(5) Het gedicht als dagboek

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 

Deel 5

In de poëzie is er een flinterdunne scheidslijn aan te wijzen tussen de dichter als persoon en het gedicht als constructie van taal. Niet te veel van het een en niet te weinig van het ander, is de gouden regel. Te veel persoon leidt al snel tot candlelightachtige poëzie: persoonlijke emoties en ontroeringen onverbloemd op papier gezet. Hoewel veel mensen deze vorm van poëzie bedrijven, wordt ze in het algemeen niet als hoogwaardig en literair gezien. Sommige ‘echte’ dichters hebben er zelfs een sterke afkeer van. Naar mijn mening volkomen onterecht, omdat iedereen tenslotte mag schrijven wat hij of zij wil. Toch is er de tendens al te diepe zielenroerselen in de ‘echte’ poëzie te mijden. Dichter, doe dat dagboek dicht. Dan maar liever een beeldspraakje meer.

De discussie tussen de aanhangers van deze twee stromingen – de dichter als persoon en het gedicht als tekst – aan het begin van vorige eeuw wordt in de Nederlandse literatuurwetenschap gekenmerkt als de ‘vorm of vent’-discussie. Aan de ene kant stond een groep dichters die van mening was dat de dichter als persoon het belangrijkste is. Hij moet in zijn gedicht op de eerste plaats zijn boodschap, namelijk zichzelf, op de lezer overbrengen. De lezer op zijn beurt zoekt in het gedicht niet alleen naar esthetische, tekstuele hoogstandjes, maar bovenal naar de dichter als persoon: de ‘vent’. Voorbeelden zijn Slauerhoff – denk maar aan zijn historische regel: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ – en de romantische verzen van Adriaan Roland Holst.

Daartegenover stond een groep dichters die vond dat de dichter zich ondergeschikt moet maken aan zijn werk. Niet de ‘vent’, maar de ‘vorm’ telt. Toentertijd hoorden er de namen bij van Ter Braak, Du Perron en Van Ostaijen. Maar in de jaren vijftig valt ook het werk van een groot aantal Vijftigers in deze categorie. In de jaren zestig was er de groep rondom het tijdschrift Merlyn en later weer de postmodernisten met iemand als de Vlaamse dichter Peter Verhelst. Deze groep beschouwt het gedicht als een kunstwerk, opgebouwd uit taal, dat op zichzelf staat en dat tijdens het lezen betreden moet worden. Van een persoonlijke stem van een dichter is geen sprake. Sommigen gingen hierin zover dat ze beweerden dat het voor een dichter zelfs onmogelijk is met taal een lezer te bereiken. Iedere taalgerichte vorm van communicatie is altijd eenzijdig, omdat de lezer of luisteraar altijd andere beelden in zijn hoofd heeft dan de dichter van origine had. Het woord ‘boom’ roept bijvoorbeeld bij iedereen een andere boom op. Zij beschouwen het juist als een wonder dat mensen elkaar desondanks kunnen verstaan.
Deze onverschilligheid met betrekking tot communicatie kom ik tegenwoordig nog vaak tegen, bijvoorbeeld op open podia wanneer aan dichters gevraagd wordt wat ze met hun poëzie bedoelen, of in interviews, met bijvoorbeeld Peter Verhelst. Hun antwoord is er vaak een in de trant van: ‘De lezer moet met het gedicht doen wat hij wilt, eruithalen wat hij of zij belangrijk vindt. Ik wil de lezer niet opleggen wat hij of zij moet vinden.’

In Nederland is de originele ‘vorm of vent’-discussie nooit volbracht. Ze werd abrupt afgebroken door de opkomst van het nazisme in Duitsland. Andere, onesthetische problemen werden belangrijker. Na de Tweede Wereldoorlog bleek de vormgroep het pleit beslecht te hebben. Inhoudelijk gezien heeft ze weinig vernieuwing gebracht.
Heel anders is het bijvoorbeeld in Amerika gegaan, waar na de Tweede Wereldoorlog de Beatdichters opstonden. Zij grepen bewust terug op de orale traditie van de poëzie en benadrukten zo opnieuw de organische relatie tussen de stem van de dichter en het woord in het gedicht. Met dit uitgangspunt wordt andere poëzie geschreven. De persoonlijke beslommeringen en de omgeving van de dichter spelen een belangrijkere rol. Het woord ‘ik’ wordt veel gebruikt. En het contact met de lezer en luisteraar is belangrijk. Veel van hen zijn dan ook hun gedichten gaan voordragen.

De wereldliteratuur heeft ook fraaie voorbeelden voortgebracht. De dichter Catullus schreef al even prachtige als schunnige, roddelachtige verzen waarin hij zijn tijdgenoten besmeurde. De beatdichter Allen Ginsberg had het in zijn poëtica over het persoonlijke leven van de dichter en had een voorkeur voor de roddels en alledaagse beslommeringen achter het gedicht. En Walt Whitman is welhaast de personificatie hiervan met zijn uitspraak: ‘He who touches this book / touches a man’. Zijn immense populariteit in zijn geboorteland Amerika heeft er overigens voor gezorgd dat het huidige beeld van Whitman als dichter volstrekt niet meer overeenkomt met hoe hij vroeger werkelijk was.
In Nederland behoort de zeer populaire en vorig jaar overleden dichteres Nel Benschop bij de groep van dichters die het orale en persoonlijke element de poëzie in brachten. Haar gedichten zijn bij uitstek bedoeld om te communiceren.

De relatie tussen de dichter als persoon en het gedicht als esthetisch bouwwerk van taal is een veranderlijke. Door de tijd heen is het een of het ander van groter belang geweest. Maar in werkelijkheid komen ze beide aan bod, zij het dat de mate waarin verschilt. Zo was het modernisme, dat de nadruk op de taal legde, er mede debet aan dat er aan het begin van de twintigste eeuw een tegenbeweging was gekomen, die zich uitkristalleerde in de ‘vorm of vent’-discussie. Achteraf gezien heeft deze discussie enkel en alleen een van de vele tegenstrijdige elementen in de poëzie zichtbaar gemaakt.
Dichter, doe je dagboek maar weer open. Het mag. Maar weet dat je stem in goede poëzie een symbiose aangaat met de taal die ze bezigt.

In deel 6 zal ik ingaan op de muziek in de poëzie.

Schrijversportretten op toiletten

In samenwerking met fotografe Keke Keukelaar presenteert Meander een serie opmerkelijke schrijversportretten. De foto’s werden niet in een studio, werkkamer of idyllische omgeving gemaakt, maar op het toilet. Treed binnen (m/v) en ontmoet onze hedendaagse auteurs in een geheel andere entourage!



(4) Religie

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.

 

Deel 4

Volgens de bekende theoloog Friedrich Schleiermacher (1768 – 1834) is religie het gevoel van een totale afhankelijkheid van alles: de mens volledig vervat in het concept van het goddelijke. Ook de poëzie kan schampen aan dit besef van een totaal begrip. De lezer voelt zich tijdens het lezen volledig herkend of betreedt middels de taal een universum van symbolen die hem constant toezingen met hun veranderlijke betekenissen. De dichter voelt tijdens het schrijfproces intuïtief dat hij deel uitmaakt van een groter zijn. Hij schept iets dat aan zichzelf ontstegen is. Hij is machteloos en almachtig tegelijkertijd. Dezelfde positie – zo hebben we in deel 2 gezien – neemt ook de lezer in. En dat allemaal dankzij dat ene wonderbaarlijke instrument dat wij beheersen, maar dat bij tijd en wijle ons ook lijkt te beheersen: de taal.
De oorsprong van taal is onbekend. Ieder levend wezen heeft zijn eigen taal, ook de bomen en planten. En net als ieder levend wezen verandert die taal constant. Wij groeien op met de taal van onze ouders, totdat we onze eigen taal ontwikkelen. En met ons sterft uiteindelijk ook de taal van onze generatie.
Het belang van taal wordt al getoond in de bijbel wanneer expliciet vermeld wordt dat Adam de dingen hun naam gaf. Maar door dingen te benoemen, ontstaat de schijn van het bezit. ‘Dat is een paard’, ik bezit dat paard omdat ik dat object tot paard benoemd heb. Het paard, of hoe je het ook wilt noemen, zal zich daar weinig van aantrekken. Totdat je er bovenop wilt gaan zitten.

Taal is ook rite. Er zijn spreuken waarmee je de natuurkrachten kunt beheersen. En wie de naam van een geest kent, beheerst hem. Sommige woorden zijn niet door mensen, maar door goden geschreven. Hun taal is eeuwig geldig, ongenaakbaar en heilig. Denk aan boeken als de Bijbel of de Koran. Het zijn teksten die door een godheid gedicteerd zijn.
In het Westen beheerste vroeger de kerk de taal met haar kloosters, kerkgebouwen en bibliotheken. Lange tijd heeft ze dan ook het monopolie op kennis gehad. Maar met de verspreiding van het alfabetisme werd haar die macht ontnomen. Tegenwoordig is taal relatief vrij en relatief democratisch georganiseerd. Binnen zekere grenzen van de grammatica gelden vaak de meeste stemmen.

Taal legt kennis vast voor het nageslacht. Iedere religie heeft daarom haar eigen taal nodig. Het eigen religieuze wereldbeeld wordt in verhalen verklaard. In zinnen worden de goddelijke gedragsregels voor de mensheid vastgelegd en in lyrische teksten worden de goddelijke ervaringen overgedragen.
Vooral bij dit laatste punt sijpelt de poëzie – die ongrijpbare, alternatieve schijnwereld – het ogenschijnlijke stramien van de taal binnen.
Er bestaat ook een gebied dat zich buiten de taal bevindt. Dit wordt met omschrijvingen als het onzegbare, het onuitspreekbare of het voorbij-onze-kennis geduid. Denk bijvoorbeeld maar aan de dood. Dan staat de dichter naast de dominee bij het pas gegraven graf en verschaft de troost van een relativerend, wijs woord. Hij geeft een glimp van kennis over de andere zijde of biedt een moment van vergetelheid verzonken in een glimlach.

De religieuze dichter – als ik hem zo mag noemen – worstelt met de tegenstelling tussen het aardse en het hemelse. Zijn voorbeelden zijn de idolen die de grens tussen hemel en aarde bewust overschreden hebben. Prometheus bijvoorbeeld, de titaan die de mens het vuur bracht. Of Jezus, die van zijn goddelijke troon afdaalde om mens tussen de mensen te zijn. De religieuze dichter doet in zijn werk vervolgens verslag van zijn ervaringen. Hij is echter geen sjamaan. Hij kan niet diegene zijn die de lezer via het gedicht het hiernamaals inleidt, want dat gaat in tegen de aard van de poëzie. Hoogstens kan hij de lezer duiden waar te zoeken, en hoe. Beschouw hem bovenal als een experimenteel mens die op zoek is naar de essentie van het goddelijke.
Natuurlijk gaat het hier, evenals bij religie, om het geloof. Geloof in taal. Geloof in de mogelijkheden van taal om die ervaringen over te kunnen dragen. En geloof in de zin van de eigen dwaaltocht. Zonder geloof gaat het niet. Poëzie is op dit punt wezenlijk een religie.

Verder worstelt de moderne, religieuze dichter met de existentiële thema’s van de mens. Zo verwoordde J.C. Bloem een van die thema’s mooi in zijn gedicht Insomnia: ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen / en niet slapend denk ik aan de dood’. Wat doen we tijdens die slapeloze nachten? Nadenken, gedichten lezen en schrijven.

Dankzij het Postmodernisme is het geloof in het Ene Alomvattende Verhaal gesneuveld. Wat rest zijn ontelbare kleine verhaaltjes die allemaal gelijkwaardig zijn. Iets anders beweren is als vloeken in de kerk. Religie gaat daarentegen over de zoektocht van het immens kleine individu naar dat grote, alomvattende en goddelijke verhaal. In de Grote Literatuur – als ik dat zo mag noemen – vind je grosso modo dezelfde tocht. In het particuliere van het verhaal schuilt het universele van de boodschap. En de lezer baant zich een weg van het particuliere naar dat universele. Oudere dichters en schrijvers worden nog steeds van belang geacht vanwege het universele karakter van hun boodschap.
Het Grote Boek Van Alles dat alle andere boeken overbodig maakt; wie zou dat niet geschreven willen hebben. Het is dan ook al meerdere malen geschreven. Er is de Odyssees van Homeros, er is de Bijbel, er is… En een tijd lang waren ze ook afdoende. Maar tijden veranderen en mensen veranderen, boeken niet. Vandaar dat iedere tijd opnieuw streeft naar zijn eigen bijbel, naar de volledige uiting van zijn eigen tijdsgeest. De onze zou dan het verhaal kunnen zijn dat gaat over het einde van het Grote Verhaal. De Argentijnse schrijver Borges zou over dit thema de meest intrigerende verhalen kunnen schrijven.

De bron van de poëzie is nauw verweven met die van religie. De kracht van poëtisch taalgebruik heeft religieus aandoende effecten. Er wordt verhaald over datgene wat voorheen tot de religie gerekend werd. In de moderne poëzie gebeurt dat zelfs op persoonlijke titel. Maar waar komt die kennis vandaan? Waar baseert de dichter zijn enorm, haast goddelijk zelfvertrouwen op?
Het antwoord op deze vragen is terug te vinden in de goddelijke oorsprong van de inspiratie. De muzen – klassieke godinnen – zorgden met hun wispelturige inbreng voor de wind van de inspiratie. In oude verzen werden ze dan ook nog eerbiedig aangehaald, maar sinds de punkbeweging is niemand meer eerbiedig. De moderne schrijver gaat prat op zijn eigen verdiensten, ook al heeft hij niet het flauwste vermoeden waar ze vandaan komen.

Poëzie en religie. Het begon met een klein clubje rondom dat ene kampvuur, dat in die lange nacht elkaar hetzelfde verhaal vertelde. En het uit zich nu in duizenden kleine keeltjes die elk hun eigen versie rondbazuinen. Duizenden monden die elk een stukje van de puzzel bezitten, maar niemand die meer het geloof heeft om ze bij elkaar te brengen. De vragen zijn nog steeds dezelfde, alleen de antwoorden wisselen steeds. Wij beantwoorden op onze manier in onze gedichten die vragen. En na ons zullen andere dichters in hun gedichten weer hun antwoorden geven op de eeuwenoude raadsels van het universum, de schepping en de menselijke geest.

In deel vijf zal ik ingaan op de aller-persoonlijkste noot in de poëzie: het dagboek en de bekentenis.

(3) Beeldspraak

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 


Deel 3

Een poëtische tekst is geen gewone tekst. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Verwacht daarom geen boodschappenlijstjes, geen boterbriefjes, geen handleiding over het gebruik van een grasmaaier, geen journalistieke nieuwsberichten en geen uitgebreide essays over de toestand in de wereld. En als dat wel het geval is, dan is het een poëtisch boodschappenlijstje, een poëtisch boterbriefje, een poëtische etc. Een gedicht is een bijzondere vorm van communicatie. De lezer weet dat, de toehoorder weet dat en ook de dichter weet dat. Iedere poëtische tekst vormt een afzonderlijk pact met de dichter en de luisteraar en op zijn eigen voorwaarden. De lezer stelt zoveel mogelijk zijn eigen oordeel uit en opent zich voor de wereld van het gedicht.
Of niet natuurlijk, want niet iedereen heeft behoefte aan zo’n verbond. Niet iedereen kan zich erin vinden. De poëzie heeft – en soms met recht – de naam moeilijk te zijn.

Anders dan een gewone tekst benut een poëtische tekst bepaalde effecten van de taal om een ‘poëtisch effect’ te creëren. Een van de meest basale poëtische elementen die een lezer in een tekst tegen kan komen, is de beeldspraak; in de volksmond kortweg ‘metafoor’ genoemd. In het woord zelf zit al een fraaie tegenstelling, zoals zoveel in de poëzie zich in louter tegenstellingen laat uitdrukken: beeld versus spraak; de waarnemingen van het oog en van het oor. Synesthesie heet dit, verwarring van de zintuigen. Kun je met woorden iemands ogen binnendringen? Schijnbaar wel. Waarom anders zouden we een ‘beeldspraak’ hebben, en waarom anders zou deze zo mateloos populair zijn?

De term ‘metafoor’ of ‘symbool’ laat zich het gemakkelijkst omschrijven als een beeld dat representant is voor een abstract begrip. Zo kan de roos representant zijn voor het abstracte begrip liefde: "mijn liefde is als een roos". En in zekere zin is ieder gedicht op zich weer een metafoor, omdat iedere tekst niet naar zichzelf verwijst maar naar iets anders. Vergelijk het wellicht met de paradox van het woordenboek: de uitleg van ieder woord verwijst constant naar andere woorden in datzelfde woordenboek.

De basis van iedere beeldspraak is de als-vergelijking, zoals ons voorbeeld zo mooi laat zien. Hiermee wordt de lezer de mogelijkheid geboden om het actuele, het werkelijke, te verlaten en af te reizen naar het poëtische oord van het mogelijke. Mits de lezer de impliciete uitnodiging van de ‘als’ aanvaardt. Dan doet de verbeelding haar intrede. Tussen het scherm van de harde realiteit door, sijpelen de dagdromen, de fictionaliteit. Het is alsof het werkelijke louter een toneelstuk of een film blijkt te zijn, die door de lezer naar believen geïnterpreteerd en wellicht ook ge-edit kan worden.

Binnen een gedicht gaan de beelden vervolgens een gesprek met elkaar aan. Ieder volgend beeld versterkt, verzwakt of vervormt het voorafgaande. Binnen een tekst ontstaat zo een zang van beelden die het gedicht mede coherentie verleent en en passant poogt de lezer te verleiden. Om inzicht te verkrijgen in zulke samenzangen is het mogelijk om een beeldenreeks te verzamelen onder een of meerdere paradigma’s. Dit zijn reeksen woorden die ongeveer dezelfde betekenis dragen. Zo zou daar voor ons voorbeeld bij kunnen komen: roos, minnaar, liefde, bed, huwelijk, etc.
Enerzijds versterkt zo’n reeks de coherentie in een gedicht; we beginnen steeds beter te begrijpen waar het in het gedicht om gaat. Anderzijds zorgen de beelden ervoor dat er door hun onderlinge correspondentie een meerwaarde ontstaat. De roos blijkt bestendig te zijn, de minnaar vastberaden, de liefde geconsumeerd.

In veel moderne beeldspraken is de één-op-één relatie losgelaten. Hedendaagse dichters redeneren vaak dat zij de interpretatie van hun gedichten niet aan de lezer op willen dringen. Zij kunnen wel extra betekenissen in een tekst hebben aangebracht, met bestaande symbolen spelen, of er kunnen gecompliceerde intenties aan ten grondslag liggen. Zij laten het echter aan de lezer over om eruit te halen wat hij of zij wil en wellicht ook zoekt. Op het gevaar af dat de dichter ‘niet begrepen’ wordt in zijn werk, bijvoorbeeld omdat hij te solistisch of te hermetisch bezig is geweest.
Op de achtergrond van deze moderne omgang met de beeldspraak speelt de invloed van het postmodernisme. Door het postmodernisme wordt gemorreld aan de onveranderlijke waarheden die zulke abstracte begrippen plachten uit te drukken. Er wordt gesteld of er wel zoiets bestaat als de ‘archetypische liefde’. En er wordt afgevraagd tot op welke hoogte wij kennis kunnen hebben van zo’n archetype. Kortom, de relatie tussen beeld en begrip wordt erin geproblematiseerd. Voor de dichter niet het ideale klimaat om een eenduidige metafoor na te streven. Nog los van de logische vraag of de moderne lezer nog wel zou willen geloven in een eenduidige metafoor in de tekst.

De moderne beeldspraak is dus complex. Men laat de beelden voor zichzelf spreken en is niet meer op zoek naar de achterliggende, altijd geldende begrippen. In het verlengde hiervan wordt ook eenduidige coherentie binnen een gedicht niet meer nagestreefd. Het gedicht treedt schoorvoetend het gebied van de kunst binnen en staat op zichzelf als kunstobject. Beelden zijn symbolen voor zichzelf geworden en het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen. Associaties die door de gebruikte beelden worden opgeroepen, worden belangrijker geacht dan auteursintenties, betekenissen of de begrippen die men eraan kan hangen. Vandaar dat men het ook kan hebben over zintuiglijke poëzie, poëzie die zintuiglijk sterke associaties oproept.

Het landschap van beelden en stijlen is er gecompliceerder en gevarieerder op geworden. Niet in de laatste plaats dankzij de immense invloed van het beeld in onze huidige cultuur. De basis is echter hetzelfde gebleven. Ieder beeld legt middels een als-uitnodiging een relatie met de lezer. En het is aan de lezer om ermee te doen wat hij of zij wil doen.

Daar beeldspraak zo belangrijk is, zijn er heuse ge- en verboden opgesteld. Bij tijd en wijle duiken zwarte lijsten op met beeldmateriaal dat Onder Geen Beding Door Den Serieuzen Dichter Gebruikt Mag Worden. Deze zijn vaak door dichters zelf samengesteld en noemen beelden die hetzij vallen in de categorie ‘dode beeldspraak’, hetzij in de categorie ‘romantische beeldspraak’.
De categorie ‘dode beeldspraak’ laat zich summier omschrijven als die beelden die zo vaak gebruikt zijn, dat ze volledig zijn uitgehold. De lezer kijkt daardoor niet meer naar het beeld, maar ziet louter hetgeen ermee bedoeld wordt. Clichés vallen zonder uitzondering in deze categorie.
De tweede categorie wil nog wel eens felle discussies doen ontsteken. De categorie ‘romantische beeldspraak’ bestaat uit beelden die zo vaak gebruikt zijn voor de liefdespoëzie en andere lyrische ontboezemingen, dat de emotie die ze wensen uit te dragen niet meer overgebracht wordt.

Een cultuur ontplooit en ontwikkelt zich net zoals een mens dat doet, waardoor beelden bij frequent gebruik aan zeggingskracht verliezen. Ze slijten zich in het geheugen met een bepaalde betekenis en laten zich daarna niet meer loswrikken. Het is aan de dichter om steeds weer te verrassen. Hij heeft de taak om een beeldspraak te hanteren die de lezer doet meenemen, om een beeldspraak te scheppen die verrassend is en toch bestendig genoeg om bij te blijven. Een zich herhalende, moeilijke opgave. Zeker omdat de categorie dode beelden een traag uitdijend spook blijkt.
Kijken we naar het tegenovergestelde van dood en romantisch, dan zien we: ‘nieuw’ en ‘authentiek’, zonder uitzondering voorwaarden voor goede beeldspraak.
Maar goede beeldspraak benut daarnaast andere kwaliteiten van het woord, zoals klank en ritme van het woord en in de zin. Een fraaie beeldspraak is leuk, verrassend en goed. Maar een leuke, verrassende en goede beeldspraak is op zichzelf niet afdoende voor een eveneens leuk, verrassend en goed gedicht.

Is beeldspraak essentieel voor een gedicht? Maakt een beeldspraak een tekst tot gedicht? Of bestaat er een gedicht zonder beeldspraak? Nee en misschien en ja. De beeldspraak is wellicht het meest beproefde poëtische element. Een van de vroegste Nederlandstalige poëtische regels is in ieder geval een onvervalste: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu’. Wanneer zijn wij, als twee vogeltjes, aan de beurt voor ons nestje?
Maar er zijn ook gedichten te vinden waarin geen beeldspraak zit. Gedichten die veel op hebben met ritme en muzikaliteit, of gedichten die de abstracte begrippen ouderwets bij hun naam noemen. Of in gedichten met een ‘pointe’, humoristische of vileine gedichten die met andere, eveneens zeer effectieve middelen een gelijkwaardig poëtisch resultaat weten te behalen. Ze zijn wel verreweg in de minderheid.

Maar wat is dan toch dat ‘poëtische effect’? We weten nu dat het liegt, verleidt, dat het weinig op heeft met de actuele politiek, en dat het ons een verborgen universum kan tonen dat verborgen zit in dat van alledag: het mogelijke.
En dat allemaal dankzij dat ene alledaagse instrumentje zonder welke wij nooit enige beschaving van de grond hadden kunnen krijgen.

Het woord.

In deel vier zal ik ingaan op de oorsprong der allegorieën: religie.

(2) Poëzie met een politieke boodschap

Wat is poëzie? Hoe moet deze gelezen worden? Is hedendaagse slam-poëzie ook echt poëzie? Het zijn actuele vragen. In een reeks korte essays zal de poëzie vanuit verschillende invalshoeken betreden worden. De zoektocht naar het wezen van de poëzie zal hierin centraal staan.
 

Deel 2

"Lees maar, er staat niet wat er staat" — als er één vorm van poëzie is waarbij deze leus niet opgaat, dan is dat wel bij politieke poëzie, of, nauwkeuriger geformuleerd: poëzie met een politieke boodschap. Het zou niet fraai zijn als deze gedichten een waar arsenaal aan woordenboeken vroegen om begrepen te worden. Nee: er staat wat er staat — dit lijkt bovenal de slogan te zijn van het politieke gedicht.
Of juist niet, als het bijvoorbeeld gedichten zijn met een verborgen boodschap; als er signalen in de tekst te vinden zijn die een betere wereld bepleiten, tegen de heersende maatschappelijke ideologie in. In Rusland wisten ze daar alles van. Mensen hebben er hun leven gewijd aan het ‘zuiveren’ van zulke poëtische teksten.

Poëzie en politiek. In de grond van hun samenwerking een afschuwelijk broederschap. De fijnzinnige, welbespraakte en goedgeklede estheet naast de norse, wantrouwige en bloeddorstige reus. De één heeft nog niet gesproken of de ander wil hem weer tegenspreken of uit gaan leggen. Het enige moment waarop ze echt goed lijken te harmoniëren, is in de satire, de schelmenroman en het cabaret, wanneer de piepkleine poëzie de schouders recht en flink gaat schoppen tegen de grotere broeder.
Maar in andere zaken, het verheerlijken van de daadkracht van de politiek, het bepleiten van een standpunt, het verdedigen van een overwinning, lijkt het niet te boteren tussen hen. Hoogstens kan de poëzie proberen politieke sympathieën onder de mensen op te wekken en te verwoorden. Meer is er niet. Hoezeer de poëzie het in het verleden ook geprobeerd heeft; wat is er overgebleven dat van memorabele waarde is?

Maar waarom lukt het toch niet om een pact te smeden tussen beide maatschappelijke velden? Ogenschijnlijk hebben ze zoveel gemeen. Ze worden vaak voortgedreven door dezelfde menselijke sympathieën, idealen en emoties. Door pathos, bevrijding, bewustwording en rechtvaardigheid. Beide moeten het vooral van hun retoriek hebben, van hun verbale capaciteiten en van de mogelijkheden om de taal te temmen tot hun boodschap. Hoewel de één daar overwegend beter in slaagt dan de ander.
In de grond van hun hart zijn het twee totaal verschillende werelden. Binnen de politiek draait alles om macht; binnen de poëzie om de machteloze verbeelding. En die twee zaken moet je goed gescheiden weten te houden. In het verleden is dat niet altijd gebeurd, wat soms tot bijzonder pijnlijke gebeurtenissen heeft geleid. Kunstenaars die hun leven gewijd hadden aan een artistiek ideaal om zich aan het einde ervan pas te realiseren dat het allemaal om ordinaire politiek ging. Daarentegen wil de politiek zich ook wel eens aan een gedicht vergrijpen, bijvoorbeeld om een partijprogram op te leuken. Maar zoiets heeft vaak minder vergaande consequenties. Tenzij het om censuur gaat natuurlijk.

Eigenlijk moet ik mezelf hier even corrigeren: de verbeelding is namelijk helemaal niet zo machteloos. Poëzie kan wel degelijk politiek bedrijven, en nog wel verdomd goed ook. Dat is één van de voornaamste redenen waarom politici beduidend weinig op hebben met dichters en ze het liefst na hun kunstje weer op willen sluiten in een kooitje op de plank. Politiek is immers de arena van populisten en volksmenners. Massa’s moeten gekneed en gevormd worden naar de wensen van de politicus. En niet andersom. Slechte politieke gedichten herken je dan ook aan dezelfde prangende drijfveer. De lezer moet erdoor gekneed en gevormd worden naar de wensen van de schrijver.

Maar de relatie tussen de dichter en de lezer is niet één-op-één. Die onmogelijkheid ligt in de essentie van het wezen van de taal besloten. Ieder woord is meerduidig en wekt bij iedere lezer zijn eigen associaties op. Zodoende kan een gedicht nooit zijn wil eenduidig aan een lezer opleggen. Wel kan een gedicht zijn lezer meevoeren, verleiden, naar een ander oord overbrengen: het oord van de verbeelding. En dat wordt bereikt, zoals eerder gezegd, door dat poëtische medium bij uitstek: de leugen.
Door handig gebruik van de gecultiveerde leugen wordt de lezer losgemaakt van zijn werkelijkheidsbesef. Hij opent zich voor de taal van het gedicht en de suggesties ervan. Hij verandert hierdoor, tijdelijk, in zijn geest van perspectief. Hij is aan het verbeelden. Hij is onderdeel geworden van de woorden en de associaties die ze bij hem oproepen. Maar tegelijkertijd is hij er de meester over. Dat is de wonderbaarlijke paradox van het leesproces. In dit droomrijk van mogelijkheden, interpretaties, van voorkeuren, identiteiten, van esthetische spelen en effecten; in dit droomrijk heerst dus op paradoxale wijze de lezer zelf. Hij is tegelijkertijd schepper en toeschouwer. In zijn verbeelding is op het moment van lezen iedere vorm van controle, van dictatuur, uitgesloten; behalve dan die controle die inherent is aan de taal als medium.
En voor iemand die eraan hecht om zijn normen en waarden in andere mensen gereflecteerd te zien, is dit een gevaarlijke wereld. Hij onttrekt zich aan de normen en waarden van de maatschappij. Hij ontstijgt zelfs aan de wetten van de ethica doordat de lezer de gedachte heeft uiteindelijk de controle te behouden over de scheidslijn tussen feit en fictie. Tijdens het leesproces heersen echter de wetten van de tekst boven die van de ethica. Zo kunnen wij onaangedaan over de meest gruwelijke moorden lezen; de gedachten van lustmoordenaars volgen, juist omdat we weten dat we daar niet zijn, dat we hen niet zijn.
Dit unieke procédé staat bol van de anarchistische en zelfs revolutionaire tendenties. Geen wonder dus dat iedere rechtgeaarde politicus niets van dit spel van vrijheden moet hebben. In Den Haag zou niemand meer lekker slapen als ze zouden beseffen welke, soms niet al te stabiele, bevolkingsgroepen zich in de dichtkunst trachten te bekwamen.

Kortom, de vrijheid van de verbeelding opgewekt in de lezer door het lezen van het gedicht overstijgt externe regels en ideologieën waaronder die van de politiek. Dit procédé leidt ertoe dat schrijvers, dichters en hun soortgenoten nog steeds niet welkom zijn in politiek strikt geleide samenlevingen. En ook in de meer liberale samenlevingen zijn ze eigenlijk niet welkom in de politieke arena. Maar wellicht hebben ze daar als ware schrijvers ook weinig te zoeken. De rol van een schrijver als oplettend, stemmend burger is natuurlijk een andere vraag en zeer prijzenswaardig.

Toch moeten we de relatie tussen poëzie en de politiek niet ontbinden op grond van hun basale verschillen. Afgezien van de succesvolle satire kent de poëzie een handvol andere trucjes in haar strijd tegen de politiek. Allereerst kan zij een alternatief tonen voor de heersende politieke ideologie. Ten tweede kan zij, door te benoemen, inzicht verschaffen in maatschappelijke misstanden, of personen aanwijzen die zich schuldig hebben gemaakt aan bepaalde zaken. Een soort antilyriek. Maar haar rol hierin is niet wezenlijk anders dan die van de onderzoeksjournalistiek. Ten derde kan zij de retoriek van de heersende politieke dogma’s tot zich nemen en zodanig aanpassen dat de constructies achter de politieke taal duidelijk worden. Zij kan hierdoor de daadwerkelijke afstand tussen een politiek woord en de ideologie erachter inzichtelijk maken. Maar hierin verschilt zij niet van andere kunstvormen die dit procédé ook hanteren. Denk met name aan de ‘cut up’-techniek en de collagetechnieken, waardoor bestaande teksten in andere contexten een andere boodschap laten zien.
Een ander fraai voorbeeld heb ik altijd Ginsbergs ‘force field of language’ gevonden. Hij schreef in de jaren zestig ellenlange gedichten met regels die maar bleven doorgaan. Hij gebruikte deze taalovervloed in zijn strijd tegen een gelijksoortig taalbombardement van de regering om de bevolking te beïnvloeden. Door zijn vele woorden wilde hij met talige ellebogen de politieke boodschappen wegdrukken.
Tot slot is er nog een veld dat ik onbenoemd heb gelaten en waarin de poëzie zeer succesvol is als politiek instrument: de songteksten. Juist omdat muziek de capaciteiten heeft om emoties uit te vergroten, worden de emotionele raakvlakken tussen poëzie en politiek benadrukt. Zo kweken bittere woorden uitgesproken met harde klanken een emotioneel-politiek besef bij de luisteraar. Denk maar aan een mooie klassieker als ‘Strange Fruit’, gezongen door Billy Holiday: ‘Black bodies swinging in the southern breeze / strange fruit hanging from the poplar trees’. De vruchten van een Amerikaanse lynchpartij. Of U2’s ‘Sunday Bloody Sunday': ‘I can’t believe the news today / I can’t close my eyes / and make it go away’.

Maar in dit platte land van consensus en plat water heeft het vurige politieke vers weinig voet aan de grond gekregen. Verwacht hier geen Henriëtte-Roland-Holst-achtige taferelen. Geen zenuwachtig opengevouwen papiertje met daarop twaalf brandende, rijmende regels voor de Goede Zaak. Geen dissidenten die gedichten uit het hoofd leren om de revolutionaire inhoud ervan te eren. Geen bijna onontcijferbaar gekrabbel in de marge van een boek. En gelukkig maar. Het zou een niet zo fraai beeld betekenen van onze samenleving.

In deel drie zal ik ingaan op iets vederlichts en tegelijkertijd loodzwaars: de beeldspraak.