Recensie van Sloop de stad met tedere woorden - Rense Sinkgraven

De vuilboom loert

Rense Sinkgraven
Sloop de stad met tedere woorden
Uitgever: kleine Uil
2009
ISBN 9789077487679
€ 12,50
48 blz.

Rense Sinkgraven (1965) was van 2007 tot afgelopen maand de stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met het lauw ontvangen Bombloesem. Na het lezen van de eerste dichtregels in zijn tweede bundel Sloop de stad met tedere woorden moest ik wel even diep ademhalen. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Er stond namelijk ‘Slok me op zoals de oceaan / een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip’. Die twee regels bevatten al drie dingen waar ik allergisch voor ben: een vergelijking met ‘zoals’, lelijke gemeenplaatsen (‘slok me op’ en ‘losgeslagen schip’) en een feitelijke onjuistheid. Begrijp me niet verkeerd: in poëzie is natuurlijk in principe niets ‘onjuist’, maar dan wil ik als lezer wel graag een idee hebben waarom de dichter spreekt van een oceaan die een wolk opslokt. Oceanen slokken een hoop op, en losgeslagen schepen horen daar zeker bij, maar wolken, zeker ijle, zijn in het algemeen buiten hun bereik. Mooie woorden dus, keurig in twee dichtregels gezet, maar de gedachte erachter ontgaat me. Ook in de rest van het gedicht, ‘Lisboa’ genaamd, staan regelmatig regels die voor de rest van de bundel het ergste doen vermoeden. Ik citeer het hier in zijn geheel.

Lisboa

Slok me op zoals de oceaan
een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip.

Ik hou van de diepte van jouw straten, Lisboa,
je monotone metromuziek, de omwoelde nachten
van je sterverlichte slaap en hoe je klinkt
in een oude dichteres, een op dronk gekomen
stroeve wijn, een droevig lied.

Ik lag aan je boezem, jij stootte me af,
je warme hart klopte nooit voor mij.
Een vissenkop ben je met koude vissenogen,
een graat steekt in je ziel.

Boeren van de zee temden dit water.

Het riool spoelt de Taag. De veel bezongen Taag
met excrementen waarvan de vissen vreten.

Ik hou van de ruimte van jouw pleinen, Lisboa,
hoe de zon windstil matrozen beschijnt,
het korrelig rood van je mossige daken,
je neonnachten vol paarden in draf.

Het gedicht maakt nogal een bijeengeraapte indruk. Behalve dat ze allemaal uiteraard op Lissabon slaan en vaak iets met water te maken hebben is er nauwelijks een samenhang tussen de beelden te vinden. Verder is er een ruime oogst aan clichés (‘een droevig lied’, ‘ik lag aan je boezem’, ‘je warme hart klopte nooit voor mij’), ogenschijnlijke nonsens (‘de omwoelde nachten van je sterverlichte slaap’, ‘mossige daken’ die desondanks ‘korrelig rood’ zijn) en mooischrijverij (‘excrementen’, wat een lelijk woord is dat toch). Maar hoop is er ook. Mooi vind ik hoe de dichter de stad in het Portugees aanspreekt. Door ‘Lisboa’ te schrijven in plaats van ‘Lissabon’ wordt de naam meer dan een plaatsaanduiding en wordt de stad een karakter. Mooi is ook het beeld van de ‘op dronk gekomen stroeve wijn’ dat gelezen kan worden als een wat stugge Portugees die na een paar glazen wijn loskomt. Jammer dat diezelfde Portugees een paar regels verder voor ‘boer van de zee’ wordt uitgemaakt. De formulering ‘jij stootte me af’ is dan weer leuk gevonden in het kader van ‘ik ben een schip’ en de slotregel van het gedicht is ronduit prachtig.

En zo is het een beetje met de hele bundel. Sinkgraven maakt de indruk slordig te werken, niet goed na te denken over de inwendige samenhang van een gedicht. En hoewel hij af en toe echt geweldige regels schrijft en goede beelden bedenkt weet hij het vaak ook weer snel te verpesten. Is het wel poëzie, ga je je na een tijdje afvragen, of is hier iemand ‘dichterig’ aan het doen? Op het podium kom je misschien weg met het maniertje van Sinkgraven om wat beelden bij elkaar te zetten, wat mysterieuze korte zinnetjes te maken (‘de vuilboom loert’), wat grote woorden te roepen (‘voel hoe de zee de rotsen splijt’) of wat hippe taal te lanceren (‘Het plein in urban lounge mood’) maar op papier val je er snel mee door de mand.
Ook de gedichten die qua vorm minder op mijn zenuwen werken zijn thematisch weinig uitdagend. Zoals ‘Zwijgen’:

Zwijgen

Ik wil een vrouw die wacht
in het donker tot ik thuiskom.
Ik wil een vrouw die waakt
over het kind dat slaapt.
Ik wil geen vrouw.
Ik wil een sprankelend boek
dat roept dat ik een god ben.
Ik wil een heerser zijn die
weet wat lijden is.
Ik wil een man zijn zonder
angstzweet, een man die
breken kan en zwijgen.
Waarachtig in het schrijven.
Ik wil geen vrouw.
 

Een goedlopend gedicht dat, hardop gelezen, lekker dreunt. Maar als je het drie keer leest denk je: waar gaat het nou helemaal over? Rense Sinkgraven dicht in Sloop de stad met tedere woorden te slordig. Hij pent te makkelijk gemeenplaatsen neer. Hij is nergens echt dichter in de zin dat hij probeert het hoogst haalbare uit zijn taal te halen. Hij is teveel gericht op effectbejag, gebruikt daarom teveel grote woorden en lijkt, behalve een wat obligate belangstelling voor steden, geen echt eigen thema te hebben.

Recensie van Eigenlijk heb je alles al - Huub Beurskens

Spelen in een slangenkuil

Huub Beurskens
Eigenlijk heb je alles al
Uitgever: Meulenhoff
2008
ISBN 9789029082556
€ 17,90
93 blz.

‘Nooit lukt het ons eraan te ontkomen (…) ons van buitenaf te zien.’ Het klinkt als een verzuchting, één die veel dichters bekend zal voorkomen. Tegen wil en dank draaien de camera’s, om in HD-kwaliteit meedogenloos het handelen, denken en voelen te registreren. En altijd is er natuurlijk de ontembare drang om die registraties in woorden te vatten, in taal te vangen. Het is het soort (zelf)bewustzijn dat zowel plaag als vrucht is van veel poëzie. Huub Beurskens kan erover meepraten. Hij is het die de verzuchting aan het papier toevertrouwt in zijn nieuwste bundel Eigenlijk heb je alles al.

In de confrontatie met het leven en zichzelf lijkt de dichter poëzie te ervaren als een spelend tegenwicht, als een wankel evenwicht ook. Maar het spel geeft hem voldoende zelfrelativering om zich staande te houden. In het openingsgedicht dat de raadselachtige titel ‘Omentomme’ draagt, dicht Beurskens:

(…)
Het is de kunst de terechte eigenangst
te camoufleren als een zelfgegraven kuil
om erin te zitten spelen als een kind
met gifslangen als van louter sitspapier.
(…)

De dichter wuift zijn angst niet weg, noemt die terecht, maar reikt zichzelf tegelijk een manier aan ermee om te gaan: zie het spel in de slangenkuil van je gedachten en ontvouw uit de woorden een werkelijkheid waarmee te leven valt. Misschien wat denkerige poëzie, maar voor mij heeft het voldoende eigenheid om de letterlijke gedachte te ontstijgen. De treffende beeldtaal en de doorschijnende stijl dragen daaraan bij.

Wat in de hele bundel opvalt is dat Beurskens niet de meest lichtvoetige thema’s kiest. Angst en dood komen in soorten en maten voorbij. Met daarnaast een flinke dosis verloren, of erger nog, onbeantwoorde liefde. En waarom ook niet. De literatuur ontleent er sinds mensenheugenis haar bestaansrecht en urgentie aan. Zo ook het aandeel dat Beurskens levert en de afgelopen jaren al leverde. Zijn bundeling verzamelde gedichten, die in 1998 eveneens bij Meulenhoff verscheen, kreeg al de titel Bange natuur mee, kennelijk een typering die past bij wat hij in pakweg twintig jaar publiceerde. Met Eigenlijk heb je alles al trekt hij die lijn door.
Een nuchtere, soms laconieke toon, gecombineerd met de scherpte van denken die Beurskens aan de dag legt, behoedt zijn gedichten voor een topzwaar wegzinken in zwaarmoedigheid en en dat levert boeiende en soms regelrecht mooie poëzie op. Zoals deze zinnen uit ‘Naar boven, meneer?’: ‘Dit wil ik niet langer: elk verlangen maakt banger, / alsof het telkens dit bang zijn zelf is dat verlangen wil.’ Wel legt dit gedicht meteen ook de valkuil bloot die onder het eerder genoemde ‘denkerige karakter’ schuilgaat. Want even verderop gaat de zeggingskracht van de vorm onder de al te uitgesproken gedachte lijden: ‘Nee, het wonder slaat geen wonde maar het laat voor / zijn weer verdwijnen een voor altijd schrijnen na.’ De binnenrijm ligt er hier dik bovenop en de woordkeuze lijkt meer ingegeven door de inhoud dan door de talige intenties. En dat wordt nog erger wanneer Beurskens afsluit met een vraag en antwoord die elkaar in tenenkrommendheid naar de kroon steken: ‘Waarom het ons niet vernielt en op slag verteert? / Omdat ons begeren het wonder zelf bezielt en eert.’

Op andere plaatsen vindt Beurskens gelukkig wel de vorm die zijn gedachten recht doet en die toch voldoende ruimte laat voor de autonome wil van zijn poezië. Juist dit vermogen te balanceren op de evenwichtsbalk tussen vorm en betekenis typeert veel van wat deze bundel aanreikt. Beurskens is niet voor niets een dichter die al jaren meegaat in het circuit. Hij sleepte diverse literaire prijzen in de wacht en bewijst ook in zijn jongste werk zijn meesterschap. Luister naar wat deze patiënt vanuit zijn ziekenhuisbed mijmert in ‘Na de chirurgie’:

Op de gang als van ver weg een zacht gehouden
meisjesgesprek over verliefd zijn en verloofd. Ik
lag en zag en dacht volstrekt pijnvrij dat het goed
was zo. Het besef dat mijn dood zou zijn zoals ik
zelf die middag moest zijn geweest zonder mijzelf
erbij maakte me zo volkomen onsentimenteel blij
(…)

De emotionele afstand die de dichter hier tegenover zichzelf en zijn eigen dood in acht neemt, geeft je als lezer ademruimte. Te meer omdat Beurskens overwegend zonder veel poespas dicht. Zijn verzen lezen zich als uitwaaierende zinnen waarin concrete beelden en associaties in elkaar overlopen en uit elkaar voortvloeien. Interessant is verder hoe de dichter bij herhaling toont dat de schilderkunst hem inspireert en aanzet tot schrijven. Andersom is ook het geval, want Beurskens is tevens actief als beeldend kunstenaar. En dat levert mooie ‘cross-overs’ op. In deze categorie is het gedicht ‘Kleine jongens’ wat mij betreft een hoogtepunt.

(…)
Ik zie de tekening nu ook en uit de diepte van zijn dal klinkt

een populierenruisend kiezelbeekgemurmeld vogellied. Er
zijn twee bergen, noteert Paul Klee – 24 jaar -, op die is het
licht en klaar, die van de dieren en die van de goden, met
ertussen het schemerdal der mensen, en – 41 – volkomen
onvatbaar ben ik, want net zozeer woon ik bij de doden
als bij de ongeborenen, en hij tekent – 60 – met stijfselverf
-als is hij 6– ‘stelzich ein bleib tallein’, een blauwe struik
met een kind alleen dat iedereen van ons zou kunnen zijn.

Dit leest bijna als een dagboek, ogenschijnlijk voor de vuist weg geformuleerd, en toch zo akelig trefzeker. Van een totaal andere orde, want verrassend genoeg bijna humoristisch, is een gedicht naar aanleiding van Gericaults beroemde schilderij ‘Het vlot van de Medusa’ dat een dramatische momentopname laat zien van de overlevenden van een scheepsramp. Alleen, overleven is nog niet: gered. Want, zegt Beurskens: ‘Met honderdvijftig waren ze / toen het begon. Geschrokken/ keek ik om me heen en om in / de zaal der grote formaten. Wie / in deze roezemoezende drom / zou ons het eerst verlaten? Wie / zou weigeren biscuit te delen? / Wie zou als eerste verwilderd / “Wij zijn met veel te velen”/ schreeuwen? (…)’ De keuze om dit menselijke drama ronduit luchtig uit te beelden geeft toegang tot de waanzin en tragiek die erin besloten ligt. Bijzonder jammer is wel dat Beurskens ook hier zijn thematiek overvraagt en zo ver uit wil diepen dat het gedicht uiteindelijk als de spreekwoordelijk nachtkaars uitgaat.

Met zo’n negentig pagina’s is Eigenlijk heb je alles al een stevige bundel geworden. Toch is dat niet direct goed nieuws. Zeer sterke, aansprekende poëzie is gelardeerd met gedichten van beduidend mindere kwaliteit. Soms omdat de dichter zich verslikt in grote-woordenpoezie, of omdat hij simpelweg eerder een punt had moeten zetten, vaker omdat zijn gedachten met zijn gedichten op de loop gaan. Een strengere selectie, en soms ook redactie, had Beurskens hiervoor kunnen behoeden. De uitgever liet in dat opzicht echt steken vallen, ondanks het verder prachtig verzorgde uiterlijk. Van een gerenommeerde uitgever als Meulenhoff mag je toch verwachten dat de rol van kritisch meelezer serieus wordt ingevuld. Al was het maar uit respect voor deze dichter en, niet te vergeten, zijn publiek.

Jan-Paul Rosenberg:

'Een goed gedicht moet verleiden'

 

Jan-Paul Rosenberg (Leiden, 1966) is oprichter, directeur en hoofdredacteur van de literaire uitgeverij Stichting Achterland. Onder diverse pseudoniemen is en was zijn poëzie te zien en te beluisteren op archeologie-tentoonstellingen in de Kunstlinie in Almere en in de radio- en televisieserie Geen dag zonder gedicht in Overijssel van RTV Oost. Ook diverse bloemlezingen namen deze dichter op.

Je bent niet echt meer een nieuweling noemen. Je mocht zelfs hier en daar al een bloemlezing aanvullen met werk van je. Hoe ben je er eigenlijk in verzeild geraakt, in poëzie?
Ik schrijf al sinds mijn middelbareschooltijd, maar pas de laatste jaren slaag ik erin een eigen stilistisch en thematisch idioom aan te boren waarmee ik oprecht uit de voeten kan. Een wezenlijke aanjager voor het schrijven van poëzie is zonder enige twijfel mijn werk als poëzieredacteur. In die hoedanigheid lees ik vrij veel en zeer verschillende gedichten, hetgeen zijn weerslag heeft op mijn eigen werk. Inmiddels vinden mijn gedichten inderdaad hun ‘weg naar de wereld’, zoals gezegd via verscheidene bloemlezingen en recentelijk ook binnen de context van literaire tijdschriften als Meander en Tzum.

Je gedichten roepen vaak een wirwar van beelden op die op hun beurt controverses oproepen, zoals ‘comfortabel profiel op zure benen’. Is dat bewust?
Ik schrijf tamelijk intuïtief, beelden en gedachten ‘overvallen me’, waarna ik probeer ze te ordenen binnen de vorm van een gedicht. Naast traditionele poëziethema’s als liefde, dood en landschap ben ik vooral gefascineerd door de absurditeit van onze samenleving en ons bestaan. Een mij geliefd onderwerp is de strijd tussen de mens als individu en als onderdeel van al of niet gewelddadige sociaal-maatschappelijk systemen. Ik geef daaraan inderdaad bewust uiting door een ietwat vervreemdend taal- en beeldgebruik dat mooi aansluit bij mijn beleving van de vaak chaotische processen die voor deze strijd zo kenmerkend zijn. Ook mijn voorliefde voor complexe en anderstalige titels is hieruit te verklaren. Mijn inspiratie put ik uit letterlijk alle vormen van communicatie: nieuwsberichten, reclameslogans, verkeersborden, krantenkoppen, tijdschriftartikelen en menukaarten, maar ook uit sms-berichten, brieven, muziek, beeldende kunst, (andermans) poëzie en proza. En niet te vergeten: de altijd vitale bron van menselijke conversatie.

Je gebruikt ook liever het tekentje ‘&’ in de plaats van ‘en’ in je gedichten. Waarom?
Leestekens vormen belangrijk elementen van (mijn) poëzie. Ze geven een gedicht dynamiek, ondersteunen de lezer of zetten die juist op het verkeerde been. Leestekens kunnen dienstbaar zijn aan een hechte typografie, versterken het effect van enjambementen. In een gedicht over een postmodern onderwerp beschouw ik het tekentje ‘&’ als een effectief, sfeerbepalend instrument. Dat kan trouwens ook het geval zijn met een uitroepteken of een komma.

Je richtte in 1992  de literaire uitgeverij Stichting Achterland op.  Wat voor een uitgeverij is dat?
Stichting Achterland beoogt de kloof tussen letteren en publiek te verkleinen. We doen dat door proza en poëzie te plaatsen in een context die voor veel mensen vertrouwd en herkenbaar is. Concreet geven we hieraan vorm door het samenstellen en publiceren van geïllustreerde bloemlezingen over Nederlandse streken, steden en provincies. Door de letteren te plaatsen in de context van de eigen stad of streek vergroot je de toegankelijkheid, ook wanneer het gaat om ‘moeilijke’ teksten of indien het publiek geen specifieke affiniteit met letteren heeft. Inmiddels hebben we zo’n dertig bundels het levenslicht doen zien. Naast het samenstellen van bloemlezingen organiseren we ook lezingen, voordrachten, vervaardigen we literaire of literair-historische boeken in opdracht en namen we zitting in een denktank over landschap en schone kunst.

Je bent zelf ook poëzieredacteur. Wat zijn jouw criteria voor een goed gedicht?
Zoals voor veel poëzieliefhebbers – denk ik – geldt dat een gedicht je iets moet ‘doen’; het moet je verleiden. Authenticiteit, originaliteit en oorspronkelijkheid zijn voor mij belangrijke ijkpunten daarbij. Er zijn zoveel mooie gedichten geschreven. Naar mijn idee is het zinvol je als startende dichter – en poëzielezer – te concentreren op een ‘niche’, zoiets als ‘dichter of lezer zijn van het ongeziene en onbeduidende’. Speelsheid, ironie en humor vind ik ook belangrijk, evenals hechtheid en virtuositeit. Wanneer ik als redacteur naar gedichten kijk, speelt ook de thematische inpasbaarheid een rol – een gedicht over Amsterdam past uiteraard niet in een bundel over Zeeland.

Laatste vraag: als je één wens mocht doen voor je poëzie, welke zou dat dan zijn?
Dat ze een plekje mag vinden binnen de rijke literaire traditie op wier schouders ze staat.

Gedichten

Gedenklied voor de slaap

Zie hoe de duisternis herstelt
van regen, een schaduw zich losmaakt
van een lichaam, zich de dag in schrijft
met zinnen à la ‘de weg naar geluk

kent geen woorden’, een titel erboven
als ‘compositie’, afdruipt
met de afgesneden oren

van de eerste mens: comfortabel
profiel op zure benen, verzegeld
met regels als ‘vandaag begint’.

Iets juichends

Bijvoorbeeld de jeugd waarin
zoveel te lachen viel met de als dorpsgek
verklede engel die kraaien op aarde strooide
goedkope sneeuw.

Wat proefde ik in dat blauwe
harnas van de hemel die mij
zo onbaatzuchtig zoogde?

Een synoniem voor je ogen?

Het zog van de zon?


Authenticity is no commodity!

Deze en andere wijsheid valt te beluisteren
in het VAC (Varkensactiviteitencentrum) een
onderafdeling van de HB (Hersenbank) in het NL
(Nieuwe Land), niets daarvan

neem ik mee, geen korrel zand in een dagboek
geen lied uit de ether, ik laat de maagdelijke
stranden walviskadavers, wind het donker
van papieren huizen, koriander, gezaaid

voor het eerste licht, evenmin
de prenatale kleuren, ziel
die van een vorig leven
overschoot, blijf binnen

mijn model: zie het na al
die jaren nog bloeien, blind voor bekijks
& zonder onderscheid tussen verdroogde

& verzopen einders, nog hoor ik ze denken
‘water is mooier dan zon’, vertrouwde het
mijn dode goden toe – één ding weet ik
zeker

dode goden spreken niet tegen.

Miriam Van hee:

'Ik was al dichter voor ik daadwerkelijk ging schrijven'

 

Miriam Van hee studeerde Slavische Filologie aan de Rijksuniversiteit in Gent. Ze debuteerde met de dichtbundel Het karige maal in 1978. Haar werk werd vaak onderscheiden. Ze schrijft niet alleen goede oorspronkelijke poëzie, maar vertaalt ook veel gedichten, onder andere van de Russische dichteres Anna Achmatova. De populariteit van de poëzie van Miriam Van hee lijkt steeds te groeien. Zo werd haar laatste bundel Buitenland  maar liefst vijf maal herdrukt.

Foto: Kris Ervynck

Waarom bent u gedichten gaan schrijven?
Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat ik al een dichter was voor ik daadwerkelijk ging schrijven. Intussen weet ik dat ik het wel kan, als ik heel erg mijn best doe. Ik heb het gevoel dat het mijn plicht is om goede gedichten te schrijven. Het is niet mijn broodwinning, en eigenlijk ook weer wel, alleen niet letterlijk. In het Frans kun je zeggen: gagner sa vie. Dat bedoel ik. Maar hoe het begonnen is? Toen ik voor het eerst probeerde een gedicht te schrijven heb ik wellicht aangevoeld dat het iets was wat mijn leven bijzonder zou kunnen maken, en dat ik hiermee moest doorgaan. Niet in de eerste plaats om respect en aandacht te verwerven, maar om een waardevol leven te leiden.

Wanneer bent u tevreden over een gedicht?
Met de jaren duurt het steeds langer voor ik een gedicht goed vind. Dat lijkt me logisch. Ik wil geen gedichten publiceren die niet hetzelfde niveau halen als de meest recente. Je hebt jezelf als dichter beter leren kennen – onder meer door het schrijven – en je vakmanschap is hoe dan ook toch groter geworden. Ik denk nu veel meer na over elke regel dan vroeger en ik voel ook veel sneller aan wanneer iets overbodig is of niet klopt.

Wat is het verschil tussen uw huidige poëzie en uw eerste gedichten?
Grofweg gezegd is er een evolutie naar een grotere afstandelijkheid, bedachtzaamheid. Mijn eerste gedichten blijven wel eens steken in het anekdotische of geven alleen een bepaalde sfeer weer, terwijl er nu meer ‘inhoud’ is, vind ik zelf. En er staan in mijn vroege gedichten nogal wat verzuchtingen, wat te veel zelfbeklag misschien. Ik ben gewoon niet zo romantisch meer. Er is meer vreugde en geluk in de laatste bundels.

U heeft al vaak literaire prijzen gewonnen, maar op welke prijs of onderscheiding bent u het trotst?
De eerste Nederlandse prijs was toch wel heel bijzonder, de Jan Campertprijs – als ik het goed heb was dat 1989. Precies omdat je plots beseft dat je ook buiten de landsgrenzen gelezen wordt. Ik herinner me dat na die bekroning ook de binnenlandse aandacht voor mijn werk opmerkelijk toenam. Maar dat er van mijn laatste bundel Buitenland vijf herdrukken kwamen, ervaar ik zelf toch ook als een bekroning.

Kunt u verklaren waarom uw gedichten erg in de smaak vallen?
Misschien omdat de onderwerpen weinig vergezocht zijn en de taal zo eenvoudig en direct mogelijk is. Maar de professionele lezer valt het meestal wel op dat veel van mijn gedichten op verschillende niveaus kunnen gelezen worden en dat vorm en inhoud intens verstrengeld zijn, wat wellicht de muzikaliteit uitmaakt van mijn gedichten.

Uw poëzie is in vele talen vertaald. Hoe is het om uw gedichten in vertaling te lezen?
Natuurlijk ben ik maar een paar talen machtig. Bij de Franse, de Engelse en de Russische vertaling heb ik inspraak gehad. De respectieve vertalers hebben met mij gecorrespondeerd, mij vragen gesteld en keuzes voorgelegd. Dat kwam in alle gevallen de vertaalde versie ten goede, denk ik. In het Litouws en het Fins moest ik vertrouwen hebben in de vertalers, want ik kan mijn gedichten in die talen met moeite herkennen. Maar in het Spaans en het Zweeds is de vertaling gebeurd in samenwerking met een bevriende Nederlandstalige vertaler, zodat ik me daar weinig zorgen om heb gemaakt, de ernst en de kennis van beide vertalers indachtig.

In welke andere taal komen uw gedichten het best tot zijn recht?
Tja, dat is moeilijk te zeggen omdat alleen het Nederlands mijn moedertaal is. Ik denk dat waar de kloof tussen de schrijf- en de spreektaal het kleinst is, mijn gedichten het minst veranderd zijn in de vertaling. De Russische poëtische taal is dermate gelaagd dat, als je mijn gedichten letterlijk zou vertalen, het voor de Russische lezer misschien geen poëzie zou zijn, omdat hij dergelijke sobere en toch exacte – naar mijn gevoel althans – taal niet als poëzie herkent. Er komen in de Russische versie bijvoorbeeld veel meer deelwoorden voor dan in de Nederlandse.

U vertaalt zelf ook gedichten. Wanneer is een vertaling van een gedicht voor u geslaagd?
Als ze hetzelfde effect bij de lezer teweeg brengen. Als iets van de poëtische taal kan worden gerealiseerd in de doeltaal, het ritme bijvoorbeeld, dat vind ik zelf erg belangrijk. Je moet je als vertaler dienstbaar opstellen en proberen vaststellen wat de dichter van het oorspronkelijke gedicht belangrijk vindt.

Welke dichter zou u graag nog eens vertalen?
Ik zou me wel graag nog eens wagen aan een vertaling van Brodski, maar ondertussen maak ik al een paar jaar deel uit van het Collectief van poëzievertalers dat aan de Gentse Universiteit onder leiding van prof. Thomas Langerak gedichten uit het Russisch vertaalt. Het laatste wat we vertaalden waren gedichten van Mandelstam. Daarvoor hebben we gedichten van Bachyt Kenzjeev vertaald. Maar verder zou ik nog graag Russisch proza vertalen, Fazil Iskander, Joeri Kazakov en Joeri Trifonov bijvoorbeeld. Van hen is destijds maar een heel klein deel in het Nederlands vertaald.

Er was toch sprake van dat u de nieuwe stadsdichter van Gent zou worden?
Ik ben uiteindelijk niet ingegaan op het aanbod van de Stad Gent. Mijn motivatie om gedichten te gaan schrijven over de opening van een nieuw museum of de heraanleg van een plantsoen was toch niet groot genoeg. Daarbij kwam dan nog het schamele honorarium dat de Stad Gent me daarvoor aanbood. In Antwerpen schijnt een stadsdichter het tienvoudige te krijgen. In dat geval zou ik nog eens goed nagedacht hebben alvorens te bedanken voor de eer.

Denkt u dat u als stadsdichter andere gedichten zou hebben geschreven?
Dat is dus het probleem. Ik denk niet dat ik goed ben in andere dan mijn gewone gedichten. Ik heb wel eens gedichten op verzoek geschreven maar zulks kost me buitengewone inspanningen. IJdelheid doet me ingaan op zo’n verzoek, maar algauw denk ik dan ‘waar ben ik in ‘s hemelsnaam aan begonnen, hoe kom ik hier weer van af?!’. Terwijl ik, eerlijk gezegd, wel vind dat een dichter dat zou moeten kunnen, het hoort tot zijn métier.

Wanneer kunnen we een nieuwe dichtbundel van u verwachten?
Nog niet zo gauw. Misschien zou ik, als ik vaker probeerde te schrijven, meer gedichten kunnen produceren, maar het niveau zou toch niet stijgen, meen ik. Het lijkt erop dat ik niet meer te zeggen heb dan zo’n 35 gedichten om de vier of vijf jaar. Ik kan daar zelf wel vrede mee nemen.