
B.                                              en één kanten meisjessok.

K. En ik stond in de winkel met mijn                 en
B.                                                spijkerbroek     jas.


Kila & Babsie
 

Gedichten

door Jos Versteegen (1956)
Vos en wolf

De grote ketel in de stalhoek:
houthompen, vuur en dampend water.
Hij zou in sprookjes niet misstaan
om jonge meisjes in te stoven.

Je stort er lakens in, die bollen,
verdrinkt ze met een grote stok
en stampt ons voetenvuil en zweet
en oogvocht murw, zodat het loslaat
en in de zinken emmer stroomt,
het voorportaal van grup en put.

Spookdromen, kom maar op. Ja vos
die in mijn deken woont, heus wolf
die op mijn kussen ligt – jij ruikt
straks net als ik naar groene zeep.
 




Gekookte vingers

Dit veld moet wel een slaapzaal zijn
voor honderd meter lange reuzen:
zandbedden reiken van de heg
tot aan de bramen langs het pad.
Ze werken niet, ze hangen ‘s nachts
geen hemd of broek aan onze linden,
ze liggen maar, voor lijk. Melde
springt op, als luis uit oude dekens.
Ze steken witte vingers op
en dan zet jij het mes erin.

Dit is mijn bord: hun duim, hun pink
met ham en ei en nootmuskaat.
Je leest geen sprookjes voor, je dient
gekookte reuzen dampend op.
 




Hun laatste groot alarm

Je draait gehakt, je maakt van vlees
en vet een soort van regenwormen,
rood-witte minislangen uit
de mond van onze tafelmolen,
die afbreken en vallen in
een groen geëmailleerde kom.
Het is oktober en je stopt worst,
bloed aan je handen en je schoot.

De winter, en de braadlucht in
mijn trui. Ik denk aan roze dieren
wanneer jij in het darmvlies prikt:
ze sissen, spuwen naar de vork
die jij nu anders vasthoudt, hoger,
dan straks aan tafel, als je eet.


Jos Versteegen
Uit: ‘Slapen bij een warme man’

 
Interview met Jos Versteegen

Taal onder spanning

 
Jos Versteegen (1956) studeerde Nederlands en Indonesisch in Nijmegen. Zijn gedichten zijn gepubliceerd in literaire tijdschriften als Maatstaf, De Tweede Ronde, Bzzlletin en Hollands Maandblad. Hij debuteerde in 1996 met de dichtbundel Voorgoed volmaakt, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij stelde enkele bloemlezingen samen, schreef een novelle in dichtvorm en zelfs een reisgids over Roemenië. In 2008 verscheen zijn nieuwe dichtbundel Slapen bij een warme man.

‘De bundel is autobiografisch. In de laatste gedichtenreeks bijvoorbeeld heb ik de tijd van mijn moeder in het verzorgingshuis gedocumenteerd. Wat er met haar gebeurde, heb ik in gedichten proberen te beschrijven. Mijn moeder ging sinds 2003 geestelijk en ook lichamelijk achteruit’, vertelt Versteegen. ‘Toen die reeks klaar was, dacht ik: mijn moeder was ooit een stoere, hardwerkende boerenvrouw. Die kant van haar leven moet ik ook in beeld brengen. Vanuit die gedachte zijn de gedichten over vroeger ontstaan. Ik was niet zozeer bezig met het beschrijven van mijn jeugd, maar meer met het beschrijven van mijn moeder zoals ik haar in mijn jeugd kende. Op die manier is de sfeer van vroeger, toen ik een kind en een puber was, bijna vanzelf in de bundel terecht gekomen.’

Foto’s in woorden
Aanvankelijk schreef Versteegen humorgedichten, maar tegenwoordig heeft hij minder trek in grapjes. ‘Het maken van een gedicht is een behoorlijke klus. Al die moeite, al die zorg die in zo’n tekst gaat zitten, wil ik besteden aan iets echts, iets ontroerends, iets dat wezenlijk met mijn leven te maken heeft’, licht hij toe. ‘Ik schrijf over onderwerpen die gevoelsmatig dichtbij liggen. De gedichten over mijn moeder zijn daar een voorbeeld van. En ik probeer visueel te schrijven. Ik wil graag dat mijn gedichten als het ware foto’s-in-woorden zijn. De lezer moet iets te zien krijgen. Verder wil ik dat mijn taal onder spanning staat, dat het niet ‘zomaar’ woorden zijn. Er moet als het ware elektriciteit in zitten, terwijl ik toch het liefst tamelijk gewone woorden gebruik. En uiteindelijk wil ik ook graag dat de lezer de emoties voelt die achter de teksten zitten.’
Versteegen heeft een voorkeur voor vormvastheid. Hij legt uit waarom: ‘Ik wil dat er muziek zit in de gedichten die ik schrijf. Het hoeven geen liedjes te zijn, maar een bepaalde muzikaliteit streef ik wel na. Ik houd van de pianowerken van Schubert en soms denk ik: zo mooi, zo gevoelig als hij componeert, zo wil ik schrijven. Om muzikaliteit te bereiken heb ik de vorm nodig. De muzikaliteit van de vorm kan de inhoud beter voor het voetlicht brengen, geloof ik. Ook kun je de vorm soms verstoren als dat vanwege de inhoud passend is. In het gedicht ‘Duizend graden’ in Slapen bij een warme man probeert mijn moeder nat geworden brieven uit Canada glad te strijken. Daar heb ik sommige regels bewust onregelmatig en hortend gemaakt, omdat het gladstrijken van die brieven niet lukt.’

Het Klokhuis
Versteegen schreef ook liedteksten voor het tv-programma Het Klokhuis: ‘Ik had ooit een paar liedteksten gemaakt en die stuurde ik op naar cabaretdeskundige Jacques Klöters. Hij liet mijn teksten zien aan Joost Prinsen. Die zag er wel wat in, belde me en vroeg me of ik op bestelling zou kunnen schrijven: "Als je de opdracht krijgt om te schrijven over een mannetje dat struikelt over een wandelstok, zou je dat dan kunnen?" Daarop heb ik volmondig ‘ja’ gezegd, hoewel ergens in mijn achterhoofd een lichtnerveuze gedachte rondspookte: ik hoop dat dat me inderdaad lukt…’ blikt hij terug. ‘Nou ja, het lukte wel en ik vond die specifieke opdrachten van Het Klokhuis meestal behoorlijk inspirerend. Het voordeel ervan is dat je het onderwerp niet meer zelf hoeft te bedenken. Je ontdekt hoe groot de vijver waaruit je poëtische thema’s kunt vissen. Toen ik bijvoorbeeld moest schrijven over röntgenstralen, acupunctuur, botsautootjes, pretparken en de bagage-afhandeling op Schiphol, vond ik dat heerlijk. Wat een schitterende onderwerpen! Ik was er zelf niet zo makkelijk op gekomen.’
Hij vertelt wat hij het mooiste vindt aan het schrijven van dergelijke liedjes: ‘Het moment dat je voelt: dit gaat lukken, nu komt er leven in de tekst – dat is bijzonder plezierig. Dat geldt voor gedichten net zo. En bij liedjes heb je ook nog de uitvoering: iemand zingt jouw tekst. Een grote beloning! Ik heb trouwens wel altijd vreemd aangekeken tegen de eerste uitvoering van een liedje. Dan zat ik te denken: is die tekst wel goed, is dit wel te begrijpen? Ik gaf mezelf cijfers, bijvoorbeeld een zeseneenhalf of een zeven min. Als zo’n Klokhuis-liedje werd herhaald, vond ik het meestal leuker en gingen mijn cijfers omhoog. Ik moest wennen aan de sfeer waarin de liedtekst terecht was gekomen. De manier van zingen, de muziek, het decor – allemaal dingen die je als schrijver niet bedenkt en die ineens worden toegevoegd aan je tekst. Natuurlijk is Het Klokhuis een professioneel programma en heb ik nooit iets te klagen gehad. Maar zoals ik al zei: ik moest vaak wennen aan al die extra’s. Mijn kind was plotseling in een nieuwe wereld beland.’

Een bepaald soort droevigheid
Ook stelde hij een aantal bloemlezingen samen, waaronder een met funeraire gedichten, samen met collega-dichter Victor Vroomkoning. ‘Zo’n boek was er nog niet en we voelden ons allebei wel thuis bij de begrafenissfeer die uit de gedichten spreekt’, legt hij uit. ‘Het is vreemd dat er met sombere teksten vaak beter te leven valt dan met opgewekte. Ik moet er niet aan denken om een bloemlezing te maken met gedichten over geluk, om maar iets te noemen. Daar zou ik van in de put raken.’ Een ander voorbeeld zijn de bloemlezingen met light verse, humorpoëzie. In de tijd dat Versteegen in de redactie zat van het literaire tijdschrift De Tweede Ronde, dat een rubriek heeft met light verse, vroeg uitgeverij Bert Bakker hem om daar een bloemlezing uit samen te stellen. Dat was begin jaren negentig. Dat project heeft zich in 2007 herhaald. Iets heel anders weer zijn de reisgidsen.
‘Als je die boeken bij elkaar legt, geloof ik niet dat er een grootste gemene deler in te ontdekken valt’, vertelt Versteegen. ‘De dichtbundels hebben wel veel gemeenschappelijk: een bepaald soort droevigheid en vervreemding, bijvoorbeeld. Maar een reisgids, nee, die heeft niets met de dichtbundels te maken. Voor mij persoonlijk natuurlijk wel. Een voorbeeld: de hoofdpersoon van het epische gedicht ‘Nachtkermis’ is in werkelijkheid een jongen die ik in Roemenië heb leren kennen en over dat land heb ik een reisgids geschreven. In mijn leven hangen die twee dingen wel samen, maar dat weet een lezer niet. Ik dacht: als ik die jongen niet kan krijgen, dan ga ik maar eens zijn land in kaart brengen.’

Helden op het platteland
Versteegen woont in het weekend in een boerderijtje op het platteland en doordeweeks in Amsterdam. In de zomer schoffelt hij op zaterdag in zijn moestuin de bietjes en de aardappelen, maar op maandag zit hij weer achter zijn bureau in Amsterdam. ‘Zo eet ik van twee walletjes’, grapt Versteegen. ‘Ik leef dus in twee werelden, terwijl ik als kind alleen maar die ene wereld van het boerenbedrijf kende.’ Hij is opgegroeid op een boerderij net buiten Helden en denkt met regelmaat terug aan die tijd, wat hem een gevoel van weemoed en heimwee bezorgt. ‘Het is droevig dat mijn jeugd voorbij is en dat ik nooit meer terug kan naar het gezin waarin ik ben opgegroeid, met een vader en een moeder die zich om je bekommeren. Ik heb in mijn gang in Amsterdam een grote, ingelijste foto hangen van mijn ouderlijk huis. Als ik daarnaar kijk, denk ik: ik kan nu zo binnenlopen, want de deur is natuurlijk niet op slot. Mijn moeder is aan het koken, mijn vader komt uit de stallen en trekt zijn overall uit, want zo meteen gaan we met het hele gezin eten. Dat zoiets nooit meer mogelijk is, ja, dat is verschrikkelijk jammer. Maar aan de andere kant komt het me als dichter goed uit dat mijn jeugd achter me ligt’, bekent Versteegen. ‘Schrijven heeft voor mij te maken met afstand nemen. Ik schrijf graag over het verleden. Door de afstand kan ik objectiever waarnemen. Nu kan ik er eindelijk iets mee op papier.’

Zo was het leven
‘Vroeger dacht ik dat het niet gunstig was om uit zo’n boerennest te komen, zo zonder boeken en verdere cultuur, maar nu zie ik de rijkdom ervan’, vervolgt hij. ‘Het huis waar ik ben geboren en waar mijn oma en opa rond 1910 kwamen wonen, mijn familie, de planten en de dieren, kortom de hele boerensfeer uit mijn jeugd: die heeft mijn gedichten sterk beïnvloed. Ik vind het een inspiratiebron. Het aardse van die wereld, daar houd ik van. Het is een aardsheid die alles met leven en dood te maken heeft. Het is geen softe, maar een harde en tegelijk liefdevolle wereld. Als kinderen konden we bijvoorbeeld de varkens best leuk vinden en goed verzorgen, maar het was tegelijkertijd normaal dat zo’n dier in november werd geslacht en dat we het in de maanden daarna op ons bordje kregen. Zo was het leven: hard en echt. Er waren geen valse illusies.’
'Voor alles wat leuk is zijn dertig vergunningen nodig'

Niet bang zijn voor ruwe randjes

 
Dennis Gaens (1982) is buiten dichter ook hoofdredacteur van het Nijmeegse literair tijdschrift Op Ruwe Planken. Hij treedt regelmatig op met zijn literaire broeders De Mugwumps. Zijn inspiratie haalt hij vooral uit zijn directe omgeving, en ook uit het werk van de Amerikaanse beatdichters. Maar wat doen toch al dat asfalt en al die stenen in zijn gedichten? En wat wil hij worden als hij later groot is? Meander zocht het uit.

Je doet ontzettend veel verschillende dingen. Redacteur, freelancer, dichter, podiumdier. Waar ligt nou je echte passie? Waar ga je je toekomst in zoeken?
Michel Melenhorst, redacteur bij de uitgeverij (Vantilt) waar ik stage liep, zei een keer tegen mij: ‘Volgens mij maakt het jou niet zoveel uit hoe je je creativiteit kwijt kunt, als je haar maar kwijt kunt.’ Dat legt het wel zo’n beetje uit. Overigens rol ik er gewoon in. Ik heb geen vijfjarenplan of zo, meer een oog voor dingen die langs komen en die me leuk lijken. Soms pakt dat goed uit en blijf je zoiets doen. Wat de toekomst betreft zien we het wel, schrijven zit er in ieder geval in. Al die dingen die je noemt graviteren ook rond schrijven.
Ik ken overigens weinig creatievelingen in mijn omgeving die zich uitsluitend met één ding bezighouden. Volgens mij houdt het je scherp om verschillende dingen te doen, maar wellicht zijn we gewoon een arrogant groepje mensen dat denkt: ‘Hey, maar dat kan ik ook wel.’

Je bent al een tijd redactielid van ORP. Welke tendensen zie jij in de poëzie die jonge mensen op het moment maken en wat valt je in het algemeen op aan de hedendaagse poëzie?
Ik weet niet of ons bereik qua auteursbestand groot genoeg is om daar harde uitspraken over te doen, maar ik kan wel vertellen wat ik zie gebeuren. Er is sprake van een bepaalde ontketening uit tradities binnen het eigen taalgebied. Jonge auteurs halen hun bagage overal vandaan. Dat is natuurlijk wel al langer zo, maar volgens mij is de literaire oriëntatie, mede door internet, nog idiosyncratischer geworden. Jonge auteurs worden beïnvloed door de meest obscure dichters, gemixt met grotere auteurs en een flinke dosis populaire cultuur of subculturen. Dat klinkt dan allemaal mee in de gedichten. Zodoende kun je niet echt van algemene inhoudelijke tendensen spreken, maar het maakt lezen van gedichten ook weer echt spannend.

Welke jonge Nederlandse en Vlaamse dichters moeten we volgens jou in de gaten houden?
Ik ben zelf nogal fan van Vicky Francken, maar dat is geen geheimtip meer. Kapitein Lafbek begint volgens mij ook al een behoorlijke fanbase te creëren. En terecht, hij blaast me echt van mijn sokken.
In België interesseren me de mensen rond tijdschrift KRAAI, dat vanaf september moet gaan verschijnen. Het proefnummer was veelbelovend. Een van de redactieleden is Maarten Inghels, die onlangs nog in Meander stond. Die jongen is een bedreven schrijver en ik zie hem nog niet zo snel wijken voor wat dan ook. Van hem zul je nog wel horen.

En hoe zie je de toekomst van het literaire tijdschrift? Is het binnenkort echt afgelopen?
Wie weet. Voorlopig nog niet, lijkt me. Mensen zien graag hun gedichten op papier staan. Ook het aantal abonnees loopt nog niet echt achteruit. Ik denk wel dat er wat gaat veranderen. Je moet vooral manieren verzinnen om internet bij je tijdschrift te betrekken. Het Vlaamse tijdschrift Met Andere Zinnen heeft een interessante opzet daarvoor: een soort werkplaatsforum, gecombineerd met een papieren kwartaalblad. Ik denk dat zoiets meer groeimogelijkheden biedt dan sites zoals DichtTalent, omdat bij Met Andere Zinnen ook redactieleden reageren op je teksten.
Je moet je lezers en auteurs op een actieve manier bij je blad betrekken en voor de rest vooral doen wat je goed en leuk lijkt. Dat is tenminste de koers die wij varen.

Welke literaire tijdschriften – buiten ORP – lees je zelf graag?
Parmentier en Deus ex Machina zijn heel eigenzinnige tijdschriften, die altijd wel weer met een origineel en goed nummer komen. Krakatau is een tijdschrift met smaak, ook belangrijk. Verder ben ik geabonneerd op Meander en Lava, en zo nu en dan koop ik iets anders in de losse verkoop.
De ORP lees ik trouwens zelden als die eenmaal uit is. De kopij heb ik gelezen en omdat ik ook de opmaak verzorg lees ik een nummer al vaak drie keer helemaal door voordat het gedrukt is. Af en toe lees ik in wat oudere nummers, dat wel.

In je gedichten komen we veel asfalt en stenen tegen. Is de stad een decor dat je bewust kiest voor je gedichten of dringt dat zich op uit je dagelijks leven?
Het sluipt er telkens weer in. Een van mijn stokpaardjes is de publieke ruimte. Ik kom oorspronkelijk uit een dorp en dan benader je steden veel meer als buitenstaander. Daardoor worden heel veel vanzelfsprekend lijkende dingen veel minder vanzelfsprekend.
Daarnaast kom ik uit de skatecultuur, waarin de publieke ruimte een centrale rol speelt. Graffitikunstenaars, freerunners en skaters gaan heel anders met de publieke ruimte om: ze herdefiniëren gebouwen en objecten op een manier die architecten en planners niet kunnen voorzien. Parkeergarages worden downhill-circuits, banken worden grind-plekken en muren worden canvas. Ze claimen een stuk van de ruimte.
Ook bij filosofen die ik tijdens mijn studie las, zag ik elementen daarvan terug. De situationisten wilden onze beleving van de stad drastisch veranderen en verzetten zich tegen het doodslaan en verbouwen van alles wat speels is. Dat is iets wat ik in veel gedichten en prozastukken ook probeer te doen.
De laatste tijd probeer ik echter de stad bewust buiten te houden. Ik heb het gevoel dat ik wel weer toe ben om versere thema’s aan te spreken. Het is een langzaam afscheid. Ik zoek nog steeds naar een grote afrekening met dat thema.

Zou het te ver gaan om te zeggen dat je poëzie, in haar kritiek op de stad, ook maatschappijkritisch is?
Nee, dat gaat niet te ver. Daar kom ik moeilijk onderuit. Ik heb een soort van Meldungsdrang. Niets wat ik denk ontsnapt daaraan, dus ook mijn kritische kanttekeningen niet. De drie gedichten die in dit nummer staan heb ik uitgekozen omdat ze goed bij elkaar passen en wellicht is het juist die kritiek die ze verbindt.
Er is een hoop speelsheid uit de stad weggewerkt. Voor alles wat een beetje leuk is heb je dertig vergunningen nodig, of je krijgt een boete. Alles wat een beetje ruw is, wordt glad gestreken en we moeten allemaal maar zo normaal mogelijk doen. Daar verzet ik me wel tegen. We moeten niet bang zijn voor ruwe randjes, het moet speelser. Een stad biedt meer mogelijkheden dan men ons wijs wil maken.
Ik wil overigens niet alleen kritisch zijn. Ik heb een broertje dood aan dichters die alleen maar dezelfde klachten blijven herhalen. Volgens mij moet je er ook wat tegenover stellen. Het is veel te veilig om alleen maar kritiek te uiten. Maar ruimte voor kritiek moet er zijn, en die heb ik hier genomen.

Welke dichters en schrijvers hebben jou beïnvloed?
Het meest beïnvloed ben ik door mijn directe omgeving, zoals mijn vrienden in het collectief De Mugwumps. We kwamen vroeger wekelijks bij elkaar om teksten te bespreken. Dat heeft ongekende invloed gehad. We zijn pas begonnen met een soort vervolg daarop: de Literaturjugend. Dat is een maandelijkse, literaire werkplaats op initiatief van de Wintertuin, waarin een grotere groep schrijvers op elkaars teksten reageert.
Qua bekendere schrijvers heb ik vooral een tik van Kerouac en de Beats gekregen, Dylan Thomas en Ingrid Jonker, maar ook van minder bekende schrijvers zoals Amy Hempel, Buddy Wakefield en David Benioff.

Gedichten

door Dennis Gaens (1982)
bezet gebied

onze benen over de rand van het perron geklemd
kijken we langs het spoor dat van elke bestemming
een verdwijnpunt langs een vluchtlijn maakt

kijken in de trein naar een dwarsdoorsnede
van steden die als kralen aan het spoor
worden geregen totdat de knoop compleet is

komen overal langs iets ander glas in hetzelfde beton
spiegels voor wolkenkrabbers en kranen
een enkele helikopter en een blauwdruk voor later

leven in steden gegijzeld door morgen
elke bouwgrond bezet gebied
prikkeldraad de rode lijn

lopen over ruitjespapier en rijden over
steeds nog niet gesleten asfalt
eeuwig onslijtbaar asfalt

en wij met onze benen geklemd om de rand van het perron
zoeken ons verdwijnpunt langs een vluchtlijn
en praten van bestemming
 




de overburen leunen

de overburen leunen langzaam
mijn studentenkamer naar binnen
elke avond iets verder voorover

het fatsoen om verrekijkers of telescopen
te gebruiken is hen vreemd

ze rennen tegen de ruiten
totdat de muren zich uitrekken
richting mijn raam
– zelfs hun kat klauwt mee –
hun ogen op groot
en een bouwlamp in de aanslag

in hun badjassen rennen ze
met hun oren hard tegen het glas gedrukt
soms rennen ze zo hard
dat ze hun gezichten pletten
en ik me afvraag of ze er blijvende schade
aan overhouden

niet lang meer
dan slaat hun adem
condens op de buitenkant
van mijn raam

ik moet gordijnen kopen
en een baksteen klaarleggen
 




veertig graden

als we de kou hierbinnen
de ruimte geven
en onze koorts buiten
op straat laten spelen

ons zweet tussen
de groeven van klinkers
en door blaren in het asfalt
omhoog laten komen
de straat overstromen

lantaarnpalen laten smelten
dwars over de weg alleen
de stoep begaanbaar houden

met onze ruggengraat
door drempels breken
het bestemmingsplan
laten getuigen van
de onrust in onze botten

als we onze koorts
in straten laten razen
zijn we 38, 39, 40
dichterbij de zon