Gedichten

AJENO

Largo se le hace el día a quien no ama
y él lo sabe. Y él oye ese tañido
corto y duro del cuerpo, su cascada
canción, siempre sonando a lejanía.
Cierra su puerta y queda bien cerrada;
sale y, por un momento, sus rodillas
se le van hacia el suelo. Pero el alba,
con peligrosa generosidad,
le refresca y le yergue. Está muy clara
su calle, y la pasea con pie oscuro,
y cojea en seguida porque anda
sólo con su fatiga. Y dice aire:
palabras muertas con su boca viva.
Prisionero por no querer, abraza
su propia soledad. Y está seguro,
más seguro que nadie porque nada
poseerá; y él bien sabe que nunca
vivirá aquí, en la tierra. A quien no ama,
¿cómo podemos conocer o cómo
perdonar? Día largo y aún más larga
la noche. Mentirá al sacar la llave.
Entrará. Y nunca habitará su casa.

Uit: Alianza y condena (1965)

Beluister hier het gedicht

*

VREEMD

Voor hem die niet liefheeft wordt de dag lang
en hij weet dat. Hij hoort dit korte en harde
klokgelui van het lichaam, zijn gebroken
melodie die altijd naar verte klinkt.
Hij sluit zijn deur en ze blijft goed gesloten;
hij gaat buiten, en even knikken zijn
knieën naar de grond. Maar de dageraad
verfrist hem en richt hem op met geduchte
grootmoedigheid. Erg helder is zijn straat,
en met donkere stap doorloopt hij haar
en strompelt dan meteen omdat hij slechts
met zijn vermoeidheid loopt. En hij spreekt lucht:
dode woorden met zijn levende mond.
Gevangene door liefdesnood, omarmt hij
de eigen eenzaamheid. En veilig is hij,
veiliger dan wie ook omdat hij niets
bezit: en hij beseft goed dat hij nooit
hier, op aarde, zal wonen. Die niet liefheeft,
hoe kunnen wij hem kennen of vergeven?
Lang is de dag en langer nog de nacht.
Hij zal liegen als hij de sleutel neemt.
Naar binnen gaan. En nooit zijn huis bewonen.
 




VIENTO DE PRIMAVERA

Ni aún el cuerpo resiste
tanta resurrección, y busca abrigo
ante este viento que ya templa y trae
olor, y nueva intimidad. Ya cuanto
fue hambre, ahora es sustento. Y se aligera
la vida, y un destello generoso
vibra por nuestras calles. Pero sigue
turbia nuestra retina, y la saliva
seca, y los pies van a la desbandada,
como siempre. Y entonces,
esta presión fogosa que nos trae
el cuerpo aún frágil de la primavera,
ronda en torno al invierno
de nuestro corazón, buscando un sitio
por donde entrar en él. Y aquí, a la vuelta
de la esquina, al acecho,
en feraz merodeo,
nos ventea la ropa,
nos orea el trabajo,
barre la casa, engrasa nuestras puertas
duras de oscura cerrazón, las abre
a no sé qué hospitalidad hermosa
y nos desborda y, aunque
nunca nos demos cuenta
de tanta juventud, de lleno en lleno
nos arrasa. Sí, a poco
del sol salido, un viento ya gustoso,
sereno de simiente, sopló en torno
de nuestra sequedad, de la injusticia
de nuestros años, alentó para algo
más hermoso que tanta
desconfianza y tanto desaliento,
más gallardo que nuestro
miedo a su honda rebelión, a su alta
resurrección. Y ahora
yo, que perdí mi libertad por todo,
quiero oír cómo el pobre
ruido de nuestro pulso se va a rastras
tras el cálido son de esta alianza
y ambos hacen la música
arrolladora, sin compás, a sordas,
por la que se llegará algún día,
quizá en medio de enero, en el que todos
sepamos el por qué del nombre: "viento
de primavera".

Uit: Alianza y condena (1965)

*

LENTEWIND

Nog weerstaat het lichaam zoveel
opstanding niet en zoekt bescherming
tegen deze wind die de kou al wegneemt en geur
aanvoert en nieuwe vertrouwelijkheid. Al wat
honger was is nu levensonderhoud. En het leven
verzacht en een vrijgevige fonkeling
trilt in onze straten. Maar ons netvlies
blijft troebel en het droge speeksel,
en onze voeten gaan alle kanten op,
gelijk altijd. En dan,
die onstuimige druk die het nog
weke lichaam van de lente ons bezorgt,
zwerft rond de winter
van ons hart op zoek naar een plaats
langs waar hij naar binnen kan. En hier,
bij het ophanden zijn, op de loer,
bij vruchtbaar rondsnuffelen,
lucht hij onze kleren
waait door ons werk,
veegt het huis, smeert onze deuren
die hard waren van kortzichtigheid, doet ze open
voor ik weet niet welke mooie gastvrijheid
en overspoelt ons en, hoewel
wij ons nooit rekenschap geven
van zoveel jeugd, veegt ons
helemaal weg. Zeker, een al smaakvolle
wind, sereen van het zaaigoed,
waaide kort na zonsopgang rond
onze droogte, rond de onrechtvaardigheid
van onze jaren, moedigde aan tot
iets mooiers dan zoveel
wantrouwen en zoveel moedeloosheid,
veel eleganter dan onze
vrees voor zijn diepgaande verzet, zijn hoge
opstanding. En nu wil ík,
die mijn vrijheid voor alles verloor,
nu wil ik horen hoe het povere geluid
van onze pols zich voortsleept
achter de warme klank van dit verbond
en beide brengen zonder maat, heimelijk,
de overweldigende muziek voort,
waardoor ooit de dag dichterbij zal komen,
misschien midden in februari, waarop wij allen
het waarom zullen kennen van de naam
"lentewind".
 




ESPUMA

Miro la espuma, su delicadeza
que es tan distinta a la de la ceniza.
Como quien mira una sonrisa, aquella
por la que da su vida y le es fatiga
y amparo, miro ahora la modesta
espuma. Es el momento bronco y bello
del uso, el roce, el acto de la entrega
creándola. El dolor encarcelado
del mar, se salva en fibra tan ligera;
bajo la quilla, frente al dique, donde
existe amor surcado, como en tierra
la flor, nace la espuma. Y es en ella
donde rompe la muerte, en su madeja
donde el mar cobra ser, como en la cima
de su pasión el hombre es hombre, fuera
de otros negocios: en su leche viva.
A este pretil, brocal de la materia
que es manantial, no desembocadura,
me asomo ahora, cuando la marea
sube, y allí naufrago, allí me ahogo
muy silenciosamente, con entera
aceptación, ileso, renovado
en las espumas imperecederas.

*

SCHUIM

Ik kijk naar schuim, zijn teergevoeligheid
die zo verschillend is van die van as.
Zoals iemand een glimlach bekijkt, degene
waarvoor hij zijn leven geeft en die moeheid
is en steun voor hem, bekijk ik nu het nederige
schuim. Dit is het rauwe en mooie moment
van gebruik, de aanraking, de daad van overgave
door het te scheppen. Het gekerkerde leed
van de zee komt vrij in zo lichte vezel;
onder de kiel, tegenover de dijk, waar
doorkliefde liefde bestaat zoals op aarde
de bloem, ontstaat het schuim. In haar is het
dat de dood doorbreekt, in haar kluwen is het
dat de zee leven haalt zoals de mens
op de top van zijn hartstocht mens is, ver van
andere bezigheden: in zijn levend geil.
Aan deze borstwering, mondstuk van de materie
dat bron is, geen monding,
vertoon ik me nu, als de vloed
stijgt, en daar lijd ik schipbreuk, daar verdrink ik
heel stilletjes, met volledige
instemming, ongedeerd, hernieuwd
in onvergankelijke lagen schuim.
 




EL BAILE DE ÁGUEDAS

Veo que no queréis bailar conmigo
y hacéis muy bien. ¡Si hasta ahora
no hice más que pisaros, si hasta ahora
no moví al aire vuestro estos pies cojos!
Tú siempre tan bailón, corazón mío.

¡Métete en fiesta; pronto,
antes de que te quedes sin pareja!

¡Hoy no hay escuela! ¡Al río,
a lavarse primero,
que hay que estar limpios cuando llegue la hora!

Ya están ahí, ya vienen
por el raíl con sol de la esperanza
hombres de todo el mundo! Ya se ponen
a dar fe de su empleo de alegría.
¿Quién no esperó la fiesta?
¿Quién los días del año
no los pasó guardando bien la ropa,
para el día de hoy? Y ya ha llegado.
Cuánto manteo, cuánta media blanca,
cuánto refajo de lanilla, cuánto
corto calzón. ¡Bien a lo vivo, como
esa moza se pone su pañuelo,
poned el alma así, bien a lo vivo!

Echo de menos ahora
aquellos tiempos en los que a sus fiestas
se unía el hombre como el suero al queso.

Entonces sí que daban
su vida al sol, su aliento al aire, entonces
sí que eran encarnados en la tierra.

Para qué recordar. Estoy en medio
de la fiesta y ya casi
cuaja la noche pronta de febrero.
Y aún sin bailar: yo solo.

¡Venid, bailad conmigo, que ya puedo
arrimar la cintura bien, que puedo
mover los pasos a vuestro aire hermoso!

¡Águedas, aguedicas,
decidles que me dejen
bailar con ellos, que yo soy del pueblo,
soy un vecino más, decid a todos
que he esperado este día
toda la vida! Oídlo.

Óyeme tú, que ahora
pasas al lado mío y un momento,
sin darte cuenta, miras a lo alto
y a tu corazón baja
el baile eterno de Águedas del mundo,
óyeme tú, que sabes
que se acaba la fiesta y no la puedes
guardar en casa como un limpio apero,
y se te va, y ya nunca…
tú, que pisas la tierra
y aprietas tu pareja, y bailas, bailas.


Uit: Conjuros (1958)

*

HET DANSFEEST VAN ÁGUEDAS

Ik zie dat jullie met mij niet willen dansen
en daar doen jullie goed aan. Deed ik tot nu toe immers
niet anders dan op je voeten trappen, bewoog ik immers
tot nu toe in jullie lucht deze manke voeten niet!
Jij altijd zo danslustig, mijn hartje.

Maak jullie klaar voor het feest, gauw,
voor je zonder partner blijft!

Geen school vandaag! Naar de rivier,
om het eerst zich wassen
want je moet netjes zijn als de tijd daar is!

Daar zijn ze al, ze komen
langs het spoor met de zon der hoop
mensen uit de hele wereld! Ze maken zich al klaar
om getuigenis af te leggen van hun vreugdebaantje
Wie keek niet uit naar het feest?
Wie bracht de dagen van het jaar
niet door met goed op zijn kleren te passen
voor de dag van vandaag? En nu is hij gekomen.
Wat een rokken, wat een witte kousen,
wat een onderrokken van dunne witte wol, wat een
korte broeken. Heel energiek, zoals
deze meid haar halsdoek omdoet,
sla je ziel zo om, heel energiek.

Nu mis ik die tijden
toen de man bij de feesten hoorde
gelijk de wrongel bij de kaas.

Toen gaven ze wél hun leven
voor de zon, hun adem voor de lucht, toen
waren ze wél vlees geworden op aarde.

Waartoe zich herinneren. Ik ben midden
in het feest en de vroege nacht
van februari stremt bijna.
En nog steeds zonder te dansen: ik alleen.

Komt, danst met mij, want ik kan de band al
goed vastbinden, ik kan
mijn passen bewegen naar jullie heerlijke lucht!

Águedas, aguedicas,
zeg hun dat ze me laten
dansen met hen, dat ik tot het volk behoor,
ik ben een buurman meer, zeg aan allen
dat ik op deze dag heb gewacht
mijn leven lang! Hoor hem.

Luister jij naar mij, die nu
naast mij voorbijkomt en een ogenblik,
zonder je rekenschap te geven, omhoog kijkt
en naar je hart daalt
het eeuwige dansfeest van het wereld-Águedas,
luister naar mij, jij die weet
dat het feest ten einde loopt en dat je het niet
in huis kan houden gelijk een schoon werktuig,
maar dat het je ontgaat, en nooit meer…
Jij, die op de grond trapt
en je partner omklemt, en danst, danst.
 




SALVACIÓN DEL PELIGRO

Esta iluminación de la materia,
con su costumbre y con su armonía,
con sol madurador,
con el toque sin calma de mi pulso,
cuando el aire entra a fondo
en la ansiedad del tacto de mis manos
que tocan sin recelo,
con la alegría del conocimiento,
esta pared sin grietas,
y la puerta maligna, rezumando,
nunca cerrada,
cuando se va la juventud, y con ella la luz,
salvan mi deuda.

Salva mi amor este metal fundido,
este lino que siempre se devana
con agua miel,
y el cerro con palomas,
y la felicidad del cielo,
y la delicadeza de esta lluvia,
y la música del
cauce arenoso del arroyo seco,
y el tomillo rastrero en tierra ocre,
la sombra de la roca a mediodía,
la escayola, el cemento,
el zinc, el níquel,
la calidad del hierro, convertido, afinado
en acero,
los pliegues de la astucia, las avispas del odio,
los peldaños de la desconfianza,
y tu pelo tan dulce,
tu tobillo tan fino y tan bravío,
y el frunce del vestido,
y tu carne cobarde…
Peligrosa la huella, la promesa
entre el ofrecimiento de las cosas
y el de la vida.

Miserable el momento si no es canto.


Uit: El vuelo de la celebración (1976)

*

REDDING UIT HET GEVAAR

Deze belichting van de materie,
met haar gewoonte en haar harmonie,
met aanrijpende zon,
met de slag zonder rust van mijn pols,
wanneer de lucht binnendringt
in de angst van het gevoel van mijn handen
die zonder argwaan tasten,
met de vreugde van het kennen,
die wand zonder barsten,
en de boosaardige deur, die altijd doorlaat,
nooit gesloten,
wanneer de jeugd voorbijgaat en met haar het licht,
redden mijn schuld.

Mijn liefde redt dit gesmolten metaal,
dit linnen dat je altijd oprolt
met honingwater,
en de heuvel met duiven,
en de gelukzaligheid van de hemel,
en de broosheid van deze regen,
en de muziek van de
zanderige bedding van de droge beek,
en de kruipende tijm op okerkleurige grond,
de schaduw van de rots tussen de middag,
het gips, het cement,
het zink, het nikkel,
de kwaliteit van het ijzer, omgezet, gezuiverd
tot staal,
de plooien van de listigheid, de wespen van de haat,
de treden van het wantrouwen,
en je zo zachte haar,
je zo slanke en zo wilde enkel,
en de frons van het kleed,
en je bangige huid…
Gevaarlijk het spoor, de belofte
tussen het aanbod van de dingen
en dat van het leven.

Armzalig is het ogenblik als het niet zingt.
 




SIN ADIÓS

Qué distinto el amor es junto al mar
que en mi tierra nativa, cautiva, a la que siempre
cantaré,
a la orilla del temple de sus ríos,
con su inocencia y su clarividencia,
con esa compañía que estremece,
viendo caer la verdadera lágrima
del cielo
cuando la noche es larga
y el alba es clara.

Nunca sé por qué siento
compañero a mi cuerpo, que es augurio y refugio.
Y ahora, frente al mar,
qué urdimbre la del trigo,
la del oleaje,
qué hilatura, qué plena cosecha
encajan, sueldan, curvan
mi amor.

El movimiento curvo de las olas,
por la mañana ,
tan distinto al nocturno,
tan semejante al de los sembrados,
se va entrando en
el rumor misterioso de tu cuerpo,
hoy que hay mareas vivas
y el amor está gris perla, casi mate,
como el color del álamo en octubre.

El soñar es sencillo, pero no el contemplar.
Y ahora, al amanecer, cuando conviene
saber y obrar,
cómo suena contigo esta desnuda costa.

Cuando el amor y el mar
son una sola marejada, sin que el viento nordeste
pueda romper este recogimiento,
esta semilla sobrecogedora,
esta tierra, este agua
aquí, en el puerto,
donde ya no hay adiós, sino ancla pura.


Uit: Casi una leyenda (1991)

*

ZONDER VAARWEL

Hoe verschillend is de liefde bij de zee
van die in mijn geboorteland, het boeiende, dat ik altijd
zal bezingen,
dicht bij het karakter van zijn stromen,
met zijn onschuld en zijn helderziendheid,
met dat gezelschap dat doet huiveren
bij het zien vallen van de echte traan
van de hemel
wanneer de nacht lang is
en de dageraad klaar.

Nooit weet ik waarom ik mijn lichaam
partner voel, want het is voorteken en toevluchtsoord.
En nu, tegenover de zee,
wat een kettingdraad is die van de tarwe,
die van de golfslag,
wat voor een spinnerij, wat voor volle oogst
voegen ze toe, doen ze samensmelten, buigen ze
mijn liefste.

De buigbeweging van de golven,
‘s morgens
zo verschillend van de avondlijke,
zo gelijkend op die van de zaailanden,
gaat binnendringen in
het geheimzinnige rumoer van je lichaam,
vandaag, nu er springvloeden zijn
en de liefde parelgrijs is, bijna glansloos,
zoals de kleur van populieren in oktober.

Het dromen is eenvoudig maar het beschouwen niet.
En nu, in de vroege morgen, nu het past
om te weten en te doen,
hoe klinkt deze naakte kust met je mee.

Wanneer de liefde en de zee
eenzelfde deining zijn, zonder dat de noordoostenwind
die ingetogenheid kan verbreken,
dit indrukwekkende zaad,
dit land, dit water,
hier in de haven,
waar geen vaarwel meer bestaat maar louter anker.


Claudio Rodríguez
Vertaling gedichten: Fa Claes

 

Gedichten

door Estelle Boelsma (1971)
de brievenbus hapert niet; het minacht, hij loopt de kamer uit
de hoek om onhandig vloekend, dralend totdat er een nieuwe
omhelzing – tja, …de lucht is vandaag ook niet zo afwezig

wacht

hij gaat geen brief schrijven, pakt geen cheques uit zijn
bureaula, houdt geen dagboek bij, voorzichtig strooit hij vliegtuigjes
uit het raam, het balkon is een granieten vesting (zijn ouders
zijn er trots op) een schuilplaats voor als er een vliegtuig neerstort

zijn vriendin is vandaag ook niet zo afwezig
 






I
ik ben nijinski’s kleindochter een ballet van faunen
giet ik uit over rozemarijn

II
hoor je me repeteren? nacht in, nacht uit – telkens een
keer langer, telkens een keer luider

de menigte wel, mijn stem hakkelend op het podium, in bed,
in de rij van de supermarkt

III

(de wachtkamer van de dokter is er niets bij vergeleken,

is als de walvis’ buik)

IV
er zit een insect
onder mijn bed, het bouwt daar aan een paleis
en het vraagt om niets
zo warm als het in mijn bed was is het nu eronder, misschien
moet ik wel verkassen

V
ik wil het weekend overdoen, niet met jou maar alleen

dan zou het stil zijn
dan vertoef je in een nieuwe habitat
dan was dat je laatste vraag

VI
jij, als je me, me, ik
als je me, dan

VII
fluister nu, lief, mijn lief, fluister
nu eenmaal zachter, als alles weer een keer
te laat gekomen is, vanzelfsprekend en alles-
openbarend laat ik je opnieuw horen in het nagalmen:

VIII
Am Weiler vorbei
Sammelt die sanfte Waise noch spärliche Ähren ein.
Ihre Augen weiden rund und goldig in der Dämmerung
Und ihr Schoß harrt des himmlischen Bräutigams.

IX

(fluister nu lief, als je me, dan, fluister nu –

eenmaal zachter)
 






en nu brengt mij de slaap kanariegele handschoenen, een vrouw
die aan de waslijn wappert en een ijscoupe vol vogeltjes die telkens
een keer te laat aankomen

tel je schatten na, majoor, tel ze en vaar dan weg
en als ik dan onbeweeglijk in vensters sta, uitzondering
op uitzondering, niets is voldoende, niets dat zo klein
de nacht in gaat als jouw stem

ik tel me, tel jou, wij tellen ons een witkwadraat, we fabriceren
een knalfuif van potjandorie en een optelsom van aftandse tijd
 

(9) De 'magische' dialoog van de schepping

Wat is poëzie? Hoe moet zij gelezen worden? Is hedendaagse slampoëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan. In dit deel, nummer 9, ga ik in op wat aan de oorsprong ligt van ieder gedicht en ieder verhaal: de ‘magische’ dialoog van de schepping.


Deel 9

Er heerst een hardnekkige mythe over de poëzie, en niet alleen over de poëzie maar over de literatuur in het algemeen: schrijven zou een solitaire bezigheid zijn. De schrijver zit alleen in zijn kamer, achter zijn bureau, en schrijft woorden op die in eerste instantie alleen voor hem bedoeld zijn. Op het scheppende moment van het allereerste schrijven is hij gedegradeerd tot secretaris van een innerlijke scheppingsmechaniek. Hij heeft dan nog geen lezers. En zodra hij gaat redigeren, is hij geen schrijver meer maar de allereerste lezer van de net ontstane tekst. Maar zoals wij allemaal weten, is schrijven geen solitaire bezigheid. Het wordt dus hoog tijd om deze mythe met wortel en al uit te roeien.

Mensen zijn groepswezens. Wij worden geboren in bestaande culturen. Wij communiceren met elkaar. Wij houden elkaar continu in de gaten en leren zo van elkaar. Wij zenden constant signalen naar elkaar uit. En zelfs op momenten van intense eenzaamheid gaan wij nog een dialoog aan. De eenzame kluizenaar in het bos of op de berg zoekt zijn dialoog op, evenals de zwijgende monnik in het stille klooster. Zij communiceren op een ander niveau met een goddelijke entiteit. En dit geldt ook voor de schrijver, uit welke eenzaamheid zijn werk ook ontsproten moge zijn.

Literatuur wordt vaak getypeerd volgens het communicatiemodel van zender, medium en ontvanger. De schrijver (zender) brengt via zijn literaire werk (medium) een boodschap over aan de lezer (ontvanger). En de lezer (ontvanger) gaat tijdens het lezen een dialoog aan met het werk, en herschept zo dit werk. Na ‘ontvanger’ zou er dus nog kunnen staan: ‘verwerkt medium’, als resultaat van deze herscheppende dialoog van lezer (ontvanger) met het werk (medium).
Schoolser, platter en simpeler moet het dan ook niet worden. Dit schema gaat al op een punt mank. Wie zich verdiept in de opvattingen van schrijvers, bijvoorbeeld in poëtica en interviews, komt erachter dat schrijvers geen centrale boodschap hebben. Goed, er zijn invloeden aan te wijzen. Er zijn goede boeken van andere schrijvers die bijgedragen hebben aan hun eigen werken. Er zijn beoogde, vage doelen, die de schrijver zichzelf gesteld heeft. En er zijn de eigen ervaringen. En de vader van alle vaagheden: de Tijdsgeest.
Langzaamaan ontstaat er zo een lappendeken van mogelijkheden en invloeden, maar geen eenduidige boodschap. Schrijvers lijken zelden zo duidelijk te zijn als in hun eigen boeken. Tijdens het schrijven kijkt ‘de lezer’ in de verste verte niet over hun schouder mee. Schrijvers willen gelezen worden, maar de vraag door wie houdt hen niet echt bezig.

In de literair-wetenschappelijke interpretatie staat dan ook bij voorkeur het werk zelf centraal. De schrijver is onbetrouwbaar en wordt ontoerekeningsvatbaar geacht als het gaat om het interpreteren van zijn eigen handwerk. De schrijver is niet belangrijk, die arme, eenzame en gekwelde ziel. Hij is min of meer het bijproduct van het boek. Carl Jung, de grote leerling van Freud, beweerde reeds dat de mens bestaat bij gratie van het onbewuste. Over het boek is daarentegen wel iets zinnigs beweren.
Deze eenzijdige, op het werk gerichte zienswijze zal ook niet standhouden. Het literaire werk is niet heilig of alomvattend, net zo min als de lezer de mythische machtbrenger is die met zijn adem de tekst opnieuw tot leven brengt. Aan de oorsprong van het literaire werk gaat een tweede dialoog vooraf. Deze dialoog speelt zich af tijdens het creatieve scheppingsproces. Hierin is de lezer de lezer niet, als je begrijpt wat ik bedoel. De woorden die de schrijver opschrijft zijn wel bedoeld voor een lezer. Ze zijn wel degelijk bedoeld om te communiceren. Al vanaf het allereerste opgeschreven woord wordt er een boodschap uitgezonden. Maar de lezer voor wie alles opgeschreven wordt, is niet dezelfde lezer als degene die de boodschap uiteindelijk zal lezen. Als je nog steeds begrijpt wat ik bedoel.

Het moment van het allereerste schrijven is een gesprek. Er wordt bijvoorbeeld een brief geschreven aan een familielid of aan een geliefde of een sprookje verteld aan een klein kind. Of er wordt een verhaal gemaakt om verteld te worden aan een groepje mensen, zoals het kerstspel. Daarbij is altijd duidelijk sprake van een dialoog.
Hier moet ik aan toevoegen dat er in de engste zin van het woord natuurlijk sprake is van een monoloog. Je hoort maar één stem: die van de schrijver. Maar de monoloog wordt zodanig opgewekt en is zodanig gericht op de ander, dat er sprake is van een verwevenheid die gelijkwaardig is aan die van de dialoog. Zou de monoloog aan iemand anders gericht worden, dan zou een ander verhaal het resultaat zijn.
Er is hier een frappante parallel te trekken met de eerder genoemde ‘creatieve’ dialoog tussen de lezer (ontvanger) en het literaire werk (medium). De tekst is hier de innerlijke monoloog (medium), terwijl de schrijver (ontvanger) nu woorden toekent aan deze innerlijke roerselen, wat resulteert in het werk (creatieve herschepping van het medium).

Het is in dit licht niet verwonderlijk dat de brief een van de meest beproefde literaire vormen is. In de romanvorm, die bij uitstek gekunsteld is, zou dit bijvoorbeeld resulteren in een briefroman, een verzameling brieven waarin een of meerdere sprekers met elkaar een dialoog aangaan. Iedere afzonderlijke brief zou dan een bekentenis zijn van deze oerdialoog in haar meest banale vorm. In de romanvorm wordt de oorsprong echter al vrij snel diffuus omdat de brieven bewust zijn samengesteld voor een andere lezer dan degene aan wie de brieven gericht zijn.
De basis van iedere literaire vorm blijft echter één enkele lange brief, gericht aan één enkel persoon, én, ook echt bedoeld voor die ene. Van deze briefvorm is het bijvoorbeeld ook een kleine stap naar het confessionele egodocument; de ‘ik beken’-roman, waarin de ik-persoon ziel en zaligheid blootgeeft aan een zelfgekozen mythische lezer. Dit is de oervorm van de moderne verhaalroman. We komen die in de negentiende en twintigste eeuw vaak tegen. Hoofdpersonen doen in lange, verhalende monologen hun leven uit de doeken. En wij als lezer mogen meegenieten.

Nu we weten dat ze wel degelijk tegen iemand praten, die schrijvende eenlingen, rijst natuurlijk de logische vraag voor wie de schrijver in eerste instantie dan wel schrijft. Ik wil deze onbekende entiteit hier de mythische lezer noemen. Deze lezer is niet voor niets mythisch: de lezer speelt een vitale rol in het hoofd van de schrijver, en vaak ook daarbuiten. Vergelijk het met de subtiele manier waarop de Griekse goden aanwezig waren in het dagelijkse leven van de Grieken. Zij leidden hen in woorden en in daden. En evenals de Griekse mythologie een kosmos aan goden kent, is ook de mythische lezer niet eenduidig. Hij verschilt per schrijver, en soms zelfs per tekst. Laat ik dit verduidelijken met een aantal voorbeelden.
De essays van de Franse dichter en filosoof George Bataille zijn ontstaan uit zijn dialogen met toekomstige ziener-filosofen. Bataille gaf al worstelend met het goddelijke in de mens, zijn ervaringen door aan zijn (toekomstige) medestanders. Het schrijven versterkte zijn binding met hen.
De Divina Comedia, het grote dichtwerk van de Florentijnse dichter Dante, is voortgekomen uit de innerlijke dialoog van de schrijver met zijn tijdgenoten, en wellicht zelfs met één of enkele in het bijzonder. Het is bovendien geschreven in een taal en doorspekt met verwijzingen die wij nu niet meer begrijpen. De inwoners van de stad Florence wel; zij hielden hem zijn leven lang in de ban door van hem hun banneling te maken. Als dank moesten zij het zeer ontgelden in dit meesterwerk.
Het vroege beatwerk van de Amerikaanse dichter Allen Ginsberg kwam voort uit zijn innerlijke dialoog met de John Doe van de Nuclear Society. Ondergesneeuwd door de oorlog, het communisme, de koude oorlog en de vreemde opvatting dat alles thuis ‘business as usual’ was, kon hij er ook geen chocola meer van maken. Ginsberg schreef om zichzelf aan hem uit te leggen, om zijn bestaan en zijn beweegredenen toe te lichten. ‘Howl’, een van zijn bekendste gedichten, is één lange parade van carnavaleske gebeurtenissen die vooral shockerend, humoristisch en betekenisvol is, wanneer zij gelezen wordt vanuit de toenmalige maatschappelijke opvattingen. Voor een beatgenoot zijn ze oud nieuws en verre van shockerend: Hell, hij heeft afgelopen weekend hetzelfde meegemaakt.
En het werk van sommige hedendaagse (slam)dichters is overduidelijk voortgekomen uit hun dialoog met een publiek dat enkele meters van hen af zit. Hun werk kent vaak geen andere motivatie dan hen voor een kort moment te roeren.

De mythische lezer is dus vaak een andere lezer dan de daadwerkelijke lezer (u en ik) van het werk. Deze mythische lezer staat juist aan de oorsprong van het werk, nog voordat dit voltooid is. Daarbij hoeft de mythische lezer niet één en dezelfde, onveranderlijke persoon te zijn binnen een oeuvre. En, tot slot, de schrijver komt middels de dialoog met deze mythische lezer tot zijn literaire werk.
Dit leidt tot de verrassende bevinding dat, wanneer wij boeken lezen, wij overwegend teksten lezen die oorspronkelijk niet voor ons bedoeld zijn. Wij gluren en luisteren gesprekken af tussen andere mensen. Wij horen er niet te zijn, maar we zijn er toch. Met rode oortjes. Net zoals bij televisie is het juist deze machtspositie die ons zo bekoort bij het lezen.
Let ook op het subtiele verschil tussen de mythische lezer en de muze. De muze is een inspiratiebron, een kracht die aanzet tot het schrijven; een prikkeling van een innerlijke drang. Deze muze is echter niet automatisch dezelfde als de mythische lezer. De emotie kan in een gloedvol sonnet opgedragen worden aan de persoon die ze opgewekt heeft, maar kan ook gebruikt worden voor andere doeleinden.

Per literair werk is het dus mogelijk om een mythische lezer te ontwaren, die een belangrijk aandeel heeft in het originele en authentieke scheppingsproces van het werk. Het zou interessant zijn om bijvoorbeeld te onderzoeken of de ‘stem’ van de schrijver verschilt per duidbare mythische lezer. Ik vermoed van wel. En het zou eveneens interessant zijn om te onderzoeken of het oeuvre van een schrijver veel of weinig mythische lezers kent. Ik verwacht zelf per schrijver hoogstens een handvol mythische lezers te vinden; een handvol stemmen tegen wie hij spreekt én met wie hij spreekt. En waarvan hij het de moeite waard vindt om de gesprekken te noteren.

Denk niet dat de mythische lezer de sleutel vormt tot het begrijpen van ieder literair werk. Dat is veel te simpel gesteld. Bovendien is er ook het kronkelige pad van het werkje via de schrijver als redigerend lezer, de kritische eindredacteur en de verkoopgerichte uitgever naar de uiteindelijke versie die wij op ons bordje krijgen. Ons dagelijks literair leesvoer is dan ook een gezonde portie gelogen authenticiteit.
Wel geeft het benoemen van de mythische lezer inzicht in de oorsprong van een tekst. Het opent een luikje naar dat magische moment waarop de schrijver louter secretaris is van zijn eigen onbewuste en onbestemde genie. De mythische lezer, eenmaal gekend of begrepen, vormt de sleutel tot de verbeeldingswereld van de schrijver. Ook leert het ons waarom schrijvers niet eenzaam zijn. In hun hoofd houden zij continu hele verhalen met die mythische lezers. Het toont tevens aan waarom er een kloof bestaat tussen schrijvers en hun lezerspubliek. Het boek is niet geschreven voor het publiek, hoezeer wij als lezers tijdens het lezen graag denken van wel.
En het stelt de schrijver de indringende vraag wie hij aanspreekt met zijn woorden. Wie heeft hij op zijn netvlies op die onbewaakte ogenblikken dat hij woord aan woord rijgt en nadenkt over een alomvattende eeuwigheid later? Vader, moeder, God tussen de sterren, de buurman die hem nooit groet? Voor wiens blik wil hij zichzelf verfraaien en aftuigen?

In deel 10 ga ik dieper in op de typografie van de poëzie. Alleen al aan het vele wit herkennen wij een tekst als poëtisch. Geef je boodschappenlijstje meer wit en publiceer het! Zin of onzin? Waar de poëtische scheidslijn te trekken?

Gedichten

door Maarten Inghels (1988)
DIT KON

kijk ik vond gisteren mijn zuster te vondeling,
dat dit kon, zei zij, in een tunnel onder de rivier,
je als broer en zuster vinden, dat dit kon. laveer
wijn langs je darm, kurksmaak in je mond,
vergeten dat iets leeft, dat dit kon. drinken met
praten ertussen, een deur die kleppert en flarden
van oplossing waaien aan, dat dit kon. een bank
in een haag die meedenkt onder onze vorm,
dat dit kon. Marokkaanse volksmadam kla kla
klaagt hand in hand met hoofddoek, dat dit kon,
wij klinker a in haar praten zijn, ze hem stuitert
over de rivier naar haar man die steeds wacht,
dat dit kon. zonder blozen je voedsel verteren;
pijlen in wonden schieten. dat dit kon; hoorn
vlies brandt, elkaar zien als kijken in de zon.
 




ONDER DIT RAAM

ik lig op mijn slaapzij
in het bed, het zit verkeerd,
achterstevoren, ik hoor
voorbijganger 48 knipogen

het raam laat de neon
door de kamer walsen
maar de stoel blijft stoel
tafel tafel, gordijn te weinig

nu besef ik dat wij speelden;
een hond, een vis, twee geliefden
die van elkaar hielden
onder dit raam

door het raam wil ik weer
naar ieder van jou uitkijken
maar zie! de stad in pixels
ik schaam mij voor de buren

misschien is dit raam te ver
om door te kijken of staat
het bed te haaks op de straat
 




DIT GEDICHT IS DOOD

dit gedicht is dood / zegt niet waarop de woorden slaan
zolang jij of iemand niet luidop leest wat hier staat;
deze woorden zijn dood tot jij verstaat / jij leest dat

tot niemand deze bevroren letters leest
weet geen hond / geen kat / zou geen mens ooit weten /
misschien is dit geen goede manier;
moest ik je in steen schrijven / alles in graniet vertellen

zodat een hond in 2837
ook nog weet
wat in dit archief geschreven staat

want met graniet gaat niets verloren, dan
gaat mijn vel zelfs vluchten van de woorden;
ga niet
 
Keke Keukelaar fotografeert krasse knarren

Zilveren Schrijvers

Meander presenteert in samenwerking met fotografe Keke Keukelaar een serie indringende portretten van de stamoudsten van de Nederlandse literatuur. Deze krasse knarren zijn te zien op de expositie Zilveren Schrijvers in de Drvkkery in Middelburg.

Eerder publiceerde Meander van Keke Keukelaar een serie Schrijversportretten op toiletten en een interview met haar.
Dit keer fotografeerde Keukelaar schrijvers, onder wie Leo Vroman en Remco Campert, voor de Boekenweek – die heeft het thema Van oude menschen… De derde leeftijd en de letteren. De expositie loopt nog tot en met 12 april 2008.
Margo Verbiest stelde ook dit keer een presentatie voor Meander samen: Zilveren Schrijvers.