Gedichten

door Cilja Zuyderwyk (1949)
Wintertijd – de verloren uren

Toen ik gisteren het gordijn open schoof
om te zien of het vroeg of laat was
scheerden de verloren uren voorbij

de uren van niet geziene minnaars
van niet gezworen vriendschappen
onuitgesproken lichte gedachten

ze scheerden misschien
omdat zij zich schaamden dat ik ze ooit
ongezien had gelaten
ik ze nu tevergeefs terug wilde fluiten

maar ik sloot het gordijn zonder spijt
keek naar mijn bed met een hoofd op het kussen
dat ik nooit had bemind als ik niet had verloren
de uren ten spijt.
 




Poldersmartlap

Nu is de boerderij tot residence verbouwd
en alle doden zijn begraven;
de kreupele hond, de rode kater.

Op het kerkhof ietsje verderop
liggen de meiden zwartgerokt en
vader met de losse handjes.

Hij was een geile bok,
er hingen vlechten aan de balken
van haar en haar en haar,

die met hun tanden op elkaar,
zijn lichaam voelden op hun buik,

Wat lijkt mijn stoere achterland
op taailand, de wilgen
onverstoorbaar op de rij.
 




Ommekeer

Als regen mussen niet weerhoudt
te pikken in de korstjes brood
wie ben ik dan
die koud en rillend
de verwarming hoger zet

het bed bedeel met extra dek
en jou wel twintig keer omarm vandaag
om warm te blijven

toch hou ik van de herfst en
van jouw droeve ogen die in de schemer
lichten bij het hutspot eten

ik op mijn best in winterkleuren
jij die ze verfoeit omdat je vlinders mist
toch zei je laatst
sinds ik je ken
verlang ik naar december
 
Interview met Cilja Zuyderwyk

'Dat is een droom: vijfhonderd gedichten ingebonden'

 
Cilja Zuyderwyk (Den Haag, 1949) is sociaal pedagoge, galeriehoudster en dichteres. Daarnaast ontwerpt ze vazen en sieraden van glas, die zijn te bewonderen tijdens een permanente tentoonstelling in galerie De Smederij in Leerdam. In 2004 kwam de dichtbundel Smeltwater uit, die ze samen met dichter Jan Doornbos schreef. Gedichten van haar hand verschenen in diverse e-zines en tijdschriften, zoals Hernehim, Schrijverspodium, Dighter, de Poëziekrant, Meander, Op Ruwe Planken en Opspraak. Ook schrijft ze regelmatig gedichten in opdracht van uitgeverij A3.

Wanneer is het schrijven van gedichten voor jou begonnen?
Op mijn zeventiende schreef ik schriften vol met gedichten. Bij ons thuis werd er geen literatuur gelezen, dus haalde ik mijn inspiratie uit schoolboeken. Er waren twee gedichten die ik als meisje erg mooi vond: ‘Bloemen’ van Leo Vroman en ‘Voor de dag van morgen’ van Hans Andreus. Beeldende gedichten in eenvoudige taal. Zo wilde ik ook schrijven. Rond mijn twintigste is een aantal gedichten van mij geplaatst in de literaire rubriek van het Leidsch Dagblad. Toen ik Sociale Pedagogiek ging studeren en textielobjecten ben gaan vervaardigen, is het dichten op de achtergrond geraakt.

In 2004 heb je samen met Jan Doornbos de dichtbundel Smeltwater uitgebracht (uitgeverij De Smederij). Hoe is het idee voor dit gezamenlijke project ontstaan?
Nadat ik in 2001 weer met dichten was begonnen, publiceerde ik regelmatig gedichten op Poetry Alive. Een van de eersten die enthousiast op mijn gedichten reageerden was Jan Doornbos. Zijn gedichten vielen bij mij ook erg in de smaak en we kwamen met elkaar in contact. Jan was in die tijd op zoek naar een locatie om zijn eerste dichtbundel Vandaag is van glas te presenteren. Ik bood hem mijn locatie, de galerie, aan. In de maanden daarna onstond er een prachtige romance en we beloofden nooit meer uit elkaar te gaan. Inmiddels zijn we een half jaar getrouwd. We hebben onze eerste liefdesgedichten voor elkaar gebundeld en in 2004 uitgebracht.

Je hebt een eigen adviesbureau, je bent galeriehoudster, ontwerpt en vervaardigt kunstobjecten en schrijft ook nog gedichten. Hoe combineer je al deze bezigheden?
Ik probeer altijd een combinatie te vinden in een en dezelfde ruimte. Tijdens de uren dat de galerie niet open is, kan ik mijn coachingsklanten ontvangen. Van donderdag tot en met zondag is de galerie ‘s middags open en heb ik tussendoor alle tijd om te ontwerpen en gedichten te schrijven. Ik maak tegenwoordig ook sieraden, ook dat kan ik tijdens de openingsuren in de galerie doen. De kunstobjecten ontwerp ik vlak voordat ze ik ga uitvoeren. Twee of drie keer per jaar huur ik de hete glasstudio af, inclusief glasblazer en assistent.

Bij het ontwerpen van je vazen laat je je inspireren door vormen uit de natuur, zoals insecten en vlinders, las ik op je website van De Smederij. Laat je je op een dergelijke manier ook inspireren bij het schrijven van gedichten?
Mijn man Jan Doornbos is behalve dichter ook een zeer verdienstelijk vogelaar en amateur-entomoloog. Door hem heb ik de natuur leren observeren en determineren. Toen ik in 2004 besloot zelf glasobjecten te gaan ontwerpen, kwam ik op het idee om deze te baseren op de kleuren en vormen van vlinders en libellen. Zo zijn ook mijn vlindervazen tot stand gekomen. Zij vormen het hoofdbestanddeel van de expostie in de galerie. Nee, bij dichten werkt het heel anders, dat komt veel meer vanuit mijn onderbewuste.

Sinds 2005 zijn er met regelmaat gedichten van jou te lezen op DichtTalent, waarbij je commentaar van lezers krijgt op je werk. Hoe waardevol is deze feedback voor jou?
In de tijd dat DichtTalent nog Poetry Alive heette, werd er op kritische wijze commentaar geleverd en op Schrijfnet was dat nog beter. Daar heb ik veel van geleerd. Nu zijn er nog maar weinig kritische recensenten. De meeste reageren op de inhoud van het gedicht en niet op vorm of stijl. Daarom heb ik samen met Jan letterkerkje.blogspot.com opgezet, een internetsite waar je commentaar op geplaatste gedichten kan leveren. Zelf houd ik van snelle feedback, van direct contact met andere dichters. Ik ben sowieso een gezelligheidsdier en dat is ook wat DichtTalent mij een uurtje per dag brengt. Overdag ben ik met tussenpozen alleen in de galerie en dan is het erg prettig om af en toe ook contact te hebben met de buitenwereld.

Ben je een dichter van regelmaat en rituelen, dat wil zeggen: schrijf je altijd op een vast tijdstip met dezelfde pen op dezelfde plek in huis? Of laat je je overvallen door een plotselinge drang om te schrijven?
Sinds twee jaar schrijf ik elke dag op een vast tijdstip: tussen kwart voor zes en half zeven ‘s avonds. Jan komt om vijf over half zeven thuis en ik presteer het beste onder druk.
Het is een vreemd ritueel, meestal schenk ik mezelf een glaasje wijn in en ga achter de computer zitten. Negen van de tien keer staat er binnen tien minuten een gedicht op het scherm. Ik weet nooit van tevoren waar het over gaat. Ik schrijf vanuit mijn buik en niet vanuit mijn hoofd. De titel bedenk ik als het gedicht af is. Ik ben een veelschrijver, heb sinds 2005 alweer 351 gedichten op DichtTalent staan en 95 onder een pseudoniem. Mijn stijl? Mensen reageren vaak met de woorden: ‘een echte Cilja’. Dat vind ik dan wel erg leuk.

Heb je plannen om in de toekomst een eigen dichtbundel te publiceren?
Tja, ik kan mijn werk heel goed relativeren. Natuurlijk was ik graag een werelddichter geweest, maar dat ben ik niet. Ik heb echter wel een droom. Ken je de uitgave van Van Oorschot van de Russische Bibliotheek: dat dunne papier, de geur van het boek, de boekenlegger van nepzijde? Dat zou mijn droom zijn: vijfhonderd gedichten ingebonden. Ik moet er zelf om lachen. Het zal er nooit van komen vermoed ik, maar misschien komt er ooit weer een bundel van Jan en mij.
Interview met Juliën Holtrigter

Een schrijftafel als kringloopwinkel

 
Juliën Holtrigter, pseudoniem van Henk van Loenen (Hilversum, 1946), publiceerde al in 1969 in het tijdschrift Kentering. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij uitgeverij Mozaïek. In 2004 verscheen Het verlangen te verdwalen en in 2006 Het stilteregister, beide bij uitgeverij De Harmonie. In april komt zijn vierde bundel uit met als werktitel De onaanraakbaarheid van de ruimte. Hij was werkzaam in het onderwijs als tekendocent, maar is altijd, weliswaar met golfbewegingen, blijven schrijven. Politiek engagement speelt een belangrijke rol in zijn leven en schrijven, maar roept de vraag op of en zo ja, hoe dit dan in gedichten vorm te geven. Inmiddels met vervroegd pensioen, heeft hij het nog steeds druk met schrijven en tekenen. Zijn schrijftafel is daarvan het bewijs: die ligt bezaaid met knipsels, plaatjes, stukjes papier met zinnen.


Foto: Frits van der Gronde
Je schrijft al een hele poos en niet zonder resultaat, gezien je gepubliceerde bundels. Hoe is het begonnen?
Wij waren thuis met drie broers. De oudste was muzikaal, de tweede tekende altijd en de jongste – de dichter René van Loenen – schreef al heel jong verhalen. Ik was de tekenaar. En dat ben ik gebleven. Ik ben tekenleraar geworden. En nog steeds schilder ik. Maar ik merkte dat ik lang niet alles van wat ik uit wilde drukken, kon tekenen of schilderen. Mijn eerste gedichten schreef ik voor een meisje dat mij haar poëzie had gestuurd. Met het lef van de beginner durfde ik bij Wim Hazeu aan te bellen die een paar straten verderop woonde. Hij zat in de redactie van Kentering, in die tijd het literaire tijdschrift van Nijgh & Van Ditmar. Hierin verscheen mijn eerste gedicht: ‘De koffie van soldaat D.’ Het was in 1969, ik zat toen in militaire dienst. Het was de tijd van Barbarber en Buddingh’ met zijn Heinz-potje. Het gaat over Soldaat D. die zijn koffie met een Faberpotlood roert, wat een heel apart aroma oplevert. Na ongeveer vijf weken roeren, vraagt hij een nieuw potlood aan bij Sectie 3.

Is er sprake van een ontwikkeling in je gedichten in de loop der tijd?
Jarenlang bleef ik zo lang schaven aan mijn gedichten tot er alleen nog maar krullen overbleven. En zo ging het ook met mijn schilderijen. Ik bleef er zo lang aan verbeteren tot ik ze dood geschilderd had. Maar ik kreeg ook andere interesses. Ik werd actief in de politiek en de vredesbeweging. Alles was opeens politiek. Daardoor heeft het heel lang geduurd voordat mijn eerste bundel uitkwam. Belangrijk in mijn ontwikkeling was mijn besluit om streng af te rekenen met het pathos dat steeds weer in mijn werk sloop en meer uit te gaan van de taal in plaats van het gevoel.

Hoe komt dit ‘uitgaan van de taal in plaats van het gevoel’ tot uiting in je gedichten?
Dat uit zich vooral in de woordkeus. Maar eigenlijk daarvoor al, in het creatieve proces dat naar het gedicht toe leidt. Ik begin niet zoals vroeger met een gevoel waar ik woorden bij ga zoeken, maar andersom: ik ga steeds weer op zoek in mijn voorraden ‘écriture automatique’ naar sterke stukjes taal. Daarna stuurt het gevoel, dat gaandeweg ontstaat, de rest. Zo gaat het meestal. Heel soms vloeit een gedicht in een keer uit mijn pen. Geheel buiten mij om. Dan is het natuurlijk feest!

Je schildert ook. Zie je een overeenkomst tussen je schilderijen en je gedichten?
Er komen altijd mensen voor op mijn schilderijen. Het zijn personages uit mijn verbeelding. Ik ben een verteller, ook in mijn gedichten. Maar er zweeft altijd een zweem van mysterie omheen.

Je gedichten zijn van een mooie eenvoud waar een verassende diepte in te vinden is. Wat is jouw visie op poëzie en hoe komt dit tot uiting in je eigen werk?
Ik ben als socialist voorstander van toegankelijke gedichten. Hoe meer de poëzie van de gewone mensen is, hoe beter. Kunst mag niet alleen voor de intellectuele elite zijn. Er valt weer wat engagement bij beeldende kunstenaars te bespeuren. Waar blijven de dichters? Maar ik weet het, het is heel moeilijk om poëzie te schrijven die iets laat zien van de wereld waarin we nu leven en die toch ook geheimen herbergt en muzikaal is.

Je draagt wel eens voor. Wat betekent voordracht voor jouw werk?
Ik ben nogal verlegen van aard dus ik moet eerst heel veel weerstand in mezelf overwinnen. Aan de andere kant lees ik graag hardop, ook voor anderen. Om de klank. Poëzie moet klinken!

Je bent inmiddels aan je vierde bundel bezig. Waaruit put jij je inspiratie?
Uit alles wat zich aandient. Ik kan alles gebruiken. Als ik hier langs de uiterwaarden van de Lek fiets, kom ik vaak op ideeën. En als ik naar een documentaire kijk of in de bijbel lees of door de stad zwerf. Mijn schrijftafel ligt bezaaid met knipsels, plaatjes, snippers papier met zinnen of woorden. Ik maak nieuwe regels uit oude regels, monteer de ene oude tekst van mezelf aan de andere, het is één grote kringloopwinkel.

Op je auteurspagina van uitgeverij de Harmonie lees ik het volgende: ‘Steeds dringt zich een werkelijkheid op die groter is dan de waarneembare, maar die toch met handen en voeten aan de waarneembare werkelijkheid vastzit. Het is juist het aardse besef wat het besef van het bovenaardse oproept.’ Kun je wat meer over de relatie tussen het aardse en bovenaardse zeggen en hoe dit zich tot de verschillende ‘werkelijkheden’ verhoudt?
‘Mij spreekt de blomme een tale’, dichtte Gezelle al. Ik ervaar het leven als een geschenk en een opdracht. Daardoor hebben de dingen betekenis voor mij. De bronnen waaruit ik put zijn de oude joodse geschriften. Die zijn heel aards en realistisch. En toch is er steeds weer dat transcendente. Er is Iemand die ons ver overstijgt en met ons mee trekt. Er is een onzichtbare werkelijkheid die mij soms aanraakt zoals de zon het gezicht van de in het donker levende blinde. ‘Dat wat men liefheeft, openbaart zich vroeg of laat’, schreef Kierkegaard in zijn dagboek.

Met welke bekende dichter zou je graag eens een ‘goed gesprek’ voeren over poëzie en waarom?
Jammer dat Paul Snoek en Herman de Coninck overleden zijn. Met Remco Campert zou ik het willen hebben over de poëzie die de laatste tijd is geschreven. Ik zou ook graag Huub Oosterhuis willen vertellen hoe graag ik zijn liedteksten zing en met hem over politiek willen praten. Maar het liefst zou ik bij Maarten Biesheuvel op bezoek willen gaan. ‘Help mij een verhaal te schrijven’, zou ik hem vragen. Want dat wil ik leren, van hem.

Gedichten

Síndrome

Todavía tengo casi todos mis dientes
casi todos mis cabellos y poquísimas canas
puedo hacer y deshacer el amor
trepar una escalera de dos en dos
y correr cuarenta metros detrás del ómnibus
o sea que no debería sentirme viejo
pero el grave problema es que antes
no me fijaba en estos detalles.


Syndroom

Ik heb nog bijna al mijn tanden
nog bijna al mijn haren haast geen grijze
ik kan de liefde doen en laten
met twee treden tegelijk de trap oplopen
en veertig meter achter een bus aanrennen
ik hoef mij dus niet oud te voelen
maar het probleem is dat ik vroeger
nooit aan zulke kleinigheden dacht

 




Eso dicen

eso dicen
que al cabo de diez años
todo ha cambiado
allá
dicen
que la avenida está sin árboles
y no soy quién para ponerlo en duda
¿acaso yo no estoy sin árboles
y sin memoria de esos árboles
que según dicen
ya no están?


Ze zeggen

ze zeggen dat
daar
na tien jaar
alles is veranderd
ze zeggen
dat de bomen weg zijn in de straat
en ik ben de laatste om daaraan te twijfelen
ben ik zelf soms niet zonder bomen
en zonder herinnering aan die bomen
waarvan ze zeggen
dat ze er niet meer zijn?

 




Interview

Ik heb er niets op tegen
u uit te leggen wat ik vind
van het hiernamaals
het hiernamaals is
gewoon
een scherpe koude wind
die de slijmvliezen
de huid
en de metaforen prikkelt
iemand de gebruikelijke tranen
in de ogen doet springen
en een brok in de keel tovert
u heeft het zeker al begrepen
eigenlijk geloof ik niet
dat het hiernamaals bestaat

De politiek tja
jezus
de politiek
mijn overgrootvader die liberaal was
begluurde de dienstmeiden in bad
mijn grootvader de reactionair
maakte de sleutels van zijn schulden zoek
mijn vader de communist
kocht hectaren land met een blik vol afschuw
ik ben dichter
meneer
en u weet toch dat wij dichters
in een andere wereld leven
goed u heeft misschien geen tijd
om geduld te hebben
maar u moet weten dat ik eigenlijk
niet in politiek geloof.

Ja natuurlijk de stijl
wat vind ik van de stijl
iets spontaans dat vanzelf ontstaat
ik heb in bed altijd
veel beter geschreven dan in de trein
wat kan ik er nog meer over zeggen
oh ja ik ken mijn synoniemen
weinig gering matig onvoldoende
als ik schrijf denk ik in de toekomende tijd
maar de toekomst
heeft zijn betovering verloren
ik vergeet even dat u
al weet dat ik eigenlijk
niet in stijl geloof.

De liefde de liefde
allemachtig
de liefde
in ieder geval hou ik
van vrouwen
en dan behalve van
de ziel
het hart
vooral de benen

je hand uit kunnen steken
en haar aan je linkerzijde vinden
rustig
of onrustig
glimlachend vanuit de diepte
van haar laatste slaap
of kijkend
zoals je soms kijkt
voor je elkaar kust
maar u en ik
weten wel dat
de liefde
de liefde
eigenlijk
een ernstige zaak is.

Zet u
dat laatste
maar liever niet in de krant.
 




Gevangene die naar zijn zoon kijkt

Toen ik zo oud was als jij leerden mijn ouders
en ook de lieve en bijziende onderwijzeressen mij
dat vrijheid of dood een tautologie was
wie zei dat nu in een land
waar de president zonder knokploeg regeerde

dat het vaderland of het graf ook een pleonasme was
want het ging toch goed met het vaderland
op de voetbalvelden en de weidegronden

echt mijn jongen ze wisten er geen klap van
de stakkers ze dachten dat vrijheid
alleen maar een woord was van twee lettergrepen
dat dood er maar één had
en gevangenis toevallig vier

ze vergaten de mens te tellen

de schuld lag eigenlijk niet bij hen
maar bij anderen die harder en slechter waren
en die anderen
wat hebben die ons ingepakt
in hun smetteloze republiek van woorden
wat hebben die het trieste leven
van koeien en boeren geïdealiseerd

en wat hebben die ons een leger verkocht
dat in de kazernes thee zat te drinken

een mens doet niet altijd wat hij wil
dat kan niet altijd
daarom zit ik hier
kijk naar je
                    en mis je

daarom kan ik mijn hand niet door je kuif halen
of je helpen met de tafel van negen
of keihard de bal terugschieten

jij weet wel dat ik andere spelletjes moest kiezen
en dat het menens was

en zo speelde ik diefje-met-verlos
en de dieven waren politieagenten
en zo speelde ik verstoppertje
en als ze je vonden werd je doodgemaakt
en ik speelde tikkertje
en elke tik begon te bloeden

mijn jongen al ben je nog klein
ik vind dat ik je de waarheid moet zeggen
omdat je die niet mag vergeten
daarom houd ik niet voor je verborgen
dat ze mij met de picana* hebben bewerkt
dat mijn nieren bijna kapot zijn geslagen
al die wonden striemen en blauwe plekken
waar jouw ronde ogen
gehypnotiseerd naar kijken
zijn afranselingen
zijn laarzen in mijn gezicht
teveel pijn om voor je te verbergen
teveel lijden om uit te wissen

maar ook is het goed dat jij weet
dat je vader heeft gezwegen
of als een ketter heeft gevloekt
wat een mooie vorm is van zwijgen
dat je vader alle getallen was vergeten
(daarom kan hij je niet helpen met de tafels)
en dus ook alle telefoonnummers

en de straten en de kleur van ogen
en het haar en de littekens
en op welke hoek
in welk café
welke bushalte
welk huis

en de gedachte aan jou
aan je gezichtje
hielp hem om te zwijgen

één ding is sterven van pijn
iets anders sterven van schaamte

daarom kun je mij nu
alles vragen
en vooral
kan ik je antwoord geven

een mens doet niet altijd wat hij wil
maar hij heeft het recht om niet te doen
wat hij niet wil

huil maar mijn jongen
                                      het is onzin
dat mannen niet huilen
hier huilen we allemaal
we schreeuwen we brullen we snotteren we gillen
we vloeken
want huilen is beter dan verraad
want huilen is beter dan verraad aan jezelf
huil
        maar vergeet niet

* Picana: een martelwerktuig waarmee elektrische schokken worden toegediend.


(c) Mario Benedetti
Vertaling: Poëzie-werkgroep CCC – Dick Bakker, Hanny Berkelmans, Dick Bloemraad, Fleur Bourgonje, Eric Gerzon, Emma Kwant, Anna Perquin, Ankie Peypers, Mariolein Sabarte Belacortu, Mieke Westra.
 




 
 
Interview met Joke van Leeuwen

Soms geen woorden, soms publiek, dan weer de stilte

 
Joke van Leeuwen is voor twee jaar aangesteld als stadsdichter. Na Tom Lanoye, Ramsey Nasr en Bart Moeyaert is zij degene die de stad Antwerpen mag vertegenwoordigen. Van Leeuwen presenteerde tijdens de officiële aanstelling haar eerste stadsgedicht Hoe is ‘t? Het bewegende gedicht wordt geprojecteerd op een muur en is op wisselende locaties te zien. Het geeft een indruk wat we kunnen verwachten van het veelzijdige talent.

Goed gezelschap
Joke van Leeuwen schrijft al heel lang poëzie en is begonnen met cabaret. ‘Het schrijven van poëzie komt voort uit de liedjes die ik eerst schreef. Ik had behoefte aan een grotere vrijheid en veelvormigheid, en zo evolueerde dat naar mijn huidige poëzie’, vertelt de dichteres. Ze beleeft er veel plezier aan: ‘Ik geniet van de concentratie, het zoeken naar het juiste woord, de zin die het Is, de ritmiek, de klank, de vreugde als ik het gevoel heb dat het is gelukt’. Critici vergelijken haar poëzie vaak met het werk van Judith Herzberg. Van Leeuwen ziet hier niet echt een probleem in: ‘Een deel van wat ik doe heeft enige verwantschap met haar mengeling van parlando en diepgang, kan ik me voorstellen… Maar laat degenen die dat vinden maar een antwoord op het waarom zoeken. Ik vind haar alleszins zeer goed gezelschap.’


Foto: A. Koeleman

 

Kinderboeken
Joke van Leeuwen is vooral bekend als kinderboekenschrijfster. Toch staan de verschillende disciplines voor haar los van elkaar. Haar gedichten worden niet beïnvloed door het feit dat ze kinderboeken schrijft: ‘Behalve dat er soms een kind in voorkomt, maar dit kan ook het geval zijn bij dichters die geen kinderboeken schrijven. Elk genre is een project, waar ik een tijd alleen mee bezig ben voor ik op een ander genre overstap. Dat is nu, met het stadsdichterschap, toch een beetje anders.’ Volgens Van Leeuwen verschilt het schrijven voor volwassenen niet wezenlijk van dat voor kinderen, maar wel wat het perspectief betreft: ‘Volwassenen kunnen genieten van een goed boek dat geschreven is voor kinderen; andersom is dat meestal niet zo’.
Ook heeft ze niet het idee dat ze meer erkenning heeft gekregen als schrijver en illustrator van kinderboeken dan als dichter. Van Leeuwen verklaart: ‘Ik heb als dichter drie maal een prijs gekregen en ben ook nog een paar maal genomineerd, maar ik heb meer kinderboeken geschreven en er zijn wellicht ook meer kinderboekenprijzen.’

Beeldend kunstenaar
De dichter en kinderboekenschrijfster staat ook bekend om haar beeldende kunst. Deze discipline heeft haar poëzie wel beïnvloed: ‘Ik denk dat mijn kijken daardoor is aangescherpt. En tijdens mijn stadsdichterschap denk ik niet alleen na over de gedichten, maar ook over de vorm waarin ze in de stad terecht kunnen komen.’
Er is niet één discipline waarin Van Leeuwen zich het meeste thuis voelt. Ze legt uit: ‘De combinatie is fijn. Soms geen woorden hoeven te gebruiken. Soms het rechtstreekse contact met het publiek en dan weer de stilte achter het bureau. Ik ben blij dat ik dat kan doen. Ik wil wat ik heb meegekregen ontwikkelen en naar buiten brengen. Daarbij ben ik me altijd bewust geweest van de geschiedenis van vrouwen en hoeveel vrouwelijk talent verloren moet zijn gegaan door vooroordeel en onderschatting.’

Gerechtigheid
Van Leeuwen heeft in tal van plaatsen gewoond, maar voelt zich echt thuis in Antwerpen. ‘Ik heb hier lang geleden gestudeerd en ben er na mijn scheiding weer uit eigen keus gaan wonen’, licht ze toe. Ze verwacht Antwerpen beter te leren kennen door haar stadsdichterschap: ‘Ik verwacht een bijzondere tijd die mij de mogelijkheid geeft meer achter de schermen te kunnen kijken van wat er hier allemaal gaande is. Een unieke mogelijkheid om gedichten een openbare rol te laten spelen, terwijl je toch je eigen artisticiteit mag behouden.’
Op de vraag wat het betekent dat Antwerpen nu voor het eerst een vrouwelijke stadsdichter heeft, antwoordt ze: ‘Gerechtigheid (lacht). Nee, het eventuele subtiele verschil dat er misschien helemaal niet is. Daarover kan na twee jaar geoordeeld worden.’